﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<!DOCTYPE staatsbl PUBLIC "-//SDU//DTD staatsblad xml 1.1//NL" "../../dtd/staatsbl-11.dtd"[]>
<staatsbl id="sb998.454" soort="kb" publtype="kobe">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-1998-454/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel status="off">Staatsblad</titel>
    <subtitel>van het Koninkrijk der Nederlanden</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.4" conv="port1.2" markup="c1xa"></versie>
    <ordernr>STB4368 </ordernr>
    <stb>
      <jaargang jaar="1998">Jaargang 1998</jaargang>
      <stbjaar>1998 </stbjaar>
      <stbnr>454  </stbnr>
    </stb>
    <intitule>
      <soort>Besluit</soort> van 3 juli 1998, houdende voorlopige vrijstelling
van het verbod op schuldbemiddeling tegen betaling (Tijdelijk vrijstellingsbesluit
schuldbemiddelaars)</intitule>
    <aanhef>
      <wie>Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz. </wie>
      <consider>
        <al>Op de voordracht van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 3 februari
1998, nr. 98004622 WJA/W; </al>
        <al>Gelet op <grslag>artikel 48, eerste lid, onder d, en tweede lid, van de
Wet op het consumentenkrediet</grslag>; </al>
        <al>De Raad van State gehoord (advies van 11 mei 1998, nr. W10.98.0041); </al>
        <al>Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Economische Zaken
van 30 juni 1998, nr. 98042684 WJA/W;</al>
      </consider>
      <afkondig>Hebben goedgevonden en verstaan:</afkondig>
    </aanhef>
  </frontm>
  <body>
    <art id="a1">
      <kop>
        <nr>Artikel 1 </nr>
      </kop>
      <al>In dit besluit wordt verstaan onder: </al>
      <al>a. wet: Wet op het consumentenkrediet; </al>
      <al>b. schuldbemiddeling: schuldbemiddeling als bedoeld in artikel 47, tweede
lid, van de wet. </al>
    </art>
    <art id="a2">
      <kop>
        <nr>Artikel 2 </nr>
      </kop>
      <lid>
        <nr>1. </nr>
        <al>Als schuldbemiddelaar als bedoeld in artikel 48, eerste lid, onder d,
van de wet worden aangewezen natuurlijke personen en rechtspersonen die zich
als zodanig bij Onze Minister van Economische Zaken hebben laten registreren
en die: </al>
        <al>a. schuldbemiddeling tegen betaling verrichten en ten behoeve van een
schuldenaar geen andere diensten op het gebied van schuldhulpverlening tegen
betaling verrichten; </al>
        <al>b. zich daarbij houden aan de methode voor het berekenen van aflossingscapaciteit
in het kader van schuldregelen, vastgelegd in de syllabus «Berekening
aflossingscapaciteit voor het schuldregelen volgens de NVVK-methode»
van 25 maart 1997 van het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting, gevestigd
te Utrecht; </al>
        <al>c. zich daarbij houden aan de Gedragscode betreffende schuldregeling van
13 mei 1997 van de Nederlandse Vereniging voor Volkskrediet, gevestigd te
Amsterdam. </al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>2. </nr>
        <al>Van aanwijzing krachtens het eerste lid zijn uitgezonderd: </al>
        <al>a. natuurlijke personen die met een of meer andere natuurlijke personen
verbonden zijn in een samenwerkingsvorm zonder rechtspersoonlijkheid, die
maatschappelijk gelijk gesteld kan worden met een van de in onderdeel b en
c genoemde categorieën, en die andere diensten op het gebied van schuldhulpverlening
tegen betaling verrichten; </al>
        <al>b. rechtspersonen met een of meer dochtermaatschappijen die andere diensten
op het gebied van schuldhulpverlening tegen betaling verrichten; </al>
        <al>c. rechtspersonen die verbonden zijn met een groepsmaatschappij die andere
diensten op het gebied van schuldhulpverlening tegen betaling verricht. </al>
      </lid>
    </art>
    <art id="a3">
      <kop>
        <nr>Artikel 3 </nr>
      </kop>
      <lid>
        <nr>1. </nr>
        <al>Indien de schuldbemiddeling niet heeft geleid tot totstandkoming van een
