﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<!DOCTYPE staatsbl PUBLIC "-//SDU//DTD staatsblad xml 1.1//NL" "../../dtd/staatsbl-11.dtd"[]>
<staatsbl id="sb997.555" soort="kb" publtype="kobe">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-1997-555/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel status="off">Staatsblad</titel>
    <subtitel>van het Koninkrijk der Nederlanden</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.4" conv="port1.2" markup="c1xa"></versie>
    <ordernr>STB3627 </ordernr>
    <stb>
      <jaargang jaar="1997">Jaargang 1997</jaargang>
      <stbjaar>1997 </stbjaar>
      <stbnr>555 </stbnr>
    </stb>
    <intitule>
      <soort>Besluit</soort> van 14 november 1997, houdende regels inzake
de verstrekking van subsidies ter bevordering van maritiem onderzoek (Besluit
subsidies maritiem onderzoek)</intitule>
    <aanhef>
      <wie>Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz. </wie>
      <consider>
        <al>Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken van 11 juli 1997,
nr. 97043773 WJA/JZ, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Verkeer
en Waterstaat; </al>
        <al>Gelet op <grslag>artikel 2 van de Kaderwet verstrekking financiële
middelen EZ</grslag>; </al>
        <al>De Raad van State gehoord (advies van 7 oktober 1997, nr. W10.97.0472); </al>
        <al>Gezien het nader rapport van Onze voornoemde minister van 5 november 1997,
nr. 97063496 WJA/JZ, uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister van
Verkeer en Waterstaat;</al>
      </consider>
      <afkondig>Hebben goedgevonden en verstaan:</afkondig>
    </aanhef>
  </frontm>
  <body>
    <par>
      <kop>
        <nr>§ 1. </nr>
        <titel status="off">Algemene bepalingen  </titel>
      </kop>
      <art id="a1">
        <kop>
          <nr>Artikel 1 </nr>
        </kop>
        <al>In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: </al>
        <al>a. ondernemer: een natuurlijke persoon of rechtspersoon, niet zijnde een
rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld, die een onderneming
in stand houdt; </al>
        <al>b. groep: een economische eenheid, waarin organisatorisch zijn verbonden: </al>
        <al>1°. een natuurlijke persoon of privaatrechtelijke rechtspersoon, die
direct of indirect: </al>
        <al>– meer dan de helft van het geplaatste kapitaal verschaft aan, </al>
        <al>– volledig aansprakelijk vennoot is van of </al>
        <al>– overwegende zeggenschap heeft over een of meer rechtspersonen
of vennootschappen, en </al>
        <al>2°. laatstbedoelde rechtspersonen of vennootschappen; </al>
        <al>c. project: een haalbaarheidsproject of onderzoekproject met betrekking
tot maritieme activiteiten; </al>
        <al>d. haalbaarheidsproject: een activiteit, gericht op het tot stand brengen
van een schriftelijk rapport, inhoudende een systematisch opgezette en afgeronde
analyse en inschatting van de technische of economische mogelijkheden van
een onderzoekproject;  </al>
        <al>e. onderzoekproject: een voor Nederland nieuwe, planmatige activiteit,
bestaande uit industrieel onderzoek of pre-concurrentiële ontwikkeling; </al>
        <al>f. industrieel onderzoek: het opdoen van nieuwe kennis met het doel deze
te gebruiken bij de ontwikkeling van nieuwe producten, processen of diensten
of om bestaande producten, processen of diensten aanmerkelijk te verbeteren; </al>
        <al>g. pre-concurrentiële ontwikkeling: het omzetten van de resultaten
van industrieel onderzoek in plannen, schema's of ontwerpen voor nieuwe, gewijzigde
of verbeterde producten, processen of diensten; </al>
        <al>h. maritieme activiteiten: activiteiten die geheel of in overwegende mate
verband houden met: </al>
        <al>1°. de productie en exploitatie van schepen, </al>
        <al>2°. de interactie tussen off-shore-installaties en daarmee vergelijkbare
vaste of drijvende installaties en water en </al>
        <al>3°. transport over water; </al>
        <al>i. samenwerkingsverband: een geen rechtspersoonlijkheid bezittend verband,
bestaande uit ten minste twee, niet in een groep verbonden natuurlijke personen
of rechtspersonen, onder wie ten minste twee ondernemers. </al>
      </art>
      <art id="a2">
        <kop>
          <nr>Artikel 2 </nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1. </nr>
          <al>Onze Minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan: </al>
          <al>a. de deelnemers in een samenwerkingsverband die voor gezamenlijke rekening
en risico een project uitvoeren of </al>
          <al>b. een ondernemer die voor eigen rekening en risico een project uitvoert,
waarvan een deel van de activiteiten wordt uitbesteed aan andere natuurlijke
personen of rechtspersonen, die niet met hem in een groep, commanditaire vennootschap,
vennootschap onder firma of maatschap zijn verbonden. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2. </nr>
          <al>Indien de aanvragers deelnemers in een samenwerkingsverband zijn wordt
de subsidie verstrekt aan de deelnemers gezamenlijk en betaald aan de deelnemer
die als indiener van de aanvraag om subsidie in de zin van dit besluit is
opgetreden. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>3. </nr>
          <al>Geen subsidie wordt verstrekt, indien voor het project reeds door Onze
Minister subsidie is verstrekt. </al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a3">
        <kop>
          <nr>Artikel 3 </nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1. </nr>
          <al>De subsidie voor een haalbaarheidsproject bedraagt 50 procent van de projectkosten,
doch niet meer dan een bij regeling van Onze Minister vast te stellen bedrag. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2. </nr>
          <al>De subsidie voor een onderzoekproject bedraagt: </al>
          <al>a. 50 procent van de projectkosten indien die kosten uitsluitend betrekking
hebben op industrieel onderzoek, </al>
          <al>b. 37,5 procent van de projectkosten indien die kosten voor ten minste
de helft betrekking hebben op industrieel onderzoek, en </al>
          <al>c. 25 procent van de projectkosten in alle andere gevallen, </al>
          <al>doch niet meer dan een bij regeling van Onze Minister vast te stellen
bedrag. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>3. </nr>
          <al>Indien ter zake van de projectkosten of een deel daarvan reeds door een
ander bestuursorgaan of de Commissie van de Europese Gemeenschappen subsidie
is verstrekt, wordt slechts een zodanig bedrag aan subsidie verstrekt, dat
het totale bedrag aan subsidies niet meer bedraagt dan het ingevolge het eerste
of tweede lid geldende percentage van de projectkosten.  </al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a4">
        <kop>
          <nr>Artikel 4 </nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1. </nr>
          <al>Als projectkosten worden uitsluitend in aanmerking genomen: </al>
          <al>a. de volgende rechtstreeks aan de uitvoering van het project toe te rekenen,
na de indiening van de aanvraag door een subsidie-ontvanger gemaakte en betaalde
kosten: </al>
          <al>1°. loonkosten, met dien verstande dat wordt uitgegaan van een uurloon,
berekend op basis van het bruto jaarloon bij een volledige dienstbetrekking
volgens de kolommen 3, 4 en 13 van de loonstaat van het betrokken directe
personeel en, tot een maximum van 10 procent van de loonkosten per subsidie-ontvanger,
van het met projectmanagement belaste personeel, exclusief volledig winstafhankelijke
uitkeringen, verhoogd met de wettelijke dan wel de op grond van een individuele
of collectieve arbeidsovereenkomst verschuldigde opslagen voor sociale lasten,
en van 1600 productieve uren per jaar; </al>
          <al>2°. kosten van verbruikte materialen en hulpmiddelen, gebaseerd op
historische aanschafprijzen, exclusief winstopslagen bij transacties binnen
een groep; </al>
          <al>3°. de kosten van aangeschafte machines en apparatuur, met dien verstande
dat wordt uitgegaan van de aan het project toe te rekenen lease-termijnen,
met uitzondering van financieringskosten, of afschrijvingstermijnen, berekend
op basis van de historische aanschafwaarde exclusief winstopslagen bij transacties
binnen een groep, een lineaire afschrijvingsmethode en een levensduur van
vijf jaar; </al>
          <al>4°. aan derden verschuldigde kosten ter zake van studies en onderzoeksactiviteiten
en ter zake van de aanschaf van kennis en intellectuele eigendomsrechten alsmede
ter zake van de bescherming van die rechten en, tot een maximum van 10 procent
van de projectkosten, ter zake van projectmanagement, exclusief winstopslagen
bij transacties binnen een groep; </al>
          <al>5°. reis- en verblijfskosten alsmede kosten van deelneming aan wetenschappelijke
symposia, tot een maximum van 10 procent van de onder 1° bedoelde loonkosten; </al>
          <al>b. een opslag voor algemene kosten, groot 25 procent van de onder a, aanhef
en onder 1°, bedoelde kosten. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2. </nr>
          <al>De kosten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, aanhef en onder 1°
en onder 5°, te zamen worden in aanmerking genomen tot een maximum van
20 procent van de projectkosten. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>3. </nr>
          <al>Indien geen loonkosten als bedoeld in het eerste lid, onder a, aanhef
en onder 1°, worden gemaakt, maar niettemin arbeid ten behoeve van het
project wordt verricht, kan Onze Minister daarvoor een redelijk bedrag vaststellen,
dat als projectkosten mede in aanmerking wordt genomen. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>4. </nr>
          <al>Onze Minister kan toestaan dat in afwijking van het eerste lid het uurloon
en de opslag voor algemene kosten worden vastgesteld overeenkomstig een in
de gehele organisatie van een subsidie-ontvanger gebruikelijke, controleerbare
methodiek. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>5. </nr>
          <al>De kosten worden in aanmerking genomen met inbegrip van omzetbelasting,
indien de deelnemer in een samenwerkingsverband die de kosten heeft gemaakt
omzetbelasting niet in aftrek kan brengen. </al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a5">
        <kop>
          <nr>Artikel 5 </nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1. </nr>
          <al>Er is een Adviescommissie maritiem onderzoek die tot taak heeft Onze Minister
op zijn verzoek te adviseren omtrent aanvragen om subsidie op grond van dit
besluit. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2. </nr>
          <al>De commissie bestaat uit een voorzitter en ten minste vier en ten hoogste
zes andere leden. De leden zijn deskundig op het terrein waarop de commissie
een taak heeft en zijn geen ambtenaren, werkzaam bij het Ministerie van Economische
Zaken of het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.  </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>3. </nr>
          <al>De voorzitter en de leden worden door Onze minister voor een termijn van
ten hoogste drie jaar benoemd. Zij zijn te allen tijde opnieuw benoembaar. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>4. </nr>
          <al>De commissie stelt haar eigen werkwijze vast. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>5. </nr>
          <al>Onze Minister kan waarnemers aanwijzen, die het recht hebben de vergaderingen
van de commissie bij te wonen. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>6. </nr>
          <al>In het secretariaat van de commissie wordt door Onze Minister voorzien. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>7. </nr>
          <al>Het beheer van de bescheiden betreffende de werkzaamheden van de commissie
geschiedt op overeenkomstige wijze als bij het Ministerie van Economische
Zaken. De bescheiden worden na beëindiging van de werkzaamheden van de
commissie opgeborgen in het archief van dat ministerie. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>8. </nr>
          <al>De commissie verstrekt desgevraagd aan Onze Minister de voor de uitoefening
van zijn taak benodigde inlichtingen. Onze Minister kan inzage vorderen van
zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover dat voor de vervulling van zijn
taak redelijkerwijs nodig is. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>9. </nr>
          <al>De commissie stelt jaarlijks voor 1 april een verslag op van zijn werkzaamheden
in het afgelopen kalenderjaar. Op verzoek van Onze Minister, maar ten minste
elk vierde jaar, stelt de commissie tevens een evaluatieverslag op, waarin
het aandacht besteedt aan de doelmatigheid en doeltreffendheid van zijn taakvervulling.
