﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<!DOCTYPE staatsbl PUBLIC "-//SDU//DTD staatsblad xml 1.1//NL" "../../dtd/staatsbl-11.dtd"[]>
<staatsbl id="sb997.448" soort="kb" publtype="kobe">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-1997-448/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel status="off">Staatsblad</titel>
    <subtitel>van het Koninkrijk der Nederlanden</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.4" conv="port1.2" markup="c1xa"></versie>
    <ordernr>STB3552 </ordernr>
    <stb>
      <jaargang jaar="1997">Jaargang 1997</jaargang>
      <stbjaar>1997 </stbjaar>
      <stbnr>448  </stbnr>
    </stb>
    <intitule>
      <soort>Besluit</soort> van 5 juli 1997, houdende regelen ter vaststelling
van de aanspraken op nabestaandenpensioen voor enkele bijzondere groepen militairen
(Besluit bijzondere voorzieningen militair nabestaandenpensioen)</intitule>
    <aanhef>
      <wie>Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz. </wie>
      <consider>
        <al>Op de voordracht van de Staatssecretaris van Defensie van 1 april 1997,
nr. P/97001845; </al>
        <al>Gelet op <grslag>artikel 31 van de Wet privatisering ABP</grslag>; </al>
        <al>De Raad van State gehoord (advies van 4 juni 1997, nr. W07.97.018); </al>
        <al>Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Defensie van 27 juni
1997, nr. P/97004149;</al>
      </consider>
      <afkondig>Hebben goedgevonden en verstaan:</afkondig>
    </aanhef>
  </frontm>
  <body>
    <par>
      <kop>
        <nr>§ 1. </nr>
        <titel status="off">Algemene bepalingen  </titel>
      </kop>
      <art id="a1">
        <kop>
          <nr>Artikel 1 </nr>
          <titel status="off">Begripsbepalingen </titel>
        </kop>
        <al>In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: </al>
        <al>a. Onze Minister: Onze Minister van Defensie; </al>
        <al>b. Nabestaandenreglement militairen: het op artikel 28, eerste lid, van
de Wet Privatisering ABP berustende pensioenreglement voor de nabestaanden
van militair personeel; </al>
        <al>c. militair: de beroepsmilitair, reservist of dienstplichtige dan wel
de gewezen of gepensioneerde beroepsmilitair, reservist of dienstplichtige
in de zin van de Amp-wet of een vroegere militaire pensioenwet in de zin van
die wet; </al>
        <al>d. partner: </al>
        <al>1e. de echtgenoot van de militair en </al>
        <al>2e. degene die op grond van artikel 2 als zodanig is aangemerkt; </al>
        <al>e. wees: </al>
        <al>1e. het kind dat is geboren uit of is geadopteerd tijdens een huwelijk
dan wel een partnerrelatie anders dan een huwelijk die is aangemerkt overeenkomstig
artikel 2;  </al>
        <al>2e. het kind dat deel uitmaakte van het gezin van de militair, niet zijnde
een onder 1e bedoeld kind, waarvoor hij de kosten van levensonderhoud droeg; </al>
        <al>3e. het kind van de vrouwelijke militair, niet zijnde een onder 1e bedoeld
kind, waarmee de familierechtelijke betrekking niet door adoptie is opgehouden
te bestaan; </al>
        <al>4e. het kind ten opzichte waarvan aan de mannelijke militair ten tijde
van zijn overlijden een onderhoudsplicht krachtens artikel 394 van Boek 1
van het Burgerlijk Wetboek was opgelegd of ten opzichte waarvan door hem bij
authentieke akte een dergelijke verplichting was erkend; </al>
        <al>onder de voorwaarde dat dat kind op het moment van overlijden van de militair
jonger is dan 21 jaar, niet gehuwd is of gehuwd geweest is en geen partij
is of partij geweest is bij de aanmerking van een partner, bedoeld in artikel
2. </al>
        <al>f. nabestaanden: de partner van de militair op het moment van overlijden
en de wees; </al>
        <al>g. nabestaandenpensioen: het de partner of de wees ingevolge dit besluit
toekomende pensioen; </al>
        <al>h. partnerpensioen: het de partner ingevolge dit besluit toekomende pensioen; </al>
        <al>i. wezenpensioen: het de wees ingevolge dit besluit toekomende pensioen; </al>
        <al>j. tijdelijk pensioen: het pensioen dat de als zodanig aan te merken partner
of wees van de vermiste militair ingevolge dit besluit toekomt; </al>
        <al>k. voortdurend pensioen: het pensioen dat de partner of wees van de overleden
militair ingevolge dit besluit toekomt; </al>
        <al>l. AOW-pensioen: een tot een jaarbedrag herleid en met de vakantie-uitkering
verhoogd pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet; </al>
        <al>m. AWW-pensioen: een tot een jaarbedrag herleid en met de vakantie-uitkering
verhoogd pensioen of de aldus herleide en verhoogde tijdelijke weduwenuitkering
ingevolge de Algemene Weduwen- en Wezenwet; </al>
        <al>n. laag AWW-pensioen: het AWW-pensioen, bedoeld in artikel 19, elfde lid,
onder a, van de Algemene Weduwen- en Wezenwet; </al>
        <al>o. hoog AWW-pensioen: het AWW-pensioen, bedoeld in artikel 19, elfde lid,
onder b, van de Algemene Weduwen- en Wezenwet. </al>
      </art>
      <art id="a2">
        <kop>
          <nr>Artikel 2 </nr>
          <titel status="off">Aanmerking als partner </titel>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1. </nr>
          <al>De militair doet ter verzekering van de aanspraak op partnerpensioen melding
van een door hem gesloten samenlevingscontract. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2. </nr>
          <al>Indien de militair deelnemer, gewezen deelnemer of gepensioneerde in de
zin van het Nabestaandenreglement militairen is en er op grond van dat reglement
een partner is of kan worden aangemeld, blijft in afwijking van het eerste
lid de aanmerking op grond van dit artikel achterwege. In dat geval is een
partner in de zin van dat reglement voor hetzelfde tijdvak partner in de zin
van dit besluit.  </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>3. </nr>
          <al>De partner, bedoeld in het eerste lid, wordt slechts als zodanig aangemerkt
indien: </al>
          <al>a. de eventuele eerdere aanmelding van een andere partner is beëindigd
en </al>
          <al>b. de aangemelde partner ongehuwd is en 18 jaar of ouder en </al>
          <al>c. de partners als ingezetenen met hetzelfde woonadres zijn ingeschreven
in de basis-administratie, bedoeld in de Wet gemeentelijke basisadministratie
persoonsgegevens en </al>
          <al>d. de partners zich blijkens een notarieel verleden samenlevingscontract
tegenover elkaar hebben verplicht om over en weer bij te dragen in de kosten
van levensonderhoud en </al>
          <al>e. de partners geen bloed- of aanverwanten in de rechte lijn zijn. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>4. </nr>
          <al>In afwijking van het derde lid kan Onze Minister regels stellen omtrent
het aanmerken als partner van degene die niet in de eerdergenoemde basisadministratie
is ingeschreven. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>5. </nr>
          <al>De aanmerking als partner, bedoeld in het eerste lid, wordt beëindigd
met ingang van: </al>
          <al>a. de dag waarop een van de partners huwt of wordt aangemerkt als partner
van een ander; </al>
          <al>b. de dag waarop er blijkens de eerdergenoemde basisadministratie niet
langer sprake is van een gezamenlijk woonadres, tenzij omstandigheden buiten
de wil van de partners om daartoe noodzaakten; </al>
          <al>c. de dag volgende op het overlijden van een van de partners, of </al>
          <al>d. de dag waarop van een van de partners een schriftelijke aanvraag daartoe
is ontvangen. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>6. </nr>
          <al>Aan degene die de aanmelding heeft gedaan kan periodiek de bevestiging
worden gevraagd dat nog steeds wordt voldaan aan de voorwaarden voor de aanmerking
als partner. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>7. </nr>
          <al>Indien de schriftelijke bevestiging niet binnen zes weken na het verzoek
daartoe wordt gedaan, wordt de in het zesde lid bedoelde vraag herhaald. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>8. </nr>
          <al>Indien de schriftelijke bevestiging niet binnen zes weken na de herhaalde
vraag wordt gegeven, wordt de aanmerking als partner beëindigd met ingang
van de eerste dag volgende op die termijn van zes weken. </al>
        </lid>
      </art>
    </par>
    <par>
      <kop>
        <nr>§ 2. </nr>
        <titel status="off">Werkingssfeer en onderzoek naar toepasselijkheid  </titel>
      </kop>
      <art id="a3">
        <kop>
          <nr>Artikel 3 </nr>
          <titel status="off">Werkingssfeer </titel>
        </kop>
        <al>Dit besluit is van toepassing op: </al>
        <al>a. de nabestaanden van de militair die is overleden ten gevolge van verwonding,
ziekten of gebreken als bedoeld in artikel E 11 van de Amp-wet of daarmee
overeenkomende bepalingen in een vroegere militaire pensioenwet in de zin
van die wet, en  </al>
        <al>b. de nabestaanden van de als gevolg van andere oorzaken overleden militair,
