﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<!DOCTYPE staatsbl PUBLIC "-//SDU//DTD staatsblad xml 1.1//NL" "../../dtd/staatsbl-11.dtd"[]>
<staatsbl id="sb998.63" soort="kb" publtype="kobe">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-1998-63/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel status="off">Staatsblad</titel>
    <subtitel>van het Koninkrijk der Nederlanden</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.4" conv="port1.2" markup="c1xa"></versie>
    <ordernr>STB3986 </ordernr>
    <stb>
      <jaargang jaar="1998">Jaargang 1998</jaargang>
      <stbjaar>1998 </stbjaar>
      <stbnr>63  </stbnr>
    </stb>
    <intitule>
      <soort>Besluit</soort> van 5 februari 1998, houdende wijziging
van het Besluit inkoop dienstverlening Arbeidsvoorzieningsorganisatie door
gemeenten</intitule>
    <aanhef>
      <wie>Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz. </wie>
      <consider>
        <al>Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
van 9 december 1997, nr. AM/ARV/97/2605; </al>
        <al>Gelet op de <grslag>artikelen 132 en 137a, eerste en derde lid, van de
Algemene bijstandswet, de artikelen 54 en 59a, eerste en derde lid van de
Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers en de artikelen 54 en 59a, eerste en derde lid van de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen</grslag>; </al>
        <al>De Raad van State gehoord (advies van 17 december 1997, No. W12.97.0785); </al>
        <al>Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
van 2 februari 1998, Directie Arbeidsmarkt, Nr. AM/ARV/98/162;</al>
      </consider>
      <afkondig>Hebben goedgevonden en verstaan:</afkondig>
    </aanhef>
  </frontm>
  <body>
    <wart id="ai">
      <kop>
        <nr>Artikel I </nr>
      </kop>
      <al>Het Besluit inkoop dienstverlening Arbeidsvoorzieningsorganisatie door
gemeenten<eindref refid="e1"></eindref> wordt gewijzigd als volgt:  </al>
      <wlid>
        <kop>
          <nr>A </nr>
        </kop>
        <al>Artikel 3 komt te luiden: </al>
        <wlichaam>
          <art>
            <kop>
              <nr>Artikel 3 </nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1. </nr>
              <al>Onze Minister verstrekt aan een door hem aangewezen gemeente een uitkering
voor de vergoedingen, waartoe het gemeentebestuur zich in een kalenderjaar
bij de uitvoering van artikel 111, eerste lid, van de Abw en de artikelen
34, eerste lid, van de Ioaw en de Ioaz jegens de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
in een schriftelijke overeenkomst heeft verplicht, voor door deze organisatie
verleende diensten gericht op het geschikt maken voor inschakeling in de arbeid,
in het bijzonder door scholing, en voor bijzondere inspanningen voor de arbeidsbemiddeling,
van moeilijk plaatsbare uitkeringsgerechtigden. </al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2. </nr>
              <al>De diensten en inspanningen, bedoeld in het eerste lid, worden verleend
binnen drie jaar na het kalenderjaar van aangaan van de overeenkomst.  </al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3. </nr>
              <al>Burgemeester en wethouders doen vóór 1 april van het kalenderjaar
opgave van het bedrag waarvoor de in het eerste lid bedoelde diensten en inspanningen
zijn overeengekomen. Deze opgave wordt ingericht volgens een bij ministeriële
regeling vast te stellen model. </al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>4. </nr>
              <al>Voor het kalenderjaar 1997 is het voor uitkeringen beschikbare bedrag
45 miljoen gulden, en vervolgens voor ieder kalenderjaar een bij ministeriële
regeling vast te stellen bedrag. </al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>5. </nr>
              <al>Bij ministeriële regeling wordt bepaald op welke wijze de maximale
uitkering per aangewezen gemeente wordt vastgesteld op basis van het voor
uitkeringen beschikbare bedrag aan de hand van de aantallen uitkeringsgerechtigden
in de aangewezen gemeenten op een bepaalde peildatum. </al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>6. </nr>
              <al>Bij de toepassing van het vijfde lid worden de aantallen uitkeringsgerechtigden
in de gemeenten Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht bij elkaar opgeteld.