regeling, mag geen vergoeding worden bedongen, in rekening gebracht of aanvaard. </al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>2. </nr>
        <al>De vergoeding voor schuldbemiddeling mag niet meer bedragen dan de voor
de bemiddeling gemaakte kosten. De vergoeding mag in geen geval meer bedragen
dan 9% van het bedrag van de schulden waarvoor een regeling tot stand is gekomen. </al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>3. </nr>
        <al>Betaling van de vergoeding geschiedt maandelijks. Het maandelijks te betalen
bedrag voor de vergoeding mag niet meer bedragen dan 9% van de maandelijkse
aflossingen van de schuld met een maximum van f 75. </al>
      </lid>
    </art>
    <art id="a4">
      <kop>
        <nr>Artikel 4 </nr>
      </kop>
      <al>Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte
van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en vervalt twee jaar na het
tijdstip van inwerkingtreding. </al>
    </art>
    <art id="a5">
      <kop>
        <nr>Artikel 5 </nr>
      </kop>
      <al>Dit besluit wordt aangehaald als: Tijdelijk vrijstellingsbesluit schuldbemiddelaars. </al>
    </art>
  </body>
  <backm>
    <nawerk>
      <slotform>Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota
van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst. </slotform>
      <histnoot>
        <al>Het advies van de Raad van State is openbaar gemaakt door terinzagelegging
bij het Ministerie van Economische Zaken. </al>
        <al>Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage gelegde stukken worden
opgenomen in het bijvoegsel bij de Staatscourant van 11 augustus 1998, nr.
150.</al>
      </histnoot>
      <ondertek>
        <ondplts>'s-Gravenhage, </ondplts>
        <onddatum>3 juli 1998 </onddatum>
        <koning>Beatrix  </koning>
        <minister>
          <minvan>De Staatssecretaris van Economische Zaken, </minvan>
          <naam>A. van Dok-van Weele </naam>
        </minister>
      </ondertek>
      <uitgifte>
        <uitgifte-regel>Uitgegeven de <nadruk type="cur">drieëntwintigste</nadruk> juli 1998 </uitgifte-regel>
        <uitdag>drieëntwintigste</uitdag>
        <uitmaand>juli</uitmaand>
        <uitjaar>1998 </uitjaar>
        <door>
          <minvan>De Minister van Justitie a.i., </minvan>
          <naam>H. F. Dijkstal </naam>
        </door>
      </uitgifte>
    </nawerk>
    <notatoe>
      <kop>
        <titel status="off">NOTA VAN TOELICHTING  </titel>
      </kop>
      <tuskop letat="vet">I. Algemeen  </tuskop>
      <tuskop letat="vet">1. Inleiding </tuskop>
      <al>Dit besluit bevat een voorlopige vrijstelling van het verbod op schuldbemiddeling
tegen betaling. Vrijgesteld zijn natuurlijke personen en rechtspersonen die
zich hebben laten registreren als schuldbemiddelaar als bedoeld in artikel
48, eerste lid, onder d, van de Wet op het consumentenkrediet (WCK) en die
zich bij het verrichten van schuldbemiddeling tegen betaling houden aan een
aantal in het besluit aangegeven voorschriften. Bij deze regeling is enerzijds
rekening gehouden met de behoefte aan en de vraag naar schuldbemiddeling tegen
betaling en anderzijds met de op de huidige markt veelal ontbrekende kennis
en kwaliteit. Dit besluit beoogt de kwaliteit van de schuldbemiddeling tegen
betaling te waarborgen en het verrichten van schuldbemiddeling door malafide
schuldbemiddelaars tegen te gaan. </al>
      <al>Aanvankelijk was het de bedoeling een aantal natuurlijke personen en rechtspersonen
rechtstreeks aan te wijzen. Een dergelijke aanwijzing zou echter niet efficiënt
zijn en telkens aanvulling behoeven indien zich een nieuwe schuldbemiddelaar
zou aanmelden. Daartoe zou steeds een nieuw aanwijzingsbesluit moeten worden
getroffen.Nog een andere optie is overwogen. Deze optie bestond
in het openstellen door de Nederlandse Vereniging voor Volkskrediet (NVVK)
van een bijzonder lidmaatschap voor private schuldbemiddelaars en het vrijstellen
van deze categorie leden van het verbod op schuldbemiddeling tegen betaling.
