﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<!DOCTYPE staatsbl PUBLIC "-//SDU//DTD staatsblad xml 1.1//NL" "../../dtd/staatsbl-11.dtd"[]>
<staatsbl id="sb996.463" soort="kb" publtype="kobe">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-1996-463/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel status="off">Staatsblad</titel>
    <subtitel>van het Koninkrijk der Nederlanden</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.4" conv="OPmaat" markup="c1xa"></versie>
    <ordernr>6S0457</ordernr>
    <stb>
      <jaargang jaar="1996">Jaargang 1996</jaargang>
      <stbjaar>1996</stbjaar>
      <stbnr>463 </stbnr>
    </stb>
    <intitule>
      <soort>Besluit</soort> van 18 juli 1996, houdende regels betreffende
de verstrekking van geldelijke steun voor projecten ten behoeve van waardevolle
cultuurlandschappen (Besluit projectbijdragen waardevolle cultuurlandschappen)</intitule>
    <aanhef>
      <wie>Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.</wie>
      <consider>
        <al>Op de voordracht van Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij
van 30 maart 1995, No. J. 954110, Directie Juridische Zaken;</al>
        <al>Gelet op <grslag>artikel 89 van de Grondwet</grslag> en <grslag>artikel
185, eerste lid, van de Provinciewet</grslag>;</al>
        <al>De Raad van State gehoord (advies van 31 juli 1995, No. W11.95.0173.);</al>
        <al>Gezien het nader rapport van Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer
en Visserij van 5 juli 1996, No. J. 962147, Directie Juridische Zaken;</al>
      </consider>
      <afkondig>Hebben goedgevonden en verstaan:</afkondig>
    </aanhef>
  </frontm>
  <body>
    <hfdst>
      <kop>
        <nr>HOOFDSTUK 1.</nr>
        <titel status="off">ALGEMEEN </titel>
      </kop>
      <art id="a1">
        <kop>
          <nr>Artikel 1</nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1.</nr>
          <al>In dit besluit wordt verstaan onder:</al>
          <al>a. Onze Minister: Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;</al>
          <al>b. waardevol cultuurlandschap: gebied dat als zodanig door het Rijk is
aangewezen in het Structuurschema Groene Ruimte (Kamerstukken II, 1993–1994,
22 880, nr. 39) en dat als zodanig wordt begrensd in een gebiedsperspectief;</al>
          <al>c. gebiedsperspectief: gebiedsperspectief voor een waardevol cultuurlandschap
als bedoeld in paragraaf 3.1 van het Structuurschema Groene Ruimte;</al>
          <al>d. landbouwbedrijf: geheel van productie-eenheden bestaande uit één
of meer gebouwen of gedeelten daarvan en daarbij behorende landbouwgrond,
uitsluitend of onder meer dienende tot de uitoefening van de landbouw;</al>
          <al>e. bos: terrein, waarop de meldings- en herplantplicht, bedoeld in de
artikelen 2 en 3 Boswet, van toepassing is;</al>
          <al>f. regiodirecteur: regiodirecteur van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer
en Visserij in wiens werkgebied het waardevol cultuurlandschap
waarop de aanvraag betrekking heeft, geheel of grotendeels is gelegen.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2.</nr>
          <al>Onder natuur- en landschapswaarden wordt mede verstaan cultuurhistorische
en aardkundige waarden.</al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a2">
        <kop>
          <nr>Artikel 2</nr>
        </kop>
        <al>Onze Minister maakt jaarlijks in de Staatscourant het totale bedrag bekend
dat hij voor het komende kalenderjaar ter beschikking stelt voor de bijdragen
op grond van dit besluit.</al>
      </art>
      <art id="a3">
        <kop>
          <nr>Artikel 3</nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1.</nr>
          <al>Onze Minister zal op aanvraag een bijdrage verlenen in de kosten van projecten
ten behoeve van een waardevol cultuurlandschap die zijn opgenomen in een op
een gebiedsperspectief gebaseerd jaarprogramma en zijn goedgekeurd door Onze
Minister.</al>
          <al>2. Een project wordt goedgekeurd onder de voorwaarde dat in het jaar volgend
op het jaar waarin het project is goedgekeurd, een aanvang wordt gemaakt met
de uitvoering daarvan.</al>
          <al>3. Wijzigingen in projecten waarvoor de bijdrage is verleend, onderscheidenlijk
uitbreiding van het jaarprogramma met andere projecten waarvoor de bijdrage
wordt aangevraagd, behoeven vooraf de goedkeuring van Onze Minister. De artikelen
8, 9, tweede lid, 10 en 11 zijn van overeenkomstige toepassing.</al>
          <al>4. Indien in een jaar meer projecten worden goedgekeurd dan waarvoor een
