﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<!DOCTYPE staatsbl PUBLIC "-//SDU//DTD staatsblad xml 1.1//NL" "../../dtd/staatsbl-11.dtd"[]>
<staatsbl id="sb999.412" soort="kb" publtype="kobe">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-1999-412/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel status="off">Staatsblad</titel>
    <subtitel>van het Koninkrijk der Nederlanden</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.4" conv="port1.2" markup="c1xa"></versie>
    <ordernr>STB5218</ordernr>
    <stb>
      <jaargang jaar="1999">Jaargang 1999</jaargang>
      <stbjaar>1999</stbjaar>
      <stbnr>412 </stbnr>
    </stb>
    <intitule>
      <soort>Besluit</soort> van 20 september 1999, houdende vantoepassingverklaring
van enige voorschriften van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken met betrekking
tot installaties ter zee (Interimbesluit vergunningplicht installaties ter
zee)</intitule>
    <aanhef>
      <wie>Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.</wie>
      <consider>
        <al>Op de voordracht van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat van
18 mei 1999, nr. CDJZ/WVW 1999-758, Centrale Directie Juridische Zaken;</al>
        <al>Gelet op de <grslag>artikelen 3 en 5 van de Wet installaties Noordzee</grslag>;</al>
        <al>De Raad van State gehoord (advies van 8 juli 1999, nr. W09.99.0242/V.);</al>
        <al>Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat
van 14 september 1999, nr. CDJZ/WVW/1999-1314, Centrale Directie Juridische
Zaken;</al>
      </consider>
      <afkondig>Hebben goedgevonden en verstaan:</afkondig>
    </aanhef>
  </frontm>
  <body>
    <art id="a1">
      <kop>
        <nr>Artikel 1</nr>
      </kop>
      <al>De artikelen 2, 3, 5, eerste en derde lid, en 7 van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken
zijn van toepassing met betrekking tot installaties ter zee in de zin van
de Wet installaties Noordzee, met uitzondering van mijnbouwinstallaties als
bedoeld in artikel 1 van het Mijnreglement continentale plat.</al>
    </art>
    <art id="a2">
      <kop>
        <nr>Artikel 2</nr>
      </kop>
      <al>Artikel 1 is niet van toepassing ten aanzien van installaties die zijn
opgericht voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit.</al>
    </art>
    <art id="a3">
      <kop>
        <nr>Artikel 3</nr>
      </kop>
      <al>Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte
van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.</al>
    </art>
    <art id="a4">
      <kop>
        <nr>Artikel 4</nr>
      </kop>
      <al>Dit besluit wordt aangehaald als Interimbesluit vergunningplicht installaties
ter zee. </al>
    </art>
  </body>
  <backm>
    <nawerk>
      <slotform>Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota
van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.</slotform>
      <histnoot>
        <al>Het advies van de Raad van State is openbaar gemaakt door terinzagelegging
bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.</al>
        <al>Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage gelegde stukken worden
opgenomen in het bijvoegsel bij de Staatscourant van 9 november 1999, nr.
216.</al>
      </histnoot>
      <ondertek>
        <ondplts>'s-Gravenhage, </ondplts>
        <onddatum>20 september 1999</onddatum>
        <koning>Beatrix </koning>
        <minister>
          <minvan>De Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat,</minvan>
          <naam>J. M. de Vries</naam>
        </minister>
      </ondertek>
      <uitgifte>
        <uitgifte-regel>Uitgegeven de <nadruk type="cur">vijfde</nadruk> oktober 1999</uitgifte-regel>
        <uitdag>vijfde</uitdag>
        <uitmaand>oktober</uitmaand>
        <uitjaar>1999</uitjaar>
        <door>
          <minvan>De Minister van Justitie,</minvan>
          <naam>A. H. Korthals </naam>
        </door>
      </uitgifte>
    </nawerk>
    <notatoe>
      <kop>
        <titel status="off">NOTA VAN TOELICHTING </titel>
      </kop>
      <tuskop letat="vet">Algemeen </tuskop>
      <tuskop letat="cur">1. Inleiding</tuskop>
      <al>De laatste jaren neemt het aantal ideeën en initiatieven betreffende
activiteiten op zee toe. In de nota naar aanleiding van het verslag bij het
wetsvoorstel tot instelling van een exclusieve economische zone van het Koninkrijk
(Rijkswet instelling exclusieve economische zone) zijn daarvan enige voorbeelden
genoemd (Kamerstukken II 1998/99, 25 446 (R 1594), nr. 5, blz. 5).
