﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<!DOCTYPE staatsbl PUBLIC "-//SDU//DTD staatsblad xml 1.1//NL" "../../dtd/staatsbl-11.dtd"[]>
<staatsbl id="sb998.161" soort="wet" publtype="swet">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-1998-161/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel status="off">Staatsblad</titel>
    <subtitel>van het Koninkrijk der Nederlanden</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.4" conv="port1.2" markup="c1xa"></versie>
    <ordernr>STB4077 </ordernr>
    <stb>
      <jaargang jaar="1998">Jaargang 1998</jaargang>
      <stbjaar>1998 </stbjaar>
      <stbnr>161  </stbnr>
    </stb>
    <intitule>
      <soort>Wet</soort> van 26 februari 1998, houdende regelen inzake
medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen (Wet medisch-wetenschappelijk
onderzoek met mensen)</intitule>
    <aanhef>
      <wie>Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz. </wie>
      <consider>
        <al>Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: </al>
        <al>Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het, mede in verband met de
artikelen 10 en 11 van de Grondwet, wenselijk is regelen te stellen met betrekking
tot medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen;</al>
      </consider>
      <afkondig>Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden
en verstaan bij deze:</afkondig>
    </aanhef>
  </frontm>
  <body>
    <par>
      <kop>
        <nr>Paragraaf 1. </nr>
        <titel status="off">Algemene bepalingen  </titel>
      </kop>
      <art id="a1">
        <kop>
          <nr>Artikel 1 </nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1. </nr>
          <al>In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: </al>
          <al>a. Onze Minister: Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; </al>
          <al>b. wetenschappelijk onderzoek: medisch-wetenschappelijk onderzoek waarvan
deel uitmaakt het onderwerpen van personen aan handelingen of het opleggen
aan personen van een bepaalde gedragswijze; </al>
          <al>c. proefpersoon: de persoon, bedoeld onder b; </al>
          <al>d. onderzoeksprotocol: de volledige beschrijving van een voorgenomen wetenschappelijk
onderzoek; </al>
          <al>e. facilitaire instelling: instelling of bedrijf waar handelingen ter
uitvoering van een wetenschappelijk onderzoek plaatsvinden; </al>
          <al>f. degene die het wetenschappelijk onderzoek verricht: degene die de opdracht
heeft gegeven voor de organisatie of uitvoering van een wetenschappelijk onderzoek; </al>
          <al>g. degene die het wetenschappelijk onderzoek uitvoert: degene die belast
is met de feitelijke uitvoering van het onderzoek. Indien de feitelijke uitvoering
geschiedt door een werknemer of een andere hulppersoon, wordt degene die van
deze persoon gebruik maakt aangemerkt als degene die het onderzoek uitvoert. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2. </nr>
          <al>Het onderwerpen van personen aan handelingen en het opleggen aan personen
van een bepaalde gedragswijze uitsluitend ten behoeve van de hulpverlening
aan hen is onder het eerste lid, onder b, niet begrepen. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>3. </nr>
          <al>Deze wet is niet van toepassing op wetenschappelijk onderzoek voor het verrichten waarvan een vergunning is vereist op grond van de Wet
op het bevolkingsonderzoek (Stb. 1992, 611). </al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a2">
        <kop>
          <nr>Artikel 2 </nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1. </nr>
          <al>Wetenschappelijk onderzoek wordt verricht overeenkomstig een daartoe opgesteld
onderzoeksprotocol. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2. </nr>
          <al>Over dit onderzoeksprotocol moet een positief oordeel zijn verkregen: </al>
          <al>a. van een daartoe bevoegde krachtens artikel 16 erkende commissie, wanneer
onderdeel b, onder 2°, 3° en 4°, niet van toepassing is; </al>
          <al>b. van de centrale commissie, bedoeld in artikel 14 , wanneer het betreft: </al>
          <al>1°. een beslissing op een administratief beroep; </al>
          <al>2°. een wetenschappelijk onderzoek als bedoeld in de tweede volzin
van artikel 4 , eerste lid, dat niet aan de betrokken proefpersoon ten goede
kan komen en waarbij diens toestand opzettelijk wordt gewijzigd; </al>
          <al>3°. een wetenschappelijk onderzoek waarvan de beoordeling ingevolge
artikel 19 bij de centrale commissie berust; </al>
          <al>4°. overige bij algemene maatregel van bestuur aangewezen vormen van
wetenschappelijk onderzoek ten aanzien waarvan een schaarse deskundigheid
bestaat. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>3. </nr>
          <al>De beoordeling door de onderscheiden commissies geschiedt op de grondslag
van de paragrafen 2 en 3. </al>
        </lid>
