﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<!DOCTYPE staatsbl PUBLIC "-//SDU//DTD staatsblad xml 1.1//NL" "../../dtd/staatsbl-11.dtd"[]>
<staatsbl id="sb997.550" soort="kb" publtype="kobe">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-1997-550/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel status="off">Staatsblad</titel>
    <subtitel>van het Koninkrijk der Nederlanden</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.4" conv="port1.2" markup="c1xa"></versie>
    <ordernr>STB3639 </ordernr>
    <stb>
      <jaargang jaar="1997">Jaargang 1997</jaargang>
      <stbjaar>1997 </stbjaar>
      <stbnr>550</stbnr>
    </stb>
    <intitule>
      <soort>Besluit</soort> van 19 november 1997, houdende vaststelling
van de formulieren als bedoeld in artikel 10 van de Wet op de lijkbezorging
betreffende het overlijden ten gevolge van een niet-natuurlijke oorzaak, niet
zijnde levensbeëindiging zonder uitdrukkelijk verzoek</intitule>
    <aanhef>
      <wie>Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz. </wie>
      <consider>
        <al>Op de voordracht van Onze Minister van Justitie, gedaan mede namens de
Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van 24 maart 1997, nr. 616405/97/6,
Directie Wetgeving; </al>
        <al>Gelet op <grslag>artikel 10 van de Wet op de lijkbezorging</grslag>; </al>
        <al>De Raad van State gehoord (advies van 7 oktober 1997, nr. WO3.97.0166); </al>
        <al>Gezien het nader rapport van Onze Ministers van Justitie en Volksgezondheid,
Welzijn en Sport van 13 november 1997, nr. 657098/97/6, Directie Wetgeving;</al>
      </consider>
      <afkondig>Hebben goedgevonden en verstaan:</afkondig>
    </aanhef>
  </frontm>
  <body>
    <art id="a1">
      <kop>
        <nr>Artikel 1 </nr>
      </kop>
      <al>Het model-formulier van het verslag van de gemeentelijke lijkschouwer
aan de officier van justitie, bedoeld in artikel 10 van de Wet op de lijkbezorging,
betreffende het overlijden ten gevolge van een niet-natuurlijke oorzaak, niet
zijnde levensbeëindiging op verzoek, hulp bij zelfdoding of levensbeëindiging
zonder uitdrukkelijk verzoek, luidt als volgt: </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Aan de Officier van Justitie in het arrondissement</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">De ondergetekende</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">lijkschouwer der gemeente   ;</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">verklaart gedurende de laatste twee jaar geen handelingen op het
gebied van de geneeskunst te hebben verricht ten aanzien van:</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">naam</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">voornamen (voluit)</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">geboren op   , te</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">gewoond hebbende* te   , overleden op   ;</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">wonende* te   , uit wie op   , te</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">een zoon/dochter* dood is geboren;</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">verklaart het lijk persoonlijk te hebben geschouwd;</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">verklaart er niet van overtuigd te zijn, dat de dood ten gevolge
van een natuurlijke oorzaak is ingetreden; in verband waarmee hij de in artikel
14 van de Wet op de lijkbezorging bedoelde ambtenaar van de burgerlijke stand
heeft gewaarschuwd;</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Bijzonderheden:</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">(datum) (Ondertekening)</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Krachtens artikel 6, eerste lid, Wet op de lijkbezorging is het
de gemeentelijke lijkschouwer niet toegestaan als zodanig op te treden, indien
hij gedurende de laatste twee jaar ten aanzien van de overledene of de moeder
van de doodgeborene handelingen op het gebied van de geneeskunst heeft verricht
en indien tussen deze en hem bloed- of aanverwantschap tot in de derde graad
of huwelijk bestond of bestaat.</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">* Doorhalen hetgeen niet van toepassing is</nadruk>
      </al>
    </art>
    <art id="a2">
      <kop>
        <nr>Artikel 2 </nr>
      </kop>
      <al>Het model-formulier van het verslag van de gemeentelijke lijkschouwer
aan de officier van justitie, bedoeld in artikel 10 van de Wet op de lijkbezorging,
betreffende het overlijden ten gevolge van de toepassing door een arts van
levensbeëindiging op verzoek of het verlenen van hulp bij zelfdoding
luidt als volgt: </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Aan de Officier van Justitie in het arrondissement</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">De ondergetekende,</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">lijkschouwer der gemeente   ;</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">verklaart gedurende de laatste twee jaar geen handelingen op het
gebied van de geneeskunst te hebben verricht ten aanzien van:</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">naam:</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">voornamen (voluit)</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">geboren op   , te</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">gewoond hebbende te   , overleden op</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">verklaart dat de behandelend arts van de overledene hem heeft medegedeeld
dat de dood is ingetreden ten gevolge van de toepassing van levensbeëindiging
op verzoek / het verlenen van hulp bij zelfdoding*;</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">verklaart te hebben geverifieerd hoe en met welke middelen het