Bij de mondelinge behandeling van het genoemde wetsvoorstel in de Tweede Kamer
op 4, 9 en 16 maart 1999 is in ruime mate aandacht besteed aan een van de
in dat kader genoemde initiatieven, te weten de van particuliere zijde voorgenomen
bouw van een zendinstallatie in de Noordzee, op het Nederlandse deel van het
continentale plat, ten behoeve van het verzorgen van radio-uitzendingen. Dit
project kan, naar het zich laat aanzien, binnen vrij korte termijn in de uitvoeringsfase
komen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In het debat is van de zijde van de Kamer gesignaleerd, dat het tot nog
toe toepasselijke wettelijke instrumentarium niet voorziet in de mogelijkheid
om van overheidswege een bindende toetsing, met bredere reikwijdte dan die
van de reeds toepasselijke telecommunicatiewetgeving, van een zodanig gesitueerd
bouwproject te verrichten. Van regeringszijde is de lacune in het instrumentarium
erkend. Op verzoek van de Kamer is schriftelijk aangegeven (Kamerstukken II
1998/99, 25 446 (R 1594), nrs. 7 en 8) dat ter voorziening in de behoefte
aan een wettelijk toetsingskader voor de zeer korte termijn gedacht wordt
aan het voorbereiden van een algemene maatregel van bestuur op basis van artikel
3 van de Wet installaties Noordzee, strekkende tot het van toepassing verklaren
van voorschriften van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken ten aanzien van
installaties ter zee. Ter gelegenheid van de genoemde mondelinge behandeling
is vervolgens ook de aankondiging gedaan dat een zodanige maatregel zal worden
voorbereid (Handelingen II, 9 maart 1999, blz. 54–3464). In aansluiting
op het debat is een motie van het lid Hoekema c.s. aanvaard (Kamerstukken
II, 1998/99, 25 446 (R 1594), nr. 9), waarin gevraagd wordt met de grootst
mogelijke voortvarendheid te werken aan een algemene maatregel van bestuur
dan wel relevante (nood)wetgeving voor de toetsing van bouwactiviteiten.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Met het Interimbesluit vergunningplicht installaties ter zee, hierna aan
te duiden als het interimbesluit, wordt een eerste stap gezet in de richting
van de aangekondigde aanvulling van het instrumentarium. Het interimbesluit
heeft een voorlopig karakter en moet gevolgd worden door formele wetgeving,
zoals hierna zal worden uiteengezet. Het interimbesluit treedt in werking
met ingang van de dag na die van de bekendmaking in het Staatsblad. Uitgangspunt
daarbij is, dat voornemens, al dan niet op korte termijn uit te voeren, tot
het in stand houden van installaties ter zee, in het kader van een vergunningstelsel
een bindende toetsing van overheidswege zullen moeten ondergaan met het oog
op de bescherming van relevante openbare belangen – zowel in verband
met menselijk gebruik van de zee als met natuur en milieu – die hierna
in onderdeel 3 nader aan de orde komen. Hiermee wordt beoogd te voorkomen
dat het nog nader uit te werken wettelijke regime voor de Nederlandse exclusieve
economische zone (EEZ), dat de bedoelde belangen zal moeten beschermen, bij
voorbaat zou kunnen worden uitgehold. Een uitzondering geldt voor de exploitatie
van mijnbouwinstallaties, aangezien hiervoor reeds een passend wettelijk regime
in de vorm van de Mijnwet continentaal plat van toepassing is.  </al>
      <tuskop letat="cur">2. Effectieve bescherming van belangen</tuskop>
      <al>Tot nog toe bestaat het overheidsinstrumentarium met betrekking tot installaties
ter zee, niet zijnde mijnbouwinstallaties, vooral uit een algemene maatregel
van bestuur op grond van artikel 7 van de Wet installaties Noordzee (Win).