Vervolgens wordt de maximale uitkering aan de onderscheidenlijke gemeenten
bepaald door toepassing van de verdeelsleutel 37,5 : 28,5 : 22 : 12. </al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>7. </nr>
              <al>Op gezamenlijk verzoek van de in het zesde lid genoemde gemeenten kan
Onze Minister de in dat lid opgenomen verdeelsleutel herzien. </al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>8. </nr>
              <al>De uitkering aan de gemeente is gelijk aan het in het derde lid bedoelde
bedrag, voorzover het in het vijfde en zesde lid bedoelde maximum niet wordt
overschreden. </al>
            </lid>
          </art>
        </wlichaam>
      </wlid>
      <wlid>
        <kop>
          <nr>B </nr>
        </kop>
        <al>In artikel 4 wordt de zinsnede «artikel 3, tweede lid» vervangen
door: artikel 3, derde lid.  </al>
      </wlid>
      <wlid>
        <kop>
          <nr>C </nr>
        </kop>
        <al>Artikel 4a wordt als volgt gewijzigd: </al>
        <wond>
          <nr>1. </nr>
          <al>In het eerste lid wordt de zinsnede «artikel 3, derde lid»
vervangen door: artikel 3, vierde lid. </al>
        </wond>
        <wond>
          <nr>2. </nr>
          <al>Het tweede lid komt te luiden: </al>
          <arttkst>
            <lid>
              <nr>2. </nr>
              <al>Artikel 3, eerste en vijfde lid, zijn van toepassing. </al>
            </lid>
          </arttkst>
        </wond>
      </wlid>
      <wlid>
        <kop>
          <nr>D </nr>
        </kop>
        <al>Artikel 5 komt te luiden: </al>
        <arttkst>
          <lid>
            <nr>1. </nr>
            <al>Burgemeester en wethouders doen vóór 20 september 1999,
en vervolgens vóór 20 september van ieder kalenderjaar, aan
Onze Minister opgave van: </al>
            <al>a. de met de Arbeidsvoorzieningsorganisatie in het aan dat kalenderjaar
voorafgaande jaar gesloten overeenkomsten en de daarmee verband houdende uitgaven
en ontvangsten; </al>
            <al>b. de uitgaven en ontvangsten verband houdende met de uitkering over uiterlijk
de vijf aan dat kalenderjaar voorafgaande jaren. </al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2. </nr>
            <al>De jaaropgave, bedoeld in het eerste lid, is ingericht overeenkomstig
een bij ministerële regeling vast te stellen model en wordt voorzien
van een verklaring van een deskundige, belast met de in artikel 213 van de
Gemeentewet voorgeschreven controle omtrent de juistheid van gegevens. </al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3. </nr>
            <al>Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld inzake
de in het tweede lid bedoelde verklaring en het onderzoek dat resulteert in
deze verklaring.  </al>
          </lid>
        </arttkst>
      </wlid>
      <wlid>
        <kop>
          <nr>E </nr>
        </kop>
        <al>Artikel 6 wordt als volgt gewijzigd: </al>
        <wond>
          <nr>1. </nr>
          <al>In onderdeel a wordt de zinsnede «artikel 3, derde lid» vervangen
door: artikel 3, vijfde lid. </al>
        </wond>
        <wond>
          <nr>2. </nr>
          <al>In onderdeel b wordt de zinsnede «de artikelen 3, zesde lid, en
4» vervangen door: de artikelen 3, achtste lid, en 4.  </al>
        </wond>
      </wlid>
      <wlid>
        <kop>
          <nr>F </nr>
        </kop>
        <al>Aan artikel 8 wordt een vierde lid toegevoegd, luidende: </al>
        <arttkst>
          <lid>
            <nr>4. </nr>
            <al>Burgemeester en wethouders verstrekken Onze Minister inlichtingen en gegevens
voor de beleidsvorming met betrekking tot de uitvoering van dit besluit volgens
een bij ministeriële regeling vast te stellen model. </al>
          </lid>
        </arttkst>
      </wlid>
      <wlid>
        <kop>
          <nr>G </nr>
        </kop>
        <al>In artikel 9 wordt onder verlettering van de onderdelen b en c tot c en
d een nieuw onderdeel b ingevoegd, luidende: </al>
        <arttkst>
          <al>b. niet is voldaan aan artikel 3, tweede lid; </al>
        </arttkst>
      </wlid>
    </wart>
    <art id="aii">
      <kop>
        <nr>Artikel II </nr>
      </kop>
      <al>Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte
van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1
januari 1998. </al>
    </art>
  </body>
  <backm>
    <nawerk>
      <slotform>Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota
van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst. </slotform>
      <eindnoot id="e1">
        <al>Stb. 1997, 48, gewijzigd bij besluit van 24 september 1997, Stb. 443.</al>
      </eindnoot>
      <histnoot>
        <al>Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt omdat het
uitsluitend opmerkingen van redactionele aard bevat (artikel 25a, vierde lid,
