﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<!DOCTYPE staatsbl PUBLIC "-//SDU//DTD staatsblad xml 1.1//NL" "../../dtd/staatsbl-11.dtd"[]>
<staatsbl id="sb996.637" soort="kb" publtype="kobe">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-1996-637/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel status="off">Staatsblad</titel>
    <subtitel>van het Koninkrijk der Nederlanden</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.4" conv="OPmaat" markup="c1xa"></versie>
    <ordernr>6S0590</ordernr>
    <stb>
      <jaargang jaar="1996">Jaargang 1996</jaargang>
      <stbjaar>1996</stbjaar>
      <stbnr>637 </stbnr>
    </stb>
    <intitule>
      <soort>Besluit</soort> van 4 december 1996, houdende wijziging van
het Besluit borgstelling MKB-kredieten</intitule>
    <aanhef>
      <wie>Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.</wie>
      <consider>
        <al>Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken van 17 juli 1996
nr. WJA/JZ 96030427, gedaan mede namens Onze Minister van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;</al>
        <al>Gelet op <grslag>artikel 2 van de Kaderwet verstrekking financiële
middelen EZ</grslag> en <grslag>artikel 15.12, eerste lid, van de Wet milieubeheer</grslag>;</al>
        <al>De Raad van State gehoord (advies van 18 september 1996, nr. W10.96.0323)</al>
        <al>Gezien het nader rapport van Onze voornoemde Minister van 27 november
1996, nr. WJA/JZ 96067782, uitgebracht mede namens Onze Minister van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;</al>
      </consider>
      <afkondig>Hebben goedgevonden en verstaan:</afkondig>
    </aanhef>
  </frontm>
  <body>
    <wart id="ai">
      <kop>
        <nr>ARTIKEL I</nr>
      </kop>
      <al>Het <wartref doc="sb994.225">&gt;Besluit borgstelling MKB-kredieten</wartref><eindref refid="e1"></eindref> wordt gewijzigd als volgt: </al>
      <wlid>
        <kop>
          <nr>A</nr>
        </kop>
        <al>Bijlage 1 wordt gewijzigd als volgt:</al>
        <wond>
          <nr>1.</nr>
          <al>Aan het slot van artikel 1 wordt een nieuw onderdeel j toegevoegd, onder
wijziging van de punt aan het slot van onderdeel i in een puntkomma, luidende:</al>
          <arttkst>
            <al>j. innovatieve ondernemer: een ondernemer ten aanzien waarvan de Bank
beschikt over een gewaarmerkte kopie van een verklaring als bedoeld in artikel
31, tiende lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, zoals dat luidde op 31
december 1995, of over een gewaarmerkte kopie van een verklaring als bedoeld
in artikel 22, zevende lid, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting
en premie voor de volksverzekeringen, waarvan het origineel ten hoogste zestien
maanden voor de datum waarop de kredietovereenkomst is gesloten, is afgegeven
door een registeraccountant of een accountant-administratie-consulent.</al>
          </arttkst>
        </wond>
        <wond>
          <nr>2.</nr>
          <al>In artikel 3, eerste lid, onder d, wordt de zinsnede «aan een starter»
gewijzigd in: aan een ondernemer die ten tijde van de verstrekking starter
of innovatieve ondernemer was. </al>
        </wond>
        <wond>
          <nr>3.</nr>
          <al>In artikel 4, eerste lid, wordt «f 1 000 000,00»
vervangen door: f 2 000 000,00.</al>
        </wond>
        <wond>
          <nr>4.</nr>
          <al>Artikel 5, tweede lid, onderdeel c, wordt vervangen door:</al>
          <arttkst>
            <al>c. de Bank uitstel verleent van de verplichting tot aflossing van alle
bankfaciliteiten gedurende de onder a bedoelde periode, dan wel uitstel verleent
van de verplichting tot aflossing van een gedeelte van de bankfaciliteiten,
waarbij de som van de aflossingsbedragen ten minste even groot is als de som
van de aflossingsbedragen waarvoor de Bank uitstel verleent als bedoeld onder
a, of, indien het bedrijfsborgstellingskrediet is verstrekt aan een ondernemer
die ten tijde van de verstrekking starter of innovatieve ondernemer was, ten
minste 50 procent bedraagt van de som van de aflossingsbedragen waarvoor de
