﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<!DOCTYPE staatsbl PUBLIC "-//SDU//DTD staatsblad xml 1.1//NL" "../../dtd/staatsbl-11.dtd"[]>
<staatsbl id="sb996.519" soort="kb" publtype="kobe">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-1996-519/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel status="off">Staatsblad</titel>
    <subtitel>van het Koninkrijk der Nederlanden</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.4" conv="OPmaat" markup="c1xa"></versie>
    <ordernr>6S0514</ordernr>
    <stb>
      <jaargang jaar="1996">Jaargang 1996</jaargang>
      <stbjaar>1996</stbjaar>
      <stbnr>519 </stbnr>
    </stb>
    <intitule>
      <soort>Besluit</soort> van 7 oktober 1996, houdende regels betreffende
het weigeren van vergoeding van kosten van bijstand en uitkeringen aan gemeenten
(Besluit weigering rijksvergoeding Abw, Ioaw en Ioaz)</intitule>
    <aanhef>
      <wie>Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.</wie>
      <consider>
        <al>Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
van 12 juli 1996, Directie Bijstandszaken, Nr. BZ/UB/96/3370;</al>
        <al>Gelet op <grslag>artikel 136, vierde lid, van de Algemene bijstandswet</grslag>, <grslag>artikel 59, vierde lid, van de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers</grslag> en <grslag>artikel 59, vierde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen</grslag>;</al>
        <al>De Raad van State gehoord (advies van 26 augustus 1996, nr.  W12.96.0296);</al>
        <al>Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
van 26 september 1996, Directie Bijstandszaken, Nr. BZ/UB/96/4171;</al>
      </consider>
      <afkondig>Hebben goedgevonden en verstaan:</afkondig>
    </aanhef>
  </frontm>
  <body>
    <art id="a1">
      <kop>
        <nr>Artikel 1</nr>
      </kop>
      <al>In dit besluit wordt verstaan onder:</al>
      <al>a. Abw: de Algemene bijstandswet;</al>
      <al>b. Ioaw: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
werkloze werknemers;</al>
      <al>c. Ioaz: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
gewezen zelfstandigen;</al>
      <al>d. maatregel: het weigeren, terugvorderen of verrekenen van rijksvergoeding
als bedoeld in artikel 134, eerste en tweede lid, van de Abw, artikel 57,
eerste lid, van de Ioaw en artikel 57, eerste lid, van de Ioaz.</al>
      <al>e. rijksaandeel: het deel van de kosten van bijstand, onderscheidenlijk
uitkering, waarvoor het Rijk krachtens de Abw, de Ioaw of de Ioaz vergoeding
verleent.</al>
    </art>
    <art id="a2">
      <kop>
        <nr>Artikel 2</nr>
      </kop>
      <al>In een geval als bedoeld in artikel 136, derde lid, van de Abw, artikel
59, derde lid, van de Ioaw, of artikel 59, derde lid, van de Ioaz stelt Onze
Minister het bedrag van de maatregel vast op het rijksaandeel in het bedrag dat in strijd met het bij of krachtens die wetten bepaalde aan
bijstand, onderscheidenlijk uitkering, is verleend, dan wel niet is teruggevorderd
of verhaald. Indien geen toepassing is gegeven aan artikel 14a van de Abw,
artikel 20a van de Ioaw, of artikel 20a van de Ioaz stelt Onze Minister het
bedrag van de maatregel vast op het bedrag dat door de nalatigheid van de
gemeente niet ten bate van het Rijk komt.</al>
    </art>
    <art id="a3">
      <kop>
        <nr>Artikel 3</nr>
      </kop>
      <lid>
        <nr>1.</nr>
        <al>Indien in een geval als bedoeld in artikel 136, derde lid, onder b, van
de Abw, artikel 59, derde lid, onder b, van de Ioaw, of artikel 59, derde
lid, onder b, van de Ioaz het bedrag, bedoeld in artikel 2, niet kan worden
vastgesteld, stelt Onze Minister het bedrag van de maatregel vast op een percentage
van het totaalbedrag van de door burgemeester en wethouders op grond van de
desbetreffende wet over het betrokken vergoedingsjaar gedeclareerde rijksvergoeding.</al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>2.</nr>
        <al>Het in het eerste lid bedoelde percentage is:</al>
