﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<!DOCTYPE staatsbl PUBLIC "-//SDU//DTD staatsblad xml 1.1//NL" "../../dtd/staatsbl-11.dtd"[]>
<staatsbl id="sb997.118" soort="kb" publtype="kobe">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-1997-118/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel status="off">Staatsblad</titel>
    <subtitel>van het Koninkrijk der Nederlanden</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.4" conv="OPmaat" markup="c1xa"></versie>
    <ordernr>7S0100</ordernr>
    <stb>
      <jaargang jaar="1997">Jaargang 1997</jaargang>
      <stbjaar>1997</stbjaar>
      <stbnr>118 </stbnr>
    </stb>
    <intitule>
      <soort>Besluit</soort> van 14 februari 1997, houdende beslissing
op het bezwaarschrift van burgemeester en wethouders van Amsterdam tegen het
koninklijk besluit van 17 oktober 1996 tot vernietiging van het besluit van
de raad van de gemeente Amsterdam van 4 september 1996 voor zover het betreft
het vaststellen van de Verordening op het referendum 1996</intitule>
    <aanhef>
      <wie>Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.</wie>
      <consider>
        <al>Beslissende op het bezwaarschrift van burgemeester en wethouders van Amsterdam
tegen het koninklijk besluit van 17 oktober 1996 tot vernietiging van het
besluit van de raad van de gemeente Amsterdam van 4 september 1996 voor zover
het betreft het vaststellen van de Verordening op het referendum 1996.</al>
        <al>Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Staatssecretaris
van Binnenlandse Zaken mevrouw A. G. M. van de Vondervoort, van 5 februari
1997 (CWI97/U156), Stafafdeling Constitutionele Zaken, Wetgeving en Internationale
Aangelegenheden.</al>
        <al>Over de feiten en de ontvankelijkheid</al>
        <al>1. Over de feiten</al>
        <al>Bij koninklijk besluit van 17 oktober 1996 is met toepassing van artikel
268, eerste lid, van de Gemeentewet het besluit van de raad van de gemeente
Amsterdam van 4 september 1996 voor zover het betreft het vaststellen van
de Verordening op het referendum 1996, vernietigd. Dit koninklijk besluit
is bij brief van 22 oktober 1996 aan het gemeentebestuur van Amsterdam bekendgemaakt.
De gemeenteraad van Amsterdam heeft op 27 november 1996 besloten tegen het
koninklijk besluit een bezwaarschrift in te dienen. Vervolgens hebben burgemeester
en wethouders van Amsterdam bij brief van 2 december 1996 bedoeld bezwaarschrift
ingediend.</al>
        <al>Bij brief van 5 december 1996 (CWI96/1418) heeft de minister van Binnenlandse
Zaken de ontvangst van het bezwaarschrift bevestigd. Hierbij heeft hij verzocht,
indien burgemeester en wethouders op grond van artikel 7:3, onder c, van de
Algemene wet bestuursrecht van het recht te worden gehoord geen gebruik willen
maken, dit zo spoedig mogelijk schriftelijk aan hem mede te delen. Bij brief
van 16 december 1996 heeft de Amsterdamse wethouder bestuurlijke
vernieuwing, mevrouw Van der Giessen, meegedeeld een hoorzitting niet noodzakelijk
te vinden.</al>
        <al>2. De ontvankelijkheid van het bezwaarschrift</al>
        <al>Op grond van artikel 281a, eerste lid, van de Gemeentewet kan een belanghebbende
beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
tegen een koninklijk besluit tot vernietiging van een gemeentelijk besluit.
