﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<!DOCTYPE staatsbl PUBLIC "-//SDU//DTD staatsblad xml 1.1//NL" "../../dtd/staatsbl-11.dtd"[]>
<staatsbl id="sb998.702" soort="kb" publtype="kobe">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-1998-702/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel status="off">Staatsblad</titel>
    <subtitel>van het Koninkrijk der Nederlanden</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.4" conv="port1.2" markup="c1xa"></versie>
    <ordernr>STB4698 </ordernr>
    <stb>
      <jaargang jaar="1998">Jaargang 1998</jaargang>
      <stbjaar>1998 </stbjaar>
      <stbnr>702 </stbnr>
    </stb>
    <intitule>
      <soort>Besluit</soort> van 14 december 1998, houdende regels met
betrekking tot de in rekening te brengen kosten ter zake van de uitvoering
van de Elektriciteitswet 1998 (Besluit kostenverhaal Elektriciteitswet 1998)</intitule>
    <aanhef>
      <wie>Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz. </wie>
      <consider>
        <al>Op de voordracht van de Minister van Economische Zaken van 21 september
1998, nr. 98061044 WJA/W; </al>
        <al>Gelet op <grslag>artikel 65 van de Elektriciteitswet 1998</grslag>; </al>
        <al>De Raad van State gehoord (advies van 24 november 1998, nr. W10.98.0439); </al>
        <al>Gezien het nader rapport van Onze Minister van Economische Zaken van 9
december 1998, nr. 98080996 WJZ/W;</al>
      </consider>
      <afkondig>Hebben goedgevonden en verstaan:</afkondig>
    </aanhef>
  </frontm>
  <body>
    <art id="a1">
      <kop>
        <nr>Artikel 1 </nr>
      </kop>
      <al>In dit besluit wordt verstaan onder: </al>
      <al>a. wet: Elektriciteitswet 1998; </al>
      <al>b. dienst: de Dienst uitvoering en toezicht Elektriciteitswet, bedoeld
in artikel 5 van de wet. </al>
    </art>
    <art id="a2">
      <kop>
        <nr>Artikel 2 </nr>
      </kop>
      <al>De bedragen die verschuldigd zijn door degenen die instemming met een
aanwijzing aanvragen als bedoeld in artikel 12 van de wet, door degenen die
door Onze Minister worden aangewezen als netbeheerder als bedoeld in artikel
13 van de wet, dan wel door degenen die een ontheffing of een vergunning aanvragen,
worden zodanig berekend dat daarmee de kosten die zijn verbonden aan de desbetreffende
werkzaamheden, worden gedekt. </al>
    </art>
    <art id="a3">
      <kop>
        <nr>Artikel 3 </nr>
      </kop>
      <lid>
        <nr>1. </nr>
        <al>De bedragen die netbeheerders en vergunninghouders verschuldigd zijn voor
de vergoeding van de kosten die gemaakt worden voor de uitvoering van de taken
en de uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 22, 25, 26,
41 en 47 van de wet, worden zodanig berekend dat 60% van de kosten die voor
de dienst zijn verbonden aan de uitoefening van de taak, bedoeld in artikel
5, derde lid, van de wet, wordt gedekt door de ontvangsten die
voortvloeien uit deze bedragen en de bedragen, bedoeld in artikel 2. </al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>2. </nr>
        <al>De bedragen die netbeheerders en vergunninghouders verschuldigd zijn,
bestaan uit een vast bedrag, vermeerderd met een bedrag dat jaarlijks wordt
vastgesteld naar rato van het aantal aanwezige aansluitingen op het door een
netbeheerder beheerde net onderscheidenlijk naar rato van het aantal beschermde
afnemers waaraan een vergunninghouder elektriciteit levert. </al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>3. </nr>
