﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<!DOCTYPE staatsbl PUBLIC "-//SDU//DTD staatsblad xml 1.1//NL" "../../dtd/staatsbl-11.dtd"[]>
<staatsbl id="sb996.578" soort="kb" publtype="kobe">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-1996-578/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel status="off">Staatsblad</titel>
    <subtitel>van het Koninkrijk der Nederlanden</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.4" conv="OPmaat" markup="c1xa"></versie>
    <ordernr>6S0581</ordernr>
    <stb>
      <jaargang jaar="1996">Jaargang 1996</jaargang>
      <stbjaar>1996</stbjaar>
      <stbnr>578 </stbnr>
    </stb>
    <intitule>
      <soort>Besluit</soort> van 16 november 1996, houdende regels inzake
de financiële verhouding tussen het Rijk en de gemeenten (Besluit financiële
verhouding Rijk–gemeenten)</intitule>
    <aanhef>
      <wie>Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.</wie>
      <consider>
        <al>Op de voordracht van Onze Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken, mw.
A.G.M. van de Vondervoort, gedaan mede namens Onze Staatssecretaris van Financiën
van 1 mei 1995, kenmerk VFO95/3/U1;</al>
        <al>Gelet op <grslag>artikel 22 van de Financiële-verhoudingswet</grslag>;</al>
        <al>Gezien het advies van de Raad voor de gemeentefinanciën van 19 januari
1995, kenmerk Rgf 14.50/066.015;</al>
        <al>De Raad van State gehoord (advies van 25 september 1995, no. WO4.95.0228);</al>
        <al>Gezien het nader rapport van Onze Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken,
mw. A.G.M. van de Vondervoort, en Onze Staatssecretaris van Financiën
van 5 november 1996, nr. VF093/4/4349;</al>
      </consider>
      <afkondig>Hebben goedgevonden en verstaan:</afkondig>
    </aanhef>
  </frontm>
  <body>
    <hfdst>
      <kop>
        <nr>HOOFDSTUK 1.</nr>
        <titel status="off">BEGRIPSBEPALINGEN </titel>
      </kop>
      <art id="a1">
        <kop>
          <nr>Artikel 1</nr>
        </kop>
        <al>In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:</al>
        <al>a. de wet: de Financiële-verhoudingswet;</al>
        <al>b. het CBS: het Centraal bureau voor de statistiek;</al>
        <al>c. de uitkeringsfactor: het quotiënt van het voor de algemene uitkeringen
beschikbare bedrag en de som van de uitkeringsbases. </al>
      </art>
    </hfdst>
    <hfdst>
      <kop>
        <nr>HOOFDSTUK 2.</nr>
        <titel status="off">HET GEMEENTEFONDS </titel>
      </kop>
      <afd>
        <kop>
          <nr>AFDELING 2.1.</nr>
          <titel status="off">DE ALGEMENE UITKERING </titel>
        </kop>
        <par>
          <kop>
            <nr>Paragraaf 2.1.1.</nr>
            <titel status="off">Bepalingen in verband met de verdeelmaatstaven </titel>
          </kop>
          <art id="a2">
            <kop>
              <nr>Artikel 2</nr>
            </kop>
            <al>Het gemeentebestuur verstrekt jaarlijks aan het CBS gegevens omtrent de
in artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken bedoelde vastgestelde
waarden in de gemeente. Bij regeling van Onze Ministers worden nadere regels
gesteld omtrent de te verstrekken gegevens alsmede de wijze en het moment
van verstrekking.</al>
          </art>
        </par>
        <par>
          <kop>
            <nr>Paragraaf 2.1.2.</nr>
            <titel status="off">Kennisgeving aan de gemeentebesturen </titel>
          </kop>
          <art id="a3">
            <kop>
              <nr>Artikel 3</nr>
            </kop>
            <al>Voor 1 juli van het jaar voorafgaand aan het uitkeringsjaar geven Onze
Ministers aan de gemeentebesturen kennis van:</al>
            <al>a. de verwachte bedragen per eenheid over het uitkeringsjaar;</al>
            <al>b. de verwachte uitkeringsfactor over het uitkeringsjaar;</al>
            <al>c. de verwachte ontwikkeling van de uitkeringsfactor over de vier jaren
na het uitkeringsjaar.</al>
          </art>
        </par>
      </afd>
      <afd>
        <kop>
          <nr>AFDELING 2.2.</nr>