Alvorens beroep in te stellen dient een belanghebbende ingevolge artikel 7:1
van de Algemene wet bestuursrecht tegen dat besluit bezwaar te maken.</al>
        <al>Het in het bezwaarschrift bestreden koninklijk besluit is aan de gemeente
Amsterdam bekendgemaakt bij brief van 22 oktober 1996, zodat het bezwaarschrift
binnen de termijn van zes weken, bedoeld in artikel 6:7 van de Algemene wet
bestuursrecht is ingediend. Ook overigens voldoet het bezwaarschrift aan de
eisen die de Algemene wet bestuursrecht stelt.</al>
        <al>Het bezwaarschrift is ondertekend door burgemeester en wethouders van
Amsterdam. Gelet op het besluit van de gemeenteraad van Amsterdam van 27 november
1996 tot het maken van bezwaar en gelet op het besluit van de gemeenteraad
van Amsterdam van 13 juli 1994 – waarin is bepaald dat, indien bij enig
wettelijk voorschrift aan de gemeente of het gemeentebestuur, hetzij een recht
bezwaar in te brengen tegen handelingen of besluiten van een bestuursorgaan,
hetzij een recht beroep of administratief beroep in te stellen is toegekend,
dit recht door burgemeester en wethouders wordt uitgeoefend – kunnen
burgemeester en wethouders worden beschouwd als belanghebbende in de zin van
artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht.</al>
        <al>Het bezwaarschrift is derhalve ontvankelijk.</al>
        <al>De bezwaren</al>
        <al>De bezwaren van burgemeester en wethouders van Amsterdam zijn kort aangeduid
de volgende:</al>
        <al>1. De verordening voldoet aan de eis van de circulaire van de Minister
van Binnenlandse Zaken van 27 januari 1995 dat de raad per geval beslist of
een referendum wordt gehouden; immers de raad toetst per geval of er sprake
is van een in artikel 1.4 genoemde uitzonderingsgrond. De raad heeft dus enige
beleidsruimte voor een afweging of een referendum wordt gehouden. De verordening
bevat geen bepalingen over de binding van raadsleden aan de uitslag van het
referendum. Ook overigens voldoet de verordening aan de eisen die de circulaire
stelt.</al>
        <al>2. Het primaat van de raad heeft betrekking op de verhouding tussen de
raad en het college van burgemeester en wethouders. Het primaat van de raad
brengt met zich mee dat de raad bepaalt in hoeverre hij zijn autonome bevoegdheden
op bepaalde terreinen wil inperken. Een dergelijke inperking komt ook in andere
gevallen voor en is niet in strijd met het grondwettelijk primaat.</al>
        <al>3. Het primaat van de raad komt tot uitdrukking doordat hij nagaat of
een besluit onder een afwijzingsgrond valt. Er zijn diverse uitzonderingsgronden
die niet louter neerkomen op een categorisering van het besluit, maar een
belangenafweging vereisen. Dat de raad de bevoegdheid mist om ongebonden te
besluiten over het houden van een referendum is een stelling die een voldoende
dragende motivering mist.</al>
        <al>4. Het limitatief in de verordening aangeven in welke gevallen een verzoek
tot het houden van een referendum wordt afgewezen is in overeenstemming met
het bestuursrecht dat verplicht tot het voeren van een consistent beleid en
tot het van tevoren bekendmaken van beleidsregels. Waar mogelijk
verdient het aanbeveling dat beleidsregels in een algemeen verbindend voorschrift
worden neergelegd.</al>
        <al>5. Het argument van het de facto bindende karakter van een raadplegend
referendum dat wordt gebruikt om het betoog inzake de aantasting van het primaat
kracht bij te zetten, leidt ertoe dat ieder raadplegend referendum in strijd
met de Grondwet is. Het is onlogisch dat de uitslag van het referendum de
facto bindend wordt geacht, uitsluitend omdat de raad zich beperkingen heeft
opgelegd om een referendumverzoek af te kunnen wijzen. Dit is niet consistent
met het koninklijk besluit inzake de referendumverordening van Arnhem, waarin
een niet ingevuld kader voor de beoordeling van een referendumverzoek, samen
met een zekere mate van zelfbinding werden toegestaan.</al>