leven is beëindigd;</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">verklaart van de behandelend arts te hebben ontvangen een verslag
van levensbeëindiging op verzoek of hulp bij zelfdoding, volgens het
model in de Bijlage, die een onderdeel vormt van dit besluit;</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">verklaart in verband met dit overlijden wel / geen * schriftelijke
wilsverklaring van de overledene te hebben ontvangen;</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">verklaart in verband met dit overlijden wel / geen * verklaring
van een geconsulteerde arts te hebben ontvangen;</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">verklaart het verslag van levensbeëindiging op verzoek of
hulp bij zelfdoding en, indien ontvangen, de schriftelijke wilsverklaring
van de overledene en de verklaring van de geconsulteerde arts, alsmede een
kopie van dit formulier te zullen toezenden aan de daartoe door de Ministers
van Justitie en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport ingestelde toetsingscommissie
euthanasie in de regio waarbinnen het overlijden heeft plaatsgevonden;</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">verklaart het lijk persoonlijk te hebben geschouwd;</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">verklaart er niet van overtuigd te zijn, dat de dood ten gevolge
van een natuurlijke oorzaak is ingetreden; in verband waarmee hij de in artikel
14 van de Wet op de lijkbezorging bedoelde ambtenaar van de burgerlijke stand
heeft gewaarschuwd;</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">(datum) (ondertekening)</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Krachtens artikel 6, eerste lid, Wet op de lijkbezorging is het
de gemeentelijke lijkschouwer niet toegestaan als zodanig op te treden, indien
hij gedurende de laatste twee jaar ten aanzien van de overledene handelingen
op het gebied van de geneeskunst heeft verricht en indien tussen deze en hem
een bloed- of aanverwantschap tot in de derde graad of huwelijk bestond of
bestaat.</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">* Doorhalen wat niet van toepassing is.</nadruk>
      </al>
    </art>
    <wart id="a3">
      <kop>
        <nr>Artikel 3 </nr>
      </kop>
      <al>Het besluit van 17 december 1993, Stb. 688, houdende vaststelling van
het formulier, bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Wet op de lijkbezorging,
wordt ingetrokken. </al>
    </wart>
    <art id="a4">
      <kop>
        <nr>Artikel 4 </nr>
      </kop>
      <al>Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip, met dien verstande dat de intrekking van het in artikel 3 bedoelde
besluit, voor zover dat betrekking heeft op actieve levensbeëindiging
zonder uitdrukkelijk verzoek, op een later tijdstip kan worden gesteld.  </al>
    </art>
  </body>
  <backm>
    <nawerk>
      <slotform>Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota
van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst. </slotform>
      <histnoot>
        <al>Het advies van de Raad van State is openbaar gemaakt door terinzagelegging
bij het Ministerie van Justitie. </al>
        <al>Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage gelegde stukken worden
opgenomen in het bijvoegsel bij de Staatscourant van 9 december 1997, nr.
237.</al>
      </histnoot>
      <ondertek>
        <ondplts>'s-Gravenhage, </ondplts>
        <onddatum>19 november 1997 </onddatum>
        <koning>Beatrix  </koning>
        <minister>
          <minvan>De Minister van Justitie, </minvan>
          <naam>W. Sorgdrager  </naam>
        </minister>
        <minister>
          <minvan>De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, </minvan>
          <naam>E. Borst-Eilers </naam>
        </minister>
      </ondertek>
      <uitgifte>
        <uitgifte-regel>Uitgegeven de <nadruk type="cur">zevenentwintigste</nadruk> november 1997 </uitgifte-regel>
        <uitdag>zevenentwintigste</uitdag>
        <uitmaand>november</uitmaand>
        <uitjaar>1997 </uitjaar>
        <door>
          <minvan>De Minister van Justitie, </minvan>
          <naam>W. Sorgdrager </naam>
        </door>
      </uitgifte>
    </nawerk>
    <bijlage id="b1">
      <kop>
        <titel status="off">BIJLAGE MODELVERSLAG  </titel>
      </kop>
      <tuskop letat="vet">VOOR DE BEHANDELEND ARTS IN VERBAND MET EEN MELDING AAN
DE GEMEENTELIJKE LIJKSCHOUWER VAN HET OVERLIJDEN ALS GEVOLG VAN DE TOEPASSING
VAN LEVENSBEËINDIGING OP VERZOEK OF HULP BIJ ZELFDODING, BEDOELD IN ARTIKEL
2. </tuskop>
      <al>Bij melding aan de gemeentelijke lijkschouwer van een niet-natuurlijke
dood als gevolg van levensbeëindiging op verzoek of hulp bij zelfdoding
verstrekt de behandelend arts aan de gemeentelijke lijkschouwer een verslag
dat is opgesteld volgens onderstaand model. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="vet">NOTA BENE:</nadruk> U wordt verzocht de antwoorden op de gestelde
vragen te <nadruk type="vet">motiveren</nadruk>. Het staat vrij om bij de beantwoording
van vragen nadere informatie te verschaffen in bijlagen. Ook indien de ruimte
voor beantwoording van een vraag tekortschiet s.v.p. gebruik maken van een
bijlage. <nadruk type="vet">Vergeet niet op de bijlage duidelijk aan te geven op welke
vraag of vragen deze betrekking heeft</nadruk>.  </al>
      <tuskop letat="vet">GEGEVENS BETREFFENDE DE ARTS </tuskop>
      <al>Achternaam: </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Voorletters: geslacht: M / V </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Functie: 0 huisarts </al>
      <al> 0 verpleeghuisarts </al>
