﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<!DOCTYPE staatsbl PUBLIC "-//SDU//DTD staatsblad xml 1.1//NL" "../../dtd/staatsbl-11.dtd"[]>
<staatsbl id="sb998.291" soort="kb" publtype="kobe">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-1998-291/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel status="off">Staatsblad</titel>
    <subtitel>van het Koninkrijk der Nederlanden</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.4" conv="port1.2" markup="c1xa"></versie>
    <ordernr>STB4225 </ordernr>
    <stb>
      <jaargang jaar="1998">Jaargang 1998</jaargang>
      <stbjaar>1998 </stbjaar>
      <stbnr>291  </stbnr>
    </stb>
    <intitule>
      <soort>Besluit</soort> van 12 mei 1998, houdende regels voor het
verstrekken door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie van instrumenten gericht
op behoud, herstel of bevordering van de arbeidsgeschiktheid of indiensttreding
van werkzoekende arbeidsgehandicapten (Besluit reïntegratie-instrumenten
arbeidsgehandicapten Arbeidsvoorziening)</intitule>
    <aanhef>
      <wie>Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz. </wie>
      <consider>
        <al>Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
van 24 februari 1998, Directie Arbeidsmarkt, nr. AM/ARV/98/432; </al>
        <al>Gelet op de <grslag>artikelen 4, tweede lid, en 81a, derde lid, van de
Arbeidsvoorzieningswet 1996</grslag>; </al>
        <al>De Raad van State gehoord (advies van 16 maart 1998, No. W12.98.0071); </al>
        <al>Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
van 29 april 1998, Directie Arbeidsmarkt, nr. AM/ARV/98/ 1198;</al>
      </consider>
      <afkondig>Hebben goedgevonden en verstaan:</afkondig>
    </aanhef>
  </frontm>
  <body>
    <art id="a1">
      <kop>
        <nr>Artikel 1. </nr>
        <titel status="off">Begripsomschrijvingen </titel>
      </kop>
      <al>In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: </al>
      <al>a. de wet: de Arbeidsvoorzieningswet 1996; </al>
      <al>b. arbeidsgehandicapte: de arbeidsgehandicapte werkzoekende, bedoeld in
artikel 13 van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten. </al>
    </art>
    <art id="a2">
      <kop>
        <nr>Artikel 2. </nr>
        <titel status="off">Voorzieningen voor arbeidsgehandicapten </titel>
      </kop>
      <lid>
        <nr>1. </nr>
        <al>Ter uitvoering van artikel 4, tweede lid, onderdeel a, van de wet kan
de Arbeidsvoorzieningsorganisatie op aanvraag of ambtshalve aan de arbeidsgehandicapte
in ieder geval toekennen: </al>
        <al>a. scholing of opleiding; </al>
        <al>b. voorzieningen die noodzakelijk zijn voor het kunnen volgen van scholing
of opleiding als bedoeld in onderdeel a;  </al>
        <al>c. voorzieningen die noodzakelijk zijn voor het kunnen deelnemen aan activiteiten
die bevorderlijk zijn voor de inschakeling in de arbeid; </al>
        <al>d. vervoersvoorzieningen die strekken tot verbetering van de leefomstandigheden
van de arbeidsgehandicapte en die deel uitmaken van dan wel rechtstreeks samenhangen
met voorzieningen als bedoeld in de onderdelen b en c. </al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>2. </nr>
        <al>Ter uitvoering van artikel 4, tweede lid, onderdeel b, van de wet kan
de Arbeidsvoorzieningsorganisatie gedurende maximaal één jaar
op aanvraag of ambtshalve aan de arbeidsgehandicapte die in dienstbetrekking
gaat werken, toekennen: </al>
        <al>a. vervoersvoorzieningen die er toe strekken dat de arbeidsgehandicapte
zijn werkplek kan bereiken; </al>
        <al>b. noodzakelijke persoonlijke ondersteuning van de arbeidsgehandicapte
bij het verrichten van de hem opgedragen taken, indien die ondersteuning een
compensatie vormt voor specifiek met de handicap samenhangende beperkingen; </al>
        <al>c. communicatievoorzieningen voor doven; </al>
        <al>d. vervoersvoorzieningen die strekken tot verbetering van de leefomstandigheden
van de arbeidsgehandicapte en die deel uitmaken van dan wel rechtstreeks samenhangen
met voorzieningen als bedoeld in onderdeel a. </al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>3. </nr>
        <al>De voorzieningen, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden niet toegekend,
indien deze voorzieningen: </al>
        <al>a. algemeen gebruikelijk zijn; </al>
        <al>b. een waarde hebben, die minder bedraagt dan 1,85 maal het minimumloon
per dag, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel c, van de Wet minimumloon
en minimumvakantiebijslag; of </al>
        <al>c. aan de arbeidsgehandicapte kunnen worden toegekend door de gemeente
op grond van de Wet inschakeling werkzoekenden of door het Landelijk instituut
sociale verzekeringen op grond van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten. </al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>4. </nr>
        <al>Een leefvervoersvoorziening als bedoeld in onderdeel d van het eerste
en van het tweede lid, wordt slechts verleend indien daarmee de uit ziekte
of gebrek voortvloeiende beperkingen worden opgeheven of verminderd. </al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>5. </nr>
        <al>Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld voor het toekennen
van de voorzieningen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b, c en d, en
het tweede lid, onderdelen a en d, in verband met het inkomen van de arbeidsgehandicapte. </al>
      </lid>
    </art>
    <art id="a3">
      <kop>
        <nr>Artikel 3. </nr>
        <titel status="off">Persoonsgebonden reïntegratiebudget </titel>
      </kop>
      <lid>
        <nr>1. </nr>
        <al>Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld op grond waarvan
de Arbeidsvoorzieningsorganisatie ter uitvoering van artikel 4, tweede lid,
van de wet aan de arbeidsgehandicapte in plaats van de voorzieningen, bedoeld
in artikel 2, een subsidie verstrekt in de vorm van een op de arbeidsinschakeling
gericht persoonsgebonden reïntegratiebudget. In deze regeling kunnen
regels worden gesteld omtrent de aard en omvang van de activiteiten en de
aan die subsidie te verbinden verplichtingen. </al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>2. </nr>
        <al>Het tweede en derde lid van artikel 33 van de Wet op de (re)integratie
arbeidsgehandicapten zijn op deze ministeriële regeling van toepassing. </al>
      </lid>
    </art>
    <art id="a4">
      <kop>
        <nr>Artikel 4. </nr>
        <titel status="off">Persoonlijke ondersteuning </titel>
      </kop>
      <lid>
        <nr>1. </nr>
        <al>Een voorziening in de vorm van persoonlijke ondersteuning kan uitsluitend
worden toegekend op grond van artikel 2, tweede lid, onderdeel b. Het toekennen
van deze voorziening kan bestaan uit het beschikbaar stellen van persoonlijke
ondersteuning of uit een vergoeding voor de kosten van persoonlijke ondersteuning.  </al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>2. </nr>
        <al>De voorziening, bedoeld in het eerste lid, wordt slechts toegekend indien: </al>
        <al>a. de persoonlijke ondersteuning bestaat uit een individueel trainings-
of inwerkprogramma op de werkplek en een systematische begeleiding van de
arbeidsgehandicapte werknemer gericht op het behouden van de arbeidsplaats; </al>
        <al>b. de arbeidsgehandicapte werknemer zonder een systematische begeleiding
niet in staat zou zijn de hem opgedragen werkzaamheden te verrichten; </al>