bijdrage beschikbaar is, wordt het in artikel 2 bedoelde bedrag zo veel mogelijk
gelijkmatig over de verschillende waardevolle cultuurlandschappen verdeeld.</al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a4">
        <kop>
          <nr>Artikel 4</nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1.</nr>
          <al>Voor goedkeuring komen slechts in aanmerking projecten die strekken tot:</al>
          <al>a. ontwikkeling van duurzame land- of bosbouw in overeenstemming met het
behoud, het herstel en de ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden en
met de recreatieve aantrekkelijkheid van het betreffende gebied;</al>
          <al>b. behoud, herstel of ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden door
versterking van de beheersfunctie van landbouwbedrijven en het beheer van
bossen voor natuur en landschap, dan wel door vergroting van de inpasbaarheid
van natuur- en landschapsbeheer, onderscheidenlijk van de mogelijkheden voor
inkomensvorming uit natuur- en landschapsbeheer, op die bedrijven;</al>
          <al>c. vergroting van de toegankelijkheid en van de belevings- en gebruiksmogelijkheden
van natuur en landschap voor recreanten in overeenstemming met het behoud,
het herstel en de ontwikkeling van de natuur- en landschapswaarden in het
betreffende gebied;</al>
          <al>d. vergroting van de toegankelijkheid en van de belevings- en gebruiksmogelijkheden
van landbouwgronden of bossen voor recreanten;</al>
          <al>e. ontwikkeling van recreatief-toeristische produkten op landbouwbedrijven
en in bossen of tot de vergroting van de mogelijkheden voor inkomensvorming
uit die produkten;</al>
          <al>f. verbetering van de ruimtelijke afstemming tussen de gebiedsfuncties
door zonering van gebruiksfuncties of door andere inrichtingsmaatregelen of</al>
          <al>g. vermindering van de milieubelasting of van de verdroging ter bescherming
van de specifieke waarden van natuur en landschap in het betreffende gebied.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2.</nr>
          <al>Voor goedkeuring komen niet in aanmerking projecten:</al>
          <al>a. die geen of in onvoldoende mate een bijdrage leveren aan het rijksbeleid
zoals dat in het Structuurschema Groene Ruimte ten aanzien van waardevolle
cultuurlandschappen is verwoord;</al>
          <al>b. met de uitvoering waarvan reeds een aanvang is gemaakt, voordat Onze
Minister daaraan goedkeuring heeft verleend, of</al>
          <al>c. die niet uiterlijk in het jaar 2001 kunnen zijn uitgevoerd.</al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a5">
        <kop>
          <nr>Artikel 5</nr>
        </kop>
        <al>Voor een bijdrage op grond van dit besluit komen niet in aanmerking:</al>
        <al>a. de kosten waarin uit anderen hoofde door onze Minister of door het
bestuur van de Stichting Ontwikkelings- en Saneringsfonds voor de Landbouw
een bijdrage kan worden verleend;</al>
        <al>b. exploitatiekosten, kosten van regulier beheer en onderhoud daaronder
begrepen;</al>
        <al>c. kosten verbonden aan het voorbereiden of opstellen van een gebiedsperspectief,
onderscheidenlijk een jaarprogramma als bedoeld in artikel 3;</al>
        <al>d. kosten verbonden aan het verwerven, onderscheidenlijk het compenseren
van waardeverlies, van grond of gebouwen, tenzij die kosten noodzakelijk zijn
voor het aanbrengen van voorzieningen of voor inrichtingsactiviteiten ten
behoeve van een waardevol cultuurlandschap; </al>
        <al>e. overige kosten als gevolg van kapitaalsverliezen en kosten als gevolg
van inkomensverliezen;</al>
        <al>f. kosten verbonden aan de inzet van overheidspersoneel, tenzij de te
verrichten werkzaamheden niet behoren tot de normale werkzaamheden van een
overheid en niet op andere wijze kan worden voorzien in de uitvoering van
de werkzaamheden;</al>
        <al>g. accountantskosten, tenzij deze voor rekening komen van een rechtspersoon
als bedoeld in artikel 7, eerste lid, en uitsluitend voorzover die rechtspersoon
buiten de subsidie op grond van dit besluit geen eigen inkomsten heeft; en</al>
        <al>h. de door de aanvrager van de bijdrage verrekenbare BTW.</al>
      </art>
      <art id="a6">
        <kop>
          <nr>Artikel 6</nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1.</nr>
          <al>De bijdrage, bedoeld in artikel 3, eerste lid, wordt verleend tot een
door Onze Minister jaarlijks vast te stellen maximum bedrag per waardevol
cultuurlandschap voor de realisering van door hem goedgekeurde projecten.