        <al>a. indien niet is voldaan aan het bepaalde bij of krachtens paragraaf
2, 3, 4, 5 en 6 van hoofdstuk V van de Abw, artikel 13 tot en met 19 van de
Ioaw of artikel 13 tot en met 19 van de Ioaz: ten hoogste 3;</al>
        <al>b. indien niet is voldaan aan het bepaalde bij of krachtens artikel 111
van de Abw, artikel 34 van de Ioaw of artikel 34 van de Ioaz: ten hoogste
2;</al>
        <al>c. indien niet is voldaan aan het bepaalde bij of krachtens artikel 117
van de Abw, artikel 41 van de Ioaw of artikel 41 van de Ioaz: ten minste 0,5
en ten hoogste 3;</al>
        <al>d. indien niet is voldaan aan het bepaalde bij of krachtens artikel 118
van de Abw, artikel 42 van de Ioaw of artikel 42 van de Ioaz: ten hoogste
2.</al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>3.</nr>
        <al>Indien de tekortkoming, bedoeld in het eerste lid, betrekking heeft op
een deel van het vergoedingsjaar wordt het bedrag van de maatregel naar evenredigheid
vastgesteld.</al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>4.</nr>
        <al>Bij ministeriële regeling worden met betrekking tot het tweede lid
nadere regels gesteld.</al>
      </lid>
    </art>
    <art id="a4">
      <kop>
        <nr>Artikel 4</nr>
      </kop>
      <lid>
        <nr>1.</nr>
        <al>Onze Minister kan besluiten van een maatregel af te zien indien de tekortkoming,
bedoeld in artikel 136, derde lid, van de Abw, artikel 59, derde lid, van
de Ioaw, of artikel 59, derde lid, van de Ioaz:</al>
        <al>a. van bijzondere aard of geringe betekenis is; of</al>
        <al>b. de gemeente zich in een geval als bedoeld in artikel 3, tweede lid,
onder a en c, naar het oordeel van Onze Minister voldoende heeft ingespannen
om de tekortkoming op te heffen.</al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>2.</nr>
        <al>Bij ministeriële regeling kunnen met betrekking tot het eerste lid,
onder b, nadere regels worden gesteld.</al>
      </lid>
    </art>
    <art id="a5">
      <kop>
        <nr>Artikel 5</nr>
      </kop>
      <al>Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte
van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.</al>
    </art>
    <art id="a6">
      <kop>
        <nr>Artikel 6</nr>
      </kop>
      <al>Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit weigering rijksvergoeding Abw,
Ioaw en Ioaz. </al>
    </art>
  </body>
  <backm>
    <nawerk>
      <slotform>Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota
van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.</slotform>
      <histnoot>
        <al>Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond
van artikel 25a, vierde lid, onder b, van de Wet op de Raad van State, omdat
het uitsluitend opmerkingen van redactionele aard bevat.</al>
      </histnoot>
      <ondertek>
        <ondplts>'s-Gravenhage, </ondplts>
        <onddatum>7 oktober 1996</onddatum>
        <koning>Beatrix </koning>
        <minister>
          <minvan>De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,</minvan>
          <naam>A. P. W. Melkert</naam>
        </minister>
      </ondertek>
      <uitgifte>
        <uitgifte-regel>Uitgegeven de <nadruk type="cur">negenentwintigste</nadruk> oktober 1996</uitgifte-regel>
        <uitdag>negenentwintigste</uitdag>
        <uitmaand>oktober</uitmaand>
        <uitjaar>1996</uitjaar>
        <door>
          <minvan>De Minister van Justitie,</minvan>
          <naam>W. Sorgdrager </naam>
        </door>
      </uitgifte>
    </nawerk>
    <notatoe>
      <kop>
        <titel status="off">NOTA VAN TOELICHTING </titel>
      </kop>
      <tuskop letat="vet">ALGEMEEN </tuskop>
      <tuskop letat="vet">1. Inleiding</tuskop>
      <al>Artikel 136, derde lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) geeft Onze
Minister de mogelijkheid rijksvergoeding te weigeren dan wel, indien rijksvergoeding
reeds is betaald, deze geheel of gedeeltelijk terug te vorderen of te verrekenen.