          <titel status="off">DE AANVULLENDE UITKERING </titel>
        </kop>
        <art id="a4">
          <kop>
            <nr>Artikel 4</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Het gemeentebestuur doet een aanvraag voor een aanvullende uitkering voor
1 december van het jaar voorafgaand aan het jaar waarover zij wordt aangevraagd.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>De aanvraag bevat de vastgestelde begroting voor het jaar waarover de
aanvullende uitkering wordt aangevraagd.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>De aanvraag wordt ingediend bij Onze Ministers en gelijktijdig in afschrift
verzonden aan gedeputeerde staten.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a5">
          <kop>
            <nr>Artikel 5</nr>
          </kop>
          <al>Gedeputeerde staten brengen voor 15 februari van het jaar waarover de
aanvullende uitkering wordt aangevraagd, aan Onze Ministers verslag uit over
de financiële positie van de gemeente.</al>
        </art>
        <art id="a6">
          <kop>
            <nr>Artikel 6</nr>
          </kop>
          <al>Onze Ministers kunnen bepalen dat de artikelen 4 en 5 geheel of gedeeltelijk
buiten toepassing blijven in verband met een besluit tot vaststelling van
de aanvullende uitkering over meer dan een jaar.</al>
        </art>
        <art id="a7">
          <kop>
            <nr>Artikel 7</nr>
          </kop>
          <al>Onze Ministers besluiten omtrent de aanvraag voor 1 juni van het jaar,
volgend op het jaar waarover de aanvullende uitkering wordt aangevraagd. </al>
        </art>
        <art id="a8">
          <kop>
            <nr>Artikel 8</nr>
          </kop>
          <al>Onze Ministers kunnen nadere regels stellen omtrent:</al>
          <al>a. het verslag van gedeputeerde staten;</al>
          <al>b. de procedure in verband met de voorbereiding van het besluit omtrent
het verlenen van de aanvullende uitkering;</al>
          <al>c. de toepassing van de in paragraaf 2.3 van de wet gehanteerde begrippen.</al>
        </art>
      </afd>
      <afd>
        <kop>
          <nr>AFDELING 2.3.</nr>
          <titel status="off">DE BETALINGEN </titel>
        </kop>
        <art id="a9">
          <kop>
            <nr>Artikel 9</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Onze Ministers doen de betalingen in verband met de uitkeringen, bedoeld
in artikel 5, eerste en tweede lid, van de wet, over het lopende uitkeringsjaar,
zoveel mogelijk in gelijke wekelijkse delen gedurende de eerste vijftig volle
weken van het jaar.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Onze Ministers stellen met betrekking tot ieder uitkeringsjaar een betalingsschema
vast ten behoeve van de uitbetaling, bedoeld in artikel 5, derde lid, van
de wet.</al>
          </lid>
        </art>
      </afd>
    </hfdst>
    <hfdst>
      <kop>
        <nr>HOOFDSTUK 3.</nr>
        <titel status="off">SPECIFIEKE UITKERINGEN </titel>
      </kop>
      <art id="a10">
        <kop>
          <nr>Artikel 10</nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1.</nr>
          <al>Het gemeentebestuur verstrekt aan Onze Minister wie het aangaat de informatie
zoals die omtrent de toepassing van de regeling van een specifieke uitkering
is opgenomen in:</al>
          <al>a. de in artikel 186 van de Gemeentewet genoemde stukken;</al>
          <al>b. het in artikel 213, tweede lid, van de Gemeentewet bedoelde verslag.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2.</nr>
          <al>In de regeling van een specifieke uitkering kan van het eerste lid worden
afgeweken. Afwijkingen worden in de toelichting bij de regeling gemotiveerd.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>3.</nr>
          <al>Het gemeentebestuur verstrekt desgevraagd aan de door Onze Minister wie
het aangaat daartoe aangewezen ambtenaren van de accountantsdienst, bedoeld
in artikel 22 van de Comptabiliteitswet, inlichtingen omtrent de besteding
van een specifieke uitkering. De ambtenaren van de accountantsdienst kunnen