        <al>c. de persoonlijke ondersteuning wordt verzorgd door een persoon die verbonden
is aan een rechtspersoon die tot doel heeft diensten te verlenen die kunnen
worden aangemerkt als persoonlijke ondersteuning als bedoeld in onderdeel
a. </al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>3. </nr>
        <al>De voorziening, bedoeld in het eerste lid, wordt in het eerste jaar ten
hoogste toegekend voor het aantal uren dat overeenkomt met 15% van het aantal
door de arbeidsgehandicapte werknemer te werken uren per kalenderjaar. </al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>4. </nr>
        <al>De Arbeidsvoorzieningsorganisatie kan van het percentage, genoemd in het
derde lid, afwijken voorzover toepassing daarvan gelet op het belang dat dit
artikel beoogt te beschermen zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende
aard. In dat geval meldt de Arbeidsvoorzieningsorganisatie dit aan het Landelijk
instituut sociale verzekeringen. </al>
      </lid>
    </art>
    <art id="a5">
      <kop>
        <nr>Artikel 5. </nr>
        <titel status="off">Communicatievoorzieningen voor doven </titel>
      </kop>
      <lid>
        <nr>1. </nr>
        <al>Onder een communicatievoorziening voor doven als bedoeld in artikel 2,
tweede lid, onderdeel c, wordt uitsluitend verstaan een dovengebarentolk,
een dovenschrijftolk of een notitiemaker die is erkend door het Landelijk
instituut sociale verzekeringen. De toekenning van een voorziening als bedoeld
in de eerste zin, kan bestaan uit het beschikbaar stellen van een dovengebarentolk,
een dovenschrijftolk of een notitiemaker of uit een vergoeding van de kosten
voor het gebruik van een dovengebarentolk, een dovenschrijftolk of een notitiemaker. </al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>2. </nr>
        <al>De voorziening, bedoeld in het eerste lid, wordt ten hoogste toegekend
voor het aantal uren dat overeenkomt met 15% van het aantal door de arbeidsgehandicapte
werknemer te werken uren per kalenderjaar. </al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>3. </nr>
        <al>De Arbeidsvoorzieningsorganisatie kan van het percentage, genoemd in het
tweede lid, afwijken voorzover toepassing daarvan gelet op het belang dat
dit artikel beoogt te beschermen zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende
aard. In dat geval meldt de Arbeidsvoorzieningsorganisatie dit aan het Landelijk
instituut sociale verzekeringen. </al>
      </lid>
    </art>
    <art id="a6">
      <kop>
        <nr>Artikel 6. </nr>
        <titel status="off">Overname vervoersvoorzieningen die geen subsidie zijn </titel>
      </kop>
      <lid>
        <nr>1. </nr>
        <al>De Arbeidsvoorzieningsorganisatie kan indien een of meer feiten op grond
waarvan een vervoersvoorziening als bedoeld in artikel 2 is toegekend, zodanig
wijzigen dat de toekenning van de voorziening niet langer is aangewezen, of
indien een met betrekking tot een voorziening afgesloten bruikleencontract
afloopt, een belanghebbende de niet in de vorm van een financiële tegemoetkoming
verleende voorziening doen behouden of doen kopen, voor een prijs die de op
dat moment in het maatschappelijke verkeer geldende waarde van een dergelijke
voorziening niet te boven gaat. </al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>2. </nr>
        <al>Indien de voorziening, bedoeld in het eerste lid, een vervoermiddel betreft,
wordt bij het bepalen van de prijs, bedoeld in het eerste lid, uitgegaan van
de voorziening zonder specifieke aanpassingen.  </al>
      </lid>
    </art>
    <art id="a7">
      <kop>
        <nr>Artikel 7. </nr>
        <titel status="off">Werkgeverssubsidie in de vorm van plaatsingsbudget </titel>
      </kop>
      <lid>
        <nr>1. </nr>
        <al>De hoogte van de subsidie aan de werkgever, bedoeld in artikel 81a, eerste
lid, van de wet bedraagt bij een dienstbetrekking die voor onbepaalde tijd
is aangegaan f 12 000,– voor het eerste jaar, f 8000,–
voor het tweede jaar, en f 4000,– voor het derde jaar van de dienstbetrekking. </al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>2. </nr>
        <al>Indien de indienstneming, bedoeld in het eerste lid, voor bepaalde tijd
is of voor een geringer aantal uren dan het aantal uren dat voor een voltijdsdienstverband
in de desbetreffende sector van het bedrijfs- en beroepsleven gebruikelijk
is, worden de subsidiebedragen, bedoeld in het eerste lid, naar evenredigheid
met de arbeidsduur en rekening houdend met de verdeling van de subsidiebedragen
in het eerste lid verlaagd. </al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>3. </nr>
        <al>De Arbeidsvoorzieningsorganisatie kan de subsidie, bedoeld in het eerste
lid, geheel of gedeeltelijk weigeren, indien de subsidie wordt aangevraagd
voor een arbeidsgehandicapte voor wie reeds eerder aan de werkgever subsidie
op grond van artikel 15, 16, 17 of 18 van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten,
artikel 13b van de Wet inschakeling werkzoekenden of artikel 81a van de wet
is verstrekt. </al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>4. </nr>
        <al>De Arbeidsvoorzieningsorganisatie trekt de subsidie, bedoeld in het eerste
lid, in of wijzigt die, indien de dienstbetrekking eindigt of de arbeid in
de dienstbetrekking geheel of ten dele niet langer wordt verricht, binnen
de periode waarvoor de subsidie is verstrekt, tenzij de werkgever aannemelijk
maakt dat de kosten die hij heeft gemaakt ten behoeve van het verrichten van
arbeid door de arbeidsgehandicapte werknemer ten minste gelijk zijn aan het
bedrag van de verstrekte subsidie. </al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>5. </nr>
        <al>Indien de kosten van de werkgever, bedoeld in het vierde lid, lager zijn
dan het bedrag van de verstrekte subsidie wijzigt de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
bij toepassing van het vierde lid, het subsidiebedrag zodanig, dat dit bedrag
gelijk is aan de som van: </al>
        <al>a. het bedrag van de subsidie verstrekt voor dat jaar verminderd naar
evenredigheid met het aantal zo nodig herleide volledige werkdagen, waarop
door de arbeidsgehandicapte in dat jaar arbeid in de dienstbetrekking is verricht; </al>
        <al>b. voorzover over een eerder jaar subsidie is verleend, het subsidiebedrag
voor dat eerdere jaar; en </al>
        <al>c. die kosten van de werkgever, </al>
        <al>voorzover die som niet hoger is dan het bedrag van de door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
verstrekte subsidie aan die werkgever in verband met de dienstbetrekking met
die arbeidsgehandicapte tot en met dat jaar. </al>
      </lid>
    </art>
    <art id="a8">
      <kop>
        <nr>Artikel 8. </nr>
        <titel status="off">Werkgeverssubsidie in de vorm van een pakket op maat </titel>
      </kop>
      <lid>
        <nr>1. </nr>
        <al>De subsidie in de vorm van een pakket op maat, bedoeld in artikel 81a,
tweede lid, van de wet, kan bestaan uit: </al>
        <al>a. een loonkostensubsidie ten bedrage van ten hoogste 33 ⅓% van
het overeengekomen bruto-loon per jaar, gedurende maximaal 3 jaar; </al>
        <al>b. een eenmalige trainings- en begeleidingssubsidie van ten hoogste f 4000,–; </al>
        <al>c. een subsidie voor kosten van scholing; </al>
        <al>d. een subsidie voor kosten, die voortvloeien uit noodzakelijke aanpassingen
van de samenstelling en toewijzing van arbeid, de inrichting van arbeidsplaatsen,