        <al>Het vaste bedrag, bedoeld in het tweede lid, kan verschillen voor de verschillende
netbeheerders en vergunninghouders. </al>
      </lid>
    </art>
    <art id="a4">
      <kop>
        <nr>Artikel 4 </nr>
      </kop>
      <lid>
        <nr>1. </nr>
        <al>Onze Minister stelt voor 1 januari van ieder jaar de bedragen, bedoeld
in de artikelen 2 en 3, vast op basis van de vastgestelde begroting van het
Ministerie van Economische Zaken. Tevens bepaalt hij de wijze en het tijdstip
van betaling van de bedragen. </al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>2. </nr>
        <al>Indien de begroting van het Ministerie van Economische Zaken op 1 januari
nog niet is vastgesteld, stelt Onze Minister de bedragen, bedoeld in de artikelen
2 en 3 vast op basis van de begroting van de dienst, zoals die is gevoegd
bij de ontwerpbegroting van het Ministerie van Economische Zaken. Indien de
ontwerpbegroting afwijkt van de daarna vastgestelde begroting en deze afwijking
gevolgen zou moeten hebben voor de hoogte van de vastgestelde bedragen, wordt
het verschil verrekend met de in het daarop volgende jaar in rekening te brengen
bedragen. </al>
      </lid>
    </art>
    <art id="a5">
      <kop>
        <nr>Artikel 5 </nr>
      </kop>
      <lid>
        <nr>1. </nr>
        <al>Indien een ingevolge de artikelen 2 tot en met 4 verschuldigd bedrag niet
is betaald binnen de daarvoor gestelde termijn, wordt het desbetreffende bedrag
vermeerderd met de wettelijke rente, te rekenen vanaf de dag waarop die termijn
is verstreken. </al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>2. </nr>
        <al>Indien niet is betaald binnen de termijn, bedoeld in het eerste lid, wordt
degene die het bedrag is verschuldigd, schriftelijk aangemaand binnen een
daarbij te stellen termijn van tenminste tien dagen alsnog het bedrag, verhoogd
met de wettelijke rente en de kosten van de aanmaning, te betalen. </al>
      </lid>
    </art>
    <art id="a6">
      <kop>
        <nr>Artikel 6 </nr>
      </kop>
      <lid>
        <nr>1. </nr>
        <al>Jaarlijks voor 1 mei publiceert de directeur van de dienst met betrekking
tot het afgelopen jaar een staat van de werkelijke kosten die voor de dienst
zijn verbonden aan de uitoefening van de taak, bedoeld in artikel 5, derde
lid, van de wet en van de bedragen die ingevolge dit besluit in rekening zijn
gebracht. </al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>2. </nr>
        <al>De directeur van de dienst zendt de staat, bedoeld in het eerste lid,
gelijktijdig met het verslag, bedoeld in artikel 9 van de wet, aan Onze Minister. </al>
      </lid>
    </art>
    <art id="a7">
      <kop>
        <nr>Artikel 7 </nr>
      </kop>
      <al>Het verschil tussen 60% van de kosten die voor de dienst in een jaar zijn
verbonden aan de uitoefening van de taak, bedoeld in artikel 5, derde lid,
van de wet, en de ontvangsten die voortvloeien uit de bedragen die in dat
jaar in rekening zijn gebracht, wordt verrekend met de in het daarop volgende
jaar in rekening te brengen bedragen, nadat en voor zover Onze Minister daaraan
instemming heeft verleend.  </al>
    </art>
    <art id="a8">
      <kop>
        <nr>Artikel 8 </nr>
      </kop>
      <lid>
        <nr>1. </nr>
        <al>In afwijking van artikel 4, eerste lid, stelt Onze Minister onverwijld
na inwerkingtreding van dit besluit de in dat artikel bedoelde bedragen vast.