tevens informatie inwinnen bij de in artikel 213 van de Gemeentewet bedoelde
accountants.</al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a11">
        <kop>
          <nr>Artikel 11</nr>
        </kop>
        <al>Voor 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het uitkeringsjaar geven Onze
Ministers wie het aangaat aan de gemeentebesturen kennis van:</al>
        <al>a. de verwachte specifieke uitkeringen over het uitkeringsjaar;</al>
        <al>b. de verwachte wijzigingen in de specifieke uitkeringen over de vier
jaren na het uitkeringsjaar.</al>
      </art>
    </hfdst>
    <hfdst>
      <kop>
        <nr>HOOFDSTUK 4.</nr>
        <titel status="off">SLOTBEPALINGEN </titel>
      </kop>
      <art id="a12">
        <kop>
          <nr>Artikel 12</nr>
        </kop>
        <al>Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip. </al>
      </art>
      <art id="a13">
        <kop>
          <nr>Artikel 13</nr>
        </kop>
        <al>Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit financiële verhouding Rijk–gemeenten.</al>
      </art>
    </hfdst>
  </body>
  <backm>
    <nawerk>
      <slotform>Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota
van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.</slotform>
      <histnoot>
        <al>Het advies van de Raad van State is openbaar gemaakt door terinzagelegging
bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken.</al>
        <al>Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage gelegde stukken worden
opgenomen in het bijvoegsel bij de Staatscourant van 14 januari 1997, nr.
9.</al>
      </histnoot>
      <ondertek>
        <ondplts>Het Oude Loo, </ondplts>
        <onddatum>16 november 1996</onddatum>
        <koning>Beatrix </koning>
        <minister>
          <minvan>De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken,</minvan>
          <naam>A. G. M. van de Vondervoort </naam>
        </minister>
        <minister>
          <minvan>De Staatssecretaris van Financiën,</minvan>
          <naam>W. A. F. G. Vermeend</naam>
        </minister>
      </ondertek>
      <uitgifte>
        <uitgifte-regel>Uitgegeven de <nadruk type="cur">vijfde</nadruk> december 1996</uitgifte-regel>
        <uitdag>vijfde</uitdag>
        <uitmaand>december</uitmaand>
        <uitjaar>1996</uitjaar>
        <door>
          <minvan>De Minister van Justitie,</minvan>
          <naam>W. Sorgdrager </naam>
        </door>
      </uitgifte>
    </nawerk>
    <notatoe>
      <kop>
        <titel status="off">NOTA VAN TOELICHTING </titel>
      </kop>
      <tuskop letat="vet">ALGEMEEN DEEL </tuskop>
      <tuskop letat="vet">HOOFDSTUK 1. INLEIDING</tuskop>
      <al>Dit Besluit financiële verhouding Rijk–gemeenten geeft op enkele
onderdelen uitwerking aan de Financiële-verhoudingswet (Fvw).</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het besluit bevat ten eerste voorschriften met betrekking tot verstrekking
door gemeenten van informatie, nodig voor de werking van het verdeelstelsel.
Daarnaast gaat het om regels inzake de informatieverstrekking aan de gemeenten
met betrekking tot de uitkeringen uit het gemeentefonds.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Voorts geeft deze algemene maatregel van bestuur nadere uitvoeringsregels
voor de toekenning van een aanvullende uitkering en wordt de wijze waarop
de algemene uitkering en een eventuele aanvullende uitkering worden uitbetaald,
geconcretiseerd.</al>
      <al>Ook ten aanzien van de specifieke uitkeringen worden enkele nadere regels
gesteld, zoals die in verband met de informatievoorziening. </al>
      <tuskop letat="vet">HOOFDSTUK 2. NADERE UITVOERINGSREGELS </tuskop>
      <tuskop letat="cur">Informatiebepaling</tuskop>
      <al>Voor het nieuwe verdeelstelsel wordt gebruik gemaakt van bestaande statistische
en administratieve gegevensverzamelingen. Voor de gegevens van de maatstaven
die in de Invoeringswet Financiële-verhoudingswet (IFvw) zijn aangegeven
wordt of het CBS als bron gehanteerd dan wel een administratieve instantie.
