﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<!DOCTYPE staatsbl PUBLIC "-//SDU//DTD staatsblad xml 1.1//NL" "../../dtd/staatsbl-11.dtd"[]>
<staatsbl id="sb997.522" soort="beschik" publtype="besc">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-1997-522/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel status="off">Staatsblad</titel>
    <subtitel>van het Koninkrijk der Nederlanden</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.4" conv="port1.2" markup="c1xa"></versie>
    <ordernr>STB3623 </ordernr>
    <stb>
      <jaargang jaar="1997">Jaargang 1997</jaargang>
      <stbjaar>1997 </stbjaar>
      <stbnr>522  </stbnr>
    </stb>
    <intitule>
      <soort>Beschikking</soort> van de Minister van Justitie van 12
november 1997, houdende plaatsing in het Staatsblad van de tekst van de Wet
bedreigde uitheemse dier- en plantensoorten, zoals deze laatstelijk is gewijzigd
bij de wet van 11 september 1997, Stb. 521</intitule>
    <aanhef>
      <wie>De Minister van Justitie, </wie>
      <consider>
        <al>Gelet op artikel II van de wet van 11 september 1997, Stb. 521;</al>
      </consider>
      <afkondig>Besluit:</afkondig>
    </aanhef>
  </frontm>
  <body>
    <besluit>
      <al>de tekst van de Wet bedreigde uitheemse dier- en plantensoorten, zoals
deze laatstelijk is gewijzigd bij de wet van 11 september 1997, Stb. 521,
in het Staatsblad te plaatsen als bijlage bij deze beschikking. </al>
    </besluit>
  </body>
  <backm>
    <nawerk>
      <ondertek>
        <ondplts>'s-Gravenhage, </ondplts>
        <onddatum>12 november 1997  </onddatum>
        <minister>
          <minvan>De Minister van Justitie, </minvan>
          <naam>W. Sorgdrager </naam>
        </minister>
      </ondertek>
      <uitgifte>
        <uitgifte-regel>Uitgegeven de <nadruk type="cur">twintigste</nadruk> november 1997 </uitgifte-regel>
        <uitdag>twintigste</uitdag>
        <uitmaand>november</uitmaand>
        <uitjaar>1997 </uitjaar>
        <door>
          <minvan>De Minister van Justitie, </minvan>
          <naam>W. Sorgdrager </naam>
        </door>
      </uitgifte>
    </nawerk>
    <tekstpl>
      <kop>
        <titel status="off">TEKST VAN DE WET BEDREIGDE UITHEEMSE DIER- EN PLANTENSOORTEN,
ZOALS LAATSTELIJK GEWIJZIGD BIJ DE WET VAN 11 SEPTEMBER 1997, STB. 521  </titel>
      </kop>
      <art id="a1">
        <kop>
          <nr>Artikel 1 </nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1. </nr>
          <al>In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: </al>
          <al>a. Onze Minister: </al>
          <al>Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij; </al>
          <al>b. producten van dieren: </al>
          <al>al hetgeen afkomstig is van dieren en al hetgeen geheel of gedeeltelijk
is vervaardigd uit dieren of delen daarvan, alsmede alle goederen waarvan
uit een begeleidend document, de verpakking, een merk of etiket of enig andere
omstandigheid blijkt dat zij afkomstig zijn van of geheel of gedeeltelijk
vervaardigd zijn uit dieren of delen daarvan; </al>
          <al>c. producten van planten: </al>
          <al>al hetgeen afkomstig is van planten en al hetgeen geheel of gedeeltelijk
is vervaardigd uit planten of delen daarvan, alsmede alle goederen waarvan
uit een begeleidend document, de verpakking, een merk of etiket of enig andere
omstandigheid blijkt dat zij afkomstig zijn van of geheel of gedeeltelijk
vervaardigd zijn uit planten of delen daarvan. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2. </nr>
          <al>In deze wet en daarop berustende bepalingen wordt mede verstaan onder: </al>
          <al>a. soort: ondersoort, geografisch onderscheiden populatie van een soort
of kruisingen van soorten; </al>
          <al>b. dode dieren: lichamen van dieren die op enigerlei wijze geschikt zijn
gemaakt om duurzaam te worden bewaard; </al>
          <al>c. binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen: iedere handeling
die kennelijk rechtstreeks is gericht op het bewerkstelligen van het binnen
of buiten het grondgebied van Nederland brengen. </al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a2">
        <kop>
          <nr>Artikel 2 </nr>
        </kop>
        <al>Vervallen </al>
      </art>
      <art id="a3">
        <kop>
          <nr>Artikel 3 </nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1. </nr>
          <al>Het is verboden levende of dode dieren of planten, behorende tot door
Onze Minister aangewezen soorten, of delen of producten van die dieren of
planten, tentoon te stellen voor handelsdoeleinden, te verkopen, in bezit
te hebben met het oog op verkoop, ten verkoop aan te bieden, te vervoeren
met het oog op verkoop, te ruilen of in ruil aan te bieden, af te leveren,
en binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2. </nr>
