﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<!DOCTYPE staatsbl PUBLIC "-//SDU//DTD staatsblad xml 1.1//NL" "../../dtd/staatsbl-11.dtd"[]>
<staatsbl id="sb997.554" soort="kb" publtype="kobe">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-1997-554/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel status="off">Staatsblad</titel>
    <subtitel>van het Koninkrijk der Nederlanden</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.4" conv="port1.2" markup="c1xa"></versie>
    <ordernr>STB3626 </ordernr>
    <stb>
      <jaargang jaar="1997">Jaargang 1997</jaargang>
      <stbjaar>1997 </stbjaar>
      <stbnr>554  </stbnr>
    </stb>
    <intitule>
      <soort>Besluit</soort> van 14 november 1997, houdende regels inzake
de verstrekking van kredieten voor de ontwikkeling van elektronische diensten
(Besluit kredieten elektronische-dienstenontwikkeling)</intitule>
    <aanhef>
      <wie>Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz. </wie>
      <consider>
        <al>Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken van 19 juni 1997,
nr. WJA/JZ 97034223; </al>
        <al>Gelet op <grslag>artikel 2 van de Kaderwet verstrekking financiële
middelen EZ</grslag>; </al>
        <al>De Raad van State gehoord (advies van 7 oktober 1997, nr. W10.97.0354); </al>
        <al>Gezien het nader rapport van Onze Minister van Economische Zaken van 29
oktober 1997, nr. WJA/JZ 97063968;</al>
      </consider>
      <afkondig>Hebben goedgevonden en verstaan:</afkondig>
    </aanhef>
  </frontm>
  <body>
    <par>
      <kop>
        <nr>§ 1. </nr>
        <titel status="off">Algemene bepalingen  </titel>
      </kop>
      <art id="a1">
        <kop>
          <nr>Artikel 1 </nr>
        </kop>
        <al>In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: </al>
        <al>a. ondernemer: een natuurlijke persoon of rechtspersoon, niet zijnde een
rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld, die een onderneming
in stand houdt; </al>
        <al>b. groep: een economische eenheid waarin organisatorisch zijn verbonden: </al>
        <al>1°. een natuurlijke persoon of privaatrechtelijke rechtspersoon die
direct of indirect: </al>
        <al>– meer dan de helft van het geplaatste kapitaal verschaft aan, </al>
        <al>– volledig aansprakelijk vennoot is van of </al>
        <al>– overwegende zeggenschap heeft over een of meer rechtspersonen
of vennootschappen en </al>
        <al>2°. laatstbedoelde rechtspersonen of vennootschappen; </al>
        <al>c. ontwikkelingsproject: een creatieve systematische activiteit, gericht
op het omzetten van de resultaten van industrieel onderzoek in plannen, schema's
of ontwerpen voor elektronische diensten dan wel wezenlijke onderdelen daarvan,
die nieuw zijn voor Nederland; </al>
        <al>d. elektronische dienst: een netwerkgebaseerde multimediadienst of een
intermediaire dienst, niet zijnde een elektronische dienst die bij regeling
van Onze Minister is uitgesloten; </al>
        <al>e. netwerkgebaseerde multimediadienst: geïntegreerde presentatie, toegang en overdracht van beeld, geluid en data via de telematica-infrastructuur,
waarbij sprake is van interactie met de gebruiker; </al>
        <al>f. intermediaire dienst: dienst met gebruikmaking van een elektronisch
hulpmiddel dat algemeen toepasbaar is bij het gebruik van of de toegang tot
netwerk gebaseerde multimediadiensten. </al>
      </art>
      <art id="a2">
        <kop>
          <nr>Artikel 2 </nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1. </nr>
          <al>Onze Minister verstrekt op aanvraag een subsidie in de vorm van een krediet
aan een ondernemer die voor eigen rekening en risico een ontwikkelingsproject
uitvoert. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2. </nr>
          <al>Geen krediet wordt verstrekt, indien voor het project reeds door Onze
Minister subsidie is verstrekt. </al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a3">
        <kop>
          <nr>Artikel 3 </nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1. </nr>
          <al>Het krediet bedraagt 40 procent van de projectkosten, doch niet meer dan
een bij regeling van Onze Minister vastgesteld bedrag. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2. </nr>
          <al>Indien ter zake van de projectkosten of een deel daarvan reeds door een
ander bestuursorgaan of de Commissie van de Europese Gemeenschappen subsidie
is verstrekt, wordt slechts een zodanig bedrag aan krediet verstrekt, dat
het totale bedrag aan subsidies niet meer bedraagt dan het bedrag ingevolge
het eerste lid. </al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a4">
        <kop>
          <nr>Artikel 4 </nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1. </nr>
          <al>Als projectkosten worden uitsluitend in aanmerking genomen: </al>
          <al>a. de volgende, rechtstreeks aan het project toe te rekenen, na de indiening
van de aanvraag door de kredietontvanger gemaakte en betaalde kosten: </al>
          <al>1°. loonkosten, met dien verstande dat wordt uitgegaan van een uurloon,
berekend op basis van het bruto jaarloon bij een volledige dienstbetrekking
volgens de kolommen 3, 4 en 13 van de loonstaat van het betrokken directe
personeel, exclusief volledig winstafhankelijke uitkeringen, verhoogd met
de wettelijke dan wel de op grond van een individuele of collectieve arbeidsovereenkomst
verschuldigde opslagen voor sociale lasten; </al>
          <al>2°. aan derden verschuldigde kosten ter zake van door hen verrichte
arbeid, exclusief winstopslagen bij transacties binnen een groep; </al>
          <al>b. een opslag voor algemene kosten, groot 40 procent van de onder a, aanhef
en 1°, bedoelde kosten. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2. </nr>
          <al>Indien geen loonkosten als bedoeld in het eerste lid, onder a, aanhef
en 1°, worden gemaakt maar niettemin arbeid voor het project wordt verricht,
kan Onze Minister daarvoor een redelijk bedrag vaststellen dat als projectkosten
mede in aanmerking wordt genomen. </al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a5">
        <kop>
          <nr>Artikel 5 </nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1. </nr>
          <al>Er is een Adviescommissie elektronische diensten, die tot taak heeft Onze
Minister op zijn verzoek te adviseren omtrent aanvragen om een krediet op
grond van dit besluit. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2. </nr>
          <al>De commissie bestaat uit een voorzitter, tevens lid, en ten minste twee
en ten hoogste zes andere leden. De leden zijn deskundig op het terrein waarop
de commissie een taak heeft en zijn geen ambtenaren, werkzaam bij het Ministerie
van Economische Zaken. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>3. </nr>
          <al>De voorzitter en de leden worden door de minister voor een termijn van
ten hoogste drie jaar benoemd. Zij zijn te allen tijde opnieuw benoembaar. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>4. </nr>
          <al>De commissie stelt haar eigen werkwijze vast.  </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>5. </nr>
          <al>Onze Minister kan waarnemers aanwijzen, die het recht hebben de vergaderingen
van de commissie bij te wonen. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>6. </nr>
          <al>In het secretariaat van de commissie wordt door Onze Minister voorzien. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>7. </nr>
          <al>Het beheer van de bescheiden betreffende de werkzaamheden van de commissie
geschiedt op overeenkomstige wijze als bij het Ministerie van Economische
Zaken. De bescheiden worden na beëindiging van de werkzaamheden van de
commissie opgeborgen in het archief van dat ministerie. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>8. </nr>
          <al>De commissie verstrekt desgevraagd aan Onze Minister de voor de uitoefening
van zijn taak benodigde inlichtingen. Onze Minister kan inzage vorderen van
zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover dat voor de vervulling van zijn
taak redelijkerwijs nodig is. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>9. </nr>
          <al>De commissie stelt jaarlijks voor 1 april een verslag op van zijn werkzaamheden
in het afgelopen kalenderjaar. Op verzoek van Onze Minister, maar ten minste
elk vierde jaar, stelt de commissie tevens een evaluatieverslag op, waarin
zij aandacht besteedt aan de doelmatigheid en doeltreffendheid van haar taakvervulling.