Tevens bepaalt hij de wijze van betaling. </al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>2. </nr>
        <al>De bedragen, bedoeld in het eerste lid, worden betaald binnen zeven weken
na inwerkingtreding van het besluit tot vaststelling van de bedragen. </al>
      </lid>
    </art>
    <art id="a9">
      <kop>
        <nr>Artikel 9 </nr>
      </kop>
      <al>Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip. </al>
    </art>
    <art id="a10">
      <kop>
        <nr>Artikel 10 </nr>
      </kop>
      <al>Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit kostenverhaal Elektriciteitswet
1998. </al>
    </art>
  </body>
  <backm>
    <nawerk>
      <slotform>Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota
van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst. </slotform>
      <histnoot>
        <al>Het advies van de Raad van State is openbaar gemaakt door terinzagelegging
bij het Ministerie van Economische Zaken. </al>
        <al>Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage gelegde stukken worden
opgenomen in het bijvoegsel bij de Staatscourant van 12 januari 1999, nr.
7.</al>
      </histnoot>
      <ondertek>
        <ondplts>'s-Gravenhage, </ondplts>
        <onddatum>14 december 1998 </onddatum>
        <koning>Beatrix </koning>
        <minister>
          <minvan>De Minister van Economische Zaken, </minvan>
          <naam>A. Jorritsma-Lebbink </naam>
        </minister>
      </ondertek>
      <uitgifte>
        <uitgifte-regel>Uitgegeven de <nadruk type="cur">tweeëntwintigste</nadruk> december 1998 </uitgifte-regel>
        <uitdag>tweeëntwintigste</uitdag>
        <uitmaand>december</uitmaand>
        <uitjaar>1998 </uitjaar>
        <door>
          <minvan>De Minister van Justitie, </minvan>
          <naam>A. H. Korthals </naam>
        </door>
      </uitgifte>
    </nawerk>
    <notatoe>
      <kop>
        <titel status="off">NOTA VAN TOELICHTING </titel>
      </kop>
      <tuskop letat="vet">Algemeen </tuskop>
      <tuskop letat="vet">1. Inleiding </tuskop>
      <al>Deze algemene maatregel van bestuur bevat nadere regels op grond van artikel
65 van de Elektriciteitswet 1998 (hierna: de wet). De regels hebben betrekking
op de door de Minister van Economische Zaken vast te stellen vergoeding die
verschuldigd is door degenen die om instemming met de aanwijzing van een netbeheerder
verzoeken, die door Onze Minister worden aangewezen als netbeheerder, die
een ontheffing aanvragen van de plicht een netbeheerder aan te wijzen of die
een vergunning aanvragen voor de levering van elektriciteit aan beschermde
afnemers. Ook wordt een vergoeding vastgesteld die netbeheerders en vergunninghouders
jaarlijks verschuldigd zijn voor de uitvoering van de wet. De regels hebben
geen betrekking op de in artikel 65 van de wet genoemde verlening van een
certificaat als bedoeld in artikel 54 van de wet, aangezien het desbetreffende
certificatensysteem voor «groene stroom» vooralsnog niet ingevoerd
wordt. </al>
      <al>Hierna wordt ingegaan op de doorberekening van toelatingskosten, de toepassing
daarvan op de Dienst uitvoering en toezicht Elektriciteitswet en de vertaling
van de uitgangspunten in dit besluit. Aansluitend daarop worden de effecten
voor het bedrijfsleven en de uitvoering en handhaving van het besluit geïnventariseerd.
Daarna volgt, voor zover nodig, een artikelsgewijze toelichting. </al>
      <tuskop letat="vet">2. Doorberekening van kosten en het MDW-rapport «Maat
houden» </tuskop>
      <al>Bij het opstellen van artikel 65 van de wet is rekening gehouden met de
uitgangspunten van het in juni 1996 vastgestelde rapport «Maat houden»
in het kader van het project Marktwerking, Deregulering en Wetgevingskwaliteit.<voetref refid="v1"></voetref> Ook in de daarop gevolgde evaluatie van de aanbevelingen uit het
rapport wordt het belang van het doorberekenen van toelatingskosten onderstreept.<voetref refid="v2"></voetref></al>
      <al>Op grond van de in dat rapport neergelegde uitgangspunten met betrekking
tot het doorberekenen van de kosten zijn de werkzaamheden van de Dienst uitvoering
en toezicht Elektriciteitswet (hierna: de dienst) geïnventariseerd. In
artikel 65 van de wet is neergelegd voor welke werkzaamheden die verband houden
met de uitvoering van de wet de daarmee gemoeide uitgaven zullen worden doorberekend.