Aangezien deze optie de mededinging tussen ondernemingen en beroepsbeoefenaren
in de weg zou kunnen staan, is hiervan afgezien. Hierdoor zou de NVVK immers
in feite een domeinmonopolie gaan bekleden, hetgeen in strijd zou zijn met
het kabinetsbeleid.De meest doelmatige oplossing was om een
vrijstelling in de vorm van de in het besluit opgenomen categoriale aanwijzing
te regelen.  </al>
      <tuskop letat="vet">2. Huidige situatie </tuskop>
      <al>In Nederland verkeren zo'n 150 000 à 200 000 personen/huishoudens
in financiële moeilijkheden. Hieraan kunnen verschillende oorzaken ten
grondslag liggen. Te denken valt aan een plotselinge inkomensdaling door werkloosheid
of een relatiebreuk, een (structurele) overschatting van de eigen financiële
mogelijkheden of aan drugs-, alcohol- en gokverslavingen. Deze problemen kunnen
een zodanige omvang aannemen dat de betrokkenen zonder hulp niet meer in staat
zijn de ontstane schulden af te lossen en de normale financiële verplichtingen
na te komen. In deze gevallen is schuldhulpverlening geboden. </al>
      <al>Schuldhulpverlening is de algemene term waaronder het geheel van activiteiten
wordt verstaan in het kader van het regelen van schulden. Een van deze activiteiten
is schuldbemiddeling. Hieronder wordt ingevolge artikel 47, tweede lid, WCK
verstaan het in de uitoefening van een bedrijf of beroep, anders dan door
het aangaan van een krediettransactie, verrichten van diensten, gericht op
de totstandkoming van een regeling met betrekking tot de bestaande schuldenlast
van een natuurlijke persoon, geheel of gedeeltelijk voortvloeiend uit een
of meer krediettransacties. </al>
      <al>Ingevolge artikel 47, eerste lid, WCK is schuldbemiddeling verboden, tenzij
zich een van de in artikel 48, eerste lid, WCK genoemde uitzonderingen voordoet.
Zo is het verrichten van schuldbemiddeling om niet, hetgeen wil zeggen dat
een schuldenaar geen kosten in rekening worden gebracht, toegestaan. Eventuele
aan schuldbemiddeling verbonden kosten mogen niet voor rekening van de schuldenaar
komen. Indien echter een derde de betaling van de kosten van de schuldbemiddeling voor zijn rekening neemt, waarbij bijvoorbeeld valt te denken aan een
werkgever, een charitatieve instelling of een sociale dienst, is het vragen
van een vergoeding wel toegestaan. Daarnaast zijn van het verbod op het verrichten
van schuldbemiddeling vrijgesteld gemeenten, gemeentelijke kredietbanken en
andere door gemeenten gehouden instellingen die zich krachtens hun doelstelling
met schuldbemiddeling bezighouden. Deze instellingen verrichten sinds oudsher
schuldhulpverlening. Vrijgesteld zijn eveneens advocaten, procureurs, curatoren
en bewindvoerders die ingevolge de Faillissementswet zijn aangesteld, notarissen,
deurwaarders, registeraccountants en accountants-administratieconsulenten.
Wat deze groepen van beroepsbeoefenaren betreft is het van belang dat de voor
hen gecreëerde vrijstelling enkel geldt indien zij in het kader van hun
normale beroepsuitoefening en ten behoeve van de betrokken cliënt schuldbemiddelingsactiviteiten
verrichten. Het is hen derhalve niet toegestaan van schuldbemiddeling hun
beroep of bedrijf te maken. </al>
      <al>Ingevolge artikel 48, eerste lid, onder d, WCK kunnen tevens natuurlijke
personen of rechtspersonen, dan wel categorieën daarvan, worden vrijgesteld
van het verbod op het verrichten van schuldbemiddeling tegen betaling. In
het onderhavige besluit wordt van deze bevoegdheid gebruik gemaakt.  </al>
      <tuskop letat="vet">3. Noodzaak schuldbemiddeling tegen betaling </tuskop>
      <al>Het zwaartepunt met betrekking tot schuldhulpverlening ligt momenteel
bij de gemeentelijke kredietbanken en de gemeentelijke sociale diensten. In
de praktijk blijkt echter bij een aantal schuldenaren huiver te bestaan om
naar de sociale dienst en, zij het in mindere mate, naar de gemeentelijke
kredietbank te gaan. Daarnaast kan een aantal mensen met problematische schulden
om diverse redenen niet door de gemeentelijke kredietbanken worden geholpen.
