﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<!DOCTYPE staatsbl PUBLIC "-//SDU//DTD staatsblad xml 1.1//NL" "../../dtd/staatsbl-11.dtd"[]>
<staatsbl id="sb998.562" soort="kb" publtype="kobe">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-1998-562/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel status="off">Staatsblad</titel>
    <subtitel>van het Koninkrijk der Nederlanden</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.4" conv="port1.2" markup="c1xa"></versie>
    <ordernr>STB4511 </ordernr>
    <stb>
      <jaargang jaar="1998">Jaargang 1998</jaargang>
      <stbjaar>1998 </stbjaar>
      <stbnr>562  </stbnr>
    </stb>
    <intitule>
      <soort>Besluit</soort> van 10 september 1998, houdende wijziging
van het Besluit personenvervoer ter bekostiging van subsidiëring van
bedrijfsvervoer door decentrale overheden binnen de systematiek van de financiële
bijdrage voor exploitatie van openbaar vervoer</intitule>
    <aanhef>
      <wie>Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz. </wie>
      <consider>
        <al>Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 6 juli
1998, nr. CDJZ/WJZ/195–98, Centrale Directie Juridische Zaken; </al>
        <al>Gelet op <grslag>artikel 2, tweede lid, van de Wet personenvervoer</grslag>; </al>
        <al>De Raad van State gehoord (advies van 24 juli 1998, nr. W09.98.0307); </al>
        <al>Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van
3 september 1998, nr. CDJZ/WJZ/624–98, Centrale Directie Juridische
Zaken;</al>
      </consider>
      <afkondig>Hebben goedgevonden en verstaan:</afkondig>
    </aanhef>
  </frontm>
  <body>
    <wart id="ai">
      <kop>
        <nr>ARTIKEL I </nr>
      </kop>
      <al>Het Besluit personenvervoer<eindref refid="e1"></eindref> wordt als volgt gewijzigd: </al>
      <al>Na artikel 5c wordt een artikel ingevoegd, luidende:  </al>
      <wlichaam>
        <art>
          <kop>
            <nr>Artikel 5d </nr>
          </kop>
          <al>Op door of vanwege de werkgever verzorgd vervoer van werknemers: </al>
          <al>a. naar en van de werkplek, voorafgaand aan onderscheidenlijk na afloop
van de werkzaamheden, </al>
          <al>b. dat wordt verricht met bussen dan wel met auto's, ingericht voor vervoer
van meer dan zeven personen, de bestuurder daaronder niet begrepen, en </al>
          <al>c. waarvoor subsidie wordt verleend door een overheid die een financiële
bijdrage ontvangt voor de exploitatie van openbaar vervoer; </al>
          <al>zijn van overeenkomstige toepassing: </al>
          <al>a. de artikelen 35 tot en met 37, 39, 40, 42 tot en met 44, 46 en 47,
van de wet, en </al>
          <al>b. de artikelen 68 tot en met 70, 72, 73, eerste lid, 74, onder a, b en
e, 77, eerste lid, en tweede lid, onder d, 79, 81, eerste lid, onder b en
d, tweede lid, onder d, en derde en vierde lid, 83, 84, en 85, eerste lid,
van dit besluit.  </al>
        </art>
      </wlichaam>
    </wart>
    <art id="aii">
      <kop>
        <nr>ARTIKEL II </nr>
      </kop>
      <al>Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip. </al>
    </art>
  </body>
  <backm>
    <nawerk>
      <slotform>Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota
van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst. </slotform>
      <eindnoot id="e1">
        <al>Stb. 1987, 506, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 11 maart 1998,
Stb. 195.</al>
      </eindnoot>
      <histnoot>
        <al>Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond
van artikel 25a, vierde lid, onder b, van de Wet op de Raad van State, omdat
het zonder meer instemmend luidt.</al>
      </histnoot>
      <ondertek>
        <ondplts>'s-Gravenhage, </ondplts>
        <onddatum>10 september 1998 </onddatum>
        <koning>Beatrix  </koning>
        <minister>
          <minvan>De Minister van Verkeer en Waterstaat, </minvan>
          <naam>T. Netelenbos </naam>
        </minister>
      </ondertek>
      <uitgifte>
        <uitgifte-regel>Uitgegeven de <nadruk type="cur">eerste</nadruk> oktober 1998 </uitgifte-regel>
        <uitdag>eerste</uitdag>
        <uitmaand>oktober</uitmaand>
        <uitjaar>1998 </uitjaar>
        <door>