Onze Minister houdt bij de vaststelling van het maximum bedrag rekening met
het bedrag, bedoeld in artikel 2, alsmede met de hoogte van eventuele bijdragen
die in een voorafgaand jaar op grond van dit besluit ten behoeve van het betreffende
waardevolle cultuurlandschap zijn verleend.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2.</nr>
          <al>Indien ten behoeve van een waardevol cultuurlandschap minder projecten
worden goedgekeurd dan waarvoor op grond van het eerste lid een bijdrage beschikbaar
is, wordt het restant van het in het eerste lid bedoelde bedrag zoveel mogelijk
gelijkmatig over de overige waardevolle cultuurlandschappen verdeeld.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>3.</nr>
          <al>Onverminderd het eerste en tweede lid, bedraagt de bijdrage:</al>
          <al>a. voor projecten op het terrein van analyse, voorlichting en bedrijfsdoorlichting
ten hoogste vijfenzeventig procent van de subsidiabele kosten van die projecten;</al>
          <al>b. voor de overige projecten ten hoogste vijftig procent van de subsidiabele
kosten van die projecten.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>4.</nr>
          <al>Onverminderd artikel 5, aanhef en onderdeel a, mag de bijdrage vermeerderd
met bijdragen uit 's Rijks kas die uit andere hoofde dan dit besluit
met hetzelfde oogmerk worden aangewend, niet meer dan vijfenzeventig procent
van het totaal van die kosten bedragen.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>5.</nr>
          <al>In afwijking van het derde en vierde lid, bedraagt de bijdrage voor projecten
die investeringen ten behoeve van landbouwbedrijven inhouden, ten hoogste
dertig procent van de subsidiabele kosten van die projecten. De bijdrage mag,
vermeerderd met bijdragen uit 's Rijks kas als bedoeld in het derde lid, niet
meer dan voornoemd percentage van de subsidiabele kosten van die projecten
bedragen.</al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a7">
        <kop>
          <nr>Artikel 7</nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1.</nr>
          <al>Een aanvraag om een bijdrage wordt ingediend door de provincie of een
daartoe door de provincie in het gebiedsperspectief aangewezen rechtspersoon.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2.</nr>
          <al>Een laatste aanvraag kan worden ingediend vóór 1 oktober
2000.</al>
        </lid>
      </art>
    </hfdst>
    <hfdst>
      <kop>
        <nr>HOOFDSTUK 2.</nr>
        <titel status="off">DE AANVRAAG, DE VERLENING, DE VASTSTELLING EN DE UITBETALING </titel>
      </kop>
      <art id="a8">
        <kop>
          <nr>Artikel 8</nr>
        </kop>
        <al>Een aanvraag om een bijdrage wordt gericht aan Onze Minister en ingediend
bij de regiodirecteur.</al>
      </art>
      <art id="a9">
        <kop>
          <nr>Artikel 9</nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1.</nr>
          <al>Een aanvraag om een bijdrage wordt vóór 1 oktober voorafgaande
aan het kalenderjaar waarop de aanvraag betrekking heeft, ingediend.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2.</nr>
          <al>De aanvraag gaat vergezeld van:</al>
          <al>a. een jaarprogramma als bedoeld in artikel 3, bevattende een beschrijving
van projecten onder vermelding van het te verwachten resultaat;</al>
          <al>b. een begroting van de met de in het jaarprogramma opgenomen projecten
gemoeide kosten;</al>
          <al>c. een document waarin de financieringswijze van de in het jaarprogramma
opgenomen projecten is aangegeven;</al>
          <al>d. een kasraming per project, waarin de fasering in de uitvoering van
het betreffende project is aangegeven.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>3.</nr>
          <al>De in het tweede lid, onderdelen b tot en met d, bedoelde bescheiden hebben
slechts betrekking op de projecten waarvoor een bijdrage op grond van dit
besluit wordt aangevraagd.</al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a10">
        <kop>
          <nr>Artikel 10</nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1.</nr>
          <al>Onze Minister geeft een beschikking op de aanvraag.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2.</nr>
          <al>Een beschikking tot verlening van de bijdrage bevat:</al>
          <al>a. een omschrijving van de projecten waaraan Onze Minister goedkeuring
verleent;</al>
          <al>b. per project een vermelding van het bedrag waarop de bijdrage ten hoogste
kan worden vastgesteld.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>3.</nr>
          <al>Voorzover de bijdrage wordt verleend ten laste van de begroting die nog
niet is vastgesteld of goedgekeurd, wordt zij verleend onder de voorwaarde
