﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<!DOCTYPE staatsbl PUBLIC "-//SDU//DTD staatsblad xml 1.1//NL" "../../dtd/staatsbl-11.dtd"[]>
<staatsbl id="sb996.480" soort="kb" publtype="kobe">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-1996-480/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel status="off">Staatsblad</titel>
    <subtitel>van het Koninkrijk der Nederlanden</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.4" conv="OPmaat" markup="c1xa"></versie>
    <ordernr>6S0497</ordernr>
    <stb>
      <jaargang jaar="1996">Jaargang 1996</jaargang>
      <stbjaar>1996</stbjaar>
      <stbnr>480 </stbnr>
    </stb>
    <intitule>
      <soort>Besluit</soort> van 24 september 1996, houdende tijdelijke
voorzieningen voor de medezeggenschap van de leden van het openbaar ministerie
bij de ressortsparketten en de arrondissementsparketten (Tijdelijke regeling
medezeggenschap openbaar ministerie)</intitule>
    <aanhef>
      <wie>Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.</wie>
      <consider>
        <al>Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 26 juni 1996, Directie
Wetgeving, nr 565069/96/6;</al>
        <al>Gelet op <grslag>artikel 16, tweede lid, onderdeel i, van de Wet rechtspositie
rechterlijke ambtenaren</grslag>;</al>
        <al>De Raad van State gehoord (advies van 5 augustus 1996, nr. W03.96.02599);</al>
        <al>Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 16 september
1996, Directie Wetgeving, nr. 579325/96/6;</al>
      </consider>
      <afkondig>Hebben goedgevonden en verstaan:</afkondig>
    </aanhef>
  </frontm>
  <body>
    <art id="a1">
      <kop>
        <nr>Artikel 1</nr>
      </kop>
      <al>Dit besluit is van toepassing op:</al>
      <al>a. de parketten bij de gerechtshoven, en</al>
      <al>b. de arrondissementsparketten.</al>
    </art>
    <art id="a2">
      <kop>
        <nr>Artikel 2</nr>
      </kop>
      <lid>
        <nr>1.</nr>
        <al>Het hoofd van het parket draagt ervoor zorg dat bij het parket een parketvertegenwoordiging
is.</al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>2.</nr>
        <al>De parketvertegenwoordiging bestaat uit leden die rechtstreeks worden
gekozen door en uit het midden van de kiesgerechtigde leden van het parket.</al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>3.</nr>
        <al>De kiesgerechtigde leden zijn: de advocaten-generaal onderscheidenlijk
de arrondissementsofficieren van justitie eerste klasse, de arrondissementsofficieren
van justitie, de substituut-officieren van justitie en de rechterlijke ambtenaren
in opleiding die tot plaatsvervangend officier van justitie zijn benoemd.</al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>4.</nr>
        <al>Het aantal leden van de parketvertegenwoordiging bedraagt ten minste drie
en:</al>
        <al>a. bij een aantal kiesgerechtigde leden van minder dan vijftien: ten hoogste
vijf, </al>
        <al>b. bij een aantal kiesgerechtigde leden van vijftien tot 30: ten hoogste
zeven, en</al>
        <al>c. bij een aantal kiesgerechtigde leden van 30 of meer: ten hoogste negen.</al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>5.</nr>
        <al>Tijdens een zittingsperiode van de parketvertegenwoordiging kan geen wijziging
worden gebracht in haar aantal leden op grond van vermeerdering of vermindering
van het aantal kiesgerechtigde leden.</al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>6.</nr>
        <al>De nadere regels, bedoeld in artikel 6, voorzien erin dat, indien een
of meer van hen zich kandidaat hebben gesteld, ten minste een van de leden
van de parketvertegenwoordiging afkomstig is uit het midden van de rechterlijke
ambtenaren in opleiding die tot plaatsvervangend officier van justitie zijn
benoemd.</al>
      </lid>
    </art>
    <art id="a3">
      <kop>
        <nr>Artikel 3</nr>
      </kop>
      <al>De parketvertegenwoordiging kiest uit haar midden een voorzitter en een
plaatsvervangend voorzitter.</al>
    </art>
    <art id="a4">
      <kop>
        <nr>Artikel 4</nr>
      </kop>
      <lid>
        <nr>1.</nr>
        <al>De parketvertegenwoordiging stelt een reglement vast. In het reglement
worden de onderwerpen geregeld die in dit besluit ter regeling aan de parketvertegenwoordiging
zijn opgedragen of overgelaten.</al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>2.</nr>
        <al>Alvorens het reglement vast te stellen, stelt de parketvertegenwoordiging
het hoofd van het parket in de gelegenheid zijn zienswijze over een ontwerp
voor het reglement kenbaar te maken.</al>
      </lid>
    </art>
    <art id="a5">
      <kop>
        <nr>Artikel 5</nr>
      </kop>
      <al>De verkiezing van de leden van de parketvertegenwoordiging geschiedt bij
geheime schriftelijke stemming.</al>
    </art>
    <art id="a6">
      <kop>
        <nr>Artikel 6</nr>
      </kop>
      <al>De parketvertegenwoordiging stelt in het reglement nadere regels omtrent
de kandidaatstelling, de inrichting van de verkiezingen en de vaststelling
van de uitslag daarvan, alsmede omtrent de vervulling van tussentijdse vacatures
in de parketvertegenwoordiging.</al>
    </art>
    <art id="a7">
      <kop>
        <nr>Artikel 7</nr>
      </kop>
      <lid>
        <nr>1.</nr>
        <al>De parketvertegenwoordiging draagt ervoor zorg, dat de uitslag van de
verkiezingen bekend wordt gemaakt aan het hoofd van het parket en de kiesgerechtigde
leden.</al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>2.</nr>
        <al>De parketvertegenwoordiging draagt ervoor zorg, dat de namen en de functies
bij het parket van de leden van de parketvertegenwoordiging blijvend worden
vermeld op een plaats die vrij toegankelijk is voor alle kiesgerechtigde leden,
op zodanige wijze dat daarvan gemakkelijk kennis kan worden genomen.</al>
      </lid>
    </art>
    <art id="a8">
      <kop>
        <nr>Artikel 8</nr>
      </kop>
      <lid>
        <nr>1.</nr>
        <al>De leden van de parketvertegenwoordiging treden om de drie jaar tegelijk
af. Zij zijn terstond herkiesbaar.</al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>2.</nr>
        <al>De parketvertegenwoordiging kan, in afwijking van het eerste lid, in het
reglement bepalen dat de leden om de twee of om de vier jaar tegelijk aftreden,
dan wel om de twee jaar voor de helft aftreden. De parketvertegenwoordiging
kan voorts, in afwijking van het eerste lid, beperkingen vaststellen ten aanzien
van de herkiesbaarheid.</al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>3.</nr>
        <al>Zodra een lid van de parketvertegenwoordiging ophoudt kiesgerechtigd
lid van het parket te zijn, eindigt van rechtswege zijn lidmaatschap van de
parketvertegenwoordiging.</al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>4.</nr>
