﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<!DOCTYPE staatsbl PUBLIC "-//SDU//DTD staatsblad xml 1.1//NL" "../../dtd/staatsbl-11.dtd"[]>
<staatsbl id="sb997.624" soort="kb" publtype="kobe">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-1997-624/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel status="off">Staatsblad</titel>
    <subtitel>van het Koninkrijk der Nederlanden</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.4" conv="port1.2" markup="c1xa"></versie>
    <ordernr>STB3676 </ordernr>
    <stb>
      <jaargang jaar="1997">Jaargang 1997</jaargang>
      <stbjaar>1997 </stbjaar>
      <stbnr>624  </stbnr>
    </stb>
    <intitule>
      <soort>Besluit</soort> van de Minister van Justitie van 8 december
1997, houdende plaatsing in het Staatsblad van de tekst van het Besluit subsidies
regionale investeringsprojecten, zoals dit laatstelijk is gewijzigd bij besluit
van 19 november 1997, Stb. 618</intitule>
    <aanhef>
      <wie>De Minister van Justitie, </wie>
      <consider>
        <al>Gelet op artikel XVI van het besluit van 19 november 1997, Stb. 618, houdende
aanpassing van een aantal algemene maatregelen van bestuur aan de derde tranche
van de Algemene wet bestuursrecht (Ministerie van Economische Zaken);</al>
      </consider>
      <afkondig>Besluit:</afkondig>
    </aanhef>
  </frontm>
  <body>
    <besluit>
      <al>de tekst van het Besluit subsidies regionale investeringsprojecten, zoals
dit laatstelijk is gewijzigd bij besluit van 19 november 1997, Stb. 618 in
het Staatsblad te plaatsen als bijlage bij deze beschikking. </al>
    </besluit>
  </body>
  <backm>
    <nawerk>
      <ondertek>
        <ondplts>'s-Gravenhage, </ondplts>
        <onddatum>8 december 1997  </onddatum>
        <minister>
          <minvan>De Minister van Justitie, </minvan>
          <naam>W. Sorgdrager </naam>
        </minister>
      </ondertek>
      <uitgifte>
        <uitgifte-regel>Uitgegeven de <nadruk type="cur">zestiende</nadruk> december 1997 </uitgifte-regel>
        <uitdag>zestiende</uitdag>
        <uitmaand>december</uitmaand>
        <uitjaar>1997 </uitjaar>
        <door>
          <minvan>De Minister van Justitie, </minvan>
          <naam>W. Sorgdrager</naam>
        </door>
      </uitgifte>
    </nawerk>
    <tekstpl>
      <kop>
        <titel status="off">TEKST VAN HET BESLUIT SUBSIDIES REGIONALE INVESTERINGSPROJECTEN
ZOALS GEWIJZIGD BIJ DE KONINKLIJKE BESLUITEN VAN 18 JANUARI 1994, HOUDENDE
WIJZIGING VAN HET KONINKLIJKE BESLUIT SUBSIDIES REGIONALE INVESTERINGSPROJECTEN,
STB. 59, VAN 15 DECEMBER 1994, HOUDENDE TWEEDE WIJZIGING VAN HET KONINKLIJK
BESLUIT SUBSIDIES REGIONALE INVESTERINGSPROJECTEN, STB. 214, VAN 25 NOVEMBER
1997, HOUDENDE DERDE WIJZIGING VAN HET BESLUIT SUBSIDIES REGIONALE INVESTERINGSPROJECTEN,
STB. 598 EN VAN 19 NOVEMBER 1997, HOUDENDE AANPASSING VAN EEN AANTAL ALGEMENE
MAATREGELEN VAN BESTUUR AAN DE DERDE TRANCHE VAN DE ALGEMENE WET BESTUURSRECHT
(MINISTERIE VAN ECONOMISCHE ZAKEN), STB. 618  </titel>
      </kop>
      <par>
        <kop>
          <nr>Paragraaf 1. </nr>
          <titel status="off">Algemene bepalingen  </titel>
        </kop>
        <art id="a1">
          <kop>
            <nr>Artikel 1 </nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1. </nr>
            <al>In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: </al>
            <al>a. concern: een economische eenheid waarin organisatorisch zijn verbonden: </al>
            <al>1°. een natuurlijke persoon of privaatrechtelijke rechtspersoon die
direct of indirect: </al>
            <al>– de helft of meer van het geplaatste kapitaal verschaft aan, </al>
            <al>– volledig aansprakelijk vennoot is van of </al>
            <al>– overwegende zeggenschap heeft over </al>
            <al>een of meer rechtspersonen of vennootschappen en </al>
            <al>2°. laatstbedoelde rechtspersonen of vennootschappen; </al>
            <al>b. project: een technisch, functioneel en in de tijd samenhangend geheel
van investeringen in duurzame bedrijfsuitrusting al dan niet in combinatie
met bedrijfsgebouwen; </al>