Overeenkomstige bepalingen zijn te vinden in artikel 59, derde lid, van de
Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers (Ioaw) en artikel 59, derde lid, van de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Ioaz). Van
de bevoegdheid kan gebruik worden gemaakt, indien de gemeente zich bij de
uitvoering van de wet niet houdt aan de in de wet gestelde eisen van rechtmatigheid
en doelmatigheid.</al>
      <al>Deze mogelijkheid is aan Onze Minister gegeven om over een effectief instrument
te beschikken waarmee de uitvoeringspraktijk kan worden bijgestuurd. Het is
steeds de bedoeling om de feitelijke uitvoeringspraktijk in overeenstemming
te brengen met de door de wetgever beoogde. Toepassing van de bevoegdheid
tot het weigeren van rijksvergoeding is er dan ook op gericht om de naleving
van de wet door de gemeente af te kunnen dwingen.</al>
      <al>Daarnaast vervult de weigering rijksvergoeding in het departementaal vaststellingsproces
van rijksvergoeding aan gemeenten een functie in het kader van een ordelijk
financieel beheer in relatie tot de uitvoering van de rijksbegroting.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Op grond van de betreffende wetten richt het aldus afdwingen van naleving
zich op het eventueel weigeren van rijksvergoeding bij:</al>
      <al>– onrechtmatig verleende bijstand of uitkering,</al>
      <al>– het niet voldoen aan met name genoemde uitvoeringsvoorschriften
die verband houden met het verlenen van bijstand of uitkering, zoals de samenwerkingsverplichting
met de arbeidsvoorzieningsorganisatie, eisen aangaande de administratie en
fraudebeleid en</al>
      <al>– bijstand of uitkering, die niet of niet volledig is terug gevorderd
of verhaald.</al>
      <al>Uit de verwijzing naar de activeringsdoelstelling blijkt dat bij de beoordeling
van de aanvraag rijksvergoeding ook doelmatigheidsaspecten van de wetsuitvoering
worden betrokken. Bij de toetsing van de rechtmatigheid is aan de orde of
er wetsconform is gehandeld. Indien gehandeld wordt in strijd met doelmatigheidsaspecten
die in wettelijke voorschriften zijn vervat, kan derhalve eveneens rijksvergoeding
worden geweigerd.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden
gesteld inzake de weigering rijksvergoeding. Het integrale karakter van de
betreffende wetten en de daaruit voortvloeiende opdracht houdt in dat de gemeente
er naar dient te streven om zonder uitzondering de wet juist uit te voeren.
Het kan desalniettemin voorkomen dat een gemeente, bijvoorbeeld door omstandigheden
die op korte termijn niet te veranderen zijn, voor het dilemma komt te staan
prioriteiten te stellen in de uitvoering. Het is dan voor gemeenten van belang
te weten welke uitvoeringsaspecten in het bijzonder van belang worden geacht
voor een juiste uitvoering. De waardering van dat belang kan blijken uit de
grondslagen voor de weigering rijksvergoeding, zoals die bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur worden vastgelegd. Dit neemt niet weg dat indien
een gemeente als gevolg van een dergelijke prioriteitsstelling op
een ander onderdeel tekort schiet, de gemeente daarop wordt aangesproken.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Voorts leidt het kenbaar maken van de regels voor de weigering rijksvergoeding
er niet alleen toe dat de gemeenten weten waar ze aan toe zijn, maar ook dat
gemeenten in vergelijkbare situaties overeenkomstig worden behandeld. Onze
Minister is namelijk gebonden aan deze regels door deze bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur vast te leggen. Uit hoofde van rechtszekerheid en waarborging
van rechtsgelijkheid jegens gemeenten is er voor gekozen om deze mogelijkheid
te benutten.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Bij de op grond van artikel 146 van de Abw voorziene evaluatie zal tevens
aandacht worden besteed aan de doeltreffendheid en de effecten van de bij
en krachtens dit besluit gestelde regels. </al>
      <tuskop letat="vet">2. Uitgangspunten</tuskop>
      <al>Bij de totstandkoming van de Abw is de bestuurlijke verhouding tussen
Rijk en gemeenten herijkt. Zo is er voor gekozen om de gemeenten een grotere
beleidsvrijheid in samenhang met open geformuleerde wettelijke opdrachten
te geven. Dit komt onder meer tot uitdrukking in de verordeningsplicht ten
behoeve van het verlenen van toeslagen afgestemd op de mogelijkheden van uitkeringsgerechtigden
om kosten te delen. De mogelijkheden voor gemeenten om gegevens van belanghebbenden
te verifiëren zijn aanzienlijk uitgebreid.</al>
      <al>Tevens vormt de vernieuwde bestuurlijke verhouding het kader voor de toezichtsrelatie
met de gemeenten. Het Rijk zal in beginsel geen direct toezicht meer uitoefenen
en slechts vanuit de tweede lijn opereren. Dat houdt onder meer in dat de
gemeenten zelf zorg dragen voor getrouwe (gecertificeerde) verantwoordingsinformatie
over het uitvoeringsproces. Dat impliceert dat de gemeentelijke organisatie
zodanig is ingericht en functioneert dat tekortkomingen tijdig worden gesignaleerd.
Hiermee worden overigens geen beperkingen aangebracht ten aanzien van de bron
van de signalering van de tekortkoming. Dat de signalering logischerwijs in
de meeste gevallen uit de gemeentelijke organisatie zelf voort komt, neemt
niet weg dat ook anderen, zoals de rijksconsulent, de bij de gemeente fungerende
accountant of een extern adviseur, op tekortkomingen kunnen wijzen. De vernieuwde
bestuurlijke verhouding is uiteraard niet zonder gevolgen voor de wijze waarop
Rijk en gemeenten met elkaar omgaan bij het oplossen van die tekortkomingen.