        <al>6. Het raadplegend referendum is sedert het verschijnen van het rapport
van de staatscommissie-Biesheuvel in de praktijk aanvaard. De beperking van
de beleidsruimte van de raad teneinde de burgers rechtszekerheid te verschaffen
over het toestaan van een referendum, sluit bij deze ontwikkeling aan.</al>
        <al>7. Uit deze bezwaren volgt dat er geen sprake is van strijd met de artikelen
147, 156, 166 en 177 van de Gemeentewet. Er is geen sprake van een verboden
delegatie van bevoegdheden aan de bevolking, aangezien de raad zowel over
het verzoek beslist, alsmede, nadat het referendum is gehouden, over de vraag
wat er met het besluit moet gebeuren. Dat de marges om te beslissen feitelijk
beperkt zijn komt vaker voor, zonder dat er sprake is van een verboden delegatie.</al>
        <al>Beoordeling van de bezwaren</al>
        <al>Omtrent de genoemde bezwaren wordt het volgende overwogen.</al>
        <al>ad 1</al>
        <al>De circulaire van 27 januari 1995 stelt dat het grondwettelijk primaat
van de gemeenteraad eist dat de raad per geval moet kunnen beoordelen of een
referendum gehouden zal worden. Ratio van deze eis is dat de beslissing of
een raadplegend referendum wordt gehouden een volledige politieke afweging
van de verschillende in geding zijnde belangen vergt, waarbij de politieke
binding aan de uitslag van het referendum kan worden meegewogen.</al>
        <al>Dit komt ook tot uitdrukking in de genoemde circulaire. Bij de beoordeling
van de grondwettigheid van de referendumverordening van de gemeente Arnhem
(welke beoordeling aan de circulaire ten grondslag heeft gelegen) is doorslaggevend
geweest de beantwoording van de vraag of er sprake was van een ongeoorloofde
vorm van zelfbinding van de raad. Deze vraag is negatief beantwoord. Een belangrijk
element hierbij was dat de raad zelf per geval beslist of een raadplegend
referendum wordt gehouden.</al>
        <al>Burgemeester en wethouders van Amsterdam voeren aan dat binnen de kaders
van de verordening een zekere beleidsmatige ruimte aanwezig is voor het maken
van een afweging bij het besluit over het houden van een referendum. Dit argument
vindt evenwel geen steun in de tekst van de verordening, waarin immers sprake
is van een limitatieve opsomming van de gevallen waarin geen referendum wordt
gehouden. De tekst laat geen ruimte voor het ontwikkelen van beleid terzake,
hoogstens kan in bepaalde gevallen sprake zijn van een bepaalde interpretatie
van de bewoordingen van het algemeen verbindend voorschrift. Het interpreteren
van een algemeen verbindend voorschrift kan echter niet op één
lijn worden gesteld met het aanwezig zijn van een zekere beleidsruimte. De
interpretatie door een bestuursorgaan van een algemeen verbindend voorschrift
zal immers in het kader van de rechtsbescherming door de rechter integraal
kunnen worden getoetst.</al>
        <al>Duidelijk moge zijn dat door de in de verordening gestelde kaders, de
afwegingsruimte van de raad wordt beperkt tot de vraag of er sprake is van
een in de verordening omschreven uitzonderingsgrond. In de circulaire wordt
aangegeven dat de raad van geval tot geval over het houden van een referendum
moet kunnen beslissen. Daarbij wordt niet gesproken over een kader waarbinnen
deze beslissing genomen kan worden of over de mogelijkheid van een beperking
van de vrije beslissingsruimte van de gemeenteraad. De bewoordingen van de
circulaire geven dan ook geen enkele aanleiding tot de veronderstelling dat
zodanige inperking van de beslissingsruimte mogelijk is.</al>
        <al>Bij de beoordeling van de verordening van de gemeente Arnhem was van belang
de in die verordening opgenomen bepaling omtrent de door de raadsleden aan
de uitslag van het referendum te verbinden gevolgen. Geconstateerd werd dat
deze zelfbinding, onder andere vanwege het feit dat de raad per geval beslist
of een referendum zal plaatsvinden, niet ontoelaatbaar is. Op geen enkele
wijze is evenwel in de circulaire gesteld dat deze beoordeling alleen zou