            <al>c. vestigingsproject: een project, inhoudende het stichten van: </al>
            <al>1°. een industrieel bedrijf, </al>
            <al>2°. een stuwend dienstverlenend bedrijf, hoofdkantoor of laboratorium, </al>
            <al>3°. een stuwend toeristisch bedrijf; </al>
            <al>d. uitbreidingsproject: een project inhoudende de uitbreiding van de capaciteit
van een industrieel bedrijf, stuwend dienstverlenend bedrijf, stuwend toeristisch
bedrijf, hoofdkantoor of laboratorium in dezelfde gemeente als waarin reeds
een bedrijf van de ondernemer of een bedrijf van een tot hetzelfde concern
behorende ondernemer is gevestigd; </al>
            <al>e. stuwend toeristisch bedrijf: een bedrijf op het gebied van de toeristische
accommodatie of bezoekaccommodatie, niet bestaande uit de verhuur van al dan
niet gemeubileerde vakantiewoningen of -appartementen, dat de economische
ontwikkeling in de regio van vestiging stimuleert en dat in overwegende mate
bezoekers trekt van buiten de regio waarin het is of zal worden gevestigd. </al>
            <al>f. stuwend dienstverlenend bedrijf: een dienstverlenend bedrijf, niet
zijnde een toeristisch bedrijf, dat naar zijn aard niet aan enige plaats gebonden
is, dat de economische ontwikkeling van de regio van vestiging stimuleert
en waarvan de afnemers in overwegende mate gevestigd zijn buiten de regio
waarin het is of zal worden gevestigd; </al>
            <al>g. hoofdkantoor: een kantoor van een concern waarin de centrale leiding
of een zelfstandig onderdeel daarvan is gehuisvest; </al>
            <al>h. een laboratorium: een bedrijf of bedrijfsonderdeel op het gebied van
technisch of fysisch onderzoek, dat een belangrijke functie vervult voor de
ontwikkeling van voor het bedrijf nieuwe producten; </al>
            <al>i. S.B.I.-bedrijfsgroep: een bedrijfsgroep op vier-cijferniveau van de  Standaardbedrijfsindeling 1993 van het Centraal Bureau voor de Statistiek; </al>
            <al>j. ondernemer: een natuurlijke persoon of rechtspersoon, niet zijnde een
rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld, die een onderneming
in stand houdt, niet zijnde een onderneming die bij regeling van Onze Minister
is uitgesloten. </al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2. </nr>
            <al>Onze Minister stelt bij ministeriële regeling de omvang van de regio's,
bedoeld in het eerste lid, onder e en f, vast. </al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a2">
          <kop>
            <nr>Artikel 2 </nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1. </nr>
            <al>Onze Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan de ondernemer die een
project tot stand brengt in een bij regeling van Onze Minister aangewezen
gemeente of deel van een gemeente. </al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2. </nr>
            <al>Bij een regeling als bedoeld in het eerste lid kan Onze Minister bepalen
voor welke soorten projecten in de onderscheiden gemeenten of delen van gemeenten
subsidie kan worden verstrekt. Daarbij kan hij onderscheid maken tussen: </al>
            <al>a. vestigingsprojecten en uitbreidingsprojecten ter zake waarvan de aanvraag
om subsidie wordt ingediend binnen vijf jaar na de datum van eerste inschrijving
van het bedrijf in het handelsregister of, indien inschrijving van een in
dezelfde gemeente gevestigd, tot hetzelfde concern behorend bedrijf op een
eerdere datum heeft plaatsgevonden, binnen vijf jaar na die eerdere datum; </al>
            <al>b. andere uitbreidingsprojecten; </al>
            <al>c. projecten als bedoeld onder a, die van bijzonder belang zijn voor de
regionale economie en waarvan de subsidiabele kosten door Onze Minister zijn
geraamd op f 30 000 000,00 of meer. </al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a3">
          <kop>
            <nr>Artikel 3 </nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1. </nr>
            <al>In geval van een uitbreidingsproject wordt slechts subsidie verstrekt
indien één jaar na de datum waarop het project is uitgevoerd
de capaciteit of het aantal werknemers van het betrokken bedrijf met ten minste