Bank uitstel verleent als bedoeld onder a, en</al>
          </arttkst>
        </wond>
        <wond>
          <nr>5.</nr>
          <al>Het vierde lid van artikel 5 wordt vervangen door:</al>
          <arttkst>
            <lid>
              <nr>4.</nr>
              <al>Indien:</al>
              <al>a. het bedrijfsborgstellingskrediet uitsluitend is bestemd voor de betaling
van de kosten van de stichting, van de aankoop of van de verbouwing van een
onroerende zaak,</al>
              <al>b. deze onroerende zaak voor ten minste de helft bestemd is te worden
gebruikt voor de onderneming van de ondernemer,</al>
              <al>c. de bank met betrekking tot de onder a bedoelde kosten bankfaciliteiten
verstrekt die een bedrag van ten minste 100 procent van het in onderdeel a
bedoelde bedrijfsborgstellingskrediet belopen, dan wel, indien dit bedrijfsborgstellingskrediet
wordt verstrekt aan een ondernemer die ten tijde van de verstrekking starter
was, 50 procent van dit bedrijfsborgstellingskrediet, en</al>
              <al>d. de looptijd van de onder c bedoelde bankfaciliteiten ten minste even
lang is als de looptijd van dit bedrijfsborgstellingskrediet,</al>
              <al>geldt voor de toepassing van het eerste lid in plaats van een periode
van ten hoogste zes jaar een periode van ten hoogste twaalf jaar.</al>
            </lid>
          </arttkst>
        </wond>
        <wond>
          <nr>6.</nr>
          <al>Het vijfde lid van artikel 5 wordt vervangen door:</al>
          <arttkst>
            <lid>
              <nr>5.</nr>
              <al>Voor de toepassing van het vierde lid wordt onder een onroerende zaak
mede begrepen schepen en vliegtuigen, voor zover deze zijn ingeschreven in
de registers als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder b, respectievelijk
onder c, van de Kadasterwet, alsmede ieder goederenrechtelijk recht dat omvat
het uitsluitend gebruik van een onroerende zaak, met inbegrip van bovenbedoelde
schepen en vliegtuigen.</al>
            </lid>
          </arttkst>
        </wond>
        <wond>
          <nr>7.</nr>
          <al>Aan artikel 5 worden een nieuw achtste en negende lid toegevoegd, luidende:</al>
          <arttkst>
            <lid>
              <nr>8.</nr>
              <al>Indien het bedrijfsborgstellingskrediet wordt verstrekt aan een innovatieve
ondernemer, geldt voor de toepassing van het eerste lid in plaats van een
periode van ten hoogste zes jaar een periode van ten hoogste twaalf jaar.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>9.</nr>
              <al>Voor de toepassing van het eerste lid geldt dat, indien het bedrijfsborgstellingskrediet
wordt verstrekt aan een innovatieve ondernemer, het eerste kalenderkwartaal
waarin vermindering plaatsvindt uiterlijk aanvangt op de eerste dag van het
veertiende kalenderkwartaal dat volgt op het kalenderkwartaal waarin de kredietovereenkomst
is gesloten.</al>
            </lid>
          </arttkst>
        </wond>
        <wond>
          <nr>8.</nr>
          <al>Aan artikel 7, derde lid, wordt na «f 100 000,00»
tussengevoegd: , of indien het bedrijfsborgstellingskrediet is verstrekt aan
een ondernemer die ten tijde van de verstrekking een innovatieve ondernemer
was,.</al>
        </wond>
        <wond>
          <nr>9.</nr>
          <al>Artikel 8, eerste lid, onderdeel j, wordt vervangen door:</al>
          <arttkst>
            <al>j. de ondernemer beschikt bij de Bank over bankfaciliteiten die een bedrag
van ten minste 100 procent van het bedrijfsborgstellingskrediet belopen, dan
wel indien:</al>
            <al>1°. het bedrijfsborgstellingskrediet wordt verstrekt aan een innovatieve
ondernemer, of</al>
            <al>2°. het bedrijfsborgstellingskrediet wordt verstrekt aan een starter
niet zijnde een innovatieve ondernemer, en het totaal van de aan de starter verstrekte bedrijfsborgstellingskredieten niet groter is dan f 100 000,00,
ten minste 50 procent van het bedrijfsborgstellingskrediet belopen;.</al>
          </arttkst>
        </wond>
      </wlid>
      <wlid>
        <kop>
