﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<!DOCTYPE staatsbl PUBLIC "-//SDU//DTD staatsblad xml 1.1//NL" "../../dtd/staatsbl-11.dtd"[]>
<staatsbl id="sb998.590" soort="kb" publtype="kobe">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-1998-590/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel status="off">Staatsblad</titel>
    <subtitel>van het Koninkrijk der Nederlanden</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.4" conv="port1.2" markup="c1xa"></versie>
    <ordernr>STB4553 </ordernr>
    <stb>
      <jaargang jaar="1998">Jaargang 1998</jaargang>
      <stbjaar>1998 </stbjaar>
      <stbnr>590  </stbnr>
    </stb>
    <intitule>
      <soort>Besluit</soort> van 30 september 1998, houdende regels omtrent
het verstrekken van subsidies aan bewindvoerders in verband met de Wet schuldsanering
natuurlijke personen (Tijdelijk subsidiebesluit bewindvoerder schuldsanering)</intitule>
    <aanhef>
      <wie>Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz. </wie>
      <consider>
        <al>Op voordracht van Onze Minister van Justitie van 24 augustus 1998, Directie
Wetgeving, nr. 711620/98/6; </al>
        <al>Gelet op de <grslag>artikelen 48 c en d van de Wet Justitie-subsidies</grslag>; </al>
        <al>De Raad van State gehoord (advies van 17 juli 1998, no. W03.98.0286); </al>
        <al>Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 23 september
1998, nr. 716279/98/6;</al>
      </consider>
      <afkondig>Hebben goedgevonden en verstaan:</afkondig>
    </aanhef>
  </frontm>
  <body>
    <hfdst>
      <kop>
        <nr>HOOFDSTUK I. </nr>
        <titel status="off">ALGEMENE BEPALINGEN  </titel>
      </kop>
      <art id="a1">
        <kop>
          <nr>Artikel 1: </nr>
          <titel status="off">definities </titel>
        </kop>
        <al>In dit besluit wordt verstaan onder: </al>
        <al>a. Onze Minister: Onze Minister van Justitie; </al>
        <al>b. de Raad: de door Onze Minister aangewezen Raad of Raden voor Rechtsbijstand; </al>
        <al>c. bewindvoerder: de door de rechtbank op grond van artikel 287, derde
lid Faillissementswet benoemde natuurlijk persoon; </al>
        <al>d. bewindvoerderssubsidie: de subsidie ten behoeve van het optreden, bedoeld
in artikel 48c, eerste lid, onderdeel a van de Wet Justitie-subsidies; </al>
        <al>e. ondersteuningssubsidie: de subsidie ten behoeve van de activiteiten,
bedoeld in artikel 48c, eerste lid, onderdeel b van de Wet Justitie-subsidies; </al>
        <al>f. een zaak: een door de rechtbank aan de bewindvoerder opgedragen schuldsaneringszaak. </al>
      </art>
      <art id="a2">
        <kop>
          <nr>Artikel 2: </nr>
          <titel status="off">relatie Minister – Raad voor Rechtsbijstand </titel>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1. </nr>
          <al>De Raad verstrekt namens Onze Minister subsidie. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2. </nr>
          <al>Onze Minister kan jaarlijks een subsidieplafond vaststellen. De Raad kan
beleidsregels vaststellen omtrent de verdeling en de uitvoering daarvan.  </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>3. </nr>
          <al>De door Onze Minister verstrekte jaarlijkse subsidie aan de Raad bestaat
uit het jaarlijkse totaal van de door de Raad te verstrekken bewindvoerders-
en ondersteuningssubsidies en de vergoeding aan de Raad voor de uitvoering
van de wet. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>4. </nr>
          <al>Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent
de onderwerpen genoemd in artikel 42a,  eerste lid, van de Wet op de
Rechtsbijstand. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>5. </nr>
          <al>Titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing
op de door Onze Minister  verstrekte jaarlijkse subsidie aan de Raad. </al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a3">
        <kop>
          <nr>Artikel 3: </nr>
          <titel status="off">kring van gerechtigden </titel>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1. </nr>
          <al>De Raad verleent subsidie aan bewindvoerders die voldoen aan door de raad
vast te stellen beleidsregels met  betrekking tot deskundigheid, onafhankelijkheid
en organisatie. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2. </nr>
          <al>De Raad stelt aan de rechtbanken ten minste eenmaal per jaar een actuele
opgave ter beschikking van personen die naar zijn oordeel geschikt zijn
om voor de bewindvoering in aanmerking te komen. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>3. </nr>
          <al>De Raad verstrekt de subsidie aan de bewindvoerder of aan de werkgever
bij wie de bewindvoerder zijn werkzaamheden in dienstbetrekking vervult. </al>