dat voldoende gelden ter beschikking worden gesteld.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>4.</nr>
          <al>Aan de beschikking kunnen voorschriften worden verbonden.</al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a11">
        <kop>
          <nr>Artikel 11</nr>
        </kop>
        <al>Onze Minister kan op verzoek voorschotten verlenen tot een totaal van
ten hoogste tachtig procent van het in de beschikking tot verlening van de bijdrage vermelde maximumbedrag aan de hand van de stand van de werkzaamheden.</al>
      </art>
      <art id="a12">
        <kop>
          <nr>Artikel 12</nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1.</nr>
          <al>Vóór 15 september van het jaar volgend op het kalenderjaar
waarop de bijdrage betrekking heeft, dient de aanvrager aan wie de bijdrage
is verleend, een aanvraag tot vaststelling van de bijdrage, het jaarverslag
en de jaarrekening over bedoeld kalenderjaar in.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2.</nr>
          <al>Het jaarverslag bevat een overzicht van de in het afgelopen jaar verrichte
werkzaamheden en getroffen maatregelen en de resultaten daarvan, mede in relatie
tot de aanvraag.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>3.</nr>
          <al>De jaarrekening bevat ten minste:</al>
          <al>a. de baten en lasten volgens de begroting;</al>
          <al>b. een staat van de werkelijke baten en lasten en een toelichting daarop;</al>
          <al>c. een overzicht van de baten en lasten van het voorafgaande jaar;</al>
          <al>d. een specificatie van de per project uitgevoerde werkzaamheden en de
daarmee verband houdende kosten alsmede van de eventuele opbrengsten en bijdragen.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>4.</nr>
          <al>Het geven van inzicht geschiedt op zodanige wijze dat een verantwoord
oordeel kan worden gevormd omtrent de grootte en samenstelling van het vermogen,
alsmede van baten en lasten van de aanvrager aan wie de bijdrage is verleend.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>5.</nr>
          <al>De jaarrekening gaat vergezeld van een verklaring omtrent de getrouwheid
afgegeven door een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van
Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>6.</nr>
          <al>De accountant verklaart tevens schriftelijk omtrent de naleving van het
bij of krachtens dit besluit bepaalde.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>7.</nr>
          <al>In afwijking van het eerste tot en met vijfde lid, kan in het geval de
aanvrager aan wie de bijdrage is verleend, een gemeente of provincie betreft,
worden volstaan met het overleggen van de volgende bescheiden:</al>
          <al>a. de in artikel 197 van de Gemeentewet, onderscheidenlijk artikel 201
van de Provinciewet, bedoelde verslagen;</al>
          <al>b. een jaarverslag als bedoeld in het tweede lid.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>8.</nr>
          <al>Onze Minister kan een protocol voorschrijven dat door de aanvrager aan
wie de bijdrage is verleend, aan de accountant ter hand wordt gesteld, die
controleert met inachtneming van het protocol.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>9.</nr>
          <al>Uitgezonderd in het geval, bedoeld in het zesde lid, kan Onze Minister
richtlijnen vaststellen ten aanzien van de wijze waarop het jaarverslag en
de jaarrekening worden opgesteld.</al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a13">
        <kop>
          <nr>Artikel 13</nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1.</nr>
          <al>Na ontvangst van de stukken, bedoeld in artikel 12, geeft Onze Minister
een beschikking tot vaststelling van de bijdrage, met inachtneming van hetgeen
bij de beschikking op de aanvraag om de bijdrage of bij een beschikking houdende
gedeeltelijke intrekking van die beschikking is bepaald.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2.</nr>
          <al>De beschikking tot vaststelling van de bijdrage vermeldt het bedrag van
de bijdrage.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>3.</nr>
          <al>Het bedrag wordt binnen vier weken na de vaststelling van de bijdrage
betaald. </al>
        </lid>
      </art>
    </hfdst>
    <hfdst>
      <kop>
        <nr>HOOFDSTUK 3.</nr>
        <titel status="off">INTREKKING, WIJZIGING EN TERUGVORDERING </titel>
      </kop>
      <art id="a14">
        <kop>
          <nr>Artikel 14</nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1.</nr>
          <al>Zolang de bijdrage niet is vastgesteld kan Onze Minister de beschikking
tot bijdrageverlening intrekken of ten nadele van de aanvrager aan wie de
bijdrage is verleend, wijzigen, indien:</al>
          <al>a. de projecten waarvoor de bijdrage is verleend niet of niet geheel zijn
