﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<!DOCTYPE staatsbl PUBLIC "-//SDU//DTD staatsblad xml 1.1//NL" "../../dtd/staatsbl-11.dtd"[]>
<staatsbl id="sb997.626" soort="kb" publtype="kobe">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-1997-626/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel status="off">Staatsblad</titel>
    <subtitel>van het Koninkrijk der Nederlanden</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.4" conv="port1.2" markup="c1xa"></versie>
    <ordernr>STB3658 </ordernr>
    <stb>
      <jaargang jaar="1997">Jaargang 1997</jaargang>
      <stbjaar>1997 </stbjaar>
      <stbnr>626  </stbnr>
    </stb>
    <intitule>
      <soort>Besluit</soort> van de Minister van Justitie van 8 december
1997, houdende plaatsing in het Staatsblad van de tekst van het Besluit tenders
industriële energiebesparing, zoals dit laatstelijk is gewijzigd bij
besluit van 19 november 1997, Stb. 618</intitule>
    <aanhef>
      <wie>De Minister van Justitie, </wie>
      <consider>
        <al>Gelet op artikel XVI van het besluit van 19 november 1997, Stb. 618, houdende
aanpassing van een aantal algemene maatregelen van bestuur aan de derde tranche
van de Algemene wet bestuursrecht (Ministerie van Economische Zaken);</al>
      </consider>
      <afkondig>Besluit:</afkondig>
    </aanhef>
  </frontm>
  <body>
    <besluit>
      <al>de tekst van het Besluit tenders industriële energiebesparing, zoals
dit laatstelijk is gewijzigd bij besluit van 19 november 1997, Stb. 618 in
het Staatsblad te plaatsen als bijlage bij deze beschikking. </al>
    </besluit>
  </body>
  <backm>
    <nawerk>
      <ondertek>
        <ondplts>'s-Gravenhage, </ondplts>
        <onddatum>8 december 1997  </onddatum>
        <minister>
          <minvan>De Minister van Justitie, </minvan>
          <naam>W. Sorgdrager </naam>
        </minister>
      </ondertek>
      <uitgifte>
        <uitgifte-regel>Uitgegeven de <nadruk type="cur">zestiende</nadruk> december 1997 </uitgifte-regel>
        <uitdag>zestiende</uitdag>
        <uitmaand>december</uitmaand>
        <uitjaar>1997 </uitjaar>
        <door>
          <minvan>De Minister van Justitie, </minvan>
          <naam>W. Sorgdrager </naam>
        </door>
      </uitgifte>
    </nawerk>
    <tekstpl>
      <kop>
        <titel status="off">TEKST VAN HET BESLUIT TENDERS INDUSTRIËLE ENERGIEBESPARING,
ZOALS GEWIJZIGD BIJ KONINKLIJK BESLUIT VAN 19 NOVEMBER 1997, HOUDENDE AANPASSING
VAN EEN AANTAL ALGEMENE MAATREGELEN VAN BESTUUR AAN DE DERDE TRANCHE VAN DE
ALGEMENE WET BESTUURSRECHT (MINISTERIE VAN ECONOMISCHE ZAKEN), STB. 618  </titel>
      </kop>
      <par>
        <kop>
          <nr>Paragraaf 1. </nr>
          <titel status="off">Algemene bepalingen  </titel>
        </kop>
        <art id="a1">
          <kop>
            <nr>Artikel 1 </nr>
          </kop>
          <al>In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: </al>
          <al>a. ondernemer: een natuurlijke persoon of rechtspersoon, niet zijnde een
rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld, die een onderneming
in stand houdt, niet zijnde een onderneming die bij regeling van Onze Minister
is uitgesloten; </al>
          <al>b. samenwerkingsverband: een geen rechtspersoonlijkheid bezittend verband
van ten minste twee, niet in een groep verbonden ondernemers; </al>
          <al>c. groep: een economische eenheid, waarin organisatorisch zijn verbonden: </al>
          <al>1°. een natuurlijke persoon of privaatrechtelijke rechtspersoon, die
direct of indirect: </al>
          <al>– meer dan de helft van het geplaatste kapitaal verschaft aan, </al>
          <al>– volledig aansprakelijk vennoot is van of </al>
          <al>– overwegende zeggenschap heeft over </al>
          <al>een of meer rechtspersonen of vennootschappen, en </al>
          <al>2°. laatstbedoelde rechtspersonen of vennootschappen; </al>
          <al>d. een brancheorganisatie: een privaatrechtelijke rechtspersoon met volledige
rechtsbevoegdheid, die blijkens zijn statuten als doel heeft de belangen te
behartigen van ondernemers die behoren tot een zelfde bedrijfstak, daaronder
niet begrepen de primaire landbouw en visserij, of een samenhangend deel daarvan,
en die niet bedrijfsmatig werkzaam is; </al>
          <al>e. project: een studie, een demonstratieproject of een marktintroductieproject; </al>