        </lid>
      </art>
    </hfdst>
    <hfdst>
      <kop>
        <nr>HOOFDSTUK II. </nr>
        <titel status="off">BEWINDVOERDERSSUBSIDIE EN BEVOORSCHOTTING  </titel>
      </kop>
      <art id="a4">
        <kop>
          <nr>Artikel 4: </nr>
          <titel status="off">bewindvoerderssubsidie </titel>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1. </nr>
          <al>De bewindvoerderssubsidie bedraagt f 1250,– per afgewikkelde
zaak, inclusief de door de bewindvoerder verschuldigde BTW, een en ander onverminderd
de mogelijke aanspraak op een salaris uit hoofde van het Besluit  salaris
bewindvoerder. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2. </nr>
          <al>De Raad kan een lager bedrag vaststellen dan het in het eerste lid genoemde
bedrag, doch nooit lager dan f 750,– per afgewikkelde zaak inclusief
de door de bewindvoerder verschuldigde BTW, indien de in het eerste lid bedoelde
subsidie in een wanverhouding zou staan tot de verrichte werkzaamheden. </al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a5">
        <kop>
          <nr>Artikel 5: </nr>
          <titel status="off">bevoorschotting </titel>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1. </nr>
          <al>De Raad verleent aan de bewindvoerder een voorschot voor de krachtens
dit besluit te verstrekken subsidie. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2. </nr>
          <al>Het voorschot bedraagt ten hoogste een door Onze Minister te bepalen bedrag. </al>
        </lid>
      </art>
    </hfdst>
    <hfdst>
      <kop>
        <nr>HOOFDSTUK III. </nr>
        <titel status="off">ONDERSTEUNINGSSUBSIDIE  </titel>
      </kop>
      <art id="a6">
        <kop>
          <nr>Artikel 6: </nr>
          <titel status="off">ondersteuningssubsidie </titel>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1. </nr>
          <al>De Raad kan op aanvraag van de bewindvoerder of zijn werkgever of werkgeversorganisatie
een ondersteuningssubsidie verstrekken, indien de bewindvoerder voldoet aan
de eisen die op grond van artikel 3, eerste lid worden gesteld en indien
redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de bewindvoerder per jaar in een substantieel
aantal zaken als bewindvoerder werkzaam is. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2. </nr>
          <al>De ondersteuningssubsidie kan bestaan uit de centrale financiering van
activiteiten waarvan de bewindvoerder,  bedoeld in het eerste lid, gebruik
kan maken.  </al>
        </lid>
      </art>
    </hfdst>
    <hfdst>
      <kop>
        <nr>HOOFDSTUK IV. </nr>
        <titel status="off">VERPLICHTINGEN BEWINDVOERDER  </titel>
      </kop>
      <art id="a7">
        <kop>
          <nr>Artikel 7: </nr>
          <titel status="off">algemeen en sanctie </titel>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1. </nr>
          <al>De bewindvoerder is verplicht zich voldoende in te spannen een akkoord
na te streven, een zaak zorgvuldig te behandelen, een goed beleid en
beheer te voeren en, onverminderd zijn wettelijke verplichtingen uit hoofde  van
zijn taakvervulling als bewindvoerder, alle verplichtingen die de Raad op
grond van dit besluit aan de subsidie verbindt, na te leven. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2. </nr>
          <al>De bewindvoerder dient te vermijden dat zijn vrijheid en onafhankelijkheid
bij de uitoefening van zijn werkzaamheden in gevaar zouden kunnen komen. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>3. </nr>
          <al>De bewindvoerder die op grond van het eerste of het tweede lid tekortschiet
in zijn taakuitoefening kan door de Raad een aanspraak op subsidie geheel
of gedeeltelijk worden ontzegd. De Raad hoort bij toepassing van de artikelen
4:46, 4:48 of 4:49 van de Algemene wet bestuursrecht de betrokken rechter-commissaris. </al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a8">
        <kop>
          <nr>Artikel 8: </nr>
          <titel status="off">overdracht van de zaak </titel>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1. </nr>
          <al>Overdracht van een zaak heeft geen invloed op de hoogte van de subsidie. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2. </nr>
          <al>De subsidie wordt betaald aan de bewindvoerder die de zaak afwikkelt,
met inachtneming van een verrekening  met het voorschot van artikel 5. </al>
        </lid>
      </art>
    </hfdst>
    <hfdst>
      <kop>
        <nr>HOOFDSTUK V. </nr>
        <titel status="off">SLOTBEPALINGEN  </titel>
      </kop>
      <art id="a9">
        <kop>
          <nr>Artikel 9: </nr>
          <titel status="off">inwerkingtreding </titel>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1. </nr>