          <al>Het is verboden levende dieren of planten, behorende tot soorten als bedoeld
in het eerste lid onder zich te hebben of te vervoeren. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>3. </nr>
          <al>Het verbod bedoeld in het tweede lid is tevens van toepassing op dode
dieren of planten, behorende tot door Onze Minister aangewezen soorten, of
delen of producten van die dieren of planten. </al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a3a">
        <kop>
          <nr>Artikel 3a </nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1. </nr>
          <al>Het is verboden levende of dode dieren of planten, behorende tot door
Onze Minister aangewezen soorten, of delen of producten van die dieren of
planten, binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2. </nr>
          <al>Het is verboden levende of dode dieren of planten als bedoeld in het eerste
lid, of delen of producten van die dieren of planten tentoon te stellen voor
handelsdoeleinden, te verkopen, in bezit te hebben met het oog
op verkoop, ten verkoop aan te bieden, te vervoeren met het oog op verkoop,
te ruilen of in ruil aan te bieden of af te leveren. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>3. </nr>
          <al>Het is verboden levende dieren of planten, behorende tot soorten als bedoeld
in het eerste lid onder zich te hebben of te vervoeren. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>4. </nr>
          <al>Het verbod, bedoeld in het derde lid, is tevens van toepassing op dode
dieren en planten, behorende tot door Onze Minister aangewezen soorten, of
delen of producten van die soorten. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>5. </nr>
          <al>De verboden, bedoeld in het tweede, derde en vierde lid, gelden niet ten
aanzien van levende of dode dieren of planten, of delen of producten van die
dieren of planten, indien deze: </al>
          <al>a. overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens deze wet binnen het grondgebied
van Nederland zijn gebracht, </al>
          <al>b. in Nederland zijn gekweekt, of </al>
          <al>c. zijn verworpen overeenkomstig de vóór het tijdstip van
de aanwijzing van de betrokken soort op grond van het eerste lid geldende
bepalingen. </al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a4">
        <kop>
          <nr>Artikel 4 </nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1. </nr>
          <al>Krachtens de artikelen 3, eerste lid, of 3a, eerste lid, worden uitsluitend
soorten aangewezen die niet van nature in Nederland in het wild voorkomen
en waarvoor het ingevolge de Overeenkomst inzake de internationale handel
in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten (Trb. 1975, 23) of
een besluit van een orgaan van de Europese Gemeenschappen noodzakelijk is
om een verbod als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid, of 3a, eerste lid,
in te stellen. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2. </nr>
          <al>Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat een of meer
verboden als bedoeld in artikel 3, van toepassing zijn op levende of dode
dieren of planten behorende tot bij die algemene maatregel van bestuur aangewezen
soorten, die niet van nature in Nederland in het wild voorkomen, of delen
of producten van die dieren of planten, indien dat in het belang is van in
het wild levende populaties van die soorten. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>3. </nr>
          <al>Krachtens het tweede lid en de artikelen 3 en 3a, worden niet aangewezen
soorten die vallen onder de Vogelwet 1936, de Jachtwet of de Natuurbeschermingswet. </al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a5">
        <kop>
          <nr>Artikel 5 </nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1. </nr>
          <al>Onze Minister kan vrijstelling of ontheffing verlenen van het bepaalde
bij of krachtens de artikelen 3, 3a of 4, tweede lid. Aan een ontheffing of
vrijstelling kunnen voorschriften worden verbonden. Zij kunnen onder beperkingen
worden verleend. De voorschriften en beperkingen kunnen worden gewijzigd. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2. </nr>
          <al>Vrijstellingen als bedoeld in het eerste lid, kunnen in ieder geval verschillend
worden vastgesteld naar gelang van soorten of categorieën van soorten
en handelingen welke de vrijstelling betreft. Voorts kan onderscheid worden
gemaakt naar levende of dode, wilde of gefokte dieren en naar delen of producten
van die dieren, naar levende of dode, wilde of gekweekte planten en naar delen
of producten van die planten. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>3. </nr>
          <al>De Minister kan bepalen welke gegevens bij het aanvragen van een ontheffing
als bedoeld in het eerste lid, dienen te worden verstrekt en welke bewijsstukken