Het jaarverslag en het evaluatieverslag worden aan Onze Minister toegezonden
en algemeen verkrijgbaar gesteld. </al>
        </lid>
      </art>
    </par>
    <par>
      <kop>
        <nr>§ 2. </nr>
        <titel status="off">Aanvraag  </titel>
      </kop>
      <art id="a6">
        <kop>
          <nr>Artikel 6 </nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1. </nr>
          <al>Onze Minister stelt bij ministeriële regeling perioden vast, na afloop
waarvan de aanvragen die in die periode zijn ontvangen, worden behandeld. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2. </nr>
          <al>Onze Minister stelt voorts bij ministeriële regeling een subsidieplafond
vast voor het verlenen van subsidies op in een periode ontvangen aanvragen.
Daarbij kan hij afzonderlijke subsidieplafonds vaststellen voor haalbaarheidsprojecten
en onderzoekprojecten, voor bepaalde categorieën aanvragers en voor bepaalde
categorieën activiteiten. </al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a7">
        <kop>
          <nr>Artikel 7 </nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1. </nr>
          <al>Een aanvraag om subsidie wordt ingediend met gebruikmaking van het origineel
van een ondertekend formulier, dat door Onze Minister wordt vastgesteld. Onze
Minister kan bij ministeriële regeling hiervan vrijstelling verlenen. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2. </nr>
          <al>De aanvraag gaat vergezeld van een projectplan en een begroting voor het
project en van de overeenkomst, waarin de samenwerking tussen de deelnemers
in het samenwerkingsverband dan wel de uitbesteding van activiteiten is geregeld
alsmede van andere bescheiden, overeenkomstig hetgeen in het formulier is
vermeld. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>3. </nr>
          <al>Indien de aanvraag een project betreft dat wordt uitgevoerd door een samenwerkingsverband,
dient een in het samenwerkingsverband deelnemende ondernemer de aanvraag mede
namens de andere deelnemers in. </al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a8">
        <kop>
          <nr>Artikel 8 </nr>
        </kop>
        <al>Onze Minister geeft een beschikking binnen vier maanden na afloop van
de in artikel 6 bedoelde periode. Indien de beschikking niet binnen vier maanden
kan worden gegeven, stelt Onze Minister de aanvrager daarvan in
kennis en noemt hij daarbij een redelijke termijn waarbinnen de beschikking
tegemoet kan worden gezien. </al>
      </art>
      <art id="a9">
        <kop>
          <nr>Artikel 9 </nr>
        </kop>
        <al>Onze Minister beslist in ieder geval afwijzend op een aanvraag: </al>
        <al>a. indien de aanvraag niet voldoet aan dit besluit en de daarop berustende
bepalingen; </al>
        <al>b. indien hij de projectkosten raamt op minder dan een bij regeling van
Onze Minister vastgesteld bedrag; </al>
        <al>c. indien hij het onaannemelijk acht, dat het haalbaarheidsproject binnen
twee jaren of het onderzoekproject binnen vier jaren na de dagtekening van
de beschikking tot subsidieverlening kan worden uitgevoerd; </al>
        <al>d. indien gegronde vrees bestaat dat de betrokkenen het project niet kunnen
financieren; </al>
        <al>e. voor zover subsidieverlening in strijd zou zijn met bij regeling van
Onze Minister vastgestelde regels omtrent de mate waarin aan aanvragers meerdere
malen subsidie kan worden verleend op grond van dit besluit; </al>
        <al>f. indien hij de projectkosten die worden gevormd door aan onderzoekinstellingen,
niet zijnde ondernemers, verschuldigde kosten ter zake van door hen verrichte
arbeid raamt op minder dan de helft van de totale projectkosten. </al>
      </art>
      <art id="a10">
        <kop>
          <nr>Artikel 10 </nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1. </nr>
          <al>Onze Minister wint omtrent de aanvragen waarop niet met toepassing van
artikel 9 afwijzend wordt beslist het advies in van de Adviescommissie maritiem
onderzoek. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2. </nr>
          <al>De commissie geeft aan Onze minister in ieder geval een negatief advies: </al>
          <al>a. indien onvoldoende vertrouwen bestaat in de technische en economische
haalbaarheid van het project; </al>
          <al>b. indien onvoldoende vertrouwen bestaat dat de betrokkenen de capaciteiten
hebben om het project naar behoren uit te voeren; </al>
          <al>c. indien van het project onvoldoende positieve gevolgen voor de Nederlandse
economie te verwachten zijn. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>3. </nr>
          <al>De commissie rangschikt per groep van aanvragen waarvoor een subsidieplafond
geldt de aanvragen waaromtrent zij positief adviseert zodanig, dat een project
hoger gerangschikt wordt naar mate het meer bijdraagt aan de economische en
technologische ontwikkeling van de maritieme sector, gelet op bij regeling
van Onze Minister vastgestelde aandachtspunten. </al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a11">
        <kop>
          <nr>Artikel 11 </nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1. </nr>
          <al>Onze Minister verdeelt het beschikbare bedrag in de volgorde van rangschikking
van de aanvragen door de Adviescommissie maritiem onderzoek. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2. </nr>
          <al>Onze Minister kan afwijken van het eerste lid, indien een advies van de
commissie in strijd is met dit besluit dan wel niet op zorgvuldige wijze tot
stand is gekomen. </al>
        </lid>
      </art>
    </par>
    <par>
      <kop>
        <nr>§ 3. </nr>
        <titel status="off">Verplichtingen van de subsidie-ontvanger  </titel>
      </kop>
      <art id="a12">
        <kop>
          <nr>Artikel 12 </nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1. </nr>
          <al>Op alle subsidie-ontvangers rusten de in de artikelen 13 tot en met 16
opgenomen verplichtingen, met dien verstande dat de in artikel 15 opgenomen
verplichtingen slechts gelden voor de subsidie-ontvanger die als
indiener van de aanvraag om subsidie in de zin van dit besluit is opgetreden. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2. </nr>
          <al>De in de artikelen 13, 14 en 15 opgenomen verplichtingen gelden tot aan
de dag waarop de subsidie wordt vastgesteld. De in artikel 16 opgenomen verplichtingen
gelden totdat vijf jaren na die dag zijn verstreken. </al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a13">
        <kop>
          <nr>Artikel 13 </nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1. </nr>
          <al>De subsidie-ontvanger voert het project uit overeenkomstig het projectplan
waarop de subsidieverlening betrekking heeft en voor het bij de subsidieverlening
bepaalde tijdstip, behoudens voorafgaande schriftelijke ontheffing van Onze
Minister voor het vertragen, het essentieel wijzigen of het stopzetten van
het project. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2. </nr>
          <al>De subsidie-ontvanger voert het project in Nederland uit, behoudens voorafgaande
schriftelijke ontheffing van Onze Minister voor gedeeltelijke uitvoering buiten
Nederland. </al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a14">
        <kop>
          <nr>Artikel 14 </nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1. </nr>
          <al>De subsidie-ontvanger voert een administratie die zodanig is ingericht,
dat daaruit te allen tijde op eenvoudige en duidelijke wijze alle projectkosten
kunnen worden afgelezen, gespecificeerd overeenkomstig de in artikel 4, eerste
lid, onderscheiden kostensoorten, met dien verstande dat ter zake van de loonkosten
een door middel van een sluitende tijdschrijving vastgestelde urenverantwoording
per werknemer aanwezig dient te zijn. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2. </nr>
          <al>De subsidie-ontvanger doet onverwijld nadat een verzoek tot verlening
van surséance van betaling aan of faillietverklaring van hem bij de
rechtbank is ingediend daarvan mededeling aan Onze Minister. </al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a15">
        <kop>
          <nr>Artikel 15 </nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1. </nr>
          <al>De subsidie-ontvanger brengt steeds na afloop van een periode van zes
maanden aan Onze Minister schriftelijk verslag uit omtrent de uitvoering van
het project, met inbegrip van een vergelijking van die uitvoering met het
projectplan en de bij de subsidieverlening vermelde raming van de projectkosten. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2. </nr>
          <al>De subsidie-ontvanger dient zijn aanvraag om subsidievaststelling bij
Onze Minister in binnen zes maanden na het tijdstip waarop het project ingevolge
artikel 13, eerste lid, moet zijn uitgevoerd. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>3. </nr>
          <al>De aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van het origineel van een
ondertekend formulier, dat door Onze Minister wordt vastgesteld. Onze Minister
kan bij ministeriële regeling hiervan vrijstelling verlenen. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>4. </nr>
          <al>De aanvraag gaat vergezeld van een accountantsverklaring en een eindverslag
