﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<!DOCTYPE staatsbl PUBLIC "-//SDU//DTD staatsblad xml 1.1//NL" "../../dtd/staatsbl-11.dtd"[]>
<staatsbl id="sb999.229" soort="kb" publtype="kobe">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-1999-229/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel status="off">Staatsblad</titel>
    <subtitel>van het Koninkrijk der Nederlanden</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.4" conv="port1.2" markup="c1xa"></versie>
    <ordernr>STB4981</ordernr>
    <stb>
      <jaargang jaar="1999">Jaargang 1999</jaargang>
      <stbjaar>1999</stbjaar>
      <stbnr>229 </stbnr>
    </stb>
    <intitule>
      <soort>Besluit</soort> van 31 mei 1999, houdende wijzigingen in
het Besluit personenvervoer ter implementatie van verordening (EG) nr. 11/98
en verordening (EG) nr. 12/98</intitule>
    <aanhef>
      <wie>Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.</wie>
      <consider>
        <al>Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 16 februari
1999, nr. CDJZ/WVW/1999–147, Centrale Directie Juridische Zaken;</al>
        <al>Gelet op <grslag>Verordening (EG) nr. 11/98 van de Raad van de Europese
Unie van 11 december 1997 tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 684/92 houdende
gemeenschappelijke regels voor het internationaal vervoer van personen met
touringcars en met autobussen (PbEG L 4), Verordening (EG) nr. 12/98 van de
Raad van de Europese Unie van 11 december 1997 tot vaststelling van de voorwaarden
waaronder vervoersondernemers worden toegelaten tot binnenlands personenvervoer
over de weg in een lidstaat waar zij niet gevestigd zijn (PbEG L 4) zijn en
artikel 64 van de Wet personenvervoer</grslag>;</al>
        <al>De Raad van State gehoord (advies van 11 maart 1999, nr. W09.99.0066/V);</al>
        <al>Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van
25 mei 1999, nr. CDJZ/WVW/1999-722, Centrale Directie Juridische Zaken;</al>
      </consider>
      <afkondig>Hebben goedgevonden en verstaan:</afkondig>
    </aanhef>
  </frontm>
  <body>
    <wart id="ai">
      <kop>
        <nr>ARTIKEL I</nr>
      </kop>
      <al>Het Besluit personenvervoer<eindref refid="e1"></eindref> wordt gewijzigd als volgt:</al>
      <al>A. Artikel 1 wordt gewijzigd als volgt:</al>
      <wond>
        <nr>1.</nr>
        <al>Onderdeel d komt te luiden:</al>
        <arttkst>
          <al>d. Richtlijn nr. 96/26/EG: richtlijn nr. 96/26/EG van de Raad van de Europese
Unie van 29 april 1996 inzake de toegang tot het beroep van ondernemer van
goederen-, respectievelijk personenvervoer over de weg, nationaal en internationaal,
en inzake de wederzijdse erkenning van diploma's, certificaten en andere titels
ter vergemakkelijking van de uitoefening van het recht van vrije vestiging
van bedoelde ondernemers (PbEG L 124).</al>
        </arttkst>
      </wond>
      <wond>
        <nr>2.</nr>
        <al>Onderdeel e vervalt. </al>
        <al>B. In artikel 24, tweede lid, wordt «het eerste, tweede en derde
lid van artikel 3 van de Richtlijn 77/796/EEG» vervangen door: artikel
3, eerste en tweede lid, van Richtlijn nr. 96/26/EG.</al>
        <al>C. Artikel 26 wordt gewijzigd als volgt:</al>
      </wond>
      <wond>
        <nr>1.</nr>
        <al>In het tweede lid wordt «artikel 2, derde lid, van richtlijn nr.
74/562/EEG» vervangen door: artikel 3, derde lid, van Richtlijn nr.