          <nr>B</nr>
        </kop>
        <al>Bijlage 2 wordt gewijzigd als volgt:</al>
        <wond>
          <nr>1.</nr>
          <al>Aan het slot van artikel 1 wordt een nieuw onderdeel j toegevoegd, onder
wijziging van de punt aan het slot van onderdeel i in een puntkomma, luidende:</al>
          <arttkst>
            <al>j. innovatieve ondernemer: een ondernemer ten aanzien waarvan de Bank
beschikt over een gewaarmerkte copie van een verklaring als bedoeld in artikel
31, tiende lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, zoals dat luidde op 31
december 1995, of over een gewaarmerkte copie van een verklaring als bedoeld
in artikel 22, zevende lid, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting
en premie voor de volksverzekeringen, waarvan het origineel ten hoogste zestien
maanden voor de datum waarop de kredietovereenkomst is gesloten, is ondertekend
door een registeraccountant of een accountant-administratieconsulent.</al>
          </arttkst>
        </wond>
        <wond>
          <nr>2.</nr>
          <al>In artikel 3, eerste lid, onder d, wordt de zinsnede «aan een starter»
gewijzigd in: aan een ondernemer die ten tijde van de verstrekking starter
of innovatieve ondernemer was.</al>
        </wond>
        <wond>
          <nr>3.</nr>
          <al>In artikel 4, eerste lid, wordt «f 1 000 000,00»
vervangen door: f 2 000 000,00.</al>
        </wond>
        <wond>
          <nr>4.</nr>
          <al>Artikel 5, tweede lid, onderdeel c, wordt vervangen door:</al>
          <arttkst>
            <al>c. de Bank uitstel verleent van de verplichting tot aflossing van alle
bankfaciliteiten gedurende de onder a bedoelde periode, dan wel uitstel verleent
van de verplichting tot aflossing van een gedeelte van de bankfaciliteiten,
waarbij de som van de aflossingsbedragen ten minste even groot is als de som
van de aflossingsbedragen waarvoor de Bank uitstel verleent als bedoeld onder
a, of, indien het bedrijfsborgstellingskrediet is verstrekt aan een ondernemer
die ten tijde van de verstrekking starter of innovatieve ondernemer was, ten
minste 50 procent bedraagt van de som van de aflossingsbedragen waarvoor de
Bank uitstel verleent als bedoeld onder a, en</al>
          </arttkst>
        </wond>
        <wond>
          <nr>5.</nr>
          <al>Het vierde lid van artikel 5 wordt vervangen door:</al>
          <arttkst>
            <lid>
              <nr>4.</nr>
              <al>Indien:</al>
              <al>a. het bedrijfsborgstellingskrediet uitsluitend is bestemd voor de betaling
van de kosten van de stichting, van de aankoop of van de verbouwing van een
onroerende zaak,</al>
              <al>b. deze onroerende zaak voor ten minste de helft bestemd is te worden
gebruikt voor de onderneming van de ondernemer,</al>
              <al>c. de bank met betrekking tot de onder a bedoelde kosten bankfaciliteiten
verstrekt die een bedrag van ten minste 100 procent van het in onderdeel a
bedoelde bedrijfsborgstellingskrediet belopen, dan wel, indien dit bedrijfsborgstellingskrediet
wordt verstrekt aan een ondernemer die ten tijde van de verstrekking starter
was, 50 procent van dit bedrijfsborgstellingskrediet, en</al>
              <al>d. de looptijd van de onder c bedoelde bankfaciliteiten ten minste even
lang is als de looptijd van dit bedrijfsborgstellingskrediet,</al>
              <al>geldt voor de toepassing van het eerste lid in plaats van een periode
van ten hoogste zes jaar een periode van ten hoogste twaalf jaar.</al>
            </lid>
          </arttkst>
        </wond>
        <wond>
          <nr>6.</nr>
          <al>Het vijfde lid van artikel 5 wordt vervangen door:</al>
          <arttkst>
            <lid>
              <nr>5.</nr>
              <al>Voor de toepassing van het vierde lid wordt onder een onroerende zaak
mede begrepen schepen en vliegtuigen, voor zover deze zijn ingeschreven in
de registers als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder b, respectievelijk
onder c, van de Kadasterwet, alsmede ieder goederenrechtelijk recht dat omvat