        <al>De leden van de parketvertegenwoordiging kunnen te allen tijde als zodanig
ontslag nemen. Zij geven daarvan schriftelijk kennis aan de voorzitter en
aan het hoofd van het parket.</al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>5.</nr>
        <al>Degene die optreedt ter vervulling van een tussentijds opengevallen plaats,
treedt af op het tijdstip waarop degene in wiens plaats hij optreedt, had
moeten aftreden.</al>
      </lid>
    </art>
    <art id="a9">
      <kop>
        <nr>Artikel 9</nr>
      </kop>
      <lid>
        <nr>1.</nr>
        <al>De parketvertegenwoordiging regelt in het reglement haar werkwijze.</al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>2.</nr>
        <al>Het reglement bevat in ieder geval regels omtrent:</al>
        <al>a. de gevallen waarin de parketvertegenwoordiging ten behoeve van de uitoefening
van haar taak bijeenkomt,</al>
        <al>b. de wijze van bijeenroeping van de parketvertegenwoordiging,</al>
        <al>c. het aantal leden dat aanwezig moet zijn om een vergadering te kunnen
houden,</al>
        <al>d. de uitoefening van het stemrecht in de vergaderingen,</al>
        <al>e. de voorziening in het secretariaat,</al>
        <al>f. het opmaken en het bekend maken aan het hoofd van het parket, de leden
van de parketvertegenwoordiging en de kiesgerechtigde leden van de agenda
van de vergaderingen van de parketvertegenwoordiging,</al>
        <al>g. het tijdstip waarop het hoofd van het parket, de leden van de parketvertegenwoordiging
en de kiesgerechtigde leden uiterlijk in kennis dienen te worden gesteld van
de agenda, welk tijdstip niet later kan worden gesteld dan zeven dagen voor
de vergadering, behoudens in spoedeisende gevallen, en</al>
        <al>h. het opmaken en het bekend maken aan het hoofd van het parket, de leden
van de parketvertegenwoordiging en de kiesgerechtigde leden van de verslagen
van de vergaderingen van de parketvertegenwoordiging en van het jaarverslag
van de parketvertegenwoordiging.</al>
      </lid>
    </art>
    <art id="a10">
      <kop>
        <nr>Artikel 10</nr>
      </kop>
      <lid>
        <nr>1.</nr>
        <al>De parketvertegenwoordiging kan vaste commissies instellen voor de behandeling
van door haar aangewezen onderwerpen.</al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>2.</nr>
        <al>Zij kan in het instellingsbesluit van een vaste commissie haar rechten
en bevoegdheden ten aanzien van deze onderwerpen geheel of gedeeltelijk aan
de betrokken commissie overdragen.</al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>3.</nr>
        <al>In een vaste commissie kunnen naast een meerderheid van leden van de parketvertegenwoordiging
ook andere kiesgerechtigde leden zitting hebben.</al>
      </lid>
    </art>
    <art id="a11">
      <kop>
        <nr>Artikel 11</nr>
      </kop>
      <lid>
        <nr>1.</nr>
        <al>De parketvertegenwoordiging kan voorbereidingscommissies instellen ter
voorbereiding van door haar te behandelen onderwerpen.</al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>2.</nr>
        <al>Een voorbereidingscommissie kan geen rechten of bevoegdheden van de parketvertegenwoordiging
uitoefenen.</al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>3.</nr>
        <al>Een voorbereidingscommissie kan slechts voor een bepaalde, door de parketvertegenwoordiging
in het instellingsbesluit te vermelden, tijd worden ingesteld.</al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>4.</nr>
        <al>In een voorbereidingscommissie kunnen naast een of meer leden van de parketvertegenwoordiging
ook andere kiesgerechtigde leden zitting hebben. </al>
      </lid>
    </art>
    <art id="a12">
      <kop>
        <nr>Artikel 12</nr>
      </kop>
      <lid>
        <nr>1.</nr>
        <al>De parketvertegenwoordiging kan, met het oog op de behandeling van een
bepaald onderwerp, een of meer deskundigen uitnodigen tot het bijwonen van
een van haar vergaderingen.</al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>2.</nr>
        <al>Aan een uitgenodigde deskundige worden tijdig de agenda van de vergadering
en de desbetreffende stukken verstrekt.</al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>3.</nr>
        <al>De leden van de parketvertegenwoordiging kunnen in de vergadering aan
een uitgenodigde deskundige inlichtingen en adviezen vragen.</al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>4.</nr>
        <al>Een deskundige kan eveneens worden uitgenodigd een schriftelijk advies
uit te brengen.</al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>5.</nr>
        <al>Het eerste tot en met vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing ten
aanzien van de commissies van de parketvertegenwoordiging.</al>
      </lid>
    </art>
    <art id="a13">
      <kop>
        <nr>Artikel 13</nr>
      </kop>
      <lid>
        <nr>1.</nr>
        <al>De parketvertegenwoordiging kan, met het oog op de behandeling van een
bepaald onderwerp, het hoofd van het parket uitnodigen tot het bijwonen van
een van haar vergaderingen.</al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>2.</nr>
        <al>Aan het hoofd van het parket worden tijdig de agenda van de vergadering
en de desbetreffende stukken verstrekt.</al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>3.</nr>
        <al>De leden van de parketvertegenwoordiging kunnen in de vergadering aan
het hoofd van het parket inlichtingen en adviezen vragen.</al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>4.</nr>
        <al>Het hoofd van het parket kan eveneens worden uitgenodigd een schriftelijk
advies uit te brengen.</al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>5.</nr>
        <al>Het eerste tot en met vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing ten
aanzien van de commissies van de parketvertegenwoordiging.</al>
      </lid>
    </art>
    <art id="a14">
      <kop>
        <nr>Artikel 14</nr>
      </kop>
      <lid>
        <nr>1.</nr>
        <al>Het hoofd van het parket is verplicht de parketvertegenwoordiging en haar
commissies het gebruik toe te staan van de voorzieningen waarover hij als
zodanig kan beschikken en die de parketvertegenwoordiging en haar commissies
voor de vervulling van hun taak redelijkerwijs nodig hebben.</al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>2.</nr>
        <al>De parketvertegenwoordiging en haar commissies vergaderen zoveel mogelijk
tijdens de normale arbeidstijd.</al>
      </lid>
    </art>
    <art id="a15">
      <kop>
        <nr>Artikel 15</nr>
      </kop>
      <lid>
        <nr>1.</nr>
        <al>De kosten die redelijkerwijs noodzakelijk zijn voor de vervulling van
de taak van de parketvertegenwoordiging en haar commissies komen ten laste