die op het moment van zijn overlijden op grond of mede op grond van de onder
a bedoelde verwonding, ziekten of gebreken recht op militair pensioen kon
of zou kunnen doen gelden, tenzij er voor de betrokkenen in verband of mede
in verband met diezelfde verwonding, ziekten of gebreken aanspraak bestaat
op een pensioen ingevolge het Nabestaandenreglement militairen en </al>
        <al>c. de nabestaanden, voor zover niet vallend onder a, van de militair die
uitsluitend recht heeft op het invaliditeitspensioen, bedoeld in artikel E
3, tweede lid, onder a, of artikel E 4, onder a, van de Amp-wet. </al>
      </art>
      <art id="a4">
        <kop>
          <nr>Artikel 4 </nr>
          <titel status="off">Onderzoek naar toepasselijkheid </titel>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1. </nr>
          <al>De vraag of er verband bestaat tussen het overlijden en de verwonding,
ziekten of gebreken, bedoeld in artikel 3, onder a, wordt beantwoord met inachtneming
van de resultaten van een geneeskundig onderzoek naar het ontstaan, tot uiting
komen of verergeren, de aard en de gevolgen van die verwonding, ziekten of
gebreken. De voor dat onderzoek geldende procedure wordt vastgesteld bij ministeriële
regeling. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2. </nr>
          <al>Indien ter zake van hetzelfde overlijden voor dezelfde nabestaande recht
bestaat op meerdere militaire pensioenen, kan de vraag of er verband bestaat
tussen dat overlijden en de verwonding, ziekten of gebreken, bedoeld in het
eerste lid, uitsluitend positief worden beantwoord voor dat pensioen dat is
gekoppeld aan de periode van werkelijke dienst waarin die verwonding, ziekten
of gebreken zijn ontstaan. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>3. </nr>
          <al>Indien er op het moment van overlijden een invaliditeit met dienstverband
als bedoeld in artikel E 11 van de Amp-wet of in een vergelijkbaar artikel
in een vroegere militaire pensioen-wet in de zin van die wet bestond van tenminste
60%, wordt die invaliditeit, tenzij het tegendeel wordt aangetoond, beschouwd
als oorzaak van het overlijden. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>4. </nr>
          <al>Indien na toepassing van het eerste en tweede lid blijkt dat het daar
bedoelde verband tussen het overlijden en de verwonding, ziekten of gebreken
van de militair niet aannemelijk dan wel uitgesloten moet worden geacht, wordt
er voor de verdere toepassing van dit besluit uitgegaan van de mate van invaliditeit
met dienstverband die op het moment van overlijden bestond. Een nog bij leven
van de militair aangevangen onderzoek naar de mate van zijn invaliditeit met
dienstverband leidt daarbij niet tot een lager percentage dan het laatstelijk
voor hem vastgestelde. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>5. </nr>
          <al>Indien er naar het oordeel van de nabestaanden op het moment van overlijden
sprake was van een op een te laag niveau vastgestelde mate van invaliditeit
met dienstverband, richt het in het eerste lid bedoelde onderzoek zich mede
op de aannemelijkheid van die stellingname. De laatste volzin van het vorige
lid is op de uitkomst van dat deel van het onderzoek van overeenkomstige toepassing. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>6. </nr>
          <al>De nabestaanden van de militair, bij wie op het moment van overlijden
geen invaliditeit met dienstverband was vastgesteld, kunnen, tenzij een eerder
verzoek van de desbetreffende militair om tot een dergelijke vaststelling
te komen is afgewezen, alsnog om de vaststelling daarvan verzoeken. De verzoeker
motiveert zijn aanvraag en legt de gegevens waarop zijn verzoek steunt aan
de met de beoordeling daarvan belaste autoriteit over.  </al>
        </lid>
      </art>
    </par>
    <par>
      <kop>
        <nr>§ 3. </nr>
        <titel status="off">Pensioenaanspraken en pensioenberekening  </titel>
      </kop>
      <art id="a5">
        <kop>
          <nr>Artikel 5 </nr>
          <titel status="off">Recht op pensioen </titel>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1. </nr>
          <al>De nabestaanden van de in artikel 3 bedoelde militair hebben te rekenen
van de dag volgende op diens overlijden recht op partner- of wezenpensioen. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2. </nr>
          <al>Voor de toepassing van dit besluit wordt, voor zolang niets anders vaststaat,
vermissing in de uitoefening van de militaire dienst of ten gevolge van bijzondere
omstandigheden die zich bij de uitoefening van die dienst hebben voorgedaan,
gelijkgesteld met een overlijden in de zin van artikel 3, onder a, en vermissing
onder andere omstandigheden gelijkgesteld met een overlijden in de zin van
onderdeel b van dat artikel. </al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a6">
        <kop>
          <nr>Artikel 6 </nr>
          <titel status="off">Basis voor de berekening van het pensioen </titel>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1. </nr>
          <al>De nabestaandenpensioenen worden afgeleid van een eigen pensioen. Dat
eigen pensioen bedraagt: </al>
          <al>a. in de situatie, bedoeld in artikel 3, onder a: 100 procent van de grondslag
die, naar het welvaartsvaste niveau van het moment van overlijden, ingevolge
de Amp-wet of een vroegere militaire pensioenwet in de zin van die wet bij
het bereiken van de leeftijd van 65 jaar gold of zou hebben gegolden en voor
de vaststelling van de invaliditeitsverhoging of het invaliditeitspensioen
ingevolge die wetten in aanmerking zou zijn genomen, dan wel, indien dat bedrag
hoger is, het uitsluitend naar diensttijd berekende en op die invaliditeitsverhoging
of dat invaliditeitspensioen in mindering te brengen welvaartsvaste pensioen
van de overledene, zoals dat, inclusief de eventuele tropenverhoging en zonder
toepassing van de voor dat pensioen geldende franchisebepalingen, genoemd
in het tweede lid, bij het bereiken van die leeftijd is of zou zijn vastgesteld; </al>
          <al>b. in de situatie, bedoeld in artikel 3, onder b: zoveel procent van de
onder a bedoelde grondslag als wordt aangegeven door de mate van invaliditeit
met dienstverband die, als gevolg van de daar bedoelde verwonding ziekten
of gebreken, ten aanzien van de overledene laatstelijk is vastgesteld, bij
een overlijden voor 1 januari 1996 te maximeren op 70, dan wel, indien dat
bedrag hoger is, het onder a bedoelde naar diensttijd berekende pensioen; </al>
          <al>c. in de situatie, bedoeld in artikel 3, onder c: het bedrag van het daar
bedoelde pensioen. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2. </nr>
          <al>Indien na de in het eerste lid onder a of b bedoelde afweging is komen
vast te staan dat een nabestaandenpensioen dient te worden afgeleid van het
naar diensttijd berekende eigen pensioen van de overledene, wordt dat eigen
pensioen, in afwijking van die onderdelen van het eerste lid en voor zover
de betreffende diensttijd daartoe aanleiding geeft, vastgesteld met inachtneming
van artikel F 3, zesde lid, onder a, en F 3, achtste lid, van de Amp-wet. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>3. </nr>
          <al>In afwijking van het eerste lid, onder a en b, wordt het eigen pensioen,
niet zijnde een pensioen als bedoeld in artikel E 3, eerste lid, onder c,
van de Amp-wet, van de reservist of dienstplichtige die is ontslagen na 31
december 1985 berekend met toepassing van artikel F 7, zestiende lid, onder
a, van de Amp-wet.  </al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a7">
        <kop>
          <nr>Artikel 7 </nr>
          <titel status="off">Bedrag van het partnerpensioen </titel>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1. </nr>
          <al>Het partnerpensioen bedraagt vijf zevende gedeelten van het eigen pensioen,
verminderd met de voor dezelfde uitbetalingstermijn, zonder de daarop te verlenen
toeslagen, vast te stellen aanspraak op bijzonder partnerpensioen ingevolge
het Nabestaandenreglement militairen. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2. </nr>
          <al>De in het eerste lid bedoelde vermindering wordt onveranderd voortgezet
indien de rechthebbende op een in mindering te brengen pensioen overlijdt
en vindt, naar de bedragen die zouden zijn genoten, ook plaats indien een
pensioen als daar wordt bedoeld ingevolge het daaromtrent bepaalde in het
Nabestaandenreglement militairen wordt afgekocht. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>3. </nr>
          <al>Indien het in mindering te brengen pensioen op grond van het bepaalde
in artikel 23 van het Nabestaandenreglement militairen met terugwerkende kracht
wordt toegekend, leidt dat niet met terugwerkende kracht tot een vermindering
in de zin van dit artikel. </al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a8">
        <kop>
          <nr>Artikel 8 </nr>
          <titel status="off">Nadere vaststelling van het partnerpensioen </titel>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1. </nr>