het uitsluitend gebruik van een onroerende zaak, met inbegrip van bovenbedoelde
schepen en vliegtuigen. </al>
            </lid>
          </arttkst>
        </wond>
        <wond>
          <nr>7.</nr>
          <al>Aan artikel 5 worden een nieuw achtste en negende lid toegevoegd, luidende:</al>
          <arttkst>
            <lid>
              <nr>8.</nr>
              <al>Indien het bedrijfsborgstellingskrediet wordt verstrekt aan een innovatieve
ondernemer, geldt voor de toepassing van het eerste lid in plaats van een
periode van ten hoogste zes jaar een periode van ten hoogste twaalf jaar.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>9.</nr>
              <al>Voor de toepassing van het eerste lid geldt dat, indien het bedrijfsborgstellingskrediet
wordt verstrekt aan een innovatieve ondernemer, het eerste kalenderkwartaal
waarin vermindering plaatsvindt uiterlijk aanvangt op de eerste dag van het
veertiende kalenderkwartaal dat volgt op het kalenderkwartaal waarin de kredietovereenkomst
is gesloten.</al>
            </lid>
          </arttkst>
        </wond>
        <wond>
          <nr>8.</nr>
          <al>Aan artikel 7, derde lid, wordt na «f 100 000,00»
tussengevoegd: , of indien het bedrijfsborgstellingskrediet is verstrekt aan
een ondernemer die ten tijde van de verstrekking een innovatieve ondernemer
was,.</al>
        </wond>
        <wond>
          <nr>9.</nr>
          <al>Artikel 8, eerste lid, onderdeel j, wordt vervangen door:</al>
          <arttkst>
            <al>j. de ondernemer beschikt bij de Bank over bankfaciliteiten die een bedrag
van ten minste 100 procent van het bedrijfsborgstellingskrediet belopen, dan
wel indien:</al>
            <al>1°. het bedrijfsborgstellingskrediet wordt verstrekt aan een innovatieve
ondernemer, of</al>
            <al>2°. het bedrijfsborgstellingskrediet wordt verstrekt aan een starter
niet zijnde een innovatieve ondernemer, en het totaal van de aan de starter
verstrekte bedrijfsborgstellingskredieten niet groter is dan f 100 000,00,
ten minste 50 procent van het bedrijfsborgstellingskrediet belopen;.</al>
          </arttkst>
        </wond>
      </wlid>
      <wlid>
        <kop>
          <nr>C</nr>
        </kop>
        <al>Bijlage 3 wordt gewijzigd als volgt:</al>
        <wond>
          <nr>1.</nr>
          <al>In artikel 1, eerste lid, onder e, wordt «artikel 27b» vervangen
door: artikel 39.</al>
        </wond>
        <wond>
          <nr>2.</nr>
          <al>In artikel 8, eerste lid, onder a, 2°, wordt «artikel 22a»
vervangen door: artikel 29.</al>
        </wond>
        <wond>
          <nr>3.</nr>
          <al>In artikel 8, eerste lid, onder a, 3°, wordt «artikel 27b»
vervangen door: artikel 39.</al>
        </wond>
        <wond>
          <nr>4.</nr>
          <al>In artikel 4, eerste lid, wordt «f 1 000 000,00»
vervangen door: f 2 000 000,00. </al>
        </wond>
      </wlid>
      <wlid>
        <kop>
          <nr>D</nr>
        </kop>
        <al>Bijlage 4 wordt gewijzigd als volgt:</al>
        <wond>
          <nr>1.</nr>
          <al>In artikel 1, eerste lid, onder e, wordt «artikel 27b» vervangen
door: artikel 39.</al>
        </wond>
        <wond>
          <nr>2.</nr>
          <al>In artikel 8, eerste lid, onder a, 2°, wordt «artikel 22a»
vervangen door: artikel 29.</al>
        </wond>
        <wond>
          <nr>3.</nr>
          <al>In artikel 8, eerste lid, onder a, 3°, wordt «artikel 27b»
vervangen door: artikel 39.</al>
        </wond>
        <wond>
          <nr>4.</nr>
          <al>In artikel 4, eerste lid, wordt «f 1 000 000,00»
vervangen door: f 2 000 000,00.</al>
        </wond>
      </wlid>
    </wart>
    <art id="aii">
      <kop>
        <nr>ARTIKEL II</nr>
      </kop>
      <al>Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte
van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. </al>
    </art>
  </body>
  <backm>
    <nawerk>
      <slotform>Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota
van toelichting in het Staatsblad wordt geplaatst.</slotform>
      <eindnoot id="e1">
        <al>Stb. 1994, 225.</al>
      </eindnoot>