96/26/EG.</al>
      </wond>
      <wond>
        <nr>2.</nr>
        <al>In het vijfde lid wordt «artikel 4 van de Richtlijn 77/796/EEG»
vervangen door: artikel 3, derde lid, van Richtlijn nr. 96/26/EG.</al>
        <al>D. Artikel 28 wordt gewijzigd als volgt:</al>
      </wond>
      <wond>
        <nr>1.</nr>
        <al>In het eerste lid wordt «artikel 2, vierde lid, vierde alinea, van
Richtlijn 74/562/EEG» vervangen door: artikel 3, vierde lid, vierde
alinea, van Richtlijn nr. 96/26/EG.</al>
      </wond>
      <wond>
        <nr>2.</nr>
        <al>In artikel 28, vierde lid, wordt «artikel 5 van de Richtlijn 77/796/EEG»
vervangen door: artikel 3, vierde lid, van Richtlijn nr. 96/26/EG.</al>
        <al>E. Artikel 117a, onderdeel a, komt te luiden:</al>
        <arttkst>
          <al>a. verordening (EG) nr. 12/98: verordening (EG) nr. 12/98 van de Raad
van de Europese Unie van 11 december 1997 tot vaststelling van de voorwaarden
waaronder vervoersondernemers worden toegelaten tot binnenlands personenvervoer
over de weg in een lidstaat waar zij niet gevestigd zijn (PbEG L 4);</al>
        </arttkst>
        <al>F. Artikel 117b wordt gewijzigd als volgt:</al>
      </wond>
      <wond>
        <nr>1.</nr>
        <al>Onder toevoeging van de aanduiding 1. voor de bestaande tekst, wordt de
zinsnede «verordening (EEG) nr. 2454/92» vervangen door: verordening
(EG) nr. 12/98.</al>
      </wond>
      <wond>
        <nr>2.</nr>
        <al>Een tweede lid wordt toegevoegd dat luidt:</al>
        <arttkst>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>In afwijking van het eerste lid is Hoofdstuk II, paragrafen 2 tot en met
5, van toepassing op het cabotagevervoer, bedoeld in artikel 3, derde lid,
van verordening (EG) nr. 12/98.</al>
          </lid>
        </arttkst>
        <al>G. In artikel 117c wordt de zinsnede «verordening (EEG) nr. 2454/92»
vervangen door: verordening (EG) nr. 12/98.</al>
        <al>H. Artikel 117d komt te luiden:</al>
        <arttkst>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Reisbladenboekjes als bedoeld in artikel 6, derde lid, van verordening
(EG) nr. 12/98 worden voor Nederland afgegeven door Onze Minister.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>De gebruikte reisbladen als bedoeld in artikel 6, vijfde lid, van verordening
(EG) nr. 12/98 worden teruggezonden aan Onze Minister.</al>
          </lid>
        </arttkst>
        <al>I. Artikel 117e komt te luiden: </al>
        <wlichaam>
          <art>
            <kop>
              <nr>Artikel 117e</nr>
            </kop>
            <al>De in Nederland gevestigde vervoerder die cabotagevervoer verricht als
bedoeld in artikel 3, eerste en tweede lid, van verordening (EG) nr. 12/98,
verstrekt aan Onze Minister binnen een maand na ieder kalenderkwartaal de
gegevens over dit cabotagevervoer dat tijdens het betreffende kwartaal door
hem is verricht.</al>
          </art>
        </wlichaam>
        <al>J. Artikel 125, onderdeel c, vervalt.</al>
        <al>K. In artikel 144, onderdeel c, wordt de zinsnede «indien het vervoer
door een in Nederland gevestigde vervoerder betreft» vervangen door:
indien het vervoer betreft van en naar derde landen en het wordt verricht
door een in Nederland gevestigde vervoerder. </al>
        <al>L. In artikel 167 wordt «117d, derde lid» vervangen door:
117d, tweede lid.</al>
      </wond>
    </wart>
    <art id="aii">
      <kop>
        <nr>ARTIKEL II</nr>
      </kop>
      <al>Dit besluit treedt in werking op 11 juni 1999.</al>
    </art>
  </body>
  <backm>
    <nawerk>
      <slotform>Lasten en bevelen dat dit besluit met de toelichting in het Staatsblad
wordt geplaatst.</slotform>
      <eindnoot id="e1">
        <al>Stb. 1987, 506, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 24 november 1998,
Stb. 1998, 668.</al>
      </eindnoot>