Dit artikel houdt in dat hetzij in het belang van de scheepvaart, de visserij,
het in stand houden van de levende rijkdommen van de zee, zuiver wetenschappelijk
onderzoek, het leggen en onderhouden van onderzeese kabels en pijpleidingen
of het voorkomen van verontreiniging van de zee, hetzij ter bescherming van
andere door het volkenrecht erkende belangen, bij algemene maatregel van bestuur
(amvb) voorschriften worden vastgesteld ten aanzien van bestaande of nog op
te richten installaties op het continentale plat. Een zodanige amvb is op
19 juli 1974 onder verantwoordelijkheid van de Minister van Defensie tot stand
gekomen (Stb. 514). Die amvb bevat onder andere de verplichting om van een
voorgenomen plaatsing van een installatie op het continentale plat schriftelijk
mededeling te doen aan de genoemde minister, alsmede voorschriften aangaande
de deugdelijkheid van de installatie als zodanig, de veilige plaatsing en
verankering daarvan en dergelijke, voorts meer specifieke voorschriften met
het oog op de veiligheid van de scheepvaart, in concreto ten aanzien van verlichting
van de installatie, de voorzieningen voor het geven van geluidssignalen en
het gebruik daarvan, alsmede beknopte voorschriften over de wijze van een
eventuele verwijdering van een installatie en een meldingsplicht ter zake.
Het gaat hier om algemene regels, die op een aantal punten bij ministeriële
regeling kunnen worden geconcretiseerd. Deze algemene regels bieden een bescherming
voor een aantal, maar niet alle in artikel 7 van de Win genoemde belangen.
Zo bevat de genoemde amvb geen verplichting tot verwijdering van een installatie
na beëindiging van het gebruik daarvan. Een aanvulling van de meergenoemde
amvb op dit punt is in voorbereiding. Artikel 7 van de Win biedt echter geen
goed kader voor een regulering die is toegesneden op afzonderlijke installaties
ter zee. Aan het laatste bestaat wel behoefte, omdat het bij dit soort projecten
niet om standaardgevallen gaat.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Toepasselijkheid van een vergunningstelsel met een voldoende breed wettelijk
kader zou een afweging van overheidswege – met bindend resultaat –
mogelijk maken aangaande de aanvaardbaarheid van het in stand houden van een
installatie in het zeegebied, in het licht van de genoemde belangen en andere
vergelijkbare belangen. Wat dit betreft valt te denken aan het algemene belang
van een goed beheer van het zeegebied, waaronder de zeebodem met het steeds
dichtere web van de zich daarop of daarin bevindende kabels en leidingen,
waarbij gewaakt wordt tegen aantasting van de verschillende ecologische functies
en gebruiksfuncties. In het kader van een vergunningstelsel is ook het stellen
van gerichte voorschriften ten aanzien van afzonderlijke installaties mogelijk.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Nu in de huidige omstandigheden denkbeelden omtrent het mogelijk functioneren
van andere installaties ter zee dan mijnbouwinstallaties steeds meer realiteitswaarde
krijgen, is het in dit licht gewenst daarvoor een vergunningstelsel van toepassing
te doen zijn. Hiertoe wordt voorlopig in eerste instantie gebruik gemaakt
van artikel 3 van de Win, welk artikel inhoudt dat op en met betrekking tot
installaties ter zee de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen Nederlandse
wettelijke voorschriften gelden.  </al>
      <tuskop letat="cur">3. Toepasselijkheid van de Wbr</tuskop>
      <al>Het interimbesluit voorziet in het uitbreiden van de werkingssfeer van
de artikelen 2, 3, 5, eerste en derde lid, en 7 van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken
(Wbr) naar installaties ter zee. Langs deze weg wordt de vergunningplicht
van artikel 2 van die wet voor het houden van werken, die reeds van toepassing
is in de territoriale zee, mede van toepassing op installaties in het zeegebied
van het continentale plat. Het bevoegd gezag voor de vergunningverlening is
de Minister van Verkeer en Waterstaat.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Ingevolge artikel 3 van de Wbr omvat het afwegingskader voor de vergunningen