      <histnoot>
        <al>Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond
van artikel 25a, vierde lid, onder b, van de Wet op de Raad van State, omdat
het uitsluitend opmerkingen van redactionele aard bevat.</al>
      </histnoot>
      <ondertek>
        <ondplts>'s-Gravenhage, </ondplts>
        <onddatum>4 december 1996</onddatum>
        <koning>Beatrix </koning>
        <minister>
          <minvan>De Minister van Economische Zaken,</minvan>
          <naam>G. J. Wijers </naam>
        </minister>
        <minister>
          <minvan>De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,</minvan>
          <naam>Margaretha de Boer</naam>
        </minister>
      </ondertek>
      <uitgifte>
        <uitgifte-regel>Uitgegeven de <nadruk type="cur">twintigste</nadruk> december 1996</uitgifte-regel>
        <uitdag>twintigste</uitdag>
        <uitmaand>december</uitmaand>
        <uitjaar>1996</uitjaar>
        <door>
          <minvan>De Minister van Justitie,</minvan>
          <naam>W. Sorgdrager </naam>
        </door>
      </uitgifte>
    </nawerk>
    <notatoe>
      <kop>
        <titel status="off">NOTA VAN TOELICHTING</titel>
      </kop>
      <al>Innoverende ondernemingen kampen bij het aantrekken van bancaire financiering
voor nieuwe investeringen vaak met het probleem dat weinig zekerheden geboden
kunnen worden als dekking voor de nieuwe kredieten en dat de terugverdientijden
van de nieuwe investeringen vaak lang zijn. Hierdoor is het voor deze ondernemingen
moeilijker om voor kredietverlening in aanmerking te komen dan voor andere
bedrijven.</al>
      <al>Daarom is besloten om, zoals reeds in de nota «Werk door Ondernemen»
werd aangekondigd, het Besluit borgstelling MKB-kredieten uit te breiden met
een faciliteit ten behoeve van innoverende ondernemers. </al>
      <tuskop letat="vet">Innovatieve ondernemer</tuskop>
      <al>Voor de beantwoording van de vraag of er sprake is van een innovatieve
onderneming is aansluiting gezocht bij de Wet vermindering afdracht loonbelasting
en premie voor de volksverzekeringen.</al>
      <al>In het kader van de uitvoering van deze wet wordt door de Minister van
Economische Zaken beoordeeld of de werkzaamheden die de ondernemer voornemens
is te gaan verrichten speur- en ontwikkelingswerkzaamheden zijn, dat wil zeggen
systematisch georganiseerde en in Nederland verrichte werkzaamheden, direct
en uitsluitend gericht op technisch-wetenschappelijk onderzoek of de ontwikkeling
van voor de betrokken ondernemer technisch nieuwe fysieke producten of productieprocessen
of technisch nieuwe onderdelen van fysieke producten of productieprocessen,
alsmede daaraan voorafgaand systematisch georganiseerd haalbaarheidsonderzoek
(artikel 1, eerste lid, onder 1, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting
en premie voor de volksverzekeringen (WVA)). Bij een positief oordeel wordt
door de Minister van Economische Zaken een S&amp;O-verklaring afgegeven (artikel
24). Vermindering van afdracht loonbelasting en premies volksverzekeringen
is mogelijk indien wordt aangetoond dat de voorgenomen S&amp;O-werkzaamheden
waar de verklaring betrekking op heeft daadwerkelijk geheel of gedeeltelijk
zijn uitgevoerd, hetgeen moet blijken uit een aangifte vergezeld van een verklaring
omtrent de juistheid en volledigheid van de daarin opgenomen gegevens, afgegeven
door een registeraccountant of accountant-administratieconsulent (artikel
22, zevende lid).</al>
      <al>In het kader van dit besluit wordt een ondernemer als innovatief aangemerkt
indien hij een dergelijke verklaring als bedoeld in artikel 22, zevende lid,
kan overleggen. Uit een oogpunt van doelmatigheid is ervoor gekozen deze verklaring
doorslaggevend te doen zijn, ook indien de belastinginspecteur bij de behandeling
van de belastingaangifte tot een ander oordeel komt dan de registeraccountant
of de accountant-administratieconsulent. Enkele geschilpunten zullen naar
verwachting veelal betrekking hebben op de omvang van de in aanmerking genomen
looncomponent en niet op de vraag of er sprake was van S&amp;O-werkzaamheden.