      <al> 0 specialist: (naam specialisme) </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Instellingsnaam (voor zover van toepassing): </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Werkadres: </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Postcode / Plaats:  </al>
      <tuskop letat="vet">GEGEVENS BETREFFENDE DE OVERLEDENE </tuskop>
      <al>Achternaam: </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Voorletters: geslacht: M / V </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Datum overlijden: </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Gemeente waarin overleden:  </al>
      <tuskop letat="vet">I DE ZIEKTEGESCHIEDENIS </tuskop>
      <al>1. Aan welke aandoening(en) leed de patiënt<sup>1</sup> en sinds
wanneer? </al>
      <witreg></witreg>
      <al>2. Welke medische therapieën zijn beproefd? </al>
      <witreg></witreg>
      <al>3. Was genezing van de patiënt nog mogelijk? </al>
      <witreg></witreg>
      <al>4. Waarin bestond het lijden van de patiënt? </al>
      <witreg></witreg>
      <al>5a. Waren er nog mogelijkheden om het lijden van patiënt te verlichten? </al>
      <witreg></witreg>
      <al>5b. Zo ja, hoe stond de patiënt tegenover deze alternatieven?  </al>
      <witreg></witreg>
      <al>6. Op welke termijn werd naar schatting het overlijden verwacht indien
niet tot levensbeëindiging op verzoek of hulp bij zelfdoding was overgegaan? </al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <sup>1</sup> De term «patiënt» in dit modelverslag kan
betrekking hebben op een man zowel als een vrouw.  </al>
      <tuskop letat="vet">II VERZOEK TOT LEVENSBEËINDIGING OF HULP BIJ ZELFDODING </tuskop>
      <al>7a. Wanneer heeft de patiënt om levensbeëindiging of hulp bij
zelfdoding verzocht? </al>
      <witreg></witreg>
      <al>7b. Wanneer is dit verzoek herhaald? </al>
      <witreg></witreg>
      <al>8. Ten overstaan van wie werd dit verzoek geuit? </al>
      <witreg></witreg>
      <al>9a. Is een schriftelijke wilsverklaring aanwezig? </al>
      <witreg></witreg>
      <al>9b. Zo ja, van welke datum? (svp. deze verklaring bij het verslag voegen) </al>
      <witreg></witreg>
      <al>9c. Zo nee, wat is hiervan de reden? </al>
      <witreg></witreg>
      <al>10. Zijn er aanwijzingen dat het verzoek door de patiënt is geuit
onder druk of invloed van anderen ? </al>
      <witreg></witreg>
      <al>11. Was er enige aanleiding om te betwijfelen dat de patiënt ten
tijde van het verzoek zich ten volle bewust was van de strekking van zijn/haar
verzoek en van zijn/haar lichamelijke situatie? </al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="vet">NB:</nadruk> Levensbeëindigend handelen ten aanzien van patiënten
wier lijden primair van psychische oorsprong is, alsmede patiënten wier
vermogen tot het uiten van een weloverwogen verzoek gestoord geweest kan zijn,
bijvoorbeeld als gevolg van een depressie of van zich ontwikkelende dementie,
behoort te worden gemeld volgens de procedure voor gevallen van levensbeëindiging
zonder uitdrukkelijk verzoek. Volgens die procedure behoort ook levensbeëindigend
handelen ten aanzien van minderjarige patiënten plaats te vinden. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>12a. Is er over de levensbeëindiging overleg geweest met verplegend
of verzorgend personeel? </al>
      <witreg></witreg>
      <al>12b. Zo ja, met wie en wat waren hun opvattingen? </al>
      <witreg></witreg>
      <al>12c. Zo nee, waarom niet? </al>
      <witreg></witreg>
      <al>13a. Is er over de levensbeëindiging overleg geweest met naasten? </al>
      <witreg></witreg>
      <al>13b. Zo ja, met wie en wat waren hun opvattingen? </al>
      <witreg></witreg>
      <al>13c. Zo nee, waarom niet?  </al>
      <tuskop letat="vet">III CONSULTATIE </tuskop>
      <al>14. Welke arts(en) is/zijn geraadpleegd? </al>
      <witreg></witreg>
      <al>15a. Wat is zijn/hun hoedanigheid? </al>
      <al>(huisarts / specialist/ psychiater / anders, nl.     ) </al>
      <witreg></witreg>
      <al>15b. Was/waren deze medebehandelaar? </al>
      <witreg></witreg>
      <al>15c. Wat is zijn/hun verhouding tot u?  </al>
      <witreg></witreg>
      <al>16a. Wanneer heeft/hebben de geraadpleegde arts(en) de patiënt gezien? </al>
      <witreg></witreg>
      <al>16b. Indien de geraadpleegde arts(en) de patiënt niet heeft/hebben
gezien: waarom is dat niet gebeurd? </al>
      <witreg></witreg>
      <al>17. NB: U wordt verzocht het schriftelijk verslag van de geconsulteerde
arts(en) betreffende zijn/hun oordeel met betrekking tot de uitzichtloosheid
en ondraaglijkheid van het lijden van de patiënt en de uitdrukkelijkheid
en weloverwogenheid van het verzoek van de patiënt bij dit verslag te
voegen. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Indien de geconsulteerde arts(en) zijn/hun oordeel niet op schrift heeft
/ hebben gesteld: wat was het oordeel van de geconsulteerde arts(en) met betrekking
tot de hierboven genoemde aspecten?  </al>
      <tuskop letat="vet">IV DE UITVOERING VAN DE LEVENSBEËINDIGING OP VERZOEK
OF DE HULP BIJ ZELFDODING </tuskop>
      <al>18a. Was sprake van: </al>
      <al>0 levensbeëindiging op verzoek (ga naar vraag 18b.) </al>
      <al>of </al>
      <al>0 hulp bij zelfdoding ? </al>
      <witreg></witreg>
      <al>18b. Door wie werd de levensbeëindiging op verzoek feitelijk toegepast? </al>
      <witreg></witreg>
      <al>19. Met welke middelen en op welke wijze werd het leven beëindigd? </al>
      <witreg></witreg>
      <al>20. Werd tevoren informatie ingewonnen over de te hanteren methode en
zo ja, bij wie? </al>
      <witreg></witreg>
      <al>21. Wie waren, behalve uzelf, bij de levensbeëindiging aanwezig?