          <al>Indien het bij koninklijke boodschap van 1 oktober 1993 ingediende voorstel
van wet, houdende inwerkingtreding van en aanpassing van wetgeving aan
de wijziging van de Faillissementswet in verband met de sanering van
schulden van natuurlijke personen (Invoeringswet schuldsaneringsregeling natuurlijke personen)
(kamerstukken II 1993/1994, 23 429), nadat het tot wet is verheven, in
werking treedt, treedt dit besluit op hetzelfde tijdstip in werking. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2. </nr>
          <al>Dit besluit vervalt met ingang van 1 januari 2001. </al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a10">
        <kop>
          <nr>Artikel 10: </nr>
          <titel status="off">citeertitel </titel>
        </kop>
        <al>Dit besluit wordt aangehaald als: Tijdelijk subsidiebesluit bewindvoerder
schuldsanering. </al>
      </art>
    </hfdst>
  </body>
  <backm>
    <nawerk>
      <slotform>Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota
van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst. </slotform>
      <histnoot>
        <al>Het advies van de Raad van State is openbaar gemaakt door terinzagelegging
bij het Ministerie van Justitie. </al>
        <al>Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage gelegde stukken worden
opgenomen in het bijvoegsel bij de Staatscourant van 10 november 1998, nr.
215.</al>
      </histnoot>
      <ondertek>
        <ondplts>'s-Gravenhage, </ondplts>
        <onddatum>30 september 1998 </onddatum>
        <koning>Beatrix  </koning>
        <minister>
          <minvan>De Staatssecretaris van Justitie, </minvan>
          <naam>M. J. Cohen </naam>
        </minister>
      </ondertek>
      <uitgifte>
        <uitgifte-regel>Uitgegeven de <nadruk type="cur">zevenentwintigste</nadruk> oktober 1998 </uitgifte-regel>
        <uitdag>zevenentwintigste</uitdag>
        <uitmaand>oktober</uitmaand>
        <uitjaar>1998 </uitjaar>
        <door>
          <minvan>De Minister van Justitie, </minvan>
          <naam>A. H. Korthals </naam>
        </door>
      </uitgifte>
    </nawerk>
    <notatoe>
      <kop>
        <titel status="off">NOTA VAN TOELICHTING  </titel>
      </kop>
      <tuskop letat="vet">Algemeen </tuskop>
      <al>Het onderhavige besluit regelt de subsidieverstrekkingen die via de Raad
of Raden voor Rechtsbijstand worden gedaan aan de bewindvoerders in de schuldsaneringsregeling
natuurlijke personen. Artikel 48d van de Wet Justitie-subsidies, dat bij novelle
(Wet van 25 juni 1998, Stb. 1998, 447) is toegevoegd aan het hoofdwetsvoorstel
schuldsanering natuurlijke personen (Wet van 25 juni 1998, Stb. 1998, 445),
vormt de grondslag voor dit besluit. Het besluit bevat grotendeels bepalingen
omtrent de relaties tussen Raad en bewindvoerders, doch ook een bepaling –
artikel 2 – omtrent de relatie tussen Minister en Raad. Volgens het
eveneens bij novelle toegevoegde artikel 48c lid 1 van de Wet Justitie-subsidies
is het de Minister van Justitie die de met de uitvoering van de schuldsaneringsregeling
verband houdende subsidies verstrekt. Het desbetreffende bureau van de gemandateerde
Raad voor Rechtsbijstand is in dit proces van subsidieverstrekking het uitvoerende
orgaan. Namens de Raad is dit bureau bevoegd om de bewindvoerders- en ondersteuningssubsidies
te verstrekken. De Raad is bevoegd om beleidsregels vast te stellen omtrent
de subsidieverstrekking. </al>
      <al>De bewindvoerder in de schuldsaneringsregeling heeft onder een aantal
voorwaarden aanspraak op bewindvoerderssubsidie. Het op artikel 320, zesde
lid van de Faillissementswet gebaseerde Besluit salaris bewindvoerder biedt
hem daarnaast een door de boedel op te brengen salaris van f 50,–
voor iedere maand vanaf de maand waarin door de rechter de toepassing van
de schuldsaneringsregeling wordt uitgesproken. De rechter kan dit salaris,
indien hij daartoe termen aanwezig acht, hoger vaststellen. Beide besluiten
bieden in hun onderling verband bezien een adequate vergoeding voor bewindvoeringswerkzaamheden. </al>
      <al>De Raad voor Rechtsbijstand zal verantwoording afleggen aan de minister
over de uitvoering van de wet. Het zesde lid van artikel 48c van de Wet Justitie-subsidies
sluit hierbij aan. Een soortgelijke verantwoordingscyclus heeft zich al bewezen
in het stelsel van gefinancierde rechtsbijstand waarin de bureaus rechtsbijstandvoorziening
een vergelijkbare rol spelen als binnenkort bij de wettelijke schuldsanering
te verwachten is. Voor laatstgenoemde activiteit zullen Minister en Raad een
separate cyclus hanteren. </al>
      <al>Het besluit heeft een tijdelijk karakter, dat is neergelegd in het tweede
lid van artikel 9, namelijk een korte geldingsduur van twee volledige boekjaren.