          <al>Het partnerpensioen, waarop voor de eventuele aftrek van een bijzonder
partnerpensioen ingevolge het Nabestaandenreglement militairen aanspraak bestaat,
wordt bij een volgend huwelijk van de rechthebbende of een volgende aanmerking
als partner vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller, tot een minimum
van 20, bestaat uit de voor pensioen geldige diensttijd in de zin van de Amp-wet
of een vroegere militaire pensioenwet in de zin van die wet, die de militair
op het moment van zijn overlijden kon aanwijzen, en de noemer gelijk is aan
40. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2. </nr>
          <al>De in het eerste lid bedoelde nadere vaststelling is blijvend en gaat
in op de eerste dag van de maand, volgende op die waarin het daar bedoelde
huwelijk of de daar bedoelde aanmerking heeft plaatsgevonden. </al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a9">
        <kop>
          <nr>Artikel 9 </nr>
          <titel status="off">Bedrag van het wezenpensioen </titel>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1. </nr>
          <al>Het wezenpensioen bedraagt van het eigen pensioen </al>
          <al>a. indien aan hetzelfde overlijden door de verzorger van de wees recht
op een partnerpensioen dan wel recht op een bijzonder partnerpensioen ingevolge
het Nabestaandenreglement militairen wordt ontleend, een zevende gedeelte
en, </al>
          <al>b. in alle andere gevallen, twee zevende gedeelten. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2. </nr>
          <al>Het gezamenlijk bedrag van de wezenpensioenen gaat een bedrag, gelijk
aan vijf zevende gedeelten van het eigen pensioen waarvan zij zijn afgeleid,
niet te boven. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>3. </nr>
          <al>Indien wegens toepassing van het vorige lid de wezenpensioenen een vermindering
moeten ondergaan, geschiedt deze in evenredigheid naar de omvang van de onverminderde
bedragen daarvan. </al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a10">
        <kop>
          <nr>Artikel 10 </nr>
          <titel status="off">Relatie met AOW- en AWW-pensioen </titel>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1. </nr>
          <al>Op een nabestaandenpensioen ingevolge dit besluit wordt, indien dat nabestaandenpensioen
wordt of mede wordt berekend naar diensttijd die niet wordt bestreken door
de in artikel 6, tweede lid, bedoelde franchises dan wel wordt afgeleid van
het pensioen, bedoeld in artikel 3, onder c, of wordt berekend naar invaliditeit
met dienstverband in de zin van de Amp-wet terwijl de in artikel
6, derde lid, bedoelde franchise niet van toepassing is, in verband met het
recht op AOW- of AWW-pensioen een bedrag in mindering gebracht. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2. </nr>
          <al>Voor de vaststelling van het in het eerste lid bedoelde bedrag gelden
de volgende regels: </al>
          <al>1e. de vermindering beperkt zich tot dat deel van de gelijktijdige aanspraak
op AOW- of AWW-pensioen dat geacht kan worden betrekking te hebben op de voor
pensioen geldige diensttijd, tot een maximum van 40 jaren, waarnaar het militair
pensioen waarvan het nabestaandenpensioen moet worden afgeleid is of geacht
moet worden te zijn berekend; </al>
          <al>2e. er wordt niet uitgegaan van een hoger AOW-pensioen dan dat voor een
ongehuwde; </al>
          <al>3e. er wordt slechts gerekend met, tenzij het nabestaandenpensioen moet
worden afgeleid van een pensioen, als bedoeld in artikel E 3, eerste lid,
onder c, van de Amp-wet, de voor 1 januari 1986 liggende voor pensioen geldige
diensttijd; </al>
          <al>4e. rekening wordt gehouden met het bepaalde in de artikelen M 1, tweede
lid, M 2, tweede, derde en vierde lid, alsmede de artikelen M 3 tot en met
M 9 van de Amp-wet, met dien verstande dat daar waar in die artikelen leeftijdsgrenzen
een rol spelen niet die van de gepensioneerde maar van de overledene zullen
gelden en dat het in artikel M 3, onder b, bepaalde mede geldt voor vrijwillige
premiebetaling in de zin van de Algemene Weduwen- en Wezenwet. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>3. </nr>
          <al>Indien het nabestaandenpensioen moet worden afgeleid van een eigen pensioen
dat wordt berekend naar invaliditeit met dienstverband in de zin van de Amp-wet
of een vroegere militaire pensioenwet in de zin van die wet wordt voor de
toepassing van het tweede lid: </al>
          <al>1e. voor de nabestaandenpensioenen die oorspronkelijk zijn toegekend krachtens
een vroegere militaire pensioenwet in de zin van de Amp-wet, het eigen pensioen
waarvan het nabestaandenpensioen moet worden afgeleid geacht te zijn berekend
naar een diensttijd welke zich verhoudt tot 40 jaren als het bedrag van dat
eigen pensioen zich verhoudt tot het maximumbedrag van dat pensioen; </al>
          <al>2e. voor de pensioenen die ingevolge de Amp-wet zijn toegekend aan de
nabestaanden van de militair die is ontslagen voor 1 januari 1986 en overleden
voor 1 januari 1996, het eigen pensioen waarvan het nabestaandenpensioen moet
worden afgeleid geacht te zijn berekend naar een diensttijd welke zich verhoudt
tot 40 jaren, als het bedrag van dat eigen pensioen zich verhoudt tot 70 procent
van de hoogste bij dat eigen pensioen behorende pensioen- of berekeningsgrondslag; </al>
          <al>3e. voor de nabestaanden van de militair die is ontslagen voor 1 januari
1986 en overleden na 31 december 1995, het met dat lid gegeven stelsel gevolgd
in een zin als hiervoor onder 1e bedoeld. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>4. </nr>
          <al>Voor de nabestaanden van de na 31 december 1985 ontslagen beroepsmilitair
wordt, indien hun pensioen moet worden afgeleid van een eigen pensioen dat
naar invaliditeit met dienstverband is berekend, in afwijking van het tweede
en derde lid, de korting vastgesteld op zoveel procent van het AOW-pensioen
voor een ongehuwde of op zoveel procent van het AWW-pensioen waarop recht
bestaat als wordt aangegeven door de te hanteren mate van die invaliditeit. </al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a11">
        <kop>
          <nr>Artikel 11 </nr>
          <titel status="off">Toeslag i.v.m. ontbreken AWW-pensioen voor partner </titel>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1. </nr>
          <al>De partner die recht heeft op een partnerpensioen dat is afgeleid van
een eigen pensioen waarop artikel F 3, zesde lid, of artikel F 7, zestiende
lid, van de Amp-wet is toegepast, de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft bereikt en geen recht heeft op een AWW-pensioen, heeft, tot de eerste
dag van de maand waarin hij die leeftijd bereikt recht op een toeslag op zijn
pensioen. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2. </nr>
          <al>De in het eerste lid bedoelde toeslag bedraagt in het geval van de toepassing
van het daar genoemde artikel F 3 voor elk jaar van de tussen 31 december
1985 en 1 januari 1996 liggende en voor de berekening geldende diensttijd
2,5 procent van het lage AWW-pensioen. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>3. </nr>
          <al>De toeslag als gevolg van de toepassing van het zestiende lid van artikel
F 7 bedraagt zoveel procent van het lage AWW-pensioen als wordt aangegeven
door de mate van invaliditeit met dienstverband waarnaar het eigen pensioen,
waarvan het partnerpensioen moet worden afgeleid, wordt berekend. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>4. </nr>
          <al>Indien het partnerpensioen overeenkomstig het bepaalde in artikel 8 nader
is vastgesteld, wordt de via de voorgaande leden berekende toeslag vermenigvuldigd
met de daar bedoelde breuk. </al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a12">
        <kop>
          <nr>Artikel 12 </nr>
          <titel status="off">Toeslag i.v.m. ontbreken AWW-pensioen voor wees </titel>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1. </nr>
          <al>De wees die recht heeft op een wezenpensioen dat is afgeleid van een eigen
pensioen waarop artikel F 3, zesde lid, of artikel F 7, zestiende lid, van
de Amp-wet is toegepast en geen recht heeft op AWW-pensioen, heeft, tenzij
de overlevende ouder recht heeft op het hoge AWW-pensioen, recht op een toeslag
op zijn pensioen. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2. </nr>
          <al>De in het eerste lid bedoelde toeslag bedraagt in het geval van de toepassing
van het daar genoemde artikel F 3 voor elk jaar van de tussen 31 december
1985 en 1 januari 1996 liggende en voor de berekening geldende diensttijd
0,375 procent van het hoge AWW-pensioen voor de wees, bedoeld in artikel 9,
eerste lid, onder a, en 0,75 procent van het hoge AWW-pensioen voor de wees
bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder b. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>3. </nr>
          <al>De toeslag als gevolg van de toepassing van het zestiende lid van artikel