Zo was het onder de oude Algemene Bijstandswet (ABW) gebruikelijk dat naar
aanleiding van «actueel» onderzoek de rijksconsulent in naam van
de minister het initiatief nam om tot een herstelproces te komen. In de nieuwe
toezichtsrelatie past dat niet meer. Het wordt thans dan ook primair als een
gemeentelijke verantwoordelijkheid gezien om tot een herstelproces resp. een
verbetertraject te komen. Dit houdt niet alleen in dat de gemeente zelf daartoe
het initiatief neemt, maar dat ook tijdig doet. Als dan bij de vaststelling
van de rijksvergoeding duidelijk is dat de gemeente zich naar het oordeel
van Onze Minister voldoende heeft ingespannen om de tekortkomingen op te heffen,
biedt artikel 4, eerste lid, onder b van het besluit, de mogelijkheid om ondanks
de tekortkoming toch rijksvergoeding te verlenen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Een andere belangrijke overweging is de continuïteit van het beleid
geweest, zoals dat van toepassing was onder de ABW en zoals dat aan de Tweede
Kamer is kenbaar gemaakt (kamerstukken II 1991/92, 22 300 XV, nr. 92
en kamerstukken II 1992/93, 22 800 XV, nr. 18). Deze continuïteit
wordt tot uitdrukking gebracht door dezelfde beginselen die werden gehanteerd
onder de ABW van toepassing te verklaren onder de Abw. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Voor de weigering rijksvergoeding leidt dat niet zozeer tot andere toepassingen
alswel tot nieuwe toepassingen, waar nieuwe elementen in de wet zijn opgenomen.
Hierbij kan bij voorbeeld worden gedacht aan het «aanspreken»
van de gemeente op de samenwerkingsplicht met de arbeidsvoorzieningsorganisatie
of de plicht tot het tijdig realiseren van uitvoeringsbeleidsplannen en -verslagen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Weigering rijksvergoeding heeft betrekking op met onrechtmatige wetsuitvoering
gemoeide kosten van algemene bijstand of uitkering ingevolge de Ioaw of Ioaz.
Uit de betreffende wetten vloeit voort dat in het onderhavige besluit niet
is uitgegaan van een boetestelsel. De omvang van de weigering rijksvergoeding
sluit derhalve aan bij het financieel beslag van de onrechtmatigheid in de
uitvoering. Slechts indien het financieel beslag ook bij benadering niet kan
worden gekwantificeerd, wordt teruggevallen op een normstelsel. Alsdan wordt
het bedrag van de maatregel vastgesteld op een percentage van de door het
gemeentebestuur aangevraagde rijksvergoeding. Dit doet zich voor indien een
directe relatie tussen tekortkoming en het financieel beslag ontbreekt. Voor
dit normstelsel wordt gestreefd naar een onderling consistente verhouding
tussen de forfaitaire weigeringspercentages in relatie tot de ernst van de
tekortkoming. Onder de ABW bleek ten aanzien van bij voorbeeld een te laat
debiteurenonderzoek een relatief hoge forfaitaire weigering rijksvergoeding
te worden gehanteerd ten opzichte van een te laat heronderzoek.</al>
      <al>Weigering rijksvergoeding kan slechts betrekking hebben op tekortkomingen
ten opzichte van een bij of krachtens de wet vastgelegde norm. Het niet voldoen
aan een in de wet bepaalde taak – zoals de verplichte samenwerking met
de arbeidsvoorzieningsorganisatie – of het niet aanwezig zijn van een
in de wet vastgelegd instrumentarium – zoals het uit-voeringsbeleidsplan
en -verslag – wordt hier toe gerekend. Deze aspecten hebben inhoudelijk
betrekking op de doelmatigheid van de wetsuitvoering. Overige aspecten van
doelmatige wetsuitvoering zijn impliciet bepaald of gaan uit van keuzemogelijkheden
binnen de discretionaire bevoegdheid van de gemeente, en geven als zodanig
geen aanleiding tot weigering van rijksvergoeding. Uitsluitend voorzover de
doelmatigheid van de wetsuitvoering toetsbaar in wettelijke eisen is vervat,
wordt deze dus betrokken bij een eventuele weigering rijksvergoeding.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Onze Minister zal, nadat een tekortkoming is geconstateerd en de gemeente
in verband daarmee tijdig het initiatief heeft genomen, in overleg treden
over de voorwaarden voor een verbetertraject. Deze voorwaarden kunnen onder
meer betrekking hebben op inspanningen van de gemeente en de momenten en wijze
van verantwoorden. Voorts is dan voor de hand liggend dat afspraken worden
gemaakt over de tijdstippen waarop de tekortkomingen moeten zijn weggenomen.</al>