      </art>
    </par>
    <par>
      <kop>
        <nr>Paragraaf 2. </nr>
        <titel status="off">Regels voor wetenschappelijk onderzoek met proefpersonen
 </titel>
      </kop>
      <art id="a3">
        <kop>
          <nr>Artikel 3 </nr>
        </kop>
        <al>Een commissie kan slechts een positief oordeel over een onderzoeksprotocol
geven, indien: </al>
        <al>a. redelijkerwijs aannemelijk is dat het wetenschappelijk onderzoek tot
de vaststelling van nieuwe inzichten op het gebied van de geneeskunst zal
leiden; </al>
        <al>b. redelijkerwijs aannemelijk is dat de vaststelling, bedoeld onder a,
niet door andere vormen of methoden van wetenschappelijk onderzoek dan wetenschappelijk
onderzoek met proefpersonen of door het verrichten van onderzoek van minder
ingrijpende aard kan geschieden; </al>
        <al>c. redelijkerwijs aannemelijk is dat het met het onderzoek te dienen belang
in evenredige verhouding staat tot de bezwaren en het risico voor de proefpersoon; </al>
        <al>d. het onderzoek voldoet aan de eisen van een juiste methodologie van
wetenschappelijk onderzoek; </al>
        <al>e. het onderzoek wordt uitgevoerd door of onder leiding van personen die
deskundig zijn op het gebied van wetenschappelijk onderzoek en waarvan er
ten minste één deskundig is op het gebied van de verrichtingen
die ter uitvoering van het onderzoek ten aanzien van de proefpersoon plaatsvinden; </al>
        <al>f. redelijkerwijs aannemelijk is dat aan de proefpersoon te betalen vergoedingen
niet in onevenredige mate van invloed zijn op het geven van toestemming voor
deelneming aan het onderzoek; </al>
        <al>g. in het onderzoeksprotocol duidelijk is aangegeven in hoeverre het wetenschappelijk
onderzoek aan de betrokken proefpersoon ten goede kan komen; </al>
        <al>h. het onderzoek ook overigens voldoet aan redelijkerwijs daaraan te stellen
eisen.  </al>
      </art>
      <art id="a4">
        <kop>
          <nr>Artikel 4 </nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1. </nr>
          <al>Het is verboden wetenschappelijk onderzoek te verrichten met proefpersonen
die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt of die niet in staat
zijn tot een redelijke waardering van hun belangen ter zake. Dit verbod is
niet van toepassing op wetenschappelijk onderzoek dat mede aan de betrokken
proefpersonen zelf ten goede kan komen en op wetenschappelijk onderzoek dat
niet dan met medewerking van proefpersonen uit de categorie waartoe de proefpersoon
behoort, kan worden verricht en waarvan voor hen de risico's verwaarloosbaar
en de bezwaren minimaal zijn. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2. </nr>
          <al>Indien de betrokken proefpersoon zich bij een in het eerste lid, tweede
volzin, bedoeld wetenschappelijk onderzoek verzet tegen een handeling waaraan
hij wordt onderworpen of tegen een aan hem opgelegde gedragswijze, vindt het
onderzoek niet plaats met die proefpersoon. </al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a5">
        <kop>
          <nr>Artikel 5 </nr>
        </kop>
        <al>Het is verboden wetenschappelijk onderzoek te verrichten met proefpersonen
van wie redelijkerwijs moet worden aangenomen dat zij gezien de feitelijke
of juridische verhouding tot degene die het onderzoek verricht of uitvoert
of degene die de proefpersonen werft, niet in vrijheid over deelneming daaraan
kunnen beslissen. Dit verbod is niet van toepassing op wetenschappelijk onderzoek
dat mede aan de betrokken proefpersonen zelf ten goede kan komen en op wetenschappelijk
onderzoek dat niet dan met medewerking van proefpersonen uit de categorie
waartoe de proefpersoon behoort, kan worden verricht. </al>
      </art>
      <art id="a6">
        <kop>
          <nr>Artikel 6 </nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1. </nr>
          <al>Het is verboden wetenschappelijk onderzoek te verrichten: </al>
          <al>a. indien de proefpersoon meerderjarig is, en onderdeel c niet van toepassing
is: zonder de schriftelijke toestemming van de betrokkene; </al>
          <al>b. indien de proefpersoon minderjarig is doch de leeftijd van twaalf jaar
heeft bereikt en onderdeel c niet van toepassing is: zonder schriftelijke
toestemming van de betrokkene alsmede die van de ouders die het gezag uitoefenen
of van zijn voogd; </al>
          <al>c. indien de proefpersoon twaalf jaar of ouder is en niet in staat is
tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake: zonder de schriftelijke
toestemming van de ouders die het gezag uitoefenen of van de voogd dan wel
indien hij meerderjarig is, van de wettelijke vertegenwoordiger van de betrokkene
of, indien deze ontbreekt, van de persoon die daartoe door de betrokkene schriftelijk
is gemachtigd of, bij het ontbreken van zodanig persoon, van de echtgenoot
of andere levensgezel van de betrokkene; </al>