20 procent is vergroot ten opzichte van de capaciteit onderscheidenlijk het
aantal werknemers op het datum van het indienen van de aanvraag, overeenkomstig
hetgeen daaromtrent in de beschikking tot subsidieverlening is vermeld. </al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2. </nr>
            <al>Onder capaciteit wordt verstaan het door de duurzame bedrijfsuitrusting
bepaalde, technisch maximale vermogen tot produceren per tijdseenheid. Indien
de capaciteit vanwege het onderscheid tussen de producten niet vergelijkbaar
is, wordt de uitbreiding berekend aan de hand van de verhouding tussen de
kosten van verkrijging van duurzame bedrijfsuitrusting en de ten hoogste twee
jaar voor de aanvraag om subsidie bepaalde taxatiewaarde welke ten grondslag
ligt aan de verzekerde waarde van de op het tijdstip van het indienen van
de aanvraag bij het bedrijf of het hoofdkantoor in gebruik zijnde duurzame
bedrijfsuitrusting. </al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3. </nr>
            <al>Bij het bepalen van de capaciteit respectievelijk het aantal werknemers
wordt mede in aanmerking genomen de capaciteit respectievelijk het aantal
werknemers van de in dezelfde gemeente gevestigde, aan de subsidie-ontvanger
of tot hetzelfde concern als de subsidie-ontvanger behorende ondernemers en
worden deeltijdwerkers naar evenredigheid van de met hen overeengekomen arbeidsduur
in aanmerking genomen. </al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>4. </nr>
            <al>Dit artikel is niet van toepassing op: </al>
            <al>a. uitbreidingsprojecten ten aanzien waarvan artikel 4, tweede lid, is
toegepast; </al>
            <al>b. uitbreidingsprojecten inhoudende de uitbreiding van de capaciteit van
een laboratorium, </al>
            <al>c. uitbreidingsprojecten als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder c.  </al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a4">
          <kop>
            <nr>Artikel 4 </nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1. </nr>
            <al>De subsidie bedraagt: </al>
            <al>a. in geval van een project als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder
a: 20 procent van de subsidiabele kosten, met dien verstande dat voor de berekening
van het subsidiebedrag de kosten in aanmerking genomen worden tot ten hoogste
f 18 000 000,00; </al>
            <al>b. in geval van een project als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder
b: 15 procent van de subsidiabele kosten, met dien verstande dat voor de berekening
van het subsidiebedrag de kosten in aanmerking genomen worden tot ten hoogste
f 8 000 000,00; </al>
            <al>c. in geval van een project als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder
c: een door Onze Minister te bepalen percentage van de subsidiabele kosten. </al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2. </nr>
            <al>Indien de geraamde subsidiabele kosten van een project, bedoeld in het
eerste lid, onder a of b, meer bedragen dan f 18 000 000,00
en het project van bijzonder belang voor de ontwikkeling van de regionale
economie is, kan Onze Minister een hoger subsidiebedrag verstrekken dan voor
het project ten hoogste uit het eerste lid voortvloeit. </al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a5">
          <kop>
            <nr>Artikel 5 </nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1. </nr>
            <al>De subsidiabele kosten zijn de in artikel 6 en 7 bedoelde projectkosten,
verminderd overeenkomstig de volgende leden van dit artikel. </al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2. </nr>
            <al>Een vermindering wordt toegepast indien: </al>
            <al>a. binnen een periode van één jaar vóór het
indienen van de aanvraag tot één jaar na de datum waarop het
project is uitgevoerd aan de subsidie-ontvanger of tot hetzelfde concern als
de subsidie-ontvanger behorende bedrijfsgebouwen of duurzame bedrijfsuitrusting
welke zich bevinden in dezelfde gemeente als waarin het project wordt gerealiseerd,
worden afgestoten of buiten gebruik gesteld; </al>
            <al>b. binnen een periode van één jaar vóór het