van het parket.</al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>2.</nr>
        <al>Met inachtneming van het eerste lid komen de kosten van het overeenkomstig
de artikelen 12 en 20, zesde lid, raadplegen van een deskundige door de parketvertegenwoordiging
of een van haar commissies slechts ten laste van het parket indien het hoofd
van het parket van de te maken kosten vooraf in kennis is gesteld.</al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>3.</nr>
        <al>Het hoofd van het parket kan een regeling treffen waarin, onverminderd
de artikelen 14 en 16, de kosten die de parketvertegenwoordiging en haar commissies
in een bepaald jaar zullen maken, worden vastgesteld op een bepaald bedrag,
dat de parketvertegenwoordiging en haar commissies naar eigen inzicht kunnen
besteden. Kosten waardoor het vastgestelde bedrag zou worden overschreden,
komen slechts ten laste van het parket voor zover het hoofd van het parket
daarin toestemt.</al>
      </lid>
    </art>
    <art id="a16">
      <kop>
        <nr>Artikel 16</nr>
      </kop>
      <al>Het hoofd van het parket treft een regeling waarin:</al>
      <al>a. aan de leden van de parketvertegenwoordiging en haar commissies gedurende een bepaald aantal uren per jaar in werktijd de gelegenheid
wordt geboden voor onderling beraad en overleg met andere personen over aangelegenheden
waarbij zij in de uitoefening van hun taak zijn betrokken, alsmede voor kennisneming
van de arbeidsomstandigheden bij het parket, en</al>
      <al>b. aan de leden van de parketvertegenwoordiging en haar commissies gedurende
een bepaald aantal dagen per jaar in werktijd de gelegenheid wordt geboden
voor het ontvangen van de scholing en vorming die zij in verband met de vervulling
van hun taak nodig oordelen.</al>
    </art>
    <art id="a17">
      <kop>
        <nr>Artikel 17</nr>
      </kop>
      <lid>
        <nr>1.</nr>
        <al>De leden van de parketvertegenwoordiging en haar commissies, alsmede de
overeenkomstig artikel 12 geraadpleegde deskundigen zijn verplicht tot geheimhouding
van alle gegevens die zij in hun hoedanigheid vernemen en ten aanzien waarvan
het hoofd van het parket dan wel de parketvertegenwoordiging of de betrokken
commissie hun geheimhouding heeft opgelegd of waarvan zij, in verband met
opgelegde geheimhouding, het vertrouwelijke karakter moeten begrijpen. Het
voornemen om geheimhouding op te leggen wordt zoveel mogelijk voor de behandeling
van de betrokken aangelegenheid medegedeeld. Degene die de geheimhouding oplegt,
deelt daarbij tevens mede welke schriftelijk of mondeling verstrekte gegevens
onder de opgelegde geheimhouding vallen en hoe lang deze dient te duren, alsmede
of er personen zijn ten aanzien van wie de opgelegde geheimhouding niet in
acht behoeft te worden genomen.</al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>2.</nr>
        <al>Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van degenen
die zijn belast met het secretariaat van de parketvertegenwoordiging of een
van haar commissies.</al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>3.</nr>
        <al>De in het eerste lid bedoelde verplichting geldt niet ten opzichte van
degene die door een lid van de parketvertegenwoordiging of een van haar commissies
wordt benaderd voor overleg, mits het hoofd van het parket onderscheidenlijk
degene die geheimhouding heeft opgelegd, vooraf toestemming heeft gegeven
voor het overleg met de betrokken persoon en deze laatste schriftelijk heeft
verklaard dat hij zich ten aanzien van de betrokken aangelegenheid tot geheimhouding
verplicht. In dat geval is ten aanzien van de betrokken persoon het eerste
lid van overeenkomstige toepassing.</al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>4.</nr>
        <al>De in het eerste lid bedoelde verplichting vervalt niet door beëindiging
van het lidmaatschap van de parketvertegenwoordiging of van haar betrokken
commissie, noch door het ophouden kiesgerechtigd lid te zijn.</al>
      </lid>
    </art>
    <art id="a18">
      <kop>
        <nr>Artikel 18</nr>
      </kop>
      <al>Het hoofd van het parket draagt ervoor zorg, dat de kiesgerechtigde leden
die zich kandidaat stellen of hebben gesteld voor verkiezing tot lid van de
parketvertegenwoordiging, alsmede de leden en de gewezen leden van de parketvertegenwoordiging
en haar commissies niet uit hoofde van hun kandidaatstelling of hun lidmaatschap
worden benadeeld in hun positie bij het parket.</al>
    </art>
    <art id="a19">
      <kop>
        <nr>Artikel 19</nr>
      </kop>
      <lid>
        <nr>1.</nr>
        <al>Het hoofd van het parket en de parketvertegenwoordiging komen met elkaar
bijeen in een overlegvergadering binnen twee weken nadat hetzij de parketvertegenwoordiging
hetzij het hoofd van het parket daarom gemotiveerd heeft verzocht.</al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>2.</nr>
        <al>Onverminderd het eerste lid wordt ten minste zes keer per kalenderjaar
een overlegvergadering gehouden. </al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>3.</nr>
        <al>In een overlegvergadering worden de aangelegenheden, het parket betreffende,
aan de orde gesteld ten aanzien waarvan hetzij het hoofd van het parket hetzij
de parketvertegenwoordiging overleg wenselijk acht of waarover op grond van
dit besluit overleg tussen het hoofd van het parket en de parketvertegenwoordiging
moet plaatsvinden. De parketvertegenwoordiging is bevoegd omtrent de bedoelde
aangelegenheden voorstellen te doen en standpunten kenbaar te maken.</al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>4.</nr>
        <al>De parketvertegenwoordiging is ook buiten een overlegvergadering bevoegd
aan het hoofd van het parket voorstellen te doen omtrent de in het derde lid
bedoelde aangelegenheden. Een dergelijk voorstel wordt schriftelijk en voorzien
van een toelichting aan het hoofd van het parket voorgelegd. Het hoofd van
het parket beslist over het voorstel niet dan nadat daarover ten minste eenmaal
overleg is gevoerd in een overlegvergadering. Na het overleg deelt het hoofd
van het parket zo spoedig mogelijk schriftelijk en gemotiveerd aan de parketvertegenwoordiging
mede of, en zo ja in hoeverre, hij overeenkomstig het voorstel zal besluiten.
Wanneer het hoofd van het parket of de parketvertegenwoordiging te kennen
geeft daarop prijs te stellen, wordt het besluit in een overlegvergadering
kenbaar gemaakt.</al>
      </lid>
    </art>
    <art id="a20">
      <kop>
        <nr>Artikel 20</nr>
      </kop>
      <lid>
        <nr>1.</nr>
        <al>Een overlegvergadering kan slechts worden gehouden, indien ten aanzien
van de parketvertegenwoordiging wordt voldaan aan de bepalingen die ingevolge
het reglement gelden voor het houden van een vergadering van de parketvertegenwoordiging.