          <al>f. studie: een op praktische toepassing gerichte, systematisch opgezette
en afgeronde analyse en inschatting van zowel de technische als de economische
mogelijkheden om binnen een onderneming energie te besparen; </al>
          <al>g. demonstratieproject: een samenhangend geheel van activiteiten, die
een technisch en economisch risico inhouden, bestaande uit het treffen van
technische of beheersmatige voorzieningen, gericht op energiebesparing binnen
de onderneming van de aanvrager met behulp van: </al>
          <al>1°. voor Nederland nieuwe apparaten, systemen of technieken, of </al>
          <al>2°. een voor Nederland nieuwe toepassing van apparaten, systemen of
technieken; </al>
          <al>h. marktintroductieproject: een samenhangend geheel van in Nederland te
treffen technische of beheersmatige voorzieningen, gericht op energiebesparing
binnen de onderneming van de aanvrager met behulp van apparaten, systemen
of technieken die reeds eerder zijn gedemonstreerd maar die in Nederland nog
niet gebruikelijk zijn. </al>
        </art>
        <art id="a2">
          <kop>
            <nr>Artikel 2 </nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1. </nr>
            <al>Onze Minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan: </al>
            <al>a. een ondernemer die voor eigen rekening en risico een project uitvoert,
dat past in een programma of </al>
            <al>b. aan de deelnemers in een samenwerkingsverband die voor gezamenlijke
rekening en risico een zodanig project uitvoeren. </al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2. </nr>
            <al>Onze Minister stelt bij ministeriële regeling de programma's vast. Een programma bevat een beschrijving van activiteiten en soorten projecten,
gericht op energiebesparing en van bedrijfstakken waarin zij dienen te worden
uitgevoerd. </al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3. </nr>
            <al>Indien het project een studie betreft wordt ook subsidie verstrekt aan
een branche-organisatie. </al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>4. </nr>
            <al>Indien de aanvragers deelnemers in een samenwerkingsverband zijn wordt
de subsidie verstrekt aan de deelnemers gezamenlijk en betaald aan de deelnemer
die als indiener van de aanvraag om subsidie in de zin van dit besluit is
opgetreden. </al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>5. </nr>
            <al>Geen subsidie wordt verstrekt: </al>
            <al>a. indien de aanvrager voor de indiening van het project verplichtingen
heeft aangegaan; </al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a3">
          <kop>
            <nr>Artikel 3 </nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1. </nr>
            <al>De subsidie bedraagt: </al>
            <al>a. voor het uitvoeren van een studie: 50 procent van de projectkosten
en ten hoogste f 150 000,00; </al>
            <al>b. voor het uitvoeren van een demonstratieproject: 30 procent van de projectkosten
en ten hoogste f 2 500 000,00 dan wel 20 procent van het voor
subsidieverleningen beschikbare bedrag, indien dit minder bedraagt dan f 2 500 000,00; </al>
            <al>c. voor het uitvoeren van een marktintroductieproject: 20 procent van
de projectkosten en ten hoogste f 2 500 000,00 dan wel 20 procent
van het voor subsidieverleningen beschikbare bedrag, indien dit minder bedraagt
dan f 2 500 000,00. </al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2. </nr>
            <al>Indien ter zake van de in het eerste lid bedoelde kosten onderscheidenlijk
een deel daarvan reeds door een ander bestuursorgaan of de Commissie van de
Europese Gemeenschappen subsidie is verstrekt, wordt slechts een zodanig bedrag
aan subsidie verstrekt, dat het totale bedrag aan subsidie niet meer bedraagt
dan het bedrag ingevolge het eerste lid. </al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a4">
          <kop>
            <nr>Artikel 4 </nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1. </nr>
            <al>Als projectkosten worden uitsluitend in aanmerking genomen: </al>
            <al>a. de volgende rechtstreeks aan het project toe te rekenen, door de subsidie-ontvanger
gemaakte en betaalde kosten: </al>
            <al>1°. de kosten van aanschaf van machines en apparatuur, exclusief winstopslagen
bij transacties binnen een groep; </al>
            <al>2°. loonkosten, met dien verstande dat wordt uitgegaan van een uurloon,