zowel waterstaatkundige als andere belangen, althans voor zover in de bescherming
daarvan niet is voorzien door andere toepasselijke wettelijke regimes. De
waterstaatkundige belangen betreffen de bescherming van waterstaatswerken,
in casu de zee en de bodem daarvan, en de verzekering van het doelmatig en
veilig gebruik van waterstaatswerken. Deze belangen vallen voor een belangrijk
deel samen met de hierboven vermelde belangen waarvoor artikel 7 van de Win
in een eerste bescherming via algemene regels voorziet. In de memorie van
toelichting bij het wetsvoorstel voor de Wbr is onder andere vermeld, dat
de zorg voor het doelmatig en veilig gebruik van de zeebodem een vrij intensieve
bemoeienis van Rijkswaterstaat vraagt met activiteiten op de zeebodem. Tot
nog toe mondt dit voor wat betreft de territoriale zee uit in voorschriften
ten aanzien van de locatie of het tracé, de diepteligging en de gronddekking
van pijpleidingen, telecommunicatiekabels en dergelijke. Ook het zeegebied
waarvan de grenzen samenvallen met het aan Nederland toekomende gedeelte van
het continentale plat is overigens reeds geruime tijd voorwerp van beheer
van rijkswege, zoals onder andere geïllustreerd wordt door de meergenoemde
amvb op grond van artikel 7 van de Win en vergelijkbare beschermende regulering
in het kader van de Mijnwet continentale plat alsmede, meer recent, de uitbreiding
van de reikwijdte van de Ontgrondingenwet in het kader van de wijziging van
die wet die is bewerkstelligd bij wet van 20 juni 1996 (Stb. 411).</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Voor de reikwijdte van de toetsing van projecten is van belang, dat blijkens
de parlementaire geschiedenis van het wetsvoorstel voor de Wbr de noodzaak
tot bescherming van andere dan waterstaatkundige belangen, bij voorbeeld natuur-
en milieubelangen, in het kader van de Wbr ook op zichzelf de basis kan vormen
voor vergunningweigering of het stellen van bepaalde voorschriften (Kamerstukken
II 1995/96, 24 573, nr. 6, blz. 3).</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Als belangrijk richtsnoer voor het vergunningenbeleid geldt het gestelde
ten aanzien van ontwikkelingen in het Noordzeegebied in de Regeringsbeslissing
Vierde Nota waterhuishouding, welke bij brief van 10 februari 1999 is aangeboden
aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II 1998/99, 26 401, nr. 1). In het
kort weergegeven, houdt dit een terughoudende benadering in, zowel voor verontreiniging
als verstoring. Verantwoorde economische ontwikkelingen blijven in principe
mogelijk, maar het watersysteem Noordzee verdient een zorgvuldige afweging
van projecten.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Een belangrijk hulpmiddel ten behoeve van gerichte informatieverzameling
voor wat betreft de milieu-aspecten is uiteraard de milieu-effectrapportage.
In afwachting van een beslissing – aansluitend aan de instelling van
de EEZ – aangaande toepasselijkheid van het hoofdstuk inzake milieu-effectrapportage
van de Wet milieubeheer ten aanzien van milieurelevante projecten en dienovereenkomstige
aanvulling van de aanwijzing van mer-plichtige activiteiten en
daarbij behorende overheidsbesluiten, zal in het kader van de behandeling
van Wbr-vergunningaanvragen voor installaties ter zee een milieu-effectrapport
worden gevraagd van de aanvrager, waarbij zo veel mogelijk overeenkomstige
toepassing zal worden gegeven aan genoemd hoofdstuk van de Wet milieubeheer.</al>
      <al>Te denken valt aan het vaststellen van richtlijnen voor het op te stellen
rapport, met een adviserende rol van een daarvoor ingestelde commissie van
deskundigen. </al>
      <tuskop letat="cur">4. Handhaving</tuskop>
      <al>Met betrekking tot de handhaving van de uit het interimbesluit voortvloeiende
vergunningplicht en de te stellen vergunningvoorschriften is van belang, dat
thans de artikelen 5, eerste en derde lid, en 7 van de Wbr mede van toepassing
worden verklaard met betrekking tot installaties ter zee.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Artikel 5, eerste lid, van de Wbr betreft de aanwijzing van toezichthouders.