omtrent de uitvoering en de resultaten van het project, overeenkomstig hetgeen
in het formulier is vermeld. </al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a16">
        <kop>
          <nr>Artikel 16 </nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1. </nr>
          <al>De subsidie-ontvanger draagt, behoudens voorafgaande schriftelijke ontheffing
van Onze Minister, met betrekking tot de resultaten van het project zorg voor: </al>
          <al>a. de tenaamstelling op eigen naam en de verwerving van rechten van intellectuele
eigendom op de resultaten die daarvoor in aanmerking komen; </al>
          <al>b. de instandhouding van de in het eerste lid bedoelde rechten; </al>
          <al>c. de instandhouding van andere voor de uitvoering van het project van
belang zijnde en door de uitvoering van het project opgedane kennis.  </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2. </nr>
          <al>De subsidie-ontvanger stelt, behoudens voorafgaande schriftelijke ontheffing
van Onze Minister, niet ter beschikking aan derden: </al>
          <al>a. rechten van intellectuele eigendom op de resultaten van het project; </al>
          <al>b. aanspraken op een intellectueel eigendomsrecht op de resultaten van
het project; </al>
          <al>c. rechten die voortvloeien uit een aanvraag om een intellectueel eigendomsrecht
op de resultaten van het project; </al>
          <al>d. niet door rechten van intellectuele eigendom beschermde resultaten
van het project. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>3. </nr>
          <al>De subsidie-ontvanger belast, behoudens voorafgaande schriftelijke ontheffing
van Onze Minister, de in het tweede lid bedoelde rechten en aanspraken niet
met een zekerheidsrecht ten behoeve van een derde. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>4. </nr>
          <al>De subsidie-ontvanger brengt desgevraagd aan Onze Minister verslag uit
omtrent de toepassing van de resultaten van het project. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>5. </nr>
          <al>De subsidie-ontvanger zal, behoudens voorafgaande schriftelijke ontheffing
van Onze Minister, niet: </al>
          <al>a. indien hij een rechtspersoon is, de rechtspersoon ontbinden of geheel
of gedeeltelijk vervreemden; </al>
          <al>b. indien hij deelnemer is in een samenwerkingsverband in de vorm van
een commanditaire vennootschap, een vennootschap onder firma of een maatschap,
meewerken aan de ontbinding ervan of aan het uittreden van een of meer deelnemers
ervan. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>6. </nr>
          <al>De subsidie-ontvanger draagt zorg voor het geven van bekendheid aan het
project na afronding daarvan. </al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a17">
        <kop>
          <nr>Artikel 17 </nr>
        </kop>
        <al>Onze Minister kan aan een ontheffing als bedoeld in de artikelen 13 en
16 voorschriften verbinden. </al>
      </art>
    </par>
    <par>
      <kop>
        <nr>§ 4. </nr>
        <titel status="off">Voorschotten  </titel>
      </kop>
      <art id="a18">
        <kop>
          <nr>Artikel 18 </nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1. </nr>
          <al>Op een subsidie ter zake waarvan een beschikking tot subsidieverlening
geldt kunnen op aanvraag van de subsidie-ontvanger door Onze Minister voorschotten
worden verstrekt. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2. </nr>
          <al>Een voorschot wordt berekend naar rato van de gemaakte en betaalde projectkosten,
voor zover deze nog niet eerder bij de verstrekking van een voorschot in aanmerking
zijn genomen. In totaal zal het bedrag aan voorschotten niet groter zijn dan
80 procent van het bij de subsidieverlening vermelde maximale subsidiebedrag. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>3. </nr>
          <al>Bij de toepassing van het tweede lid wordt de opslag, bedoeld in artikel
4, eerste lid, onder b, geacht gemaakt en betaald te zijn voor zover de kosten
waarover hij wordt berekend zijn gemaakt en betaald. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>4. </nr>
          <al>Een voorschot wordt slechts verstrekt, indien het bedrag aan voorschot
ten minste f 10 000,00 bedraagt. </al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a19">
        <kop>
          <nr>Artikel 19 </nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1. </nr>
          <al>Een aanvraag wordt ingediend gelijktijdig met het uitbrengen van een verslag
als bedoeld in artikel 15, eerste lid. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2. </nr>
          <al>De aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van het origineel van een
ondertekend formulier, dat door Onze Minister wordt vastgesteld. Onze Minister
kan bij ministeriële regeling hiervan vrijstelling verlenen. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>3. </nr>
          <al>Indien de aanvraag een project betreft dat wordt uitgevoerd door een samenwerkingsverband,
dient de deelnemer in het samenwerkingsverband die als indiener van de aanvraag
om subsidie in de zin van dit besluit is opgetreden, de aanvraag mede namens
de andere deelnemers in en gaat de aanvraag, indien het een eerste voorschot
betreft, vergezeld van een verklaring van de indiener van de aanvraag
waarin hij zich aansprakelijk stelt voor terugbetaling van de subsidie, voor
zover de subsidie-ontvangers daartoe verplicht zijn, overeenkomstig hetgeen
in het formulier is vermeld. </al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a20">
        <kop>
          <nr>Artikel 20 </nr>
        </kop>
        <al>Onze Minister kan afwijzend beschikken op een aanvraag, indien een subsidie-ontvanger
niet heeft voldaan aan ingevolge de subsidieverlening voor hem geldende verplichtingen. </al>
      </art>
    </par>
    <par>
      <kop>
        <nr>§ 5. </nr>
        <titel status="off">Subsidievaststelling  </titel>
      </kop>
      <art id="a21">
        <kop>
          <nr>Artikel 21 </nr>
        </kop>
        <al>Onze Minister geeft de beschikking tot subsidievaststelling binnen dertien
weken na ontvangst van de aanvraag daartoe dan wel nadat de voor het indienen
ervan geldende termijn is verstreken. Indien de beschikking niet binnen dertien
weken kan worden gegeven, stelt Onze Minister de betrokkene daarvan in kennis
en noemt hij daarbij een redelijke termijn waarbinnen de beschikking tegemoet
kan worden gezien. </al>
      </art>
    </par>
    <par>
      <kop>
        <nr>§ 6. </nr>
        <titel status="off">Overgangs- en slotbepalingen  </titel>
      </kop>
      <art id="a22">
        <kop>
          <nr>Artikel 22 </nr>
        </kop>
        <al>Tot het tijdstip waarop de Kaderwet EZ-subsidies in werking treedt gelden
de volgende bepalingen: </al>
        <al>a. artikel 1, onder a, van dit besluit is niet van toepassing; </al>
        <al>b. de artikelen 4:25, tweede en derde lid, 4:30, 4:31, 4:35, eerste en
tweede lid, aanhef en onder a, 4:36, 4:37, 4:40, 4:44, derde en vierde lid,
4:45, 4:46, eerste lid, tweede lid, aanhef en onder a en d, en derde lid,
en 4:47 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van toepassing; </al>
        <al>c. artikel 7 van de Kaderwet EZ-subsidies is van toepassing; </al>
        <al>d. artikel 8 van de Kaderwet EZ-subsidies en afdeling 5.2 van de Algemene
wet bestuursrecht zijn van toepassing. </al>
      </art>
      <art id="a23">
        <kop>
          <nr>Artikel 23 </nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1. </nr>
          <al>De Subsidieregeling maritiem onderzoek wordt ingetrokken, met dien verstande
dat zij van toepassing blijft op subsidies waarvoor de aanvraag is ingediend
voor 1 juli 1997. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2. </nr>
          <al>Onze Minister kan op aanvragen om subsidie, die zijn ingediend na 30 juni
1997 doch voor aanvang van de eerste periode die op grond van artikel 6, eerste
lid, wordt vastgesteld, subsidie verlenen op grond van dit besluit, met dien
verstande dat, in plaats van de artikelen 1 tot en met 4 van dit besluit,
de artikelen 1 tot en met 4 van de Subsidieregeling maritiem onderzoek van
toepassing zijn. </al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a24">
        <kop>
          <nr>Artikel 24 </nr>
        </kop>
        <al>Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte
van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. </al>
      </art>
      <art id="a25">
        <kop>
          <nr>Artikel 25 </nr>
        </kop>
        <al>Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit subsidies maritiem onderzoek.  </al>
      </art>
    </par>
  </body>
  <backm>
    <nawerk>
      <slotform>Lasten en bevelen, dat dit besluit met de daarbij behorende nota
van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst. </slotform>
      <histnoot>
        <al>Het advies van de Raad van State is openbaar gemaakt door terinzagelegging
bij het Ministerie van Economische Zaken. </al>
        <al>Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage gelegde stukken worden
opgenomen in het bijvoegsel bij de Staatscourant van 9 december 1997, nr.