      <histnoot>
        <al>Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond
van artikel 25a, vijfde lid jo vierde lid, onder b van de Wet op de Raad van
State, omdat het zonder meer instemmend luidt.</al>
      </histnoot>
      <ondertek>
        <ondplts>'s-Gravenhage, </ondplts>
        <onddatum>31 mei 1999</onddatum>
        <koning>Beatrix </koning>
        <minister>
          <minvan>De Minister van Verkeer en Waterstaat,</minvan>
          <naam>T. Netelenbos</naam>
        </minister>
      </ondertek>
      <uitgifte>
        <uitgifte-regel>Uitgegeven de <nadruk type="cur">tiende</nadruk> juni 1999</uitgifte-regel>
        <uitdag>tiende</uitdag>
        <uitmaand>juni</uitmaand>
        <uitjaar>1999</uitjaar>
        <door>
          <minvan>De Minister van Justitie,</minvan>
          <naam>A. H. Korthals </naam>
        </door>
      </uitgifte>
    </nawerk>
    <notatoe>
      <kop>
        <titel status="off">NOTA VAN TOELICHTING </titel>
      </kop>
      <tuskop letat="vet">ALGEMEEN</tuskop>
      <al>Door middel van de onderhavige wijziging van het Besluit personenvervoer
worden Verordening (EG) nr. 11/98 en Verordening (EG) nr. 12/98 geïmplementeerd.
Verordening (EG) nr. 11/98 is reeds gedeeltelijk geïmplementeerd bij
de wijziging van het Besluit personenvervoer van 11 december 1997. De
onderhavige wijziging van het Besluit personenvervoer betreft het sluitstuk
van de implementatie van die verordening: de introductie van de communautaire
vergunning. De implementatie van Verordening (EG) nr. 12/98 regelt de verruiming
van de voorwaarden waaronder cabotagevervoer verricht kan worden. Aangezien
verordeningen rechtstreekse werking hebben, leidt de implementatie slechts
tot de wijziging van uitvoeringsbepalingen in het Besluit personenvervoer
zoals de aanwijzing van de autoriteit die bevoegd is tot afgifte van bepaalde
documenten. </al>
      <tuskop letat="vet">Communautaire vergunning</tuskop>
      <al>De meeste Lidstaten stellen als eis dat vervoerders naast de nationale
vergunning nog een bewijs nodig hebben voor het verrichten van internationaal
personenvervoer. Ter vergemakkelijking van de handhaving introduceert Verordening
(EG) nr. 11/98 de communautaire vergunning. Deze vergunning vervangt de internationale
bewijzen van de Lidstaten. De voorwaarde tot verkrijging van de communautaire
vergunning is eenvoudig: de vervoerder dient «in de staat van vestiging
gemachtigd te zijn tot het verrichten van vervoer met touringcars en autobussen,
meer bepaald geregeld vervoer, met inbegrip van de bijzondere vorm van geregeld
vervoer, of van ongeregeld vervoer.» (art. 3bis, eerste lid juncto artikel
3, eerste lid van de gewijzigde Verordening (EEG) nr. 684/92). Alle Nederlandse
vervoerders die internationaal vervoer binnen de Europese Unie verrichten
moeten derhalve vanaf 11 juni 1999 in het bezit zijn van een communautaire
vergunning. Op basis van artikel 120a, eerste lid, van het Besluit personenvervoer
beslist de Minister op een aanvraag om een communautaire vergunning. De Rijksverkeersinspectie
zal de aanvraag om een vergunning feitelijk in behandeling nemen. De vervoerders
dienen zelf een aanvraagformulier voor een communautaire vergunning op te
vragen bij de Rijksverkeersinspectie.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In eerste instantie zou de communautaire vergunning voor de Nederlandse
vervoerder een extra document in de bus betekenen, omdat de vergunning voor
openbaar vervoer en besloten busvervoer tevens als bewijs geldt voor de toelating
tot het verrichten van internationaal personenvervoer. De onderhavige wijziging
van het Besluit personenvervoer voorkomt dit door te bepalen dat de vervoerder
alleen een gewaarmerkt afschrift van de communautaire vergunning in de bus
dient te hebben en niet meer een vergunningbewijs voor besloten busvervoer.