Omdat de werkzaamheden ter uitvoering van de Elektriciteitswet 1998 nieuw
zijn, is het niet mogelijk om precies aan te geven hoeveel tijd en derhalve
welke kosten daaraan verbonden zijn. Gelet op alle werkzaamheden van de dienst,
is het echter aannemelijk dat 60% van die werkzaamheden bestaat uit uitvoeringswerkzaamheden,
die kunnen worden doorberekend. Mogelijk is deze schatting nog aan de lage
kant, aangezien de werklast, verbonden aan het vaststellen van de voorwaarden,
de tariefstructuren en de tarieven van de netbeheerders, alsmede het voorbereiden
van de vaststelling van de tarieven van de vergunninghouders, naar verwachting
vrij groot zal zijn. Ingevolge dit besluit kunnen de in rekening te brengen
bedragen evenwel niet hoger zijn dan 60% van de totale begroting van de dienst. </al>
      <al>Een wezenlijk aspect van de doorberekening van kosten is dat de te betalen
bedragen kostendekkend moeten zijn, dat wil zeggen dat zij niet verder strekken
dan tot de vergoeding van de kosten. De begroting van de dienst is daarom
getoetst aan de tarievenhandleiding van de Directie Accountancy Rijksoverheid
van het Ministerie van Financiën om de werkelijke kosten van de in rekening
te brengen handelingen te kunnen bepalen. Deze toetsing leidde
tot de slotsom dat met inachtneming van dit besluit in totaal niet meer dan
60% van de totale werkelijke kosten van de dienst zullen worden doorberekend. </al>
      <tuskop letat="vet">3. De wijze van doorberekening van de kosten </tuskop>
      <al>Voorop staat een pragmatische en kostenefficiënte wijze van doorberekening.
Daarom is primair gekozen voor een omslagstelsel en niet voor het direct doorberekenen
van de kosten per individuele handeling per bedrijf. De achtergrond hiervan
is ook dat de werkzaamheden van de dienst voor een aanzienlijk deel niet-individualiseerbaar
zijn. Dit laatste is het duidelijkst bij de werkzaamheden met betrekking tot
het vaststellen van de tariefstructuren en van de voorwaarden voor de toegang
tot het elektriciteitsnet. Ook aan het beoordelen van individuele aanvragen
en voorstellen zullen echter in belangrijke mate algemene voorbereidingswerkzaamheden
vooraf gaan. Gedacht moet worden aan het ontwikkelen van een praktijk ten
aanzien van het verlenen van instemming met een aanwijzing, een ontheffing
of een leveringsvergunning, van het beoordelen van gegevens als bedoeld in
de artikelen 21 en 46 van de wet, en van het vaststellen van de tarieven van
individuele netbeheerders en vergunninghouders. Eerst zullen voorbereidende
werkzaamheden moeten worden verricht en zal moeten worden bepaald hoe individuele
voorstellen zullen worden beoordeeld. </al>
      <al>Het is redelijk om de kosten van deze niet-individualiseerbare werkzaamheden
evenredig te spreiden over alle netbeheerders en vergunninghouders, omdat
zij allen profijt hebben van de werkzaamheden. Dit profijt kan zelf bovendien
wel in belangrijke mate geïndividualiseerd worden. Artikel 3, tweede
lid, van dit besluit bepaalt daarom dat bij netbeheerders en vergunninghouders
jaarlijks een bedrag in rekening gebracht wordt dat uit een vast en een variabel
deel bestaat. Het vaste en het variabele deel van de in rekening te brengen
bedragen zal jaarlijks worden vastgesteld. </al>
      <al>Het vaste bedrag per netbeheerder of vergunninghouder is ingegeven door
de overweging dat ten behoeve van iedere netbeheerder en vergunninghouder
een aantal handelingen van de dienst wordt verwacht. De inspanningen voor
deze werkzaamheden, zoals het vaststellen van de tarieven, zijn slechts in
beperkte mate afhankelijk van de grootte van de bedrijven. Omdat de werkzaamheden
met betrekking tot netbeheerders een grotere omvang hebben dan die voor vergunninghouders,
zullen ook de bijdragen van de netbeheerders hoger liggen dan de bijdragen
van de vergunninghouders. Ook hier kan gedacht worden aan een 60% –
40% verdeling van de te berekenen kosten. De bijdragen van netbeheerders zullen
derhalve ongeveer anderhalf keer zo hoog zijn als de bijdragen van vergunninghouders.