indienen van de aanvraag tot één jaar na de datum waarop het
project is uitgevoerd aan de subsidie-ontvanger of tot hetzelfde concern als
de subsidie-ontvanger behorende bedrijfsgebouwen of duurzame bedrijfsuitrusting,
welke zich bevinden in Nederland, buiten de gemeente waarin het project tot
stand wordt gebracht, worden afgestoten of buiten gebruik gesteld, waarin
of waarmee activiteiten werden verricht welke behoren tot dezelfde S.B.I.-bedrijfsgroep
als de activiteiten welke in of met de tot het project behorende bedrijfsgebouwen
en duurzame bedrijfsuitrusting worden verricht; </al>
            <al>c. de door realisering van het project verworven of tot stand gebrachte
bedrijfsgebouwen of duurzame bedrijfsuitrusting binnen één jaar
na het tijdstip waarop het project is uitgevoerd zijn afgestoten of buiten
gebruik gesteld; </al>
            <al>d. de realisering van het project geschiedt in een bedrijfsgebouw of door
aanschaf van vaste installaties in de open lucht, waarin of waarmee grotendeels
activiteiten worden verricht welke behoren tot dezelfde S.B.I.-bedrijfsgroep
als minder dan één jaar voor de indiening van de aanvraag reeds
geschiedde; </al>
            <al>e. de realisering van het project geschiedt door de verzelfstandiging
van een in Nederland gevestigd bedrijf en de daarin verrichte activiteiten
blijven behoren tot dezelfde S.B.I.-bedrijfsgroep. </al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3. </nr>
            <al>De in het tweede lid, onder a en b, bedoelde vermindering bedraagt: </al>
            <al>a. het gedeelte van de kosten van verkrijging van bedrijfsgebouwen, dat
overeenkomt met het gedeelte dat de vloeroppervlakte die wordt afgestoten
of buiten gebruik gesteld uitmaakt van de totale vloeroppervlakte van de door
het project verworven of tot stand gebrachte bedrijfsgebouwen; </al>
            <al>b. het gedeelte van de kosten van verkrijging van duurzame bedrijfsuitrusting,
dat overeenkomt met het gedeelte dat de capaciteit die wordt afgestoten
of buiten gebruik gesteld uitmaakt van de totale capaciteit van de door het
project verworven of tot stand gebrachte duurzame bedrijfsuitrusting. </al>
            <al>Artikel 3, tweede lid, is van toepassing. </al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>4. </nr>
            <al>De in het tweede lid, onder c, bedoelde vermindering bedraagt het gedeelte
van de projectkosten dat kan worden toegerekend aan de bedrijfsgebouwen of
duurzame bedrijfsuitrusting die zijn afgestoten of buiten gebruik gesteld. </al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>5. </nr>
            <al>De in het tweede lid, onder d, bedoelde vermindering bedraagt het gedeelte
van de projectkosten dat kan worden toegerekend aan het desbetreffende bedrijfsgebouw
of de vaste installaties. </al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>6. </nr>
            <al>De in het tweede lid, onder e, bedoelde vermindering bedraagt het gedeelte
van de projectkosten dat kan worden toegerekend aan de verkrijging van het
desbetreffende bedrijf. </al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a6">
          <kop>
            <nr>Artikel 6 </nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1. </nr>
            <al>Als projectkosten worden uitsluitend in aanmerking genomen de rechtstreeks
aan het project toe te rekenen, na de indiening van de aanvraag door de subsidie-ontvanger
gemaakte en betaalde kosten van verkrijging van bedrijfsgebouwen en duurzame
bedrijfsuitrusting, met uitzondering van: </al>
            <al>a. bedrijfsgebouwen of duurzame bedrijfsuitrusting die de subsidie-ontvanger
heeft verkregen van een persoon die tot hetzelfde concern behoort; </al>
            <al>b. niet permanent in het bedrijf aanwezige duurzame bedrijfsuitrusting; </al>
            <al>c. immateriële vaste activa zoals omschreven in artikel 365, Boek
2, BW. </al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2. </nr>
            <al>In afwijking van het eerste lid, onder a, worden als projectkosten wel
in aanmerking genomen de kosten van verkrijging van: </al>
            <al>a. bedrijfsgebouwen en duurzame bedrijfsuitrusting die specifiek ten behoeve