Immers, de vervoerder kan pas een gewaarmerkt afschrift van de communautaire
vergunning hebben, indien hij een vergunning voor besloten busvervoer heeft. </al>
      <tuskop letat="vet">Overzicht vergunningen en documenten</tuskop>
      <al>Voor de duidelijkheid volgt een overzicht van de vergunningen die voor
de verschillende categorieën van het vervoer nodig zijn en de documenten
die de vervoerder tijdens de rit in de bus moet hebben.  </al>
      <tuskop letat="cur">Geregeld vervoer</tuskop>
      <al>– nodig voor het vervoer: vergunning voor openbaar vervoer of besloten
busvervoer, communautaire vergunning, vergunning voor geregeld vervoer.</al>
      <al>– aanwezig in de bus: gewaarmerkt afschrift van communautaire vergunning
en afschrift van vergunning voor geregeld vervoer. </al>
      <tuskop letat="cur">Bijzondere vorm van geregeld vervoer</tuskop>
      <al>– nodig voor het vervoer: vergunning voor openbaar vervoer of besloten
busvervoer, communautaire vergunning, een contract of een vergunning voor
geregeld vervoer.</al>
      <al>– aanwezig in de bus: gewaarmerkt afschrift van communautaire vergunning
en afschrift van vergunning voor geregeld vervoer of contract. </al>
      <tuskop letat="cur">Ongeregeld vervoer</tuskop>
      <al>– nodig voor het vervoer: vergunning voor openbaar vervoer of besloten
busvervoer, communautaire vergunning, reisblad.</al>
      <al>– aanwezig in de bus: gewaarmerkt afschrift van communautaire vergunning
en reisblad. </al>
      <tuskop letat="cur">Vervoer voor eigen rekening</tuskop>
      <al>– nodig voor het vervoer: vergunning besloten busvervoer (zogenaamde
«beperkte» vergunning ex art. 5 Besluit personenvervoer), attest.</al>
      <al>– aanwezig in de bus: vergunningbewijs voor besloten busvervoer,
attest.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Uit dit overzicht blijkt dat de vervoerder die voor eigen rekening vervoer
verricht, niet in het bezit hoeft te zijn van een communautaire vergunning.
De reden hiervan is dat de vervoerder voor dit soort vervoer niet hoeft te
voldoen aan de eisen van betrouwbaarheid, kredietwaardigheid en vakbekwaamheid.
Dit vervoer is te vergelijken met het binnenlands vervoer waarvoor een zogenaamde
«beperkte vergunning» is vereist ex artikel 5 van het Besluit
personenvervoer. Indien een vervoerder soortgelijk grensoverschrijdend vervoer
wil verrichten, zal hij, naast het attest, zijn nationaal vergunningbewijs
in de bus moeten hebben.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Een communautaire vergunning, een vergunning voor het verrichten van geregeld
vervoer, een reisblad en een attest worden op grond van artikel 120a van het
Besluit personenvervoer door de Minister verleend. </al>
      <tuskop letat="vet">Cabotagevervoer</tuskop>
      <al>Het Europese Hof van Justitie heeft Verordening (EG) nr. 2454/92 nietig
verklaard bij arrest van 11 juni 1994 (zaak C-388/92, Parlement versus Raad,
Jurisprudentie 1994, blz. I-2081). Overeenkomstig dit arrest blijven de bepalingen
van de nietig verklaarde verordening hun geldigheid behouden totdat de Raad,
na raadpleging van het Parlement, een nieuwe regeling zal hebben vastgesteld.
Verordening (EG) nr. 12/98 voorziet in de nieuwe regeling ten aanzien van
het cabotagevervoer en voorziet tegelijkertijd in een verdere liberalisatie.
Per 11 juni 1999 heeft Verordening (EG) nr. 2454/92 dus geen geldigheid meer.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Er is een aantal belangrijke wijzigingen ten opzichte van de vorige verordening.