Artikel 3, derde lid, van dit besluit geeft de basis voor het vaststellen
van verschillende vaste bedragen voor netbeheerders en vergunninghouders. </al>
      <al>Het variabele bedrag wordt gerelateerd aan het individuele profijt van
de netbeheerder of vergunninghouder, namelijk door een koppeling met het aantal
aanwezige aansluitingen op het door een netbeheerder beheerde net en aan het
aantal beschermde afnemers waaraan een vergunninghouder elektriciteit levert.
Bovendien is variabiliteit nodig om een verstoring van de concurrentiepositie
van kleinere bedrijven ten opzichte van de grotere bedrijven te voorkomen.
Als alleen vaste bedragen gehanteerd zouden worden, zouden grote bedrijven
immers per aansluiting of afnemer een kleiner bedrag verschuldigd zijn dan
kleine bedrijven, waardoor zij ook lagere tarieven zouden kunnen berekenen. </al>
      <al>Een bijzondere positie wordt ingenomen door de netbeheerder van het landelijk
hoogspanningsnet. Voor deze netbeheerder zal het vaste deel van de bijdrage
aanmerkelijk hoger moeten liggen dan dat van de bijdrage voor de regionale
netbeheerders. Aan de landelijke netbeheerder is in de wet namelijk
een aantal bijzondere en exclusieve taken en bevoegdheden toegekend, waardoor
de landelijke netbeheerder op een aantal punten meer aandacht van de dienst
vraagt. Gedacht kan worden aan het vaststellen van de tarieven voor systeemdiensten
en aan het beoordelen van het systeem van de programma-verantwoordelijkheid.
Bovendien zijn er relatief weinig aansluitingen op het net van de landelijke
netbeheerder, zodat het moeilijker is om de kosten aan de landelijke netbeheerder
door te berekenen door middel van een bedrag per aansluiting. Het variabele
bedrag zal daarom voor deze netbeheerder waarschijnlijk op nihil worden gesteld,
zodat hij alleen een vast bedrag betaalt. Deze gang van zaken is mogelijk
op grond van artikel 3, derde lid, van dit besluit. </al>
      <tuskop letat="vet">4. Effecten voor het bedrijfsleven en uitvoering en handhaving
van het besluit </tuskop>
      <al>Het besluit heeft bedrijfseffecten voor bedrijven die zich bezig houden
met transport of levering van elektriciteit. Het totaal aantal bedrijven is
op dit moment nog niet met zekerheid aan te geven, maar naar verwachting gaat
het in totaal om ongeveer 150 bedrijven: 23 bedrijven die een vergunning aanvragen
om elektriciteit te leveren aan beschermde afnemers en die daarna vergunninghouder
zullen zijn, meer dan 100 bedrijven die een ontheffing zullen aanvragen van
de plicht een netbeheerder aan te wijzen, en 24 netbeheerders. </al>
      <al>Structurele uitgaven zullen ontstaan voor netbeheerders en vergunninghouders,
die jaarlijks een bijdrage moeten leveren voor de handelingen die de dienst
ten behoeve van hen uitvoert. Als indicatief wordt uitgegaan van een ontwerpbegroting
voor 1999 voor de dienst van ongeveer f 3,4 miljoen en van 47 vergunninghouders
en netbeheerders in dat jaar, moet 60% van die begroting, en dus f 2,0
miljoen door hen worden opgebracht. Netbeheerders zullen daarvan ongeveer
anderhalf maal zoveel moeten betalen als vergunninghouders. De hoogte van
het bedrag per geval hangt evenwel af van de grootte van de netbeheerder of