daarbij dienen te worden overgelegd. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>4. </nr>
          <al>Onze Minister kan een ontheffing intrekken, indien: </al>
          <al>a. de ter verkrijging van een ontheffing verstrekte gegevens zodanig onjuist
of onvolledig blijken, dat, waren de juiste gegevens verstrekt, een andere
beslissing zou zijn genomen; </al>
          <al>b. blijkt, dat een of meer aan een ontheffing verbonden voorschriften
niet zijn nageleefd; </al>
          <al>c. zich omstandigheden hebben voorgedaan die, waren zij op het tijdstip
van het verlenen van een ontheffing bekend geweest, tot een andere beslissing
zouden hebben geleid;  </al>
          <al>d. de omstandigheden sedert het tijdstip van de verlening van een ontheffing
zodanig zijn gewijzigd, dat geen ontheffing zou zijn verleend, indien deze
omstandigheden op het tijdstip van de verlening van een ontheffing zouden
hebben bestaan. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>5. </nr>
          <al>Onze Minister kan een vergoeding van kosten heffen overeenkomstig een
door hem vast te stellen tarief voor de afgifte van ontheffingen als bedoeld
in het eerste lid, alsmede voor de afgifte van op grond van een vrijstelling
als bedoeld in het eerste lid, benodigde documenten. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>6. </nr>
          <al>Bij ministeriële regeling wordt, ten aanzien van bij die regeling
aan te wijzen soorten, bepaald met het oog op welke belangen en met inachtneming
van welke voorwaarden, ontheffingen als bedoeld in het eerste lid, kunnen
worden verleend. </al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a6">
        <kop>
          <nr>Artikel 6 </nr>
        </kop>
        <al>Bij ministeriële regeling worden regelen gesteld omtrent het voeren
van een administratie en het verstrekken van gegevens voor handelaren, met
betrekking tot het in voorraad houden, ontvangen, verkopen of afleveren van
levende of dode dieren of planten, behorende tot ingevolge de artikelen 3
of 3a, of 4, tweede lid, aangewezen soorten, alsmede delen of producten van
die dieren of planten. </al>
      </art>
      <art id="a7">
        <kop>
          <nr>Artikel 7 </nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1. </nr>
          <al>Onze Minister kan bepalen, dat levende of dode dieren of planten, alsmede
delen of producten van dieren of planten, die in strijd met het bepaalde in
deze wet binnen het grondgebied van Nederland zijn gebracht, op kosten van
de eigenaar, vervoerder, importeur of diens gemachtigde, worden teruggezonden
naar het land van uitvoer of herkomst of naar enige andere plaats buiten Nederland
worden gebracht die daarvoor naar het oordeel van Onze Minister geschikt is
en in overeenstemming is met de doeleinden van de Overeenkomst inzake de internationale
handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2. </nr>
          <al>Onder de in het eerste lid genoemde kosten kunnen mede zijn begrepen de
kosten van bewaring in verband met het transport naar de plaats van bestemming. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>3. </nr>
          <al>Indien niet tot terugzending naar enige andere plaats buiten Nederland
als bedoeld in het eerste lid wordt besloten, kunnen de kosten van verzorging,
huisvesting of opslag binnen Nederland geheel of gedeeltelijk in rekening
worden gebracht bij de eigenaar, vervoerder, importeur of diens gemachtigde,
bedoeld in het eerste lid. Bij ministeriële regeling kunnen terzake nadere
regels worden gesteld. </al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a8">
        <kop>
          <nr>Artikel 8 </nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1. </nr>
          <al>Hetgeen krachtens de artikelen 5, vijfde lid, en 7 verschuldigd is, kan,
verhoogd met de kosten vallende op de invordering, door de Staat worden ingevorderd
bij dwangbevel medebrengende het recht van parate executie. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2. </nr>
          <al>Geen invordering geschiedt dan nadat de schuldenaar schriftelijk is aangemaand
om binnen de daarbij te stellen termijn van ten minste tien dagen alsnog aan
zijn verplichtingen te voldoen. De aanmaning bevat de aanzegging, dat het
verschuldigde bedrag, voor zover dit binnen de gestelde termijn niet wordt
betaald, overeenkomstig het eerste lid van dit artikel zal worden ingevorderd. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>3. </nr>
          <al>Het dwangbevel wordt betekend en ten uitvoer gelegd op de wijze, bij het
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ten aanzien van vonnissen en authentieke
akten voorgeschreven. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>4. </nr>
          <al>Verzet door de schuldenaar tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel
wordt ingesteld door dagvaarding van de Staat, voor de rechtbank van het arrondissement
waarbinnen zijn woonplaats is gelegen.  </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>5. </nr>
          <al>Het verzet stuit de aanvang of de voortzetting van de tenuitvoerlegging
niet, behoudens de bevoegdheid van de geëxecuteerde die het verzet heeft
gedaan, om hieromtrent een voorziening bij voorraad uit te lokken. </al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a9">
        <kop>
          <nr>Artikel 9 </nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1. </nr>
          <al>Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld ten aanzien
van de plaatsen waar levende of dode dieren of planten, behorende tot soorten
die zijn aangewezen op grond van de artikelen 3 of 3a, of 4, tweede lid, of
delen of producten van die dieren of planten Nederland dienen te worden binnengebracht. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2. </nr>
          <al>De regels, bedoeld in het eerste lid, kunnen in ieder geval betrekking
hebben op de voorzieningen voor de opvang van levende dieren en planten. </al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a9a">
        <kop>
          <nr>Art. 9a </nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1. </nr>
          <al>Er is een Commissie bedreigde uitheemse dier- en plantensoorten, verder
te noemen commissie, die tot taak heeft de regering en de beide kamers der
Staten-Generaal te adviseren over het beleid inzake de uitvoering van deze
wet en de afstemming met de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren en de
totstandkoming en uitvoering van besluiten van organen van de Europese Gemeenschappen
verband houdende met in het wild levende dier- en plantensoorten. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2. </nr>
          <al>De commissie fungeert als wetenschappelijke autoriteit als bedoeld in
artikel IX van de op 3 maart 1973 te Washington tot stand gekomen Overeenkomst
inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en
plantensoorten. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>3. </nr>
          <al>De commissie bestaat uit ten minste vijf en ten hoogste negen leden, de
voorzitter daaronder begrepen, die ook specifieke deskundigheid bezitten op
het gebied van natuurbescherming, het welzijn van dieren en de opvang van
dieren. </al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a10">
        <kop>
          <nr>Artikel 10 </nr>
        </kop>
        <al>Vervallen </al>
      </art>
      <art id="a11">
        <kop>
          <nr>Artikel 11 </nr>
        </kop>
        <al>Vervallen </al>
      </art>
      <art id="a12">
        <kop>
          <nr>Artikel 12 </nr>
        </kop>
        <al>Het verbod op het onder zich hebben of vervoeren, bedoeld in de artikelen
3 of 3a, geldt niet voor levende of dode dieren of planten, of delen of producten
daarvan, ten aanzien waarvan aannemelijk gemaakt kan worden dat zij zijn verworven
of onder zich werden gehouden vóór de inwerkingtreding van een
op grond van deze wet vastgestelde algemene maatregel van bestuur of ministeriële
regeling, waarbij de betrokken soorten voor de eerste maal zijn aangewezen
en ten gevolge van welke aanwijzing een verbod op het onder zich hebben van
toepassing is op de betrokken soorten. </al>
      </art>
      <art id="a13">
        <kop>
          <nr>Artikel 13 </nr>
        </kop>
        <al>Vervallen  </al>
      </art>
      <art id="a13a">
        <kop>
          <nr>Artikel 13a </nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1. </nr>
          <al>Bij algemene maatregel van bestuur kunnen ter uitvoering van krachtens
het verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap vastgestelde
verplichtingen inzake onderwerpen waarop deze wet van toepassing is, regels
worden gesteld. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2. </nr>
          <al>De regels, bedoeld in het eerste lid, kunnen betrekking hebben op het
vervoer en de registratie van levende exemplaren van bedreigde dier- of plantensoorten.
Tevens kan de opsomming van handelingen, bedoeld in de artikelen 3, 3a en
6 worden gewijzigd of aangevuld. </al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a14">
        <kop>
          <nr>Artikel 14 </nr>
        </kop>
        <al>Wijziging van de Wet op de dierenbescherming. </al>
      </art>
      <art id="a15">
        <kop>
          <nr>Artikel 15 </nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1. </nr>
          <al>Deze wet kan worden aangehaald als «Wet bedreigde uitheemse dier-
en plantensoorten». </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2. </nr>
          <al>Zij treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip, dat voor elk
van de artikelen verschillend kan zijn. </al>
        </lid>
      </art>
    </tekstpl>
  </backm>
</staatsbl>