Alle leden van de parketvertegenwoordiging kunnen in de overlegvergadering
het woord voeren.</al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>2.</nr>
        <al>De overlegvergadering wordt, tenzij het hoofd van het parket en de parketvertegenwoordiging
te zamen een andere regeling treffen, beurtelings geleid door het hoofd van
het parket en de voorzitter of de plaatsvervangende voorzitter van de parketvertegenwoordiging.</al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>3.</nr>
        <al>De secretaris van de parketvertegenwoordiging treedt op als secretaris
van de overlegvergadering, tenzij het hoofd van het parket en de parketvertegenwoordiging
te zamen een andere persoon als secretaris aanwijzen.</al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>4.</nr>
        <al>De agenda van de overlegvergadering bevat de onderwerpen die door het
hoofd van het parket en de parketvertegenwoordiging bij de secretaris voor
het overleg zijn aangemeld. Het verslag van de overlegvergadering behoeft
de goedkeuring van het hoofd van het parket en de parketvertegenwoordiging.</al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>5.</nr>
        <al>Het hoofd van het parket en de parketvertegenwoordiging maken afspraken
over de gang van zaken bij de overlegvergadering en over de wijze en het tijdstip
waarop de agenda en het verslag van de overlegvergadering aan de kiesgerechtigde
leden bekend worden gemaakt.</al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>6.</nr>
        <al>Ten aanzien van de overlegvergadering zijn de artikelen 14 en 15 van overeenkomstige
toepassing. Zowel het hoofd van het parket als de parketvertegenwoordiging
kan een of meer deskundigen uitnodigen tot het bijwonen van een overlegvergadering,
indien dit voor de behandeling van een bepaald onderwerp redelijkerwijs nodig
is. Zij stellen elkaar hiervan tijdig vooraf in kennis.</al>
      </lid>
    </art>
    <art id="a21">
      <kop>
        <nr>Artikel 21</nr>
      </kop>
      <lid>
        <nr>1.</nr>
        <al>Tijdens een overlegvergadering kunnen zowel door het hoofd van het parket
als door de parketvertegenwoordiging beslissingen worden genomen.</al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>2.</nr>
        <al>Een overlegvergadering wordt door de voorzitter geschorst, wanneer het
hoofd van het parket of de parketvertegenwoordiging ten aanzien van een bepaald
onderwerp afzonderlijk beraad wenselijk acht. </al>
      </lid>
    </art>
    <art id="a22">
      <kop>
        <nr>Artikel 22</nr>
      </kop>
      <al>Het hoofd van het parket doet aan de parketvertegenwoordiging zo spoedig
mogelijk mededeling van zijn voornemen tot het verstrekken van een adviesopdracht
aan een deskundige buiten het parket, met betrekking tot een aangelegenheid
als bedoeld in de artikelen 24 en 25.</al>
    </art>
    <art id="a23">
      <kop>
        <nr>Artikel 23</nr>
      </kop>
      <al>Het hoofd van het parket bespreekt ten minste twee maal per kalenderjaar
in een overlegvergadering het algemene beleid van het parket en het door het
hoofd van het parket gevoerde en te voeren beleid met de parketvertegenwoordiging.</al>
    </art>
    <art id="a24">
      <kop>
        <nr>Artikel 24</nr>
      </kop>
      <lid>
        <nr>1.</nr>
        <al>De parketvertegenwoordiging heeft een instemmingsrecht ten aanzien van
de volgende door het hoofd van het parket voorgenomen besluiten:</al>
        <al>a. een regeling inzake werktijden,</al>
        <al>b. een regeling inzake vakantie en verlof,</al>
        <al>c. een regeling inzake de veiligheid, de gezondheid of het welzijn in
verband met de werkzaamheden,</al>
        <al>d. een regeling inzake opleiding en verdere vorming,</al>
        <al>e. een regeling inzake loopbaanvorming,</al>
        <al>f. een regeling inzake werkoverleg,</al>
        <al>g. een regeling als bedoeld in artikel 15, derde lid, en</al>
        <al>h. een regeling als bedoeld in artikel 16.</al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>2.</nr>
        <al>Indien de parketvertegenwoordiging niet met een voorgenomen besluit als
bedoeld in het eerste lid instemt, kan het hoofd van het parket niet een met
het voorgenomen besluit overeenkomend besluit nemen.</al>
      </lid>
    </art>
    <art id="a25">
      <kop>
        <nr>Artikel 25</nr>
      </kop>
      <lid>
        <nr>1.</nr>
        <al>De parketvertegenwoordiging heeft een adviesrecht ten aanzien van de volgende
door het hoofd van het parket voorgenomen besluiten:</al>
        <al>a. een besluit inzake belangrijke wijzigingen in de organisatie, en</al>
        <al>b. een besluit inzake de verdeling van de werkzaamheden.</al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>2.</nr>
        <al>Een advies als bedoeld in het eerste lid wordt op een zodanig tijdstip
gevraagd, dat het van wezenlijke invloed kan zijn op het te nemen besluit.</al>
      </lid>
    </art>
    <art id="a26">
      <kop>
        <nr>Artikel 26</nr>
      </kop>
      <lid>
        <nr>1.</nr>
        <al>De parketvertegenwoordiging wordt in de gelegenheid gesteld een profielschets
op te stellen voor een te benoemen procureur-generaal, plaatsvervangend procureur-generaal,
hoofdofficier van justitie, fungerend hoofdofficier van justitie of plaatsvervangend
hoofdofficier van justitie.</al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>2.</nr>
        <al>De parketvertegenwoordiging wordt in de gelegenheid gesteld advies uit
te brengen omtrent de benoeming van een procureur-generaal, plaatsvervangend
procureur-generaal, hoofdofficier van justitie, fungerend hoofdofficier van
justitie of plaatsvervangend hoofdofficier van justitie.</al>
      </lid>
    </art>
    <art id="a27">
      <kop>
        <nr>Artikel 27</nr>
      </kop>
      <al>De parketvertegenwoordiging bevordert zoveel als in haar vermogen ligt
de naleving van de voor het parket geldende voorschriften op het gebied van
de rechtspositie, alsmede van de voor het parket geldende voorschriften
op het gebied van de veiligheid, de gezondheid en het welzijn in verband met
de werkzaamheden.</al>
    </art>
    <art id="a28">
      <kop>
        <nr>Artikel 28</nr>
      </kop>
      <al>Het hoofd van het parket is verplicht desgevraagd aan de parketvertegenwoordiging
en haar commissies tijdig alle inlichtingen en gegevens te verstrekken die
deze voor de vervulling van hun taak redelijkerwijs nodig hebben.</al>
    </art>
    <art id="a29">
      <kop>
        <nr>Artikel 29</nr>
      </kop>
      <lid>