de productie- en werkmethoden en de bij arbeid te gebruiken hulpmiddelen,
alsmede voor de kosten die voortvloeien uit de aanpassing van de inrichting
van het bedrijf, voorzover de behoefte daaraan wordt opgeroepen door de deelneming
van de arbeidsgehandicapte aan de werkzaamheden of het daarmee samenhangende
verblijf in het bedrijf; </al>
        <al>e. een subsidie voor kosten van andere voorzieningen tot behoud, herstel of ter bevordering van de arbeidsgeschiktheid dan voorzieningen
als bedoeld in de onderdelen b, c en d. </al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>2. </nr>
        <al>De Arbeidsvoorzieningsorganisatie kan aan een werkgever ten behoeve van
een persoon die niet meer als arbeidsgehandicapte werknemer kan worden beschouwd
omdat hij de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, subsidies verstrekken als
bedoeld in het eerste lid, onderdelen c, d en e, ten behoeve van de voortzetting
van een voorziening waarvoor reeds een subsidie is verleend, indien de werknemer
de inkomensvormende arbeid ten behoeve waarvan de voorziening laatstelijk
is gesubsidieerd nog in ongeveer gelijke mate verricht. </al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>3. </nr>
        <al>Indien aan een werkgever voor het aangaan van de dienstbetrekking met
de arbeidsgehandicapte een subsidie als bedoeld in artikel 81a, eerste lid,
van de wet en artikel 7, is verstrekt en die werkgever voor dezelfde arbeidsgehandicapte
een subsidie als bedoeld in het eerste lid aanvraagt, wordt die laatste subsidie
in de vorm van een pakket op maat slechts verstrekt indien de aanvraag daarvoor
wordt ingediend uiterlijk 13 weken na verstrekking van de eerstgenoemde subsidie
en onder verrekening van die subsidie. </al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>4. </nr>
        <al>Als tegemoetkoming in de kosten verband houdende met voorzieningen als
bedoeld in de onderdelen c, d en e, van het eerste lid, kan de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
een subsidie verstrekken ter hoogte van die kosten, tenzij daarvan op grond
van een regeling van het Centraal Bestuur kan worden afgeweken. </al>
      </lid>
    </art>
    <art id="a9">
      <kop>
        <nr>Artikel 9. </nr>
        <titel status="off">Regels CBA </titel>
      </kop>
      <lid>
        <nr>1. </nr>
        <al>Het Centraal Bestuur stelt een regeling vast voor de subsidieverstrekking,
bedoeld in artikel 7 en 8. Deze regeling regelt in elk geval de hoogte van
de subsidie bij toepassing van artikel 8, bij wie de aanvraag moet worden
ingediend en hoe deze subsidieverstrekking overigens wordt uitgevoerd. </al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>2. </nr>
        <al>De regeling op grond van het eerste lid wordt in de Staatscourant geplaatst. </al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>3. </nr>
        <al>Voor het toekennen van voorzieningen in de vorm van het verstrekken van
subsidie aan de arbeidsgehandicapte op grond van artikel 4, tweede lid, van
de wet en artikel 3 zijn de regelingen, bedoeld in artikel 81 en 82 van de
wet niet van toepassing. </al>
      </lid>
    </art>
    <art id="a10">
      <kop>
        <nr>Artikel 10. </nr>
        <titel status="off">Overgangsbepaling werkgeverssubsidies </titel>
      </kop>
      <al>De Arbeidsvoorzieningsorganisatie verstrekt geen subsidie op grond van
artikel 81a van de wet en artikel 7 en 8, aan een werkgever, indien de dienstbetrekking
met de arbeidsgehandicapte is aangevangen of aangegaan voorafgaande aan de
inwerkingtreding van dit besluit. </al>
    </art>
    <art id="a11">
      <kop>
        <nr>Artikel 11. </nr>
        <titel status="off">Inwerkingtreding </titel>
      </kop>
      <al>Indien het bij koninklijke boodschap van 1 september 1997 ingediende voorstel
van wet tot vaststelling van nieuwe regels met betrekking tot de (re)integratie
van arbeidsgehandicapten, 25 478, (Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten)
tot wet wordt verheven, treedt dit besluit in werking op het tijdstip waarop
artikel 63 van die wet in werking treedt. </al>
    </art>
    <art id="a12">
      <kop>
        <nr>Artikel 12. </nr>
        <titel status="off">Citeertitel </titel>
      </kop>
      <al>Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit reïntegratie-instrumenten
arbeidsgehandicapten Arbeidsvoorziening.  </al>
    </art>
  </body>
  <backm>
    <nawerk>
      <slotform>Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota
van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst. </slotform>
      <histnoot>
        <al>Het advies van de Raad van State is openbaar gemaakt door terinzagelegging
bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. </al>
        <al>Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage gelegde stukken worden
opgenomen in het bijvoegsel bij de Staatscourant van 9 juni 1998, nr. 105.</al>
      </histnoot>
      <ondertek>
        <ondplts>'s-Gravenhage, </ondplts>
        <onddatum>12 mei 1998 </onddatum>
        <koning>Beatrix  </koning>
        <minister>
          <minvan>De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, </minvan>
          <naam>A. P. W. Melkert </naam>
        </minister>
      </ondertek>
      <uitgifte>
        <uitgifte-regel>Uitgegeven de <nadruk type="cur">zesentwintigste</nadruk> mei 1998 </uitgifte-regel>
        <uitdag>zesentwintigste</uitdag>
        <uitmaand>mei</uitmaand>
        <uitjaar>1998 </uitjaar>
        <door>
          <minvan>De Minister van Justitie, </minvan>
          <naam>W. Sorgdrager </naam>
        </door>
      </uitgifte>
    </nawerk>
    <notatoe>
      <kop>
        <titel status="off">NOTA VAN TOELICHTING  </titel>
      </kop>
      <tuskop letat="vet">Algemeen  </tuskop>
      <tuskop letat="vet">1. Inleiding </tuskop>
      <al>Dit besluit geeft nader inhoud aan de instrumenten die de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
kan aanwenden voor de arbeidsgehandicapten, die tot de verantwoordelijkheid
van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie behoren. In paragraaf 2 van deze nota
van toelichting wordt uiteengezet wie in de zin van dit besluit beschouwd
worden als arbeidsgehandicapten. Het gaat bij de uitvoering van deze taak
door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie enerzijds om voorzieningen voor arbeidsgehandicapten
zelf, waarvoor artikel 4, tweede lid, van de Arbeidsvoorzieningswet 1996 (de
wet) het kader bevat en anderzijds om werkgeverssubsidies, die in artikel
81a van de wet worden geregeld. </al>
      <al>De nadere regeling in dit besluit heeft vooral tot doel de inhoud van
de instrumenten af te stemmen op de gelijke instrumenten, die het Landelijk
instituut sociale verzekeringen op grond van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten
(Wet REA) ter beschikking staan. Voorts wordt hiermee bewerkstelligd, dat
de uitvoering ten opzichte van de belanghebbenden in ieder geval op die punten
gelijk kan plaatsvinden, waar dat uit oogpunt van rechtszekerheid voor de
belanghebbende van belang is. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>In verband met de voorbereiding van de inwerkingtreding van de Wet REA
vindt intensief overleg plaats tussen de betrokken uitvoeringsinstanties:
de uitvoeringsinstellingen sociale verzekeringen (uvi's), het Landelijk instituut
sociale verzekeringen (Lisv), de gemeenten (via de VNG) en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie.