237.</al>
      </histnoot>
      <ondertek>
        <ondplts>'s-Gravenhage, </ondplts>
        <onddatum>14 november 1997 </onddatum>
        <koning>Beatrix  </koning>
        <minister>
          <minvan>De Minister van Economische Zaken, </minvan>
          <naam>G. J. Wijers </naam>
        </minister>
      </ondertek>
      <uitgifte>
        <uitgifte-regel>Uitgegeven de <nadruk type="cur">zevenentwintigste</nadruk> november 1997 </uitgifte-regel>
        <uitdag>zevenentwintigste</uitdag>
        <uitmaand>november</uitmaand>
        <uitjaar>1997 </uitjaar>
        <door>
          <minvan>De Minister van Justitie, </minvan>
          <naam>W. Sorgdrager </naam>
        </door>
      </uitgifte>
    </nawerk>
    <notatoe>
      <kop>
        <titel status="off">NOTA VAN TOELICHTING  </titel>
      </kop>
      <tuskop letat="vet">ALGEMEEN </tuskop>
      <al>Het onderhavige besluit behelst de voortzetting van de Subsidieregeling
maritiem onderzoek. Deze subsidieregeling blijkt het beoogde stimulerende
effect te hebben op de doelgroep: die onderdelen van de maritieme sector,
waarvan de bedrijvigheid deels of geheel afhankelijk is van schepen en off-shore-installaties
en daarmee vergelijkbare vaste en drijvende installaties, die onderhevig zijn
aan internationale concurrentie met overheidssteunverlening. Met dit besluit
wordt dan ook het beleid voortgezet dat gericht is op de economische en technologische
ontwikkeling van en binnen die onderdelen van de maritieme sector. </al>
      <al>De toenemende complexiteit van de vraagstukken waarmee de betrokken onderdelen
van de maritieme sector te maken hebben, waaronder ook de specifieke problematiek
van het kapitaalgoed schip als productiesysteem, vereist een toenemende betrokkenheid
van verschillende disciplines bij de verdere ontwikkeling van kennis en kunde
op maritiem gebied. De stimulering van de onderzoeksvraag is met name gericht
op de instandhouding en versterking van de sectorale kennis zoals deze, in
belangrijke mate, is geïncorporeerd in de publiek gefinancierde, maritieme
kennisinfrastructuur. Kennisoverdracht tussen deze onderzoekinstellingen en
het bedrijfsleven is een centraal thema in de wisselwerking die hiermee wordt
gestimuleerd. </al>
      <al>Het Nederlands Instituut voor Maritiem Onderzoek (NIM) heeft een belangrijke
adviserende rol gespeeld bij de totstandkoming van dit besluit. Waar in de
toekomst verdere advisering nodig is, zoals bij de concretisering van het
maritiem gerichte onderzoeksstimuleringsbeleid en het aanpassen van de uitvoeringsregeling,
zal het NIM opnieuw worden betrokken. </al>
      <al>Het onderhavige besluit is gebaseerd op de Kaderwet verstrekking financiële
middelen EZ. Deze zal naar verwachting in 1998 worden vervangen door de Kaderwet
EZ-subsidies, die tegelijk met de derde tranche van de Algemene wet bestuursrecht
(Awb) in werking zal treden. Het is de bedoeling dat het besluit daarna op
de Kaderwet EZ-subsidies gebaseerd zal zijn. Daartoe zal in deze wet bij gelegenheid
van de aanpassingswetgeving voor de derde tranche van de Awb een voorziening
worden opgenomen. In dit besluit is reeds vooruit gelopen op de Awb. Dat maakte
het wel noodzakelijk in artikel 22 enige overgangsbepalingen op te nemen. </al>
      <al>Het besluit zal namens de Minister van Economische Zaken worden uitgevoerd
door het Agentschap Senter, de uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van
Economische Zaken voor technologie, energie en milieu, te 's-Gravenhage. </al>
      <al>De zakelijke inhoud van het voorgenomen besluit is bij brief van 24 juni
1997 medegedeeld aan beide Kamers der Staten-Generaal. </al>
      <al>De Subsidieregeling maritiem onderzoek is op 22 november 1995 door de
Europese Commissie voor onbepaalde duur goedgekeurd. Aangezien de wijzigingen
die het onderhavige besluit ten opzichte van die regeling bevat, geen inhoudelijke
consequenties hebben voor de te verlenen steun, is een nieuwe melding ingevolge
Paragraaf 4 van de Communautaire kaderregeling inzake staatssteun voor onderzoek
en ontwikkeling (PbEG 1996, C45) niet nodig.  </al>
      <tuskop letat="vet">ARTIKELEN  </tuskop>
      <tuskop letat="cur">Artikel 1 </tuskop>
      <al>De verschillende stadia van het traject van onderzoek zijn in dit artikel
gedefinieerd overeenkomstig de Communautaire kaderregeling inzake staatssteun
voor onderzoek en ontwikkeling. Industrieel onderzoek is verder van de markt
verwijderd dan pre-concurrentiële ontwikkeling. Het is gericht op het
leggen van de kennisbasis die nodig is om vervolgens op een specifiek product
gericht, toegepast onderzoek, en uiteindelijk ontwikkelingsactiviteiten uit
te kunnen voeren. </al>
      <al>Pre-concurrentiële ontwikkeling staat het dichtst bij de markt. Het
omvat nog de fabricage van een eerste prototype dat niet voor commerciële
doeleinden kan worden aangewend. Voorts kan daaronder de conceptuele formulering
en het ontwerp van alternatieve producten, processen of diensten worden verstaan
en eerste demonstratie- of modelprojecten, voor zover deze projecten niet
voor industriële toepassing of commerciële exploitatie kunnen worden
gebruikt of geschikt gemaakt. Onder pre-concurrentiële ontwikkeling wordt
niet verstaan routinematige of periodieke wijzigingen van bestaande producten,
productielijnen, fabricageprocessen of diensten en andere courante werkzaamheden,
zelfs indien deze wijzigingen verbeteringen zijn. </al>
      <al>Het onderzoek dient zich te richten op de fase die voorafgaat aan de concrete
productontwikkeling. Ontwikkelingsactiviteiten vallen derhalve niet onder
de definitie van onderzoekproject. </al>
      <al>Het besluit richt zich specifiek op maritieme activiteiten. Onder maritieme
activiteiten wordt in dit verband verstaan alle economische activiteiten die
geheel of in overwegende mate in relatie staan tot de productie en de exploitatie
van schepen. Economische activiteiten met betrekking tot offshore-installaties
en daarmee vergelijkbare vaste of drijvende installaties zijn daaronder begrepen
voor zover deze activiteiten rechtstreeks samenhangen met de interactie tussen
deze installaties en het water. Met betrekking tot de handelsvaart gaat het
tevens om de koppeling tussen het vervoer over water en het daarop aansluitende
vervoer over land, ongeacht de vorm daarvan, echter uitsluitend voor zover
het gaat om de relaties met betrekking tot het kapitaalgoed schip. Het gaat
hierbij uitdrukkelijk niet om de productie te water zelf, zoals de (zee)visserij
en de winning van olie en gas. </al>
      <al>In onderdeel i is opgenomen dat een samenwerkingsverband ten minste uit
twee ondernemers moet bestaan om in aanmerking te komen voor subsidie op grond
van dit besluit. Deze eis is gesteld om te bevorderen dat, naast samenwerking
tussen bedrijven en kennisinstellingen, meer samenwerking tussen bedrijven
onderling tot stand komt. Het multi-disciplinaire karakter van innovaties
in de maritieme sector noopt in toenemende mate tot zulke industriële
samenwerking.  </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 2 </tuskop>
      <al>Dit artikel bevat, te zamen met de afwijzingsgronden van artikel 9 en
de in artikel 10 genoemde gronden voor een negatief advies en krachtens het
derde lid van dat artikel vastgestelde rankingscriteria, de criteria voor
het verstrekken van subsidie. Centraal in de criteria staat, dat het moet
gaan om een project in de zin van dit besluit. Dit impliceert dat moet worden
voldaan aan alle in de van toepassing zijnde definities van artikel 1 opgenomen
elementen. </al>
      <al>Projecten moeten worden uitgevoerd door hetzij een samenwerkingsverband
hetzij een ondernemer die een deel van de onderzoek- of ontwikkelingsactiviteiten
uitbesteedt aan een derde. In een samenwerkingsverband kunnen ook onderzoekinstellingen
op maritiem gebied deelnemen. In het eerste geval is sprake van het uitvoeren
van het project voor gezamenlijke rekening en risico. In het tweede geval
ligt het risico geheel bij de aanvragende ondernemer. Deze zal steeds ten
minste een deel van de aan het project verbonden werkzaamheden zelf moeten
uitvoeren. Indien het gehele project wordt uitbesteed wordt niet voldaan aan
het besluit. Anderzijds is dit ook het geval, indien het project niet voor
ten minste de helft wordt uitbesteed. Dit voorschrift is in artikel 9, onder
f, opgenomen ter bevordering van de samenwerking tussen ondernemers
en onderzoekinstellingen op maritiem gebied, een van de doelstellingen van
dit besluit. Hieraan ligt de gedachte ten grondslag dat op deze wijze een
betere afstemming tot stand komt van het onderzoek bij onderzoekinstellingen
en dat bij bedrijven. Onder onderzoekinstellingen worden niet alleen universiteiten
begrepen, maar ook mede met publieke middelen gefinancieerde onderzoekinstituten,
zoals die van de Nederlandse organisatie voor Toegepast Natuurwetenschappelijk