gelden in een situatie dat de verordening regels bevat over de wijze waarop
raadsleden zich kunnen uitspreken over de wijze waarop zij aan de uitslag
van het referendum gevolg zullen geven. De circulaire stelt immers:</al>
        <al>«Uit het voorgaande vloeit voort dat een regeling van raadplegende
referenda in elk geval binnen de bestaande (grond)wettelijke kaders blijft
indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:</al>
        <al>– het is de gemeenteraad die per geval beslist of een raadplegend
referendum wordt gehouden;</al>
        <al>– ieder raadslid beslist per referendum individueel in hoeverre
hij zich aan de uitslag van het referendum gebonden zal achten;</al>
        <al>– de gemeenteraad neemt een definitief besluit over het onderwerp
van het referendum, nadat het referendum is gehouden.»</al>
        <al>Uit het feit dat de Amsterdamse verordening geen bepaling omtrent de zelfbinding
van raadsleden bevat, kan niet worden afgeleid dat het gestelde in de circulaire
niet van toepassing zou zijn.</al>
        <al>Bovenstaande komt neer op het volgende. Het primaat van de raad eist dat
van geval tot geval wordt overwogen of het gewenst is dat bij de definitieve
besluitvorming over een onderwerp het resultaat van een referendum als een
(belangrijk) gegeven wordt meegenomen. Dit is de achtergrond van de eis dat
de raad van geval tot geval beslist of een referendum wordt gehouden. Daarvan
is geen sprake indien de raad tevoren afstand doet van de mogelijkheid om
de materiële binding in zijn afweging te betrekken. Gelet op deze achtergrond
voldoet de referendumverordening niet alleen niet aan het gestelde in de circulaire
in zijn bewoordingen, maar ook niet aan de strekking en bedoeling van de in
de circulaire gestelde eisen.</al>
        <al>Het bezwaar is derhalve ongegrond</al>
        <al>ad 2</al>
        <al>Burgemeester en wethouders van Amsterdam wijzen erop dat het primaat van
de gemeenteraad zoals neergelegd in de Grondwet en de Gemeentewet, betrekking
heeft op de verhouding tussen de gemeenteraad en de andere organen van de
gemeente. Het staat de gemeenteraad vervolgens vrij zijn bevoegdheden aan
andere organen van de gemeente te delegeren of bij de uitoefening van zijn
bevoegdheden zijn beslissingsruimte in te perken. </al>
        <al>De stelling dat het primaat van de raad alleen betrekking zou hebben op
interne verhoudingen en derhalve niet zou zien op de mogelijkheid van de overdracht
van bevoegdheden aan personen of organen die hun grondslag niet in de Grondwet
en Gemeentewet vinden, vindt geen steun in het stelsel van de Grondwet en
de Gemeentewet. De Grondwet en Gemeentewet bepalen uit welke bestuursorganen
het gemeentebestuur bestaat en welke bevoegdheden deze bestuursorganen hebben.
Andere dan de in de Grondwet en Gemeentewet genoemde bestuursorganen kunnen
geen besluitvormende rol vervullen in het gemeentebestuur. In dit opzicht
moet de regeling in de Grondwet en Gemeentewet als een gesloten stelsel worden
beschouwd. De Grondwet en de Gemeentewet geven immers op geen enkele plaats
aan dat ook andere organen dan de in die wet genoemde, deel uit kunnen maken
van het gemeentebestuur. Gelet op het ontbreken van de mogelijkheid van het
overdragen van bevoegdheden van de gemeenteraad aan andere organen dan die
genoemd in de Grondwet en Gemeentewet, is het niet vreemd dat de literatuur
over de positie van de gemeenteraad alleen betrekking heeft op de verhouding
tussen de gemeenteraad en de andere organen die deel uit maken van het gemeentebestuur.
Hieruit kan evenwel niet worden afgeleid dat het primaat van de gemeenteraad
geen betrekking heeft op het afstaan van bevoegdheden aan organen of personen
buiten het gemeentebestuur.</al>
        <al>De stelling van burgemeester en wethouders van Amsterdam dat het in het
publiekrecht niet ongewoon is dat een bestuursorgaan zichzelf bindt en de
feitelijke beslissingsbevoegdheid daardoor sterk wordt ingeperkt, is juist.