van het project vervaardigd zijn; </al>
            <al>b. duurzame bedrijfsuitrusting die in serie voor de markt geproduceerd
wordt; </al>
            <al>c. duurzame bedrijfsuitrusting die verkregen is van een in het buitenland
gevestigd persoon die tot hetzelfde concern behoort. </al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3. </nr>
            <al>In afwijking van het eerste lid worden als projectkosten wel in aanmerking
genomen binnen drie maanden voor de indiening van de aanvraag gemaakte kosten
van verkrijging van bestaande bedrijfsgebouwen. </al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>4. </nr>
            <al>Het vereiste dat de kosten moeten zijn betaald is niet van toepassing
op kosten als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a, 3°, en onder
b, 3°, en in artikel 7, derde lid, onder c. </al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a7">
          <kop>
            <nr>Artikel 7 </nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1. </nr>
            <al>Als projectkosten worden uitsluitend in aanmerking genomen de volgende
kosten, voor zover zij geactiveerd zijn op de fiscale balans, de taxatiewaarde
niet te boven gaan en, tenzij het betreft duurzame bedrijfsuitrusting die
door Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
met toepassing van artikel 10, derde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting
1964 is aangewezen, niet binnen twee jaar worden afgeschreven: </al>
            <al>a. wat betreft bedrijfsgebouwen en de daartoe te rekenen centrale voorzieningen: </al>
            <al>1°. de koopsom en de overdrachtskosten of de aan derden verschuldigde
bouwkosten, exclusief de financieringskosten, de overdrachtsbelasting en,
indien het bedrijfsgebouw is verkregen van een persoon die tot hetzelfde concern
behoort, de winstopslag; </al>
            <al>2°. de voortbrengingskosten; </al>
            <al>3°. in geval van huurkoop of lease de aanschafwaarde dan wel, indien  deze niet kan worden bepaald, de contante waarde van de in totaal
verschuldigde lease-termijnen inclusief kosten, verdisconteerd op jaarbasis
tegen een bij regeling van Onze Minister vast te stellen percentage; </al>
            <al>b. wat betreft duurzame bedrijfsuitrusting: </al>
            <al>1°. de koopsom, exclusief de winstopslag, indien de duurzame bedrijfsuitrusting
verkregen is van een persoon die tot hetzelfde concern behoort; </al>
            <al>2°. de voortbrengingskosten; </al>
            <al>3°. in geval van huurkoop of lease de aanschafwaarde dan wel, indien
deze niet kan worden bepaald, de contante waarde van de in totaal verschuldigde
lease-termijnen inclusief kosten, verdisconteerd op jaarbasis tegen een bij
regeling van Onze Minister vast te stellen percentage. </al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2. </nr>
            <al>Voor zover het betreft gebruikte bedrijfsuitrusting, die verkregen is
van een in het buitenland gevestigd persoon die tot hetzelfde concern behoort,
wordt als projectkosten in aanmerking genomen de fiscale boekwaarde in het
land van herkomst op het tijdstip van levering. </al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3. </nr>
            <al>Onder voortbrengingskosten als bedoeld in het eerste lid, onder a, 2°,
en b, 2°, worden de volgende kosten verstaan: </al>
            <al>a. loonkosten, met dien verstande dat wordt uitgegaan van een uurloon
berekend op basis van het bruto jaarloonbij een volledige dienstbetrekking
volgens de kolommen 3, 4 en 13 van de loonstaat van het betrokken directe
personeel, exclusief volledig winstafhankelijke uitkeringen, verhoogd met
de wettelijke dan wel de op grond van een individuele of collectieve arbeidsovereenkomst
verschuldigde opslagen voor sociale lasten, en van 1600 productieve uren per
jaar; </al>
            <al>b. kosten van verbruikte materialen en hulpmiddelen, gebaseerd op historische
aanschafprijzen, exclusief winstopslagen bij transacties binnen een concern
en </al>
            <al>c. een opslag voor algemene kosten, groot 20 procent van de onder a bedoelde