Als gevolg van het van toepassing verklaren van artikel 5, eerste lid, Wbr
ten aanzien van installaties ter zee, kunnen de aan te wijzen toezichthouders
met betrekking tot zodanige installaties optreden met gebruikmaking van de
bevoegdheden die zijn toegekend in afdeling 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht
(toezicht op de naleving). Voor de Wbr zijn tot nog toe onder andere gezagvoerders
van dienstvaartuigen als toezichthouders aangewezen. Er is een aanvullende
aanwijzing van toezichthouders, met betrekking tot installaties ter zee, voorbereid
uit hoofde van artikel 5 van de Wbr in samenhang met het interimbesluit. Artikel
5, derde lid, van de Wbr voorziet in het doen van mededeling van de aanwijzing
in de Staatscourant.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Artikel 7 Wbr houdt een bevoegdheid voor de Minister van Verkeer en Waterstaat
in tot het toepassen van bestuursdwang in en brengt ook de toepasselijkheid
met zich mee van de afdelingen 5.3 (bestuursdwang) en 5.4 (dwangsom) van de
Algemene wet bestuursrecht. </al>
      <tuskop letat="cur">5. Internationaal juridisch kader</tuskop>
      <al>In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel voor de Win zijn voor
wat betreft de internationaalrechtelijke fundering van de wettelijke voorschriften
uiteenzettingen opgenomen over de destijds voor Nederland toepasselijke verdragen
inzake het continentale plateau en inzake de volle zee (Kamerstukken II 1963/64,
7 643, nr. 3, blz. 4, l.k.). Daarbij is aangegeven, dat de uitoefening
van jurisdictie door een kuststaat ten aanzien van installaties ter zee beperkt
zal moeten blijven tot hetgeen redelijkerwijs nodig is voor de bescherming
van internationale of eigen nationale belangen (Kamerstukken II 1963/64, 7 643,
nr. 3, blz. 4, r.k.). Blijkens artikel 7 van de Win is het destijds reeds
nodig geacht dat Nederland onder meer regulerend zou kunnen optreden ter voorkoming
van verontreiniging van de zee. Wat dit laatste betreft rust op Nederland
inmiddels een rechtsplicht ingevolge het op 22 september 1992 te Parijs tot
stand gekomen Verdrag inzake de bescherming van het mariene milieu in het
Noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan (Trb. 1993, nr. 16). Dit verdrag,
kortweg aan te duiden als OSPAR-verdrag, richt zich blijkens artikel 1 mede
op de zee buiten en grenzend aan de territoriale zee van de verdragsluitende
Partijen, voor zover die zich onder de rechtsmacht van de kuststaat bevindt
in de door het internationale recht erkende mate.</al>
      <al>Het OSPAR-verdrag bevat in artikel 2 verplichtingen voor de betrokken
staten om, kort samengevat, verontreiniging van en verstoring in het zeegebied
zo veel mogelijk te voorkomen en te beëindigen. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Inmiddels is het voor het continentale plateau relevante internationale
recht te zamen met het internationaalrechtelijke EEZ-regime vervat in het
op 10 december 1982 te Montego-Bay tot stand gekomen Verdrag van de Verenigde
Naties inzake het recht van de Zee, met bijlagen (het VN-Zeerechtverdrag,
Trb. 1983, 83), waartoe het Koninkrijk als partij is toegetreden. Het bedoelde
EEZ-regime, dat de kuststaat onder andere rechtsmacht toekent ten aanzien
van kunstmatige eilanden en installaties, maakt naar het oordeel van de regering
reeds deel uit van het internationale gewoonterecht. De voorgenomen instelling
van een EEZ, waarvan de grenzen zullen samenvallen met die van het huidige
continentale plateau en de zeegrenzen met de buurstaten, zal de Nederlandse
overheid naar verwachting binnenkort een uitdrukkelijke basis bieden om regulerend
op te treden ten aanzien van installaties in die zone. </al>
      <tuskop letat="cur">6. Voorbereiding formele wetgeving</tuskop>
      <al>Op grond van artikel 6 van de Win moet de onderhavige amvb onverwijld
worden ingetrokken indien niet binnen drie maanden na de inwerkingtreding