Van belang is evenwel dat deze inperking niet in strijd mag komen met de wet
die de betreffende bevoegdheid heeft toebedeeld. In casu gaat het om het primaat
van de gemeenteraad zoals dat door de Grondwet en Gemeentewet is vastgelegd
en waarvan in deze wetten is geregeld op welke wijze de bevoegdheden van de
gemeenteraad kunnen worden ingeperkt of overgedragen. Voorwerp van de inperking
van de bevoegdheden van de gemeenteraad is in dit geval niet het voorwerp
van de besluitvorming, maar de besluitvorming zelf. Het gesloten stelsel van
de Grondwet en de Gemeentewet bevat een uitputtende regeling terzake, zodat
voor een zelfbinding zoals die overigens in het publiekrecht niet ongewoon
is, in dit geval geen ruimte bestaat.</al>
        <al>Het bezwaar is derhalve ongegrond.</al>
        <al>ad 3</al>
        <al>Burgemeester en wethouders van Amsterdam stellen dat bij de beoordeling
door de gemeenteraad of er sprake is van een uitzonderingsgrond, onder omstandigheden
sprake kan zijn van een belangenafweging. Hiervoor is onder punt 1 reeds aangegeven
dat het hierbij niet gaat om een vrije beleidsruimte, maar hoogstens kan gaan
om een interpretatie van de uitzonderingsgronden. Een dergelijke interpretatie
kan integraal door de rechter worden getoetst. Een oordeel dat er door middel
van interpretatie van de verordening in een concreet geval sprake kan zijn
van een belangenafweging, doet niet af aan de constatering dat de verordening
geen ruimte laat voor een ongebonden beslissing van de gemeenteraad of een
referendum zal worden gehouden. Een belangenafweging, als die al mogelijk
is, zal zich immers steeds moeten bewegen binnen de ruimte die interpretatie
van de verordening daarvoor biedt. Dit klemt te meer nu de gemeenteraad bij
de interpretatie van de verordening geen ruimte heeft om de materiële
binding daarbij te betrekken.</al>
        <al>Concluderend kan worden gesteld dat er geen sprake is van een beleidsruimte,
maar onder omstandigheden alleen voor interpretatie van de verordening.
Een dergelijke interpretatie kan geen betrekking hebben op de materiële
gevolgen van een referendum. Deze gebondenheid is in strijd met het primaat
van de gemeenteraad.</al>
        <al>Het bezwaar is derhalve ongegrond.</al>
        <al>ad 4</al>
        <al>Artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht (3e tranche, treedt naar
verwachting op 1 juli 1997 in werking) bepaalt in het eerste lid: «Een
bestuursorgaan kan beleidsregels vaststellen met betrekking tot een hem toekomende
of onder zijn verantwoordelijkheid uitgeoefende, dan wel door hem gedelegeerde
bevoegdheid». Een beleidsregel kan zich derhalve alleen uitstrekken
over een aan het bestuursorgaan toekomende bevoegdheid. Indien de Grondwet
en de Gemeentewet zich verzetten tegen een burgerinitiatief dat beslist of
er een referendum wordt gehouden, dan heeft de gemeenteraad niet de bevoegdheid
om als beleidsregel het burgerinitiatief te hanteren. Een beleidsregel als
de onderhavige strekt zich dan ook uit over een bevoegdheid die de gemeenteraad
niet toekomt en is derhalve in strijd met de Algemene wet bestuursrecht. Bovendien
gaat het in casu niet om een aan de raad toekomende bevoegdheid tot het nemen
van besluiten, maar om het besluiten zelf.</al>
        <al>Het is derhalve, gelet op de aantasting van het primaat van de gemeenteraad
zoals hierboven onder de punten en 1 en 3 besproken, niet mogelijk als beleidsregel
vast te leggen in welke gevallen een burgerinitiatief voor het houden van
een referendum zal worden gehonoreerd.</al>
        <al>Voor zover het bezwaar van burgemeester en wethouders van Amsterdam er
toe strekt te betogen dat de verordening niet in strijd met het recht is,