loonkosten. </al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a8">
          <kop>
            <nr>Artikel 8 </nr>
          </kop>
          <al>Indien ter zake van de kosten onderscheidenlijk een deel daarvan reeds
uit anderen hoofde van rijkswege dan wel vanwege de Commissie van de Europese
Gemeenschappen subsidie is verstrekt, wordt slechts een zodanig bedrag aan
subsidie verstrekt dat het bruto bedrag aan subsidie in totaal niet meer bedraagt
dan 40 procent van de kosten onderscheidenlijk 40 procent van het desbetreffende
deel van de kosten. </al>
        </art>
        <art id="a9">
          <kop>
            <nr>Artikel 9 </nr>
          </kop>
          <al>Onze Minister stelt ieder begrotingsjaar bij ministeriële regeling
een subsidieplafond vast voor het in dat jaar verlenen van subsidies krachtens
dit besluit. </al>
        </art>
      </par>
      <par>
        <kop>
          <nr>Paragraaf 2. </nr>
          <titel status="off">Aanvraag en beslissing op de aanvraag  </titel>
        </kop>
        <art id="a10">
          <kop>
            <nr>Artikel 10 </nr>
          </kop>
          <al>Een aanvraag om subsidie wordt ingediend met gebruikmaking van het origineel
van een ondertekend formulier, dat door Onze Minister wordt vastgesteld. Onze
Minister kan bij ministeriële regeling hiervan vrijstelling verlenen.  </al>
        </art>
        <art id="a11">
          <kop>
            <nr>Artikel 11 &lt;</nr>
          </kop>
          <al>(vervallen) </al>
        </art>
        <art id="a12">
          <kop>
            <nr>Artikel 12 </nr>
          </kop>
          <al>Onze Minister geeft op de aanvraag een beschikking binnen dertien weken
na ontvangst van de aanvraag. Indien de beschikking niet binnen dertien weken
kan worden gegeven, stelt Onze Minister de aanvrager daarvan in kennis en
noemt hij daarbij een redelijke termijn waarop de beschikking wel tegemoet
kan worden gezien. </al>
        </art>
        <art id="a13">
          <kop>
            <nr>Artikel 13 </nr>
          </kop>
          <al>Onze Minister beslist in ieder geval afwijzend op een aanvraag: </al>
          <al>a. indien hij de subsidiabele kosten van het project op minder dan f 10 000 000,00
raamt; </al>
          <al>b. in geval bij regeling van Onze minister is bepaald dat subsidie zal
worden verstrekt voor projecten als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder
c, indien hij de subsidiabele kosten op minder dan f 30 000 000,00
raamt; </al>
          <al>c. indien ter zake van het project waarop de aanvraag betrekking heeft
reeds subsidie is verstrekt vanwege een provincie met gebruikmaking van een
door het Rijk verstrekte uitkering in het kader van het regionaal beleid,
bestemd voor stimulering van investeringen door ondernemers; </al>
          <al>d. indien de projectkosten voor minder dan 25 procent met eigen middelen
worden gefinancierd; </al>
          <al>e. indien de verhouding tussen eigen en vreemd vermogen, gezien de rentabiliteit
en de aard van het bedrijf, naar verwachting niet aanvaardbaar zal zijn nadat
na uitvoering van het project de bedrijfsactiviteiten een aanvang hebben genomen; </al>
          <al>f. indien de gewenste structuur van de betrokken sector van het bedrijfsleven
zich tegen het project verzet. </al>
        </art>
        <art id="a14">
          <kop>
            <nr>Artikel 14 </nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1. </nr>
            <al>Onze Minister verdeelt het beschikbare bedrag in de volgorde van ontvangst
van de aanvragen, met dien verstande dat indien een aanvrager niet heeft voldaan
aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag
en met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid
heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de aanvraag voldoet aan
de wettelijke voorschriften met betrekking tot de verdeling als datum van
ontvangst geldt. </al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2. </nr>
            <al>In afwijking van het eerste lid kan Onze Minister, indien als gevolg van
buitenlandse concurrentie ten aanzien van de vestigingsplaats spoed is vereist,