Zo is cabotage nu toegestaan voor alle vormen van ongeregeld vervoer en het
bijzonder geregeld vervoer. Voor het geregelde vervoer geldt dat
cabotage nu ook is toegestaan, mits dit wordt verricht in het kader van een
internationale geregelde dienst overeenkomstig Verordening (EEG) nr. 684/92
en met uitsluiting van stads- en voorstadsvervoer.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Verordening (EG) nr. 12/98 stelt vast dat de bepalingen die voor de nationale
vervoerder gelden, eveneens van toepassing zijn op de vervoerder die geregeld
cabotagevervoer verricht. Hierdoor zijn bijvoorbeeld de bepalingen inzake
de vaststelling van de dienstregeling, en inhoudelijke toets bij de afgifte
van de vergunning inzake de wenselijkheid van het vervoer en het financieel
belang van de provincie van overeenkomstige toepassing. Indien een vervoerder
die niet in Nederland is gevestigd, in Nederland geregeld cabotagevervoer
wil verrichten, zal hij dus bij gedeputeerde staten een vergunning voor het
verrichten van openbaar vervoer moeten aanvragen. Er is voor gekozen om niet
af te wijken van de ingezette decentralisatie ten behoeve van het grensoverschrijdend
geregeld cabotagevervoer. Het beleid dat de provincies voeren ten opzichte
van de nationale vervoerder in hun gebied, moet op grond van de verordening
immers op dezelfde manier worden toegepast op de vervoerder die buiten Nederland
is gevestigd. Dit kan het beste worden gewaarborgd indien gedeputeerde staten
voor het grensoverschrijdend geregeld cabotagevervoer een vergunning voor
het verrichten van openbaar vervoer afgeven. </al>
      <tuskop letat="vet">OPV en de Europese Commissie</tuskop>
      <al>Het Overlegorgaan Personenvervoer heeft bij brief van 1 december 1998,
kenmerk OPV-98/68, het rapport van bevindingen uitgebracht. In dit rapport
is de vraag gesteld of de vervoerder voor eigen rekening eveneens een communautaire
vergunning nodig heeft. Dit is niet het geval. Artikel 146b is om die reden
ook niet aangepast. De tweede opmerking betrof het advies van de Raad van
Verkeer en Waterstaat over de afschaffing van beperkte vergunningen. Dit advies
betreft nationaal beleid en is in dit Besluit, dat strekt tot implementatie
van een Europese verordening, niet aan de orde. Daarnaast heeft het OPV aangegeven
dat zij praktische bezwaren heeft tegen het verlenen van een vergunning voor
geregeld cabotagevervoer op decentraal niveau. Dat standpunt kan echter niet
gedeeld worden. De bevoegdheden ten aanzien van het openbaar vervoer zijn
immers gedecentraliseerd. Indien op centraal niveau een vergunning voor het
geregeld cabotagevervoer afgegeven zou worden, zou toch weer advies ingewonnen
dienen te worden op decentraal niveau. Het geregeld cabotagevervoer heeft
immers invloed op het overige regionale vervoer. Tevens heeft het OPV aandacht
gevraagd voor de relatie tussen «vervoer voor eigen rekening»
en de «beperkte vergunning». Deze relatie is bij het overzicht
vergunningen en documenten aangegeven. Tenslotte heeft het OPV gevraagd om
een nadere toelichting over de invoering van een attest. Het attest is echter
een bestaand document en heeft geen wijzigingen ondergaan. Om die reden behoeft
het attest geen nadere toelichting.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Op 15 oktober 1998 is aan de Europese Commissie advies gevraagd op grond
van het voorschrift van artikel 2 van Verordening (EG) nr. 11/98. Bij brief
van 9 december 1998, kenmerk D 90492(98), heeft de Commissie meegedeeld geen
bezwaar te hebben tegen de wijze waarop de verordening is geïmplementeerd.  </al>
      <tuskop letat="vet">Transponeringstabel</tuskop>
      <al>In de onderstaande tabel is aangegeven op welke wijze de artikelen die
uitvoering behoeven, geïmplementeerd zijn in het Besluit personenvervoer. </al>
      <tuskop letat="vet">Transponeringstabel Verordening (EG) nr. 11/98 tot wijziging
van Verordening (EG) nr. 684/92 </tuskop>
      <al>