Een groot aantal natuurlijke personen en rechtspersonen heeft gemeend deze
mensen wel te kunnen helpen. </al>
      <al>Daarbij stuiten deze private schuldbemiddelaars echter op het verbod van
artikel 47, eerste lid, WCK om schuldbemiddeling tegen betaling te verrichten.
In de praktijk trachten zij daar onderuit te komen met een beroep op het verrichten
van budgetbeheer. Dit beroep mist echter effect. Budgetbeheer is een schuldhulpverleningsactiviteit
in het kader waarvan tevens schuldbemiddelingsactiviteiten moeten worden verricht.
Veel van deze private schuldbemiddelaars verrichten echter goed werk, waarmee
personen met problematische schulden zeer zijn gebaat. Helaas zijn er ook
slechte schuldbemiddelaars actief. Zo tast dedoor deze personen
geboden hulp veelal bepaalde rechten van de hulpvrager aan. Te denken valt
aan het recht van elke schuldenaar om een bepaald deel van zijn inkomen ter
beschikking te houden, in de praktijk de «beslagvrije voet» genoemd.
Het komt voor dat schuldbemiddelaars deze beslagvrije voet niet respecteren.
Ook komt het voor dat kinderbijslag voor de afbetaling van de schulden wordt
gebruikt. Daarnaast is door het ontbreken van kennis of door het vooropstellen
van het eigen commerciële belang de hulp veelal van slechte kwaliteit.
Bovendien heeft onderzoek door de Economische Controle Dienst (ECD) uitgewezen
dat de betrouwbaarheid van schuldbemiddelaars in veel gevallen slecht is. </al>
      <al>Nu er in de praktijk vraag bestaat naar schuldbemiddeling tegen betaling
en veel mensen hierbij ook baat blijken te hebben, was het wenselijk een regeling
op te stellen. Door middel van deze regeling kunnen de goede particuliere
schuldbemiddelaars van de slechte worden onderscheiden waardoor een efficiëntere
handhaving mogelijk is. De gesignaleerde misstanden kunnen zo worden tegengegaan. </al>
      <al>Bij het opstellen van de regeling is er tevens op gelet dat deze aansluit
bij het op 28 december 1992 ingediende voorstel van wet tot wijziging van
de Faillissementswet in verband met de sanering van schulden van natuurlijke
personen (kamerstukken II 1992/93, 22 969; 25 672 (novelle); 23 429 (eerste aanpassingswet); 25 961 (tweede aanpassingswet);
verder te noemen: schuldsaneringsregeling). Naar verwachting zal deze regeling
eind 1998 in werking treden. </al>
      <al>Als systeem is gekozen voor de mogelijkheid die de Wet op het consumentenkrediet
biedt om categorieën van personen en instellingen aan te wijzen. Vrijstelling
in de vorm van de in het besluit opgenomen categoriale aanwijzing bleek de
meest doelmatige oplossing. Een efficiëntere handhaving wordt mogelijk
doordat de ECD de nodige aandacht kan besteden aan schuldbemiddelaars die
zich nog niet als schuldbemiddelaar conform het onderhavige besluit hebben
laten registreren. </al>
      <al>Bovenstaande bevindingen, moties (kamerstukken II 1995/96, 22 969,
nr. 17; kamerstukken II 1996/97, 24 515, nr. 15) en vragen (aanhangsel
handelingen II, 1995/96, nr. 1162) daaromtrent in de Tweede Kamer der Staten-Generaal
hebben daarom aanleiding gegeven tot dit besluit.  </al>
      <tuskop letat="vet">4. Opzet besluit </tuskop>
      <al>De in het besluit opgenomen voorlopige vrijstelling van het verbod op
schuldbemiddeling heeft – in aansluiting op de tekst van artikel 48,
eerste lid, onder d, WCK – een bijzondere vorm. Vrijgesteld zijn natuurlijke
personen en rechtspersonen die zich hebben laten registreren als schuldbemiddelaar
tegen betaling. Deze personen dienen de Gedragscode betreffende schuldregeling
van de NVVK van 13 mei 1997 en de NVVK-methode voor het berekenen van aflossingscapaciteit
van 25 maart 1997 na te leven. Tevens mogen zij ten behoeve van een cliënt
geen andere schuldhulpverleningsdiensten tegen betaling verrichten. Het gaat
hier om een vrijstelling in de vorm van een categoriale aanwijzing met daaraan
verbonden voorschriften. Voor een individuele schuldbemiddelaar geldt de vrijstelling
zodra deze zich heeft laten inschrijven in het register van schuldbemiddelaars. </al>
      <al>Door middel van dit besluit wordt beoogd de kwaliteit van schuldbemiddeling
tegen betaling te waarborgen en controle hierop door de ECD mogelijk te maken.