      <al>In beginsel kunnen verbetertrajecten alleen aan de orde zijn indien niet
wordt voldaan aan bepaalde uitvoeringsvoorschriften en bij tekortkomingen
van administratieve en organisatorische aard. De aard van de tekortkomingen
dient zodanig te zijn dat een verbetertraject ook functioneel is om tot een
structurele oplossing te komen. Het meest voor de hand liggend zijn dan ook
organisatorische problemen of overmachtsituaties die tijd vergen om tot een
adequate oplossing te komen. Het tijdvak waarover een verbetertraject wordt
afgesproken vloeit voort uit de tijd die benodigd is om de tekortkoming structureel
op te heffen.</al>
      <al>In het toezichtsproces zou het verbetertraject als volgt kunnen worden
vorm gegeven. Indien gemeente en Rijk het eens zijn geworden over de wijze
waarop de tekortkoming wordt opgeheven èn de gemeente voert het verbetertraject
overeenkomstig uit, worden tekortkomingen gedurende het tijdvak vanaf het
ontstaan van de tekortkoming tot aan de afloop van het verbetertraject
in beginsel gedoogd. Mochten de afgesproken doelstellingen onverhoopt niet
worden gerealiseerd, dan wordt de gemeente bij de vaststelling van de rijksvergoeding
in beginsel over het restant van het verantwoordingsjaar geconfronteerd met
een weigering van rijksvergoeding.</al>
      <al>Indien evenwel blijkt dat de gemeente tekort is geschoten bij het nakomen
van de afspraken over de wijze waarop gedurende het verbetertraject zou worden
gehandeld, worden tekortkomingen in beginsel niet gedoogd.</al>
      <al>Uiteraard is het belang van volledige verbetering groter dan het slechts
volgen van de gemaakte afspraken. Hiermee rekening houdend, zal in het geval
dat volledige verbetering bij afloop van het afgesproken verbetertraject is
gerealiseerd, maar de verbeterprocesafspraken niet volledig zijn nageleefd,
de tekortkoming gedurende het verantwoordingsjaar waarin het verbetertraject
afloopt in beginsel worden gedoogd. Deze beperking tot het verantwoordingsjaar
waarin het verbetertraject afloopt houdt verband met het feit dat aan het
eind van een (voorafgaand) verantwoordingsjaar aan gemeenten duidelijkheid
moet worden geboden. Indien wordt geconstateerd dat gemeenten zich op die
momenten niet aan de afspraken hebben gehouden wordt de tekortkoming niet
gedoogd.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Voor een goede wetsuitvoering is het van belang dat de minister in voldoende
mate rekening kan houden met de specifieke omstandigheden van gemeenten. Het
is niet in het belang van de gemeente dat de regelgeving te rigide is en de
minister daardoor te zeer bindt. Dit mag uiteraard geen afbreuk doen aan de
rechtszekerheid en -gelijkheid van de gemeenten. De minister behoudt de bevoegdheid
om in de in artikel 4 van dit besluit bedoelde gevallen af te zien van weigering
van rijksvergoeding.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De weigering van kosten van bijstand of uitkering heeft uitsluitend betrekking
op de kosten die verband houden met onrechtmatige wetsuitvoering. Voor zover
kosten in de aanvraag rijksvergoeding zijn opgenomen, die geen kosten van
bijstand of uitkering ingevolge de Ioaw of Ioaz zijn, worden deze zonder enige
terughoudendheid niet vergoed.</al>
      <al>Vooruitlopend op een formele weigering rijksvergoeding kan in materiële
zin daar reeds rekening mee worden gehouden door de bevoorschotting hiervoor
aan te passen. </al>
      <tuskop letat="cur">Overgangssituatie</tuskop>
      <al>Onder het oude regime toegekende hersteltermijnen of specifieke afspraken
in het kader van het toezichtsproces kunnen in beginsel een doorlooptijd hebben
tot in 1996. Deze afspraken zullen in het algemeen ook passen binnen de regelgeving
en het beleid aangaande de weigering rijksvergoeding. In gevallen waarin dergelijke
gemaakte afspraken zich niet goed verhouden tot het nieuwe beleid, zullen
deze worden gerespecteerd. </al>
      <tuskop letat="cur">Relatie met Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet</tuskop>
      <al>In de Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet (Invoeringswet)
is geregeld dat kosten op grond van de Invoeringswet eveneens onder de werking
van onderhavig besluit vallen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Onderhavig besluit strekt zich echter niet uit tot de situatie dat een