Het jaarverslag en het evaluatieverslag worden aan Onze Minister toegezonden
en algemeen verkrijgbaar gesteld. </al>
        </lid>
      </art>
    </par>
    <par>
      <kop>
        <nr>§ 2. </nr>
        <titel status="off">Aanvragen  </titel>
      </kop>
      <art id="a6">
        <kop>
          <nr>Artikel 6 </nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1. </nr>
          <al>Onze Minister stelt bij ministeriële regeling perioden vast, na afloop
waarvan de aanvragen die in die periode zijn ontvangen en voldoen aan de wettelijke
voorschriften, worden behandeld. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2. </nr>
          <al>Onze Minister stelt voorts bij ministeriële regeling een subsidieplafond
vast voor het verlenen van subsidies op in een periode ontvangen aanvragen.
Daarbij kan hij afzonderlijke subsidieplafonds vaststellen voor bepaalde categorieën
aanvragers en voor bepaalde categorieën projecten. </al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a7">
        <kop>
          <nr>Artikel 7 </nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1. </nr>
          <al>Een aanvraag om een krediet wordt ingediend met gebruikmaking van het
origineel van een ondertekend formulier, dat door Onze Minister wordt vastgesteld.
Onze Minister kan bij ministeriële regeling hiervan vrijstelling verlenen. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2. </nr>
          <al>De aanvraag gaat vergezeld van een projectplan en een begroting voor het
project alsmede van andere bescheiden, overeenkomstig hetgeen in het formulier
is vermeld. </al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a8">
        <kop>
          <nr>Artikel 8 </nr>
        </kop>
        <al>Onze Minister geeft op de aanvraag een beschikking binnen dertien weken
na afloop van de in artikel 6 bedoelde periode. Indien de beschikking niet
binnen dertien weken kan worden gegeven, stelt Onze Minister de aanvrager
daarvan in kennis en noemt hij daarbij een redelijke termijn waarbinnen de
beschikking tegemoet kan worden gezien. </al>
      </art>
      <art id="a9">
        <kop>
          <nr>Artikel 9 </nr>
        </kop>
        <al>Onze Minister beslist in ieder geval afwijzend op een aanvraag: </al>
        <al>a. indien de aanvraag niet voldoet aan dit besluit en de daarop berustende
bepalingen; </al>
        <al>b. voor zover door kredietverlening aan de aanvrager dan wel tot dezelfde
groep behorende ondernemers krachtens dit besluit aan kredieten meer zou worden
toegezegd dan een bij regeling van Onze Minister vastgesteld bedrag.  </al>
      </art>
      <art id="a10">
        <kop>
          <nr>Artikel 10 </nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1. </nr>
          <al>Onze Minister wint omtrent de aanvragen waarop niet met toepassing van
artikel 9 afwijzend wordt beslist, het advies in van de Adviescommissie elektronische
diensten. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2. </nr>
          <al>De commissie geeft aan Onze Minister in ieder geval een negatief advies: </al>
          <al>a. indien van het ontwikkelingsproject onvoldoende positieve gevolgen
voor de Nederlandse economie te verwachten zijn; </al>
          <al>b. indien onvoldoende vertrouwen bestaat in de technische en economische
haalbaarheid van het ontwikkelingsproject, in het bijzonder de mogelijkheid
het krediet en de bijgeschreven rente af te lossen binnen de economische levensduur
van de eruit voortvloeiende diensten; </al>
          <al>c. indien gegronde vrees bestaat dat de betrokkene het project niet kan
financieren; </al>
          <al>d. indien onvoldoende vertrouwen bestaat dat de betrokkene de capaciteiten
heeft en zal kunnen beschikken over voldoende financiële middelen om
bij welslagen van het project de commercialisatie van de resultaten ervan
en de eruit voortvloeiende dienstverlening alleen of in samenwerking met derden
ter hand te nemen; </al>
          <al>e. indien onvoldoende vertrouwen bestaat dat de aanvrager de capaciteiten
heeft om het ontwikkelingsproject naar behoren uit te voeren; </al>
          <al>f. indien zij de projectkosten raamt op minder dan een bij regeling van
Onze Minister vastgesteld bedrag. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>3. </nr>
          <al>De commissie rangschikt per groep van aanvragen waarvoor een subsidieplafond
geldt de aanvragen waaromtrent zij positief adviseert zodanig, dat een project
hoger wordt gerangschikt naarmate het meer bijdraagt aan de totstandkoming
van de elektronische snelwegen in Nederland, gelet op bij regeling van Onze
Minister vastgestelde aandachtspunten. </al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a11">
        <kop>
          <nr>Artikel 11 </nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1. </nr>
          <al>Onze Minister verdeelt het beschikbare bedrag in de volgorde van rangschikking
van de aanvragen door de Adviescommissie elektronische diensten. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2. </nr>
          <al>Onze Minister kan afwijken van het eerste lid, indien een advies van de
commissie in strijd is met dit besluit dan wel niet op zorgvuldige wijze tot
stand is gekomen. </al>
        </lid>
      </art>
    </par>
    <par>
      <kop>
        <nr>§ 3. </nr>
        <titel status="off">Kredietverlening en verplichtingen van de kredietontvanger
 </titel>
      </kop>
      <art id="a12">
        <kop>
          <nr>Artikel 12 </nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1. </nr>
          <al>Onze Minister geeft een beschikking tot kredietverlening slechts onder
de voorwaarde, dat de beschikking vervalt, indien de betrokkene niet voor
een door Onze Minister te bepalen tijdstip meewerkt aan de totstandkoming
van een overeenkomst met de staat, overeenkomstig een bij de beschikking gevoegd
aanbod. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2. </nr>
          <al>De in het eerste lid bedoelde overeenkomst bevat in ieder geval voor de
betrokkene verplichtingen ter zake van: </al>
          <al>a. de tenaamstelling, verwerving, instandhouding, exploitatie en vervreemding
van rechten van intellectuele eigendom op de resultaten van het project; </al>
          <al>b. de vervreemding van aanspraken op een intellectueel eigendomsrecht
op de resultaten van het project en de rechten die voortvloeien uit de aanvraag
om een intellectueel eigendomsrecht; </al>
          <al>c. de terbeschikkingstelling van niet door rechten van intellectuele eigendom
beschermde resultaten van het project;  </al>
          <al>d. de vervreemding van de onderneming waarin het project wordt uitgevoerd; </al>
          <al>e. de ontbinding van de betrokken rechtspersoon, vennootschap onder firma
of maatschap en het uittreden van een of meer deelnemers daarvan; </al>
          <al>f. de commercialisatie van de resultaten van het project; </al>
          <al>g. de verstrekking aan Onze Minister van informatie over de omzet, die
is en naar verwachting kan worden gerealiseerd met de uit het project voortvloeiende
of ervan afgeleide dienstverlening, alsmede de inrichting van de administratie
in verband daarmee; </al>