Met signalen over de uitvoerbaarheid van het wettelijk instrumentarium door
de Arbeidsvoorzienings-organisatie en over de noodzaak de procedures op elkaar
af te stemmen is bij de tot standkoming van dit besluit rekening gehouden.
 </al>
      <tuskop letat="vet">2. Arbeidsgehandicapte </tuskop>
      <al>Op grond van artikel 13 van de Wet REA heeft de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
de taak instrumenten in te zetten ter bevordering van de inschakeling in het
arbeidsproces van arbeidsgehandicapten die uitsluitend recht hebben op een
Algemene nabestaandenuitkering (ANW) en arbeidsgehandicapten, die geen uitkering
ontvangen en geen werkgever hebben, indien zij als werkzoekenden zijn geregistreerd.
Zouden ze wel een andere uitkering ontvangen dan een ANW-uitkering, dan behoort
het verstrekken van de reïntegratie-instrumenten tot de taak van het
Landelijk instituut sociale verzekeringen of de gemeenten. Op grond van artikel
2 en 3 van de Wet REA wordt bepaald, wie als arbeidsgehandicapte wordt beschouwd.
Arbeidsgehandicapte is op grond van artikel 2 Wet REA onder meer de persoon: </al>
      <al>a. die een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontving ingevolge de Wet op
de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen (WAZ) of de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten
(WAJONG) doch van wie deze uitkering is ingetrokken in verband met vermindering
van de arbeidsongeschiktheid; </al>
      <al>b. aan wie op grond van een wettelijk voorschrift in verband met ziekte
of gebrek een voorziening is toegekend, die strekt tot behoud, herstel of
bevordering van de arbeidsgeschiktheid (waaronder scholing), of aan wie een
voorziening is verstrekt voor aanpassing van de werkplek of terzake vervoer
naar het werk; </al>
      <al>c. die geïndiceerd voor een arbeidsplaats op grond van de Wet sociale werkvoorziening (WSW), doch (nog) geen een WSW-dienstbetrekking heeft
en de persoon die WSW-werkzaamheden heeft verricht, doch na herindicatie niet
meer WSW-geïndiceerd is. De persoon met een WSW-dienstbetrekking behoort
niet tot de doelgroep arbeidsgehandicapte. Op deze persoon is de WSW van toepassing; </al>
      <al>d. ten aanzien van wie op grond van een medisch-arbeidskundige beoordeling
is vastgesteld, dat hij in verband met ziekte of gebrek een belemmering heeft
bij het verkrijgen of verrichten van arbeid. </al>
      <al>Voor de onder a t/m c genoemde personen geldt dat zij voor een periode
tot vijf jaar na de beëindiging van de uitkering, de scholing, de voorziening
of de (her)indicatie als arbeidsgehandicapte worden beschouwd. De persoon
genoemd onder d blijft eveneens gedurende een periode van vijf jaar na de
vaststelling van de arbeidshandicap als arbeidsgehandicapte aangemerkt. Na
afloop van deze termijn wordt opnieuw vastgesteld of de persoon nog als arbeidsgehandicapte
kan worden aangemerkt. </al>
      <al>Arbeidsgehandicapten genoemd onder a t/m c zijn relatief eenvoudig te
indiceren, omdat dit gebeurt op grond van objectieve criteria. In artikel
3, derde lid, Wet REA is bepaald, dat de vaststelling of een persoon waarvoor
de Arbeidsvoorzieningsorganisatie op grond van artikel 13 Wet REA verantwoordelijk
is, arbeidsgehandicapte is, geschiedt door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie.
Voor de vaststelling zullen in een algemene maatregel van bestuur op grond
van artikel 2, zesde lid, van de Wet REA, nadere regels worden gesteld. Daarmee
gelden voor de Arbeidsvoorzieningsorganisatie dezelfde regels als voor het
Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) en de gemeenten. Het staat
de Arbeidsvoorzieningsorganisatie vrij te bepalen op welke wijze zij zich
laat adviseren bij die vaststelling. Samenwerking met de gemeenten en de uitvoeringsinstellingen
sociale verzekeringen (uvi's) ligt daarbij voor de hand. Dit zou kunnen worden
bewerkstelligd door naast het aanwenden van de bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
met de overkomst van het personeel van GAK Arbeidsintegratie al aanwezige
kennis, kennis bij een uvi, een arbodienst, of een gemeentelijke gezondheidsdienst
in te huren.  </al>
      <tuskop letat="vet">3. Voorzieningen voor arbeidsgehandicapten  </tuskop>
      <tuskop letat="cur">De voorzieningen </tuskop>
      <al>In artikel 4, tweede lid, onder a, van de wet wordt verwezen naar de voorzieningen
bedoeld in artikel 22 Wet REA. Deze worden aangeduid in artikel 2, eerste
lid, van dit besluit. Het betreft hier voorzieningen die noodzakelijk zijn
om de toegang tot het arbeidsproces te bevorderen. </al>
      <al>In artikel 4, tweede lid, onder b, van de wet gaat het om de voorzieningen,
die rechtstreeks aan de werknemer worden verstrekt bij het aangaan van een
dienstbetrekking. De Arbeidsvoorzieningsorganisatie verstrekt deze voorzieningen
gedurende één jaar. Daarna is het Lisv verantwoordelijk voor
het toekennen van die voorzieningen. Deze voorzieningen die in artikel 2,
tweede lid, van dit besluit worden genoemd zijn ontleend aan artikel 31 Wet
REA. Naar dit artikel wordt dan ook verwezen in genoemd artikelonderdeel in
de wet. </al>
      <al>De opsomming in het eerste en tweede lid van artikel 2 is gelijk aan die
in genoemde artikelen op grond van de Wet REA. Dit betekent, dat aan de arbeidsgehandicapten
naast vervoersvoorzieningen ook aanvullend leefvervoersvoorzieningen kunnen
worden verstrekt. De Arbeidsvoorzieningsorganisatie zal overigens alleen een
dergelijke leefvervoersvoorziening toekennen, indien die belanghebbende al
niet via de gemeente op grond van de Wet voorzieningen gehandicapten (WVG)
leefvervoersvoorzieningen toegekend heeft gekregen.  </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De werknemersvoorzieningen worden gedurende één jaar verstrekt.