onderzoek (TNO), het Maritiem Research Instituut Nederland (MARIN) en het
Waterloopkundig Laboratorium (WL). </al>
      <al>Het besluit heeft betrekking op projecten, die ingevolge artikel 13, tweede
lid, in beginsel in Nederland moeten worden uitgevoerd. Indien sprake is van
samenwerking tussen Nederlandse en buitenlandse partijen in een project, waarvan
een substantieel deel in het buitenland wordt uitgevoerd, biedt niet de onderhavige
regeling maar het Besluit subsidies bedrijfsgerichte technologiestimulering
internationale programma's een kader voor ondersteuning door de overheid. </al>
      <al>De samenwerking moet gebaseerd zijn op een overeenkomst. Ingevolge artikel
7 moet de overeenkomst bij de aanvraag worden gevoegd. </al>
      <al>De bepaling van het tweede lid, dat de subsidie wordt verstrekt aan de
deelnemers gezamenlijk impliceert, dat de subsidie wordt berekend over alle
projectkosten, zonder dat een uitsplitsing wordt gemaakt naar de mate waarin
de deelnemers in het samenwerkingsverband kosten hebben gemaakt. De verdeling
van de als één bedrag vastgestelde subsidie onder de deelnemers
is een zaak van de deelnemers onderling. De betaling geschiedt aan één
van hen, die mede namens de anderen de aanvraag heeft ingediend. </al>
      <al>Het is mogelijk, dat een project op grond van meer dan één
regeling voor subsidie in aanmerking kan komen. Dat kan een regeling van een
ander ministerie zijn, maar ook binnen het stimuleringsinstrumentarium van
het Ministerie van Economische Zaken is het niet uitgesloten. Omdat ik het
ongewenst acht dat ten behoeve van één project een beroep gedaan
kan worden op meerdere subsidie-instrumenten van het Ministerie van Economische
Zaken, is erin voorzien dat slechts op grond van één regeling
subsidie wordt verstrekt. Mede-subsidiëring van een project door andere
bestuursorganen dan de Minister van Economische Zaken leidt niet tot afwijzing
van een aanvraag. Wel bevat artikel 3, derde lid, een anti-cumulatieregeling
terzake.  </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 3 </tuskop>
      <al>De subsidie zal worden verstrekt in twee fasen. Eerst zal subsidie worden
verleend voor de kosten van activiteiten die worden gemaakt na de indiening
van de aanvraag. Daarbij wordt het bedrag van de subsidie niet vermeld, maar
wel – met een verwijzing naar het onderhavige besluit – de wijze
waarop dit bedrag wordt bepaald en het bedrag waarop de subsidie ten hoogste
kan worden vastgesteld. Na afloop van de activiteiten wordt het bedrag van
de subsidie vastgesteld. </al>
      <al>Bij een onderzoekproject is het subsidiepercentage afhankelijk van het
karakter van het onderzoek. Als het onderzoek uitsluitend bestaat uit industrieel
onderzoek bedraagt de subsidie 50 procent van de projectkosten. Bij een combinatie
van industrieel onderzoek en pre-concurrentiële ontwikkeling in één
project bedraagt het subsidiepercentage 37,5 als de kosten van het industrieel
onderzoek de helft of meer van de geraamde projectkosten uitmaken. In alle
overige gevallen bedraagt de subsidie 25 procent. </al>
      <al>Voor de toepassing van het derde lid wordt een vermindering van af te
dragen belasting in verband met speur- of ontwikkelingswerk niet als subsidie
beschouwd. Bekostiging van onderwijs en onderzoek door een bestuursorgaan
wordt er wel toe gerekend. Onder subsidies worden ook garanties
en kredieten verstaan. Voor zover zo'n bekostiging of een subsidiëring
uit anderen hoofde geschiedt ter zake van de projectkosten wordt daarmee rekening
gehouden bij de verlening en de vaststelling van de subsidie in die zin, dat
het bedrag ervan in mindering wordt gebracht op de subsidie op grond van artikel
3, tweede lid, van dit besluit.  </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 4 </tuskop>
      <al>In dit artikel is een limitatieve omschrijving van de projectkosten opgenomen,
die in aanmerking worden genomen bij de toepassing van artikel 3. Daarnaast
is deze omschrijving van belang voor de toepassing van artikel 14, eerste
lid, en artikel 18. </al>
      <al>Het gaat hier om de kosten die worden gemaakt door de deelnemers in een
samenwerkingsverband, indien het project wordt uitgevoerd door een samenwerkingsverband
en, indien dat niet het geval is, door de aanvragende ondernemer. Omdat het
project ingevolge artikel 13, tweede lid, in Nederland moet worden uitgevoerd,
zullen in beginsel ook alleen de kosten die aan in Nederland uitgevoerde activiteiten
kunnen worden toegerekend in aanmerking worden genomen, tenzij de minister
met toepassing van artikel 13, tweede lid, ontheffing heeft verleend. </al>
      <al>Bij de bepaling van de loonkosten wordt uitgegaan van het bruto loon,
zoals dat moet worden ingevuld op de loonstaat, die door de werkgever moet
worden bijgehouden ingevolge de Wet op de loonbelasting 1964. Hierbij gaat
het om het directe personeel, het personeel dat rechtstreeks productieve arbeid
verricht ten behoeve van het project, en het personeel dat belast is met het
projectmanagement. De arbeidsuren van dit personeel dienen verantwoord te
worden. Daartoe is in artikel 14 de verplichting opgenomen een sluitende tijdschrijving
bij te houden. Daarbij wordt uitgegaan van 1600 productieve uren per persoon
per jaar. </al>
      <al>Onder sociale lasten worden verstaan de werkgeverslasten ter zake van
sociale verzekering, vervroegd uittreden en pensioen. </al>
      <al>In het derde lid is een voorziening getroffen voor de gevallen waarin
geen loonkosten als bedoeld in het eerste lid worden gemaakt. Daarbij gaat
het om gevallen waarin een deelnemer in een samenwerkingsverband een natuurlijke
persoon is, die zelfstandig ondernemer is. Een voorbeeld van een samenwerkingsverband
van zulke ondernemers is een vennootschap onder firma. </al>
      <al>In het vierde lid is een voorziening getroffen voor gevallen waarin bij
een deelnemer in het samenwerkingsverband een afwijkende methodiek voor de
berekening van het uurloon in gebruik is en in redelijkheid niet gevergd kan
worden dat hij een administratie gaat voeren die uitgaat van het onderhavige
besluit. Dat zal zich met name kunnen voordoen bij kennisinstellingen. </al>
      <al>Onder verbruikte materialen worden stoffen verstaan die bestemd zijn voor
eenmalig gebruik ten behoeve van het project en die na be- of verwerking geen
zelfstandige zaak meer zijn. Onder de kosten hiervan worden ook begrepen de
kosten van verloren productie bij beproevingen. </al>
      <al>Hulpmiddelen zijn zelfstandige zaken die speciaal voor het project worden
aangeschaft, niet langer dan gedurende het project worden gebruikt en na afloop
van het project niet meer bruikbaar zijn. Hierbij valt bij voorbeeld te denken
aan proefmatrijzen. </al>
      <al>Onder aangeschafte apparatuur wordt niet alleen apparatuur verstaan die
is verworven door koop, maar ook door met koop gelijk te stellen rechtsfiguren
waarbij de eigendom, althans de economische eigendom, bij degene die de apparatuur
heeft aangeschaft komt te liggen. Daarbij moet met name worden gedacht aan
«financial lease». Het gaat dan om gevallen waarin het economisch
risico berust bij de lessee, de overeenkomst niet opzegbaar is en de lessee
na afloop van de overeenkomst het recht heeft de apparatuur om niet of nagenoeg
om niet in eigendom te verwerven.  </al>
      <al>Bij de toerekening van de kosten van machines en apparatuur wordt uitgegaan
van de – in het besluit genormeerde – afschrijvingskosten of,
in geval van lease, van de betaalde lease-termijnen. Deze worden in aanmerking
genomen voor zover zij zijn toe te rekenen aan het project. Dat geschiedt
naar evenredigheid van de tijd gedurende welke de machines worden gebruikt
voor het project. </al>
      <al>Bij de onder 4° bedoelde aan derden verschuldigde kosten gaat het
om niet van het samenwerkingsverband deel uitmakende derden. Ter zake van
studies en onderzoeksactiviteiten valt te denken aan de diensten van ingenieursbureaus
en onderzoekinstellingen. Bij de aanschaf van kennis en intellectuele eigendomsrechten
kan gedacht worden aan de aankoop van niet publiek toegankelijke technische
know how en aan het verwerven van octrooien en licenties. Met betrekking tot
licenties zij er echter op gewezen, dat licenties voor het gebruik van niet
specifiek voor het project noodzakelijke software worden gerekend tot computerprogrammatuur,
die onderdeel uitmaakt van de apparatuur. Daarvoor geldt de regeling onder
3°. </al>
      <al>Kosten die in redelijkheid niet als noodzakelijk kunnen worden beschouwd
worden niet gesubsidieerd. Ingevolge artikel 4:46, derde lid, Awb blijven
zij bij de vaststelling buiten beschouwing.  </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 6 </tuskop>
      <al>Dit artikel en de vijf volgende bevatten bepalingen omtrent de aanvraag
van en de besluitvorming over de verlening van subsidies op grond van dit
besluit. </al>
      <al>Het eerste lid voorziet in de instelling van zogenaamde tenderperioden.