          <al>h. de vergoeding van rente over de verstrekte bedragen, met inachtneming
van een bij regeling van Onze Minister vastgesteld tarief;  </al>
          <al>i. de aflossing van het krediet en de rente; </al>
          <al>j. de betaling van een boete, indien de betrokkene niet heeft voldaan
aan zijn verplichtingen. </al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a13">
        <kop>
          <nr>Artikel 13 </nr>
        </kop>
        <al>Op de kredietontvanger rusten de in de artikelen 14, 16 en 17 opgenomen
verplichtingen. </al>
      </art>
      <art id="a14">
        <kop>
          <nr>Artikel 14 </nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1. </nr>
          <al>De kredietontvanger voert het project uit overeenkomstig het projectplan
waarop de kredietverlening betrekking heeft en voor het bij de verlening bepaalde
tijdstip, behoudens voorafgaande ontheffing van Onze Minister voor het essentieel
wijzigen, het vertragen of het stopzetten van het project. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2. </nr>
          <al>De kredietontvanger voert het project in Nederland uit, behoudens voorafgaande
ontheffing van Onze Minister voor gedeeltelijke uitvoering buiten Nederland. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>3. </nr>
          <al>De kredietontvanger brengt steeds na afloop van een periode van zes maanden
aan Onze Minister schriftelijk verslag uit omtrent de uitvoering van het ontwikkelingsproject,
met inbegrip van een vergelijking van die uitvoering met het projectplan en
de bij de kredietverlening vermelde raming van de projectkosten en doet mededeling
van de activiteiten die zijn ondernomen ten behoeve van de commercialisatie
van de resultaten van het ontwikkelingsproject en van de vooruitzichten ter
zake van die commercialisatie. </al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a15">
        <kop>
          <nr>Artikel 15 </nr>
        </kop>
        <al>Onze Minister kan een ontheffing als bedoeld in artikel 14, eerste en
tweede lid, verlenen onder de voorwaarde dat deze eerst van kracht wordt nadat
overeenstemming is bereikt over wijziging van de overeenkomst, bedoeld in
artikel 12, eerste lid. </al>
      </art>
      <art id="a16">
        <kop>
          <nr>Artikel 16 </nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1. </nr>
          <al>De kredietontvanger dient zijn aanvraag om kredietvaststelling bij Onze
Minister in binnen dertien weken na het tijdstip waarop het project ingevolge
artikel 14, eerste lid, moet zijn uitgevoerd. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2. </nr>
          <al>De aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van het origineel van een
ondertekend formulier, dat door Onze Minister wordt vastgesteld. Onze Minister
kan bij ministeriële regeling hiervan vrijstelling verlenen. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>3. </nr>
          <al>De aanvraag gaat vergezeld van een eindverslag omtrent de uitvoering en
de resultaten van het project, alsmede van andere bescheiden die in het formulier
zijn vermeld. </al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a17">
        <kop>
          <nr>Artikel 17 </nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1. </nr>
          <al>De kredietontvanger voert een administratie die zodanig is ingericht,
dat daaruit te allen tijde op eenvoudige en duidelijke wijze de projectkosten
kunnen worden afgelezen, gespecificeerd overeenkomstig de in artikel 4, eerste
lid, onderscheiden kostensoorten, met dien verstande dat ter zake van de loonkosten
een door middel van een sluitende tijdschrijving vastgestelde urenverantwoording
per werknemer aanwezig dient te zijn. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2. </nr>
          <al>De kredietontvanger doet onverwijld nadat een verzoek tot verlening van
surséance van betaling aan of faillietverklaring van hem bij de rechtbank
is ingediend daarvan schriftelijk mededeling aan Onze Minister. </al>
        </lid>
      </art>
    </par>
    <par>
      <kop>
        <nr>§ 4. </nr>
        <titel status="off">Voorschotten  </titel>
      </kop>
      <art id="a18">
        <kop>
          <nr>Artikel 18 </nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1. </nr>
          <al>Op een krediet ter zake waarvan een beschikking tot kredietverlening geldt,
kunnen op aanvraag van de kredietontvanger door Onze Minister voorschotten
worden verstrekt. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2. </nr>
          <al>Een voorschot bedraagt 40 procent van de projectkosten die zijn gemaakt
en betaald, voor zover deze nog niet eerder bij de verstrekking van een voorschot
in aanmerking zijn genomen. In totaal zal het bedrag aan voorschotten niet
groter zijn dan 80 procent van het in artikel 3, eerste lid, bedoelde bedrag. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>3. </nr>
          <al>Bij de toepassing van het tweede lid wordt de opslag, bedoeld in artikel
4, eerste lid, onder b, geacht gemaakt en betaald te zijn voor zover de kosten
waarover hij wordt berekend zijn gemaakt en betaald. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>4. </nr>
          <al>Een voorschot wordt slechts verstrekt, indien het bedrag aan voorschot
ten minste f 10 000,00 bedraagt. </al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a19">
        <kop>
          <nr>Artikel 19 </nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1. </nr>
          <al>Een aanvraag wordt ingediend gelijktijdig met het uitbrengen van een verslag
als bedoeld in artikel 14, derde lid. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2. </nr>
          <al>De aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van het origineel van een
ondertekend formulier, dat door Onze Minister wordt vastgesteld. Onze Minister
kan bij ministeriële regeling hiervan vrijstelling verlenen. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>3. </nr>
          <al>De aanvraag gaat vergezeld van de bescheiden die in het formulier zijn
vermeld. </al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a20">
        <kop>
          <nr>Artikel 20 </nr>
        </kop>
        <al>Onze Minister kan afwijzend beschikken op een aanvraag, indien de kredietontvanger
niet heeft voldaan aan ingevolge de kredietverlening voor hem geldende verplichtingen. </al>
      </art>
    </par>
    <par>
      <kop>
        <nr>§ 5. </nr>
        <titel status="off">Kredietvaststelling  </titel>
      </kop>
      <art id="a21">
        <kop>
          <nr>Artikel 21 </nr>
        </kop>
        <al>Onze Minister geeft de beschikking tot kredietvaststelling binnen dertien
weken na ontvangst van de aanvraag daartoe dan wel nadat de voor het indienen
ervan geldende termijn is verstreken. Indien de beschikking niet binnen dertien
weken kan worden gegeven, stelt Onze Minister de kredietontvanger daarvan
in kennis en noemt hij daarbij een redelijke termijn waarop de beschikking
wel tegemoet kan worden gezien.  </al>
      </art>
    </par>
    <par>
      <kop>
        <nr>§ 6. </nr>
        <titel status="off">Kwijtschelding  </titel>
      </kop>