Indien de arbeidsgehandicapte langer in dienstbetrekking werkzaam blijft,
neemt het Lisv het toekennen van deze voorzieningen over. De regeling in artikel
4 (op het punt van de persoonlijke ondersteuning) en artikel 5 (over de communicatievoorzieningen
voor doven) is daarom inhoudelijk gelijk aan die in het Reïntegratie-instrumentenbesluit
Wet REA (resp. artikel 11 en 12 van dat besluit). In dat besluit wordt de
omvang van de voorziening uitgedrukt in een percentage van het aantal te werken
uren per kalenderjaar. Dit percentage loopt af, maar is voor het eerste jaar
ten hoogste 15%. Vandaar, dat in dit besluit voor de voorziening, die slechts
voor één jaar door de Arbeidsvoorzienings-organisatie wordt
verstrekt, uitsluitend het percentage van 15% is opgenomen. Voor het Lisv
bestaat de mogelijkheid ingeval van bijzondere hardheid van dit percentage
af te wijken. Deze mogelijkheid is hier nu overgenomen (in het derde lid van
artikel 4 en het tweede lid van artikel 5). Omdat het Lisv na een jaar verantwoordelijk
wordt voor het toekennen van deze voorziening is geregeld, dat de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
de toepassing van deze hardheidsclausule aan het Lisv meldt. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>In het Reïntegratie-instrumentenbesluit Wet REA wordt aan deze voorzieningen
nader inhoud gegeven. Het betreft algemene vereisten, die ook zijn opgenomen
in dit besluit. Uitgangspunt daarbij is, dat de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
deze voorzieningen niet hoeft toe te kennen, wanneer het Lisv daartoe ook
niet gehouden is of het tot de taak van het Lisv of de gemeente behoort dit
te doen, zoals in artikel 2, derde lid, wordt bepaald.  </al>
      <tuskop letat="cur">Persoonsgebonden reïntegratiebudget </tuskop>
      <al>In artikel 33 van de Wet REA is de mogelijkheid opgenomen voor een experiment
met een persoonsgebonden reïntegratiebudget (PRB). Dit betekent, dat
aan de arbeidsge-handicapte met name met het oog op de reïntegratie naar
werk ter uitvoering van artikel 4, tweede lid, van de wet geen verschillende
voorzieningen worden verstrekt, maar een subsidiebedrag, dat de belanghebbende
naar eigen inzicht mag besteden aan verschil-lende reïntegratie-activiteiten.
Dit experiment zal ook mede uitgevoerd worden door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie.
In artikel 3 van dit besluit wordt de grondslag gecreëerd voor deze bijzondere
experimentele subsidieregeling, die door alle drie bij de uitvoering van de
Wet REA betrokken uitvoeringsinstanties zal worden uitgevoerd.  </al>
      <tuskop letat="cur">Uitvoering </tuskop>
      <al>Deze uitvoering is voor de Arbeidsvoorzieningsorganisatie nieuw. Echter
de Arbeidsvoorzieningsorganisatie heeft door de overkomst van de mensen van
GAK Arbeidsintegratie wel de deskundigheid in de organisatie gekregen, die
o.a. noodzakelijk is voor het toekennen van deze voorzieningen. Inhoudelijk
is hierbij immers sprake van voortzetting van het bestaande beleid.  </al>
      <tuskop letat="vet">4. Werkgeverssubsidies </tuskop>
      <al>De subsidies, die op grond van artikel 81a van de wet aan werkgevers worden
verstrekt, indien zij een arbeidsgehandicapte in dienst nemen zijn het plaatsingsbudget
of het pakket op maat. In artikel 7 wordt nader inhoud gegeven aan het plaatsingsbudget
conform de bepalingen in de Wet REA en artikel 8 bevat de regeling voor het
pakket op maat. </al>
      <al>Het betreft hier bepalingen over de hoogte van de subsidiebedragen en
de voorwaarden voor het verstrekken van de subsidie. </al>
      <al>In artikel 9 wordt geregeld, dat het Centraal Bestuur voor de Arbeidsvoorziening (CBA) voor de verdere gang van zaken bij de subsidieverstrekking
regels stelt.  </al>
      <tuskop letat="vet">Artikelsgewijs  </tuskop>
      <tuskop letat="cur">Artikel 2. Voorzieningen voor arbeidsgehandicapten </tuskop>
      <al>Het <nadruk type="cur">derde lid</nadruk> is opgenomen in verband met eventuele nadere
afstemming met de voorzieningen, die door het Lisv worden verstrekt. Het niet
verstrekken van «kruimelvoorzieningen» en de toets op het algemeen
gebruikelijk zijn van de voorziening is op gelijke wijze geregeld in het Reïntegratie-instrumentenbesluit
Wet REA. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De bepaling in het <nadruk type="cur">vierde lid</nadruk> over de <nadruk type="cur">leefvervoersvoorzieningen</nadruk> is ontleend aan het Reïntegratie-instrumentenbesluit Wet REA. </al>
      <al>Met de inwerkingtreding van de WVG, per 1 april 1994, is de verantwoordelijkheid
voor de verstrekking van leefvoorzieningen bij gemeenten komen te liggen.
Om evenwel te voorkomen dat een arbeidsgehandicapte (niet)-werknemer die beperkingen
ondervindt bij het verplaatsen buitenshuis bij twee verschillende loketten
een vervoersvoorziening zou moeten aanvragen, te weten de gemeente voor de
leefvervoersvoorziening en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie voor een voorziening
ten behoeve van het woon-werk/school-verkeer, is bepaald, dat de Arbeidsvoorzieningsorganisatie,
evenals het Lisv ook leefvervoersvoorzieningen toekent. Behalve dat betrokkenen
op deze wijze slechts met één loket worden geconfronteerd, kunnen
beide voorzieningen op deze wijze ook optimaal op elkaar worden afgestemd.
Een overweging bij de keuze voor het Lisv is geweest dat de beoordeling van
de werkcomponent van het vervoer, naar aard op het beleidsterrein van de uitvoeringsinstellingen
ligt en de uitvoeringsinstellingen daarnaast voor wat betreft de leefvervoersvoorzieningen,
in de aan de WVG voorafgaande jaren reeds de nodige kennis en ervaring hebben
opgebouwd. Nu de doelgroep, waarvoor de Arbeidsvoorzieningsorganisatie verantwoordelijk
is, ook niet direct in aanmerking zal komen voor voorzieningen van gemeenten,
en daarmee een koppeling met de uitvoering van de WVG niet aan de orde is,
ligt het voor de hand de Arbeidsvoorzienings-organisatie zoals het Lisv deze
voorzieningen te laten toekennen. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het in het <nadruk type="cur">vierde lid,</nadruk> opgenomen criterium is overgenomen
uit het Besluit AAW-voorzieningenverstrekking. In de WVG is een overeenkomstige
bepaling opgenomen. </al>
      <al>De verbinding die in de artikelen 22 en 31 van de Wet REA wordt gelegd
tussen de werk- en de leefvoorzieningen duidt er al op dat het bij de verstrekking
van leefvoor-zieningen, evenals bij de verstrekking van werkvoorzieningen,
zou moeten gaan om voorzieningen die de uit ziekte of gebrek voortvloeiende
beperkingen opheffen of verminderen. In het eerste lid van artikel 22 en 31
is immers aangegeven dat de werkvoorzieningen dienen te strekken tot behoud
of herstel van de arbeidsgeschiktheid of die arbeidsgeschiktheid dienen te
bevorderen. Om te voorkomen dat op dit punt eventueel toch nog misverstanden
zouden kunnen ontstaan, is in dit artikelonderdeel nog eens expliciet benadrukt
dat leefvervoersvoorzieningen uitsluitend kunnen worden verstrekt indien zij
de uit ziekte of gebrek voortvloeiende beperkingen opheffen of verminderen. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Met name de vervoersvoorzieningen behoeven niet te worden toegekend, indien
voorzieningen door de belanghebbende zelf kunnen worden gedragen gelet op
zijn inkomen. Het gaat dan om de vervoersvoorzieningen in de vorm van een
(bruikleen) auto, een kilometervergoeding of een taxikostenvergoeding.