Dit heeft een aantal redenen. Ondanks de omstandigheid dat er nog een aantal
onzekerheden bestaan omtrent de financieringsstructuur is het niet langer
verantwoord de inwerkingtreding van de wet om die reden te verdagen. Op voorhand
valt bijvoorbeeld niet exact in te schatten hoe intensief het beroep op de
nieuwe wettelijke regeling zal worden. Die onzekerheid is ook door uitvoerig
onderzoek niet weg te nemen en zal dus ook op een later tijdstip blijven bestaan.
Evenmin valt zonder feitelijke ervaring met de afwikkeling van schuldsaneringen
precies te begroten welke intensiteit de werkzaamheden van de bewindvoering
zullen hebben en of daarbij een differentiëring valt aan te brengen al
naar gelang het type zaak. Zodra op die manier over de wijze waarop het bedrag
van de subsidie wordt bepaald (zie artikel 48d lid 1 sub b Wet Justitie-subsidies)
meer duidelijkheid is verkregen, bijvoorbeeld ook aan de hand van de diverse
evaluaties, kan worden gedacht aan een bijstelling van de subsidies of (ook)
aan een differentiatie van bewindvoeringsvergoedingen. De praktijk zal hier
de beste leerschool moeten zijn. Een relatief korte geldigheidsduur van twee
boekjaren is enerzijds niet te kort om enige conclusies te kunnen trekken,
maar anderzijds niet te lang om snel in te kunnen grijpen indien mocht blijken
dat zich ongewenste effecten voordoen. De verregaande automatisering bij de
uitvoering van de wet moet eraan bijdragen dat direct de nodige
gegevens voorhanden zijn om indien nodig tot een bijstelling te komen. Bij
de representativiteit van de gegevens zal rekening worden gehouden met een
mogelijk optredend «stuwmeer-effect» in de eerste periode na inwerkingtreding
van de schuldsaneringsregeling. Zodra op deze wijze betrouwbare informatie
is verzameld over het aantal zaken, de gemiddelde looptijd, de tijdsbesteding,
het benoemingsbeleid en het aanbod van bewindvoerders, is derhalve een herijking
van dit tijdelijke subsidiestelsel niet alleen op haar plaats, maar ook praktisch
mogelijk. Dit aspect kan worden meegenomen in de aangekondigde evaluatie van
de wet na ommekomst van twee jaar die door de minister is toegezegd. Subsidies
moeten tenminste eens in de vijf jaar worden geëvalueerd op grond van
artikel 4:24 Algemene wet bestuursrecht. In artikel 48d lid 2 van de Wet Justitie-subsidies
is bovendien bepaald dat de Raden in afzonderlijke jaarplannen en jaarverslagen
aandacht moeten besteden aan hun subsidiebeleid. </al>
      <al>Het ligt voor de hand om ter gelegenheid van de herijking van het tijdelijke
subsidiestelsel ook de wettelijke grondslag van het besluit in de Wet Justitie-subsidies
aan een gedeeltelijke herziening te onderwerpen. Het subsidiestelsel van afdeling
4.2.8 van de Algemene wet bestuursrecht, zoals dat ten tijde van het opstellen
van de novelle in het zesde lid van artikel 48c Wet Justitie-subsidies van
toepassing is verklaard, is immers weliswaar in de verhouding tussen Minister
en Raden een passend stelsel, maar mogelijkerwijs niet in alle opzichten geschikt
om ook in de verhouding tussen Raden en bewindvoerders de afwikkeling van
schuldsaneringszaken te normeren.  </al>
      <tuskop letat="vet">Artikelsgewijs commentaar  </tuskop>
      <tuskop letat="cur">Artikel 1 </tuskop>
      <al>In de periode voorafgaand aan de inwerkingtreding van de schuldsaneringsregeling
en in de eerste periode na inwerkingtreding is een duidelijke centrale sturing
en een bundeling van kennis omtrent de in- en uitvoering noodzakelijk. Met
de inrichting van een vooralsnog landelijk bureau bij de Raad voor Rechtsbijstand
in Den Bosch is in die behoefte voorzien. Niet de Raad als zodanig, maar dit
bureau is het uitvoerend orgaan. Denkbaar is dat op een later tijdstip ook
bij een of meer van de overige Raden voor Rechtsbijstand een bureau zal worden
ingericht, en dat dus de organisatie en de subsidieverstrekking zullen worden