Die laatste beoordeling vindt immers plaats bij de afgifte van de S&amp;O-verklaring
door de Minister van Economische Zaken.</al>
      <al>Omdat de WVA eerst op 1 januari 1996 in werking is getreden is bepaald
dat ook verklaringen die zijn afgegeven in het kader van de voorganger van
deze wet, de Wet bevordering speur- en ontwikkelingswerk, mogen worden gehanteerd
bij de beoordeling of er sprake is van een innovatieve ondernemer. Het moet
daarbij gaan om een verklaring als bedoeld in artikel 31, tiende lid, van
de Wet op de loonbelasting 1964, zoals deze luidde op 31 december 1995. Deze
verklaring is inhoudelijk identiek aan die als bedoeld in artikel 22, zevende
lid, van de WVA.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De ondernemer behoeft slechts één verklaring te kunnen overleggen,
die ten tijde van de verstrekking van het krediet niet ouder mag zijn dan
zestien maanden. Doordat het te hanteren criterium vrij ruim is, is het mogelijk dat ook ondernemers die slechts weinig of incidenteel S&amp;O-werkzaamheden
verrichten als innovatieve ondernemer worden aangemerkt. Dit relatieve nadeel
wordt ruimschoots gecompenseerd door de voordelen. Het criterium is eenduidig,
doorzichtig en gemakkelijk toe te passen. Door de keuze van dit criterium
is het voor de banken mogelijk om te beoordelen of er sprake is van een innovatieve
ondernemer, zonder zelf een inhoudelijke beoordeling te moeten geven.</al>
      <al>Omdat een bedrijfsborgstellingskrediet alleen kan worden verstrekt indien
er een gebrek aan zekerheden bestaat dat een normale financiering in de weg
staat, zal de verruiming met name betrekking hebben op doorstartende innovatieve
ondernemers. Verwacht wordt dat de faciliteit op enkele honderden ondernemers
betrekking zal hebben.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het aangemerkt worden als innovatieve ondernemer heeft in het kader van
dit besluit een aantal voordelen. In de eerste plaats mag het voor de berekening
van de borgstelling in aanmerking te nemen bedrijfsborgstellingskrediet een
maximale looptijd hebben van 12 jaar in plaats van 6 jaar, waarbij overeengekomen
mag worden dat de eerste drie jaren niet behoeft te worden afgelost, waardoor
de omvang van de borgstelling gedurende deze periode gelijk blijft (artikel
5, achtste en negende lid, van bijlage 1 en 2). In de tweede plaats heeft
het gevolgen voor de kredietfaciliteiten die de bank voor eigen rekening en
risico moet verstrekken. Deze moeten niet evenveel, doch minimaal de helft
bedragen van de omvang van de verstrekte bedrijfsborgstellingskredieten (artikel
8, eerste lid, onder j, van bijlage 1 en 2). Dientengevolge is ook bepaald
dat de banken, indien ze de aflossingsverplichting willen opschorten, dit
voor de helft ook met betrekking tot de voor eigen rekening en risico komende
betalingsfaciliteiten moeten doen. Deze bepaling geldt ook voor zover het
bedrijfsborgstellingskrediet is verstrekt aan een ondernemer die ten tijde
van de verstrekking starter was, uiteraard ten aanzien van bedrijfsborgstellingskredieten
tot ten hoogste f 100 000,00 (artikel 5, tweede lid, onder c, van
bijlage 1 en 2). </al>
      <tuskop letat="vet">Verhoging maximaal borgstellingsbedrag</tuskop>
      <al>Het aantal borgstellingskredieten op het maximumniveau is relatief groot.
Deze oververtegenwoordiging duidt op beperkingen voor ondernemingen met grotere
financieringsbehoeften. Weliswaar kunnen die bedrijven via de Nationale Investeringsbank
een beroep doen op de Regeling Bijzondere Financiering, doch de werkingssfeer
en de criteria van de regeling komen niet geheel overeen met die van het besluit.