onderdeel b, van de Wet op de Raad van State).</al>
      </histnoot>
      <ondertek>
        <ondplts>'s-Gravenhage, </ondplts>
        <onddatum>5 februari 1998 </onddatum>
        <koning>Beatrix  </koning>
        <minister>
          <minvan>De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, </minvan>
          <naam>A. P. W. Melkert </naam>
        </minister>
      </ondertek>
      <uitgifte>
        <uitgifte-regel>Uitgegeven de <nadruk type="cur">twaalfde</nadruk> februari 1998 </uitgifte-regel>
        <uitdag>twaalfde</uitdag>
        <uitmaand>februari</uitmaand>
        <uitjaar>1998 </uitjaar>
        <door>
          <minvan>De Minister van Justitie, </minvan>
          <naam>W. Sorgdrager </naam>
        </door>
      </uitgifte>
    </nawerk>
    <notatoe>
      <kop>
        <titel status="off">NOTA VAN TOELICHTING  </titel>
      </kop>
      <tuskop letat="vet">Inleiding </tuskop>
      <al>Ingevolge artikel 3, eerste lid, van het Besluit inkoop dienstverlening
Arbeidsvoorzieningsorganisatie door gemeenten verstrekt Onze Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan een door hem aangewezen gemeente een
uitkering voor de vergoedingen, waartoe het gemeentebestuur zich in een kalenderjaar
bij de uitvoering van artikel 111, eerste lid, van de Algemene bijstandswet
(Abw) en de artikelen 34, eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere
en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw) en de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Ioaz) jegens
de Arbeidsvoorzieningsorganisatie in een schriftelijke overeenkomst heeft
verplicht, voor door deze organisatie verleende diensten gericht op het geschikt
maken voor inschakeling in de arbeid, in het bijzonder door scholing, en voor
bijzondere inspanningen voor de arbeidsbemiddeling, van moeilijk plaatsbare
uitkeringsgerechtigden. Voor het kalenderjaar 1997 is aan de gemeenten Amsterdam,
Rotterdam, Den Haag, Utrecht, Groningen, Nijmegen, Arnhem, Almelo, Deventer,
Enschede, Tilburg, Breda, Eindhoven, Leeuwarden, Maastricht, Hengelo (O),
's-Hertogenbosch, Helmond, Zwolle, Dordrecht, Haarlem, Heerlen, Leiden, Schiedam
en Venlo een bedrag beschikbaar gesteld in het kader van het grote-stedenbeleid. </al>
      <al>In de Begroting 1998 van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
(Kamerstukken II, 1997–1998, 25 600, hoofdstuk XV, nr. 2) is aangegeven
dat, in aanvulling op de in het kader van het grote-stedenbeleid ter beschikking
gestelde middelen, het budget voor inkoop van diensten bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
met ingang van 1998 structureel wordt uitgebreid met een extra, jaarlijks
budget van 50 miljoen gulden. Doelgroep van dit extra budget zijn gemeenten
met een groot aantal bijstandsgerechtigden. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het onderhavige besluit strekt ertoe wijzigingen in de verdeling van de
beschikbare middelen naar aanleiding van de toevoeging van het extra bedrag
voor de doelgroep van gemeenten met een groot aantal uitkeringsgerechtigden
met ingang van 1 januari 1998 mogelijk te maken en wel zodanig, dat binnen
de totale doelgroep een deelverzameling van gemeenten een nader accent kan
krijgen. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Daarnaast worden in het kader van de informatievoorziening van gemeenten
aan het rijk nadere regelen gesteld ten aanzien van door de gemeenten aan
het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan te leveren gegevens. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Als laatste wordt in het besluit aangegeven dat nadere regels worden gesteld
ten aanzien van termijnen, waarbinnen de bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
ingekochte diensten moeten zijn verleend, en de uiterste termijn, waarbinnen
hierover financiële verantwoording aan het rijk moet zijn afgelegd. De
wettelijke basis voor dit laatste is gelegen in de wijziging daartoe van de
artikelen 137a van de Abw, 59a van de Ioaw en 59a van de Ioaz.  </al>
      <tuskop letat="vet">Uitbreiding van het aantal gemeenten </tuskop>
      <al>Vanuit de filosofie dat de beste wijze van armoedebestrijding het vergroten
van de mogelijkheden op betaald werk is, is aangekondigd dat in 1998 voor
gemeenten met een groot aantal bijstandsgerechtigden 50 miljoen gulden extra
aan het beschikbare inkoopbudget wordt toegevoegd. De in aanmerking komende
gemeenten kunnen met die extra middelen meer diensten inkopen
bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie, wat de kans op uitstroom uit de uitkering
voor een groter aantal uitkeringsgerechtigden doet toenemen. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Tot 1998 wordt het inkoopbudget ter beschikking gesteld van de gemeenten,
inmiddels 25 in aantal, waar het grote-stedenbeleid op van toepassing is.