gemeente tekort schiet inzake het vaststellen van een verordening ex artikel
38 Abw, op grond waarvan de gemeente de bijstandsnorm kan verhogen dan wel
verlagen. De Invoeringswet heeft de minister wel de bevoegdheid toegekend
om in dergelijke gevallen rijksvergoeding te weigeren. Het ligt daarmee voor
de hand dat in geval van bedoelde tekortkomingen op overeenkomstige
wijze als op grond van onderhavig besluit zal worden gehandeld. </al>
      <tuskop letat="cur">Financiële consequenties</tuskop>
      <al>De samenhang tussen de nieuwe bestuurlijke verhouding en de continuïteit
die met deze regelgeving wordt nagestreefd, leidt er toe dat er geen financiële
mutaties voor de rijksbegroting worden voorzien. Het besluit moet er toe bijdragen
dat de uitvoering voldoet aan de daaraan te stellen eisen. </al>
      <tuskop letat="cur">Toetsing op terughoudendheid met regelgeving</tuskop>
      <al>Het bieden van duidelijkheid en rechtszekerheid maakt deze regeling noodzakelijk. </al>
      <tuskop letat="vet">ARTIKELSGEWIJS </tuskop>
      <tuskop letat="cur">Artikel 1</tuskop>
      <al>In dit artikel worden «Abw», «Ioaw», «Ioaz»
en «maatregel» omschreven. Bij een «maatregel» gaat
het om het – geheel of gedeeltelijk – weigeren, terugvorderen
of verrekenen van rijksvergoeding als bedoeld in artikel 134, eerste en tweede
lid, van de Abw, artikel 57, eerste lid, van de Ioaw en artikel 57, eerste
lid, van de Ioaz. De rijksvergoeding in kosten van aan derden opgedragen onderzoek,
als bedoeld in artikel 57, tweede lid, van de Ioaz, valt buiten het bereik
van deze definitie.</al>
      <al>De omschrijving van «rijksaandeel», in onderdeel e, is nodig
in verband met het bepaalde in artikel 2. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 2</tuskop>
      <al>Dit artikel stelt, onverminderd het bepaalde in de artikelen 4 en 5, buiten
twijfel dat ten aanzien van bijstand, respectievelijk uitkering, die wordt
verleend in strijd met het bij of krachtens de Abw, de Ioaw of de Ioaz bepaalde,
geen rijksvergoeding plaatsvindt. Weigering van rijksvergoeding vindt eveneens
plaats ter zake van bijstand of uitkering, die niet of niet volledig wordt
teruggevorderd of verhaald.</al>
      <al>Het bepaalde in dit artikel impliceert dat onderzoek zal moeten worden
gedaan naar de omvang van de kosten, die in strijd met de wet zijn gemaakt
of in strijd met de wet niet zijn teruggevorderd of verhaald. Absolute zekerheid
over die omvang kan evenwel alleen worden verkregen door een integraal onderzoek
aan de hand van het bestand van de bijstands- of de uitkeringsgerechtigden
in de betreffende gemeente. Zo'n werkwijze is ondoelmatig en ook, praktisch
gesproken, onuitvoerbaar. Tegen het gebruik van de bevindingen uit een representatieve
steekproef of een andere op de concrete situatie van de tekortkoming in de
gemeente toegespitste onderzoeks- of rekenmethode bestaat dan ook geen bezwaar.
Uiteraard zal bij een zodanige benadering een naar redelijkheid vast te stellen
veiligheidsmarge worden gehanteerd.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Anticiperend op de inwerkingtreding van de Wet van 25 april 1996 tot wijziging
van de sociale zekerheidswetten in verband met de nadere vaststelling van
een stelsel van administratieve sancties, alsook tot wijziging van de daarin
vervatte regels tot terugvordering van ten onrechte betaalde uitkeringen en
de invordering daarvan (Stb. 1996, 248) is in de slotzin van artikel 2 rekening
gehouden met de situatie dat de gemeente ten onrechte geen administratieve
boete als bedoeld in de artikelen 14a van de Abw, 20a van de Ioaw en 20a van
de Ioaz oplegt. Alsdan wordt het bedrag van de maatregel vastgesteld
op het bedrag, dat bij de invordering van de boete aan het Rijk zou toekomen. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 3</tuskop>
      <al>Omdat in de in dit artikel bedoelde gevallen het financieel beslag veelal
niet is vast te stellen, is een aantal rekenregels opgenomen om het bedrag
van de te weigeren rijksvergoeding langs forfaitaire weg te kunnen bepalen.
Daarbij wordt uitgegaan van de door de gemeente aangevraagde rijksvergoeding
als bedoeld in artikel 134, vierde lid, van de Abw en artikel 57, derde lid,
van de Ioaw respectievelijk van de Ioaz.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In het tweede lid worden vier categorieën tekortkomingen onderscheiden.