 </al>
      <tuskop letat="vet">V OVERIGE OPMERKINGEN </tuskop>
      <al>22. Zijn er nog punten die u onder de aandacht van de regionale toetsingscommissie
wilt brengen en die u bij de beantwoording van de vragen niet kwijt kon? </al>
      <al></al>
      <al>Datum:   Naam: </al>
      <al>Handtekening:  </al>
    </bijlage>
    <notatoe>
      <kop>
        <titel status="off">NOTA VAN TOELICHTING  </titel>
      </kop>
      <tuskop letat="vet">Algemeen </tuskop>
      <al>Op 27 november 1996 is het evaluatierapport «Euthanasie en andere
medische beslissingen rond het levenseinde; de praktijk en de meldingsprocedure»
aan ons uitgebracht. Met het uitbrengen van dit rapport is uitvoering gegeven
aan het voornemen van het kabinet, zoals vastgelegd in het Regeerakkoord,
om de praktijk van de meldingsprocedure euthanasie te evalueren. </al>
      <al>In het kabinetsstandpunt naar aanleiding van deze evaluatie (Kamerstukken
II, 1996–1997, 23 877, nr. 13) hebben wij reeds de maatregelen
uiteengezet die ons voor ogen staan om verbeteringen aan te brengen in de
praktijk inzake levensbeëindigend handelen door artsen en de daarvoor
geldende meldingsprocedure. </al>
      <al>Met betrekking tot de geldende regelgeving aangaande de melding van gevallen
van levensbeëindiging door artsen leidt dit standpunt ertoe, dat wij
met het onderhavige besluit beogen de toetsing van levensbeëindiging
door artsen op andere wijze gestalte te geven. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>In de eerste plaats wordt de bestaande meldingsprocedure gescheiden in
een toetsingsprocedure voor gevallen van levensbeëindiging op verzoek
en hulp bij zelfdoding enerzijds en gevallen van levensbeëindiging zonder
uitdrukkelijk verzoek anderzijds. Deze splitsing achten wij noodzakelijk teneinde
recht te doen aan het essentieel verschillende karakter van beide vormen van
levensbeëindigend handelen door artsen. De specifieke problematiek van
beslissingen rond het levenseinde van zogenoemde wilsonbekwame patiënten
vergt een aparte, op die groepen toegesneden procedure. Wij achten de uitdrukkelijke
wilsverklaring voor levensbeëindiging door artsen essentieel en menen
dat levensbeëindiging zonder een uitdrukkelijke wilsverklaring in beginsel
dan ook niet moet voorkomen. In deze gevallen achten wij een volle toetsing
door het Openbaar Ministerie gewenst. Voorts is van belang het feit dat de
jurisprudentie met betrekking tot levensbeëindiging op verzoek en hulp
bij zelfdoding inmiddels zodanig uitgekristalliseerd is, dat voldoende heldere
criteria kunnen worden geformuleerd op grond waarvan vervolging terzake van
levensbeëindiging op verzoek door een arts in het algemeen achterwege
kan blijven. Met betrekking tot levensbeëindiging zonder uitdrukkelijk
verzoek is dit – behoudens ten aanzien van pasgeborenen met ernstige
aandoeningen – niet het geval. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De procedure met betrekking tot levensbeëindiging op verzoek en hulp
bij zelfdoding, alsmede de procedure met betrekking tot levensbeëindiging
zonder uitdrukkelijk verzoek krijgen elk door middel van een algemene maatregel
van bestuur op grond van de Wet op de lijkbezorging een wettelijke basis. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>In de tweede plaats staat ons een bredere en meer op de medische professie
toegesneden toetsing van levensbeëindigend handelen voor ogen. Hierdoor
zal, naar onze verwachting, het vertrouwen van artsen in de meldingsprocedure
groeien en zal de bereidheid om levensbeëindigend handelen te melden
worden vergroot. </al>
      <al>Met betrekking tot levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding
worden daartoe bij ministeriële regeling door de Ministers van Justitie
en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, regionale toetsingscommissies ingesteld,
waarin medische, juridische en ethische deskundigen zitting hebben. Deze commissies
beoordelen naar aanleiding van een melding aan de hand van de geldende, aan
de jurisprudentie ontleende zorgvuldigheidscriteria of de arts medisch zorgvuldig
heeft gehandeld. De commissies zenden hun oordeel aan het parket-generaal
van het Openbaar Ministerie en aan de regionaal inspecteur voor
de gezondheidszorg. De arts wordt van het oordeel van de commissie in kennis
gesteld. </al>
      <al>Het parket-generaal van het Openbaar Ministerie legt de oordelen van de
commissies voor aan het College van procureurs-generaal. Op geleide van de
oordelen van de commissies worden de zaken die zulks behoeven, uitvoerig besproken
in het College. </al>
      <al>Het Openbaar Ministerie zal in de gevallen waarin het oordeel van de commissie
oordeelt dat de arts zorgvuldig heeft gehandeld, in de regel afzien van vervolging,
tenzij het college van procureurs-generaal van oordeel is dat tot het instellen
van een vervolging gegronde aanleiding bestaat. Deze beleidslijn zal in een
vervolgingsrichtlijn van het openbaar Ministerie worden vastgelegd. </al>
      <al>Desgewenst zal de commissie het door haar gegeven oordeel achteraf, in
een persoonlijk onderhoud met de arts, kunnen toelichten. De commissie kan
zodoende inzicht bieden in het beoordelingsproces en aan de arts feedback
geven over de door hem gevolgde werkwijze. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Met betrekking tot levensbeëindiging zonder uitdrukkelijk verzoek