        <nr>1.</nr>
        <al>Het hoofd van het parket treft bij voorlopig reglement, voor zover nodig,
de voorzieningen die tot de bevoegdheid van de parketvertegenwoordiging behoren,
totdat de parketvertegenwoordiging zelf die bevoegdheid uitoefent. Artikel
4, eerste lid, is op het voorlopig reglement van overeenkomstige toepassing.</al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>2.</nr>
        <al>De kiesgerechtigde leden worden in de gelegenheid gesteld hun zienswijze
over een ontwerp van het voorlopig reglement kenbaar te maken.</al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>3.</nr>
        <al>Het voorlopig reglement vervalt op het tijdstip waarop het door de parketvertegenwoordiging
vastgestelde reglement in werking treedt.</al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>4.</nr>
        <al>Het hoofd van het parket draagt ervoor zorg, dat uiterlijk op de eerste
dag van de derde kalendermaand na de maand waarin dit besluit in werking is
getreden, bij het parket een parketvertegenwoordiging is.</al>
      </lid>
    </art>
    <art id="a30">
      <kop>
        <nr>Artikel 30</nr>
      </kop>
      <lid>
        <nr>1.</nr>
        <al>Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte
van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot 1 april 1996.</al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>2.</nr>
        <al>Dit besluit vervalt met ingang van 1 april 2001.</al>
      </lid>
    </art>
    <art id="a31">
      <kop>
        <nr>Artikel 31</nr>
      </kop>
      <al>Dit besluit wordt aangehaald als: Tijdelijke regeling medezeggenschap
openbaar ministerie.</al>
    </art>
  </body>
  <backm>
    <nawerk>
      <slotform>Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota
van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.</slotform>
      <histnoot>
        <al>Het advies van de Raad van State is openbaar gemaakt door terinzagelegging
bij het Ministerie van Justitie.</al>
        <al>Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage gelegde stukken worden
opgenomen in het bijvoegsel bij de Staatscourant van 12 november 1996,
nr. 219.</al>
      </histnoot>
      <ondertek>
        <ondplts>'s-Gravenhage, </ondplts>
        <onddatum>24 september 1996</onddatum>
        <koning>Beatrix </koning>
        <minister>
          <minvan>De Minister van Justitie,</minvan>
          <naam>W. Sorgdrager</naam>
        </minister>
      </ondertek>
      <uitgifte>
        <uitgifte-regel>Uitgegeven de <nadruk type="cur">eerste</nadruk> oktober 1996</uitgifte-regel>
        <uitdag>eerste</uitdag>
        <uitmaand>oktober</uitmaand>
        <uitjaar>1996</uitjaar>
        <door>
          <minvan>De Minister van Justitie,</minvan>
          <naam>W. Sorgdrager </naam>
        </door>
      </uitgifte>
    </nawerk>
    <notatoe>
      <kop>
        <titel status="off">NOTA VAN TOELICHTING </titel>
      </kop>
      <tuskop letat="vet">1. Algemeen </tuskop>
      <tuskop letat="cur">1.1 Achtergronden</tuskop>
      <al>Sinds de inwerkingtreding op 5 mei 1995 van de Wet van 13 april 1995 (Stb.
231) is de Wet op de ondernemingsraden (Wor) ook van toepassing op ambtenaren.
In artikel 53b Wor wordt echter op de toepasselijkheid van de Wor een uitzondering
gemaakt voor de rechterlijke ambtenaren (dat zijn: de rechters in de Hoge
Raad, de hoven, de rechtbanken, de kantongerechten, de Centrale Raad van Beroep,
het College van Beroep voor het bedrijfsleven, de Tariefcommissie en het College
van beroep studiefinanciering; de leden van het openbaar ministerie (OM);
de gerechtsauditeurs bij de genoemde gerechten; de griffiers en de substituut-griffiers
van de genoemde gerechten) en voor de rechterlijke ambtenaren in opleiding
(raio's). Bij het maken van die uitzondering is aangekondigd dat de Minister
van Justitie ernaar zal streven dat uiterlijk twee jaar na de inwerkingtreding
van de Wet van 5 mei 1995 voor de in artikel 53b Wor uitgezonderde ambtenaren
specifieke medezeggenschapsregelingen tot stand worden gebracht.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het onderhavige besluit bevat een dergelijke specifieke medezeggenschapsregeling
voor de leden van het OM bij de ressortsparketten en de arrondissementsparketten
en voor de raio's die tot plaatsvervangend officier van justitie zijn benoemd.
Het gaat om een tijdelijke regeling, waarbij bij de ressortsparketten en de
arrondissementsparketten een tijdelijk medezeggenschapsorgaan (de parketvertegenwoordiging)
wordt gecreëerd.</al>
      <al>In het kader van de voorgenomen reorganisatie van het OM – ik verwijs
naar mijn brief aan de Tweede Kamer van 14 december 1994 (Tweede Kamer, 1994–1995,
24 034, nr. 1) en naar het op 23 mei 1995 aan de Tweede Kamer aangeboden
plan van aanpak (Tweede Kamer, 1994–1995, 24 034, nr. 3) –
zal te gelegener tijd een definitieve medezeggenschapsregeling voor het OM
tot stand komen. Dat zal een geïntegreerde regeling zijn, dat wil zeggen
dat zij betrekking heeft zowel op de leden van het OM als op de medewerkers
die werkzaam zijn in de ondersteuning. Het hoofd van het parket zal in de
nieuwe OM-organisatie immers hoofd van dienst zijn van beide geledingen. Thans
is de directeur gerechtelijke ondersteuning nog hoofd van dienst van de medewerkers
die werkzaam zijn in de ondersteuning. Op die medewerkers is de Wor wel van
toepassing.</al>
      <al>Op dit moment is er geen specifieke medezeggenschapsregeling voor de rechterlijke
ambtenaren en de raio's op wie dit besluit betrekking heeft (vgl. art. 10
Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren). Teneinde in de periode voorafgaande
aan de totstandbrenging van de definitieve regeling niet onnodig lang het
thans bestaande vacuüm te laten bestaan – hetgeen juist gelet op
de reorganisatie van het OM als onwenselijk moet worden beschouwd –
wordt nu voor deze categorieën een tijdelijke regeling tot stand gebracht.</al>
      <al>Op dit moment staat nog niet vast hoe lang sprake zal zijn van het naast
elkaar bestaan van de parketvertegenwoordiging voor de leden van het OM en
de ondernemingsraad voor de medewerkers in de ondersteuning. De bevoegdheden
die thans de directeur gerechtelijke ondersteuning nog heeft ten aanzien van
de medewerkers in de ondersteuning, zullen in het kader van de zogenoemde
beheersovergang binnen afzienbare tijd overgaan naar de hoofden van de parketten.
Dezen zullen dan de overlegpartner zijn van beide geledingen. In deze structuur
zal geleidelijk moeten worden toegegroeid naar een geïntegreerde regeling.