          <al>d. indien de proefpersoon de leeftijd van twaalf jaar nog niet heeft bereikt:
zonder de schriftelijke toestemming van de ouders die het gezag uitoefenen
of van zijn voogd. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2. </nr>
          <al>Indien het wetenschappelijk onderzoek alleen kan worden uitgevoerd in
noodsituaties waarin de ingevolge het eerste lid vereiste toestemming niet
kan worden gegeven, en ten goede kan komen aan de persoon die in die noodsituatie
verkeert, kunnen handelingen ter uitvoering ervan plaatsvinden zonder die
toestemming zolang de omstandigheid die de verhindering van het geven van
toestemming vormt, zich voordoet. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>3. </nr>
          <al>Alvorens toestemming wordt gevraagd, draagt degene die het onderzoek uitvoert
er zorg voor dat de persoon wiens toestemming is vereist, schriftelijk wordt
ingelicht over: </al>
          <al>a. het doel, de aard en de duur van het onderzoek; </al>
          <al>b. de risico's die het onderzoek voor de gezondheid van de proefpersoon
met zich zou brengen;  </al>
          <al>c. de risico's die het tussentijds beëindigen van het onderzoek voor
de gezondheid van de proefpersoon met zich zou brengen; </al>
          <al>d. de bezwaren die het onderzoek voor de proefpersoon met zich zou kunnen
brengen. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>4. </nr>
          <al>De inlichtingen worden op zodanige wijze verstrekt dat redelijkerwijs
zeker is dat de betrokkene deze naar haar inhoud heeft begrepen. Hij krijgt
een zodanige bedenktijd dat hij op grond van deze inlichtingen een zorgvuldig
overwogen beslissing omtrent de gevraagde toestemming kan geven. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>5. </nr>
          <al>Degene die het wetenschappelijk onderzoek uitvoert, draagt ervoor zorg
dat proefpersonen die de leeftijd van twaalf jaar nog niet hebben bereikt
of die niet in staat zijn tot een redelijke waardering van hun belangen ter
zake, over het onderzoek worden ingelicht op een wijze die past bij hun bevattingsvermogen. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>6. </nr>
          <al>De wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan het bepaalde in dit artikel
wordt vastgelegd in het onderzoeksprotocol. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>7. </nr>
          <al>De proefpersoon dan wel, indien deze ingevolge dit artikel niet bevoegd
is tot het geven van toestemming, degene die daartoe in zijn plaats bevoegd
is, kan de toestemming te allen tijde, zonder opgaaf van redenen, intrekken.
Hij is ter zake van de intrekking geen schadevergoeding verschuldigd. </al>
        </lid>
      </art>
    </par>
    <par>
      <kop>
        <nr>Paragraaf 3. </nr>
        <titel status="off">Aansprakelijkheid en verzekering  </titel>
      </kop>
      <art id="a7">
        <kop>
          <nr>Artikel 7 </nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1. </nr>
          <al>Het wetenschappelijk onderzoek wordt slechts verricht indien op het tijdstip
waarop het onderzoek aanvangt, een verzekering is gesloten die de door het
onderzoek veroorzaakte schade door dood of letsel van de proefpersoon dekt.
De verzekering behoeft niet te dekken de schade waarvan op grond van de aard
van het onderzoek zeker of nagenoeg zeker was dat deze zich zou voordoen. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2. </nr>
          <al>Op de verplichting van de verzekeraar tot vergoeding van de schade als
bedoeld in het eerste lid is afdeling 10 van titel 1 van Boek 6 van het Burgerlijk
Wetboek van overeenkomstige toepassing, voor zover de strekking van de betrokken
bepalingen in verband met de aard van de verplichting zich daartegen niet
verzet. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>3. </nr>
          <al>Bij algemene maatregel van bestuur worden ter zake van de verzekering
nadere regelen gesteld. Deze regelen kunnen ook afwijkingen bevatten van het
bepaalde in het eerste en tweede lid. De algemene maatregel van bestuur treedt
niet eerder in werking dan acht weken na de datum van uitgifte van het Staatsblad,
waarin hij is geplaatst. Van de plaatsing wordt onverwijld mededeling gedaan
aan de beide kamers der Staten-Generaal. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>4. </nr>
          <al>De wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan het eerste lid wordt vastgelegd
in het onderzoeksprotocol. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>5. </nr>
          <al>Is degene die het wetenschappelijk onderzoek uitvoert aansprakelijk voor
de schade door dood of letsel van de proefpersoon, dan is mede aansprakelijk
degene die het wetenschappelijk onderzoek verricht. Voor zover ter uitvoering
van een wetenschappelijk onderzoek verrichtingen plaatsvinden in een facilitaire
instelling, rust deze aansprakelijkheid, ook indien het onderzoek niet door