      <art id="a22">
        <kop>
          <nr>Artikel 22 </nr>
        </kop>
        <al>Onze Minister kan op aanvraag van de kredietontvanger het krediet en de
rentevergoeding kwijtschelden, indien de kredietontvanger heeft voldaan aan
alle ingevolge de kredietverlening voor hem geldende verplichtingen en </al>
        <al>a. het ontwikkelingsproject technisch is mislukt, Onze Minister op grond
daarvan met toepassing van artikel 14, eerste lid, ontheffing heeft gegeven
voor het stopzetten van het project en de aanvrager aannemelijk maakt, dat
met uit het project voortvloeiende of ervan afgeleide productie of dienstverlening
geen omzet zal worden gerealiseerd, of </al>
        <al>b. sedert de vaststelling van het bedrag van het krediet in een aaneengesloten
periode van vijf jaren met uit het ontwikkelingsproject voortvloeiende of
ervan afgeleide productie of dienstverlening geen omzet is gerealiseerd en
de aanvrager aannemelijk maakt, dat zulks in de komende vijf jaren ook niet
meer kan worden verwacht. </al>
      </art>
      <art id="a23">
        <kop>
          <nr>Artikel 23 </nr>
        </kop>
        <al>Onze Minister geeft een beschikking binnen dertien weken na ontvangst
van de aanvraag. Indien de beschikking niet binnen dertien weken kan worden
gegeven, stelt Onze Minister de aanvrager daarvan in kennis en noemt hij daarbij
een redelijke termijn waarbinnen de beschikking tegemoet kan worden gezien. </al>
      </art>
    </par>
    <par>
      <kop>
        <nr>§ 7. </nr>
        <titel status="off">Overgangs- en slotbepalingen  </titel>
      </kop>
      <art id="a24">
        <kop>
          <nr>Artikel 24 </nr>
        </kop>
        <al>Tot het tijdstip waarop de Kaderwet EZ-subsidies in werking treedt gelden
de volgende bepalingen: </al>
        <al>a. artikel 1, onder a, van dit besluit is niet van toepassing; </al>
        <al>b. de artikelen 4:25, tweede en derde lid, 4:30, 4:31, 4:35, eerste lid
en tweede lid, aanhef en onder a, 4:37, 4:40, 4:44, derde en vierde lid, 4:45,
4:46, eerste lid, tweede lid, aanhef en onder a en d, en derde lid, en 4:47
van de Algemene wet bestuursrecht zijn van toepassing; </al>
        <al>c. artikel 7 van de Kaderwet EZ-subsidies is van toepassing; </al>
        <al>d. artikel 8 van de Kaderwet EZ-subsidies en afdeling 5.2 van de Algemene
wet bestuursrecht zijn van toepassing. </al>
      </art>
      <art id="a25">
        <kop>
          <nr>Artikel 25 </nr>
        </kop>
        <al>Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte
van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. </al>
      </art>
      <art id="a26">
        <kop>
          <nr>Artikel 26 </nr>
        </kop>
        <al>Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit kredieten elektronische-dienstenontwikkeling.  </al>
      </art>
    </par>
  </body>
  <backm>
    <nawerk>
      <slotform>Lasten en bevelen dat dit besluit en de daarbij behorende nota van
toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst. </slotform>
      <histnoot>
        <al>Het advies van de Raad van State is openbaar gemaakt door terinzagelegging
bij het Ministerie van Economische Zaken. </al>
        <al>Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage gelegde stukken worden
opgenomen in het bijvoegsel bij de Staatscourant van 9 december 1997, nr.
237.</al>
      </histnoot>
      <ondertek>
        <ondplts>'s-Gravenhage, </ondplts>
        <onddatum>14 november 1997 </onddatum>
        <koning>Beatrix  </koning>
        <minister>
          <minvan>De Minister van Economische Zaken, </minvan>
          <naam>G. J. Wijers </naam>
        </minister>
      </ondertek>
      <uitgifte>
        <uitgifte-regel>Uitgegeven de <nadruk type="cur">zevenentwintigste</nadruk> november 1997 </uitgifte-regel>
        <uitdag>zevenentwintigste</uitdag>
        <uitmaand>november</uitmaand>
        <uitjaar>1997 </uitjaar>
        <door>
          <minvan>De Minister van Justitie, </minvan>
          <naam>W. Sorgdrager </naam>
        </door>
      </uitgifte>
    </nawerk>
    <notatoe>
      <kop>
        <titel status="off">NOTA VAN TOELICHTING  </titel>
      </kop>
      <tuskop letat="vet">Algemeen </tuskop>
      <al>Het onderhavige besluit behelst de voortzetting van de Kredietregeling
elektronische diensten-ontwikkeling 1996. Deze regeling, die op 1 juli 1997
is vervallen, is succesvol gebleken. Er zijn meer dan 110 aanvragen ingediend,
met aan gevraagde kredieten een viervoud van het beschikbare bedrag. Als gevolg
daarvan kon voor 28 veelbelovende projecten die volledig aan de doelstelling
van de regeling beantwoordden, krediet worden verleend. Met dit besluit wordt
dan ook het beleid voortgezet waarmee wordt beoogd de totstandkoming van de
elektronische snelwegen in Nederland te bevorderen door het stimuleren van
de ontwikkeling van nieuwe elektronische diensten. Beleidsinhoudelijk verschilt
het onderhavige besluit niet van de voorgaande regeling. </al>
      <al>Met «elektronische snelwegen» wordt gedoeld op het geheel
van informatie- en communicatienetwerken en daarbij benodigde randapparatuur,
elektronische diensten en de te realiseren toepassingen. Beoogd wordt de marktintroductie
van nieuwe, commercieel haalbare, elektronische diensten te versnellen. De
stimulans bestaat uit het verstrekken van krediet aan ondernemers voor projecten
die daarvoor in aanmerking komen. De terugbetaling van het krediet is gekoppeld
aan de mate van commercieel succes van het project. De overheid draagt aldus
mede het risico dat is verbonden aan de ontwikkeling van nieuwe elektronische
diensten. </al>
      <al>Het onderhavige besluit is gebaseerd op de Kaderwet verstrekking financiële
middelen EZ. Deze zal worden vervangen door de Kaderwet EZ-subsidies, die
tegelijk met de derde tranche van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in werking
zal treden. Het is de bedoeling dat het besluit daarna op de Kaderwet EZ-subsidies
gebaseerd zal zijn. Daartoe zal in deze wet bij gelegenheid van de aanpassingswetgeving
voor de derde tranche van de Awb een voorziening worden opgenomen. In dit
besluit is reeds vooruitgelopen op de Awb. Dat maakte het wel noodzakelijk
in artikel 24 enige overgangsbepalingen op te nemen. </al>
      <al>Het besluit zal namens de Minister van Economische Zaken worden uitgevoerd
door het Agentschap Senter, de uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van
Economische Zaken voor technologie, energie en milieu. </al>
      <al>De zakelijke inhoud van het voorgenomen besluit is bij brieven van 5 juni
1997 meegedeeld aan beide Kamers der Staten-Generaal. </al>
      <al>Conform artikel 4.6 van de Communautaire kaderregeling inzake staatssteun
voor onderzoek en ontwikkeling (PbEG 1996, C 45) is de Commissie van de Europese
Gemeenschappen bij brief van 23 april 1997 geïnformeerd over het ontwerp-besluit.
 </al>
      <tuskop letat="vet">Artikelen  </tuskop>
      <tuskop letat="cur">Artikel 1 </tuskop>
      <al>Het besluit is gericht op ondernemers. Daarbij zijn uitgesloten krachtens
publiekrecht ingestelde rechtspersonen, die een onderneming in stand houden.