Het is niet uitgesloten dat daarbinnen toch voor een zekere differentiatie
zal worden gekozen. Vanzelfsprekend zal over de nieuwe regeling overeenstemming moeten worden bereikt met de Sectorcommissie rechterlijke macht en
met de Centrale Commissie voor Georganiseerd Overleg in Ambtenarenzaken.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het onderhavige besluit berust op artikel 16, tweede lid, onderdeel h,
Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren (Wrra). Deze bepaling maakt het
mogelijk dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur (amvb) voor rechterlijke
ambtenaren en raio's voorschriften worden vastgesteld met betrekking tot medezeggenschap.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Over de in dit besluit opgenomen regeling is overeenkomstig hoofdstuk
III Wrra overeenstemming bereikt met de Sectorcommissie rechterlijke macht. </al>
      <tuskop letat="cur">1.2 Hoofdlijnen</tuskop>
      <al>Bij het opstellen van deze specifieke medezeggenschapsregeling is ernaar
gestreefd, de systematiek en de inhoud – en daarom ook de bewoordingen –
van de Wor waar mogelijk over te nemen. Op een aantal punten was dat, gelet
op het karakter en de structuur van de (huidige) OM-organisatie, (nog) niet
of niet volledig mogelijk of wenselijk. Voor een deel gaat het daarbij om
technische kwesties, voor een ander deel om zaken van meer inhoudelijke aard.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De twee belangrijkste inhoudelijke afwijkingen van de Wor hebben betrekking
op de vaststelling van de onderwerpen waarvoor een instemmingsrecht onderscheidenlijk
een adviesrecht voor het medezeggenschapsorgaan (in dit geval de parketvertegenwoordiging)
geldt en op het ontbreken van een specifieke geschillenregeling in het onderhavige
besluit. Op het eerste punt wordt in de artikelsgewijze toelichting nader
ingegaan. Ten aanzien van het tweede punt merk ik op deze plaats het volgende
op. De Wor bevat een gedifferentieerde geschillenregeling, waarbij soms rechtsmacht
toekomt aan de kantonrechter en soms aan de ondernemingskamer van het hof
te Amsterdam. Artikel 21, eerste lid, derde volzin, Wor voegt daaraan nog
de rechtbank (als bestuursrechter) toe. Gelet op het karakter van de (huidige)
OM-organisatie geef ik er de voorkeur aan, thans te vertrouwen op het zelfregulerend
vermogen van die organisatie. De regeling bevat derhalve geen bijzondere bepalingen
omtrent de beslechting van geschillen die voortvloeien uit de toepassing van
dit besluit. Dat wil overigens niet zeggen dat, in het onverhoopte geval dat
de betrokkenen er onderling niet uitkomen, er geen mogelijkheden voor rechterlijke
interventie zijn. Artikel 9a Wrra stelt immers voor een belanghebbende beroep
open tegen een besluit waarbij (onder anderen) een rechterlijk ambtenaar of
een raio als zodanig belanghebbende is. Aangezien mag worden aangenomen dat
het hoofd van het parket een bestuursorgaan is in de zin van artikel 1:1,
eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb), het hoofd van het parket in
bepaalde gevallen besluiten neemt waarbij een rechterlijk ambtenaar of een
raio als zodanig belanghebbende is en de parketvertegenwoordiging gelet op
haar taak bij sommige van die besluiten van het hoofd van het parket belanghebbende
is in de zin van artikel 1:2, eerste lid, Awb, kan de parketvertegenwoordiging
in die gevallen beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep. Dat geldt
overigens ook voor de individuele rechterlijk ambtenaar of raio. Overigens
is het streven, in de definitieve medezeggenschapsregeling voor het OM wel
aansluiting te zoeken bij de geschillenregeling in de Wor.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Waar nodig wordt in de artikelsgewijze toelichting ingegaan op de overige
verschillen met de Wor. Ook wordt in voorkomende gevallen aangegeven
aan welke bepalingen van de Wor de bepalingen van dit besluit zijn ontleend.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Voor de goede orde wijs ik erop dat hetgeen in het onderhavige besluit
is geregeld, uiteraard geen inbreuk kan en mag maken op hetgeen met toepassing
van hoofdstuk III Wrra is besloten over aangelegenheden van algemeen belang
voor de rechtstoestand van de rechterlijke ambtenaren en de raio's. Anders
gezegd: de besluitvorming tussen de Minister van Justitie en de Sectorcommissie
rechterlijke macht prevaleert te allen tijde boven de besluitvorming in het
kader van de onderhavige medezeggenschapsregeling. </al>
      <tuskop letat="cur">1.3 Financiële gevolgen</tuskop>
      <al>Voor zover aan deze regeling structurele kosten zijn verbonden, zullen
deze worden opgevangen binnen de budgetten van de verschillende arrondissementen.
In verband met de invoering zullen incidentele kosten optreden. De incidentele
kosten zullen zeer beperkt van omvang zijn. Zij zullen worden opgevangen binnen
het budget dat beschikbaar is voor de reorganisatie van het OM.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Uit het voorgaande volgt dat geen sprake is van gevolgen voor de rijksbegroting. </al>
      <tuskop letat="vet">2. Artikelsgewijs </tuskop>
      <tuskop letat="cur">Artikel 1</tuskop>
      <al>Aangezien het parket bij de Hoge Raad niet rechtstreeks bij de voorgenomen
reorganisatie van het OM is betrokken, is deze tijdelijke regeling uitsluitend
van toepassing op de ressortsparketten en de arrondissementsparketten. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 2</tuskop>
      <al>Het eerste lid schrijft bij elk parket een vertegenwoordigend orgaan voor,
onder de benaming parketvertegenwoordiging. Het hoofd van het parket draagt
zorg voor de totstandkoming van de parketvertegenwoordiging op zijn parket.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het tweede lid legt vast dat de leden van de parketvertegenwoordiging
worden gekozen door en uit het midden van de kiesgerechtigde leden van het
parket. De kring van degenen aan wie het actieve kiesrecht toekomt, is derhalve
gelijk aan de kring van degenen aan wie het passieve kiesrecht toekomt.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het derde lid omschrijft wie de kiesgerechtigde leden van het parket zijn.
In de eerste plaats zijn dat de leden van het OM, met uitzondering van het
hoofd van het parket (de procureur-generaal onderscheidenlijk de hoofdofficier
van justitie) en diens vervanger (de plaatsvervangend procureur-generaal onderscheidenlijk
de fungerend dan wel de plaatsvervangend hoofdofficier van justitie; vgl.
art. 6, eerste onderscheidenlijk vierde lid, Wet op de rechterlijke organisatie
(Wet RO)). Zij zijn ondergeschikt aan het hoofd van het parket (vgl. art.
5a Wet RO). In de tweede plaats zijn dat de raio's die tot plaatsvervangend
officier van justitie zijn benoemd. Ook zij zijn ondergeschikt aan het hoofd
van het parket (vgl. art. 1, onderdeel d, Besluit opleiding rechterlijke ambtenaren).
De overige plaatsvervangende officieren van justitie behoren niet tot de kiesgerechtigde
leden. </al>
      <al>De term «de kiesgerechtigde leden» komt overigens op diverse
andere plaatsen in de regeling terug en heeft dan steeds de in artikel 2,
derde lid, omschreven betekenis.</al>
      <al>Voor de goede orde merk ik nog op, dat uit de wettelijke positie van de
vervanger van het hoofd van het parket voortvloeit dat hetgeen tussen hem
en de parketvertegenwoordiging wordt afgesproken, bindend is voor het hoofd
van het parket.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In het vierde lid is het minimale en het maximale aantal leden van de
parketvertegenwoordiging aangegeven. Het minimum is in alle gevallen drie.