In bijlage 2 bij de IFvw is de gegevensbron vermeld.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Met het CBS zijn afspraken gemaakt over de statistieken die voor het verdeelstelsel
worden gebruikt. Deze afspraken zijn neergelegd in een met het CBS afgesloten
convenant.</al>
      <al>Voor de verdeelmaatstaf die rekening houdt met de verschillen in gemeentelijke
belastingcapaciteit zal het CBS op basis van gemeentelijke gegevens een nieuwe
statistische gegevensverzameling van waarden van onroerende zaken aanleggen.
Hierover zijn met het CBS eveneens afspraken gemaakt. De CBS-statistiek die
op grond van deze gegevensverzameling wordt samengesteld is de gegevensbron
voor deze verdeelmaatstaf. De wijze waarop de gegevensverstrekking aan het
CBS moet plaatsvinden, zal nader worden bepaald bij ministeriële regeling.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De met het voorgaande gemoeide kosten zullen, evenals thans reeds het
geval is, ten laste komen van het artikel «kosten verdeelmaatstaven»
van het gemeentefonds.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De Centrale Commissie voor de Statistiek (CCS) kan instemmen met deze
werkwijze en plaatst enkele kanttekeningen. Zie voor dat advies hoofdstuk
4 van deze nota van toelichting. </al>
      <tuskop letat="cur">Junicirculaire</tuskop>
      <al>De bestaande praktijk van informatieverstrekking aan gemeenten willen
wij handhaven. Dit houdt in dat wij ook in het nieuwe stelsel telkens voor
1 juli voorafgaand aan het uitkeringsjaar de gemeentebesturen zullen informeren over de voorlopige gewichten van de verdeelmaatstaven en
de verwachte uitkeringsfactor (artikel 3).</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Deze gegevens zijn voorlopig en het gegeven perspectief kan dus in totaliteit
noch op onderdelen bindend zijn, omdat de besluitvorming over de begrotingsbedragen
pas na de derde dinsdag van dat jaar wordt afgerond. Desondanks blijkt de
junicirculaire voor gemeenten een nuttig hulpmiddel bij het opstellen van
de begroting en de meerjarenramingen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Ook zullen wij de jaarlijkse septembercirculaire aan de gemeenten blijven
versturen. Daarin worden de bij de Miljoenennota bestaande verwachtingen vermeld,
voorzover die afwijken van de junicirculaire. </al>
      <tuskop letat="cur">Aanvullende uitkering</tuskop>
      <al>De mogelijkheid van het aanvragen van een aanvullende uitkering wordt
voortgezet. Het verdeelstelsel is een globaal stelsel en de ontwikkelingen
die van invloed zijn op het uitgavenpatroon van gemeenten staan niet stil.
Het blijft dus mogelijk dat voor een individuele gemeente kostenontwikkeling
en algemene uitkering divergeren, zodat zo'n gemeente onvoldoende door het
nieuwe verdeelstelsel wordt bediend. Bovendien kunnen gemeenten worden geconfronteerd
met calamiteiten. In die gevallen kan de aanvullende uitkering onder bepaalde
condities onvermijdelijk blijken te zijn.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In het voorliggende besluit worden nadere regels gegeven voor het aanvragen
van de aanvullende uitkering. Deze zijn in een aantal opzichten gewijzigd
ten opzichte van het vigerende artikel 12-regime. Het is niet langer strikt
noodzakelijk dat drie jaar lang elk jaar opnieuw de procedure voor aanvraag
van aanvullende steun volledig wordt doorlopen. In voorkomende gevallen is
het mogelijk om eerder al een besluit tot vaststelling van de aanvullende
uitkering over diverse jaren tegelijk te nemen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Onder de Financiële-Verhoudingswet 1984 (FVW '84) was de Raad voor
de gemeentefinanciën als adviescollege betrokken bij de totstandkoming
van een besluit omtrent de verlening van een aanvullende uitkering. De Raad
voor de gemeentefinanciën houdt per 1 januari 1997 op te bestaan. Bij
de Tweede Kamer is een wetsvoorstel aanhangig waarin een nieuwe Raad voor
de financiële verhoudingen wordt ingesteld (voorstel van Wet op de Raad
voor de financiële verhoudingen, kamerstukken II, 24 781). In hoeverre
deze nieuwe raad betrokken zal worden bij de totstandkoming van een besluit
omtrent de verlening van een aanvullende uitkering, hangt af van de verdere
behandeling van dat wetsvoorstel. </al>
      <tuskop letat="cur">De betalingen</tuskop>
      <al>De wijze van voorschotverlening blijft ongewijzigd ten opzichte van FVW
'84. Dit houdt in dat de voorschotbetalingen over vijftig weken worden gespreid.