F 7 bedraagt voor de wees, bedoeld in artikel 9, eerste lid onder a, zoveel
procent van 15 procent van het hoge AWW-pensioen als wordt aangegeven door
de mate van invaliditeit met dienstverband die aan het eigen pensioen, waarvan
het wezenpensioen moet worden afgeleid, ten grondslag ligt en voor de wees,
bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder b, zoveel procent van 30 procent van
dat AWW-pensioen als door die mate wordt aangegeven. </al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a13">
        <kop>
          <nr>Artikel 13 </nr>
          <titel status="off">Toeslag op partnerpensioen </titel>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1. </nr>
          <al>De partner die recht heeft op een partnerpensioen en die de leeftijd van
65 jaar nog niet heeft bereikt, heeft tot de eerste dag van de maand waarin
hij die leeftijd bereikt recht op een toeslag ten bedrage van 15 procent van
zijn volgens de voorgaande artikelen berekende pensioen en van de toeslag,
bedoeld in artikel 11. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2. </nr>
          <al>Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van de partner wiens
partnerpensioen met toepassing van artikel 8 nader is vastgesteld. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>3. </nr>
          <al>De in het eerste lid bedoelde toeslag bedraagt niet meer dan 15 procent
van f 64 066,05.  </al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a14">
        <kop>
          <nr>Artikel 14 </nr>
          <titel status="off">Toeslag op wezenpensioen </titel>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1. </nr>
          <al>De wees die recht heeft op een wezenpensioen heeft vanaf de eerste dag
van de maand waarin hij de leeftijd van 15 jaar bereikt recht op een toeslag
ten bedrage van 15 procent van zijn volgens de voorgaande artikelen berekende
pensioen en van de toeslag, bedoeld in artikel 12. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2. </nr>
          <al>De in het eerste lid bedoelde toeslag bedraagt niet meer dan 15 procent
van f 64 066,05. </al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a15">
        <kop>
          <nr>Artikel 15 </nr>
          <titel status="off">Indexering en aanpassing algemene pensioenen </titel>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1. </nr>
          <al>Indien op grond van de Amp-wet als gevolg van een algemene bezoldigingswijziging
de pensioenen waarvan de nabestaandenpensioenen worden afgeleid zouden zijn
bijgesteld, worden de nabestaandenpensioenen met ingang van dezelfde datum
aangepast door ze nader af te leiden van dat nieuw gevonden pensioen. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2. </nr>
          <al>Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de maximale
bedragen, bedoeld in de artikelen 13 en 14. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>3. </nr>
          <al>Indien op de in het eerste lid bedoelde eigen pensioenen bij wijze van
salarismaatregel met een algemeen karakter een uitkering-ineens zou worden
verstrekt, wordt die uitkering-ineens naar evenredigheid doorvertaald naar
de nabestaandenpensioenen. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>4. </nr>
          <al>Indien de AOW- of AWW-bedragen een algemene wijziging ondergaan, worden
de kortingen en toeslagen die van het niveau van die bedragen afhankelijk
zijn met ingang van dezelfde datum aangepast. </al>
        </lid>
      </art>
    </par>
    <par>
      <kop>
        <nr>§ 4. </nr>
        <titel status="off">Toekenning, einde en betaling van de nabestaandenpensioenen
 </titel>
      </kop>
      <art id="a16">
        <kop>
          <nr>Artikel 16 </nr>
          <titel status="off">Toekenning </titel>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1. </nr>
          <al>De pensioenen en toeslagen worden op een jaarbedrag vastgesteld. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2. </nr>
          <al>Het nabestaandenpensioen gaat in op de dag die volgt op het overlijden
waaraan het wordt ontleend. Over de toekenning van dat pensioen wordt beslist
op aanvraag door of namens de belanghebbende. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>3. </nr>
          <al>Het tijdelijk pensioen gaat in op een door Onze Minister te bepalen dag,
die niet kan liggen voor de dag waarop laatstelijk aanspraak op bezoldiging
of militair pensioen bestond. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>4. </nr>
          <al>De toeslagen gaan in op de dag waarop het recht daarop ontstaat. De laatste
zin van het tweede lid is op de toekenning van een toeslag van overeenkomstige
toepassing. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>5. </nr>
          <al>Indien een aanvraag om een pensioen of een toeslag niet is ingekomen voor
het moment waarop dat pensioen of die toeslag had kunnen ingaan, wordt dat
pensioen of die toeslag toegekend met een terugwerkende kracht, te rekenen
van de dag van binnenkomst van het verzoek, van maximaal een jaar. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>6. </nr>
          <al>Bij de toepassing van dit artikel wordt uitgegaan van de pensioengrondslagen,
berekeningsgrondslagen, pensioenen en pensioenverhogingen zoals die op grond
van de Aanpassingsregeling pensioenen en de daarop aansluitende andere regels
zijn gebracht op het welvaartsvaste niveau van het moment van ingang van het
nabestaandenpensioen.  </al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a17">
        <kop>
          <nr>Artikel 17 </nr>
          <titel status="off">Einde pensioen </titel>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1. </nr>
          <al>Elk pensioen eindigt met het einde van de maand waarin de rechthebbende
is overleden. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2. </nr>
          <al>Indien degene aan wiens vermissing het wordt ontleend in leven blijkt
te zijn, eindigt het tijdelijk pensioen met ingang van een door Onze Minister
te bepalen dag. Zodra vaststaat dat de vermiste is overleden, eindigt het
tijdelijk pensioen door overgang in een voortdurend pensioen. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>3. </nr>
          <al>Het wezenpensioen eindigt voorts met het einde van de maand waarin: </al>
          <al>a. de rechthebbende de leeftijd van 21 jaren heeft bereikt of, voorafgaand
aan het bereiken van die leeftijd in het huwelijk is getreden dan wel partij
is geworden bij de aanmerking van een partner, bedoeld in artikel 2 van dit
besluit of het daarmee overeenkomende artikel in het Nabestaandenreglement
militairen; </al>
          <al>b. de rechthebbende wettig kind is geworden van een ander dan de partner
die aan hetzelfde overlijden recht op partnerpensioen in de zin van dit besluit
of bijzonder partnerpensioen in de zin van het Nabestaandenreglement militairen
ontleent. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>4. </nr>
          <al>Het recht op een toeslag vervalt vanaf het moment dat niet meer aan de
voorwaarden voor de toekenning daarvan wordt voldaan. </al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a18">
        <kop>
          <nr>Artikel 18 </nr>
          <titel status="off">Betaling </titel>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1. </nr>
          <al>De betaling van de pensioenen en toeslagen geschiedt in maandelijkse termijnen. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2. </nr>
          <al>De ingevolge artikel 7, vierde lid, van het Nabestaandenreglement militairen
verstrekte voorschotten worden verrekend met de eerste betaling op grond van
dit besluit en rechtstreeks aan de uitvoerder van dat reglement overgemaakt. </al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a19">
        <kop>
          <nr>Artikel 19 </nr>
          <titel status="off">Bijzondere gevallen </titel>
        </kop>
        <al>Onze Minister kan de artikelen 5 tot en met 15 buiten toepassing laten
of daarvan afwijken voor zover toepassing gelet op de belangen die die artikelen
beogen te beschermen zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. </al>
      </art>
    </par>
    <par>
      <kop>
        <nr>§ 5. </nr>
        <titel status="off">Tijdelijke regels  </titel>
      </kop>
      <art id="a20">
        <kop>
          <nr>Artikel 20 </nr>
        </kop>
        <al>Het Tijdelijk besluit bijzondere regels voor de samenloop van een militair
nabestaandenpensioen en een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet
is van overeenkomstige toepassing op de pensioenen, bedoeld in artikel 6,
eerste lid, onder a, van dit besluit, met dien verstande dat: </al>
        <al>a. voor de in artikel 2 van die regeling genoemde inbouw- en kortingsbepalingen
het bepaalde in artikel 10 van dit besluit in de plaats treedt en </al>
        <al>b. voor de vaststelling van de in de artikelen 3 en 4 van die regeling
genoemde toeslagen niet wordt uitgegaan van de daar genoemde toeslagen uit
hoofdstuk H van de Amp-wet, maar van de vergelijkbare toeslagen,