De Gedragscode betreffende schuldregeling van de NVVK bevat elementaire gedragsregels.
De NVVK-methode voor het berekenen van aflossingscapaciteit is in de praktijk
een algemeen aanvaard instrument. De ECD onderzoekt of elke natuurlijke persoon
of rechtspersoon die zich aanmeldt voldoet aan de in dit besluit gestelde
eisen. Daarnaast controleert de ECD, zo mogelijk jaarlijks, de in het register
opgenomen schuldbemiddelaars. </al>
      <al>Nu de schuldbemiddelaars zich moeten laten registreren, kunnen consumenten
en schuldeisers achterhalen van welke schuldbemiddelaars mag worden verwacht
dat zij op een verantwoorde wijze werken. Ook andere hulpverlenende instanties
die zelf geen schuldbemiddeling verrichten, kunnen op deze wijze eventuele
cliënten op een verantwoorde wijze doorverwijzen. Op deze wijze wordt
aan consumenten en aan marktpartijen (kredietmaatschappijen, woningcorporaties,
energiebedrijven enz.) de mogelijkheid geboden om uitsluitend te werken met
bonafide schuldbemiddelaars. </al>
      <al>Zoals hiervoor reeds is opgemerkt, wordt door middel van bedoelde registratie
bereikt dat de ECD effectiever kan controleren. De effectiviteit van het opsporingsbeleid
wordt nog vergroot indien de schuldbemiddelaar zich houdt aan enkele elementaire
verplichtingen die voortvloeien uit «goed schuldbemiddelaarschap».
Van de schuldbemiddelaar wordt verwacht dat hij een zodanige administratie
voert dat op elk moment een volledig overzicht per klant met betrekking tot
de stand van zaken kan worden getoond. Tevens moet per klant een overzicht
beschikbaar zijn met alle afspraken die zijn gemaakt met de schuldeisers,
waaronder betalingsregelingen en termijnen. Verder dient de schuldbemiddelaar,
indien hij de financiële administratie voor een cliënt voert, per cliënt een «inzake rekening» bij een bank of bij
de giro aan te houden. Uiteraard dient aan de cliënt zelf regelmatig
inzicht te worden verschaft over de stand van zaken. </al>
      <al>In dit besluit is de vergoeding die de schuldbemiddelaar vraagt, aan een
normering onderworpen. Hier is in het bijzonder toe besloten om te voorkomen
dat de schuldenaar die reeds in grote financiële nood verkeert, in nog
grotere problemen raakt.  </al>
      <tuskop letat="vet">5. Verhouding tot de gerechtelijke schuldsaneringsregeling
voor natuurlijke personen </tuskop>
      <al>De verwachting is dat de schuldsaneringsregeling eind 1998 in werking
zal treden. De idee van dit wetsvoorstel is dat indien alle buitengerechtelijke
oplossingen hebben gefaald, een beroep op deze gerechtelijke schuldsaneringsregeling
voor natuurlijke personen kan worden gedaan. De schuldsaneringsregeling ligt
derhalve in het verlengde van de in dit besluit geregelde buitengerechtelijke
mogelijkheid om tegen betaling, anders dan door het aangaan van een krediettransactie,
diensten te verrichten die gericht zijn op de totstandkoming van een regeling
met betrekking tot de bestaande schuldenlast van een natuurlijke persoon,
geheel of gedeeltelijk voortvloeiend uit een of meer krediettransacties. </al>
      <al>Voor de schuldsaneringsregeling is het minnelijke voortraject van groot
belang. Het onderhavige besluit maakt het mogelijk dat nu ook private schuldbemiddelaars
in dit voortraject kunnen optreden. Hierdoor wordt voorkomen dat de gemeentelijke
kredietbanken in deze minnelijke voorfase in feite een domeinmonopolie zouden
verkrijgen, hetgeen in strijd is met het kabinetsbeleid. </al>
      <al>Nu beide regelingen in elkaars verlengde liggen, dienen zij zoveel mogelijk
op elkaar aan te sluiten. Dat hier rekening mee is gehouden moge blijken uit
het volgende. Voor toepassing van de schuldsaneringsregeling is vereist dat
bij het verzoekschrift een verklaring wordt overgelegd waaruit blijkt dat
er geen reële mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijke schuldsanering
te komen, alsmede over welke aflossingsmogelijkheden de verzoeker beschikt.