Door deze spreiding wordt een gelijkmatige invloed op de geldmarkt bereikt. </al>
      <tuskop letat="vet">HOOFDSTUK 3. SPECIFIEKE UITKERINGEN</tuskop>
      <al>In het voorliggende besluit zijn enkele nadere regelingen ten aanzien
van specifieke uitkeringen opgenomen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Ten eerste gaat het om de «single-auditbepalingen». In de
artikelsgewijze toelichting wordt hier nader op ingegaan. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Ten tweede gaat het om het vastleggen van de informatieplicht van het
Rijk ten opzichte van de gemeenten als het gaat om specifieke uitkeringen.</al>
      <al>Wij willen waarborgen dat gemeenten zo goed en zo tijdig mogelijk weten
waar ze bij het vaststellen van hun begroting van kunnen uitgaan. Gemeenten
moeten immers in staat worden gesteld om op basis van zo actueel mogelijk
informatie tot besluitvorming te komen. Er mogen geen vermijdbare onzekerheden
voor gemeenten meer bestaan; bij de afweging van beleidsvoornemens in het
kader van de begrotingsvaststelling moeten gemeenten zich kunnen baseren op
een realistisch beeld van de inkomsten die zij van het Rijk zullen ontvangen.
De informatieplicht geldt niet alleen voor de algemene uitkering, maar ook
voor de specifieke uitkeringen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In verband met het tijdstip van begrotingsbehandeling bij gemeenten is
gekozen voor 1 oktober als de uiterste datum waarop de informatie over specifieke
uitkeringen bekend moet zijn. Daarbij realiseren wij ons, dat de besluitvorming
op rijksniveau op dat moment nog niet is afgerond en dat het dus gaat om informatie
met een voorlopig karakter. Dit neemt niet weg dat evenals bij de algemene
uitkering de informatie voor gemeenten nuttig is, onder meer bij de voorbereiding
van hun beleid voor het komende jaar; wachten op definitieve besluitvorming
bij het Rijk zou voor gemeenten lastiger zijn. </al>
      <tuskop letat="vet">HOOFDSTUK 4. ONTVANGEN ADVIEZEN</tuskop>
      <al>Het conceptbesluit is voor advies voorgelegd aan de Raad voor de gemeentefinanciën
(Rgf) en aan de CCS.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De uitgebrachte adviezen hadden in hoofdzaak betrekking op de verdeelmaatstaven,
die toen nog in het besluit waren opgenomen. Tijdens de parlementaire behandeling
van de wetsvoorstellen is de eerste regeling van de maatstaven overgeheveld
naar de IFvw. De door de adviesorganen gemaakte opmerkingen zijn daarbij betrokken.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Korte beschrijving van de adviezen</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De Rgf kan zich op de meeste onderdelen vinden in de wijze waarop wij
het advies inzake de herziening van het gemeentefonds dat deze raad in maart
1994 heeft uitgebracht, hebben verwerkt in de voorstellen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Slechts enkele onderdelen krijgen niet de instemming van de raad. Het
betreft met name de wijze waarop het ijkpunt bijstand nader wordt vormgegeven
en de andere definitie die wij hanteren bij de maatstaf minderheden. In de
ten aanzien daarvan gemaakte opmerkingen van de Rgf hebben wij echter geen
aanleiding gezien onze voorstellen te wijzigen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In zijn advies van 17 januari 1995 heeft de CCS ingestemd met onze voorstellen.