omdat er slechts sprake is van een omzetting van een beleidsregel naar een
algemeen verbindend voorschrift, is dit bezwaar ongegrond, omdat de beleidsregel
die aan het algemeen verbindend voorschrift ten grondslag zou liggen, in strijd
met het recht is. Omzetting van een beleidsregel in een algemeen verbindend
voorschrift, doet niet af aan de strijd met het recht die de beleidsregel
oplevert.</al>
        <al>Van belang is voorts dat bij een beleidsregel een inherente mogelijkheid
bestaat om van de beleidsregel af te wijken. Deze mogelijkheid om af te wijken
is neergelegd in artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht. Geconstateerd
kan worden dat, indien er sprake zou zijn van een omzetting van een beleidsregel
in een algemeen verbindend voorschrift, deze afwijkingsmogelijkheid is komen
te vervallen. Ook om deze reden kan de verordening niet op één
lijn worden gezet met een beleidsregel.</al>
        <al>Burgemeester en wethouders van Amsterdam voeren terecht aan dat het bestuursrecht
eist dat een bestuursorgaan een consistent beleid voert. Dat dit vervolgens
betekent dat een bestuursorgaan gehouden is beleidsregels op te stellen en
dat zonder beleidsregels geen consistent beleid mogelijk is, is evenwel een
conclusie die niet in het algemeen getrokken kan worden. Ook zonder van tevoren
bekendgemaakte beleidsregels kan een bestuursorgaan consistent en goed gemotiveerd
beslissen op aanvragen tot het houden van een referendum. Bovendien is het
goed mogelijk in beleidsregels tevoren aan te geven op welke wijze met verzoeken
om het houden van een referendum wordt omgegaan, zonder dat er sprake is van
een bindend burgerinitiatief. De eis dat per geval wordt beslist of een referendum
wordt gehouden, staat daarom niet op gespannen voet met eisen die vanwege
de algemene beginselen van behoorlijk bestuur aan het handelen van bestuursorgaan
worden gesteld. </al>
        <al>Samenvattend kan worden gesteld dat een beleidsregel die er toe strekt
dat door middel van een uitsluitend burgerinitiatief wordt beslist omtrent
het houden van een referendum, in strijd is met het recht. Voor zover de verordening
ertoe strekt een dergelijke beleidsregel in een algemeen verbindend voorschrift
neer te leggen, is dit algemeen verbindend voorschrift eveneens in strijd
met het recht. Bovendien is in het onderhavige geval van belang dat de verordening
niet een algemene afwijkingsmogelijkheid kent die inherent is aan een beleidsregel.
In deze zijn een beleidsregel en de verordening derhalve niet op één
lijn te plaatsen. Tenslotte staat een eis dat per geval wordt beslist of een
referendum wordt gehouden, niet op gespannen voet met eisen die vanwege de
algemene beginselen van behoorlijk bestuur aan het handelen van bestuursorganen
worden gesteld.</al>
        <al>Het bezwaar is derhalve ongegrond.</al>
        <al>ad 5</al>
        <al>De materiële binding van de uitslag van een raadplegend referendum
is, anders dan burgemeester en wethouders van Amsterdam in het bezwaarschrift
suggereren, geen zelfstandig dragende motivering om een referendumverordening
in strijd met het primaat van de gemeenteraad te achten. Dit komt ook tot
uitdrukking in het koninklijk besluit waarbij de schorsing van de Arnhemse
referendumverordening werd opgeheven. Zoals hiervoor ook onder punt 1 is aangegeven
was de belangrijkste overweging bij dat koninklijk besluit dat, indien de
gemeenteraad in volle vrijheid besluit om een referendum te houden en daarmee
ook in volle vrijheid besluit de (politieke) gevolgen van het referendum te
aanvaarden, in dit besluit het primaat van de gemeenteraad tot uitdrukking