berekend op basis van het bruto jaarloon bij een volledige dienstbetrekking
volgens de kolommen 3, 4 en 13 van de loonstaat van het betrokken directe
personeel, exclusief volledig winstafhankelijke uitkeringen, verhoogd met
de wettelijke dan wel de op grond van een individuele of collectieve arbeidsovereenkomst
verschuldigde opslagen voor sociale lasten, en van 1600 productieve uren per
jaar; </al>
            <al>3°. kosten van verbruikte materialen en hulpmiddelen, gebaseerd op
historische aanschafprijzen, exclusief winstopslagen bij transacties binnen
een groep; </al>
            <al>4°. aan derden verschuldigde kosten terzake van door hen verleende
diensten, exclusief winstopslagen bij transacties binnen een groep; </al>
            <al>b. een opslag voor algemene kosten, groot 40 procent van de onder a, aanhef
en onder 2°, bedoelde loonkosten. </al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2. </nr>
            <al>Indien machines en apparatuur worden aangeschaft door middel van een lease-overeenkomst,
is het vereiste dat de projectkosten moet zijn betaald niet van toepassing
en wordt als kosten van aanschaf in aanmerking genomen de contante waarde
van de in totaal verschuldigde lease-termijnen, verdisconteerd op jaarbasis
tegen een bij regeling van Onze Minister vast te stellen percentage.  </al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3. </nr>
            <al>Indien de kosten van aanschaf van machines en apparatuur slechts gedeeltelijk
aan het project zijn toe te rekenen, is het vereiste dat de projectkosten
moeten zijn betaald niet van toepassing en wordt als projectkosten in aanmerking
genomen een evenredig deel van de kosten van afschrijving van de machines
en apparatuur, berekend op basis van de historische aanschafwaarde exclusief
winstopslagen bij transacties binnen een groep, een lineaire afschrijvingsmethode
en een levensduur van 5 jaar. </al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a5">
          <kop>
            <nr>Artikel 5 </nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1. </nr>
            <al>Er is een Adviescommissie industriële energiebesparing, die Onze
Minister op zijn verzoek van advies dient omtrent de aanvragen om subsidie
op grond van dit besluit. </al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2. </nr>
            <al>De commissie bestaat uit een voorzitter, tevens lid, en ten hoogste zes
andere leden. De leden zijn deskundig op het terrein waarop de commissie een
taak heeft en zijn geen ambtenaren, werkzaam bij het Ministerie van Economische
Zaken. </al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3. </nr>
            <al>De voorzitter en de leden worden door Onze Minister voor een termijn van
ten hoogste drie jaar benoemd. Zij zijn te allen tijde opnieuw benoembaar. </al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>4. </nr>
            <al>De commissie stelt haar eigen werkwijze vast. </al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>5. </nr>
            <al>Onze Minister kan waarnemers aanwijzen, die het recht hebben de vergaderingen
van de commissie bij te wonen. </al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>6. </nr>
            <al>In het secretariaat wordt door Onze Minister voorzien. </al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>7. </nr>
            <al>Het beheer van de bescheiden betreffende de werkzaamheden van de commissie
geschiedt op overeenkomstige wijze als bij het Ministerie van Economische
Zaken. De bescheiden worden na beëindiging van de werkzaamheden van de
commissie opgeborgen in het archief van dat ministerie. </al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>8. </nr>
            <al>De commissie verstrekt desgevraagd aan Onze Minister de voor de uitoefening
van zijn taak benodigde inlichtingen. Onze Minister kan inzage vorderen van
zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover dat voor de vervulling van zijn
taak redelijkerwijs nodig is. </al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>9. </nr>
            <al>De commissie stelt jaarlijks voor 1 april een verslag op van zijn werkzaamheden
in het afgelopen kalenderjaar. Op verzoek van Onze Minister, maar ten minste
elk vierde jaar, stelt de commissie tevens een evaluatieverslag op, waarin
zij aandacht besteedt aan de doelmatigheid en doeltreffendheid van haar taakvervulling.