Aangezien nu meer middelen beschikbaar zijn is het mogelijk een groter aantal
gemeenten middelen voor inkoop bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie te verschaffen.
Dit sluit enerzijds aan bij de wens van veel gemeenten om ook in aanmerking
te komen voor middelen ten behoeve van inkoop en anderzijds bij de door de
regering uitgezette lijn van uitbreiding van het inkoopmodel. Meer gemeenten
ervaring op laten doen met het inkoopmodel sluit ook aan op het regeringsbeleid,
dat succesvolle maatregelen in het kader van het grote-stedenbeleid zo mogelijk
ook ingezet zouden moeten worden bij overige gemeenten. Wel dient hierbij
in het oog te worden gehouden dat een al te grote versnippering van het beschikbare
bedrag, door verdeling over bijvoorbeeld alle gemeenten, de effectiviteit
van de beschikbare inkoopmiddelen negatief beïnvloedt. Per gemeente zou
dan een dermate gering bedrag beschikbaar zijn, dat hiervan nauwelijks meer
positieve impulsen voor moeilijk plaatsbare uitkeringsgerechtigden mogen worden
verwacht.  </al>
      <tuskop letat="vet">Verdeling over groepen gemeenten </tuskop>
      <al>Voor de vaststelling welke gemeenten in aanmerking komen voor het extra
inkoopbudget is het streven een zo groot mogelijke uitkeringspopulatie te
bereiken, zonder dat dit tot versnippering mag leiden. Voor de omvang van
de uitkeringspopulatie wordt uitgegaan van het aantal Abw-gerechtigden jonger
dan 65 jaar plus het aantal uitkeringsgerechtigden Ioaw en Ioaz in een gemeente.
Als concreet criterium zal voor 1998 gekozen worden voor gemeenten met een
hiervoor beschreven populatie van meer dan 900. Daarmee wordt immers driekwart
van de populatie bestreken, zonder dat sprake is van versnippering. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Met deze selectie van gemeenten heeft tevens ieder Regionaal Bestuur voor
de Arbeidsvoorziening (RBA) in meer of mindere mate gemeenten in zijn regio,
die contracten in het kader van de inkoopregeling afsluiten. Hiermee wordt
het mogelijk dat alle regio's van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie ervaring
met deze inkoopconstructie kunnen opdoen. Door middel van het voorlopig nog
handhaven van de verplichte winkelnering bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
kunnen zij zich positioneren op deze markt en zich voorbereiden op een situatie
met vrije winkelnering in de toekomst. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Toepassing van dit criterium leidt ertoe dat de volgende gemeenten in
aanmerking komen voor het extra inkoopbudget ad f 50 mln: Alkmaar, Almelo,
Almere, Alphen aan den Rijn, Amersfoort, Amstelveen, Amsterdam, Apeldoorn,
Arnhem, Assen, Bergen op Zoom, Breda, Brunssum, Capelle aan den IJssel, Delft,
Delfzijl, Den Haag, Den Helder, Deventer, Doetinchem, Dordrecht, Ede, Eindhoven,
Emmen, Enschede, Geleen, Gorinchem, Gouda, Groningen, Haarlem, Haarlemmermeer,
Heemskerk, Heerenveen, Heerlen, Hellevoetsluis, Helmond, Hengelo (O), 's-Hertogenbosch,
Hilversum, Hoogeveen, Hoogezand-Sappemeer, Hoorn, Kerkrade, Landgraaf, Leeuwarden,
Leiden, Lelystad, Maassluis, Maastricht, Middelburg, Nieuwegein, Nijmegen,
Noordoostpolder, Oosterhout, Oss, Purmerend, Rheden, Ridderkerk, Rijswijk
(Z-H), Roermond, Roosendaal, Rotterdam, Schiedam, Sittard, Smallingerland,
Sneek, Spijkenisse, Stadskanaal, Terneuzen, Tiel, Tilburg, Utrecht, Veenendaal, Velsen, Venlo, Vlaardingen, Vlissingen, Waalwijk, Wageningen, Weert,
Zaanstad, Zeist, Zoetermeer, Zutphen, Zwijndrecht en Zwolle. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Om gestalte te geven aan uitstroombeleid is het nodig dat gemeenten voor
een langere periode inkoopgelden kunnen verwachten. Alleen indien na verloop
van tijd de feitelijke ontwikkeling van de aantallen uitkeringsgerechtigden
in aanmerkelijke mate gaat afwijken van de stand op de oorspronkelijke peildatum