genoemd in de artikelen 11 tot en met 14 of in het derde lid van artikel 22. </al>
      </art>
      <art id="a21">
        <kop>
          <nr>Artikel 21 </nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1. </nr>
          <al>Onverminderd het bepaalde in het eerste lid van artikel 103 van de Algemene
nabestaandenwet heeft degene die recht heeft op een partnerpensioen krachtens
dit besluit, anders dan bedoeld in het vorig artikel, onder de werking van
de Algemene Weduwen- en Wezenwet aanspraak zou hebben gehad op een AWW-pensioen
en ingevolge het bepaalde in § 1 van hoofdstuk 3 van de eerstgenoemde
wet geen recht heeft op een nabestaandenuitkering, tot 1 januari 1998 recht
op een toeslag op zijn pensioen. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2. </nr>
          <al>De in het eerste lid bedoelde toeslag bedraagt: </al>
          <al>a. voor elk voor 1 januari 1986 liggend en voor de berekening geldend
dienstjaar, 2 procent van de nabestaandenuitkering, bedoeld in artikel 17
van de Algemene nabestaandenwet, zoals die ingevolge artikel 103, vierde lid,
van die wet, op enig moment tot het daar bedoelde voor-Oortse niveau kan worden
teruggebracht en </al>
          <al>b. voor elk jaar van de na 31 december 1985 liggende en voor de berekening
geldende diensttijd, 2,5 procent van de onder a omschreven nabestaandenuitkering. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>3. </nr>
          <al>Op de in het tweede lid bedoelde berekening zijn het tweede en derde lid
van artikel 10 van overeenkomstige toepassing. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>4. </nr>
          <al>In afwijking van het bepaalde in het tweede en derde lid is de ingevolge
dit artikel te verlenen toeslag op een pensioen waarop artikel 10, vierde
lid, of een pensioen dat wordt afgeleid van een eigen pensioen waarop artikel
F 7, zestiende lid, van de Amp-wet is toegepast, per procent invaliditeit
met dienstverband gelijk aan een zeventigste gedeelte van de in het tweede
lid onder a omschreven nabestaandenuitkering. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>5. </nr>
          <al>De via de vorige leden berekende toeslag wordt, zo nodig, op de in het
tweede lid onder a omschreven nabestaandenuitkering gemaximeerd. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>6. </nr>
          <al>Hetgeen is bepaald ten aanzien van de toeslag, bedoeld in artikel 11,
is op de toeslag ingevolge dit artikel van overeenkomstige toepassing. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>7. </nr>
          <al>Voor de vaststelling van de in dit artikel bedoelde toeslag wordt de te
hanteren nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet vastgesteld
op een jaarbedrag en verhoogd met de vakantie-uitkering. </al>
        </lid>
      </art>
    </par>
    <par>
      <kop>
        <nr>§ 6. </nr>
        <titel status="off">Overgangsrecht  </titel>
      </kop>
      <art id="a22">
        <kop>
          <nr>Artikel 22 </nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1. </nr>
          <al>Op de op de dag voor de inwerkingtreding van dit besluit ten laste van
Onze Minister komende wettelijke nabestaandenpensioenen die niet direct zijn
afgeleid van een pensioen- of berekeningsgrondslag, van een naar invaliditeit
met dienstverband of naar diensttijd berekend pensioen, dan wel van een pensioen
als bedoeld in artikel 3, onder c, blijven voor de verdere looptijd daarvan
de bepalingen van toepassing die dat pensioen op die datum beheersten.  </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2. </nr>
          <al>De op de in het eerste lid bedoelde dag ten laste van Onze Minister komende
andere rechten op een nabestaandenpensioen of een gratificatie of andere uitkering
bij wijze van militair nabestaandenpensioen, berusten te rekenen van die dag
op dit besluit. Voor de nabestaandenpensioenen die worden ontleend aan een
overlijden voor 1 januari 1996 blijft daarbij de inhoud van de artikelen H
8, H 9 en J 2 van de Amp-wet, zoals die wet op 31 december 1995 luidde, van
toepassing zolang de daarin aangegeven situatie duurt en voor de nabestaandenpensioenen
die worden ontleend aan een overlijden tussen 31 december 1995 en de datum
van inwerkingtreding van dit besluit voor zolang de toepassing ervan een hoger
totaal aan nabestaandenpensioen oplevert dan een rechtstreekse berekening
via dit besluit. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>3. </nr>
          <al>Indien op het nabestaandenpensioen een toeslag werd verleend ingevolge
artikel H 1, twaalfde lid, van de Amp-wet, vervangt, zolang de daar omschreven
situatie ononderbroken voortduurt, die toeslag of het samenstel van toeslagen,
bedoeld in het elfde en twaalfde lid van dat artikel, de toeslag, bedoeld
in artikel 11. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>4. </nr>
          <al>Een op grond van de Amp-wet ten laste van Onze Minister komend bijzonder
nabestaandenpensioen wordt voor de toepassing van dit besluit gelijkgesteld
met een bijzonder partnerpensioen op grond van het Nabestaandenreglement militairen.
De inhoud van artikel H 3 van de Amp-wet, zoals dat op 31 december 1995 luidde,
blijft op dat bijzonder nabestaandenpensioen van toepassing. De via het tweede
lid van laatstgenoemd artikel gevonden breuk wordt toegepast op het ingevolge
artikel 10 van dit besluit ten aanzien van dat pensioen gevonden verminderingsbedrag. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>5. </nr>
          <al>Indien het overlijden waaraan het recht op nabestaandenpensioen wordt
ontleend plaatsvond voor 1 januari 1986, wordt de diensttijd, waarnaar het
eigen pensioen, waarvan het nabestaandenpensioen moet worden afgeleid, voor
de toepassing van de artikelen 6 en 10 geacht geheel voor die datum te liggen
en indien dat overlijden plaatsvond tussen 31 december 1985 en 1 januari 1995
wordt dat eigen pensioen vastgesteld met toepassing van artikel F 3 van de
Amp-wet zoals dat voor de laatstgenoemde datum luidde. </al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>6. </nr>
          <al>Een weduwenpensioen, toegekend krachtens een vroegere militaire pensioenwet
in de zin van de AMPW, waarvan het recht op uitbetaling is vervallen in verband
met een volgend huwelijk, en dat bij toepassing van artikel Y 14a van de Amp-wet
ten laste van Onze Minister zou zijn gekomen, kan op verzoek van de weduwe
opnieuw worden toegekend naar de bepalingen van dit besluit. Artikel 8 is
op dat pensioen onder alle omstandigheden van toepassing. Het opnieuw toe
te kennen pensioen gaat, in afwijking van artikel 16, tweede en vijfde lid,
niet eerder dan per 1 januari 1996 in. </al>
        </lid>
      </art>
    </par>
    <par>
      <kop>
        <nr>§ 7. </nr>
        <titel status="off">Inwerkingtreding en citeertitel  </titel>
      </kop>
      <art id="a23">
        <kop>
          <nr>Artikel 23 </nr>
          <titel status="off">Inwerkingtreding </titel>
        </kop>
        <al>Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte
van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt, met uitzondering van
de tot en met 1 juli 1996 terugwerkende artikelen 20 en 21, terug tot en met
1 januari 1996.  </al>
      </art>
      <art id="a24">
        <kop>
          <nr>Artikel 24 </nr>
          <titel status="off">Citeertitel </titel>
        </kop>
        <al>Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit bijzondere voorzieningen militair
nabestaandenpensioen. </al>
      </art>
    </par>
  </body>
  <backm>
    <nawerk>
      <slotform>Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota
van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst. </slotform>
      <histnoot>
        <al>Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond
van artikel 25a, vierde lid, onder b, van de Wet op de Raad van State, omdat
het uitsluitend opmerkingen van redactionele aard bevat.</al>
      </histnoot>
      <ondertek>
        <ondplts>'s-Gravenhage, </ondplts>
        <onddatum>5 juli 1997 </onddatum>
        <koning>Beatrix  </koning>
        <minister>
          <minvan>De Staatssecretaris van Defensie, </minvan>
          <naam>J. C. Gmelich Meijling </naam>
        </minister>
      </ondertek>
      <uitgifte>
        <uitgifte-regel>Uitgegeven de <nadruk type="cur">veertiende</nadruk> oktober 1997 </uitgifte-regel>
        <uitdag>veertiende</uitdag>
        <uitmaand>oktober</uitmaand>
        <uitjaar>1997 </uitjaar>
        <door>
          <minvan>De Minister van Justitie, </minvan>
          <naam>W. Sorgdrager </naam>
        </door>
      </uitgifte>
    </nawerk>
    <notatoe>
      <kop>
        <titel status="off"></titel>
      </kop>
    </notatoe>
    <notatoe>
      <kop>
        <titel status="off">NOTA VAN TOELICHTING  </titel>
      </kop>
      <tuskop letat="vet">1. Algemeen </tuskop>
      <al>Vanouds worden de pensioenen voor de nabestaanden van beroepsmilitairen
op kapitaaldekkingsbasis verzorgd door het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds.