vergunninghouder. Het door hen verschuldigde bedrag wordt samengesteld uit
een vast deel en een variabel deel dat rekening houdt met het aantal aansluitingen
of afnemers van het desbetreffende bedrijf. De verwachting is dat de vaste
bijdrage tussen de f 12 000 en f 22 000 zal liggen. Bij
het variabele deel moet gedacht worden aan jaarlijkse bedragen van 6 tot 9
cent per aansluiting of per beschermde afnemer waaraan geleverd wordt, waardoor
de allergrootste netbeheerders of vergunninghouders ongeveer f 100 000
moeten betalen voor het variabele deel van de bijdrage. Hoewel het dus gaat
om substantiële bijdragen ten behoeve van de uitvoering van de wet, zijn
de bijdragen relatief gering, gelet op het feit dat de huidige niet-gesplitste
energiedistributiebedrijven een omzet voor elektriciteit hebben tussen de
f 13 miljoen en f 1,8 miljard per bedrijf. Bovendien is het mogelijk
de kosten door te berekenen op afnemers via de tariefstelling door de directeur
van de dienst voor het transport van elektriciteit en de levering van elektriciteit
aan beschermde afnemers. </al>
      <al>Aanvragers van een vergunning of ontheffing en verzoekers om instemming
hebben eenmalige uitgaven in de vorm van leges die bij de vergunning- of ontheffingaanvraag
voldaan moeten worden. De hoogte van deze bijdragen wordt vastgesteld aan
de hand van de begrote uitgaven van behandeling van vergunning- of ontheffingaanvragen.
Gedacht moet worden aan leges van ongeveer f 7 000 per vergunningaanvraag
en f 10 000 per instemmingsverzoek. Voor ontheffingsaanvragen zal
tussen de f 400 tot f 8 000 worden gevraagd, afhankelijk van
de tijd die voor de behandeling van de aanvraag benodigd is. Ten aanzien van
degenen die door Onze Minister op grond van artikel 13 van de wet worden aangewezen
als netbeheerder omdat de eigenaar van dat net nalatig is op dit punt, zal
een gelijk bedrag worden vastgesteld als voor een instemmingsverzoek.
Gelet op de verwachte omvang en omzet van de desbetreffende bedrijven kunnen
deze bedragen evenwichtig geacht worden. Ook voor nieuwe toetreders zullen
deze leges geen hoge drempel opwerpen. </al>
      <al>Het besluit houdt rekening met de marktwerking tussen enerzijds de desbetreffende
bedrijven onderling en anderzijds deze bedrijven en de bedrijven die niet
door het besluit worden bestreken. Bij de vaststelling van de hoogte van de
bedragen die netbeheerders en vergunninghouders jaarlijks verschuldigd zijn,
wordt namelijk rekening gehouden met de concurrentiekracht van kleinere bedrijven
ten opzichte van grotere bedrijven. Dit komt tot uitdrukking in het variabele
deel van de bedrijven, dat afhankelijk is van het aantal aansluitingen of
afnemers van een bedrijf. Wat de marktwerking tussen de netbeheerders en vergunninghouders
enerzijds en andere bedrijven anderzijds betreft, moet bedacht worden dat
eerstgenoemden voordelen hebben van hun wettelijke status. Zij zijn exclusief
bevoegd om transport van elektriciteit over hun netten uit te voeren of om
beschermde afnemers van elektriciteit te voorzien. Deze exclusiviteit wordt
gereguleerd doordat de daarbij te hanteren tarieven door de directeur van
de dienst, respectievelijk de Minister van Economische Zaken worden vastgesteld.