          <minvan>De Minister van Justitie, </minvan>
          <naam>A. H. Korthals </naam>
        </door>
      </uitgifte>
    </nawerk>
    <notatoe>
      <kop>
        <titel status="off">NOTA VAN TOELICHTING  </titel>
      </kop>
      <tuskop letat="vet">§ 1. Inleiding </tuskop>
      <al>Deze wijziging van het Besluit personenvervoer beoogt subsidiëring
van bedrijfsvervoer op te nemen in de bekostigingssystematiek voor het openbaar
vervoer. Verantwoordelijkheid en middelen voor de subsidiëring van bedrijfsvervoer
worden zo gedecentraliseerd en in één hand gebracht bij de overheden
die tevens verantwoordelijk zijn voor het openbaar vervoer. Dit stelt de decentrale
overheden in staat de inzet van bedrijfsvervoer en van openbaar vervoer tegen
elkaar af te wegen en zodoende een meer geïntegreerd verkeers- en vervoersbeleid
te voeren. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Sinds 1 oktober 1990 bestaat voor werkgevers die zelf voorzien in collectief
woon-werkverkeer voor hun werknemers de mogelijkheid om subsidie te krijgen
van de Minister van Verkeer en Waterstaat. Bedrijfsvervoer levert als collectief
vervoer dat veelal plaatsvindt op filegevoelige tijdstippen een bijdrage aan
de vermindering van het mobiliteitsprobleem op de weg. Om deze reden stelt
de Nota «Samen Werken Aan Bereikbaarheid», die op 17 september
1996 is aangeboden aan de Tweede Kamer (kamerstukken II 1996/97, 25 022,
nr. 1) dat de subsidie voor deze vorm van vervoer in een decentrale vorm gecontinueerd
moet worden. In 1998 is de subsidieverlening nog gebaseerd op de Beleidsregel
subsidie bedrijfsvervoer 1998. Voor 1999 kunnen decentrale overheden die in
aanmerking komen voor een financiële bijdrage voor de exploitatie van
openbaar vervoer een gedeelte van deze bijdrage aanwenden voor de subsidiëring
van bedrijfsvervoer.  </al>
      <tuskop letat="vet">§ 2. Inpassing </tuskop>
      <al>Artikel 2, tweede lid, van de Wet personenvervoer biedt de mogelijkheid
om bij algemene maatregel van bestuur artikelen uit de wet met betrekking
tot openbaar vervoer mede van toepassing te verklaren op besloten busvervoer
en vervoer per auto, indien het vervoer overeenkomsten vertoont met, in dit
geval, openbaar vervoer. De overeenkomsten zijn gelegen in het feit dat bedrijfsvervoer
een vorm van collectief vervoer is die in de regel via een soort «dienstregeling»
wordt verricht. Het kenmerkende verschil is uiteraard dat bedrijfsvervoer
niet voor een ieder openstaat. Eenzelfde systematiek is toegepast voor de
wettelijke vormgeving van voor een ieder openstaand vervoer per auto niet
volgens een dienstregeling (het zogenaamde collectief vraagafhankelijk vervoer,
artikel 5b) en personenvervoer per passagiersschip (artikel 5c). </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Dit besluit biedt slechts de basis om vervoersprestaties van gesubsidieerd
bedrijfsvervoer mee te nemen in de berekening en vaststelling van de financiële
bijdrage voor exploitatie van openbaar vervoer. Daaraan gekoppeld wordt uiteraard
bepaald dat de financiële bijdrage mede aangewend mag worden voor verlening
van dergelijke subsidies. De daadwerkelijke subsidies aan de werkgevers zullen
echter door de decentrale overheden, voor zover zij dit wenselijk achten,
verleend moeten worden op grond van een subsidieverordening.  </al>
      <tuskop letat="vet">§ 3. Artikel 5d </tuskop>
      <al>Het artikel omschrijft aan welke kenmerken bedrijfsvervoer moet voldoen
om meegenomen te kunnen worden in de financiële bijdrage en welke artikelen
van wet en besluit daarop van toepassing zijn. Aangezien niet beoogd wordt
bedrijfsvervoer op zichzelf opnieuw vorm te geven wijken deze kenmerken inhoudelijk
niet af van de kenmerken van het bedrijfsvervoer dat op grond
van de Beleidsregel subsidie bedrijfsvervoer 1998 in aanmerking komt voor
subsidie. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het vervoer dient op enigerlei wijze geregeld te zijn door de werkgever,
voor werknemers. De omschrijving laat ruimte voor de werkgevers om het bedrijfsvervoer
uit te besteden of gezamenlijk te verrichten, zoals nu ook gebruikelijk is.
Bedrijfsvervoer wordt gestimuleerd vanwege het effect ervan op het mobiliteitsprobleem.