Deze verklaring kan op grond van artikel 285, eerste lid, onderdeel e, van
de Faillissementswet door het college van burgemeester en wethouders van de
gemeente van de woon- of verblijfplaats van de schuldenaar worden afgegeven
danwel door een daartoe door het college gemandateerde kredietbank als bedoeld
in de Wet op het consumentenkrediet of een door het college gemandateerde,
krachtens artikel 48, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op het consumentenkrediet
aangewezen natuurlijke of rechtspersoon, dan wel categorieën daarvan
(kamerstukken I, 1997/98, 25 672, nr. 301). De verantwoordelijkheid voor
de mandatering van de afgiftebevoegdheid berust bij het college van burgemeester
en wethouders. In elk geval zijn, ingevolge artikel 285, vierde lid, van de
Faillissementswet de colleges van burgemeester en wethouders, een daartoe
gemandateerde kredietbank of een daartoe aangewezen natuurlijke persoon of
rechtspersoon verplicht medewerking te verlenen aan de afgifte van verklaringen
als bedoeld in artikel 285, eerste lid, onderdeel e, van de Faillissementswet.
 </al>
      <tuskop letat="vet">II. Artikelen  </tuskop>
      <tuskop letat="cur">Artikel 2, eerste lid </tuskop>
      <al>Dit artikel bevat een categoriale aanwijzing van natuurlijke personen
en rechtspersonen die tegen betaling schuldbemiddeling mogen verrichten. Aangewezen
zijn de als schuldbemiddelaar als bedoeld in artikel 48, eerste lid, onder
d, WCK geregistreerde natuurlijke personen en rechtspersonen die schuldbemiddeling
tegen betaling verrichten en niet ten behoeve van dezelfde cliënt tevens
andere schuldhulpverleningsdiensten tegen betaling verrichten.
Tevens dienen zij de Gedragscode betreffende schuldregeling van de NVVK van
13 mei 1997 en de NVVK-methode voor het berekenen van aflossingscapaciteit
van 25 maart 1997 na te leven. Waar in de gedragscode wordt gesproken van
«volkskredietbank» en «bank» dient daarvoor uiteraard
te worden gelezen: schuldbemiddelaar. De hiervoor bedoelde gedragscode en
NVVK-methode liggen bij de Minister van Economische Zaken ter inzage. </al>
      <al>De Minister van Economische Zaken is verantwoordelijk voor het register.
Het register is voor een ieder kosteloos ter inzage. Het doel van het register
is dat derden uit het register kunnen afleiden of degenen die tegen betaling
schuldbemiddeling verrichten zich ook als zodanig hebben laten registreren.
Het register dient derhalve ter bescherming van de belangen van schuldenaren
alsmede van de belangen van schuldeisers, voor wie een betrouwbare en deskundige
schuldbemiddeling meer waarborgen biedt dan schuldbemiddeling zonder enige
registratie en toezicht.  </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 2, tweede lid </tuskop>
      <al>In de praktijk blijkt dat het verbod op schuldbemiddeling veelal wordt
ontdoken met een beroep op het verrichten van budgetbeheer, in het kader waarvan
tevens schuldbemiddelingsactiviteiten moeten worden verricht. Zo komt het
voor dat een schuldbemiddelaar met meerdere personen samenwerkt dan wel via
meerdere rechtspersonen werkt, waarvan de een aan schuldbemiddeling doet en
de ander aan budgetbeheer. Voor beide diensten worden dan kosten berekend
aan de schuldenaar. Met het onderhavige artikellid wordt beoogd de dubbele
berekening van kosten uit te sluiten. Om deze reden zijn groepsmaatschappijen
en rechtspersonen die een of meer dochtermaatschappijen hebben, alsmede samenwerkingsvormen
zonder rechtspersoonlijkheid van natuurlijke personen die maatschappelijk