De maxima variëren, afhankelijk van de omvang van het parket. Bij de
kleinere parketten is het maximum vijf leden, bij de middelgrote zeven en
bij de grotere negen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het vijfde lid is ontleend aan artikel 6, zesde lid, Wor.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het zesde lid strekt ertoe, te verzekeren dat een van de leden van de
parketvertegenwoordiging een tot plaatsvervangend officier van justitie benoemde
raio is. De parketvertegenwoordiging is verplicht, in de in artikel 6 voorgeschreven
nadere regels betreffende de verkiezingen – die worden opgenomen in
het in artikel 4, eerste lid, bedoelde reglement – , een dergelijke
voorziening op te nemen. Die verplichting geldt uiteraard alleen, als een
of meer van deze kiesgerechtigde leden zich kandidaat hebben gesteld. Deze
bepaling is tot op zekere hoogte vergelijkbaar met artikel 9, vierde lid,
Wor. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 3</tuskop>
      <al>Deze bepaling is ontleend aan artikel 7, eerste volzin, Wor, met dien
verstande dat het aantal plaatsvervangende voorzitters is beperkt tot één. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 4</tuskop>
      <al>Het eerste lid, dat is ontleend aan art. 8, eerste lid, eerste volzin,
Wor verplicht de parketvertegenwoordiging een reglement vast te stellen. Daarin
worden uitsluitend regels opgenomen betreffende de onderwerpen waarvan het
onderhavige besluit bepaalt dat zij door de parketvertegenwoordiging moeten
of kunnen worden geregeld (of nader geregeld). De parketvertegenwoordiging
is derhalve niet bevoegd autonome (nadere) regels vast stellen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het tweede lid is ontleend aan art. 8, eerste lid, derde volzin, Wor. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 5</tuskop>
      <al>Deze bepaling is ontleend aan artikel 9, eerste lid, Wor. Anders dan in
artikel 9, tweede en derde lid, Wor bevat dit besluit geen voorschriften omtrent
(de bevoegdheid tot het indienen van) kandidatenlijsten. Wel kan de parketvertegenwoordiging
op grond van artikel 6 in het reglement nadere regels stellen betreffende
de kandidaatstelling. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 6</tuskop>
      <al>Deze bepaling is ontleend aan artikel 10 Wor. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 7</tuskop>
      <al>Deze bepaling is ontleend aan artikel 11 Wor, met dien verstande dat hier
niet wordt gesproken van degenen die kandidatenlijsten hebben ingediend.  </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 8</tuskop>
      <al>Deze bepaling is ontleend aan artikel 12 Wor. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 9</tuskop>
      <al>Deze bepaling is ontleend aan artikel 14 Wor. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikelen 10 en 11</tuskop>
      <al>Artikel 10 (vaste commissies) is ontleend aan artikel 15, tweede lid,
Wor. Artikel 11 (voorbereidingscommissies) is ontleend aan artikel 15, vierde
lid, Wor. Het eerste lid van artikel 15 Wor, dat een algemene bevoegdheid
tot het instellen van commissies bevat, en het derde lid, dat voorziet in
de mogelijkheid van het instellen van onderdeelscommissies, zijn niet overgenomen,
omdat daaraan in de OM-organisatie geen behoefte bestaat. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikelen 12 en 13</tuskop>
      <al>Deze bepalingen zijn ontleend aan artikel 16 Wor. Er is gekozen voor afzonderlijke
artikelen betreffende deskundigen (artikel 12) en het hoofd van het parket
(artikel 13). </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 14</tuskop>
      <al>Deze bepaling is ontleend aan artikel 17, eerste en tweede lid, Wor. Het
derde lid is niet overgenomen, omdat aan een uitdrukkelijke regeling inzake
het behoud van de aanspraak op de bezoldiging in de OM-organisatie geen behoefte
bestaat. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 15</tuskop>
      <al>Deze bepaling bevat, in vereenvoudigde vorm, die onderdelen van artikel
22 Wor waaraan in de OM-organisatie behoefte bestaat. De in artikel 22, tweede
lid, tweede volzin, opgenomen verfijningen zijn niet overgenomen.</al>
      <al>In het derde lid is niet gekozen voor een stelsel waarin het hoofd van
het parket en de ondernemingsraad gezamenlijk het budget vaststellen, maar
voor een – beter in de systematiek van de onderhavige regeling passend –
stelsel waarin het hoofd van het parket daarover beslist, ten aanzien van
welke beslissing aan de parketvertegenwoordiging een instemmingsrecht toekomt
(vgl. art. 24, onderdeel g).</al>
      <al>In vergelijking met de systematiek van de Wor is deze bepaling overigens
naar voren gehaald en geplaatst bij de andere bepalingen over de zogenoemde
faciliteiten voor de parketvertegenwoordiging en haar commissies. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 16</tuskop>
      <al>Deze bepaling bevat, in vereenvoudigde vorm, die onderdelen van artikel
18 Wor waaraan in de OM-organisatie behoefte bestaat. In het bijzonder de
in artikel 18, derde en vierde lid, opgenomen verfijningen zijn niet overgenomen.
Ook is niet gekozen voor een stelsel waarin het hoofd van het parket en de
parketvertegenwoordiging gezamenlijk het aantal uren (onderdeel a) onderscheidenlijk
het aantal dagen (onderdeel b) vaststellen, maar voor een – beter in
de systematiek van de onderhavige regeling passend – stelsel waarin
het hoofd van het parket daarover beslist, ten aanzien van welke beslissing
aan de parketvertegenwoordiging een instemmingsrecht toekomt
(vgl. art. 24, onderdeel h). </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 17</tuskop>
      <al>Deze bepaling, die grotendeels is gebaseerd op artikel 20, eerste, tweede,
vierde en zesde lid, Wor, regelt de geheimhoudingsplicht rondom de vervulling
van de taak van de parketvertegenwoordiging en haar commissies. In plaats
van de hier minder adequate term «zaken- en bedrijfsgeheimen»
(vgl. art. 20, eerste lid, eerste volzin, Wor) wordt in het eerste lid, eerste
volzin, de – ruimere – term «gegevens» (vgl. art.