Voor rijksbijdrage komt dan ook alleen bedrijfsvervoer in aanmerking dat wordt
verricht voorafgaand aan of na afloop van de werkzaamheden. Vervoer tijdens
het werk, bijvoorbeeld voor werkzaamheden op verschillende locaties, kan geen
bedrijfsvervoer zijn in de zin van dit besluit. Het bedrijfsvervoer moet de
werkplek als begin- of eindpunt hebben. Om het collectieve karakter van bedrijfsvervoer
veilig te stellen is bepaald dat te gebruiken auto's ingericht moeten zijn
voor meer dan zeven passagiers. Bedrijfsvervoer dat georganiseerd wordt in
eigen beheer geschiedt vaak met «busjes». Volgens de definitie
in de Wet personenvervoer zijn dit echter auto's. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Uit de aard der zaak volgt dat bedrijfsvervoer alleen meegenomen wordt
voor vaststelling van de financiële bijdrage indien het ook daadwerkelijk
door de betrokken overheid wordt gesubsidieerd.  </al>
      <tuskop letat="vet">§ 4. De financiële bijdrage </tuskop>
      <al>De decentrale overheid zal de wenselijkheid van bedrijfsvervoer afwegen
tegen het gewenste aanbod aan openbaar vervoer. De jaarlijks vastgestelde
financiële bijdrage kan immers zowel worden aangewend voor openbaar-
als voor bedrijfsvervoer. De overheden zijn voor vaststelling van de maatstaf
voor de hoogte van de subsidie voor bedrijfsvervoer niet gehouden aan de maatstaf
voor de doorwerking van de prestaties van bedrijfsvervoer in de vaststelling
van de bijdrage. Het aandeel van zowel openbaar vervoer als bedrijfsvervoer
in de bijdrage is afhankelijk van het gebruik en daarmee van de mate waarin
beiden succesvol zijn. Aangezien de decentrale overheid zeggenschap krijgt
over deze verdeling en zich hierbij onder andere zal laten leiden door overwegingen
die samenhangen met de prestaties van bedrijfsvervoer ten opzichte van de
prestaties van openbaar vervoer wordt uiteindelijk de uit oogpunt van de betrokken
overheid optimale verdeling bereikt. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Bedrijfsvervoer is geen publieke voorziening zoals openbaar vervoer en
wordt derhalve ook niet op dezelfde basis bekostigd. In tegenstelling tot
openbaar vervoer genereert bedrijfsvervoer ook geen opbrengsten of reizigerskilometers
op basis van goedgekeurde of vastgestelde tarieven. Wel is het door aansluiting
van bedrijfsvervoer bij de systematiek van bekostiging van openbaar vervoer
nodig om kostenniveau en opbrengsten vast te kunnen stellen. Het normatieve
kostenniveau minus de taakstellende vervoeropbrengsten bepalen volgens artikel
72 van het Besluit personenvervoer immers de bijdrage. Via het van toepassing
verklaren van artikel 43 van de wet is ook in het geval van bedrijfsvervoer
het gebruik de grondslag voor berekening en vaststelling van de bijdrage.
Met inachtneming daarvan wordt bij ministeriële regeling vastgesteld
hoe het normatieve kostenniveau (art. 73, eerste lid) en de opbrengsten (art.
77, eerste lid) worden bepaald. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Door het deels van toepassing verklaren van artikel 81 wordt voorzien
in de aanlevering van gegevens aan de hand waarvan het gebruik van bedrijfsvervoer
kan worden vastgesteld. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het aantal
werknemers dat gebruik maakt van bedrijfsvervoer en de gemiddelde afstand
die daarbij wordt afgelegd.   </al>
      <tuskop letat="vet">§ 5. Overgang </tuskop>
      <al>De financiële bijdrage wordt jaarlijks in december voor het daaropvolgende
jaar vastgesteld. Voor 1999 zal hierin het bedrag meegenomen worden dat de
decentrale overheid in staat stelt de bestaande subsidies voor bedrijfsvervoer
in de regio waarvoor de desbetreffende overheid verantwoordelijk is kostenneutraal
te continueren. Daarnaast zal de Minister van Verkeer en Waterstaat op grond
van artikel 79, tweede lid, van het Besluit personenvervoer, voor het jaar
1999 bepalen dat het in 1998 bestaande gesubsidieerde bedrijfsvervoer een
activiteit is waarvoor het gedeelte van de rijksbijdrage dat toegevoegd is
voor bedrijfsvervoer moet worden bestemd. In de vaststelling van de rijksbijdrage
voor 2000 wordt vervolgens de prestatie van bedrijfsvervoer in de voorafgaande
periode op reguliere wijze verwerkt. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zodoende wordt bereikt dat bestaand bedrijfsvervoer onder het decentrale
regime gedurende een jaar bij wijze van overgangsregeling op de oude voet
kan worden voortgezet. Het voor uitbreiding van het bedrijfsvervoer op grond
van de Nota «Samen Werken Aan Bereikbaarheid» beschikbare budget
zal worden toegevoegd aan de groeibuffer. Vanaf 2000 kan de decentrale overheid
volledig zijn eigen beleid voeren.  </al>
      <minister>
        <minvan>De Minister van Verkeer en Waterstaat, </minvan>
        <naam>A. Jorritsma-Lebbink </naam>
      </minister>
    </notatoe>
  </backm>
</staatsbl>