In het <nadruk type="cur">vijfde lid</nadruk> is bepaald, dat bij ministeriële regeling
een inkomensgrens kan worden vastgesteld. Zo'n inkomensgrens zal niet van
toepassing zijn op specifieke vervoermiddelen voor gehandicapten zoals een
motorinvalidewagen en autoaanpassingen. Omdat het toepassen van dergelijke
inkomenscriteria door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie tot uitvoeringsproblemen
kan leiden, wordt deze mogelijkheid om bij de subsidieverstrekking rekening
te houden met het inkomen nu nog niet in dit besluit geregeld, maar kan deze
afhankelijk van de ervaringen in de praktijk later nader in een ministeriële
regeling worden ingevuld.  </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 3. Persoonsgebonden reïntegratiebudget </tuskop>
      <al>Over de wettelijke basis van deze subsidieregeling betreffende het persoonsgebonden
reïntegratiebudget kan nog het volgende worden opgemerkt. Artikel 4,
tweede lid, van de wet sluit niet uit, dat de daargenoemde voorziening ook
in de vorm van een PRB kan worden verstrekt. In geval van subsidieverstrekking
door de Arbeidsvoorzienings-organisatie zouden de subsidieregelingen, die
voor de Arbeidsvoorzieningsorganisatie gelden op grond van artikel 81 en 82
van de wet van toepassing zijn. In <nadruk type="cur">artikel 9, derde lid,</nadruk> van
dit besluit wordt echter bepaald, dat deze regelingen niet van toepassing
zijn. Daarmee wordt bereikt, dat artikel 4, tweede lid, van de wet de grondslag
voor de beschikkingen betreffende subsidieverstrekking is in combinatie met
de nadere regels bij of krachtens dit besluit. Op grond van artikel 93 van
de wet, zoals dit artikel gewijzigd is bij inwerkingtreding van de Wet REA,
staat tegen deze beschikkingen geen beroep open bij het College van Beroep
voor het bedrijfsleven, maar bij de rechtbank evenals tegen vergelijkbare
beschikkingen van het Lisv en de gemeenten.  </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 4. Persoonlijke ondersteuning </tuskop>
      <al>Bij de persoonlijke ondersteuning is met name het begeleidende aspect
van belang. De persoon die de arbeidsgehandicapte ondersteunt is meer dan
uitsluitend iemand die belemmeringen op de werkplek voor de arbeidsgehandicapte
wegneemt. Hij heeft ook een coachende, c.q. sturende functie voor de arbeidsgehandicapte.
De persoonlijke ondersteuning die op grond van artikel 4 kan worden toegekend
kan zowel worden uitgevoerd ten behoeve van mensen met een verstandelijke,
psychische of lichamelijke handicap. In alle gevallen moet het echter wel
gaan om persoonlijke ondersteuning die voldoet aan de criteria zoals deze
zijn neergelegd in het tweede lid van dit artikel. Dit betekent onder meer
dat een voorlezer van een persoon met een visuele handicap niet op grond van
dit artikel kan worden vergoed. In die situatie is er immers geen sprake van
een begeleiding zoals hiervoor omschreven. In zon geval zal de vergoeding
deel uitmaken van een aan de werkgever van de arbeidsgehandicapte te verstrekken
budget. </al>
      <al>Is voor de persoon met de visuele handicap echter een persoonlijke begeleiding
noodzakelijk waarbij het voorlezen een onderdeel daarvan vormt, dan is vergoeding
op grond van dit artikel wel aan de orde en maken de kosten van het voorlezen
onderdeel uit van de vergoeding voor persoonlijke ondersteuning. </al>
      <al>In het <nadruk type="cur">tweede lid,</nadruk> onderdeel c, is bepaald dat er uitsluitend
een vergoeding voor persoonlijke ondersteuning kan worden toegekend indien
deze wordt gegeven door een persoon die verbonden is aan een rechtspersoon
die tot doel heeft diensten te verlenen die kunnen worden aangemerkt als persoonlijke
ondersteuning als bedoeld in dit artikel bedoeld. In artikel 7 van de Wet
sociale werkvoorziening (WSW) wordt dezelfde eis gesteld aan de begeleidingsorganisatie.
In het Besluit arbeidsinpassing en begeleiding sociale werkvoorziening, dat
op dat artikel van de WSW is gebaseerd, wordt in artikel 6 geregeld,
dat de gemeente er op toe moet zien, dat de begeleidingsorganisatie een bepaalde
kwaliteit heeft. Deze kwaliteitseisen worden in het eerste lid van genoemd
artikel 6 nader aangeduid en zouden ook voor de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
een handvat kunnen bieden bij de toekenning van deze voorziening. Genoemd
worden: </al>
      <al>– de begeleidingsorganisatie vervult haar taak met inachtneming
van de wetenschap en die van de arbeids- en organisatiekunde en beschikt over
voldoende adequaat opgeleide deskundigen die de begeleiding op de werkplek
verzorgen; </al>
      <al>– de dienstverlening wordt uitgevoerd volgens een individueel begeleidingsplan
en wordt regelmatig geëvalueerd; </al>
      <al>– er dient zorg gedragen te worden voor de continuïteit van
de dienstverlening en klachten over de dienstverlening worden adequaat afgehandeld;
 </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 5. Communicatievoorzieningen voor doven </tuskop>
      <al>De communicatievoorzieningen voor doven op grond van dit artikel betreffen
het volgende. </al>
      <al>De verstrekking van communicatievoorzieningen aan dove werknemers is beperkt
tot de verstrekking van een dovengebarentolk, dovenschrijftolk of een notitiemaker.
Deze beperking volgt uit de in de Wet REA gekozen structuur om de vergoeding
voor voorzieningen die noodzakelijk zijn voor werknemers zoveel mogelijk aan
de werkgever te verstrekken en deze op te nemen in een aan de werkgever te
verstrekken plaatsingsbudget of pakket op maat. Slechts voor de voorzieningen
die zich gezien hun specifieke aard daarvoor minder lenen, waaronder de dovengebarentolk,
dovenschrijftolk, of de notitiemaker is een uitzondering gemaakt. Zo zullen
andere voorzieningen die voor doven op de werkplek noodzakelijk kunnen zijn,
zoals bijvoorbeeld een doventelefoon of een flitsbelsysteem, vergoed kunnen
worden aan de werkgever. </al>
      <al>Net als bij de persoonlijke ondersteuning kan een arbeidsgehandicapte
in aanmerking worden gebracht voor het «gebruik» van een tolk
of een «vergoeding» voor het gebruik daarvan. Deze keuzemogelijkheid
is opgenomen om de Arbeidsvoorzieningsorganisatie de mogelijkheid te geven
de toekenning van deze voorziening zo optimaal mogelijk te regelen. </al>
      <al>Tenslotte is in het <nadruk type="cur">eerste</nadruk> lid bepaald dat uitsluitend
een dovengebarentolk, een dovenschrijftolk of een notitiemaker beschikbaar
kunnen worden gesteld, indien deze is erkend door het Lisv. Hiermee is beoogd
te waarborgen dat in dit kader gebruik wordt gemaakt van kwalitatief goede
tolken en notitiemakers. Wat betreft de erkenning van de dovengebarentolken
bereidt het Lisv momenteel, in samenwerking met de bij de verstrekking van
de dovengebarentolken betrokken instanties, de oprichting van een stichting
voor die erkenning van dovengebarentolken tot taak zal krijgen. Het lijkt
waarschijnlijk dat het Lisv de tolken die door deze stichting zullen worden
erkend, bij de toepassing van dit besluit als erkende doventolken zal beschouwen. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zowel de dovenschrijftolk als de notitiemaker zijn relatief nieuwe voorzieningen.