Het jaarverslag en het evaluatieverslag worden aan Onze Minister toegezonden
en algemeen verkrijgbaar gesteld. </al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a6">
          <kop>
            <nr>Artikel 6 </nr>
          </kop>
          <al>Onze Minister stelt bij ministeriële regeling subsidieplafonds vast
voor het verlenen van subsidies op aanvragen die zijn ontvangen in een bepaalde
periode in het kader van een programma of onderdeel daarvan. Daarbij kan hij
afzonderlijke subsidieplafonds vaststellen met betrekking tot onderdelen van
een programma en met betrekking tot verschillende soorten projecten. </al>
        </art>
      </par>
      <par>
        <kop>
          <nr>Paragraaf 2. </nr>
          <titel status="off">Aanvraag en beslissing op de aanvraag  </titel>
        </kop>
        <art id="a7">
          <kop>
            <nr>Artikel 7 </nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1. </nr>
            <al>Onze Minister stelt bij ministeriële regeling de periode vast waarin
aanvragen om subsidie op grond van dit besluit met betrekking tot een programma
of een onderdeel daarvan moeten zijn ontvangen. </al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2. </nr>
            <al>Een aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van het origineel van een ondertekend formulier, dat door Onze Minister wordt vastgesteld.
Onze Minister kan bij ministeriële regeling hiervan vrijstelling verlenen. </al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3. </nr>
            <al>Indien de aanvraag een project betreft dat wordt uitgevoerd door een samenwerkingsverband,
dient een der deelnemers in het samenwerkingsverband de aanvraag namens de
andere deelnemers in. </al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a8">
          <kop>
            <nr>Artikel 8 </nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1. </nr>
            <al>Onze Minister wint omtrent een aanvraag advies in van de Adviescommissie
industriële energiebesparing. </al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2. </nr>
            <al>De commissie geeft aan Onze Minister in ieder geval een negatief advies: </al>
            <al>a. indien de aanvraag een studie betreft: indien zij de projectkosten
op minder dan f 25 000,00 raamt; </al>
            <al>b. indien de aanvraag een demonstratieproject of een marktintroductieproject
betreft: </al>
            <al>1°. indien zij de projectkosten op minder dan f 50 000,00
raamt; </al>
            <al>2°. indien het niet een zodanige energiekostenbesparing oplevert in
verhouding tot de geraamde projectkosten, dat het project rendabel is te achten; </al>
            <al>3°. indien het voor anderen geen toepassingsmogelijkheden biedt, welke
een zodanige energiekostenbesparing in verhouding tot de geraamde kosten op
kunnen leveren, dat zij rendabel zijn te achten; </al>
            <al>c. indien de aanvraag een demonstratieproject betreft: indien door het
project tezamen met mogelijke andere toepassingen in Nederland jaarlijks niet
ten minste per gulden geraamde kosten een energiebesparing kan worden gerealiseerd
van 3 kubieke meter aardgas of het energetisch equivalent daarvan; </al>
            <al>d. indien de aanvraag een marktintroductieproject betreft: indien door
het project tezamen met mogelijke andere toepassingen in Nederland jaarlijks
niet ten minste per gulden geraamde kosten een energiebesparing kan worden
gerealiseerd van 2,5 kubieke meter aardgas of het energetisch equivalent daarvan; </al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3. </nr>
            <al>Bij de berekening van de energiebesparing, bedoeld in het tweede lid,
onder c en d, worden de volgende equivalenten toegepast: </al>
            <al>a. 1 kWh elektriciteit komt overeen met 0,31 kubieke meter aardgas; </al>
            <al>b. 1000 liter huisbrandolie komt overeen met 1200 kubieke meter aardgas; </al>
            <al>c. 1 ton stookolie komt overeen met 1300 kubieke meter aardgas; </al>
            <al>d. 1 ton steenkool komt overeen met 925 kubieke meter aardgas. </al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>4. </nr>
            <al>De commissie rangschikt de aanvragen waaromtrent zij positief adviseert
zodanig, dat een project hoger gerangschikt wordt naar mate het meer perspectief
biedt op een grotere energiebesparing in Nederland. Daarbij wordt in geval
van een demonstratieproject of een marktintroductieproject de energiebesparing
in Nederland gerelateerd aan de projectkosten. </al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a9">
          <kop>
            <nr>Artikel 9 </nr>
          </kop>
          <al>Onze Minister geeft op de aanvraag een beschikking binnen dertien weken
na afloop van de in artikel 7, eerste lid, bedoelde periode. Indien de beschikking
niet binnen zestien weken kan worden gegeven, stelt Onze Minister de aanvrager
daarvan in kennis en noemt hij daarbij een redelijke termijn waarop de beschikking