zijn te vergelijken met de genoemde concernconstructies, en die tegen betaling
andere schuldhulpverleningsdiensten aanbieden, van aanwijzing in dit besluit
uitgezonderd. Bij samenwerkingsvormen zonder rechtspersoonlijkheid van natuurlijke
personen die maatschappelijk zijn te vergelijken met genoemde concernconstructies,
valt te denken aan schuldbemiddelaars die met een of meer andere personen
samenwerken, waarbij de een aan schuldbemiddeling en de ander aan bijvoorbeeld
budgetbeheer doet. Indien deze personen onderling overeenkomen dat, zodra
een regeling op het gebied van schuldbemiddeling tot stand is gekomen de andere
persoon het dossier overneemt, bestaat het risico dat aan de schuldenaar twee
maal kosten in rekening worden gebracht voor dezelfde schuldregeling.  </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 3 </tuskop>
      <al>In dit artikel is gebruik gemaakt van de in artikel 48, tweede lid, WCK
geboden mogelijkheid om de vergoeding die de schuldbemiddelaar voor zijn activiteiten
vraagt, te normeren. Deze normering is van belang om de schuldenaar die zich
in een uiterst kwetsbare positie bevindt, te beschermen tegen misbruik. Daarnaast
dient de normering ook het belang van de schuldeiser, doordat hiermee wordt
voorkomen dat het bedrag dat aan de vergoeding voor schuldbemiddeling moet
worden betaald, in te hoge mate beslag legt op de veelal geringe activa die
zich in de te verdelen boedel bevinden. </al>
      <al>Er mag enkel een vergoeding worden gevraagd indien een schuldbemiddelingsregeling
tot stand is gekomen, waarbij de hoogte van de vergoeding aan een limiet is
gebonden. De schuldenaar betaalt voorts het aan vergoeding verschuldigde bedrag
in maandelijkse termijnen aan de schuldbemiddelaar, gedurende welke periode
de schuldbemiddelaar de schuldenaar blijft begeleiden. De hoogte
van deze maandelijks te betalen vergoeding is eveneens aan een limiet gebonden. </al>
      <al>De volgende voorbeelden dienen ter illustratie van de berekening van de
aflossingscapaciteit en de vergoeding voor schuldbemiddeling. Hierbij wordt
opgemerkt dat de vergoeding niet hoger mag zijn dan de werkelijk gemaakte
kosten. Allereerst wordt de aflossingscapaciteit berekend door middel van
de NVVK-methode voor het berekenen van aflossingscapaciteit in het kader van
schuldregelen. In het eerste voorbeeld wordt er vanuit gegaan dat de aflossingscapaciteit
f 500 bedraagt en het bedrag van de schulden waarvoor een regeling is
getroffen f 15 000. Ingevolge het tweede lid mag de vergoeding maximaal
9% bedragen van het bedrag van de schulden waarvoor een regeling tot stand
is gekomen, hetgeen in dit geval (9% van f 15 000) f 1350 is.
Ingevolge het derde lid mag de maandelijkse vergoeding niet meer bedragen
dan 9% van de maandelijkse aflossingen van de schuld met een maximum van f 75.
In dit voorbeeld is het maandelijks te betalen bedrag voor de vergoeding (f 500
gedeeld door 1.09, maal 0.09) f 41,28. Voor de aflossing van de schulden
is dan beschikbaar f 500 minus f 41,28 is f 458,72. Op basis
van deze aflossing duurt de regeling (f 15 000 gedeeld door f 458,72)
32,7 maanden. De totale vergoeding die de bemiddelaar ontvangt wordt dan 32,7
maal f 41,28 is f 1349,86. Met andere woorden de bemiddelaar ontvangt
gedurende 32 maanden f 41.28 per maand en de laatste maand f 28,90. </al>
      <al>In het tweede voorbeeld bedraagt de schuld f 50 000. Er wordt
vanuit gegaan dat voor het gehele bedrag een regeling tot stand is gekomen.