gedecentraliseerd per ressort.  </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 2 </tuskop>
      <al>Deze bepaling regelt de verhouding tussen Minister en (het bureau van)
de Raad als uitvoerend orgaan in het subsidieproces, voorzover nodig in aanvulling
op artikel 48c leden 3 en 5 van de Wet Justitie-subsidies. Het eerste lid
van artikel 2 bepaalt dat de Raad geen zelfstandige subsidiebevoegdheid heeft,
maar dat de Raad de bewindvoerders- en ondersteuningssubsidies verstrekt uit
hoofde van een op grond van de Wet Justitie-subsidies door de Minister van
Justitie verleend mandaat. In het tweede lid is overeenkomstig het tweede
lid van artikel 4:81 Algemene wet bestuursrecht een uitdrukkelijke wettelijke
grondslag geschapen voor het vaststellen van beleidsregels door de gemandateerde.
In het vierde lid is een grondslag neergelegd voor nadere regelgeving door
de Minister, naar analogie van de subsidieregeling die reeds met de Raden
bestaat op het gebied van de gefinancierde rechtsbijstand. Omdat geen vermenging
wenselijk is met de rechtsbijstandsactiviteiten op grond van de Wet op de
Rechtsbijstand – schuldsanering is als sluitstuk op de schuldhulpverlening primair een vorm van sociaal-maatschappelijke bijstand – zal
derhalve een afzonderlijke regeling tot stand moeten komen.  </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 3 </tuskop>
      <al>De artikelen 3 tot en met 8 regelen de verhouding tussen de Raad en de
bewindvoerders. In artikel 3 is de kring omschreven van diegenen die, op voorwaarde
dat zij door de rechter tot bewindvoerder in de schuldsaneringsregeling worden
benoemd, een aanspraak kunnen doen gelden op subsidie. Voor de ondersteuningssubsidie
wordt deze kring in artikel 6 nader omschreven. Het gaat in artikel 3 om een
niet bij voorbaat vastliggende kring van subsidieontvangers. Het kunnen advocaten,
medewerkers van gemeentelijke kredietbanken of andere (particuliere) schuldhulpverleners
zijn, zolang zij voldoen aan eisen van deskundigheid (het voldoen aan de permanente
opleiding, opbouw van ervaring, zoveel mogelijk gebruik maken van de integrale
schuldhulpverlening), het bewaren van onafhankelijkheid (het voorkomen van
belangenverstrengeling), organisatorische eisen (gebruikmaking van de modelverklaring
van artikel 285 van de Faillissementswet en van het geautomatiseerde berichtenverkeer,
regionale spreiding) en het voeren van een adequate administratie die de Raad
of diens accountant in staat stelt toezicht uit te oefenen. De Raad zal deze
beleidsregels in de vorm van inschrijvingsvoorwaarden gestalte geven. Organisaties
die in aanmerking willen komen voor de bewindvoering worden door de Raad –
los van een concrete benoeming – onderworpen aan een selectieprocedure
waarbij aan de hand van financiële verslagen en begrotingen, statuten
en reglementen wordt geoordeeld over continuïteit, kwaliteit, de inrichting
van de organisatie en de financiële situatie. Deze kwaliteitsselectie
is een permanente. </al>
      <al>De kwaliteitseisen zijn door de Raad in samenspraak met de rechterlijke
macht en de adspirant-bewindvoerders ontwikkeld. De eisen worden in de eerste
plaats aan de bewindvoerder in persoon gesteld. Het belang van het stellen
van kwaliteitseisen is echter mede daarin gelegen, dat een controle door de
Raad van de gehele organisatie waar de bewindvoerder deel van uitmaakt wordt
vergemakkelijkt. De Raad heeft de bevoegdheid om nadere beleidsregels op dit
punt vast te stellen. Het ligt voor de hand dat de Raad zulks in nauw overleg
doet met alle betrokken organisaties, waaronder de rechterlijke macht. </al>
      <al>Het tweede lid maakt duidelijk dat het om een lijst van geschikte bewindvoerders
gaat die per arrondissement kenbaar moet zijn aan de rechtbank die de bewindvoerders
benoemt. De lijst heeft het karakter van een register van potentiële
bewindvoerders die op grond van kwaliteitscriteria kunnen worden aanbevolen.