Dat geldt ook, indien het een privaatrechtelijke rechtspersoon betreft, die
krachtens publiekrecht is ingesteld. </al>
      <al>Een ontwikkelingsproject is gedefinieerd overeenkomstig de omschrijving
van «pre-concurrentiële ontwikkeling» in artikel 2, 2 van
de Communautaire kaderregeling inzake staatssteun voor onderzoek en ontwikkeling,
juncto bijlage 1 van die regeling. Het sluit aan op de fase van «industrieel
onderzoek». Een idee waarvan de haalbaarheid op nog geen enkele wijze
is aangetoond is nog niet rijp voor de ontwikkelingsfase. </al>
      <al>Onder elektronische diensten worden zowel netwerkgebaseerde multimediadiensten
als intermediaire diensten verstaan. Drie criteria spelen een rol bij het
bepalen of een dienst een netwerkgebaseerde multimediadienst is. Ten eerste
moet er sprake zijn van geïntegreerde presentatie, toegang tot en overdracht
van beeld, geluid en data. Ten tweede dient de overdracht van informatie van
de aanbieder van de dienst aan de gebruiker via de telematica-infrastructuur
plaats te vinden. Onder telematica-infrastructuur vallen telefoonnetwerken,
kabeltelevisienetwerken en ether- en satellietnetwerken. Ten derde dient er
sprake te zijn van interactie met de gebruiker. De gebruiker moet in staat
zijn de manier waarop de dienst wordt aangeboden te beïnvloeden. De ontwikkeling
van een CD-I of CD-ROM komt in het kader van dit besluit niet voor kredietverlening
in aanmerking. </al>
      <al>Onder een intermediaire dienst wordt een algemeen toepasbaar hulpmiddel
bij het gebruik van of de toegang tot netwerkgebaseerde multimediadiensten
verstaan. Daarmee wordt de gebruiker in staat gesteld makkelijker toegang
te krijgen tot of gebruik te maken van multimediadiensten. Een voorbeeld van
een intermediaire dienst is een zoekmechanisme. Om in de grote hoeveelheid
aan informatie die wordt aangeboden de gewenste informatie snel te vinden
en te ontsluiten heeft de gebruiker een hulpmiddel nodig. De ontwikkeling
van een dergelijk zoekmechanisme is complex en kostbaar. Een ander voorbeeld
is een betaalmechanisme. Veilig elektronisch betalen voor multimediadiensten
is een absolute voorwaarde voor de groei van het aanbod en gebruik van die
diensten. Een uniform betaalmechanisme is er nog niet.  </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 2 </tuskop>
      <al>Dit artikel bevat, te zamen met de afwijzingsgronden van artikel 9 en
de in artikel 10 genoemde gronden voor een negatief advies, de criteria voor
het verstrekken van krediet. Centraal in de criteria staat dat het moet gaan
om een ontwikkelingsproject in de zin van dit besluit. Dit impliceert dat
moet worden voldaan aan alle in de definitie van artikel 1, onder c, opgenomen
elementen. </al>
      <al>De Awb verstaat onder subsidies ook kredieten. Ten einde er geen misverstand
over te laten bestaan dat hetgeen in de Awb bepaald wordt over subsidies onverkort
van toepassing is op kredieten die worden verstrekt op grond van het onderhavige
besluit, wordt in dit besluit de eerste keer dat het krediet aan de orde komt
gesproken over «subsidie in de vorm van een krediet». In de volgende
artikelen wordt volstaan met «krediet». </al>
      <al>Het is mogelijk dat een project op grond van meer dan één
regeling voor subsidie in aanmerking kan komen. Dat kan een regeling van een
ander ministerie zijn, maar ook binnen het stimuleringsinstrumentarium van
het Ministerie van Economische Zaken is het niet uitgesloten. Omdat ik het
ongewenst acht dat ten behoeve van één project beroep gedaan
kan worden op meer subsidie-instrumenten van het Ministerie van Economische
Zaken, is er in voorzien dat slechts op grond van één regeling
subsidie (of krediet) wordt verstrekt. Dat betekent bijvoorbeeld dat projecten
waarvoor een technisch ontwikkelingkrediet op grond van het Besluit technische
ontwikkelingskredieten 1997 is verleend, niet in aanmerking komen voor kredietverstrekking
op basis van het onderhavige besluit. Medesubsidiëring van of kredietverstrekking
voor een project door andere bestuursorganen dan de Minister van Economische
Zaken leidt niet tot afwijzing van een aanvraag. Wel bevat artikel 3, tweede
lid, een anticumulatieregeling ter zake.  </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 3 </tuskop>
      <al>Het krediet zal worden verstrekt in twee fasen. Eerst zal krediet worden
verleend, voor de kosten van activiteiten die worden gemaakt na de indiening
van de aanvraag. Daarbij wordt het bedrag van het krediet niet vermeld, maar
wel – met een verwijzing naar het onderhavige besluit – de wijze
waarop dit bedrag wordt bepaald en het bedrag waarop het krediet ten hoogste
kan worden vastgesteld. Na afloop van de activiteiten wordt het bedrag van
het krediet vastgesteld. </al>
      <al>Ook bij de kredietvaststelling kan ingevolge het tweede lid nog op het
krediet worden gekort, indien andere subsidies of kredieten van een bestuursorgaan
of de Commissie van de Europese Gemeenschappen zijn verkregen. In totaal zullen
die subsidies en kredieten te zamen met het ontwikkelingskrediet, voor zover
het betrekking heeft op de projectkosten, nooit meer bedragen dan 40% van
de projectkosten. Dit kan er dus toe leiden dat het krediet uiteindelijk minder
dan 40% van de projectkosten bedraagt.  </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 4 </tuskop>
      <al>In dit artikel is een omschrijving van de projectkosten opgenomen, die
in aanmerking worden genomen bij de toepassing van artikel 3. Daarnaast is
deze omschrijving van belang voor de toepassing van artikel 17, eerste lid,
en artikel 18. </al>
      <al>Bij de bepaling van de loonkosten wordt uitgegaan van het bruto loon,
zoals dat moet worden ingevuld op de loonstaat, die door de werkgever moet
worden bijgehouden ingevolge de Wet op de loonbelasting 1964. Hierbij gaat
het om het directe personeel; dat is het personeel dat rechtstreeks productieve
arbeid verricht ten behoeve van het project. De arbeidsuren van dit personeel
dienen verantwoord te worden. Daartoe is in artikel 17, eerste lid, de verplichting
opgenomen een sluitende tijdschrijving bij te houden. Leidinggevend en toezichthoudend
personeel wordt niet tot het directe personeel gerekend. Een vergoeding voor
de daarmee samenhangende kosten is begrepen in de opslag voor algemene kosten. </al>
      <al>Onder sociale lasten worden verstaan de werkgeverslasten ter zake van
sociale verzekering, VUT en pensioen. </al>
      <al>In het tweede lid is een voorziening getroffen voor de gevallen waarin
geen loonkosten als bedoeld in het eerste lid worden gemaakt. Daarbij gaat
het om gevallen waarin het project wordt uitgevoerd door een of meer natuurlijke
personen, die zelfstandige ondernemers zijn, bij voorbeeld samenwerkend in
een vennootschap onder firma. </al>
      <al>Voor kosten die in redelijkheid niet als noodzakelijk kunnen worden beschouwd
wordt geen krediet verleend. Ingevolge artikel 4:46, derde lid, Awb blijven
zij bij de vaststelling buiten beschouwing.  </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 5 </tuskop>
      <al>Dit artikel voorziet in de instelling van de Adviescommissie elektronische
diensten, bestaande uit externe deskundigen, die adviseert omtrent alle aanvragen
om een ontwikkelingskrediet.  </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 6 </tuskop>
      <al>Dit artikel en de vijf volgende artikelen bevatten bepalingen omtrent
de aanvraag van en de besluitvorming over de verlening van kredieten op grond
van dit besluit. </al>
      <al>Het eerste lid voorziet in de instelling van zogenaamde tenderperioden.