subsidie verlenen op een aanvraag die nog niet geheel voldoet aan de wettelijke
voorschriften. In dit geval kan Onze Minister, in afwijking van artikel 2,
eerste lid, ook subsidie verlenen aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon
die eerst door uitvoering van het project ondernemer zal worden. </al>
          </lid>
        </art>
      </par>
      <par>
        <kop>
          <nr>Paragraaf 3. </nr>
          <titel status="off">Subsidieverlening en verplichtingen van de subsidie-ontvanger
 </titel>
        </kop>
        <art id="a15">
          <kop>
            <nr>Artikel 15 </nr>
          </kop>
          <al>(vervallen) </al>
        </art>
        <art id="a16">
          <kop>
            <nr>Artikel 16 </nr>
          </kop>
          <al>Op de subsidie-ontvanger rusten de in de artikelen 17, 18 en 19 opgenomen
verplichtingen.  </al>
        </art>
        <art id="a17">
          <kop>
            <nr>Artikel 17 </nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1. </nr>
            <al>De subsidie-ontvanger dient het project overeenkomstig het projectplan
waarop de subsidieverlening betrekking heeft en binnen achttien maanden na
de subsidieverlening uit te voeren en de betrokken bedrijfsgebouwen en de
duurzame bedrijfsuitrusting dienen binnen dezelfde termijn door de subsidie-ontvanger
te zijn verworven en in gebruik te zijn gesteld, behoudens voorafgaande schriftelijke
ontheffing van Onze Minister voor het vertragen, het essentieel wijzigen of
het stopzetten van het project. </al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2. </nr>
            <al>Indien artikel 3, eerste lid, van toepassing is, dient de subsidie-ontvanger
een jaar na het tijdstip waarop het project is uitgevoerd te voldoen aan hetgeen
in de beschikking tot subsidieverlening is vermeld omtrent de omvang van de
capaciteit dan wel het aantal werknemers. </al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3. </nr>
            <al>Onze Minister geeft op een aanvraag om ontheffing als bedoeld in het eerste
lid een beschikking binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag. Indien
de beschikking niet binnen dertien weken kan worden gegeven, stelt Onze Minister
de aanvrager daarvan in kennis en noemt hij daarbij een redelijke termijn
waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien. </al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>4. </nr>
            <al>Onze Minister kan aan een ontheffing als bedoeld in het eerste lid voorschriften
verbinden. </al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a18">
          <kop>
            <nr>Artikel 18 </nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1. </nr>
            <al>De subsidie-ontvanger dient zijn aanvraag om subsidievaststelling niet
eerder dan een jaar na het tijdstip waarop het project is uitgevoerd, doch
uiterlijk achttien maanden nadat het project ingevolge artikel 17, eerste
lid, moet zijn uitgevoerd, bij Onze Minister in. </al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2. </nr>
            <al>De aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van het origineel van een
ondertekend formulier, dat door Onze Minister wordt vastgesteld. Onze Minister
kan bij ministeriële regeling hiervan vrijstelling verlenen. </al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a19">
          <kop>
            <nr>Artikel 19 </nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1. </nr>
            <al>De subsidie-ontvanger voert een administratie die zodanig is ingericht,
dat daaruit te allen tijde op eenvoudige en duidelijke wijze alle projectkosten
kunnen worden afgelezen, in het bijzonder de bestede en door middel van een
sluitende tijdschrijving vastgestelde arbeidstijd, de verbruikte materialen
en de overige kosten. </al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2. </nr>
            <al>De subsidie-ontvanger doet onverwijld nadat een verzoek tot verlening
van surséance van betaling aan of faillietverklaring van hem bij de
rechtbank is ingediend daarvan mededeling aan Onze Minister. </al>
          </lid>
        </art>
      </par>
      <par>
        <kop>
          <nr>Paragraaf 4. </nr>