wel tegemoet kan worden gezien. </al>
        </art>
        <art id="a10">
          <kop>
            <nr>Artikel 10 </nr>
          </kop>
          <al>Onze Minister beslist in ieder geval afwijzend op een aanvraag: </al>
          <al>a. indien de aanvraag niet voldoet aan dit besluit;  </al>
          <al>b. indien de Adviescommissie industriële energiebesparing een negatief
advies heeft uitgebracht. </al>
        </art>
        <art id="a11">
          <kop>
            <nr>Artikel 11 </nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1. </nr>
            <al>Onze Minister verdeelt het beschikbare bedrag in de volgorde van de rangschikking
van de aanvragen door de Adviescommissie industriële energiebesparing. </al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2. </nr>
            <al>Onze Minister kan afwijken van het eerste lid en van artikel 10, aanhef
en onder b, indien een advies van de commissie in strijd is met dit besluit
dan wel niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. </al>
          </lid>
        </art>
      </par>
      <par>
        <kop>
          <nr>Paragraaf 3. </nr>
          <titel status="off">Verplichtingen van de subsidie-ontvanger  </titel>
        </kop>
        <art id="a12">
          <kop>
            <nr>Artikel 12 </nr>
          </kop>
          <al>(vervallen) </al>
        </art>
        <art id="a13">
          <kop>
            <nr>Artikel 13 </nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1. </nr>
            <al>Op alle subsidie-ontvangers rusten de in de artikelen 14, 15 en 16 opgenomen
verplichtingen, met dien verstande dat de in artikel 15 opgenomen verplichtingen
slechts rusten op de subsidie-ontvanger die als indiener van de aanvraag om
subsidie in de zin van dit besluit is opgetreden. </al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2. </nr>
            <al>Onze Minister kan bij de subsidieverlening verplichtingen opleggen met
betrekking tot: </al>
            <al>a. het verlenen van medewerking aan een door Onze Minister of een door
Onze Minister aangewezen derde op te zetten en uit te voeren meet- of demonstratieprogramma; </al>
            <al>b. het zonder vergoeding geven van instemming met het door Onze Minister
of een door Onze Minister aangewezen derde geven van bekendheid aan uit het
project en het meet- of demonstratieprogramma voortgekomen gegevens; </al>
            <al>c. het zonder vergoeding aan Onze Minister of een door Onze Minister aangewezen
derde verstrekken van door Onze Minister gewenste, met het project verband
houdende informatie; </al>
            <al>d. de samenwerking met derden bij of in verband met de uitvoering van
het project. </al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a14">
          <kop>
            <nr>Artikel 14 </nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1. </nr>
            <al>De subsidie-ontvanger voert het project uit overeenkomstig het projectplan
waarop de subsidieverlening betrekking heeft en uiterlijk op het bij de subsidieverlening
bepaalde tijdstip, behoudens voorafgaande schriftelijke ontheffing van Onze
Minister voor het vertragen, het essentieel wijzigen of het stopzetten van
het project. </al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2. </nr>
            <al>De subsidie-ontvanger voert het project in Nederland uit, behoudens voorafgaande
schriftelijke ontheffing van Onze Minister voor gedeeltelijke uitvoering buiten
Nederland. </al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3. </nr>
            <al>Onze Minister kan aan een ontheffing als bedoeld in het eerste en tweede
lid voorschriften verbinden. </al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a15">
          <kop>
            <nr>Artikel 15 </nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1. </nr>
            <al>De subsidie-ontvanger dient zijn aanvraag om subsidievaststelling binnen
zes maanden na het tijdstip waarop het project ingevolge artikel 14, eerste
lid, moet zijn uitgevoerd bij Onze Minister in. </al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2. </nr>
            <al>De aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van het origineel van een
ondertekend formulier, dat door Onze Minister wordt vastgesteld. Onze Minister
kan bij ministeriële regeling hiervan vrijstelling verlenen.  </al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a16">
          <kop>
            <nr>Artikel 16 </nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1. </nr>
            <al>De subsidie-ontvanger voert een administratie die zodanig is ingericht,
dat daaruit te allen tijde op eenvoudige en duidelijke wijze alle projectkosten
kunnen worden afgelezen, gespecificeerd overeenkomstig de in artikel 4, eerste
lid, onderscheiden kostensoorten, met dien verstande dat ter zake van de loonkosten
een door middel van een sluitende tijdschrijving vastgestelde urenverantwoording
per werknemer aanwezig dient te zijn. </al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2. </nr>