uitgevoerd of zullen worden uitgevoerd;</al>
          <al>b. de aanvrager niet heeft voldaan aan de bijdrage verbonden verplichtingen;</al>
          <al>c. de aanvrager onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de
verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking tot
bijdrageverlening zou hebben geleid;</al>
          <al>d. de verlening van de bijdrage anderszins onjuist was en de aanvrager
dit wist of behoorde te weten, of</al>
          <al>e. met toepassing van artikel 10, derde lid, een beroep wordt gedaan op
de voorwaarde dat voldoende gelden ter beschikking worden gesteld.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2.</nr>
          <al>De intrekking of wijziging werkt terug tot en met het tijdstip waarop
de bijdrage is verleend, tenzij bij de intrekking of wijziging anders is bepaald.</al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a15">
        <kop>
          <nr>Artikel 15</nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1.</nr>
          <al>Zolang de bijdrage niet is vastgesteld kan Onze Minister de beschikking
tot bijdrageverlening met inachtneming van een redelijke termijn intrekken
of ten nadele van de aanvrager aan wie de bijdrage is verleend, wijzigen:</al>
          <al>a. voor zover de subsidieverlening onjuist is;</al>
          <al>b. voor zover veranderde omstandigheden of gewijzigde inzichten zich in
overwegende mate tegen voortzetting of ongewijzigde voortzetting van de subsidie
verzetten.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2.</nr>
          <al>Bij intrekking of wijziging op grond van het eerste lid, onderdeel b,
vergoedt Onze Minister de schade die de aanvrager lijdt, doordat hij in vertrouwen
op de bijdrage anders heeft gehandeld dan hij zonder bijdrage zou hebben gedaan.</al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a16">
        <kop>
          <nr>Artikel 16</nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1.</nr>
          <al>Onze Minister kan de beschikking tot vaststelling van de bijdrage intrekken
of ten nadele van de aanvrager aan wie de bijdrage is verleend, wijzigen:</al>
          <al>a. op grond van feiten of omstandigheden waarvan hij bij de vaststelling
van de bijdrage redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn en op grond waarvan
de bijdrage lager dan overeenkomstig de verlening van de bijdrage zou zijn
vastgesteld;</al>
          <al>b. indien de vaststelling van de bijdrage onjuist was en de aanvrager
dit wist of behoorde te weten, of</al>
          <al>c. indien de aanvrager na de vaststelling van de bijdrage niet heeft voldaan
aan de aan de bijdrage verbonden verplichtingen.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2.</nr>
          <al>De intrekking of wijziging werkt terug tot en met het tijdstip waarop
de bijdrage is vastgesteld, tenzij bij de intrekking of wijziging anders is
bepaald.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>3.</nr>
          <al>De vaststelling van een bijdrage kan niet meer worden ingetrokken of ten
nadele van de aanvrager worden gewijzigd indien vijf jaren zijn verstreken
sedert de dag waarop zij is bekend gemaakt dan wel in het geval, bedoeld in
het eerste lid, onderdeel c, sedert de dag waarop de handeling in strijd met
de verplichting is verricht of de dag waarop aan de verplichting had moeten
zijn voldaan. </al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a17">
        <kop>
          <nr>Artikel 17</nr>
        </kop>
        <al>Onverschuldigd betaalde bedragen en voorschotten kunnen worden teruggevorderd
voorzover na de dag waarop de bijdrage is vastgesteld, dan wel een handeling
als bedoeld in artikel 16, eerste lid, heeft plaatsgevonden, nog geen vijf
jaren zijn verstreken.</al>
      </art>
    </hfdst>
    <hfdst>
      <kop>
        <nr>HOOFDSTUK 4.</nr>
        <titel status="off">OVERIGE VOORSCHRIFTEN EN VERPLICHTINGEN </titel>
      </kop>
      <art id="a18">
        <kop>
          <nr>Artikel 18</nr>
        </kop>
        <al>De aanvrager aan wie de bijdrage is verleend, is verplicht:</al>
        <al>a. projecten overeenkomstig de goedkeuring van Onze Minister uit te voeren
of uit te doen voeren uiterlijk in het jaar 2001;</al>
        <al>b. voorzover de aanvrager geen provincie of gemeente betreft, tijdig tevoren
van het feit dat hij zal worden ontbonden, aan de regiodirecteur schriftelijk
mededeling te doen.</al>
      </art>
      <art id="a19">
        <kop>
          <nr>Artikel 19</nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1.</nr>
          <al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens dit
besluit zijn belast door Onze Minister aan te wijzen ambtenaren in dienst
van het Rijk alsmede andere door Onze Minister aan te wijzen personen.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2.</nr>