          <titel status="off">Voorschotten  </titel>
        </kop>
        <art id="a20">
          <kop>
            <nr>Artikel 20 </nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1. </nr>
            <al>Op een subsidie ter zake waarvan een beschikking tot subsidieverlening
geldt, kan op aanvraag van de subsidie-ontvanger door Onze Minister ten hoogste
tweemaal een voorschot worden verstrekt, telkens wanneer ten minste 40 procent
van de geraamde subsidiabele kosten zijn gemaakt en betaald. </al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2. </nr>
            <al>Een voorschot wordt berekend naar rato van de gemaakte en betaalde subsidiabele
kosten, voor zover deze nog niet eerder bij de verstrekking van een voorschot
in aanmerking zijn genomen. In totaal zal het bedrag aan voorschotten niet
groter zijn dan 80 procent van het bij de subsidieverlening vermelde maximale
subsidiebedrag. </al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3. </nr>
            <al>Bij de toepassing van het eerste en tweede lid wordt de opslag, bedoeld
in artikel 7, derde lid, geacht gemaakt en betaald te zijn voor zover de loonkosten
waarover hij wordt berekend zijn gemaakt en betaald. </al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a21">
          <kop>
            <nr>Artikel 21 </nr>
          </kop>
          <al>Een aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van het origineel van een
ondertekend formulier, dat door Onze Minister wordt vastgesteld. Onze Minister
kan bij ministeriële regeling hiervan vrijstelling verlenen. </al>
        </art>
        <art id="a22">
          <kop>
            <nr>Artikel 22 </nr>
          </kop>
          <al>(vervallen) </al>
        </art>
        <art id="a23">
          <kop>
            <nr>Artikel 23 </nr>
          </kop>
          <al>Onze Minister kan in ieder geval afwijzend beschikken op een aanvraag,
indien de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan ingevolge de subsidieverlening
voor hem geldende verplichtingen. </al>
        </art>
      </par>
      <par>
        <kop>
          <nr>Paragraaf 5. </nr>
          <titel status="off">Subsidievaststelling  </titel>
        </kop>
        <art id="a24">
          <kop>
            <nr>Artikel 24 </nr>
          </kop>
          <al>(vervallen) </al>
        </art>
        <art id="a25">
          <kop>
            <nr>Artikel 25 </nr>
          </kop>
          <al>Onze Minister geeft de beschikking tot subsidievaststelling binnen zes
maanden na ontvangst van de aanvraag dan wel nadat de voor het indienen ervan
geldende termijn is verstreken. Indien de beschikking niet binnen zes maanden
kan worden gegeven, stelt Onze Minister de subsidie-ontvanger daarvan in kennis
en noemt hij daarbij een redelijke termijn waarop de beschikking wel tegemoet
kan worden gezien. </al>
        </art>
        <art id="a26">
          <kop>
            <nr>Artikel 26 </nr>
          </kop>
          <al>(vervallen) </al>
        </art>
      </par>
      <par>
        <kop>
          <nr>Paragraaf 6. </nr>
          <titel status="off">Overgangs- en slotbepalingen  </titel>
        </kop>
        <art id="a27">
          <kop>
            <nr>Artikel 27 </nr>
          </kop>
          <al>(vervallen) </al>
        </art>
        <art id="a28">
          <kop>
            <nr>Artikel 28 </nr>
          </kop>
          <al>De Subsidieregeling regionale investeringsprojecten 1991 wordt ingetrokken,
met dien verstande dat zij van toepassing blijft op aanvragen die zijn ingediend
voor de datum van inwerkingtreding van dit besluit. </al>
        </art>
        <art id="a29">
          <kop>
            <nr>Artikel 29 </nr>
          </kop>
          <al>Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening
van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. </al>
        </art>
        <art id="a30">
          <kop>
            <nr>Artikel 30 </nr>
          </kop>
          <al>Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit subsidies regionale investeringsprojecten. </al>
        </art>
      </par>
    </tekstpl>
  </backm>
</staatsbl>