            <al>De subsidie-ontvanger doet onverwijld nadat een verzoek tot verlening
van surseance van betaling aan of faillietverklaring van hem bij de rechtbank
is ingediend daarvan mededeling aan Onze Minister. </al>
          </lid>
        </art>
      </par>
      <par>
        <kop>
          <nr>Paragraaf 4. </nr>
          <titel status="off">Voorschotten  </titel>
        </kop>
        <art id="a17">
          <kop>
            <nr>Artikel 17 </nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1. </nr>
            <al>Op een subsidie ter zake waarvan een beschikking tot subsidieverlening
geldt, kan op aanvraag van de subsidie-ontvanger door Onze Minister eenmaal
per drie maanden een voorschot worden verstrekt. </al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2. </nr>
            <al>Een voorschot wordt berekend naar rato van de gemaakte en betaalde projectkosten,
voor zover deze nog niet eerder bij de verstrekking van een voorschot in aanmerking
zijn genomen. In totaal zal het bedrag aan voorschotten niet groter zijn dan
80 procent van het bij de subsidieverlening vermelde maximale subsidiebedrag. </al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3. </nr>
            <al>Bij de toepassing van het eerste en tweede lid wordt de opslag, bedoeld
in artikel 4, eerste lid, geacht gemaakt en betaald te zijn voor zover de
loonkosten waarover hij wordt berekend zijn gemaakt en betaald. </al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a18">
          <kop>
            <nr>Artikel 18 </nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1. </nr>
            <al>Een aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van het origineel van een
ondertekend formulier, dat door Onze Minister wordt vastgesteld. Onze Minister
kan bij ministeriële regeling hiervan vrijstelling verlenen. </al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2. </nr>
            <al>Indien de aanvraag een project betreft dat wordt uitgevoerd door een samenwerkingsverband,
dient de deelnemer in het samenwerkingsverband die als indiener van de aanvraag
om subsidie in de zin van dit besluit is opgetreden, de aanvraag mede namens
de andere deelnemers in en gaat de aanvraag, indien het een eerste voorschot
betreft, vergezeld van een verklaring van de indiener van de aanvraag waarin
hij zich aansprakelijk stelt voor terugbetaling van de subsidie, voor zover
de subsidie-ontvangers daartoe verplicht zijn, overeenkomstig hetgeen in het
formulier is vermeld. </al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a19">
          <kop>
            <nr>Artikel 19 </nr>
          </kop>
          <al>(vervallen) </al>
        </art>
        <art id="a20">
          <kop>
            <nr>Artikel 20 </nr>
          </kop>
          <al>Onze Minister kan in ieder geval afwijzend beschikken op een aanvraag,
indien de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan de ingevolge de subsidieverlening
voor hem geldende verplichtingen. </al>
        </art>
      </par>
      <par>
        <kop>
          <nr>Paragraaf 5. </nr>
          <titel status="off">Subsidievaststelling  </titel>
        </kop>
        <art id="a21">
          <kop>
            <nr>Artikel 21 </nr>
          </kop>
          <al>(vervallen) </al>
        </art>
        <art id="a22">
          <kop>
            <nr>Artikel 22 </nr>
          </kop>
          <al>Onze Minister geeft de beschikking tot subsidievaststelling binnen dertien
weken na ontvangst van de aanvraag dan wel nadat de voor het indienen
ervan geldende termijn is verstreken. Indien de beschikking niet binnen dertien
weken kan worden gegeven, stelt Onze Minister de betrokkene daarvan in kennis
en noemt hij daarbij een redelijke termijn waarop de beschikking wel tegemoet
kan worden gezien. </al>
        </art>
        <art id="a23">
          <kop>
            <nr>Artikel 23 </nr>
          </kop>
          <al>(vervallen) </al>
        </art>
      </par>
      <par>
        <kop>
          <nr>Paragraaf 6. </nr>
          <titel status="off">Overgangs- en slotbepalingen  </titel>
        </kop>
        <art id="a24">
          <kop>
            <nr>Artikel 24 </nr>
          </kop>
          <al>De Subsidieregeling tenders industriële energiebesparing 1992 wordt
ingetrokken, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op aanvragen
die zijn ingediend voor de inwerkingtreding van dit besluit. </al>
        </art>
        <art id="a25">
          <kop>
            <nr>Artikel 25 </nr>
          </kop>
          <al>Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte
van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. </al>
        </art>
        <art id="a26">
          <kop>
            <nr>Artikel 26 </nr>
          </kop>
          <al>Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit tenders industriële energiebesparing. </al>
        </art>
      </par>
    </tekstpl>
  </backm>
</staatsbl>