die instelling wordt verricht of uitgevoerd, mede op die instelling. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>6. </nr>
          <al>Het eerste lid is niet van toepassing ter zake van het verrichten van
wetenschappelijk onderzoek door diensten, instellingen of bedrijven van de
rijksoverheid die door Onze Minister zijn aangewezen. De benadeelde heeft
jegens een dienst, instelling of bedrijf van de rijksoverheid die geen verzekering
als bedoeld in het eerste lid heeft gesloten de rechten welke hij overeenkomstig
dit artikel anders tegenover de verzekeraar zou hebben.  </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>7. </nr>
          <al>De aansprakelijkheid van de uitvoerder of, in het geval bedoeld in het
vijfde lid, van degene die het wetenschappelijk onderzoek verricht of van
de facilitaire instelling, kan niet worden beperkt of uitgesloten. </al>
        </lid>
      </art>
    </par>
    <par>
      <kop>
        <nr>Paragraaf 4. </nr>
        <titel status="off">Verplichtingen van degene die het wetenschappelijk onderzoek
verricht  </titel>
      </kop>
      <art id="a8">
        <kop>
          <nr>Artikel 8 </nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1. </nr>
          <al>De verplichting zorg te dragen voor de nakoming van de artikelen 2, eerste
en tweede lid, en 7 rust op degene die het wetenschappelijk onderzoek verricht. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2. </nr>
          <al>De verplichting zorg te dragen voor de nakoming van artikel 2, eerste
en tweede lid, rust in het geval bedoeld in artikel 7, vijfde lid, tweede
volzin, mede op de facilitaire instelling. </al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a9">
        <kop>
          <nr>Artikel 9 </nr>
        </kop>
        <al>Degene die het wetenschappelijk onderzoek verricht, draagt er zorg voor
dat de proefpersoon zich voor inlichtingen en advies betreffende het onderzoek
kan wenden tot een in het onderzoeksprotocol aan te wijzen arts die niet bij
de uitvoering van het onderzoek is betrokken. </al>
      </art>
    </par>
    <par>
      <kop>
        <nr>Paragraaf 5. </nr>
        <titel status="off">Verdere verplichtingen van degene die het wetenschappelijk
onderzoek uitvoert  </titel>
      </kop>
      <art id="a10">
        <kop>
          <nr>Artikel 10 </nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1. </nr>
          <al>Indien het wetenschappelijk onderzoek een verloop neemt dat in noemenswaardige
mate voor de proefpersoon ongunstiger is dan in het onderzoeksprotocol is
voorzien, doet degene die het onderzoek uitvoert, daarvan terstond mededeling
aan de proefpersoon, dan wel indien deze ingevolge deze wet niet bevoegd was
tot het geven van toestemming, aan degene die daartoe in zijn plaats bevoegd
was en aan de commissie die ingevolge artikel 2 als laatste haar oordeel heeft
gegeven, met een verzoek om een nader oordeel. Tot het tijdstip waarop een
nader positief oordeel wordt gegeven, wordt de uitvoering van het onderzoek
opgeschort, tenzij de gezondheid van de proefpersoon opschorting of beëindiging
niet toelaat. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2. </nr>
          <al>Degene die het wetenschappelijk onderzoek uitvoert, doet onder opgave
van de redenen aan de in het eerste lid bedoelde commissie eveneens mededeling
van de voortijdige beëindiging van een onderzoek. </al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a11">
        <kop>
          <nr>Artikel 11 </nr>
        </kop>
        <al>Degene die het wetenschappelijk onderzoek uitvoert, draagt er zorg voor
dat de proefpersoon tijdig wordt ingelicht over het bepaalde in de artikelen
6, vierde lid, tweede volzin, en zevende lid, 7, 9, 10 en 12 en over het verloop
van het onderzoek. De verstrekte inlichtingen worden desgevraagd aangevuld.
Gelijke verplichting geldt ten opzichte van de andere personen van wie op
grond van artikel 6 de toestemming is vereist. </al>
      </art>
      <art id="a12">
        <kop>
          <nr>Artikel 12 </nr>
        </kop>
        <al>Degene die het wetenschappelijk onderzoek uitvoert draagt er zorg voor
dat de persoonlijke levenssfeer van de proefpersoon zoveel mogelijk wordt
beschermd.  </al>
      </art>
      <art id="a13">
        <kop>
          <nr>Artikel 13 </nr>
        </kop>
        <al>Degene die het wetenschappelijk onderzoek uitvoert draagt er zorg voor
dat, alvorens de uitvoering van een onderzoek een aanvang neemt, degenen wier
beroepsmatige medewerking nodig is bij de uitvoering van het onderzoek, over
de aard en het doel van het onderzoek zijn ingelicht. </al>
      </art>
    </par>
    <par>
      <kop>
        <nr>Paragraaf 6. </nr>
        <titel status="off">De commissies  </titel>
      </kop>
      <art id="a14">
        <kop>
          <nr>Artikel 14 </nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1. </nr>
          <al>Er is een centrale commissie voor medisch-wetenschappelijk onderzoek.