Het is de bedoeling dat de tenderperioden steeds op elkaar aansluiten, zodat
aanvragen altijd kunnen worden ingediend. De betekenis van een tenderperiode
in het onderhavige besluit is, dat alle aanvragen die in zo'n periode worden
ontvangen na afloop van de periode gelijktijdig worden behandeld. </al>
      <al>Voor het na afloop van een tenderperiode in behandeling nemen van een aanvraag is bepalend, of de aanvraag voldoet aan de wettelijke
voorschriften. Dat impliceert dat hij moet zijn ingediend met een volledig
ingevuld aanvraagformulier en vergezeld moet gaan van alle bescheiden, die
blijkens het aanvraagformulier moeten worden meegezonden, waaronder een projectplan.
Wel biedt artikel 4:5 van de Awb de mogelijkheid verzuimen te herstellen,
maar als dat niet meer lukt in de tenderperiode waarin de aanvraag is ingediend,
zal de aanvraag pas na afloop van de volgende tenderperiode in behandeling
worden genomen. </al>
      <al>Bij ministeriële regeling wordt ook voor iedere tenderperiode een
subsidieplafond vastgesteld. Dat is het bedrag dat ter beschikking wordt gesteld
voor kredietverleningen op in de tenderperiode ontvangen aanvragen. Het totaal
van voor alle tenderperioden in een kalenderjaar vastgestelde subsidieplafonds
is dus het totale jaarlijks ter beschikking gestelde bedrag. Omdat dat bedrag
voor de uitvoering van het besluit niet van belang is – dat zijn alleen
de subsidieplafonds per tenderperiode – bevat het besluit geen bepalingen
omtrent de wijze van bekendmaking van dat bedrag. De aard van het besluit
verzet zich daartegen. De hoogte van het totale voor de verstrekking van kredieten
krachtens dit besluit ter beschikking te stellen bedrag is thans niet te bepalen,
aangezien het de bedoeling is dat het onderhavige besluit voor langere tijd
zal gelden dan 1997. De aard van het besluit verzet zich dus ook tegen het
daaromtrent opnemen van bepalingen. </al>
      <al>Er kunnen per tenderperiode aparte subsidieplafonds worden vastgesteld
voor bepaalde categorieën aanvragers. Ook voor bepaalde activiteiten
kunnen aparte subsidieplafonds worden vastgesteld. Daarbij kan worden gedacht
aan bepaalde technologieën of onderzoek op een bepaald gebied.  </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 7 </tuskop>
      <al>De in het eerste lid bedoelde aanvraagformulieren zijn verkrijgbaar bij
Senter, postbus 30732, 2500 GS 's-Gravenhage. </al>
      <al>Vooralsnog blijft vereist dat het origineel van een ondertekend aanvraagformulier
wordt ingediend. Bij gebreke van een originele handtekening kan de minister
er niet zeker van zijn dat de (bevoegde vertegenwoordiger van de) aanvrager
de aanvraag heeft ingediend en instaat voor de in de aanvraag verstrekte gegevens.
Consequentie hiervan is, dat aanvragen die worden ingediend per telefax of
elektronische post niet voldoen aan de wettelijke voorschriften. Bezien wordt
evenwel of er mogelijkheden zijn het indienen van aanvragen langs elektronische
weg te omkleden met zodanige waarborgen, dat de daaraan verbonden bezwaren
komen te vervallen. Daartoe zullen dan bij ministeriële regeling regelen
worden gesteld. </al>
      <al>In het aanvraagformulier wordt vermeld welke bescheiden met het formulier
moeten worden meegezonden. Daaronder is ieder geval een projectplan en een
begroting. Op basis daarvan wordt het project beoordeeld. Het is van groot
belang, dat uit het projectplan blijkt, dat het project goed is doordacht
en uitgewerkt. Dit komt onder meer tot uitdrukking in een heldere projectdoelstelling,
de voorgestelde aanpak en fasering van het project, de expertise van de projectbemanning
en een duidelijke omschrijving van de noodzakelijke randvoorwaarden voor en
de uiteindelijke perspectieven van het project.  </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 9 </tuskop>
      <al>In dit artikel zijn afwijzingsgronden opgenomen. Daarnaast kan ook afwijzend
moeten worden beslist op grond van artikel 7 van de Kaderwet EZ-subsidies
of artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht. Afwijzing op grond van
dit laatste artikel is mogelijk indien een gegronde reden bestaat om aan te
nemen dat de activiteiten niet of niet geheel zullen plaatsvinden,
dat de aanvrager niet zal voldoen aan de aan het krediet verbonden verplichtingen
of dat de aanvrager niet op een behoorlijke wijze rekening en verantwoording
zal afleggen, en indien de aanvrager onjuiste of onvolledige gegevens heeft
verstrekt en dat geleid zou hebben tot een andere beschikking of failliet
is verklaard of surséance van betaling aan hem is verleend dan wel
een verzoek daartoe is ingediend. </al>
      <al>Van het afwijzen van een aanvraag zal in de eerste plaats sprake zijn,
indien een aanvraag niet voldoet aan enige bepaling van dit besluit. De belangrijkste
daarvan zijn in dit verband de artikelen 1 en 2. </al>
      <al>Op grond van het onderhavige besluit kan voor meer dan één
ontwikkelingsproject krediet worden verkregen. Aan een ondernemer of groep
van ondernemers wordt echter ingevolge onderdeel b van het eerste lid niet
meer krediet verstrekt dan een bij ministeriële regeling vastgesteld
bedrag.  </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 10 </tuskop>
      <al>De Adviescommissie elektronische diensten adviseert over de aanvragen
waarop niet reeds met toepassing van artikel 9 afwijzend wordt beslist. In
het tweede lid zijn de gronden opgenomen die steeds leiden tot een negatief
advies. </al>
      <al>De onder b en c genoemde gronden betreffen de slaagkans van het project.
Daarnaast zal het project ook een duidelijk uitzicht moeten bieden op commerciële
exploitatie. De aanvrager zal moeten aantonen, dat voor de te ontwikkelen
dienst een markt bestaat en dat hij daarop een zodanige prijs kan realiseren,
dat hij ruimschoots binnen de economische levensduur van de dienst de ontwikkelingskosten
kan terugverdienen en het krediet kan terugbetalen. De technische en economische
risico's moeten worden gerechtvaardigd door de commerciële verwachtingen.
Bij de beoordeling van de technische en economische haalbaarheid wordt ook
gekeken naar de belemmeringen en mogelijkheden op het gebied van technische
regelgeving, normen, certificatie alsmede de activiteiten gericht op aanpassing
daarvan. </al>
      <al>De commissie rangschikt de aanvragen waarover zij positief adviseert aan
de hand van de vraag in welke mate het project bijdraagt aan de doelstelling
van het onderhavige besluit. Zoals in het algemeen gedeelte van deze toelichting
is uiteengezet wordt met dit besluit beoogd de totstandkoming van de elektronische
snelwegen in Nederland te bevorderen door het stimuleren van de ontwikkeling
van elektronische diensten. Bij ministeriële regeling zullen aandachtspunten
worden vastgesteld die bij de rangschikking in acht genomen zullen worden.