2:5, eerste lid, Awb) gebruikt. Ook in een ander opzicht is de geheimhoudingsplicht
hier ruimer, omdat zij zich niet alleen mede uitstrekt tot gegevens «in
verband met opgelegde geheimhouding», maar tot alle gegevens waarvan
de betrokkenen «, al dan niet in verband met opgelegde geheimhouding,»
het vertrouwelijke karakter kennen of redelijkerwijs moeten vermoeden. Ook
deze laatste formulering is ontleend aan art. 2:5, eerste lid, Awb.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Art. 20, vijfde lid, Wor is niet overgenomen, omdat artikel 4:16 Awb reeds
voorziet in het daarin bepaalde. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 18</tuskop>
      <al>Deze bepaling is ontleend aan artikel 21, eerste lid, eerste volzin, Wor,
met dien verstande dat hier niet wordt gesproken van kandidatenlijsten. Aan
de overige onderdelen van artikel 21 Wor bestaat in de OM-organisatie geen
behoefte. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 19</tuskop>
      <al>De regeling van de overlegvergadering is ontleend aan artikel 23, eerste
tot en met vierde lid, Wor. De bepaling geeft de parketvertegenwoordiging
onder meer een algemeen adviesrecht en een algemeen recht op overleg jegens
het hoofd van het parket. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 20</tuskop>
      <al>Deze bepaling is ontleend aan artikel 23a, eerste tot en met zesde lid,
tweede volzin, Wor. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 21</tuskop>
      <al>Deze bepaling is ontleend aan artikel 23b Wor. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 22</tuskop>
      <al>Deze bepaling is ontleend aan artikel 31c Wor, met dien verstande dat
de verplichting hier behalve voor instemmingsonderwerpen (vgl. art. 24) ook
geldt als het gaat om adviesonderwerpen (vgl. art. 25). Om systematische redenen
is deze bepaling in vergelijking met de Wor naar voren gehaald. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 23</tuskop>
      <al>Deze bepaling legt, in aanvulling op artikel 19, uitdrukkelijk vast dat
ten minste twee keer per jaar overleg wordt gevoerd over het algemene beleid
van het parket en het door het hoofd van het parket gevoerde en te voeren
beleid.  </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 24</tuskop>
      <al>In het eerste lid wordt aangegeven ten aanzien van welke punten de parketvertegenwoordiging
een instemmingsrecht heeft. Daarbij is gekeken naar de in artikel 27, eerste
lid, Wor opgesomde onderwerpen. Voor zover relevant zijn deze in het onderhavige
artikel – al dan niet in aangepaste vorm – overgenomen. Voor het
merendeel van de niet overgenomen onderwerpen geldt dat zij in de OM-organisatie
niet op het niveau van de afzonderlijke parketten worden geregeld maar dat,
nadat daarover overeenstemming is bereikt met de Sectorcommissie rechterlijke
macht of onder omstandigheden met de Centrale Commissie voor Georganiseerd
Overleg in Ambtenarenzaken, daaromtrent algemeen verbindende voorschriften
zijn en worden vastgesteld. Daarnaast geldt voor enkele onderwerpen (met name
artikel 27, onderdelen a en l, Wor) dat zij in de OM-organisatie niet van
toepassing zijn.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In het tweede lid is neergelegd dat over de in het eerste lid genoemde
door het hoofd van het parket te nemen besluiten overeenstemming moet bestaan
tussen het hoofd van het parket en de parketvertegenwoordiging. Dit overeenstemmingsvereiste
(vgl. art. 13, eerste lid, Wrra) treedt in de plaats van de in artikel 27,
tweede lid, Wor opgenomen geschillenregeling ten aanzien van instemmingsonderwerpen. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 25</tuskop>
      <al>In aanvulling op artikel 19 legt het eerste lid vast dat de parketvertegenwoordiging
een adviesrecht heeft ten aanzien van de twee daarin genoemde onderwerpen.
Onderdeel a is – in iets andere vorm – terug te vinden in een
aantal onderdelen van artikel 25, eerste lid, Wor. Voor het overige lenen
de daarin geregelde onderwerpen zich niet voor opneming in het onderhavige
besluit, hetzij omdat zij zijn toegespitst op een commerciële onderneming
(bij voorbeeld de onderdelen a en b), hetzij omdat zij betrekking hebben op
aangelegenheden die in de OM-organisatie niet aan de orde zijn (bij voorbeeld
de onderdelen f en g).</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het tweede lid is ontleend aan artikel 25, tweede lid, Wor. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 26</tuskop>
      <al>Deze bepaling voorziet in de mogelijkheid van inspraak door de parketvertegenwoordiging
bij de benoeming van het hoofd en het plaatsvervangend hoofd van het parket.
Die inspraak is tweërlei. In het eerste lid wordt het recht toegekend
een profielschets op te stellen. Die profielschets zal worden aangeboden aan
het tot benoeming bevoegde gezag. Het tweede lid verzekert dat de parketvertegenwoordiging
het recht heeft om de bevoegde autoriteit te adviseren omtrent de kandidaten
die meedingen naar de vacante functie. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 27</tuskop>
      <al>Deze bepaling is ontleend aan artikel 28, eerste (bevordering van de naleving
van de voorschriften op het gebied van de rechtspositie en van de veiligheid,
de gezondheid en het welzijn in verband met de werkzaamheden) en tweede (bevordering
van het werkoverleg) lid, Wor. Gelet op het karakter van de OM-organisatie
zijn het tweede element van het tweede lid (bevordering van de overdracht
van bevoegdheden) en het derde lid niet overgenomen. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Deze bepaling brengt tevens tot uitdrukking dat de parketvertegenwoordiging
een eigen verantwoordelijkheid heeft voor de goede gang van zaken bij het
parket. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 28</tuskop>
      <al>Deze bepaling is ontleend aan artikel 31, eerste lid, eerste volzin, Wor.
Zij geeft de parketvertegenwoordiging een algemeen recht op informatie jegens
het hoofd van het parket. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 29</tuskop>
      <al>Deze bepaling bevat een overgangsrechtelijke voorziening die ertoe moet
leiden dat uiterlijk met ingang van de derde maand na de maand waarop dit
besluit in werking treedt, bij elk parket een parketvertegenwoordiging functioneert.
De verantwoordelijkheid daarvoor wordt – overeenkomstig indertijd bij
de invoering van de Wor (vgl. art. 48 Wor) – uitdrukkelijk gelegd bij
het hoofd van het parket, met inspraak van de kiesgerechtigde leden. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 30</tuskop>
      <al>Omdat voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit besluit daarop in de
OM-organisatie feitelijk reeds is geanticipeerd – met name door het
houden van verkiezingen in april 1996 – is in het eerste lid voorzien
in terugwerkende kracht van dit besluit tot 1 april 1996. De in dit besluit
geregelde materie verzet zich niet tegen het verlenen van terugwerkende kracht
daaraan.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Om de in paragraaf 1 van het algemeen deel uiteengezette redenen heeft
de in dit besluit vervatte regeling een tijdelijk karakter. Daarom voorziet
het tweede lid in een horizonbepaling. Gekozen is voor een relatief lange
termijn. Indien de totstandkoming van een geïntegreerde regeling voorspoedig
verloopt, zal deze termijn – door middel van een wijziging van het onderhavige
besluit – worden verkort. </al>
      <minister>
        <minvan>De Minister van Justitie,</minvan>
        <naam>W. Sorgdrager</naam>
      </minister>
    </notatoe>
  </backm>
</staatsbl>