        <table orient="port" rowsep="0" colsep="0" frame="topbot" tabstyle="sdu1">
          <tgroup align="left" charoff="75" cols="2" tgroupstyle="sdu1">
            <colspec colname="c1" colnum="1" colwidth="40mm"></colspec>
            <colspec colname="c2" colnum="2" colwidth="72.5mm"></colspec>
            <tbody valign="bottom">
              <row valign="top">
                <entry morerows="0" rotate="0"> artikel
3bis, derde lid</entry>
                <entry morerows="0" rotate="0">artikel 125, onderdeel c; 144, onderdeel c</entry>
              </row>
            </tbody>
          </tgroup>
        </table>
      </al>
      <tuskop letat="vet">Transponeringstabel Verordening (EG) nr. 12/98 </tuskop>
      <al>
        <table orient="port" rowsep="0" colsep="0" frame="topbot" tabstyle="sdu1">
          <tgroup align="left" charoff="75" cols="2" tgroupstyle="sdu1">
            <colspec colname="c1" colnum="1" colwidth="40mm"></colspec>
            <colspec colname="c2" colnum="2" colwidth="72.5mm"></colspec>
            <tbody valign="bottom">
              <row valign="top">
                <entry morerows="0" rotate="0"> Verordening
12/98</entry>
                <entry morerows="0" rotate="0">Besluit personenvervoer </entry>
              </row>
              <row valign="top">
                <entry morerows="0" rotate="0"></entry>
                <entry morerows="0" rotate="0"></entry>
              </row>
              <row valign="top">
                <entry morerows="0" rotate="0">artikel 1</entry>
                <entry morerows="0" rotate="0">artikel 117a</entry>
              </row>
              <row valign="top">
                <entry morerows="0" rotate="0">artikel 3</entry>
                <entry morerows="0" rotate="0">artikel 117c </entry>
              </row>
              <row valign="top">
                <entry morerows="0" rotate="0">artikel 4</entry>
                <entry morerows="0" rotate="0">artikel 117b </entry>
              </row>
              <row valign="top">
                <entry morerows="0" rotate="0">artikel
6</entry>
                <entry morerows="0" rotate="0">artikel 117d </entry>
              </row>
              <row valign="top">
                <entry morerows="0" rotate="0">artikel 7</entry>
                <entry morerows="0" rotate="0">artikel 117e </entry>
              </row>
              <row valign="top">
                <entry morerows="0" rotate="0">artikel 11</entry>
                <entry morerows="0" rotate="0">artikel
167</entry>
              </row>
            </tbody>
          </tgroup>
        </table>
      </al>
      <tuskop letat="vet">ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING </tuskop>
      <tuskop letat="cur">Onderdeel A tot en met D</tuskop>
      <al>Richtlijn nr. 74/562/EEG, zoals gewijzigd bij Richtlijn nr. 89/438/EEG,
en Richtlijn nr. 77/796/EEG zijn gecodificeerd in Richtlijn nr. 96/26/EG.
Bij de inwerkingtreding van Richtlijn nr. 96/26/EG waren de verwijzingen in
het Besluit personenvervoer naar de oude richtlijnen nog niet aangepast aan
de nieuwe richtlijn. De juiste verwijzingen worden in de gewijzigde artikelen
doorgevoerd. </al>
      <tuskop letat="cur">Onderdeel F</tuskop>
      <al>Uit artikel 4 van Verordening (EG) nr. 12/98 blijkt welke nationale bepalingen
van overeenkomstige toepassing zijn op het geregeld cabotagevervoer. Voor
de Wet personenvervoer betekent dit dat de bepalingen omtrent de vergunningverlenende
instantie, de tarieven en de bepalingen voor de reiziger van overeenkomstige
toepassing zijn op het geregeld cabotagevervoer. Artikel 117b, eerste lid,
bepaalt welke bepalingen van de Wet personenvervoer niet van toepassing zijn
op het cabotagevervoer in het algemeen. Dit zou dus ook gelden voor het geregeld
cabotagevervoer. Omdat dit voor wat betreft de vergunningverlening niet geheel
overeenkomt met hetgeen op grond van artikel 4 van Verordening (EG) nr. 12/98