Ook omtrent de mate waarin verschillende aandachtspunten meewegen zullen daarbij
regelen worden gesteld. </al>
      <al>Gekozen is voor vaststelling bij ministeriële regeling, omdat dit
de vereiste flexibiliteit biedt om de aandachtspunten en de wegingsfactoren
tijdig aan te passen indien de ontwikkelingen op het gebied van de elektronische
snelwegen, die – zoals bekend – snel gaan, daartoe aanleiding
geven.  </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 11 </tuskop>
      <al>De commissie adviseert de minister krediet te verlenen in de volgorde
van rangschikking. De minister zal in de regel dit advies volgen. Dit betekent
dat de minister, beginnend met de hoogst gerangschikte aanvraag, kredieten
verleent totdat het plafond is bereikt en dat hij aanvragen afwijst voor zover
het subsidieplafond door het totaal van door de commissie hoger gerangschikte
aanvragen is bereikt dan wel door verlening van de gevraagde kredieten zou
worden overschreden. Indien blijkt dat het advies van de commissie in strijd
is met dit besluit of niet op zorgvuldige wijze is tot stand
gekomen, biedt het tweede lid een mogelijkheid om van het advies af te wijken. </al>
      <al>Indien een aanvraag is afgewezen als gevolg van een te lage rangschikking
ten opzichte van het subsidieplafond, kan een aanvraag bij een volgende gelegenheid
opnieuw in de beoordeling worden betrokken. Daartoe is wel vereist dat de
aanvraag, eventueel verbeterd, opnieuw wordt ingediend.  </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 12 </tuskop>
      <al>Ingevolge artikel 38, in verbinding met artikel 59 van Boek 3 B.W. kunnen
kredieten worden verleend onder een opschortende of ontbindende voorwaarde.
Daarbij kan gedacht worden aan gevallen waarin de financiering van het project
pas afgerond kan worden, nadat een krediet verleend is. In dergelijke gevallen
kan een verlening onder opschortende of ontbindende voorwaarde uitkomst bieden.
De aanvraag hoeft dan niet onmiddellijk afgewezen te worden, terwijl toch
binnen afzienbare termijn duidelijk wordt of door de kredietverlening nog
beslag gelegd blijft worden op de beschikbare middelen. </al>
      <al>In het eerste lid is erin voorzien, dat het krediet steeds wordt verleend
onder de ontbindende voorwaarde, dat de kredietontvanger ter uitvoering van
de beschikking tot kredietverlening een overeenkomst sluit met de staat. Het
gaat hier om verplichtingen waarvan ook de nakoming moet kunnen worden afgedwongen.
De periode gedurende welke deze verplichtingen gelden is ook langer dan die
van de verplichtingen, bedoeld in de artikelen 14, 16 en 17. Terwijl die gelden
tot de kredietvaststelling, gelden de contractsverplichtingen gedurende de
looptijd van het contract, die zich kan uitstrekken tot tien jaar na de aanvang
van de commercialisatie. </al>
      <al>De onderwerpen die ten minste in iedere kredietovereenkomst aan de orde
komen zijn vermeld in het tweede lid. Senter hanteert een model-overeenkomst,
die ingevolge het eerste lid als bijlage bij de verleningsbeschikking wordt
gevoegd. </al>
      <al>In de overeenkomst kan voorzien zijn in een bevoegdheid van de Minister
van Economische Zaken om goed te vinden, dat de betrokken ondernemer afwijkt
van de ingevolge de overeenkomst voor hem geldende verplichtingen. Omdat het
hier gaat om een gewone civielrechtelijke overeenkomst, zijn dergelijke besluiten
niet vatbaar voor bestuursrechtelijk bezwaar en beroep. Geschillen hierover
kunnen, evenals alle andere geschillen met betrekking tot de overeenkomst,
zo nodig worden voorgelegd aan de burgerlijke rechter. </al>
      <al>De terugbetalingsregeling wordt zodanig vastgesteld, dat het krediet kan
worden afgelost uit de omzet die kan worden gerealiseerd met de uit het project
voortvloeiende of ervan afgeleide dienstverlening, binnen de economische levensduur
van het product, doch in ten hoogste tien jaar. Daarbij wordt uitgegaan van
de geschatte cash flow (brutowinst plus afschrijving ontwikkelingskosten).
Indien op deze wijze het krediet na tien jaar nog niet is afgelost, behoeft
het niet verder te worden terugbetaald. Aldus is de terugbetaling van het
krediet gekoppeld aan de mate van commercieel succes. Dit geeft het krediet
zijn risicodragend karakter. </al>
      <al>De aflossing geschiedt doorgaans in jaarlijkse termijnen, op basis van
de in het voorafgaande boekjaar gerealiseerde omzet. De rente wordt jaarlijks
bij de hoofdsom bijgeschreven. Het rentepercentage is vast gedurende de gehele
looptijd van het krediet. De aflossing vangt aan na de kredietvaststelling. </al>
      <al>De rente wordt jaarlijks bij de hoofdsom bijgeschreven. Het rentepercentage
is vast gedurende de gehele looptijd van het krediet. De hoogte ervan is afhankelijk
van het rentepercentage ten tijde van de verleningsbeschikking. De hoogte
van dat rentepercentage wordt bij ministeriële regeling vastgesteld.  </al>
      <al>Zekerheden worden doorgaans niet verlangd. Er kunnen eventueel omstandigheden
zijn, waarin daartoe toch moet worden overgegaan. Het zal dan vooral gaan
om de met het krediet gefinancierde zaken.  </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 13 </tuskop>
      <al>In dit artikel is bepaald, dat op de kredietontvanger de in de artikelen
14, 16 en 17 opgenomen verplichtingen rusten. Dat impliceert, dat deze verplichtingen
gelden zo lang de verlening geldt, dus tot de beslissing omtrent de kredietvaststelling.
De in het tweede lid van artikel 17 opgenomen verplichting geldt ook daarna
nog, maar dan uit hoofde van de in artikel 12 bedoelde overeenkomst. Overigens
geldt voor alle verplichtingen uit die overeenkomst, dat zij gelden gedurende
de gehele looptijd ervan. </al>
      <al>Niet alleen uit de in dit artikel genoemde artikelen kunnen verplichtingen
voor de kredietontvanger voortvloeien. Bij de kredietverlening kunnen ook
verplichtingen worden opgelegd met betrekking tot de in artikel 4:37, eerste
lid, Awb genoemde onderwerpen.  </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 14 </tuskop>
      <al>Dit artikel en de artikelen 16 en 17 bevatten bepalingen omtrent de verplichtingen
voor de kredietontvanger. Artikel 14 vormt, tezamen met artikel 2, de kern
van het onderhavige besluit. De projecten moeten ook daadwerkelijk worden
uitgevoerd, binnen de in de beschikking tot kredietverlening vermelde periode.
Het is de bedoeling de beschikbare middelen te gebruiken voor die projecten,
die binnen een redelijke periode bijdragen aan de doelstellingen van het besluit,
die zijn gericht op het bevorderen van het totstandkomen van de elektronische
snelwegen in Nederland. In gevallen waarin verzocht wordt om ontheffing voor
het vertragen of stopzetten van het project zal deze doelstelling dan ook
afgewogen worden tegen hetgeen de verzoeker als zijn belangen naar voren brengt.