Zij heeft ten hoogste dertien leden. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2. </nr>
          <al>De centrale commissie bestaat in elk geval uit een of meer artsen, en
uit personen die deskundig zijn op het gebied van de farmacologie, de verpleegkunde,
de gedragswetenschappen, de rechtswetenschap, de methodologie van wetenschappelijk
onderzoek en de ethiek, alsmede een persoon die het wetenschappelijk onderzoek
specifiek beoordeelt vanuit de invalshoek van de proefpersoon. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>3. </nr>
          <al>Voor elk lid wordt een plaatsvervangend lid benoemd. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>4. </nr>
          <al>De leden, waaronder de voorzitter, en de plaatsvervangende leden van de
centrale commissie worden bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister,
voor ten hoogste vier jaar benoemd. Onze Minister wijst een persoon aan die
als waarnemer de vergaderingen van de commissie kan bijwonen. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>5. </nr>
          <al>De centrale commissie wijst uit haar midden een of meer plaatsvervangers
voor de voorzitter aan. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>6. </nr>
          <al>Herbenoeming van de leden en de plaatsvervangende leden kan tweemaal en
telkens voor ten hoogste vier jaar plaatsvinden. Op hun verzoek wordt hun
bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister, tussentijds ontslag
verleend. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>7. </nr>
          <al>De leden en de plaatsvervangende leden kunnen anders dan op eigen verzoek
tussentijds bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister, worden
ontslagen: </al>
          <al>a. indien zij de verplichtingen die voor hen voortvloeien uit het lidmaatschap
van de centrale commissie, onvoldoende nakomen; </al>
          <al>b. indien zij wegens hun lichamelijke of geestelijke toestand moeten worden
geacht de geschiktheid voor het vervullen van hun functie te hebben verloren. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>8. </nr>
          <al>De leden en de plaatsvervangende leden ontvangen een vacatiegeld alsmede
een vergoeding van reis- en verblijfkosten, een en ander overeenkomstig bij
algemene maatregel van bestuur te stellen regels. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>9. </nr>
          <al>De centrale commissie regelt haar werkwijze bij een reglement dat de goedkeuring
van Onze Minister behoeft. </al>
          <al>Wijzigingen in het reglement behoeven eveneens de goedkeuring van Onze
Minister. Een goedkeuring kan slechts worden geweigerd, indien een goede uitvoering
van de werkzaamheden redelijkerwijs niet of niet langer is verzekerd. </al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a15">
        <kop>
          <nr>Artikel 15 </nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1. </nr>
          <al>De centrale commissie heeft een secretariaat, waarvan de ambtenaren door
Onze Minister, gehoord de centrale commissie, worden benoemd, geschorst en
ontslagen. Tot hoofd van het secretariaat wordt benoemd de secretaris van
de Gezondheidsraad. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2. </nr>
          <al>De ambtenaren van het secretariaat zijn voor de uitoefening van hun taak
uitsluitend verantwoording verschuldigd aan de centrale commissie.  </al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a16">
        <kop>
          <nr>Artikel 16 </nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1. </nr>
          <al>De centrale commissie kan commissies erkennen, die belast zijn met de
toetsing van onderzoeksprotocollen overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens
deze wet. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2. </nr>
          <al>Voor erkenning komt slechts in aanmerking een commissie: </al>
          <al>a. die in elk geval bestaat uit een of meer artsen en uit personen die
deskundig zijn op het gebied van de rechtswetenschap, de methodologie van
wetenschappelijk onderzoek en de ethiek, alsmede een persoon die het wetenschappelijk
onderzoek specifiek beoordeelt vanuit de invalshoek van de proefpersoon; </al>
          <al>b. in welker reglement genoegzaam is voorzien in medewerking door andere
deskundigen met het oog op de aard van de haar ter beoordeling voorgelegde
onderzoeksprotocollen; </al>
          <al>c. uit welker reglement blijkt voor welke kring zij werkzaam zal zijn; </al>
          <al>d. welker reglement voorziet in een behoorlijke regeling van haar werkwijze; </al>
          <al>e. waarvan redelijkerwijs aannemelijk is dat aan haar onderzoeksprotocollen
ter beoordeling zullen worden voorgelegd tot tenminste het door de centrale
commissie daartoe vastgestelde aantal. </al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a17">
        <kop>
          <nr>Artikel 17 </nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1. </nr>
          <al>De centrale commissie brengt een erkenning als bedoeld in artikel 16,
eerste lid, terstond ter kennis van Onze Minister. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2. </nr>
          <al>Van een erkenning als bedoeld in artikel 16, eerste lid, wordt door de
zorg van Onze Minister mededeling gedaan in de Staatscourant. </al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a18">
        <kop>
          <nr>Artikel 18 </nr>
        </kop>
        <al>Een krachtens artikel 16 erkende commissie doet van een wijziging van
haar reglement schriftelijk mededeling aan de centrale commissie. </al>
      </art>
      <art id="a19">
        <kop>
          <nr>Artikel 19 </nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1. </nr>
          <al>Binnen zes weken na de indiening van een protocol betreffende een wetenschappelijk
onderzoek als bedoeld in de tweede volzin van artikel 4, eerste lid, waarbij
de toestand van de proefpersoon niet opzettelijk wordt gewijzigd, kan de commissie
besluiten de beoordeling daarvan over te dragen aan de centrale commissie.