De kosten van de daaraan verbonden werkzaamheden moeten zij vergoeden. Andere
bedrijven in de elektriciteitssector hebben geen exclusiviteit die vergelijkbaar
is met die van netbeheerders en vergunninghouders en ten aanzien van hen worden
in beginsel ook geen overheidshandelingen verricht. Zij hoeven derhalve ook
niet mee te betalen aan de instandhouding en de werkzaamheden van de dienst. </al>
      <tuskop letat="vet">Artikelsgewijze toelichting </tuskop>
      <tuskop letat="cur">Artikel 2 </tuskop>
      <al>Jaarlijks worden de bedragen voor aanvragen om instemming met een aanwijzing,
voor degenen die door Onze Minister worden aangewezen als netbeheerder en
voor aanvragers van een vergunning of een ontheffing op voorstel van de directeur
van de dienst door de Minister van Economische Zaken vastgesteld. Ook de wijze,
bijvoorbeeld in termijnen, en het tijdstip van betaling worden door hem bepaald
(artikel 4). </al>
      <al>Dit artikel legt ten aanzien van de bedragen die bij de hierboven genoemden
in rekening worden gebracht, het uitgangspunt neer dat deze bedragen de werkelijke
kosten van de desbetreffende werkzaamheden moeten dekken. De hoogte van deze
bedragen wordt onder meer berekend aan de hand van het aantal mensuren dat
op grond van de ervaringen begroot zal worden voor het behandelen van aanvragen.
Het gaat om bedragen die eenmaal moeten worden betaald voor de behandeling
van een aanvraag, ongeacht of de desbetreffende vergunning of ontheffing wordt
verleend of wordt geweigerd. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 3 </tuskop>
      <al>Ook de bedragen die netbeheerders en vergunninghouders jaarlijks verschuldigd
zijn, worden door de Minister van Economische Zaken vastgesteld. Het eerste
en tweede lid geven de uitgangspunten aan die daarbij worden gehanteerd. </al>
      <al>Het eerste uitgangspunt is dat 60% van de totale kosten van de dienst
wordt betaald uit de ontvangsten, waarbij primair gedacht moet worden aan
de ontvangsten van deze jaarlijkse bijdragen van netbeheerders en vergunninghouders.
De ontvangsten, voortvloeiend uit de bedragen die aan verzoekers om instemming
en aanvragers van vergunningen en ontheffingen in rekening worden gebracht,
moeten hierbij worden opgeteld. Dit leidt ertoe dat de totale
ontvangsten in een jaar uiteindelijk nooit hoger en nooit lager mogen zijn
dan 60% van de totale kosten in dat jaar. Is dat wel het geval, dan vindt
er een verrekening plaats in de bedragen van het daaropvolgende jaar (artikel
7). </al>
      <al>Het tweede uitgangspunt is dat de jaarlijkse bedragen voor netbeheerders
en vergunninghouders bestaan uit een vast en een variabel deel. Bovendien
kan het vaste deel verschillen voor de verschillende netbeheerders en vergunninghouders.
In paragraaf 3 van het algemeen deel van de toelichting is daarop reeds ingegaan. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 4 </tuskop>
      <al>De Minister van Economische Zaken stelt in beginsel de bedragen, bedoeld
in de artikelen 2 en 3 vast op basis van de begroting van zijn ministerie.
Daarbij is hij afhankelijk van de verstrekking van de benodigde informatie
door de directeur van de dienst. Dientengevolge zal de directeur van de dienst
jaarlijks een begroting opstellen voor zijn dienst, die door de Minister van
Economische Zaken wordt opgenomen in het wetsvoorstel voor de begroting van
het Ministerie van Economische Zaken. Bovendien zal de directeur van de dienst
concrete voorstellen doen voor de vast te stellen bedragen. </al>
      <al>De Minister van Economische Zaken stelt de bedragen vast op grond van
de begroting van de dienst, zoals die met de begrotingswet voor het Ministerie
van Economische Zaken is vastgesteld. Is de behandeling van het begrotingswetsvoorstel
nog niet afgerond voor 1 januari, dan stelt hij de bedragen vast op basis
van de op dat moment bekende begroting, zoals die is opgenomen in de ontwerpbegrotingswet.