Daarbij zal mede een rol spelen in hoeverre de feiten die de vertraging hebben
veroorzaakt zijn ontstaan door toedoen van de betrokkene zelf.  </al>
      <tuskop letat="cur">Artikelen 16 en 17 </tuskop>
      <al>Het formulier waarmee de aanvraag tot kredietvaststelling moet worden
ingediend zal zodanig worden ingericht, dat de kredietontvanger met het invullen
van het formulier kan voldoen aan de ingevolge artikel 4:45 Awb op hem rustende
verplichtingen om aan te tonen dat de gefaciliteerde activiteiten hebben plaatsgevonden
en om rekening en verantwoording af te leggen omtrent de aan de activiteiten
verbonden uitgaven en inkomsten, voor zover deze voor de kredietvaststelling
van belang zijn. </al>
      <al>De in deze artikelen opgenomen verplichtingen zijn noodzakelijk om tot
een tijdige en deugdelijke kredietvaststelling te kunnen komen. </al>
      <al>In het in artikel 16, derde lid, bedoelde eindverslag dient te worden
ingegaan op: </al>
      <al>– de inhoudelijke resultaten van het project, </al>
      <al>– de technische problemen die tijdens het project gerezen zijn en
de wijze van oplossing van deze problemen, </al>
      <al>– de stand van zaken met betrekking tot eventuele octrooiaanvragen, </al>
      <al>– de commerciële vooruitzichten van het project. </al>
      <al>Dit eindverslag dient te resulteren in een eindconclusie ten aanzien van
de mate waarin het project door de kredietontvanger als geslaagd wordt beschouwd. </al>
      <al>De in artikel 17, eerste en tweede lid, opgenomen verplichtingen zijn
nodig om bij de kredietvaststelling te kunnen beschikken over alle van belang zijnde gegevens en door de betrokkene verstrekte gegevens zo
nodig te kunnen verifiëren.  </al>
      <tuskop letat="cur">Artikelen 18 en 19 </tuskop>
      <al>Artikel 18 voorziet in de behoefte aan voorschotten op het krediet. Ten
einde de administratieve lasten, zowel voor de aanvragers als voor Senter,
beperkt te houden, wordt slechts eenmaal per halfjaar een voorschot verstrekt
en geldt een minimum van f 10 000,00 per voorschot. De voorschotverlening
is gekoppeld aan de halfjaarlijkse rapportage over de voortgang van het project.
De kredietvaststelling geschiedt pas na afloop van het ontwikkelingsproject. </al>
      <al>In het eerste lid van artikel 19 is bepaald, dat een voorschot wordt verstrekt
op een krediet terzake waarvan een verleningsbeschikking geldt. Dat impliceert
dat, zolang aan een toezegging een opschortende voorwaarde verbonden is, geen
voorschotten worden verstrekt.  </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 20 </tuskop>
      <al>In het algemeen zal bij het beslissen op een verzoek om een voorschot
onvoldoende inzicht bestaan in de naleving door de kredietontvanger van alle
aan de kredietverlening verbonden verplichtingen. Een beoordeling daarvan
is dan ook niet uitdrukkelijk aan de orde, al was het maar omdat aan sommige
verplichtingen, zoals die van artikel 16, nog niet hoèft te zijn voldaan.
In het geval dat evenwel Senter ervan op de hoogte is, dat een kredietontvanger
zich niet houdt aan een verplichting van de artikelen 14 en 17, en ook indien
hij zijn verplichtingen uit een overeenkomst als bedoeld in artikel 12 niet
nakomt, ligt het in de rede geen voorschotten te verstrekken.  </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 21 </tuskop>
      <al>De kredietvaststelling is geregeld in de artikelen 4:42 tot en met 4:47
van de Awb. Artikel 21 regelt slechts de termijn waarbinnen het besluit ter
zake genomen wordt. Ingevolge artikel 4:44, derde lid, Awb kan, indien de
aanvraag tot vaststelling niet is ingediend binnen de in artikel 16 bedoelde
termijn, de minister de kredietontvanger een termijn stellen waarbinnen de
aanvraag alsnog moet worden ingediend. In verband daarmee wordt in artikel
21 niet verwezen naar de in artikel 16 bedoelde termijn, maar wordt gesproken
over «de voor het indienen ervan geldende termijn». </al>
      <al>De hoofdregel van artikel 4:46 Awb is, dat vaststelling plaats vindt overeenkomstig
de verlening. Daarbij moeten, nu daarbij niet het bedrag van het krediet wordt
vermeld, de wel in de verleningsbeschikking vermelde wijze waarop dit bedrag
wordt bepaald en het bedrag waarop het krediet ten hoogste kan worden vastgesteld
in aanmerking worden genomen. </al>
      <al>Ingevolge art.4:46, tweede lid, Awb is kan het kredietbedrag in vier gevallen
lager worden vastgesteld: </al>
      <al>a. indien de activiteiten niet of niet geheel hebben plaatsgevonden; </al>
      <al>b. indien de kredietontvanger niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen; </al>
      <al>c. indien de kredietontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt
en dat geleid heeft tot een andere verleningsbeschikking; </al>
      <al>d. indien de kredietverlening anderszins onjuist was en de kredietontvanger
dit wist of behoorde te weten. </al>
      <al>Daarnaast kan het kredietbedrag lager worden vastgesteld ingevolge artikel
3, tweede lid, van het onderhavige besluit.   </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 22 </tuskop>
      <al>Dit artikel beoogt de mogelijkheid te creëren om de aflossingsverplichting
eerder dan voorzien in de in artikel 12 bedoelde overeenkomst te beëindigen.
Omdat het hier om een bijzondere faciliteit gaat, die doorgaans bij kredietverlening
niet voorkomt, is in het besluit voorzien in besluitvorming door de minister
op aanvraag van de betrokkene, in de vorm van een beschikking. Dit impliceert,
dat tegen een afwijzende beschikking bestuursrechtelijk bezwaar en beroep
mogelijk is. </al>
      <al>In de beide in dit artikel genoemde gevallen zal duidelijk moeten zijn,
dat uit het project geen omzet meer te verwachten is. Daarbij gaat het niet
om de subjectieve verwachting van de aanvrager; objectief moet aannemelijk
zijn dat geen omzet meer kan worden gerealiseerd. Daarbij ligt de bewijslast
bij de aanvrager.  </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 24 </tuskop>
      <al>In dit artikel zijn, voor de periode tot de inwerkingtreding van de derde
tranche van de Awb, een aantal artikelen daaruit van toepassing verklaard.
Daarbij gaat het om artikelen die bepalingen bevatten met betrekking tot onderwerpen,
die voorheen in besluiten op grond van de Kaderwet verstrekking financiële
middelen EZ werden geregeld. Enkele van die onderwerpen zijn inmiddels geregeld
in de Kaderwet EZ-subsidies, die gelijktijdig met de derde tranche van de
Awb in werking zal treden. Niet van toepassing zijn verklaard artikelen die
bepalingen bevatten met betrekking tot de in de artikelen 7 en 8 van de Kaderwet
verstrekking financiële middelen EZ geregelde onderwerpen. Deze blijven
immers nog van kracht totdat die wet bij het inwerkingtreden van de Kaderwet
EZ-subsidies wordt ingetrokken. Hetzelfde geldt voor de definitie van het
begrip «ondernemer» in artikel 1 van de Kaderwet verstrekking
financiële middelen EZ. In verband daarmee is bepaald dat de in artikel
1, onder a, van het onderhavige besluit opgenomen definitie niet van toepassing
is zolang de laatstgenoemde wet nog geldt. </al>
      <al>Voor alle duidelijkheid zij erop gewezen, dat het van toepassing verklaren
van artikelen uit de derde tranche van de Awb en uit de Kaderwet EZ-subsidies
niet tot gevolg heeft, dat deze bepalingen in werking treden. Dat zal eerst
later gebeuren, krachtens een koninklijk besluit. Van toepassing verklaren
betekent in dit verband slechts, dat de inhoud van de bepalingen deel gaat
uitmaken van het onderhavige besluit. De wettelijke basis daarvoor is de Kaderwet
verstrekking financiële middelen EZ.  </al>
      <minister>
        <minvan>De Minister van Economische Zaken, </minvan>
        <naam>G. J. Wijers </naam>
      </minister>
    </notatoe>
  </backm>
</staatsbl>