zal bij ministeriële regeling een centrale, multi-disciplinair samengestelde
beoordelingscommissie worden ingesteld, die in voorkomend geval een zwaarwegend
oordeel over de medische zorgvuldigheid van het handelen van de arts ter kennis
brengt aan het Openbaar Ministerie. Na bespreking van het voorgelegde geval
beslist het college van procureurs-generaal of een strafvervolging moet worden
ingesteld. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Dit besluit vormt de basis voor de meldingsprocedure voor gevallen van
levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding. Het bevat twee modelformulieren
door middel waarvan de gemeentelijke lijkschouwer aan de officier van justitie
het overlijden ten gevolge van een niet-natuurlijke doodsoorzaak meldt: één
formulier betreffende het overlijden ten gevolge van een niet-natuurlijke
oorzaak, niet zijnde levensbeëindiging op verzoek, hulp bij zelfdoding
of levensbeëindiging zonder uitdrukkelijk verzoek, en één
formulier betreffende het overlijden ten gevolge van levensbeëindiging
op verzoek of hulp bij zelfdoding. De bijlage, die een onderdeel vormt van
het besluit, bevat een modelverslag aan de hand waarvan de arts bij de melding,
aan de gemeentelijke lijkschouwer, van een overlijden ten gevolge van de toepassing
van levensbeëindiging op verzoek of hulp bij zelfdoding verslag uitbrengt. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Ingevolge artikel 10, tweede lid, van de Wet op de Lijkbezorging geldt
voor het onderhavige besluit de zogenaamde voorhangprocedure. Deze houdt in
dat het besluit niet eerder in werking treedt dan drie maanden na plaatsing
in het Staatsblad. In de tussentijd hebben de beide kamers de gelegenheid
zich uit te spreken over de inhoud van dit besluit. Tegelijk met dit besluit
zullen wij aan de Kamers overleggen een concept-ministeriële regeling
waarbij de hierboven genoemde regionale commissies voor de toetsing van gevallen
van levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding worden ingesteld. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Een apart besluit, bevattende het formulier betreffende het overlijden
als gevolg van levensbeëindiging zonder uitdrukkelijk verzoek, zal nog
in 1997 aan de Raad van State ter advisering worden voorgelegd. In de bijlage,
die een onderdeel zal vormen van dat besluit, zullen één of
meer modelverslagen worden opgenomen toegespitst op levensbeëindiging
van verschillende groepen van wilsonbekwame patiënten. Tegelijk met bedoeld
besluit zal een concept-ministeriële regeling aan de Kamers worden gezonden,
waarbij de hierboven al genoemde centrale beoordelingscommissie voor de toetsing
van gevallen van levensbeëindiging zonder uitdrukkelijk
verzoek wordt ingesteld. Ook ten aanzien van dat besluit zal de voorhangprocedure
gelden. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zolang het laatstbedoelde besluit nog niet in werking is getreden, blijft
voor gevallen van levensbeëindiging zonder uitdrukkelijk verzoek de meldingsprocedure
zoals vastgesteld bij besluit van 17 december 1993 (Stb. 688) gelden, voor
zover deze betrekking heeft op actieve levensbeëindiging zonder uitdrukkelijk
verzoek.  </al>
      <tuskop letat="vet">Artikelsgewijs  </tuskop>
      <tuskop letat="cur">Artikel 1 </tuskop>
      <al>Dit artikel behelst het formulier betreffende het overlijden ten gevolge
van een niet-natuurlijke oorzaak, niet zijnde levensbeëindiging op verzoek,
hulp bij zelfdoding of levensbeëindiging zonder uitdrukkelijk verzoek.
De tekst ervan is aangepast aan de wijziging van de Wet op de lijkbezorging
die is voorzien in de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg
en naar verwachting in werking zal treden op 1 december 1997. In het formulier
verklaart de lijkschouwer niet langer dat hij gedurende de laatste twee jaar
geen genees-, heel- of verloskundige raad of bijstand heeft verleend, maar
dat hij gedurende de laatste twee jaar geen handelingen op het gebied van
de geneeskunst heeft verricht ten aanzien van de overledene. Daarnaast is
de aanduiding «de heer Officier van Justitie» gewijzigd in «Officier
van Justitie».  </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 2 </tuskop>
      <al>In het modelformulier betreffende het overlijden ten gevolge van levensbeëindiging
op verzoek of hulp bij zelfdoding is het verloop van een melding volgens de
nieuwe procedure vervat. Tevens is de redactie ervan aangepast teneinde de
taak van de gemeentelijke lijkschouwer duidelijker aan te geven. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Uit het evaluatieonderzoek is duidelijk geworden dat gemeentelijke lijkschouwers
in het kader van de meldingsprocedure hun taak op verschillende manieren invullen.
Er bestaan op dit punt verschillende verwachtingspatronen bij de bij de melding
betrokken actoren. In het algemeen gaan officieren van justitie ervan uit
dat de gemeentelijke lijkschouwer toetst in hoeverre een arts aan de vereiste
zorgvuldigheid heeft voldaan en dat hij niet volstaat met een schouw en met
het verzamelen van relevante bescheiden. Lijkschouwers delen deze mening niet
altijd. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Volgens de bij dit besluit vastgestelde, nieuwe meldingsprocedure spreekt
de gemeentelijke lijkschouwer geen oordeel uit over de zorgvuldigheid van
de levensbeëindiging op verzoek of hulp bij zelfdoding door de arts.