De commissie doet degene die het protocol heeft ingediend, mededeling van
de overdracht. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2. </nr>
          <al>De centrale commissie kan bepalen dat de beoordeling van protocollen betreffende
een door haar aangewezen vorm van wetenschappelijk onderzoek als bedoeld in
het eerste lid door haar geschiedt. </al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a20">
        <kop>
          <nr>Artikel 20 </nr>
        </kop>
        <al>Als vergoeding voor de met de beoordeling gemoeide kosten kan de commissie
aan degene die een onderzoeksprotocol ter beoordeling indient, een bedrag
in rekening brengen. </al>
      </art>
      <art id="a21">
        <kop>
          <nr>Artikel 21 </nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1. </nr>
          <al>Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de op grond
van artikel 16 erkende commissies nagaan of bij de maatregel aan te wijzen
vormen van wetenschappelijk onderzoek waarover de desbetreffende commissie
ingevolge artikel 2 haar oordeel heeft gegeven, een verloop nemen dat in noemenswaardige
mate voor de proefpersoon ongunstiger is dan in het onderzoeksprotocol is
voorzien. In dat geval kan de commissie een nader oordeel over het onderzoeksprotocol
geven.  </al>
          <al>De tweede volzin van artikel 10 , eerste lid, is van toepassing. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2. </nr>
          <al>Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld
betreffende de wijze waarop de commissies de in het eerste lid bedoelde taak
uitoefenen. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>3. </nr>
          <al>Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien
van de centrale commissie, voor zover deze ingevolge artikel 2, tweede lid,
onderdeel b, onder 2°, 3° en 4°, is belast met de beoordeling
van onderzoeksprotocollen. </al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a22">
        <kop>
          <nr>Artikel 22 </nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1. </nr>
          <al>De commissie zendt aan de centrale commissie afschrift van elk ingevolge
deze wet gegeven oordeel alsmede van het desbetreffende onderzoeksprotocol
of de hoofdzaken daarvan. Voorts doet de commissie bij de centrale commissie
melding van de in artikel 10, tweede lid, bedoelde mededelingen. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2. </nr>
          <al>De commissie brengt jaarlijks vóór 1 april verslag uit van
haar werkzaamheden in het afgelopen kalenderjaar. Dit verslag wordt gezonden
aan de centrale commissie en wordt overigens door de commissie, tegen betaling
der kosten, voor een ieder verkrijgbaar gesteld. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>3. </nr>
          <al>De commissie verleent aan de centrale commissie alle medewerking die voor
de vervulling van haar taak redelijkerwijs nodig is. </al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a23">
        <kop>
          <nr>Artikel 23 </nr>
        </kop>
        <al>Tegen een door een commissie gegeven oordeel kan een belanghebbende administratief
beroep instellen bij de centrale commissie. </al>
      </art>
      <art id="a24">
        <kop>
          <nr>Artikel 24 </nr>
        </kop>
        <al>De centrale commissie houdt toezicht op de werkzaamheden van de commissies.
Zij kan richtlijnen vaststellen ter zake van de door hen overeenkomstig deze
wet te verrichten werkzaamheden. Zodanige richtlijnen worden door de zorg
van Onze Minister bekend gemaakt in de Staatscourant. </al>
      </art>
      <art id="a25">
        <kop>
          <nr>Artikel 25 </nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1. </nr>
          <al>De centrale commissie trekt een aan een commissie verleende erkenning
in indien: </al>
          <al>a. de commissie niet langer voldoet aan een van de in artikel 16, tweede
lid, onder a tot en met d, met het oog op erkenning gestelde voorwaarden; </al>
          <al>b. de commissie de verplichtingen die voor haar voortvloeien uit deze
wet, onvoldoende nakomt; </al>
          <al>c. door een wijziging van het reglement van de commissie een goede uitoefening
van de werkzaamheden waarmee zij ingevolge deze wet is belast, redelijkerwijs
niet langer is verzekerd. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2. </nr>
          <al>De centrale commissie kan voorts een erkenning intrekken indien aan de
commissie over de laatste drie kalenderjaren een kleiner aantal onderzoeksprotocollen
ter beoordeling is voorgelegd dan het aantal, bedoeld in artikel 16, tweede
lid, onder e. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>3. </nr>
          <al>Een beslissing tot intrekking van een erkenning wordt niet genomen dan
nadat de commissie door de centrale commissie is gehoord. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>4. </nr>
          <al>Van de intrekking wordt schriftelijk mededeling gedaan aan de commissie.