Het gaat daarbij niet alleen om de rechten die men kan vergelijken met die
van de nabestaanden van burgerlijk overheidspersoneel, ook de typisch militaire
en mogelijk wat hogere nabestaandenvoorziening bij invaliditeit met dienstverband
is, als het overlijden althans niet met die invaliditeit in verband is te
brengen, een zaak voor het fonds. Een overlijden in en door de dienst, of,
later, als gevolg van die invaliditeit met dienstverband, schept voor de nabestaanden
van de beroepsmilitair bijzondere rechten. Die pensioenen worden dan, tot
een hoger niveau, rechtstreeks ten laste van de Rijksbegroting gebracht en,
met de ouderdomspensioenen, de invaliditeitspensioenen en de nabestaandenpensioenen
voor het reserve- en dienstplichtig personeel, beheerd door het Ministerie
van Defensie zelf. Dat geheel aan rechten werd vastgelegd in de Algemene militaire
pensioenwet en een aantal daaraan voorafgaande militaire pensioenwetten en
volgde in beginsel, tenzij de rechtspositie rond het militaire beroep om een
afwijkende oplossing vroeg, de wijzigingen in het pensioenrecht voor het burgerlijk
overheidspersoneel. Waar dat ondanks de in hoofdzaak afwijkende financieringsmethode
op het inhoudelijke van de pensioenrechten en qua structuur en vormgeving
van de wet ook kon, noopt de privatisering van het fonds thans tot een afwijkende
aanpak. Voor de op de begroting drukkende militaire pensioenen is daadwerkelijke
privatisering immers niet mogelijk omdat er een wettelijke basis voor de uitgaven
moet blijven bestaan en voor de pensioenen waar dat, omdat zij op kapitaaldekkingsbasis
worden gefinancierd, wel kan, dient die wettelijke basis juist te worden vervangen
door een privaatrechtelijk reglement. Ondanks de dan onvermijdelijke opdeling
van het militaire pensioenrecht is uit praktische overwegingen besloten de
privatisering van het fonds te volgen voor zover dat op dit moment mogelijk
is. Het nu al ten laste van het fonds komend militair nabestaandenrecht is
op grond van artikel 28 van de Wet privatisering ABP neergelegd in een met
de centrales van overheidspersoneel in het Sectoroverleg Defensie overeengekomen
en door het fonds uit te voeren «Nabestaandenreglement militairen»
en het ten laste van de begroting komende nabestaandenrecht is overeenkomstig
artikel 31 van de genoemde wet neergelegd in dit, eveneens door die centrales
geaccordeerde, besluit. Anders dan bij het burgerlijk overheidspersoneel het
geval is, blijven de rechten op een militair ouderdoms- of invaliditeitspensioen
steunen op de bestaande, via artikel 77 van de Wet privatisering ABP van alle
nabestaandenrechten geschoonde, formele wetgeving. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De nu noodzakelijke opdeling van het militaire pensioenrecht wordt vanzelfsprekend
niet gezien als een eindsituatie. Omdat het nabestaandenrecht is gekoppeld
aan de rechten op eigen pensioen en dat ook zo behoort te blijven, wordt naar
de mogelijkheden om in de nabije toekomst opnieuw te komen tot een integraal
stelsel onderzoek verricht. In afwachting van de resultaten van het een en
ander richten het meergenoemde reglement en dit besluit zich voor zoveel mogelijk
op de status quo. De rekentechniek, de financieringsmethode en de verdeling
van de doelgroepen over de uitvoeringsorganen blijven in principe afgestemd
op het bestaande. Vereenvoudigingen die op dat vlak in het burgerlijk pensioenreglement
zijn aangebracht werken dus niet door naar het militaire stelsel. De wijzigingen
die bij gelegenheid van de privatisering op het gebied van de aanspraken in
het burgerlijk pensioenstelsel werden gerealiseerd, zijn, conform
het vaste beleid terzake, wel overgenomen. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Met de status quo als uitgangspunt is de gelegenheid aangegrepen de uit
de pensioenwet afkomstige teksten in te korten en ook overigens te vereenvoudigen.
De structuur is gericht op een hernieuwde zelfstandige leesbaarheid. Het reglement
en dit besluit zijn vergelijkbaar van opzet.  </al>
      <tuskop letat="vet">2. Artikelsgewijs  </tuskop>
      <tuskop letat="cur">Artikel 2 </tuskop>
      <al>De huidige militaire pensioenwetgeving stelt voor het verkrijgen van aanspraak
op partnerpensioen een aantal eisen in de sfeer van het huwelijksmoment of
de aanvang van de partnerrelatie in andere zin. Men diende voor het ontslag
of, indien op dat ontslag een uitkering volgde, voor de afloop van het recht
op die uitkering, de betreffende relatie te zijn aangegaan. In navolging van
hetgeen vanaf 1 januari 1996 voor de burgerlijke ambtenaren zal gelden, verruimt
het Nabestaandenreglement militairen de rechten door voortaan als eis te stellen
dat het huwelijk of de aanmerking als partner moet hebben plaatsgevonden voordat
de militair de leeftijd van 65 jaar bereikte. Het reglement stelt daar, in
de sfeer van het leeftijdsverschil tussen de partners en de duur van hun relatie
liggende nieuwe eisen, die tot korting kunnen leiden waar men er niet aan
voldoet, tegenover. Omdat de pensioenwetgeving de betreffende eisen beperkte
tot de gewone nabestaandenpensioenen en het huwelijks-moment of het moment
van het aangaan van een andere partnerrelatie voor de met dit besluit geregelde
pensioenen nooit relevant is geweest, worden hier die vervangende beperkende
bepalingen niet aangelegd en blijft het ook zo, dat elke partnerrelatie, ook
als die is aangegaan na het bereiken van de leeftijd van 65 jaar, in beginsel
een volledig uitzicht op de met dit besluit af te dekken situaties genereert.
Een ingevolge dit artikel aan te melden partner kan daarbij vanzelfsprekend
geen andere zijn dan de partner die ter verzekering van zijn eventuele recht
op een gewoon nabestaandenpensioen in het kader van het reglement als zodanig
staat geregistreerd. Op grond van het vierde lid ontstaat de bevoegdheid regels
te stellen voor partners die niet in de gemeentelijke basisadministratie staan
ingeschreven. Te denken valt daarbij aan de voorwaarden waaronder in het buitenland
gevestigde partners aan de registratie kunnen deelnemen. Het vijfde lid geeft
de situaties aan waarin de registratie wordt beëindigd. De aldaar onder
b gemaakte uitzondering ziet op de bijzondere omstandigheden die de partners
ongewild kunnen dwingen tot het hebben van een verschillend adres, zoals bijvoorbeeld
de opname in een verpleeginrichting. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De rechtspositionele erkenning van andere relatievormen dan het huwelijk
is op het gebied van de overheidspensioenen bij de Wet van 21 december 1995
(Stb. 638) in onder meer de Algemene militaire pensioenwet neergelegd. De
voorwaarden waaronder dit besluit de partner van de ongehuwde militair aanspraak
op nabestaandenpensioen biedt zijn uit die wetgeving overgenomen. Het blijft
daarbij dan ook, in tegenstelling tot bijvoorbeeld het systeem van de Algemene
Ouderdomswet en de Algemene nabestaandenwet, waarin de vraag of er van een
zodanige relatievorm sprake is wordt getoetst aan de feitelijke situatie,
gaan om een stelsel dat werkt met vrijwillige aan- en afmeldingen. 
 </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 3 </tuskop>
      <al>In dit artikel worden de situaties aangegeven, waarop het bijzondere militaire
nabestaandenrecht betrekking heeft. Geformuleerd zijn de gevallen die ook
in de ingetrokken wetgeving zo'n bijzonder recht zouden hebben gehad. Door
in het bepaalde onder b de rechthebbende op een vergelijkbaar pensioen ingevolge
het Nabestaandenreglement militairen uit te sluiten, blijft het pensioen voor
de nabestaanden van de beroepsmilitair die is overleden ten gevolge van andere
oorzaken dan de bij hem vastgestelde verbandsgebreken, een zaak voor het Algemeen
Burgerlijk Pensioenfonds.  </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 4 </tuskop>
      <al>Gezien de gevolgen voor het pensioenniveau moet de vraag of het overlijden
verband hield met de militaire dienst of met door die dienst opgelopen ziekten
of gebreken worden beantwoord aan de hand van een medisch onderzoek. Omdat
dat medisch onderzoek is opgedragen aan het orgaan dat de invaliditeitspensioenen
voor de gewezen beroepsmilitairen beheert, te weten de uitvoeringsinstelling
sociale zekerheid voor overheid en onderwijs (USZO), en er geen nadere regelgeving
op dit terrein bestaat, is er behoefte aan de mogelijkheid er nadere regels
voor te stellen. Van de via artikel 77 van de Wet privatisering ABP ingetrokken
wetgeving is overgenomen dat bij twijfel de uitkomst van dat onderzoek voor
invaliditeitspercentages van 60 of meer niet in het nadeel van de rechthebbende
kan uitpakken. Voor het overige zijn de regels afgestemd op de bestaande praktijk.
Zolang het betreffende onderzoek loopt bestaat voor de nabestaanden aanspraak
op een pensioen ingevolge het Nabestaandenreglement militairen. Is de uitslag
van het onderzoek positief, dan ontstaat recht op pensioen ingevolge dit besluit
en worden de betalingen die op grond van dat reglement zijn verricht beschouwd
als voorschot en conform artikel 18, tweede lid, op de te verstrekken nabetaling
in mindering gebracht.  </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 5 </tuskop>
      <al>In dit artikel wordt vastgesteld wie recht op pensioen hebben en vanaf
wanneer. Het tweede lid betrekt daar, evenals thans het geval is, ook de vermiste
militair bij.  </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 6 </tuskop>
      <al>Voor de verschillende situaties wordt aangegeven van welk pensioen het
toe te kennen nabestaandenpensioen moet worden afgeleid. Conform de bestaande
regels dient daarbij eerst te worden vastgesteld of de geconstateerde invaliditeit
met dienstverband wel bepalend was voor het pensioen waarop de overledene
recht had. De vergelijking tussen het uitsluitend naar diensttijd berekende
pensioen en het naar de mate van invaliditeit berekende pensioen dient, omdat
die samenloop langs verschillende wegen en in verschillende mate tot vermindering
leidt, plaats te vinden voordat op enigerlei wijze rekening is gehouden met
het gelijktijdig genot van algemeen ouderdomspensioen. Indien eenmaal is vastgesteld
dat de voor pensioen geldige diensttijd een hoger pensioen oplevert dan de
invaliditeit, wordt het nabestaandenpensioen van dat naar diensttijd berekende
pensioen afgeleid. In het voorkomen van een onverkorte samenloop met algemeen
pensioen wordt dan vervolgens voorzien door op dat naar diensttijd te berekenen
eigen pensioen voor de na 31 december 1985 liggende diensttijd de franchisebepalingen
uit de wet toe te passen, het nabestaandenpensioen vast te stellen op de in
artikel 7 genoemde breukdelen daarvan om vervolgens, via artikel 10, op  het gevonden bedrag een korting toe te passen voor de diensttijd
van voor 1 januari 1986. Indien het eigen pensioen wordt berekend naar invaliditeit
met dienstverband wordt een wat andere procedure gevolgd. Voor de nabestaanden
van de beroepsmilitair, reservist of dienstplichtige die voor 1 januari 1986
is ontslagen, wordt het pensioen afgeleid van het naar invaliditeit berekende
onverkorte pensioen. Artikel 10 regelt vervolgens de betreffende beperking.