kan hernieuwde aanwijzing van gemeenten aan de orde zijn. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De regering wil om beleidsmatige redenen binnen de totale groep van inkoopgemeenten
de gemeenten, behorend tot de doelgroep van het grote-stedenbeleid nader kunnen
accentueren. Zij – oorspronkelijk 19 in getal, in de loop van 1997 uitgebreid
tot 25 – kregen op grond van de inkoopregelgeving in 1996 en 1997 de
beschikking over een inkoopbudget. Met dat beleid wordt beoogd extra impulsen
te geven aan die gemeenten in verband met de daar aanwezige complexe en onderling
verweven economische en sociale problematiek. Ondanks de uitbreiding van het
aantal gemeenten dat in aanmerking komt voor het inkoopbudget blijft een nadere
accentuering van deze gemeenten binnen het inkoopbeleid gewenst; de noodzaak
tot extra aandacht ten behoeve van het instandhouden van de sociale cohesie
en het versterken van het sociale en economische fundament blijft immers aanwezig. </al>
      <al>Dit leidt tot het uitgangspunt dat de steden van het grote-stedenbeleid,
behalve dat zij naar rato meedelen in de structurele beleidsintensivering
van 50 miljoen gulden extra, daarnaast ter accentuering van hun positie binnen
de gemeenten de reeds voor hen geraamde middelen ad 55,5 mln zullen blijven
behouden. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Om deze reden is artikel 3 gewijzigd. Op basis van het vijfde lid kunnen
bij ministeriële regeling de beleidsmatig noodzakelijk geachte accenten,
in de vorm van gedifferentieerde bijdragen, worden gelegd. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Voor de verdeling van de gelden binnen de groepen gemeenten, wordt dezelfde
verdeelsleutel gebruikt. Dat wil zeggen, het relatieve aandeel in de populatie
Abw-gerechtigden jonger dan 65 jaar plus het aantal uitkeringsgerechtigden
Ioaw en Ioaz. Met dien verstande dat voor specifieke gemeenten binnen de afzonderlijke
groepen specifieke verdeelsleutels mogelijk zijn. Concreet betekent dit, dat
de specifieke verdeelsleutel voor de vier steden Amsterdam, Rotterdam, Den
Haag en Utrecht onderling, zoals reeds eerder toegepast en gebaseerd op afspraken
in het grote-stedenbeleid, blijft gelden.  </al>
      <tuskop letat="vet">De doelgroep van inkoop en oormerking richting Arbeidsvoorzieningsorganisatie </tuskop>
      <al>De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) bepleit een verruiming van
de doelgroep van dit besluit naar alle uitkeringsgerechtigden en de doelgroep
van de Wet inschakelijking werkzoekenden (Wiw). Daarmee kan haars inziens
het inkoopbudget eenvoudiger en flexibeler worden ingezet in samenhang met
andere lokale en regionale budgetten. De regering acht uitbreiding naar alle
uitkeringsgerechtigden niet in lijn met het doel van het inkoopbudget. Dit
budget is naar analogie van de doelgroep van de prestatiebijdrage van het
Rijk aan de Arbeidsvoorzieningsorganisatie, namelijk de moeilijk plaatsbaren,
bedoeld voor de moeilijk plaatsbare uitkeringsgerechtigden. Ook zou uitbreiding
van het beperkte inkoopbudget tot alle uitkeringsgerechtigden leiden tot versnippering
van gelden. Voorts is in de toelichting op het Besluit inkoop dienstverlening
Arbeidsvoorzieningsorganisatie door gemeenten, van 10 januari 1997 (Staatsblad
1997, 48) aangegeven dat op termijn de wenselijkheid om dit besluit
in de Wiw op te laten gaan aan de orde zal zijn, waarbij sprake is van een
bredere doelgroep. Het moment voor deze afweging is thans nog niet aangebroken,
aangezien de Wiw net op 1 januari jl. in werking is getreden. De werking daarvan
in relatie tot het prestatiebudget van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie en
het gemeentelijke inkoopbudget kan nog niet overzien worden. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Ten aanzien van doelgroepen dient er aandacht te zijn voor een bijzondere