Bovendien is de kredietverleningsprocedure onder deze regeling veel omslachtiger
en voor de Nationale Investeringsbank zijn kleine kredieten bedrijfsmatig
minder interessant omdat de behandelingskosten hoog zijn ten opzichte van
de opbrengsten. Hoewel op grond van de Regeling Bijzondere Financiering formeel
ook kredieten onder f 2 miljoen kunnen worden verstrekt, blijkt dit in
de praktijk niet of nauwelijks te gebeuren.</al>
      <al>Om te bewerkstelligen dat in de praktijk ook kredieten onder borgstelling
van de staat kunnen worden verstrekt van f 1 tot f 2 miljoen, wordt,
zoals reeds is aangekondigd in de nota «Werk door ondernemen»,
het maximum borgstellingsbedrag verhoogd van f 1 miljoen naar f 2
miljoen (artikel 4, eerste lid, van bijlage 1, 2, 3 en 4). De verhoging van
het maximum borgstellingsbedrag geldt voor zowel bedrijfsborgstellingskredieten
als voor bodemsaneringsborgstellingskredieten. </al>
      <tuskop letat="vet">Onroerende zaken</tuskop>
      <al>Volgens de momenteel geldende bedrijfsborgstellingsovereenkomst mag een
bedrijfsborgstellingskrediet een maximale looptijd van 12 jaar in plaats van
6 jaar hebben, indien het bedrijfsborgstellingskrediet uitsluitend
is bestemd voor de betaling van de kosten van de stichting of van de aankoop,
al dan niet met inbegrip van de kosten van verbouwing ten behoeve van eerste
ingebruikneming, van een onroerende zaak en van een geregistreerd schip.</al>
      <al>In de praktijk leverde deze formulering problemen op, bijvoorbeeld bij
een aanbouw aan een onroerende zaak die reeds in gebruik is of bij de verlenging
van een schip dat reeds in gebruik is. In die situaties komt het in de normale
bankpraktijk vaak voor dat er krediet wordt verstrekt met een looptijd die
langer is dan 6 jaar. Dit geldt ook voor de financiering van vliegtuigen.</al>
      <al>Om beter aan te sluiten bij de gangbare financieringspraktijk zijn het
vierde en vijfde lid van artikel 5 van bijlage 1 en 2 gewijzigd.</al>
      <al>Een bedrijfsborgstellingskrediet dat is bestemd voor de stichting, de
aankoop of de verbouwing van een onroerende zaak of van een geregistreerd
schip of vliegtuig mag na de wijziging een maximale looptijd hebben van 12
jaar, indien de bank ten behoeve van de kosten van dezelfde activiteiten betalingsfaciliteiten
voor eigen rekening en risico verstrekt met minimaal een gelijke omvang en
een gelijke looptijd als het bedrijfsborgstellingskrediet. Bij een starter
moet de omvang van de te verstrekken betalingsfaciliteiten minimaal 50% bedragen
van de omvang van het bedrijfsborgstellingskrediet. </al>
      <tuskop letat="vet">Bodemsaneringsborgstellingskrediet</tuskop>
      <al>Van de gelegenheid wordt gebruik gemaakt om de verwijzingen in bijlage
3 en 4 naar artikelen van de Wet bodembescherming in overeenstemming te brengen
met de hernummering van deze artikelen bij de laatste integrale publikatie
van deze wet in het Staatsblad (Stb. 1994, 374). </al>
      <tuskop letat="vet">Consequenties van de wijzigingen voor afgesloten borgstellingsovereenkomsten</tuskop>
      <al>De onderhavige wijzigingen hebben betrekking op de modelborgstellingsovereenkomsten
zoals opgenomen in de bijlagen bij het besluit. Met de meeste banken zijn
reeds bedrijfs- en bodemsaneringsborgstellingsovereenkomsten gesloten. Op
grond van deze overeenkomsten leidt de inwerkingtreding van een wijziging
van het besluit terzelfder tijd tot een wijziging van deze overeenkomsten.</al>
      <al>Aan het bepaalde in artikel 2, zesde lid, van de Kaderwet verstrekking
financiële middelen EZ is voldaan met brieven van 19 juni 1996 aan beide
kamers der Staten-Generaal.</al>
      <al>Het ontwerp-besluit is, gelet op artikel 93, derde lid, van het EEG-verdrag,
op 23 mei 1996 gemeld bij de Europese Commissie. De Commissie heeft daarop
niet binnen twee maanden gereageerd, zodat mag worden aangenomen dat zij geen
bezwaren heeft tegen het ten uitvoer brengen van het besluit. </al>
      <minister>
        <minvan>De Minister van Economische Zaken,</minvan>
        <naam>G. J. Wijers </naam>
      </minister>
      <minister>
        <minvan>De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,</minvan>
        <naam>Margaretha de Boer</naam>
      </minister>
    </notatoe>
  </backm>
</staatsbl>