Voor de na 31 december 1985 ontslagen beroepsmilitair wordt dezelfde procedure
gevolgd. Artikel 10, vierde lid, geeft voor die gevallen de eigen kortingsmethode.
Bij de na 31 december 1985 ontslagen dienstplichtigen en reservisten wordt
eerst de voor die gevallen geldende speciale franchise gehanteerd en vervolgens
het nabestaandenpensioen vastgesteld via de relevante breuk. Omdat de korting
met algemeen pensioen dan al in de gewenste mate is gerealiseerd, blijft de
toepassing van artikel 10 voor die gevallen verder achterwege. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Ook in het eerste lid onder a wordt de hiervoor bedoelde vergelijking
tussen naar diensttijd en invaliditeit vastgestelde pensioenresultaten gemaakt.
Hoewel het daar genoemde berekeningspercentage van 100 die afweging in vrijwel
alle gevallen in het voordeel van het invaliditeitspensioen zal doen uitvallen,
zijn er situaties mogelijk waarin dat niet zo is. Indien de beroepsmilitair
ondanks zijn gebreken in militaire dienst wordt gehandhaafd, wordt later het
diensttijdpensioen berekend naar het eindloon en de eventuele invaliditeitsverhoging
naar de inkomsten uit het jaar voorafgaande aan het moment waarop de beslissing
hem te handhaven viel. Voor die gevallen staat het dus ook bij een overlijden
als gevolg van dienstoorzaken niet bij voorbaat vast welke berekening de beste
resultaten oplevert. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Als de militair die was gepensioneerd uit hoofde van verbandgebreken door
andere oorzaken overleed werd het invaliditeitspensioen, dat als basis moest
dienen voor het nabestaandenpensioen, met een verwijzing naar het maximaal
haalbare diensttijdpensioen gemaximeerd op 70% van de berekeningsgrondslag.
Nu in navolging van het burgerlijk pensioenreglement via de Aanpassingswet
privatisering ABP de maximering van het ingevolge de Algemene militaire pensioenwet
vast te stellen diensttijdpensioen is vervallen, kan ook hier, voor nieuwe
overlijdensgevallen althans, de betreffende maximering niet in stand blijven.
De in het eerste lid onder b nog opgenomen beperking geldt dan ook alleen
voor de lopende gevallen. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het in het eerste lid onder c bedoelde pensioenbedrag vereist een aparte
vermelding. Het gaat daar om het vaste bedrag aan invaliditeitspensioen dat
tot 1 januari 1986 bij wijze van garantie gold voor de dienstplichtige of
reservist die geen aanspraak meer kon maken op een invaliditeitsverhoging
omdat zijn mate van invaliditeit met dienstverband tot minder dan 10% was
gedaald. Het bedrag van dat pensioen is voor een ieder gelijk. Een nabestaandenpensioen
wordt er rechtstreeks van afgeleid.  </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 7 </tuskop>
      <al>Het bedrag van het partnerpensioen wordt, evenals thans het geval is,
vastgesteld op vijf zevende gedeelten van het via artikel 6 gevonden bedrag.
Op het aldus gevonden resultaat wordt een bijzonder partnerpensioen, het pensioen
voor een gewezen partner, in mindering gebracht. Ten aanzien van dat bijzondere
partnerpensioen moet het volgende worden opgemerkt. Het burgerlijk pensioenreglement
ter zake volgend, zal het in de toekomst niet langer zo zijn dat gebeurtenissen
na het echtscheidingsmoment of het moment van afmelding van een andere partnerrelatie invloed kunnen hebben op het op het partnerpensioen
in mindering te brengen bijzonder partnerpensioen. Dat geldt in de eerste
plaats voor het pensioengevend salaris waarnaar dat bijzondere partnerpensioen
moet worden berekend. Het thans geldende eindloon wordt daar vervangen door
de inkomsten uit het jaar, voorafgaande aan die gebeurtenis. In dezelfde lijn
kan ook de invaliditeit met dienstverband die op het moment van overlijden
bestond of het feit dat er verband wordt aangenomen tussen het overlijden
en de geconstateerde gebreken niet langer maatgevend zijn voor de hoogte van
dat bijzonder partnerpensioen. Ook in die gevallen zal het bijzonder partnerpensioen
geen gedeelte meer kunnen zijn van het uiteindelijk vast te stellen partnerpensioen,
maar zelfstandig moeten worden berekend naar de diensttijd en de grondslag
die op het moment van de scheiding zijn vast te stellen. In het Nabestaandenreglement
militairen wordt dat, overeenkomstig de werkwijze bij de burgers, ook zo geregeld.
De gewezen partner verkrijgt via artikel 7, vijfde lid, van dat reglement
een premievrije aanspraak die op het moment van overlijden wordt omgezet in
een recht. Via artikel 26, tweede lid, van het reglement wordt die premievrije
aanspraak ook schriftelijk vastgelegd. De figuur van een bijzonder nabestaanden-pensioen
komt als gevolg van die werkwijze in dit besluit niet meer voor. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Een bijzonder partnerpensioen wordt alleen gekort indien het recht daarop
ook feitelijk ontstaat. Een vooroverlijden van de gewezen partner leidt dus
niet tot een korting op het partnerpensioen. Als het recht op een bijzonder
partnerpensioen is vastgesteld en er daarom een korting plaatsvindt, wordt
die korting, zoals ook thans te doen gebruikelijk, bij het vervallen van dat
recht niet hersteld. In het derde lid is de regel opgenomen dat toekenningen
met terugwerkende kracht niet zullen leiden tot kortingen met terugwerkende
kracht.  </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 8 </tuskop>
      <al>De wijze waarop bij het aangaan van een nieuwe partnerrelatie het partnerpensioen
nader wordt vastgesteld is overgenomen uit de Algemene militaire pensioenwet.
 </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 9 </tuskop>
      <al>De berekening van elk afzonderlijk wezenpensioen vindt plaats naar de
bestaande normen. De in het tweede lid omschreven beperking is overgenomen
van het burgerlijk pensioenreglement en vervangt de thans geldende beperkende
bepaling uit artikel H 9 van de Algemene militaire pensioenwet. In het algemeen
werkt de nieuwe bepaling milder uit omdat het gezamenlijk bedrag aan partner-
en wezenpensioen in plaats van tot 7/7 gedeelten van het eigen pensioen op
kan lopen tot 10/7 gedeelten daarvan. Ook situaties waarin dat niet zo is
zijn evenwel denkbaar. Het gezamenlijk pensioen van drie volle wezen wordt
in de nieuwe situatie van 6/7 gedeelten teruggebracht tot 5/7 gedeelten en
zou in de oude situatie niet zijn beperkt.  </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 10 </tuskop>
      <al>In het algemeen gedeelte van deze toelichting staat aangegeven dat dit
besluit op het vlak van de berekeningstechniek geen wijziging brengt in het
bestaande. Dit artikel keert in de regels terug als gevolg van dat uitgangspunt
en vervangt het bepaalde in de hoofdstukken N en O van de Algemene militaire
pensioenwet, zoals die op 31 december 1995 luidde. In de toelichting op artikel
6 staan het doel en de werking ervan omschreven. De richtlijnen voor de vaststelling
van de korting zijn rechtstreeks overgenomen uit de genoemde wet. De in het
derde lid, onder 2e opgenomen regel houdt verband met de maximering,
omschreven in de derde alinea van de toelichting op artikel 6. De in dat lid
onder 3e opgenomen nieuwe regel ligt in het verlengde van het loslaten daarvan.
 </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 11, 12, 13 en 14 </tuskop>
      <al>De in deze artikelen opgenomen toeslagen zijn overgenomen uit de artikelen
H 1, elfde en vijftiende lid en H 4, vijfde en zevende lid, van de Algemene
militaire pensioenwet. Overeenkomstig de beslissing bij het opstellen van
het burgerlijk pensioenreglement is de toeslag, bedoeld in artikel H 1, twaalfde
lid, van die wet, vervallen.  </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 15 </tuskop>
      <al>Om de relatie tussen de eigen en de nabestaandenpensioenen ook in de tijd
te bewaren, kent zowel het Nabestaandenreglement militairen als dit besluit
een indexeringsartikel dat rechtstreeks en onvoorwaardelijk is gekoppeld aan
de welvaartsvaste aanpassingen van het eigen pensioen.  </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 16 </tuskop>
      <al>Een pensioen wordt toegekend op schriftelijke aanvraag van de belanghebbende.