Dit oordeel wordt gevormd door de regionale toetsingscommissie waaraan het
geval wordt voorgelegd. De gemeentelijke lijkschouwer heeft in de eerste plaats
tot taak het lijk te schouwen en zich te overtuigen van de doodsoorzaak en
de daartoe gebruikte middelen. In de tweede plaats is het zijn taak de ambtenaar
van de burgerlijke stand en de officier van justitie in te lichten met het
oog op de verkrijging van een verlof tot begraven. In de derde plaats verzorgt
de gemeentelijke lijkschouwer de melding van de levensbeëindiging op
verzoek of hulp bij zelfdoding aan de regionale toetsingscommissie. Dit houdt
in dat hij de daartoe benodigde bescheiden verzamelt, deze op duidelijkheid
en volledigheid controleert en inzendt aan de daarvoor bestemde commissie.  </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Indien het overlijden het gevolg is van levensbeëindiging op verzoek
of hulp bij zelfdoding, verloopt de gang van zaken in het algemeen als volgt. </al>
      <al>De arts maakt overeenkomstig het gestelde in de Wet op de lijkbezorging
geen verklaring van overlijden op, maar verwittigt de gemeentelijke lijkschouwer,
die op zijn beurt de burgerlijke stand waarschuwt. De gemeentelijke lijkschouwer
verricht de uitwendige lijkschouw en verifieert hoe en met welke middelen
het leven is beëindigd. Vervolgens neemt hij van de arts in ontvangst
een verslag van levensbeëindiging op verzoek of hulp bij zelfdoding,
volgens het model in de Bijlage, die een onderdeel vormt van dit besluit.
Hij ziet erop toe dat dit verslag volledig en duidelijk is ingevuld en controleert
of eventueel vermelde bijlagen aanwezig zijn. Voorts neemt hij van de arts
in ontvangst, indien en voor zover aanwezig, een schriftelijke wilsverklaring
van de overledene en de verklaring van een geconsulteerde arts. De gemeentelijke
lijkschouwer zendt de genoemde bescheiden alsmede een kopie van het door hemzelf
ingevulde en ondertekende formulier als vastgesteld in dit artkel aan de door
de ministers van Justitie en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport ingestelde
toetsingscommissie euthanasie in de regio waarbinnen het overlijden heeft
plaatsgevonden. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De gemeentelijke lijkschouwer zendt het door hem ingevulde en ondertekende
formulier betreffende het overlijden ten gevolge van de toepassing door een
arts van levensbeëindiging op verzoek of hulp bij zelfdoding overeenkomstig
het bepaalde in artikel 10 van de Wet op de lijkbezorging aan de officier
van justitie. Deze geeft aan de ambtenaar van de burgerlijke stand een verklaring
van geen bezwaar af tegen begraving of verbranding van het lijk. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het modelverslag aan de hand waarvan de arts bij de melding, aan de gemeentelijke
lijkschouwer, van een overlijden ten gevolge van de toepassing van levensbeëindiging
op verzoek of hulp bij zelfdoding verslag uitbrengt, is opgenomen in de bijlage,
die een onderdeel vormt van het besluit. Dit modelverslag is uitsluitend gericht
op de situatie waarin de patiënt een vrijwillig, weloverwogen en duurzaam
verzoek heeft geuit om zijn leven te beëindigen of om hulp bij zelfdoding
te verlenen. Ten opzichte van de bestaande lijst van aandachtspunten is de
lijst van vragen die in het modelverslag moeten worden beantwoord, waar mogelijk,
ingekort. Beantwoording van de thans in het modelverslag vervatte vragen biedt
de regionale toetsingscommmissies voldoende informatie voor een goede beoordeling
van het handelen van de arts. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>In de aanhef van het modelverslag wordt de arts uitgenodigd om de antwoorden
op de vragen te motiveren en om zo nodig nadere informatie te verschaffen
in bijlagen. Het gaat erom voldoende feitelijke informatie te verschaffen,
zodat de toetsingscommissie duidelijk inzicht krijgt in het betreffende ziektegeval
en de wijze waarop de beslissing tot levensbeëindiging op verzoek of
hulp bij zelfdoding tot stand is gekomen en is uitgevoerd. </al>
      <al>Na een rubriek waarin de arts gegevens betreffende zichzelf vermeldt en
een rubriek waarin hij gegevens betreffende de overleden patiënt vermeldt,
volgen vier rubrieken die aansluiten bij de zorgvuldigheidscriteria die in
de jurisprudentie zijn ontwikkeld. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>In de eerste rubriek, betreffende de ziekte, wordt de arts verzocht aan
te geven aan welke aandoening(en) de patiënt leed en welke therapieën
zijn beproefd. Voorts wordt gevraagd welke alternatieven om het lijden te
verlichten er nog waren en hoe de patiënt hier tegenover stond. Het spreekt
vanzelf dat de arts alles zal doen wat in zijn vermogen ligt om het lijden
van de patiënt te beperken en zo mogelijk weg te nemen. Zijn kennis
en attitude betreffende de middelen en mogelijkheden van pijnbestrijding en
verdere palliatieve zorg zijn daarbij van groot belang. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Met betrekking tot de vraag op welke termijn naar schatting het overlijden
van de patiënt werd verwacht indien niet tot levensbeëindiging op
verzoek of hulp bij zelfdoding was overgegaan, merken wij het volgende op. </al>
      <al>In zijn arrest van 21 juni 1994 in de zaak-Chabot heeft de Hoge Raad onder
meer overwogen dat een beroep op noodtoestand niet zonder meer is uitgesloten
op de enkele grond dat de patiënt niet in de stervensfase verkeert. Uit
dit arrest hebben wij de conclusie getrokken dat het uitgangspunt voor het
vervolgingsbeleid niet langer – mede – kan zijn dat er sprake