De lijst laat derhalve onverlet de vrijheid in het benoemingsbeleid van de
rechtbank en de daarmee verband houdende belangenafweging door de Raad op
grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht. De lijst van aanbevolen
bewindvoerders dient regelmatig te worden geactualiseerd, zowel met het oog
op een mogelijk verloop van bewindvoerders als met het oog op een permanent
toezicht op het voldoen en blijven voldoen aan de kwaliteitseisen. Indien
het belang van een tekortkoming de individuele zaak ontstijgt, bijvoorbeeld
indien een bewindvoerder in ernstige mate zijn onafhankelijkheid schendt of
bij een herhaling van tekortkomingen, kan de Raad besluiten om de betrokken
bewindvoerder van de lijst van artikel 3 te schrappen. Het ligt voor de hand
dat op dit punt overleg met de betrokken rechter-commissaris plaatsvindt.
Indien de tekortkoming slechts betrekking heeft op de individuele zaak, is
artikel 7 lid 3 van toepassing. </al>
      <al>Alhoewel de bewindvoerder in persoon door de rechtbank zal worden benoemd,
zullen de met de bewindvoering gemoeide betalingen in veel gevallen niet rechtstreeks
aan de bewindvoerder moeten worden uitgekeerd. Het derde lid voorziet in een
verduidelijking ten opzichte van artikel 1 onderdeel c op dit
punt. In het geval de bewindvoerder niet zelfstandig is gevestigd doch in
dienst is van een werkgever ligt het voor de hand dat de vergoeding aan diens
werkgever (bijvoorbeeld de gemeentelijke kredietbank) wordt betaald, omdat
die gemachtigd is om betalingen in ontvangst te nemen.  </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 4 </tuskop>
      <al>De bewindvoerderssubsidie wordt in de praktijk vastgesteld naar aanleiding
van een beëindigingsvonnis van de rechtbank dat de Raad via het geautomatiseerde
berichtenverkeer bereikt. De bewindvoerderssubsidie strekt tot vergoeding
van de werkzaamheden die voortvloeien uit de taakuitoefening van de bewindvoerder
op grond van artikel 316 van de Faillissementswet. Dit artikel behelst de
daarbij gekozen financieringswijze op basis van verrichtingen. Deze vorm van
financiering, ook wel outputfinanciering genoemd, betekent dat een rechtstreekse
relatie bestaat tussen de bewindvoering per zaak en de vergoeding. De eindafrekening
na definitieve beëindiging van de regeling betekent een prikkel voor
de bewindvoerder om zaken zo snel als vanuit kwalitatief oogpunt aanvaardbaar
is af te handelen. De bewindvoerdersubsidie bedraagt f 1250,– inclusief
BTW per inhoudelijk beëindigde zaak, een en ander behoudens toepassing
van het tweede lid van artikel 4 of het derde lid van artikel 7. </al>
      <al>In het tweede lid is een matigingsbevoegdheid voor de Raad opgenomen voor
die gevallen waarin de werkzaamheden van de bewindvoerder zodanig beperkt
zijn gebleven dat vaststelling van een bewindvoerderssubsidie van f 1250,–
een onevenredige beloning zou zijn in verhouding tot de geleverde prestatie.
Het enkele feit dat de vereenvoudigde procedure is gevolgd of dat korte tijd
na de definitieve toepasselijkverklaring van de regeling een akkoord wordt
bereikt, zal onvoldoende grond zijn voor het hanteren van de matigingsbevoegdheid.