          <al>De aanvrager aan wie de bijdrage is verleend, is verplicht de in het eerste
lid bedoelde ambtenaren en andere personen, voorzover zij met het toezicht,
bedoeld in dat lid, zijn belast:</al>
          <al>a. inzage te geven in alle tot hem behorende boeken en bescheiden die
naar het oordeel van die personen in verband met de verlening van de bijdrage
redelijkerwijs van betekenis worden geacht;</al>
          <al>b. toegang te verlenen tot alle plaatsen waar de in onderdeel a bedoelde
stukken zich kunnen bevinden;</al>
          <al>c. voor het overige alle medewerking te geven en alle door hen gevraagde
inlichtingen te verstrekken.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>3.</nr>
          <al>Het tweede lid is niet van toepassing ingeval de aanvrager een gemeente
of provincie betreft.</al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a20">
        <kop>
          <nr>Artikel 20</nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1.</nr>
          <al>Ingeval een rechtspersoon aan wie de bijdrage is verleend, wordt ontbonden,
gaan de rechten en verplichtingen, voortvloeiend uit dit besluit, over op
de provincie in wier werkgebied het waardevol cultuurlandschap geheel of grotendeels
is gelegen.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2.</nr>
          <al>In afwijking van het eerste lid, kan Onze Minister toestaan dat de rechten
en verplichtingen, voortvloeiend uit dit besluit, overgaan op de rechtsopvolger
onder bijzondere titel, indien die rechtsopvolger rechtspersoon is en zich
schriftelijk bereid heeft verklaard hiermee in te stemmen, alsmede gedeputeerde
staten van de provincie, bedoeld in het eerste lid, hiermee hebben ingestemd.</al>
        </lid>
      </art>
    </hfdst>
    <hfdst>
      <kop>
        <nr>HOOFDSTUK 5.</nr>
        <titel status="off">SLOTBEPALINGEN </titel>
      </kop>
      <art id="a21">
        <kop>
          <nr>Artikel 21</nr>
        </kop>
        <al>Drie jaar na inwerkingtreding en voorts iedere drie jaar wordt een verslag
gepubliceerd over de doeltreffendheid en de effecten van de bijdrage in de
praktijk. </al>
      </art>
      <art id="a22">
        <kop>
          <nr>Artikel 22</nr>
        </kop>
        <al>Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte
van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en vervalt op een bij koninklijk
besluit te bepalen tijdstip.</al>
      </art>
      <art id="a23">
        <kop>
          <nr>Artikel 23</nr>
        </kop>
        <al>Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit projectbijdragen waardevolle
cultuurlandschappen.</al>
      </art>
    </hfdst>
  </body>
  <backm>
    <nawerk>
      <slotform>Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota
van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.</slotform>
      <histnoot>
        <al>Het advies van de Raad van State is openbaar gemaakt door terinzagelegging
bij het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij.</al>
        <al>Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage gelegde stukken worden
opgenomen in het bijvoegsel bij de Staatscourant van 8 oktober 1996, nr. 194.</al>
      </histnoot>
      <ondertek>
        <ondplts>Tavarnelle, </ondplts>
        <onddatum>18 juli 1996</onddatum>
        <koning>Beatrix </koning>
        <minister>
          <minvan>De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,</minvan>
          <naam>J. J. van Aartsen</naam>
        </minister>
      </ondertek>
      <uitgifte>
        <uitgifte-regel>Uitgegeven de <nadruk type="cur">zeventiende</nadruk> september 1996</uitgifte-regel>
        <uitdag>zeventiende</uitdag>
        <uitmaand>september</uitmaand>
        <uitjaar>1996</uitjaar>
        <door>
          <minvan>De Minister van Justitie,</minvan>
          <naam>W. Sorgdrager </naam>
        </door>
      </uitgifte>
    </nawerk>
    <notatoe>
      <kop>
        <titel status="off">NOTA VAN TOELICHTING </titel>
      </kop>
      <tuskop letat="vet">ALGEMEEN</tuskop>
      <al>Onderhavig besluit vloeit voort uit het Structuurschema Groene Ruimte
(Kamerstukken II, 1993–1994, 22 880, nr. 39).</al>
      <al>Het besluit voorziet in een formele grondslag voor de verlening van bijdragen
aan projecten ten behoeve van waardevolle cultuurlandschappen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Waardevolle cultuurlandschappen zijn gebieden met belangrijke natuur-
en landschapswaarden en grote cultuurhistorische en aardkundige betekenis,
die tevens recreatief-toeristisch aantrekkelijk zijn.</al>
      <al>De landbouw en soms ook de bosbouw spelen in deze gebieden als economische
drager en als beheerder van de hiervoor genoemde waarden een belangrijke rol.