moet zijn geweest van een stervensfase. Aldus hebben wij ook de Tweede Kamer
bericht in onze brief van 16 september 1994 (Kamerstukken II 1993/1994, 23 877,
nr. 1). De Kamer heeft deze opvatting onderschreven. Het bovenstaande betekent
niet dat in het modelverslag de vraag naar de termijn waarop naar schatting
werd verwacht dat de patiënt zou zijn overleden indien niet tot levensbeëindiging
op verzoek of hulp bij zelfdoding zou zijn overgegaan, irrelevant is. Het
betreft een open vraag die er toe strekt dat de toetsingscommissie een zo
volledig mogelijk feitelijk inzicht krijgt in de situatie waarin de patiënt
verkeerde. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>In de tweede rubriek, betreffende het verzoek om levensbeëindiging,
is de vraag opgenomen of er enige aanleiding was te betwijfelen dat de patiënt
ten tijde van het verzoek om levensbeëindiging of hulp bij zelfdoding
zich ten volle bewust was van de strekking hiervan alsmede van zijn lichamelijke
situatie. Deze vraag is opgenomen om de arts er als het ware aan te herinneren
dat bij een bevestigend antwoord de melding dient plaats te vinden overeenkomstig
de procedure voor gevallen van levensbeëindiging zonder uitdrukkelijk –
en weloverwogen – verzoek. </al>
      <al>De scheidslijn tussen de toetsingsprocedure voor gevallen van levensbeëindiging
op verzoek en hulp bij zelfdoding enerzijds en gevallen van levensbeëindiging
zonder uitdrukkelijk verzoek anderzijds komt als het ware tot uitdrukking
in deze vraag. Levensbeëindigend handelen met betrekking tot patiënten
die bij overlijden weliswaar leden aan een somatische aandoening, maar wier
vermogen tot het uiten van een weloverwogen verzoek gestoord geweest kan zijn,
bijvoorbeeld als gevolg van een depressie of van zich ontwikkelende dementie,
behoort te worden gemeld volgens de procedure voor de melding van levensbeëindiging
zonder uitdrukkelijk verzoek. Volgens deze procedure behoort eveneens levensbeëindigend
handelen te worden gemeld ten aanzien van patiënten wier lijden primair
van psychische oorsprong is. Als gevolg van de psychische stoornis of, indien
daarvan geen sprake is, het psychisch lijden waardoor de wens te sterven is
ingegeven, moet nader worden onderzocht of sprake is van een vrije en weloverwogen
wilsuiting. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Van groot belang voor deze laatstgenoemde groep patiënten is het
hierboven genoemde arrest van de Hoge Raad in de zaak-Chabot. Ten aanzien
van patiënten wier lijden van psychische oorsprong is, ging van het arrest-Chabot
een zeer terughoudende toon uit. Uit dit arrest volgt weliswaar dat in beginsel
ook ten aanzien van die patiënten in geval van levensbeëindiging
op verzoek of hulp bij zelfdoding een beroep op noodtoestand door de arts
mogelijk is, maar tegelijkertijd overwoog de Hoge Raad dat indien het lijden
van een patiënt een psychische oorzaak heeft, dat lijden en met name
de ernst en de uitzichtloosheid ervan moeilijker objectief kunnen worden vastgesteld.
Daarom dient volgens de Hoge Raad het onderzoek door de rechter naar de aanwezigheid
van een noodtoestand in dergelijke gevallen met uitzonderlijk grote behoedzaamheid
te geschieden. Met de toetsing van dergelijke meldingen zal ook in de toekomst
dus heel zorgvuldig moeten worden omgegaan.  </al>
      <al>Gelet op het bovenstaande menen wij dat de toetsing van gevallen waarin
sprake was van patiënten wier lijden niet primair van lichamelijke oorsprong
is, dient te verlopen volgens de meldingsprocedure voor levensbeëindiging
zonder uitdrukkelijk verzoek en zijn wij voornemens om met de beoordeling
van de – hoogst uitzonderlijke – gevallen de in te stellen centrale
beoordelingscommissie te belasten. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Met betrekking tot levensbeëindiging bij minderjarige patiënten
zijn wij van oordeel dat dit handelen in beginsel eveneens dient te worden
gemeld volgens de procedure voor levensbeëndiging zonder uitdrukkelijk
verzoek. </al>
      <al>De rechtspositie van minderjarige patiënten is bij de Wet op de geneeskundige
behandelingsovereenkomst (WGBO) opgenomen in boek 7 van het Burgerlijk wetboek
onder afdeling 5 van titel 7: «De overeenkomst inzake geneeskundige
behandeling». Minderjarigen beneden de 12 jaar worden geacht het oordeel
des onderscheids nog niet te hebben tot het aangaan van een behandelingsovereenkomst.
Voor deze categorie van patiënten beslissen de ouders of voogd derhalve
op grond van hun toekomend gezag (art. 1:245,246 en 336 BW) in beginsel of
hun kind een medische behandeling zal ondergaan. Naar algemeen wordt aangenomen
strekt het ouderlijk gezag zich evenwel niet uit tot beslissingen over levensbeëindiging
bij hun kind. Op grond van de WGBO bestaat voor de wettelijke vertegenwoordiger
niet het recht beslissingen van hoogst persoonlijke aard te nemen; bij de
parlementaire behandeling van de WGBO werd een verzoek om levensbeëindiging
daarbij uitdrukkelijk als voorbeeld genoemd. </al>
      <al>Een minderjarige patiënt tussen 12 en 18 jaar kan weliswaar zelf
een behandelingsovereenkomst aangaan, mits hij het oordeel des onderscheids
bezit en toestemming heeft van de ouders of voogd, maar daarmee kan niet voetstoots
worden aangenomen dat hij ook het oordeel des onderscheids bezit tot het uiten
van een weloverwogen verzoek om levensbeëindiging of hulp bij zelfdoding. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Uit de vraagstelling in de tweede rubriek van het modelverslag blijkt
voorts dat zoveel mogelijk moet worden bevorderd, dat patiënten hun verzoek
om levensbeëindiging of hulp bij zelfdoding zelf schriftelijk vastleggen.