Eventuele latere wijzigingen in de begroting die gevolgen hebben voor de hoogte
van de vastgestelde bedragen, kunnen in de volgende cyclus mee worden genomen
(artikel 4, tweede lid, tweede volzin). Deze verrekening vanwege een verandering
van de begroting is het complement van de regels met betrekking tot de verrekening
in verband met de werkelijke uitgaven en ontvangsten in een jaar die in artikel
7 is voorgeschreven. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 5 </tuskop>
      <al>Bij de vaststelling van de bedragen wordt ook de wijze en het tijdstip
van betaling vastgesteld. Indien een verzoeker om instemming met een aanwijzing,
een rechtspersoon die door Onze Minister is aangewezen als netbeheerder, een
aanvrager van een vergunning of een ontheffing, een netbeheerder of een vergunninghouder
het voor hem vastgestelde bedrag niet binnen de aan hem meegedeelde termijn
betaalt, wordt het bedrag na aanmaning ingevorderd. Daarbij is de nalatige
ook de wettelijke rente en de kosten van aanmaning verschuldigd. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 7 </tuskop>
      <al>Indien de ontvangsten minder of meer bedragen dan 60% van de uitgaven,
gemaakt in een jaar, moet verrekening plaatsvinden door middel van de bedragen
die het daaropvolgende jaar in rekening worden gebracht bij netbeheerders
en vergunninghouders. Een batig saldo zal leiden tot een verlaging van de
bedragen die in rekening worden gebracht in het volgende jaar, een nadelig
saldo tot een verhoging daarvan. Aangezien een en ander als materieel effect
heeft dat de in rekening te brengen bedragen enigszins moeten kunnen afwijken
van de voor het desbetreffende jaar vastgestelde bedragen, is erin voorzien
dat het verrekenen van verschillen pas kan plaatsvinden nadat en voor zover
de Minister van Economische Zaken daaraan instemming heeft verleend. Daarbij
vervult de in artikel 6 geregelde jaarlijkse staat van werkelijke kosten en
ontvangsten een belangrijke rol. Gegeven de omstandigheid dat de
dienst onderdeel uitmaakt van de begroting van het Ministerie van Economische
Zaken, heeft dit overigens op zich zelf geen gevolgen voor de financiering
van de dienst. </al>
      <al>Het complement van deze bepaling is neergelegd in artikel 4, tweede lid,
tweede volzin, van dit besluit. Daarin wordt bepaald dat een verrekening ook
betrekking kan hebben op een eventuele na 1 januari vastgestelde wijziging
van de begroting die gevolgen heeft voor de hoogte van de vastgestelde bedragen. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 8 </tuskop>
      <al>De wet is gedeeltelijk in werking getreden op 1 augustus 1998. Vanaf die
datum kunnen verzoeken om instemming met een aanwijzing als netbeheerder en
aanvragen om een ontheffing of een vergunning worden ingediend. Om te garanderen
dat de leges ook door degenen die reeds een verzoek of een aanvraag hebben
ingediend, worden betaald, is dit overgangsartikel opgenomen. Bovendien wordt
het mogelijk gemaakt om onmiddellijk de jaarlijkse bijdrage van netbeheerders
en vergunninghouders voor 1999 vast te stellen. </al>
      <al>Dit besluit zal bij koninklijk besluit in werking treden na afloop van
de voorhangprocedure, voorzien in artikel 61, tweede lid, van de wet. </al>
      <al></al>
      <minister>
        <minvan>De Minister van Economische Zaken, </minvan>
        <naam>A. Jorritsma-Lebbink </naam>
      </minister>
    </notatoe>
    <voetnoot id="v1">
      <nootnr>1</nootnr>
      <noottkst>
        <al>Kamerstukken II 1995/96, 24 036, nr. 22.</al>
      </noottkst>
    </voetnoot>
    <voetnoot id="v2">
      <nootnr>2</nootnr>
      <noottkst>
        <al>Brief van de Minister van Justitie van 3 september 1997, kamerstukken
II 1996/97, 24 036, nr. 64.</al>
      </noottkst>
    </voetnoot>
  </backm>
</staatsbl>