geldt, is Hoofdstuk II, paragrafen 2 tot en met 5 van de Wet personenvervoer
wel van toepassing verklaard op het geregeld cabotagevervoer. Uit artikel
117b blijkt nu dat de niet in Nederland gevestigde vervoerder die in Nederland
geregeld cabotagevervoer wil verrichten, een vergunning voor het verrichten
van openbaar vervoer bij gedeputeerde staten moet aanvragen en een dienstregeling
moet overleggen. Een ander gevolg is dat reizigers die op dat traject met
die vervoerder reizen, gebruik kunnen blijven maken van de nationale strippenkaart.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Voorbeelden van nationale bepalingen die Verordening (EG) nr. 12/98 van
overeenkomstige toepassing verklaart op het geregeld cabotagevervoer maar
die buiten het terrein van de Wet personenvervoer vallen, zijn bijvoorbeeld
de bepalingen omtrent afmetingen en gewichten van bedrijfsvoertuigen (Voertuigreglement)
en omtrent rij- en rusttijden (Arbeidstijdenbesluit vervoer).  </al>
      <tuskop letat="cur">Onderdeel H</tuskop>
      <al>Artikel 5 van Verordening (EEG) nr. 2454/92 bepaalde dat een vervoerder
bij de Lidstaat van vestiging een verzoek kon indienen tot het verkrijgen
van een attest waaruit bleek dat zij gemachtigd waren tot het verrichten van
internationaal personenvervoer over de weg. Dit artikel is in Verordening
(EG) nr. 12/98 niet overgenomen omdat daarvoor in de plaats de verplichte
communautaire vergunning is ingevoerd op grond van Verordening (EG) nr. 11/98.
Artikel 117d, eerste lid, regelde de bevoegdheid tot afgifte en (tijdelijke)
intrekking van het attest. Nu de vervoerder op grond van Verordening (EG)
nr.12/98 geen attest meer kan aanvragen, is deze bepaling in artikel 117d
eveneens vervallen. Het tweede en derde lid van artikel 117d zijn vernummerd
tot het eerste en tweede lid.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De wijzigingen in het nieuwe eerste en tweede lid zijn het gevolg van
de vervanging van Verordening (EEG) nr. 2454/92 in Verordening (EG) nr. 12/98.
Tevens is niet meer de Inspecteur van het Verkeer, maar de Minister formeel
aangewezen als degene aan wie de vervoerder de reisbladenboekjes moet terugzenden.
De praktische uitvoering blijft wel bij de Rijksverkeersinspectie liggen,
hetgeen door een mandaatregeling is bepaald. </al>
      <tuskop letat="cur">Onderdeel I</tuskop>
      <al>De meldingsplicht van de vervoerder aan de Minister omtrent het door hem
verrichte cabotagevervoer geldt alleen voor het bijzonder geregeld en het
ongeregeld cabotagevervoer en niet meer voor het geregeld cabotagevervoer.
Artikel 7 van Verordening (EG) nr. 12/98 bepaalt voor het geregeld cabotagevervoer
dat de Commissie jaarlijks een lijst moet toezenden van de door de Lidstaten
afgegeven vergunningen tot het verrichten van geregeld cabotagevervoer. Een
meldingsplicht van vervoerders is hiervoor niet nodig. </al>
      <tuskop letat="cur">Onderdeel J en K</tuskop>
      <al>De vervoerder die internationaal personenvervoer verricht, behoort door
de inwerkingtreding van Verordening (EG) nr. 11/98 een gewaarmerkt afschrift
van de communautaire vergunning in de bus te hebben. Omdat aan de vervoerder
alleen een communautaire vergunning wordt verleend wanneer hij in het bezit
is van een vergunning voor openbaar vervoer of besloten busvervoer, is de
aanwezigheid in de bus van een vergunningbewijs voor besloten busvervoer,
niet meer verplicht. Om die reden worden artikel 125 en artikel 144 gewijzigd.
Daar artikel 144 niet alleen het ongeregeld vervoer van en naar lidstaten
regelt, maar ook het vervoer van en naar derde landen, blijft de verplichting
voor de aanwezigheid van het vergunningbewijs voor besloten busvervoer in
artikel 144 wel gehandhaafd voor het vervoer van en naar derde landen. </al>
      <minister>
        <minvan>De Minister van Verkeer en Waterstaat,</minvan>
        <naam>T. Netelenbos</naam>
      </minister>
    </notatoe>
  </backm>
</staatsbl>