een wetsvoorstel bij de Staten-Generaal is ingediend ter vervanging van het
interimbesluit. In het voorgaande ligt besloten dat de Wbr-vergunningplicht
ook na het verstrijken van de drie-maandentermijn van toepassing moet blijven
ten aanzien van installaties ter zee. Uitbreiding van de vergunningplicht
is bovendien gewenst tot andere werken dan installaties, zoals kabels en leidingen,
alsmede kunstmatige eilanden. In verband hiermee is een wetsvoorstel in voorbereiding
tot wijziging van de Wbr. Het is de bedoeling dat de beoogde wijzigingswet
spoedig na het tijdstip van instelling van de EEZ in werking zal treden, tenzij
zich nog ontwikkelingen als hierna onder 7 bedoeld zouden voordoen die nopen
tot vaststelling van een eerdere inwerkingtredingsdatum.</al>
      <al>Daarnaast wordt in interdepartementaal overleg thans bezien of en in hoeverre
het toepassingsgebied van de Wet milieubeheer of andere wetten zou moeten
worden uitgebreid tot de EEZ. Toepasselijkheid van andere wetten zou dan waar
nodig voor wat betreft de door die wetten gereguleerde aspecten in de plaats
treden van de toepassing van de Wbr, gelet op de in onderdeel 3 beschreven
clausulering van het afwegingskader van die wet. </al>
      <tuskop letat="cur">7. De oprichting van installaties</tuskop>
      <al>Artikel 3 van de Win heeft, anders dan artikel 7 van die wet, niet uitdrukkelijk
mede betrekking op nog op te richten installaties. Het is echter wel de bedoeling
dat in het onder 6 bedoelde wetsvoorstel er in zal voorzien dat de vergunningplicht
van de Wbr mede van toepassing zal zijn ten aanzien van het maken van werken
in de zin van laatstgenoemde wet, dus ook op het oprichten van een installatie.
In afwachting van de realisering van de beoogde wetswijziging wordt, ingeval
een melding van een nieuw initiatief voor het maken van werken in het gebied
van de EEZ wordt ontvangen, aan de betrokkenen onverwijld mededeling gedaan
van het genoemde wetgevingsvoornemen, opdat geen ongefundeerde verwachtingen
kunnen ontstaan.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Ten aanzien van het in de inleiding vermelde initiatief tot oprichting
van zendmasten ligt de situatie wat dit betreft anders, aangezien het voornemen
tot oprichting van de desbetreffende installatie reeds in 1998 is gemeld aan
de Minister van Defensie. Vanwege verschillende ministeries is reeds enige
tijd overleg gaande met de initiatiefnemer inzake het in acht nemen van de
wettelijke voorschriften uit hoofde van de telecommunicatiewetgeving en de
bovengenoemde amvb op basis van artikel 7 van de Win, alsmede de Wbr-vergunningplicht
met betrekking tot de door territoriale wateren geprojecteerde
kabelverbinding met het land. Dit overleg is inmiddels uitgebreid tot het
onderwerp van de vergunningverlening voor het houden van de installatie na
de voorgenomen oprichting daarvan. </al>
      <tuskop letat="vet">Artikelsgewijze toelichting </tuskop>
      <tuskop letat="cur">Artikel 1</tuskop>
      <al>De term installaties ter zee wordt hier gebruikt in de betekenis die artikel
1 van de Win daaraan toekent:, te weten installaties opgericht buiten de territoriale
wateren op de bodem van het deel van de Noordzee waarvan de grenzen samenvallen
met die van het aan Nederland toekomende gedeelte van het continentale plat. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 2</tuskop>
      <al>Er bevindt zich thans, afgezien van mijnbouwinstallaties, één
installatie op het Nederlandse deel van het continentale plat, welke gebruikt
wordt voor diverse metingen en van Rijkswege wordt beheerd. Vergunningverlening
in het kader van het interimbesluit is niet nodig; in het kader van de onder
6 bedoelde wijziging van de Wbr kan het vergunningenregime op de installatie
van toepassing worden. </al>
      <minister>
        <minvan>De Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat,</minvan>
        <naam>J. M. de Vries</naam>
      </minister>
    </notatoe>
  </backm>
</staatsbl>