Aanvragen moeten worden ingediend vóór het einde van de tenderperiode. </al>
      <al>De in artikel 8 opgenomen beslistermijn gaat ervan uit, dat aanvragen
worden ingediend met een volledig ingevuld aanvraagformulier en vergezeld
gaan van het projectplan, de begroting voor het project en de samenwerkingsovereenkomst.
Wel biedt artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de mogelijkheid verzuimen
te herstellen. Er dient echter rekening mee te worden gehouden, dat de termijnen
die daarvoor worden gesteld kort zullen zijn; in de orde van grootte van twee
weken. Het gunnen van een langere termijn zou het binnen vier maanden beslissen
op de aanvragen onmogelijk maken. Indien bij de aanvang van de termijn voor
het herstellen van een verzuim nog een aanvang gemaakt moet worden met het
opstellen van een projectplan of het onderhandelen over een samenwerkingsovereenkomst,
zal dat waarschijnlijk niet binnen die termijn kunnen. De aanvraag zal dan
niet worden behandeld, maar kan in een volgende tenderperiode opnieuw worden
ingediend. </al>
      <al>Bij ministeriële regeling wordt ook voor iedere tenderperiode een
subsidieplafond vastgesteld. Dat is het bedrag dat ter beschikking wordt gesteld
voor subsidieverleningen op in de tenderperiode ontvangen aanvragen. Het totaal
van voor alle tenderperioden in een kalenderjaar vastgestelde subsidieplafonds
is dus het totale jaarlijks ter beschikking gestelde bedrag. De hoogte van
het totale voor de verstrekking van subsidies krachtens dit besluit beschikbaar
te stellen bedrag is thans niet te bepalen, aangezien het de bedoeling is
dat het onderhavige besluit voor langere tijd zal gelden dan één
jaar. De aard van het besluit verzet zich dus ook tegen het daaromtrent opnemen
van bepalingen. </al>
      <al>Er kunnen per tenderperiode aparte subsidieplafonds vastgesteld worden
voor haalbaarheidsprojecten en onderzoekprojecten en voor bepaalde categorieën
aanvragers. Ook voor bepaalde activiteiten kunnen aparte subsidieplafonds
worden vastgesteld. Daarbij kan gedacht worden aan bepaalde technologieën
of aan onderzoek op een bepaald gebied.   </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 7 </tuskop>
      <al>Niet vereist is, dat voor het desbetreffende project nog geen kosten zijn
gemaakt. Dit impliceert, dat ook voor reeds lopende projecten aanvragen kunnen
worden ingediend, zij het dat ingevolge artikel 4, eerste lid, alleen na de
indiening van de aanvraag gemaakte kosten voor subsidie in aanmerking komen. </al>
      <al>De in het eerste lid bedoelde aanvraagformulieren zijn verkrijgbaar bij
Senter, postbus 30732, 2500 GS 's-Gravenhage. </al>
      <al>Vooralsnog blijft vereist dat het origineel van een ondertekend aanvraagformulier
wordt ingediend. Bij gebreke van een originele handtekening kan de minister
er immers niet zeker van zijn, dat de (bevoegde vertegenwoordiger van de)
aanvrager de aanvraag heeft ingediend en instaat voor de in de aanvraag verstrekte
gegevens. Consequentie hiervan is, dat aanvragen die worden ingediend per
telefax of elektronische post niet voldoen aan de wettelijke voorschriften.
Bezien wordt evenwel of er mogelijkheden zijn het indienen van aanvragen langs
elektronische weg te omkleden met zodanige waarborgen, dat de daaraan verbonden
bezwaren komen te vervallen. Daartoe zullen dan bij ministeriële regeling
regelen worden gesteld. </al>
      <al>In het aanvraagformulier wordt vermeld welke bescheiden met het formulier
moeten worden meegezonden. Daaronder is in ieder geval een projectplan. Op
basis daarvan wordt het project beoordeeld. Daarom dient het in detail uitgewerkt
te zijn. Omdat de aanvragen onderling vergeleken moeten kunnen worden, dient
het projectplan te worden opgesteld overeenkomstig een uniform voorgeschreven
indeling. Het is van groot belang dat uit het projectplan blijkt, dat het
project goed is doordacht en uitgewerkt. Dit komt onder meer tot uitdrukking
in een heldere projectdoelstelling, de voorgestelde aanpak en fasering van
het project, de expertise van de projectbemanning en een duidelijke omschrijving
van de noodzakelijke randvoorwaarden voor en de uiteindelijke perspectieven
van het project. Bij het projectplan hoort een begroting. </al>
      <al>Aanvragen moeten ook vergezeld gaan van de ondertekende overeenkomst,
waarin hetzij de samenwerking hetzij de uitbesteding tussen de ondernemer
en de aannemer van het werk is geregeld. In het aanvraagformulier zal worden
vermeld welke onderwerpen in de overeenkomst ten minste moeten zijn geregeld.
Gedacht moet worden aan onderwerpen als: </al>
      <al>– de partijen in het project, </al>
      <al>– de doelstelling van de interactie, </al>
      <al>– de wijze van interactie tussen de verschillende partijen, </al>
      <al>– de duur van de technologische interactie, </al>
      <al>– de projectorganisatie, </al>
      <al>– de taken en bevoegdheden van de partijen, </al>
      <al>– de kennisinbreng van de partijen, </al>
      <al>– de rechthebbende op de projectresultaten, </al>
      <al>– de wijze waarop, door wie en waar de resultaten van het project
zullen worden bekend gemaakt en gebruikt. </al>
      <al>In geval van een samenwerkingsverband moet bovendien worden gedacht aan
onderwerpen als: </al>
      <al>– de aansprakelijkheid van de deelnemers onderling, </al>
      <al>– de verdeling van kosten en risico's tussen de deelnemers, </al>
      <al>– de verdeling van de subsidie over de deelnemers. </al>
      <al>Indien de samenwerkingsrelatie de vorm heeft van uitbesteding van werk,
zal bij de indiening van de aanvraag duidelijkheid moeten bestaan omtrent
de inhoud van deze relatie, voor zover het de belangrijke onderdelen van het
project betreft. Daarom zal de desbetreffende overeenkomst, evenals de overeenkomst
tussen de deelnemers in een samenwerkingsverband, definitief moeten zijn en
moeten zijn ondertekend. Duidelijkheid is immers nodig voor de beoordeling
van de aanvraag. Met betrekking tot uitbestedingen – zowel door de aanvragende ondernemer als door deelnemers in een samenwerkingsverband –
die niet essentieel zijn voor de beoordeling van de aanvraag, maar wel betrekking
hebben op belangrijke onderdelen van een project, kan volstaan worden met
offertes, concept-overeenkomsten of intentieverklaringen. </al>
      <al>In geval van een samenwerkingsverband gelden alle deelnemers in het verband
als aanvrager en – indien subsidie wordt verleend – subsidie-ontvanger.
Ingevolge het derde lid dient één der deelnemers in het samenwerkingsverband
mede namens de andere deelnemers de aanvraag in te dienen. Dat impliceert,
dat bij de aanvraag machtigingen van de andere deelnemers moeten zijn gevoegd.
Ook de uitbetaling van voorschotten en de procedure betreffende de vaststelling
van het subsidiebedrag lopen via deze zogenaamde penvoerder. Uiterlijk bij
de aanvraag van een eerste voorschot dient de penvoerder zich aansprakelijk
te stellen voor de eventuele terugbetaling van de subsidie. In de overeenkomst
van samenwerking kan geregeld worden in hoeverre hij het bedrag dat hij eventueel
moet terugbetalen kan verhalen op de andere deelnemers in het samenwerkingsverband.
Ook de machtiging tot het indienen van de aanvraag kan in die overeenkomst
worden geregeld.  </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 9 </tuskop>
      <al>In dit artikel zijn afwijzingsgronden opgenomen. Daarnaast kan ook afwijzend
moeten worden beslist als gevolg van artikel 11. Voorts kan afwijzend moeten
worden beslist op grond van artikel 7 van de Kaderwet EZ-subsidies of artikel
4:35 van de Algemene wet bestuursrecht. Afwijzing op grond van dit laatste
artikel is mogelijk indien een gegronde reden bestaat om aan te nemen dat
de activiteiten niet of niet geheel zullen plaatsvinden, dat de aanvrager
niet zal voldoen aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen of dat de
aanvrager niet op een behoorlijke wijze rekening en verantwoording zal afleggen,
en indien de aanvrager onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en
dat geleid zou hebben tot een andere beschikking of failliet is verklaard
of surséance van betaling aan hem is verleend dan wel een verzoek daartoe
is ingediend. </al>
      <al>In ieder geval zal een aanvraag worden afgewezen, indien hij niet voldoet
aan enige bepaling van dit besluit. De belangrijkste daarvan zijn in dit verband
de artikelen 1 en 2. </al>
      <al>Onderdeel b geeft de mogelijkheid een minimumbedrag aan projectkosten
vast te stellen, opdat de uitvoering van het besluit niet te zeer belast wordt
met aanvragen voor al te kleine projecten. </al>
      <al>Ingevolge onderdeel e kunnen bij ministeriële regeling regels gesteld
worden omtrent de mate waarin een aanvrager meerdere malen subsidie kan krijgen.