De functies zijn vaak sterk verweven. Er is sprake van onderlinge beïnvloeding
en afhankelijkheid, hetgeen kan leiden tot spanning tussen de functies, met
name tussen landbouw, natuur en landschap.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Op grond van de criteria, genoemd in onderdeel 3.1. van het Structuurschema
Groene Ruimte (SGR), is een selectie van de waardevolle cultuurlandschappen
gemaakt.</al>
      <al>De criteria uit het SGR hebben enerzijds betrekking op de hierboven genoemde
kenmerken.</al>
      <al>Anderzijds is sprake van een koppeling met een aantal andere beleidscategorieën
in het landelijk gebied, te weten:</al>
      <al>– gebieden met blauwe en/of groene koersaanduiding volgens de Koersbepaling
Landelijke Gebieden, zoals aangegeven in de Vierde nota ruimtelijke ordening
extra (Kamerstukken II, 1990–1991, 21 897, nr. 6);</al>
      <al>– gebieden behoud en herstel bestaande landschapskwaliteit, zoals
aangegeven in het SGR;</al>
      <al>– recreatief-toeristische gebieden zoals aangegeven in het SGR;</al>
      <al>– ecologische hoofdstructuur, zoals aangegeven in het Natuurbeleidsplan
(Kamerstukken II, 1989–1990, 21 149, nr. 3) en het SGR.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De selectie heeft geleid tot aanwijzing in het SGR door het Rijk van de
volgende gebieden:</al>
      <al>– Zuidwest-Friesland</al>
      <al>– Noord-Drenthe</al>
      <al>– Vecht-Regge</al>
      <al>– Noordoost-Twente</al>
      <al>– Graafschap</al>
      <al>– Winterswijk</al>
      <al>– Veluwe</al>
      <al>– Waterland</al>
      <al>– Zak van Zuid-Beveland</al>
      <al>– Midden-Brabant</al>
      <al>– Midden-Limburg</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De natuur- en landschapswaarden, de recreatieve ontwikkelingsmogelijkheden
alsmede de omstandigheden en structuur ten aanzien van de landbouw zijn in
de aangewezen gebieden zeer verschillend. Het zijn juist deze verschillen
die de betreffende gebieden een eigen karakter geven.</al>
      <al>Voor een effectief beleid dat steunt op een breed draagvlak in de gebieden,
is daarom maatwerk nodig, met aktieve deelname en inbreng van de betrokkenen
en hun organisaties in de aangewezen gebieden en een goede onderlinge samenwerking. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Maatwerk vraagt aandacht voor veel facetten. Het beleid is erop gericht
om antwoorden te bieden op de problemen die in de aangewezen gebieden worden
gesignaleerd. De oplossingen zullen uiteenlopend van aard zijn, niet alleen
omdat rekening dient te worden gehouden met de van gebied tot gebied verschillende
fysische omstandigheden, maar ook omdat de economische perspectieven van de
aanwezige bedrijfstakken verschillen en sociaal-culturele factoren, zoals
bijvoorbeeld verschillen in bedrijfsstijlen, een grote rol spelen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De sleutel voor succes van deze werkwijze ligt in de eerste plaats in
handen van de overheden (met name van het Rijk en van de provincie). Zij dienen
een beleidskader aan te reiken dat inzicht biedt in de doelstellingen en middelen
van beleid en dat voldoende beleidsruimte en flexibiliteit bevat om de door
de regio's gesignaleerde problemen op te lossen, onder meer door ondersteuning
van projecten die voor een bijdrage in aanmerking komen op grond van dit besluit.
In de tweede plaats dienen de betrokken overheden, bedrijfsleven, organisaties
en bewoners in het betreffende gebied met inachtneming van het beleidskader
de geboden beleidsruimte om te zetten in concrete maatregelen die bijdragen
aan de beleidsdoelstellingen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De rijksoverheid geeft het beleidskader op hoofdlijnen aan. De hoofdlijnen
worden gevormd door het SGR en de daaraan ten grondslag liggende sectornota's,
zoals het Natuurbeleidsplan, de Nota Kiezen voor Recreatie (Kamerstukken II,
1992–1993, 22 990, nr. 2) en de Structuurnota Landbouw (Kamerstukken
II, 1989–1990, 21 148, nrs. 2–3).</al>
      <al>Hiervoor zijn de doelstellingen van het rijksbeleid voor de waardevolle
cultuurlandschappen, zoals vastgelegd in het SGR, weergegeven.</al>
      <al>De provincies werken dit algemene beleidskader uit in het gebiedsperspectief.