De huidige praktijk, waarin het toekenningsproces voor zoveel mogelijk ambtelijk
wordt begeleid, zal door dat voorschrift niet veranderen. In veel gevallen
is de rechthebbende evenwel niet bij de administratie bekend. De ook nu bestaande
en in het vijfde lid omschreven beperking van de terugwerkende kracht is daarom
nodig.  </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 19 </tuskop>
      <al>De bevoegdheid om bij een onredelijke uitkomst een met de strekking van
dit besluit sporende afwijkende beslissing te nemen is rechtstreeks overgenomen
uit de ingetrokken pensioenwetgeving. Hoewel het vergelijkbare artikel onder
de werking van de Algemene militaire pensioenwet nimmer werd toegepast, blijft
er tegen de achtergrond van de complexiteit van de materie behoefte aan een
mogelijke uitweg bestaan. Ook in het Nabestaandenreglement militairen, het
pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP en, ten aanzien van de
eigen pensioen, de Algemene militaire pensioenwet, komen bepalingen van die
strekking voor.  </al>
      <tuskop letat="cur"></tuskop>
      <tuskop letat="cur">Artikel 20 </tuskop>
      <al>In dit artikel wordt aangegeven dat de compenserende maatregel, die als
gevolg van de totstandkoming van de Algemene Nabestaandenwet voor de pensioenen
van de nabestaanden van in verband met de dienst overleden militairen werd
genomen, wordt doorgetrokken naar dit besluit. De betreffende regeling steunt
op artikel 103 van de Algemene nabestaandenwet en heeft, in lijn met dat artikel
een tijdelijk karakter. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Overeenkomstig hetgeen in het derde lid van het bedoelde artikel 103 is
voorgeschreven, komt de regeling er inhoudelijk op neer dat de onder de werking
van de Algemene Weduwen- en Wezenwet toe te passen korting op het militair
nabestaandenpensioen naar dezelfde normen en voorwaarden wordt doorgetrokken
naar de rechthebbende op een uitkering ingevolge de Algemene Nabestaandenwet.
In lijn met die normen en voorwaarden wordt daarbij gerekend met het bedrag
aan Anw-uitkering dat de betrokkene, na eventuele vermindering met andere
inkomsten, feitelijk geniet.   </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 21 </tuskop>
      <al>Ook voor de nabestaandenpensioenen waar het overlijden geen verband houdt
met de militaire dienst is, in navolging van hetgeen voor het burgerlijk overheidspersoneel
is bepaald, voor het mogelijk verlies van het recht op de algemeen geldende
basisuitkering een tijdelijke compenserende maatregel overeengekomen. Dit
artikel bevat die maatregel. Conform de afspraken is de werking beperkt tot
1 januari 1998, de datum waarop naar verwachting de door de sociale partners
te voeren fundamentele discussie over de toekomst van het nabestaandenpensioen
tot resultaten kan hebben geleid. De maatregel mag dan ook niet worden gezien
als de invulling van het tweede lid van artikel 103 van de Algemene nabestaandenwet.
Het doel is om in afwachting van de mede op de totstandkoming van de Algemene
nabestaandenwet gerichte ingrepen het bestaande stelsel op een aanvaardbaar
niveau te handhaven. De maatregel gaat in op 1 juli 1996, de datum van inwerkingtreding
van de Algemene nabestaandenwet.  </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 22 </tuskop>
      <al>Met het eerste lid worden de pensioenen die niet naar een berekeningsgrondslag
worden vastgesteld ingepast naar de methode die op het moment van de inwerkingtreding
van dit besluit voor die pensioenen geldt. Gedacht wordt daarbij met name
aan de kostwinnerspensioenen, die worden bepaald naar de bijdrage die de militair
ten behoeve van zijn ouders, schoonouders of ouderloze kleinkinderen leverde.
In het nieuwe stelsel komt dat bijzondere recht niet meer voor. Een bijdrage
in de «noodzakelijke kosten van levensonderhoud», zoals de wet
het formuleert, is tegen de achtergrond van de Nederlandse sociale voorzieningen
immers nauwelijks voorstelbaar. Sinds de invoering van de Algemene militaire
pensioenwet, een periode van dertig jaar derhalve, heeft het maar in twee
gevallen tot de toekenning van een kostwinnerspensioen kunnen komen. Dat aantal
kan het bestaan van een toch vrij complexe wettelijke voorziening niet rechtvaardigen
en wijst er ook eigenlijk op, dat de problemen die in deze sfeer kunnen ontstaan
zo exclusief zijn, dat op de realiteit van het geval afgestemde aanvullende
voorzieningen meer voor de hand liggen dan een strak wettelijk kader. Artikel
19 zou de basis voor dergelijke aanvullingen kunnen vormen. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het tweede lid bepaalt dat de lopende pensioenen te rekenen van de ingangsdatum
worden geacht te steunen op dit besluit. Dat is niet alleen nodig omdat door
het intrekken van de pensioenwetgeving aan die toekenningen de basis is ontvallen,
maar ook voor de welvaartsvaste aanpassingen in de toekomst en een juiste
uitvoering van de vermindering in verband met het gelijktijdig recht op algemeen
ouderdomspensioen of algemeen weduwen- en wezenpensioen. Het besluit is op
de hoofdlijnen zo ingericht dat die inpassing zonder herberekening kan plaatsvinden.
Op een aantal punten moet, om in de pas te blijven met het fonds, de oude
regelgeving op de lopende pensioen blijven uitwerken. Dat geldt voor de in
dit lid genoemde artikelen H 8 (herziening wezenpensioenen als gevolg van
de nadere vaststelling van het partnerpensioen bij hertrouwen of het aangaan
van een andere partnerrelatie), H 9 (de bij de toelichting op artikel 9 besproken
beperking) en J 2 (beperking bij samenloop van meerdere nabestaandenpensioenen
ingevolge hetzelfde overlijden). Die artikelen keren immers niet (H 8, J 2)
of in een andere vorm (H 9) in de nieuwe regels terug. Hetzelfde geldt voor
de in het derde lid bedoelde toeslag ingevolge artikel H 1, twaalfde lid,
van de Algemene militaire pensioenwet, die niet terugkeert maar, indien toegekend,
moet worden gegarandeerd zolang men daarop recht zou hebben gehad.  </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Eerder werd aangegeven dat een bijzonder partnerpensioen op grond van
dit besluit niet meer tot de mogelijkheden zal behoren. De lopende gevallen
moeten evenwel blijven bestaan, in mindering worden gebracht op de eveneens
toegekende partnerpensioenen en worden afgerekend naar het niveau dat voor
de rechthebbenden op de datum van inwerkingtreding van dit besluit gold. In
het vierde lid wordt daarom artikel H 3 van de Algemene militaire pensioenwet
voor de looptijd van die gevallen overeind gehouden. </al>
      <al>Het vijfde lid behandelt de wijze waarop moet worden omgegaan met het
door de Algemene militaire pensioenwet gehanteerde systemen ter voorkoming
van samenloop met algemeen pensioen. Het werken met ficties valt daarbij niet
te vermijden. Per 1 januari 1986 is het destijds geldende inbouwsysteem vervangen
door een van de burgerlijke staat afhangende franchise en per 1 januari 1995
is dat laatste systeem omgezet in een rekenwijze die gebruik maakt van een
uniforme franchise. Overeenkomstig de op de datum van inwerkingtreding van
dit besluit bestaande situatie bewerkstelligen de betreffende regels dan dat
een eenmaal voor zo'n wijziging vastgesteld nabestaandenpensioen, ook al zou
de daarmee te vergelden tijd tussen het overlijden en het moment waarop de
overledene de leeftijd van 65 jaar zou hebben bereikt de wijzigingsdatum overschrijden,
niet behoeft te worden getoetst aan zo'n nieuw systeem. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>In het systeem dat aan de Algemene militaire pensioenwet voorafging verviel
bij hertrouwen het recht op betaling van een weduwenpensioen. Men werd in
dat recht hersteld indien men opnieuw weduwe werd. Met de komst van de Algemene
militaire pensioenwet is in die situatie geen verandering gekomen. Het zesde
lid van dit artikel doet dat thans wel. Een betrokkene kan op verzoek, ongeacht
de vraag of zij nog steeds gehuwd is, in haar rechten worden hersteld. Het
pensioen wordt dan wel nader vastgesteld op de wijze die voor een hertrouwen
of het aangaan van een nieuwe partnerrelatie in dit besluit is aangegeven.
 </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 23 </tuskop>
      <al>Aangegeven is dat dit besluit, uitgezonderd de tot en met 1 juli 1996
terugwerkende artikelen 20 en 21, terug zal werken tot en met 1 januari 1996.
Dat kan omdat er in de lopende pensioenrechten geen wijzigingen in het nadeel
worden aangebracht. De wijzigingen in het voordeel hebben voor het militair
personeel dan dezelfde ingangsdatum als de overeenkomstige wijzigingen voor
hun burger-collega's.  </al>
      <minister>
        <minvan>De Staatssecretaris van Defensie, </minvan>
        <naam>J. C. Gmelich Meijling </naam>
      </minister>
    </notatoe>
  </backm>
</staatsbl>