Niet alleen kunnen individuele aanvragers en samenwerkingsverbanden meerdere
malen subsidie aanvragen, dezelfde aanvragers kunnen ook deel uitmaken van
steeds andere samenwerkingsverbanden. Voorkomen moet worden, dat een onevenredig
groot deel van het beschikbare bedrag terecht komt bij slechts enkele aanvragers.
 </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 10 </tuskop>
      <al>De Adviescommissie maritiem onderzoek adviseert over de aanvragen waarop
niet reeds met toepassing van artikel 9 afwijzend wordt beslist. </al>
      <al>In het tweede lid zijn de gronden opgenomen, die steeds leiden tot een
negatief advies. Daarbij gaat het onder meer om de slaagkans van het project.
Daarbij worden ook betrokken de belemmeringen en mogelijkheden, voortvloeiend
uit regelgeving, normen, certificatie en activiteiten gericht op de aanpassing
daarvan. Daarnaast zal de projectuitvoerder moeten beschikken over de benodigde
organisatorische en technisch-wetenschappelijke kwaliteiten. </al>
      <al>De commissie rangschikt de aanvragen waarover zij positief adviseert aan
de hand van de vraag in welke mate het project bijdraagt aan de economische
en technologische ontwikkeling van de maritieme sector. Hierbij kan worden
gedacht aan het scheppen van mogelijkheden om te komen tot nieuwe of belangrijk
verbeterde producten, werkwijzen of diensten. Verder kan worden gedacht aan
bijvoorbeeld de vergroting van kennis met betrekking tot bepaalde, specifieke
maritieme activiteiten op een of meer bepaalde gebieden, bijvoorbeeld voortstuwing
van vaartuigen, informatica of productietechnieken, de verbetering van een
product of productieproces van het desbetreffende deel van de maritieme sector
en het bijdragen aan de vernieuwingskracht van de aanvrager of het deel van
de maritieme sector waarvan hij deel uitmaakt. </al>
      <al>Bij ministeriële regeling zullen aandachtspunten worden vastgesteld,
die bij de rangschikking in acht zullen worden genomen. Ook omtrent de mate
waarin de verschillende aandachtspunten meewegen zullen daarbij regelen worden
gesteld. </al>
      <al>Gekozen is voor vaststelling bij ministeriële regeling, omdat dit
de vereiste flexibiliteit biedt om deze aandachtspunten en wegingsfactoren
tijdig aan te passen, indien de ontwikkelingen binnen de maritieme sector
daartoe aanleiding geven.  </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 11 </tuskop>
      <al>De commissie adviseert de minister subsidie te verlenen in de volgorde
van rangschikking. De minister zal in de regel dit advies volgen. Dit betekent
dat de minister, beginnend met de hoogst gerangschikte aanvraag, subsidies
verleent totdat het plafond is bereikt en dat hij aanvragen afwijst voor zover
het subsidieplafond door het totaal van door de commissie hoger gerangschikte
aanvragen is bereikt dan wel door verlening van de gevraagde subsidie zou
worden overschreden. Indien blijkt dat het advies van de commissie in strijd
is met dit besluit of niet op zorgvuldige wijze is tot stand gekomen, biedt
het tweede lid een mogelijkheid om van het advies af te wijken. </al>
      <al>Indien een aanvraag is afgewezen als gevolg van een te lage rangschikking
ten opzichte van het subsidieplafond, kan de aanvraag bij een volgende gelegenheid
opnieuw in de beoordeling worden betrokken. Daartoe is wel vereist dat de
aanvraag, eventueel verbeterd, opnieuw wordt ingediend.  </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 13 </tuskop>
      <al>Dit artikel en de drie erop volgende artikelen bevatten bepalingen omtrent
de verplichtingen voor de subsidie-ontvanger. Artikel 13 vormt, tezamen met
artikel 2, de kern van het onderhavige besluit. De projecten moeten ook daadwerkelijk
worden uitgevoerd, binnen de in de beschikking tot subsidieverlening vermelde
periode. Daarbij wordt uitgegaan van de maximum-periode van twee jaar voor
het uitvoeren van een haalbaarheidsproject en van vier jaar voor het uitvoeren
van een onderzoekproject, welke reeds in artikel 9, onder c, is vermeld. Wel
zal rekening worden gehouden met de tijd die redelijkerwijs nodig is voor
het voorbereiden en opstarten van het project. Het is de bedoeling de beschikbare
subsidiemiddelen te gebruiken voor die projecten, die binnen een redelijke
periode bijdragen aan de doelstellingen van dit besluit. In gevallen waarin
verzocht wordt om ontheffing voor het vertragen of stopzetten van het project
zal deze doelstelling dan ook afgewogen worden tegen hetgeen de verzoeker
als zijn belangen naar voren brengt. Daarbij zal mede een rol spelen in hoeverre
de feiten die de vertraging hebben veroorzaakt zijn ontstaan door toedoen
van de betrokkene zelf. </al>
      <al>Niet alleen uit de in dit artikel genoemde artikelen kunnen verplichtingen
voor de subsidie-ontvanger voortvloeien. Bij de subsidieverlening kunnen ook
verplichtingen worden opgelegd met betrekking tot de in artikel 4:37, eerste
lid, Awb genoemde onderwerpen.   </al>
      <tuskop letat="vet">Artikelen 14 en 15 </tuskop>
      <al>De in deze artikelen opgenomen verplichtingen zijn noodzakelijk om tot
een tijdige en deugdelijke vaststelling van het bedrag van de subsidie te
kunnen komen. </al>
      <al>Het formulier waarmee de aanvraag tot subsidievaststelling moet worden
ingediend zal zodanig worden ingericht, dat de subsidie-ontvanger met het
invullen van het formulier kan voldoen aan de ingevolge artikel 4:45 Awb op
hem rustende verplichtingen om aan te tonen dat de gesubsidieerde activiteiten
hebben plaatsgevonden en om rekening en verantwoording af te leggen omtrent
de aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten, voor zover deze voor
de vaststelling van de subsidie van belang zijn. </al>
      <al>In het formulier voor een aanvraag tot vaststelling van het bedrag van
de subsidie zal worden vermeld op welke onderwerpen in een eindverslag als
bedoeld in artikel 15, vierde lid, dient te worden ingegaan. Gedacht moet
worden aan onderwerpen als: </al>
      <al>– de inhoudelijke resultaten van het project alsmede een eindconclusie
ten aanzien van de mate waarin het project, gelet op de doelstelling ervan,
als geslaagd kan worden beschouwd, </al>
      <al>– een evaluatie van de samenwerking, </al>
      <al>– de technische problemen die tijdens het project gerezen zijn en
de wijze van oplossing van deze problemen, </al>
      <al>– de stand van zaken met betrekking tot eventuele octrooiaanvragen, </al>
      <al>– de commerciële vooruitzichten van het project.  </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 16 </tuskop>
      <al>Met de in het eerste lid genoemde verplichtingen wordt beoogd te verzekeren,
dat ondernemers de opgebouwde voorsprong ook jegens derden in stand kunnen
houden. Zo kan bovendien worden voorkomen dat het eventueel toekomstig commercieel
gebruik van de resultaten negatief wordt beïnvloed, hetzij wegens ontbreken
van enige rechtsbescherming, hetzij omdat anderen eerder rechtsbescherming
hebben verworven voor vergelijkbare of overeenkomstige resultaten. Dit sluit
het geven van bekendmaking aan de resultaten van het project niet uit. Met
name technologische instituten en universiteiten kunnen er een gerechtvaardigd
belang bij hebben om hun onderzoeksresultaten te publiceren. In het algemeen
zal daarmee wel moeten worden gewacht tot na de indiening van een octrooi-aanvraag.