groep moeilijk plaatsbaren: nieuwkomers die een inburgeringsprogramma volgen
of recentelijk hebben gevolgd. De inspanningen die in het kader van inburgering
voor en door nieuwkomers zijn geleverd, zullen pas werkelijk tot integratie
in de samenleving leiden als er, voor diegenen die direct beschikbaar zijn
voor arbeid, aansluitend op of in combinatie met het inburgeringsprogramma
een traject gericht op toeleiding naar arbeid kan worden gevolgd. Het is daarom
van belang om bij de besteding van inkoopmiddelen in het bijzonder aandacht
te besteden aan de nieuwkomers onder de moeilijk plaatsbare uitkeringsgerechtigden.
Daartoe zal bestuurlijk overleg tussen VNG, de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
en het Rijk gevoerd worden om tot concrete afspraken te komen over de inzet
van middelen, waaronder die van inkoop, voor nieuwkomers. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Voorts heeft de VNG de wens geuit om de extra gelden ad 50 mln niet te
oormerken richting de Arbeidsvoorzieningsorganisatie, aangezien volgens haar
in het kader van het project Samenwerking, Werk en Inkomen de bestaande oormerking
zal worden afgebouwd. </al>
      <al>De uitbreiding van inkoop moet geleidelijk en gefaseerd worden uitgevoerd.
In de huidige fase is uitbreiding van het aantal gemeenten aan de orde. Wanneer
er vrije winkelnering komt, en in welke mate, zal bezien worden mede op basis
van de meerjarige evaluatie van de praktijkresultaten in het huidige inkoopmodel.
 </al>
      <tuskop letat="vet">Beleidsinformatie </tuskop>
      <al>Het inkoopmodel zal gefaseerd worden ingevoerd en uitgebreid, waarbij
ook vrije winkelnering aan de orde komt. Met ingang van 1998 wordt de werkingssfeer
van de inkoopregeling uitgebreid van 25 gemeenten naar 86 gemeenten. Dit impliceert
dat ten behoeve van de verdere implementatie en uitwerking de ontwikkelingen
nauwlettend zullen moeten worden gevolgd. Deels gebeurt dit door het longitudinale
evaluatie-onderzoek, dat in 1996 is gestart. Dit onderzoek heeft echter betrekking
op een deel van de bij de inkoopregeling betrokken gemeenten en loopt volgens
de planning af in 1999. Ten behoeve van blijvende, goede beleidsinformatie
is het ook noodzakelijk dat er enige uniformering wordt aangebracht ten aanzien
van de informatie die door alle betrokken gemeenten aan het rijk wordt aangeleverd.
Een dergelijke aanpak maakt het mogelijk op een aantal relevante variabelen
de ontwikkelingen van het inkoopmodel in de praktijk te volgen en mede aan
de hand daarvan de verdere implementatie vorm te geven. Qua variabelen moet
onder meer gedacht worden aan de mate waarin trajecten daadwerkelijk leiden
tot plaatsing op zowel reguliere als bijzondere arbeidsplaatsen. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Op grond van het vierde lid van artikel 8 kan de minister een model vaststellen
terzake van de door hem gewenste inlichtingen en gegevens die hij met betrekking
tot de uitvoering van dit besluit behoeft. De grondslag wordt gevormd door
artikel 132 van de Abw, artikel 54 van de Ioaw en artikel 54 van de Ioaz.   </al>
      <tuskop letat="vet">Nadere termijnstelling </tuskop>
      <al>Door middel van de wijziging van de artikelen 137a van de Abw, 59a van
de Ioaw en 59a van de Ioaz is het mogelijk gemaakt dat bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur termijnen kunnen worden gesteld waarbinnen de diensten
en de bijzondere inspanningen, die door de betrokken gemeente bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
worden ingekocht, moeten zijn verleend. Doelstelling van de inkoopregeling
is dat door middel van het inkopen van deze diensten en bijzondere inspanningen
bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie de mogelijkheden tot toeleiding van
moeilijk plaatsbare uitkeringsgerechtigden naar de arbeidsmarkt worden vergroot.