Deze tekortkomingen zien op:</al>
      <al>– de inlichtingenverplichting van de cliënt, het onderzoek
door burgemeester en wethouders, de vaststelling van het recht op bijstand
of uitkering naar aanleiding van de aanvraag, de opschorting van de bijstand
of uitkering bij onvolledige verstrekking van gegevens of bewijsstukken door
de belanghebbende en het besluit tot toekenning of wijziging van bijstand,
met inbegrip van de door de minister met betrekking tot het voorgaande in
de Regeling administratieve uitvoeringsvoorschriften 1996 (Rau 96) gegeven
nadere regelen (onderdeel a);</al>
      <al>– de bevordering van de zelfstandige bestaansvoorziening, waaronder
begrepen de samenwerking met de Arbeidsvoorzieningsorganisatie (onderdeel
b);</al>
      <al>– de administratieve vastlegging van de uitvoering en het uitvoeringsproces,
met inbegrip van de betreffende bepalingen in de Rau 96 (onderdeel c);</al>
      <al>– het plan en beleidsverslag gericht op de bevordering van een rechtmatige
en doelmatige uitvoering en de bevordering van de zelfstandige bestaansvoorziening
(onderdeel d).</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het in het tweede lid, onder a, opgenomen maximumpercentage is bepaald
door aan te sluiten bij het maximum percentage onder c. Er is geen aanleiding
gevonden om de tekortkomingen ten aanzien van de tijdigheid, juistheid en
volledigheid van het onderzoek – in de meest ernstige vorm – anders
te wegen dan de tekortkomingen van ditzelfde type aangaande de administratie.</al>
      <al>Het in het tweede lid, onder b, opgenomen maximumpercentage is zodanig
bepaald dat recht wordt gedaan aan het belang van de hier bedoelde samenwerkingsverplichting
en dat tevens een evenwichtig beeld ontstaat van de toe te passen forfaitaire
percentages.</al>
      <al>De in het tweede lid, onder c, opgenomen minimum- en maximumpercentages
zijn ontleend aan het beleid zoals dat onder meer is vastgelegd in de «Nota
uitgangspunten en normering toetsings- en maatregelenbeleid» (kamerstukken
II, 1991/92 22 300 XV, nr. 92), die op 17 juli 1992 door de Staatssecretaris
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan de Tweede Kamer is gezonden.</al>
      <al>Het in het tweede lid, onder d, opgenomen maximumpercentage is afgeleid
van de verwachte besparing, die het gevolg is van de wettelijke verplichting
tot het werken met beleidsplannen, gericht op de bevordering van een rechtmatige
en doelmatige uitvoering van de wet alsmede op de bevordering van de zelfstandige
bestaansvoorziening.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In de toezichtspraktijk kan niet altijd worden vastgesteld of een tekortkoming
van administratieve aard is of dat sprake is van een tekortkoming in het uitvoeringsproces.
Indien het uitvoeringsproces – onder andere de juistheid en volledigheid
van de verificatie – correct is geweest maar de neerslag daarvan in
de administratie vertoont hiaten – in de administratie ontbreekt onder
andere de verificatiebron – , kan achteraf vaak niet worden
vastgesteld of het gaat om een tekortkoming onder a (onderzoeken) of onder
c (aangaande de administratie). Vanwege het systematische karakter van een
administratieve tekortkoming wordt deze zwaarder aangerekend dan tekortkomingen
in het onderzoek.</al>
      <al>Indien bedoeld onderscheid niet is te maken, bepaalt het al dan niet systematische
karakter van de tekortkoming of deze valt binnen de categorie onder c danwel
onder a.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Opgemerkt wordt, dat – gelet op de gekozen systematiek – één
tekortkoming tot meer dan één maatregel aanleiding kan geven.
Dit kan zich voordoen bijvoorbeeld bij tekortkomingen in de sfeer van de debiteurenadministratie
of het debiteurenonderzoek.</al>
      <al>Dit type tekortkoming leidt – gelet op het bepaalde in het tweede
lid, onderdeel a, – tot een weigering van de rijksvergoeding door middel
van een forfaitair vastgesteld percentage. Daarnaast is goed mogelijk –
eventueel in een ander vergoedingsjaar – dat de tekortkoming ook leidt
tot het buiten invordering stellen van vorderingen wegens het verstrijken
van de vervaltermijn. De aldus buiten invordering gestelde bedragen vallen
onder het bereik van artikel 2. Een en ander kan betekenen dat bij een dergelijke
samenloop van voorgenomen maatregelen het financieel beslag van de tekortkoming
in een bepaalde mate wordt overschreden. Het ligt daarbij in de eerste plaats
op de weg van de gemeente om die overschrijding aan te tonen, of althans aannemelijk
te maken. Artikel 4, eerste lid, onderdeel a, biedt de ruimte om bij de definitieve
vaststelling van de maatregel met die gegevens rekening te houden.</al>
      <al>Uiteraard kan ook tussen de in het tweede lid, onder a tot en met d, opgenomen
tekortkomingen samenloop optreden. De in die onderdelen opgenomen minimum-
en maximumpercentages hebben betrekking op het totaal van de in het betreffende