Ook een vereenvoudigde procedure duurt minimaal een jaar, en gedurende die
tijd zal een goed bewindvoerder de nodige tijd en aandacht aan de zaak moeten
besteden, onder andere vanuit toezichthoudend oogpunt. Een volledige vergoeding
bij het bereiken van een akkoord kan een prikkel zijn voor de bewindvoerder
om snel een dergelijk akkoord tot stand te brengen. Daarbij zal de rechter
ervoor waken dat werkzaamheden die in het minnelijk traject hadden kunnen
worden ondergebracht pas plaatsvinden in het wettelijk traject. Indien de
rechter van oordeel is dat de mogelijkheden onvoldoende zijn onderzocht om
een minnelijke regeling te beproeven, dan zal hij de definitieve toepasselijkheid
van de wettelijke regeling niet uitspreken. Het tweede lid ziet niet op gevallen
van oneigenlijk gebruik van de regeling; dat is reeds geregeld in artikel
7 van het besluit. </al>
      <al>Het ligt in de bedoeling dat de Raden bij de toepassing van het tweede
lid van hun matigingsbevoegdheid in gevallen van een geringe werkbelasting
een terughoudend gebruik zullen maken. Met het oog daarop is een ondergrens
van f 750,– opgenomen. Een verdere differentiatie in de omvang
van het subsidiebedrag dan deze matiging is, gezien het tijdelijke karakter
van het besluit, niet nodig, en overigens ook niet goed mogelijk. Pas als
meer informatie beschikbaar is over de verschillende typen schuldsaneringszaken
en de omvang van de daarmee gepaard gaande werkzaamheden van de bewindvoerder,
kan mogelijkerwijs worden gekomen tot een nadere differentiatie.  </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 5 </tuskop>
      <al>Indien de rechtbank een bewindvoerder benoemt uit het register, dat de
Raden voor Rechtsbijstand op grond van artikel 3 voeren, krijgt de Raad via
het geautomatiseerde berichtenverkeer terstond van deze benoeming bericht
en kan zij direct overgaan tot de verlening van een voorschotbetaling. Deze
voorschotbetaling heeft een eenmalig karakter en wordt verrekend met de bewindvoerderssubsidie
na beëindiging van de zaak. Onafhankelijk van het voorschot ontvangt
de bewindvoerder uit de boedel een maandelijks salaris uit hoofde van het
salarisbesluit. </al>
      <al>Het voorschot is bedoeld om in een tijdige vergoeding te voorzien voor
het relatief grote aantal werkzaamheden bij de aanvang van een gerechtelijke
schuldsanering, en aldus de bewindvoerder enige liquiditeitszekerheid te bieden
en te voorkomen dat de bewindvoerder zelf zou moeten voorfinancieren. Het
voorschot kan in de eerste periode na inwerkingtreding van de wet hoger zijn
dan uiteindelijk het geval zal zijn. De hoogte van het voorschot wordt vastgesteld
door de Minister van Justitie en kan afhankelijk van het voortschrijdend inzicht
in fasen worden gereduceerd.  </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 6 </tuskop>
      <al>De ondersteuningssubsidie strekt deels tot vergoeding van (permanente)
bijscholingskosten, en deels tot vergoeding van de kosten die gemoeid zijn
met het actueel houden van de automatisering. Ook andere taken waarvan de
uitvoering bij voorkeur centraal geregeld dient te worden kunnen in aanmerking
komen voor een ondersteuningssubsidie zoals voorlichting aan schuldenaren,
schuldeisers en schuldhulpverleners. De ondersteuningssubsidie kan ook worden
ingezet voor nieuwe activiteiten in het kader van de uitvoering van de wet,
mits die het gehele stelsel ten goede komen. Hierbij valt bijvoorbeeld te
denken aan de inrichting van een permanente «helpdesk», waar met
name medewerkers van een gemeentelijke kredietbank en particuliere schuldhulpverleners
terecht kunnen met eventuele technische vragen over de bewindvoering en over
problemen in het minnelijk voortraject. </al>
      <al>De Raad hoeft de ondersteuningssubsidie pas te verstrekken zodra redelijkerwijs
duidelijk is dat bij de bewindvoerder die de op grond van artikel 3 vereiste
kwaliteiten bezit ook overigens de bereidheid bestaat om op min of meer structurele
basis schuldsaneringszaken af te wikkelen. Hiermee wordt bevorderd dat men
zich werkelijk tot bewindvoerder specialiseert. Met opzet is afgezien van
het noemen van een concreet aantal in behandeling zijnde zaken, omdat een
dergelijk aantal een sterk regionaal bepaalde context zal hebben. Bij incidentele
bewindvoering is er geen reden om naast het verstrekken van een bewindvoerderssubsidie
ook de organisatie of de opleiding van de bewindvoerder financieel te ondersteunen.