wordt gebracht. Juist op dit essentiële punt verschilt de vernietigde
verordening met de Arnhemse verordening. Er kan dan ook niet worden gesproken
van een gedragslijn die, gelet op de ten aanzien van de Arnhemse verordening
genomen beslissing, niet consistent of onbegrijpelijk is.</al>
        <al>Het bezwaar is derhalve ongegrond.</al>
        <al>ad 6</al>
        <al>Geconstateerd kan worden dat sedert het verschijnen van het rapport van
de commissie-Biesheuvel en met name in de laatste paar jaar, het gebruik van
het referendum op gemeentelijk niveau is toegenomen. Er is evenwel anders
dan klagers menen, geen sprake van een ontwikkeling waarmee bij de interpretatie
van de Grondwet en de Gemeentewet rekening moet worden gehouden. Met name
op het punt van de vraag of een uitsluitend burgerinitiatief is toegestaan,
kan niet worden gesproken van een algemeen aanvaarde rechtsontwikkeling. De
constitutionele vereisten waaraan een referendumverordening moet voldoen zijn
reeds in januari 1995 aan de gemeenten meegedeeld met een verzoek om zo nodig
bestaande verordeningen aan deze eisen aan te passen. De eisen zijn in de
literatuur tot nu toe onweersproken gebleven; er is in elk geval geen breed
levende opvatting dat de eisen constitutioneel niet juist zouden zijn. Bovendien
kan niet worden gesproken van een algemeen aanvaarde gemeentelijke praktijk
waarbij het verplichte burgerinitiatief is ingevoerd. Voor zover derhalve
de rechtsontwikkeling een rol dient te spelen bij de interpretatie van de
Grondwet en Gemeentewet, kan dit in onderhavige kwestie niet leiden tot een
ondersteuning van de door de klagers gegeven argumentatie. </al>
        <al>ad 7</al>
        <al>Op het bezwaar dat er geen sprake is van een ongeoorloofde delegatie,
is hierboven al onder punt 2 ingegaan.</al>
        <al>Het bezwaar is gelet op het onder punt 2 gestelde ongegrond.</al>
        <al>Beslissing</al>
        <al>Gelet op het bovenstaande;</al>
      </consider>
      <afkondig>Hebben goedgevonden en verstaan:</afkondig>
    </aanhef>
  </frontm>
  <body>
    <besluit>
      <al>Het bezwaarschrift van burgemeester en wethouders van Amsterdam tegen
het koninklijk besluit van 17 oktober 1996 tot vernietiging van het besluit
van de raad van de gemeente Amsterdam van 4 september 1996 voor zover het
betreft het vaststellen van de Verordening op het referendum 1996, wordt ongegrond
verklaard.</al>
      <al>Degene wiens belang rechtstreeks bij dit besluit betrokken is, kan tegen
dit besluit zes weken na de dag van verzending hiervan beroep instellen bij
de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500
EA Den Haag.</al>
    </besluit>
  </body>
  <backm>
    <nawerk>
      <slotform>Onze Minister van Binnenlandse Zaken is belast met de uitvoering
van dit besluit dat in het Staatsblad zal worden geplaatst.</slotform>
      <ondertek>
        <ondplts>Lech, </ondplts>
        <onddatum>14 februari 1997</onddatum>
        <koning>Beatrix </koning>
        <minister>
          <minvan>De Minister van Binnenlandse Zaken,</minvan>
          <naam>H. F. Dijkstal </naam>
        </minister>
        <minister>
          <minvan>De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken,</minvan>
          <naam>A. G. M. van de Vondervoort</naam>
        </minister>
      </ondertek>
      <uitgifte>
        <uitgifte-regel>Uitgegeven de <nadruk type="cur">achttiende</nadruk> maart 1997</uitgifte-regel>
        <uitdag>achttiende</uitdag>
        <uitmaand>maart</uitmaand>
        <uitjaar>1997</uitjaar>
        <door>
          <minvan>De Minister van Justitie,</minvan>
          <naam>W. Sorgdrager</naam>
        </door>
      </uitgifte>
    </nawerk>
  </backm>
</staatsbl>