onderdeel gegroepeerde tekortkomingen. Indien een gemeente bijvoorbeeld –
zowel de in paragraaf 2 van hoofdstuk V van de Abw, als de in paragraaf 4
van hoofdstuk V van de Abw bedoelde verplichtingen niet of onvoldoende nakomt,
geldt dus voor beide tekortkomingen tezamen een maximumpercentage van 3 (de
bedoelde tekortkomingen en dit percentage zijn opgenomen in het tweede lid,
onder a).</al>
      <al>Indien daarentegen een gemeente zowel de in het tweede lid, onder a, als
in het tweede lid, onder c, bedoelde verplichtingen niet of onvoldoende nakomt,
dan geldt een maximumpercentage van 6. Dit percentage van 6 is verkregen door
optelling van de in de betreffende onderdelen genoemde maximumpercentages.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In het derde lid is vastgelegd dat indien de tekortkoming slechts een
deel van het betreffende vergoedingsjaar heeft geduurd, het bedrag van de
maatregel naar evenredigheid wordt vastgesteld.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Op basis van de in het vierde lid opgenomen delegatiebepaling zullen met
betrekking tot het tweede lid nadere regels worden gesteld. Deze nadere regeling
wordt thans noodzakelijk geacht om in de situatie dat de gemeentelijke administratie
of het gemeentelijk (her)onderzoek, -beëindigingsonderzoek of debiteurenonderzoek
niet voldoet aan de ter zake gestelde regelen de bij de forfaitaire vaststelling
van het bedrag van de maatregel benodigde percentages nader te bepalen. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 4</tuskop>
      <al>Dit artikel maakt het mogelijk om bij tekortkomingen van bijzondere aard
of van geringe betekenis – geheel of gedeeltelijk – van het weigeren
van rijksvergoeding af te zien. Voorts wordt geregeld dat in gevallen waar
het gaat om tekortkomingen bedoeld in artikel 3, tweede lid, onder a en c
(tekortkomingen van administratieve- of organisatorische aard), eveneens kan worden afgezien van weigering rijksvergoeding indien de betreffende
gemeente zich naar het oordeel van Onze Minister voldoende heeft ingespannen
om die tekortkomingen op te heffen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Bij «tekortkomingen van bijzondere aard» kan er rekening mee
worden gehouden dat door bepaalde factoren een situatie kan ontstaan die belemmerend
kan werken voor een adequate uitvoering van de Abw. In een dergelijke situatie
biedt onderdeel a de nodige ruimte om daarmee rekening te houden.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Bij «tekortkomingen van geringe betekenis» gaat het om fouten,
waarmee slechts een gering financieel belang is gemoeid en om incidentele,
in elke organisatie voorkomende fouten, zoals niet systematische rekenfouten
bij de berekening van een individuele uitkering. Deze fouten worden wel aan
de gemeente voorgelegd, met het oog op mogelijke aanpassing door die gemeente
van het desbetreffende uitvoeringsbesluit, maar vormen in de regel geen aanleiding
om rijksvergoeding te weigeren.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Uitgaande van de eigen verantwoordelijkheid voor het toezicht op de uitvoering,
zodat die voldoet aan de in de wet gestelde eisen van rechtmatigheid en doelmatigheid,
wordt van de gemeente verwacht dat zij bij tekortkomingen, die voortspruiten
uit organisatorische problemen of situaties van overmacht, op een zo kort
mogelijke termijn die tekortkomingen opheft. De toezichtsrelatie die Onze
Minister met de gemeenten onderhoudt maakt evenwel medebetrokkenheid van het
Rijk, nader vorm te geven in verbetertrajecten, wenselijk.</al>
      <al>Onderdeel b, ziet op de situatie dat de gemeentelijke inspanningen –
alvorens het besluit over de rijksvergoeding wordt genomen – het beoogde
effect hebben bereikt of dat de gemeente zich, zulks ter beoordeling door
Onze Minister, voldoende heeft ingespannen om dat effect te bereiken. Indien
gemeente en Rijk het eens zijn geworden over de wijze waarop de tekortkoming
kan worden opgeheven èn de gemeente voert het verbetertraject overeenkomstig
uit, dan wordt daarmee in beginsel bij het besluit inzake de weigering resp.
vaststelling van rijksvergoeding rekening gehouden. In een dergelijk geval
kan Onze Minister ten aanzien van die tekortkoming besluiten om geen rijksvergoeding
te weigeren.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Teneinde het mogelijk te maken dat de door Onze Minister gewenste inspanningen
nader worden omschreven, is in het tweede lid van dit artikel een delegatiebepaling
opgenomen. De bevoegdheid tot het stellen van nadere regels zal niet eerder
worden benut dan nadat met de in het algemene deel van de toelichting aangekondigde
verbetertrajecten de nodige ervaring is opgedaan. </al>
      <minister>
        <minvan>De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,</minvan>
        <naam>A. P. W. Melkert </naam>
      </minister>
    </notatoe>
  </backm>
</staatsbl>