Beide voorzieningen zijn onder meer tot ontwikkeling gekomen omdat zij in
sommige situaties geschikter zijn dan een dovengebarentolk. Een andere belangrijke
reden van het tot ontwikkeling komen van deze voorzieningen is het tot op
heden bestaande tekort aan tolken gebarentaal. Een dovenschrijftolk zet gesproken
taal met behulp van een velotype direct om in leesbare taal. De velotype is
een typemachine of tekstverwerker met een toetsenbord waarmee lettergrepen
kunnen worden aangeslagen waardoor het mogelijk is op spreeksnelheid te typen.
Deze vorm van dienstverlening is vooral van belang voor doven die de gebarentaal niet machtig zijn hetgeen veelal voorkomt bij personen
die op latere leeftijd doof zijn geworden. De notitiemaker is iemand die bij
een college notities maakt en is bedoeld voor doven die onderwijs volgen en
kan zonodig ook toepassing vinden op de werkplek, proefplaats of stageplek.
 </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 6. Overname vervoersvoorzieningen die geen subsidie
zijn </tuskop>
      <al>De voorzieningen van artikel 2 van dit besluit zullen veelal in natura
worden verstrekt. Dit artikel regelt voor de vervoersvoorzieningen de mogelijkheid
voor de belanghebbende om de component, die in natura wordt verstrekt over
te nemen, al dan niet tegen een vergoeding. Een voorziening zal worden beëindigd
indien één of meer feiten op grond waarvan de toekenning van
de voorziening is gebaseerd zich zodanig wijzigen dat er geen aanleiding meer
bestaat om de voorziening toe te kennen. Hiervan kan sprake zijn als iemand
vanwege het bereiken van de 65-jarige leeftijd ophoudt met werken en er geen
noodzaak meer bestaat voor bijvoorbeeld een vervoersvoorziening naar en van
het werk. Ook kan gedacht worden aan de situatie dat de arbeidsgehandicapte
op grond van toename van zijn inkomen niet meer voor een vervoersvoorziening
in aanmerking kan komen, omdat zijn inkomen boven de voor verstrekking van
vervoersvoorzieningen geldende inkomensgrens is komen te liggen. Daarnaast
valt te denken aan de overname van de voorziening door de echtgenoot of partner
na het overlijden van een arbeidsgehandicapte. Ook kan worden gedacht aan
de situatie dat een jongere zijn opleiding heeft afgerond en hij de voorzieningen
die hem ten behoeve van het kunnen volgen van de opleiding zijn toegekend,
niet meer nodig heeft. </al>
      <al>De voorzieningen die aan hem in eigendom zijn verstrekt zal hij gewoon
kunnen behouden. Het is evenwel ook mogelijk dat aan hem een voorziening in
bruikleen is verstrekt. Behalve dat op grond van de gewijzigde feiten het
bruikleencontract kan worden beëindigd kan de beëindiging ook zijn
oorzaak vinden in het verstrijken van de looptijd van het tussen de arbeidsgehandicapte
en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie afgesloten bruikleencontract, betreffende
verstrekking van de desbetreffende voorziening. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Indien de Arbeidsvoorzieningsorganisatie geen reden aanwezig acht om de
voorziening terug te nemen kan de voorziening al dan niet tegen een vergoeding
aan de betrokkene in eigendom worden verstrekt. Of er al dan niet een vergoeding
moet worden betaald zal onder meer afhankelijk zijn van de resterende marktprijs
van de desbetreffende voorziening. </al>
      <al>In het <nadruk type="cur">eerste lid</nadruk> is bepaald dat de vergoeding die de betrokkene
voor de voorziening moet betalen nooit hoger kan zijn dan de waarde die een
dergelijke voorziening op dat moment in het maatschappelijk verkeer heeft. </al>
      <al>In het <nadruk type="cur">tweede lid</nadruk> is voorts bepaald dat indien de voorziening
als bedoeld in het eerste lid een vervoermiddel betreft, bij het bepalen van
de marktprijs moet worden uitgegaan van de voorziening zonder specifieke aanpassingen. </al>
      <al>Als er redelijkerwijs geen vergelijkbaar niet-aangepast vervoermiddel
is te duiden zal de feitelijke marktwaarde van het specifieke vervoermiddel
als zodanig uitgangspunt moeten zijn bij de bepaling van de overnameprijs. </al>
      <al>Hoewel het onderhavige artikellid betrekking heeft op vervoermiddelen
in zn algemeenheid, zal dit artikel in de praktijk vooral van betekenis zijn
voor de overname van bruikleenautos. </al>
      <al>Onder een niet specifiek aangepaste auto wordt verstaan een auto inclusief
alle voorzieningen die normaal van fabriekswege geleverd worden, zoals automaat
en normale rem- en stuurbekrachtiging, maar exclusief de achteraf specifiek
voor de gehandicapte gebruiker aangepaste voorzieningen, zoals
bijvoorbeeld handgas. Met deze formulering wordt beoogd enerzijds de belanghebbende
een eenvoudig controleerbare referentie te geven aan de hand waarvan deze
kan nagaan of de prijs niet te hoog is. Aan de andere kant wordt zo voorkomen
dat de Arbeidsvoorzieningsorganisatie wordt belast met het bewijs dat de betreffende
individuele auto een bepaalde waarde op de markt zou hebben. </al>
      <al>Overigens kan het zo zijn dat ingrijpende aanpassingen de feitelijke marktwaarde
van de auto verlagen omdat deze aanpassingen verwijderd moeten worden en dit
zeer kostbaar kan zijn. Het wordt niet redelijk geacht dat Arbeidsvoorziening
in zo'n geval slechts een onevenredig lage prijs voor de auto zou mogen vragen.