Artikel 17, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.  </al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a26">
        <kop>
          <nr>Artikel 26 </nr>
        </kop>
        <al>Bij algemene maatregel van bestuur kunnen richtlijnen worden vastgesteld
ter zake van de uitoefening van de taak van de centrale commissie. </al>
      </art>
      <art id="a27">
        <kop>
          <nr>Artikel 27 </nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1. </nr>
          <al>De centrale commissie brengt jaarlijks vóór 1 april aan
Onze Minister verslag uit van haar werkzaamheden in het afgelopen kalenderjaar.
Dit verslag wordt door de centrale commissie, tegen betaling der kosten, voor
een ieder verkrijgbaar gesteld. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2. </nr>
          <al>Telkens binnen een periode van vier jaar brengt de centrale commissie
een rapport uit aan Onze Minister, waarin de taakvervulling van de centrale
commissie aan een onderzoek wordt onderworpen en voorstellen kunnen worden
gedaan voor gewenste veranderingen. Onze Minister zendt dit rapport aan de
Staten-Generaal. </al>
        </lid>
      </art>
    </par>
    <par>
      <kop>
        <nr>Paragraaf 7. </nr>
        <titel status="off">Verdere bepalingen  </titel>
      </kop>
      <art id="a28">
        <kop>
          <nr>Artikel 28 </nr>
        </kop>
        <al>Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze wet bepaalde
zijn belast de inspecteurs van de volksgezondheid die daartoe door Onze Minister
zijn aangewezen, en de onder hun bevelen werkzame ambtenaren van het staatstoezicht
op de volksgezondheid. </al>
      </art>
      <art id="a29">
        <kop>
          <nr>Artikel 29 </nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1. </nr>
          <al>De in artikel 28 bedoelde personen zijn bevoegd inlichtingen te verlangen
en inzage te vorderen van bescheiden en daarvan afschrift te nemen, een en
ander voor zover dit voor de vervulling van hun taak redelijkerwijs nodig
is. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2. </nr>
          <al>Ieder is verplicht aan de in artikel 28 bedoelde personen alle medewerking
te verlenen, welke voor de vervulling van hun taak redelijkerwijs nodig is. </al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a30">
        <kop>
          <nr>Artikel 30 </nr>
        </kop>
        <al>De toepassing van deze wet geschiedt met inachtneming van de voor de rijksdienst
geldende nationale en internationale voorschriften ter beveiliging van gegevens
waarvan geheimhouding door het belang van de Staat of van zijn bondgenoten
is geboden. </al>
      </art>
      <art id="a31">
        <kop>
          <nr>Artikel 31 </nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1. </nr>
          <al>Onverminderd de artikelen 7, eerste lid, en 8, eerste lid, van de Coördinatiewet
uitzonderingstoestanden kan, ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk
maken, bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President,
artikel 32 in werking worden gesteld. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2. </nr>
          <al>Wanneer het in het eerste lid bedoelde besluit is genomen, wordt onverwijld
een voorstel van wet aan de Tweede Kamer gezonden omtrent het voortduren van
de werking van de bij dat besluit in werking gestelde bepaling. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>3. </nr>
          <al>Wordt het voorstel van wet door de Staten-Generaal verworpen, dan wordt
bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, de bepaling
die ingevolge het eerste lid in werking is gesteld, onverwijld buiten werking
gesteld. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>4. </nr>
          <al>Bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, wordt de bepaling die ingevolge het eerste lid in werking is gesteld,
buiten werking gesteld, zodra de omstandigheden dit naar Ons oordeel toelaten. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>5. </nr>
          <al>Het besluit, bedoel in het eerste, derde en vierde lid, wordt op de daarin
te bepalen wijze bekendgemaakt. Het treedt in werking terstond na de bekendmaking. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>6. </nr>
          <al>Het besluit, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, wordt in ieder
geval geplaatst in het Staatsblad. </al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a32">
        <kop>
          <nr>Artikel 32 </nr>
        </kop>
        <al>Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Minister van Defensie,
de artikelen 16, tweede lid, onder a, en 25, eerste lid, onder a, buiten werking
stellen ten aanzien van commissies die belast zijn met de toetsing van wetenschappelijk
onderzoek naar bescherming tegen de omstandigheden waaraan militair personeel
bij operationele inzet kan worden blootgesteld, voor zover dit onderzoek wordt
verricht met proefpersonen die behoren tot het militair personeel. </al>
      </art>
    </par>
    <par>
      <kop>
        <nr>Paragraaf 8. </nr>
        <titel status="off">Strafbepalingen  </titel>
      </kop>
      <art id="a33">
        <kop>
          <nr>Artikel 33 </nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1. </nr>
          <al>Met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vierde