De Raad kan de ondersteuningssubsidie echter wel toekennen aan een organisatie
van bewindvoerders zoals de nederlandse vereniging voor volkskrediet. De Raad
beslist over de vorm waarin de ondersteuningssubsidie wordt toegekend.  </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 7 </tuskop>
      <al>De bewindvoerder is gehouden zijn taken in vrijheid en onafhankelijkheid
uit te voeren. Een bewindvoerder dient te allen tijde bedacht te zijn op de
situatie dat hij ten opzichte van zijn werkgever en ten opzichte van de schuldenaar
niet meer de vrijheid en de onafhankelijkheid bezit om de bij een schuldsaneringszaak
betrokken belangen zuiver te behartigen. Een belangenverstrengeling, door
financiële of persoonlijke relaties, kan de vereiste onafhankelijkheid
in gevaar brengen. Gedacht kan worden aan een bewindvoerder die een bestuursfunctie
bekleedt bij een van de schuldeisers, aan een bewindvoerder die persoonlijke
belangen heeft bij de afwikkeling van een zaak of aan een bewindvoerder die
nauwe persoonlijke of familiebanden heeft met een van de schuldeisers of met
de schuldenaar. De omstandigheden van het geval, waaronder bijvoorbeeld de
aard en de omvang van de vordering, en ook de vraag of de vordering
van de schuldeiser wel of niet voor betwisting vatbaar is, zullen hier doorslaggevend
zijn. Dat geldt ook voor het antwoord op de vraag of het een collega-bewindvoerder
binnen hetzelfde kantoor wel vrij staat om in die zaak als bewindvoerder op
te treden. Een bewindvoerder die zijn onafhankelijke positie kenbaar wenst
te maken aan de rechter-commissaris, aan de Raad, aan de schuldeisers en aan
de schuldenaar zal dat kunnen doen via een statuut waaruit blijkt dat de werkgever
bereid is de onafhankelijke positie, die nodig is om de bewindvoering naar
behoren te kunnen verrichten, te waarborgen. </al>
      <al>De bewindvoerder die bijvoorbeeld zijn onafhankelijkheid niet weet te
bewaren of die zich onvoldoende kwijt van de taken die in artikel 316 Faillissementswet
worden omschreven of die de voortgang in de procedure onvoldoende bewaakt
of die onvoldoende voor ogen houdt dat een minnelijke regeling de voorkeur
verdient boven een gerechtelijke procedure, kan door de Raad op basis van
de geldende regels van de Algemene wet bestuursrecht genoemd in het derde
lid worden gekort op de subsidie in de betrokken schuldsaneringszaak, zulks
na overleg met de betrokken rechter-commissaris. De in artikel 3 genoemde
beleidsregels zullen hierbij ook van belang kunnen zijn, namelijk indien het
belang van de tekortkoming de individuele zaak ontstijgt. Bij een ernstige
tekortkoming of bij een herhaling van tekortkomingen kan de Raad besluiten
om de betrokken bewindvoerder van de lijst van artikel 3 te schrappen. Ook
hier ligt het voor de hand dat overleg met de betrokken rechter-commissaris
plaatsvindt.  </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 8 </tuskop>
      <al>Een eventuele overdracht van een zaak – bijvoorbeeld bij tussentijds
vertrek van de bewindvoerder naar een andere werkkring – heeft geen
gevolgen voor de hoogte of het betaaladres van de subsidie. Het persoonlijke
karakter van een benoeming tot bewindvoerder betekent overigens wel dat de
rechtbank nog bereid moet zijn om de beoogde opvolgende bewindvoerder –
die aan de eisen van artikel 3 zal moeten voldoen – formeel als zodanig
te benoemen. Het ligt voor de hand dat door de vertrekkende bewindvoerder
aan schuldenaar en aan Raad mededeling wordt gedaan zowel van het verzoek
om overdracht als van de (nieuwe) benoeming.  </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 9 </tuskop>
      <al>Het besluit heeft een tijdelijk karakter, dat tot uitdrukking komt in
het tweede lid. Dit heeft een aantal redenen, dat in het algemeen gedeelte
van de toelichting wordt uiteengezet.  </al>
      <minister>
        <minvan>De Staatssecretaris van Justitie, </minvan>
        <naam>M. J. Cohen </naam>
      </minister>
    </notatoe>
  </backm>
</staatsbl>