Anderzijds hoeft dat evenwel niet te betekenen dat bij de prijsstelling geen
rekening zou mogen worden gehouden met het feit dat het vaak de meest economische
oplossing is om een vergaand aangepaste auto aan de belanghebbende over te
doen. Het gevolg daarvan kan zijn dat de prijs lager is dan een vergelijkbare
niet specifiek aangepaste auto op de markt zou hebben opgebracht. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Wat betreft voorzieningen niet zijnde vervoermiddelen – waarbij
het ook kan gaan om voorzieningen die op zich specifiek zijn – wordt
het aan de Arbeidsvoorzieningsorganisatie overgelaten nadere beleidsregels
te stellen over het vaststellen van de marktwaarde daarvan, waarbij het overigens
in de rede ligt dat dit beleid, voorzover dat gezien de aard van de voorziening
mogelijk is, min of meer overeen stemt met hetgeen geldt voor de overname
van vervoermiddelen.  </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 7. Werkgeverssubsidie in de vorm van plaatsingsbudget </tuskop>
      <al>Ter toelichting op de bepaling van de herziening in het <nadruk type="cur">vierde</nadruk> en <nadruk type="cur">vijfde lid</nadruk> kan nog het volgende worden gemeld. Het
totale plaatsingsbudget van f 24 000,– dient in drie jaartranches
van respectievelijk f 12 000,–, f 8 000,–
en f 4 000,– aan de werkgever te worden betaald, waarbij het
bedrag jaarlijks in één keer ter beschikking wordt gesteld. </al>
      <al>Indien de dienstbetrekking waarvoor een plaatsingsbudget is verstrekt,
binnen de subsidieperiode wordt beëindigd, dan dient de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
de verstrekte subsidie in te trekken of te wijzigen. De subsidie die in verband
met de voortijdige beëindiging van de dienstbetrekking onverschuldigd
is verleend, dient door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie van de werkgever
te worden teruggevorderd, tenzij deze aannemelijk kan maken dat de kosten
die hij heeft gemaakt ten behoeve van de arbeidsgehandicapte ten minste gelijk
zijn aan het bedrag van de verstrekte subsidie (het vierde lid). Indien de
kosten die de werkgever heeft gemaakt lager zijn dan het bedrag van de verstrekte
subsidie dient bij de wijziging de subsidie te worden verminderd. Dit is op
grond van het vijfde lid, alleen zo, indien het bedrag van de kosten van de
werkgever minder bedraagt dan het bedrag dat zou kunnen worden teruggevorderd.
Het vijfde lid regelt op welk bedrag de subsidie dan wordt vastgesteld. Dat
is de som van de oorspronkelijk verstrekte subsidie naar rato van het aantal
gewerkte dagen en de kosten die de werkgever voor de arbeidsgehandicapte werknemer
heeft gemaakt. De subsidie wordt alleen aldus gewijzigd, indien die som niet
meer bedraagt dan de oorspronkelijk verstrekte subsidie tot en met het jaar
waarin de werkzaamheden zijn beëindigd. Indien de werkzaamheden in het
tweede jaar worden beëindigd wordt bij het bepalen van de som uitgegaan
van de over het eerste jaar verleende subsidie plus de subsidie waarop de
werkgever in het tweede jaar voor het deel van het jaar, dat de werkzaamheden
plaatsvonden aanspraak kan maken. Maar ook in dat geval geldt uiteindelijk,
dat het terug te vorderen bedrag niet meer kan bedragen dan het bedrag van
de totale kosten van de werkgever.  </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het volgende voorbeeld dient ter verduidelijking. Indien een werkgever
aan wie een plaatsingsbudget voor een jaar is toegekend, na zeven maanden
de arbeidsgehandicapte werknemer ontslaat, dan wordt het bedrag van de verstrekte
subsidie (f 12 000,–) niet teruggevorderd, als hij aannemelijk
kan maken dat de kosten die hij heeft gemaakt ten minste f 12 000,–
bedragen. </al>
      <al>Als de kosten f 4 000,– bedragen dan wordt de gewijzigde
subsidie vastgesteld op f 11 000,–, namelijk f 7 000,–
(7/12 van f 12 000,–) plus f 4 000,– aan kosten,
en wordt dus een bedrag van f 1 000,–, teruggevorderd. Heeft
hij helemaal geen kosten gemaakt dan wordt een bedrag van f 5 000,–
teruggevorderd. </al>
      <al>Heeft hij meer dan f 5 000,– aan kosten, dan wordt het
bedrag van de f 12 000,– weer overschreden en vindt geen wijziging
van de subsidie en terugvordering plaats.  </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 8. Werkgeverssubsidie in de vorm van een pakket
op maat </tuskop>
      <al>Het verstrekken van de subsidie in de vorm van het pakket op maat is gerelateerd
aan de activiteiten en de werkelijke kosten. Daarvoor behoeft geen speciaal
herzieningsartikel te worden opgenomen. In het tweede lid is wel een bijzondere
bepaling opgenomen ingeval de werknemer 65 jaar wordt, maar zijn werkzaamheden,
waarvoor de aanpassingen noodzakelijk zijn nog wel voortzet. Omdat hij dan
op grond van de definitie in artikel 1, onderdeel k, van de wet niet meer
in dienstbetrekking werkt (er is geen sprake meer van verzekering op grond
van de WAO), zou hij ook geen aanspraak meer kunnen maken op een voorziening
die gekoppeld in aan het werken in dienstbetrekking. Vandaar dat in dit artikellid
is bepaald, dat de voorziening in de vorm van een pakket op maat wordt voortgezet.
Een vergelijkbare bepaling over het voortzetten van voorzieningen bij het
bereiken van de 65-jarige leeftijd is niet opgenomen voor de arbeidsgehandicapte
werknemer als bedoeld in artikel 2, omdat de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
maar gedurende één jaar deze voorzieningen toekent en het niet
waarschijnlijk is, dat die worden toegekend aan een werkzoekende, die bijna
65 jaar is.  </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 9. Regels CBA </tuskop>
      <al>In de regels van het CBA kan nader geregeld worden of een maximumgrens
aan de subsidie in de vorm van een pakket op maat wordt gesteld. Voor de inhoud
van deze specifieke bepaling kan aangesloten worden bij de regeling in het
Reïntegratie-instrumentenbesluit Wet REA. Het CBA heeft op dit punt echter
ook nadere beleidsruimte. Voorts regelt die CBA-regeling de uitvoering door
de Algemene Directie en al dan niet in mandaat door de Regionale Besturen.
Naast de bijzondere regeling van het vierde en vijfde lid van artikel 7 is
voor het overige titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing
op wijzigen en intrekking van de subsidie en terugvorderen van onverschuldigd
betaalde subsidiebedragen. Evenals in de wet is bepaald voor andere CBA-regels,
wordt hier geregeld, dat de CBA-regels in de Staatscourant worden gepubliceerd
(het <nadruk type="cur">tweede</nadruk> lid). </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Bij de uitwerking van de taakverdeling tussen Regionale Besturen en het
CBA dient bedacht te worden, dat op grond van artikel 93 van de wet, tegen
de besluiten betreffende toekenning van voorzieningen en de werkgeverssubsidies,
door een belanghebbende beroep kan worden ingesteld bij de rechtbank en niet
bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven, zoals in het algemeen voor
besluiten op grond van de wet is bepaald. Dit is zo geregeld om er voor te
zorgen, dat eenzelfde rechterlijke college over de besluiten van de verschillende
bestuursorganen, die gebaseerd zijn op gelijkluidende artikelen, kan oordelen.   </al>
      <tuskop letat="cur">Artikelen 10 en 11. Overgangsbepaling en inwerkingtreding </tuskop>
      <al>In <nadruk type="cur">artikel 10</nadruk> is tot slot nog bepaald, dat de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
geen werkgeverssubsidie behoeft te verstrekken, indien de dienstbetrekking
met de arbeidsgehandicapte is aangegaan of aangevangen voor de datum van inwerkingtreding
van dit besluit, dat wil zeggen de datum waarop de bepaling van de Wet REA
waarin de uitvoering door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie is geregeld in
werking treedt (artikel 11).  </al>
      <minister>
        <minvan>De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, </minvan>
        <naam>A. P. W. Melkert </naam>
      </minister>
    </notatoe>
  </backm>
</staatsbl>