Naast het gegeven dat er op grond hiervan een direct verband moet bestaan
tussen genoemde doelstelling van de regeling en de te leveren diensten, zal
er daarom ook sprake moeten zijn van een overzienbare termijn tussen de door
de gemeente en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie afgesproken diensten en de
feitelijke levering en afronding daarvan. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het zal immers moeten gaan om diensten die het concrete uitzicht van de
moeilijk plaatsbare op een plaats in het arbeidsproces dichterbij brengt;
dit verdraagt zich slecht met een te lange afwikkeling van de gemaakte afspraken. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>In het verlengde van het voorgaande is tevens onderkend dat het ten behoeve
van een beheersbare financiële verantwoording en afwikkeling van de jaarlijkse
uitkering aan de gemeenten wenselijk is een meer omlijnd regime voor de financiële
afwikkeling tot stand te brengen. </al>
      <al>Hiertoe wordt bij lagere regelgeving een horizon aangebracht aan de duur
van de uitvoering van de contractueel ingekochte dienstverlening en aan de
financiële verantwoording daarover. Zonder een dergelijke horizon in
de tijd zou het jaren kunnen duren voordat een budgetjaar verantwoord en afgesloten
wordt. Een dergelijke onoverzichtelijkheid is ongewenst. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De systematiek werkt als volgt. De uitvoering van contracten, afgesloten
in het jaar t, mag doorlopen tot en met uiterlijk het jaar t + 3. Met ingang
van het jaar t + 1 wordt jaarlijks verantwoording afgelegd over het voorafgaande
jaar middels de jaaropgave. De laatste verantwoording over het jaar t dient
uiterlijk plaats te vinden in de jaaropgave over het jaar t + 4, die in het
jaar t + 5 wordt gedaan. Hiermee hebben de gemeenten de mogelijkheid om de
financiële afwikkeling van de uitvoering van het contract met de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
uiterlijk in het jaar t + 4 af te ronden. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Op deze wijze wordt enerzijds recht gedaan aan het feit dat de te leveren
dienstverlening enige tijd in beslag zal kunnen nemen, aangezien het hier
gaat om het verbeteren van de kwalificaties van moeilijk plaatsbare uitkeringsgerechtigden,
terwijl anderzijds het doel van de regeling, uiteindelijke plaatsing van betrokkene
op de arbeidsmarkt, niet uit het oog wordt verloren. </al>
      <al>De regeling richt zich tot de gemeenten; daarmee bestaat immers de uitkeringsrelatie.
Er wordt derhalve niets geregeld ten aanzien van de (financiële) verantwoording
van de contractuele verplichtingen van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie aan
de gemeente. Het spreekt echter voor zich dat de gemeenten zich jegens de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie moeten verzekeren van een tijdige uitvoering
en verantwoording van de te leveren dienstverlening, die voortvloeit uit de
afgesloten contracten. Bij een niet tijdige uitvoering en verantwoording kan
gehele of gedeeltelijke terugvordering van de door het rijk verstrekte uitkering
plaatsvinden.  </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Een en ander is geregeld in de artikelen 3, tweede lid (de overeenkomst
terzake van de in het eerste lid genoemde diensten dient binnen drie jaar
na het aangaan daarvan te worden uitgevoerd) en 5, eerste lid, onderdeel b
(burgemeester en wethouders dienen uiterlijk binnen vijf jaar na het aangaan
van de overeenkomst bedoeld in artikel 3, eerste lid, opgave te doen van de
uitgaven en ontvangsten verband houdende met de uitkering).  </al>
      <minister>
        <minvan>De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, </minvan>
        <naam>A. P. W. Melkert </naam>
      </minister>
    </notatoe>
  </backm>
</staatsbl>