In de overeenkomst, waarin de samenwerking wordt geregeld, zullen daarover
afspraken moeten worden gemaakt. </al>
      <al>De kosten die zijn verbonden aan het instandhouden van rechten van intellectuele
eigendom als bedoeld in het eerste lid, onder b, komen voor rekening van de
subsidie-ontvanger. Zij maken geen deel uit van de projectkosten. </al>
      <al>De verplichtingen, genoemd in het tweede en derde lid, liggen in het verlengde
van de in het eerste lid genoemde. Het ter beschikking stellen van projectresultaten
aan derden kan de doelstellingen die de subsidie-aanvragers bij het aanvangen
van het project hadden in gevaar brengen. Hier wordt gesproken over het ter
beschikking stellen, teneinde niet alleen het vervreemden maar ook andere
vormen van kennisoverdracht daaronder te begrijpen. Met het ter beschikking
stellen van al dan niet door intellectuele eigendomsrechten beschermde projectresultaten
aan derden kan de vrijheid van de subsidie-ontvangers in de exploitatie van
de resultaten worden beperkt, terwijl onder omstandigheden ook het belang
van het project voor de Nederlandse economie kan verminderen. Dat belang zal
ook richtsnoer zijn bij het beoordelen van aanvragen om ontheffing van ondernemers. </al>
      <al>Van de in het tweede lid opgenomen verplichting zal in beginsel steeds ontheffing verleend worden, indien het gaat om het ter beschikking
stellen aan een andere ondernemer die in Nederland deel uitmaakt van dezelfde
groep. De ontheffing zal dan wel worden verleend onder de opschortende voorwaarde
dat de andere ondernemer zich jegens de staat verbindt tot nakoming van de
in artikel 16 opgenomen verplichtingen. Indien het gaat om het ter beschikking
stellen van rechten en resultaten aan een of meer leden van dezelfde groep,
behoeft met het aanvragen van de ontheffing niet gewacht te worden tot de
resultaten zijn bereikt. De ontheffing kan ook reeds bij de subsidie-aanvraag
of kort na de subsidieverlening worden gevraagd. </al>
      <al>De in het vierde lid opgenomen verplichting om desgevraagd aan de minister
verslag uit te brengen omtrent de toepassing van de resultaten van het project
is ingegeven door de gedachte dat op die wijze inzicht verworven kan worden
in de doeltreffendheid en de effecten van de subsidies in de praktijk, hetgeen
van belang kan zijn voor het uitvoering geven aan de verslagverplichting,
opgenomen in artikel 5 van de Kaderwet EZ-subsidies. </al>
      <al>Met de verplichting, opgenomen in het vijfde lid wordt beoogd tijdig inzicht
te krijgen in voornemens en motieven van de subsidie-ontvanger om wijzigingen
aan te brengen in de genoemde aspecten van zijn organisatiestructuur. Deze
wijzigingen kunnen onder omstandigheden een ongunstige invloed hebben op het
bereiken van de projectdoelstelling en op de mogelijkheden voor een eventuele
terugvordering van de subsidie. Indien van zo'n ongunstige invloed geen sprake
is, zal ontheffing van de verplichting worden verleend. </al>
      <al>De verplichting tot het geven van bekendheid aan het project na afronding
daarvan, die is opgenomen in het zesde lid, is opgenomen ter bevordering van
de kennisverspreiding met betrekking tot maritieme activiteiten. Ondernemers
die belangstelling hebben voor bepaalde kennis kunnen zich, in de wetenschap
dat er een project op dat gebied is uitgevoerd, wenden tot de betrokken onderneming
of het samenwerkingsverband voor bijvoorbeeld kennisoverdracht of samenwerking.
Tevens is met deze verplichting beoogd te voorkomen dat er onnodige doublures
in onderzoek optreden. Om deze redenen dienen subsidie-ontvangers aan deze
verplichting zo spoedig mogelijk na afronding van het project te voldoen.
 </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 18 </tuskop>
      <al>Dit artikel voorziet in de behoefte aan voorschotten op de subsidie. Ten
einde de administratieve lasten, zowel voor de aanvragers als voor Senter,
beperkt te houden, wordt slechts éénmaal per zes maanden een
voorschot verstrekt en geldt een minimum van f 10 000,00 per voorschot. </al>
      <al>In het eerste lid is bepaald, dat een voorschot wordt verstrekt op een
subsidie terzake waarvan een verleningsbeschikking geldt. Dat impliceert dat,
zolang aan een verlening een opschortende voorwaarde verbonden is, geen voorschotten
worden verstrekt. </al>
      <al>De bepaling in het tweede lid, dat een voorschot wordt berekend naar rato
van de gemaakte en betaalde kosten impliceert, dat per voorschot de gemaakte
en betaalde kosten worden vermenigvuldigd met een breuk, waarvan de teller
gevormd wordt door het maximale subsidiebedrag en de noemer door het bedrag
van de raming van de projectkosten. Beide bedragen worden bij de subsidieverlening
vermeld.  </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 20 </tuskop>
      <al>In het algemeen zal bij het beslissen op een verzoek om een voorschot
onvoldoende inzicht bestaan in de naleving door de betrokkenen van alle aan
de subsidieverlening verbonden verplichtingen. Een beoordeling daarvan is
dan ook niet uitdrukkelijk aan de orde, al was het maar omdat aan
sommige verplichtingen, zoals die van artikel 15, tweede lid, nog niet hoèft
te zijn voldaan. In het geval evenwel Senter ervan op de hoogte is, dat de
aanvrager of een deelnemer in het samenwerkingsverband zich niet houdt aan
een verplichting van de artikelen 13, 14 en 16, ligt het in de rede geen voorschotten
te verstrekken. Aldus kan voorkomen worden dat na vaststelling van het bedrag
van de subsidie financiële middelen moeten worden teruggevorderd.  </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 21 </tuskop>
      <al>De vaststelling van het bedrag van de subsidie is geregeld in de artikelen
4:42 tot en met 4:47 van de Awb. Artikel 21 regelt slechts de termijn waarbinnen
het besluit ter zake genomen wordt. Ingevolge artikel 4:44, derde lid, Awb
kan, indien de aanvraag tot vaststelling niet is ingediend binnen de in artikel
15, tweede lid, bedoelde termijn, de minister de subsidie-ontvanger een termijn
stellen waarbinnen de aanvraag alsnog moet worden ingediend. In verband daarmee
wordt in artikel 21 niet verwezen naar de in artikel 15 bedoelde termijn,
maar wordt gesproken over «de voor het indienen ervan geldende termijn». </al>
      <al>De hoofdregel van artikel 4:46 Awb is, dat vaststelling plaats vindt overeenkomstig
de verlening. Daarbij moeten, nu daarbij niet het bedrag van de subsidie wordt
vermeld, de wel in de verleningsbeschikking vermelde wijze waarop dit bedrag
wordt bepaald en het bedrag waarop de subsidie ten hoogste kan worden vastgesteld
in aanmerking worden genomen. </al>
      <al>Ingevolge art.4:46, tweede lid, Awb kan het subsidiebedrag in vier gevallen
lager worden vastgesteld: </al>
      <al>a. indien de activiteiten niet of niet geheel hebben plaatsgevonden; </al>
      <al>b. indien de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen; </al>
      <al>c. indien de subsidie-ontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft
verstrekt en dat geleid heeft tot een andere verleningsbeschikking; </al>
      <al>d. indien de subsidieverlening anderszins onjuist was en de subsidie-ontvanger
dit wist of behoorde te weten. </al>
      <al>Daarnaast kan het subsidiebedrag lager worden vastgesteld ingevolge artikel
3, derde lid, van het onderhavige besluit.  </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 22 </tuskop>
      <al>In dit artikel zijn, voor de periode tot de inwerkingtreding van de derde
tranche van de Awb, een aantal artikelen daaruit van toepassing verklaard.
Daarbij gaat het om artikelen die bepalingen bevatten met betrekking tot onderwerpen,
die voorheen in besluiten op grond van de Kaderwet verstrekking financiële
middelen EZ werden geregeld. Enkele van die onderwerpen zijn inmiddels geregeld
in de Kaderwet EZ-subsidies, die gelijktijdig met de derde tranche van de
Awb in werking zal treden. Niet van toepassing zijn verklaard artikelen die
bepalingen bevatten met betrekking tot de in de artikelen 7 en 8 van de Kaderwet
verstrekking financiële middelen EZ geregelde onderwerpen. Deze blijven
immers nog van kracht totdat die wet bij het inwerkingtreden van de Kaderwet
EZ-subsidies wordt ingetrokken. Hetzelfde geldt voor de definitie van het
begrip «ondernemer» in artikel 1 van de Kaderwet verstrekking
financiële middelen EZ. In verband daarmee is bepaald dat de in artikel
1, onder a, van het onderhavige besluit opgenomen definitie niet van toepassing
is zolang de laatstgenoemde wet nog geldt. </al>
      <al>Voor alle duidelijkheid zij erop gewezen, dat het van toepassing verklaren
van artikelen uit de derde tranche van de Awb en uit de Kaderwet EZ-subsidies
niet tot gevolg heeft, dat deze bepalingen in werking treden. Dat zal eerst
later gebeuren, krachtens een koninklijk besluit. Van toepassing verklaren
betekent in dit verband slechts, dat de inhoud van de bepalingen
deel gaat uitmaken van het onderhavige besluit. De wettelijke basis daarvoor
is de Kaderwet verstrekking financiële middelen EZ.  </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 23 </tuskop>
      <al>Op grond van de Subsidieregeling maritiem onderzoek konden tot en met
30 juni 1997 aanvragen om subsidie worden ingediend. In verband met het bepaalde
in artikel 2, tweede lid, van de Kaderwet verstrekking financiële middelen
EZ moest het voor de regeling ter beschikking gestelde subsidieplafond beperkt
blijven tot f 20 miljoen. Het tweede lid maakt het mogelijk dat, wanneer
in 1997 een nieuwe tenderperiode wordt vastgesteld, voor de in die periode
ingediende aanvragen subsidie kan worden verleend op grond van dit besluit.
Wel zijn op die aanvragen de artikelen 1 tot en met 4 van de Subsidieregeling
maritiem onderzoek van toepassing.  </al>
      <minister>
        <minvan>De Minister van Economische Zaken, </minvan>
        <naam>G. J. Wijers </naam>
      </minister>
    </notatoe>
  </backm>
</staatsbl>