De arts kan hieraan bijdragen door de patiënt tijdig op het belang van
schriftelijke vastlegging te wijzen. Indien het verzoek van de patiënt
door omstandigheden niet schriftelijk is vastgelegd, dient de arts deze omstandigheid
toe te lichten. Dit laat onverlet het uitgangspunt dat aan de melding volgens
de onderhavige procedure te allen tijde een uitdrukkelijk verzoek van de patiënt
ten grondslag moet liggen. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Rubriek III betreft de consultatie. De vragen of de geconsulteerde arts
medebehandelaar was en wat zijn verhouding is tot de arts die het verslag
opstelt, strekken ertoe de mate van onafhankelijkheid van de geconsulteerde
arts te kunnen toetsen. In het standpunt over euthanasie van het Hoofdbestuur
van de KNMG, kenbaar gemaakt in 1995, wordt benadrukt dat het hierbij gaat
om een onafhankelijke collega, niet zijnde een praktijkgenoot, een familielid,
maatschapslid of arts-assistent dan wel een arts die in enige andere ondergeschikte
verhouding tot de arts staat. In genoemd standpunt wordt er tevens van uitgegaan
dat de consulent de patiënt zelf spreekt en zich op de hoogte stelt van
de aandoening. De consulent wordt geacht zich uit te spreken enerzijds over
de uitzichtloosheid en ondraaglijkheid van het lijden van de patiënt,
waarbij ook de vraag of er nog alternatieven zijn ter verlichting van het
lijden in ogenschouw moet worden genomen. Anderzijds dient de consulent een
oordeel te geven over de vrijwilligheid en weloverwogenheid van het verzoek
om levensbeëindiging of hulp bij zelfdoding. Hij dient het oordeel omtrent
beide aspecten schriftelijk vast te leggen. Indien de consulent dit onder
omstandigheden heeft nagelaten, dient de arts het gemis van deze schriftelijke
verklaring toe te lichten en zelf het oordeel van de consulent in het modelverslag
weer te geven. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De antwoorden op de vragen in rubriek IV dienen ertoe om feitelijk inzicht
te bieden in de gang van zaken rond het overlijden van de patiënt. De
vraag door wie de levensbeëindiging op verzoek feitelijk werd toegepast
is enerzijds van belang in verband met het feit dat de uitvoering van euthanasie
en het verlenen van hulp bij zelfdoding is voorbehouden aan de arts en anderzijds
in verband met het feit dat de arts die feitelijk levensbeëindiging op
verzoek toepaste of hulp bij zelfdoding bood, degene is die de melding moet
verrichten en het verslag moet opstellen. Uit de vraag wie er, behalve de
arts, bij de levensbeëindiging aanwezig waren, blijkt dat de arts ook
in geval van hulp bij zelfdoding geacht wordt aanwezig te zijn bij de levensbeëindiging. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Rubriek V biedt de arts de gelegenheid om punten aan de orde te stellen,
die hij onder de aandacht van de toetsingscommissie wil brengen en die in
de beantwoording van de vragen niet tot uitdruking konden komen. Het staat
de arts volkomen vrij deze rubriek al dan niet in te vullen. Deze strekt er
uitsluitend toe ruimte te bieden voor het maken van opmerkingen in verband
met het gemelde geval van levensbeëindiging op verzoek of hulp bij zelfdoding,
die de arts elders niet kwijt kon. Deze rubriek achten wij nuttig omdat een
modelverslag naar zijn aard niet geheel kan beantwoorden aan de verscheidenheid
in feiten en omstandigheden die zich, zo is in de afgelopen jaren gebleken,
bij de onderhavige casuïstiek voordoet. </al>
      <al>Tenslotte dient de arts het verslag te dateren en te ondertekenen. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het modelverslag wordt ter beschikking gesteld aan alle artsen en zal
overigens ruimschoots verkrijgbaar zijn. Het zal worden uitgegeven in de vorm
van een imprimé en daarnaast in een voor geautomatiseerde verwerking
geschikte vorm.  </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 3 </tuskop>
      <al>Met de inwerkingtreding van het onderhavige besluit zullen de bestaande
modelformulieren niet langer gebruikt kunnen worden.  </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 4 </tuskop>
      <al>Dit besluit treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip, doch niet
eerder dan drie maanden na plaatsing in het Staatsblad, teneinde de beide
kamers der Staten-Generaal in de gelegenheid te stellen zich hierover uit
te spreken. Op het moment van inwerkingtreding zullen bovendien de door ons
in te stellen regionale commissies voor de toetsing van gevallen van levensbeëindiging
op verzoek en hulp bij zelfdoding gereed moeten zijn voor de vervulling van
hun taak. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Aangezien de uitwerking van de nieuwe meldingsprocedure voor gevallen
van levensbeëindiging zonder uitdrukkelijk verzoek eerst in de loop van
1997/begin 1998 plaatsvindt, is het noodzakelijk te bepalen, dat de intrekking
van het in artikel 3 bedoelde besluit, voor zover dat betrekking heeft op
actieve levensbeëidiging zonder uitdrukkelijk verzoek, op een later tijdstip
kan worden gesteld. In dat geval dient voor de melding van een overlijden
ten gevolge van levensbeëindiging zonder uitdrukkelijk verzoek tot het
tijdstip dat het desbetreffende besluit in werking treedt, de
bestaande procedure te worden gevolgd en van het bestaande formulier met bijbehorende
lijst van aandachtspunten gebruik te worden gemaakt.  </al>
      <minister>
        <minvan>De Minister van Justitie, </minvan>
        <naam>W. Sorgdrager  </naam>
      </minister>
      <minister>
        <minvan>De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, </minvan>
        <naam>E. Borst-Eilers </naam>
      </minister>
    </notatoe>
  </backm>
</staatsbl>