De aflossingscapaciteit is berekend op f 1500 per maand. Ingevolge het
tweede lid bedraagt de vergoeding (f 1500 gedeeld door 1.09 maal 0.09)
f 123,85. Ingevolge het derde lid mag de vergoeding echter niet meer
dan f 75 per maand bedragen. Voor de aflossing van de schulden is dan
f 1425 per maand beschikbaar. Hierdoor komt de tijdsperiode voor het
aflossen van de schuld op (f 50 000 gedeeld door f 1425) 35,1
maanden. Gedurende 35 maanden wordt derhalve elke maand f 1425 afgelost
en de laatste maand f 125. De vergoeding voor de schuldbemiddelaar komt
daarmee op 35 maal f 75 per maand en één maal (9% van f 125)
f 11,25 is f 2636,25. </al>
      <al>De volgende twee voorbeelden dienen ter illustratie van de berekening
van de aflossingscapaciteit en de vergoeding voor schuldbemiddeling door bijstandsgerechtigden
volgens de normen zoals die per 1 januari 1998 gelden. </al>
      <al>Een uitkering voor een echtpaar bedraagt f 2033,34, inclusief een
bedrag van f 103,70 aan vakantiegeld. De maandelijkse uitkering bedraagt
derhalve f 1929,64. De beslagvrije voet is 90% van f 2033,34 ofwel
f 1830,01. Op grond van de voorgaande gegevens kan de maandelijkse aflossingsruimte
worden berekend: f 1929,64 minus f 1830.01 is f 99,63. De vergoeding
voor de schuldbemiddelaar komt daarmee op f 99,63 gedeeld door 1.09,
vermenigvuldigd met 0.09, is f 8,23. Voor de aflossingen is derhalve
f 91,40 beschikbaar. In de maand juni, wanneer de vakantietoeslag wordt
uitgekeerd, is de berekening als volgt. De vakantietoeslag bedraagt 12 maal
f 103,70, is f 1244,40. Hierbij dient de vaste maanduitkering à
f 1929,64 te worden opgeteld, wat f 3174,04 als uitkomst geeft.
Van dit bedrag mag de schuldenaar f 1830,01 vrij ter beschikking houden,
waardoor een bedrag van f 1344,03 overblijft. De vergoeding voor de schuldbemiddelaar
zou daarmee op f 1344,03 gedeeld door 1.09, maal 0.09, is f 110,98
uitkomen. Nu de vergoeding aan de schuldbemiddelaar echter de limiet van f 75
niet mag overschrijden, wordt de vergoeding op f 75 gesteld. Voor de
aflossingen blijft het bedrag van f 1269,03 over. </al>
      <al>Een uitkering voor een alleenstaande bedraagt f 1016,67. Hierbij
komt een toeslag (in dit voorbeeld gesteld op 20%) van f 406,67. De vakantieaanspraak
is f 72,59 per maand. De maandelijkse uitkering bedraagt derhalve f 1350,75.
De beslagvrije voet is 90% van f 1423,34 ofwel f 1281,01. Op grond
van de voorgaande gegevens bedraagt de maandelijkse aflossingsruimte
f 1350,75 minus f 1281,01 is f 69,74. De vergoeding voor de
schuldbemiddelaar komt daarmee op f 69,74 gedeeld door 1.09, maal 0.09,
is f 5,76. Voor de aflossingen blijft het bedrag van f 63,98 over.
In de maand juni, wanneer de vakantie-uitkering plaatsvindt, is de berekening
als volgt. De vakantietoeslag bedraagt 12 maal f 72,59, is f 871,08.
Hierbij dient de vaste maanduitkering à f 1350,75 te worden opgeteld,
wat f 2221,83 als uitkomst geeft. De schuldenaar mag een bedrag van f 1281,01
vrij ter beschikking houden. Het verschil bedraagt derhalve f 940,82.
De vergoeding voor de schuldbemiddelaar zou daarmee op f 940,82 gedeeld
door 1.09, maal 0.09, is f 77,68 komen. Nu de vergoeding aan de schuldbemiddelaar
de limiet van f 75 echter niet mag overschrijden, wordt de vergoeding
op f 75 gesteld. Voor de aflossingen blijft het bedrag van f 865,82
over.  </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 4 </tuskop>
      <al>De werkingsduur van dit besluit is beperkt tot twee jaar na het tijdstip
van inwerkingtreding. Er is voor deze beperkte werkingsduur gekozen om het
maatschappelijk effect van dit besluit te kunnen evalueren. Naar verwachting
kunnen binnen deze periode voldoende gegevens worden verzameld om een verslag
te maken over de doeltreffendheid en de effecten van het besluit in de praktijk.
Aan de hand daarvan kan bepaald worden of verlenging van dit besluit wenselijk
is dan wel dat andere maatregelen getroffen moeten worden. Bij de evaluatie
zullen uiteraard de bevindingen van de ECD worden betrokken. Een evaluatie
is zeker van belang indien de schuldsaneringsregeling tot wet zal worden verheven.
 </al>
      <minister>
        <minvan>De Staatssecretaris van Economische Zaken, </minvan>
        <naam>A. van Dok-van Weele </naam>
      </minister>
    </notatoe>
  </backm>
</staatsbl>