De CCS geeft ons in overweging het CBS te betrekken bij nog twee andere statistieken
dan die welke al in het convenant zijn opgenomen. Het betreft:</al>
      <al>a. de statistiek voor uitkeringsontvangers;</al>
      <al>b. de oppervlakte bebouwd.</al>
      <al>Beide suggesties hebben wij in overweging genomen. Uit contacten met het
CBS is gebleken dat het CBS de benodigde gegevens voor de statistiek voor
uitkeringsontvangers in elk geval de eerstkomende jaren niet kan aanleveren,
zodat de in bijlage 2 bij de IFvw genoemde bronnen gehandhaafd blijven. Voor
de oppervlakte bebouwd onderzoeken wij thans, in overleg met het CBS, in hoeverre
er een alternatief voor de huidige maatstaf kan worden gedefinieerd,
gebaseerd op een andere gegevensbron. </al>
      <tuskop letat="vet">ARTIKELSGEWIJS </tuskop>
      <tuskop letat="cur">Artikel 2</tuskop>
      <al>De gemeenten beschikken in het kader van de Wet waardering onroerende
zaken (WOZ) onder meer over waarde- en vrijstellingsgegevens van elke geïdentificeerde
onroerende zaak.</al>
      <al>In het zogenaamde standaard uitwisselingsformaat (STUF) WOZ, dat in samenwerking
tussen de Waarderingskamer, VNG, Unie van Waterschappen en Belastingdienst
tot stand is gekomen, is aangegeven op welke wijze deze gegevensbestanden
dienen te worden opgebouwd en aangeleverd. De verstrekking van gegevens aan
het CBS over de gemeentelijke belastingcapaciteit zal zo nauw mogelijk moeten
aansluiten bij deze gegevensdefinities en dit uitwisselingsformaat, één
en ander nader te regelen bij ministeriële regeling. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 3</tuskop>
      <al>In artikel 3 worden de in de FVW '84 neergelegde informatie-artikelen
gebundeld tot één artikel.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Onderhavig artikel strekt ertoe gemeentebesturen in staat te stellen zich
bij de begrotingsvoorbereiding te baseren op zo actueel mogelijke informatie.
Gemeentebesturen dienen tijdig in kennis te worden gesteld van wijzigingen
in de verwachtingen ten aanzien van de bedragen per eenheid en de uitkeringsfactor.
Hierbij dient te worden bewaakt dat verwachtingen waarover mededeling wordt
gedaan voldoende uitgekristalliseerd zijn. Wij beogen handhaving van de bestaande
praktijk van twee reguliere circulaires per jaar. Een junicirculaire voor
informatie over de verwachtingen zoals deze in juni bestaan, op basis van
onder andere de Kaderbrief. Een septembercirculaire voor informatie over de
verwachtingen bij de Miljoenennota, voorzover die zijn gewijzigd ten opzichte
van de stand van de junicirculaire. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 5</tuskop>
      <al>Met dit artikel wordt de toezichthoudende verantwoordelijkheid van gedeputeerde
staten, zoals die is neergelegd in de Gemeentewet, tot uitdrukking gebracht.</al>
      <al>Een belangrijk onderdeel van het verslag is de analyse van de financiële
situatie van de gemeente waarin de rol die gedeputeerde staten daarbij hebben
gespeeld mede tot uitdrukking komt. Het verslag moet gezien worden als bouwsteen
voor het onderzoek van de Inspectie Financiën Lokale en provinciale Overheden
van het ministerie van Binnenlandse Zaken. Naarmate deze analyse een nauwkeuriger
beeld geeft van de financiële situatie zal er meer gebruik van kunnen
worden gemaakt. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 6</tuskop>
      <al>Onder de FVW '84 gold een regelmatige cyclus voor de aanvullende steun:
drie jaren aanvullende bijdrage (a.b.) en daarna een aantal (meestal rond
de drie) jaren aanvullende uitkering (a.u.). Dit strikte onderscheid tussen
a.b. en a.u. is nu komen te vervallen. In de nieuwe situatie zal een onderzoeksfase –
de a.b.-periode was als zodanig te beschouwen – nodig blijven. Deze
onderzoeksfase zal in de regel maximaal drie jaar duren, maar kan door de
fondsbeheerders worden verlengd als de ernst van de financiële
problematiek daartoe aanleiding geeft. De gemeente zal in principe ieder jaar
opnieuw een aanvraag moeten indienen en de provincie zal bij deze aanvraag
dan een verslag (volgens artikel 5) dienen te leveren. Op voorstel van de
inspecteur kunnen de fondsbeheerders echter zoveel als mogelijk besluiten
dat een hernieuwde aanvraag van de gemeente en het daarbij te leveren verslag
van gedeputeerde staten achterwege kunnen blijven om onnodige administratieve
lasten te voorkomen. Dit zal indien van toepassing in de beschikking als bedoeld
in artikel 12, lid 3, van de Fvw door de fondsbeheerders worden aangegeven
of indien dit eerder gewenst is bij afzonderlijke brief worden bekendgemaakt. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 7</tuskop>
      <al>De hier genoemde uiterste beslisdatum komt overeen met die zoals die onder
de FVW '84 gold. Wij verwachten overigens dat, evenals dit onder de FVW '84
het geval was, voor de meeste aanvragen een besluit al (ruim) voor de uiterste
beslistermijn van 1 juni plaats kan vinden. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 8</tuskop>
      <al>Deze bepaling biedt een basis voor het bij ministeriële regeling
vastleggen van nadere regels inzake de aanvullende uitkering. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 9 </tuskop>
      <tuskop letat="rom">Eerste lid</tuskop>
      <al>Onder het regime van de FVW '84 is een adequaat bevoorschottingsbeleid
gevoerd. Er wordt, zolang definitieve gegevens ontbreken, in beginsel uitgegaan
van de gemeentelijke raming dan wel van eenheden van het voorafgaande jaar.