categorie wordt gestraft degene die al dan niet opzettelijk handelt in strijd
met een verbod, vervat in artikel 6, eerste lid. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2. </nr>
          <al>Met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de vierde categorie
wordt gestraft degene die handelt in strijd met de verplichting zorg te dragen
voor de nakoming van artikel 2, eerste lid of tweede lid, of 7 dan wel in
strijd met een verplichting, vervat in paragraaf 5, of met de verplichting
vervat in artikel 29. Met dezelfde straf wordt gestraft degene die handelt
in strijd met een verbod, vervat in de artikelen 4 en 5 en degene die wetenschappelijk
onderzoek uitvoert zonder een protocol waarover een positief oordeel is verkregen,
dan wel in strijd daarmee. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>3. </nr>
          <al>De in het eerste lid strafbaar gestelde feiten zijn misdrijven; de in
het tweede lid strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen. </al>
        </lid>
      </art>
    </par>
    <par>
      <kop>
        <nr>Paragraaf 9. </nr>
        <titel status="off">Slotbepalingen  </titel>
      </kop>
      <wart id="a34">
        <kop>
          <nr>Artikel 34 </nr>
        </kop>
        <al>Aan de bij de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden<eindref refid="e1"></eindref>
behorende lijsten A en B wordt, onder vervanging van de punt achter «artikel
41b» door een puntkomma, toegevoegd: van de Wet medisch-wetenschappelijk
onderzoek met mensen: artikel 32.. </al>
      </wart>
      <wart id="a35">
        <kop>
          <nr>Artikel 35 </nr>
        </kop>
        <al>Op het tijdstip van inwerkingtreding van de wet van 20 juni 1996 tot aanvulling
van de Algemene wet bestuursrecht (Derde tranche Algemene wet bestuursrecht)
worden de artikelen 28 en 29 vervangen door één artikel dat
luidt als volgt:  </al>
        <wlichaam>
          <art>
            <kop>
              <nr>Artikel 28 </nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1. </nr>
              <al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze
wet zijn belast de bij besluit van Onze Minister aangewezen ambtenaren van
het Staatstoezicht op de volksgezondheid.  </al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2. </nr>
              <al>Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan
door plaatsing in de Staatscourant. </al>
            </lid>
          </art>
        </wlichaam>
      </wart>
      <wart id="a36">
        <kop>
          <nr>Artikel 36 </nr>
        </kop>
        <al>Op het tijdstip van inwerkingtreding van de wet van 20 juni 1996 tot aanvulling
van de Algemene wet bestuursrecht (Derde tranche Algemene wet bestuursrecht)
vervalt in de eerste volzin van artikel 33, tweede lid, de zinsnede: , of
met de verplichting vervat in artikel 29. </al>
      </wart>
      <art id="a37">
        <kop>
          <nr>Artikel 37 </nr>
        </kop>
        <al>Onze Minister zendt binnen 4 jaar na de inwerkingtreding van deze wet,
en vervolgens telkens na 5 jaar, aan de Staten-Generaal een verslag over de
doeltreffendheid en effecten van deze wet in de praktijk. </al>
      </art>
      <art id="a38">
        <kop>
          <nr>Artikel 38 </nr>
        </kop>
        <al>De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit
te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan
verschillend kan worden gesteld. </al>
      </art>
      <art id="a39">
        <kop>
          <nr>Artikel 39 </nr>
        </kop>
        <al>Deze wet wordt aangehaald als: Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek
met mensen. </al>
      </art>
    </par>
  </body>
  <backm>
    <nawerk>
      <slotform>Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst
en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat,
aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.</slotform>
      <eindnoot id="e1">
        <al>Stb. 1996, 365, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 4 december 1997,
Stb. 645.</al>
      </eindnoot>
      <histnoot>
        <al>Zie voor de behandeling in de Staten-Generaal: </al>
        <al>Kamerstukken II 1991/92, 1992/93, 1993/94, 1995/96, 1996/97, <vetnr>22 588</vetnr> . </al>
        <al>Handelingen II 1996/97, blz. 7288–7315; 7317–7337; 7341–7354;
7405–7430; 1997/98, blz. 214–215. </al>
        <al>Kamerstukken I 1997/98, 22 588 (18, 18a, 18b, 18c). </al>
        <al>Handelingen I 1997/98, blz. 990–997; 1009–1017.</al>
      </histnoot>
      <ondertek>
        <ondplts>Gegeven te 's-Gravenhage, </ondplts>
        <onddatum>26 februari 1998 </onddatum>
        <koning>Beatrix  </koning>
        <minister>
          <minvan>De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, </minvan>
          <naam>E. Borst-Eilers  </naam>
        </minister>
        <minister>
          <minvan>De Minister van Justitie, </minvan>
          <naam>W. Sorgdrager </naam>
        </minister>
      </ondertek>
      <uitgifte>
        <uitgifte-regel>Uitgegeven de <nadruk type="cur">zesentwintigste</nadruk> maart 1998 </uitgifte-regel>
        <uitdag>zesentwintigste</uitdag>
        <uitmaand>maart</uitmaand>
        <uitjaar>1998 </uitjaar>
        <door>
          <minvan>De Minister van Justitie, </minvan>
          <naam>W. Sorgdrager </naam>
        </door>
      </uitgifte>
    </nawerk>
  </backm>
</staatsbl>