Door deze wijze van bevoorschotting wordt bereikt dat de zogenaamde kasoverloop
naar volgende jaren zeer gering is.</al>
      <al>Gelet op de goede ervaringen wordt het bevoorschottingsbeleid ook in de
toekomst gecontinueerd.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De spreiding van de voorschotbetalingen over vijftig weken is ingevoerd
met ingang van 1977. Door deze spreiding wordt een gelijkmatige invloed op
de geldmarkt bereikt. </al>
      <tuskop letat="rom">Tweede lid</tuskop>
      <al>Het tweede lid correspondeert met het derde lid van artikel 39 van de
FVW '84. Gelet op de goede ervaringen in het verleden ligt het voor de hand
bij de opstelling van het betalingsschema aan te sluiten bij het betalingsschema
dat de vakdepartementen hanteren. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 10</tuskop>
      <al>In dit artikel zijn bepalingen opgenomen die grotendeels overeenkomen
met artikel 182, achtste, negende en tiende lid, van de Gemeentewet. Dat artikel
van de Gemeentewet vervalt op grond van de Invoeringswet Financiële-verhoudingswet.
Het betreft de bepalingen waarin vorm wordt gegeven aan het zogenoemde single-audit-beleid.
Dit behelst dat voor de informatieverstrekking omtrent de besteding van de
middelen die via specifieke uitkeringen beschikbaar worden gesteld, zo veel
mogelijk gebruik wordt gemaakt van de informatie die daaromtrent in de gemeentelijke
jaarstukken is opgenomen. Op deze wijze wordt geprobeerd de met de uitvoering
gemoeide kosten zo veel mogelijk te beperken. In de bepalingen
is opgenomen dat indien van dit algemene principe moet worden afgeweken, dit
in de bij de regeling behorende toelichting moet worden gemotiveerd.</al>
      <al>Het derde lid van dit artikel betreft de bevoegdheid van de departementale
accountantsdiensten om, indien er aanwijzingen bestaan dat zulks gewenst is,
ter zake van de financiële verantwoording door gemeenten nadere inlichtingen
in te winnen bij de betreffende gemeentelijke diensten. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 11</tuskop>
      <al>Dit artikel komt grotendeels overeen met artikel 183 van de Gemeentewet.
Dat artikel van de Gemeentewet vervalt op grond van de Invoeringswet Financiële-verhoudingswet.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Met de in dit artikel geregelde informatieplicht wordt bewerkstelligd
dat de gemeentelijke begroting geen vermijdbare onzekerheden bevat en de gemeenten
de afweging van beleidsvoornemens baseren op een realistisch beeld omtrent
de ontwikkeling van de financiën. De datum van 1 oktober garandeert een
goed evenwicht tussen het belang van een vlotte kennisgeving enerzijds en
de gewenste betrouwbaarheid van de verstrekte informatie anderzijds. </al>
      <minister>
        <minvan>De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken,</minvan>
        <naam>A. G. M. van de Vondervoort </naam>
      </minister>
      <minister>
        <minvan>De Staatssecretaris van Financiën,</minvan>
        <naam>W. A. F. G. Vermeend</naam>
      </minister>
    </notatoe>
  </backm>
</staatsbl>