Daarin worden mede op basis van provinciale beleidsplannen, zoals het streekplan,
voor de betreffende gebieden de ontwikkelingsmogelijkheden en te ondernemen
activiteiten geschetst.</al>
      <al>Het gebiedsperspectief kan tevens een functie vervullen voor andere vormen
van gebiedsgericht beleid die op hetzelfde gebied betrekking hebben, zoals
bijvoorbeeld projecten op het terrein van de ruimtelijke ordening en van het
milieu. Daardoor kunnen de ontwikkelingen op de verschillende beleidsterreinen
in de betreffende gebieden goed worden afgestemd.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Naast het formuleren van het beleidskader op hoofdlijnen vervult de rijksoverheid
een ondersteunende rol ten aanzien van de andere overheden, het bedrijfsleven,
en de organisaties en de bewoners in de aangewezen gebieden. Initiatieven
uit die gebieden kunnen worden ondersteund met kennis, een op het betreffende
gebied toegesneden beleid, de inzet van bestaande instrumenten, bijvoorbeeld
landinrichting en stimuleringsregelingen zoals het Besluit structuurverbetering
landbouwbedrijven en de Complementaire regeling voor investeringen in landbouwbedrijven,
en het beschikbaar stellen van geld voor de uitvoering van projecten ten behoeve
van waardevolle cultuurlandschappen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Onderhavig besluit stelt regels ten aanzien van toekenning van bijdragen
van rijkswege voor de betreffende gebieden. Gelet op het gebiedsgerichte karakter
van het beleid voor de waardevolle cultuurlandschappen en de intentie om realisatie
van de doelstellingen zo veel mogelijk te baseren op initiatieven vanuit de
gebieden, is in dit besluit binnen het aangegeven beleidskader zoveel mogelijk
ruimte gelaten voor gebiedsspecifieke invulling. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Dit betekent concreet dat na instemming met het gebiedsperspectief vanuit
het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij in beginsel de bereidheid
bestaat om met inachtneming van hetgeen in dit besluit is bepaald, projectvoorstellen
die bijdragen aan de realisatie van het gebiedsperspectief te ondersteunen.
De provincie dan wel een andere in het gebiedsperspectief aangewezen rechtspersoon
dient er derhalve voor zorg te dragen dat de projectvoorstellen passen binnen
het gebiedsperspectief.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Uitgangspunt daarbij is in beginsel een gelijke verdeling van het totale
van rijkswege beschikbare budget voor de waardevolle cultuurlandschappen over
de periode van 1996 tot en met 2001. Dit uitgangspunt komt onder meer tot
uitdrukking in artikel 3, vierde lid. In eerste instantie zullen voor de toekenning
van de bijdrage echter de voor de waardevolle cultuurlandschappen ingediende
projecten de basis vormen. De minister stelt jaarlijks de bijdrage ten behoeve
van een waardevol cultuurlandschap op een maximum-bedrag vast voor de realisering
van door hem goedgekeurde projecten (artikel 6, eerste lid).</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De situatie kan zich voordoen dat in een bepaald jaar het voor de goedgekeurde
projecten ten behoeve van een waardevol cultuurlandschap begrote bedrag lager
is dan het bedrag per waardevol cultuurlandschap bij een gelijke verdeling
over de elf gebieden die als waardevol cultuurlandschap zijn aangewezen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In dat geval zal de minister het verschil tussen beide bedragen verdelen
over de andere waardevolle cultuurlandschappen waarvoor het met de uitvoering
van de goedgekeurde projecten gemoeide bedrag hoger ligt dan het bedrag bij
een gelijke verdeelsleutel (artikel 6, tweede lid).</al>
      <al>In het jaar volgend op het jaar waarin zich bovenstaande situatie heeft
voorgedaan, zal bij de vaststelling van de nieuwe verdeelsleutel de achterstand
die ten aanzien van de besteding van de rijksmiddelen in een waardevol cultuurlandschap
ten opzichte van andere waardevolle cultuurlandschappen is opgelopen, in aanmerking
worden genomen. De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij zal hierover
jaarlijks in overleg treden met de provinciebesturen.</al>
      <al>De afrekening vindt uiteindelijk plaats op basis van de totale subsidiabele
kosten verbonden aan de hoeveelheid uitgevoerde werkzaamheden tot en met een
van tevoren voor dat jaar door de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij
vastgesteld maximum.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Aangezien de bijdragen op grond van onderhavig besluit onder meer aan
provincies en gemeenten kunnen worden verstrekt, kan er in het kader van dit
besluit sprake zijn van de verstrekking van specifieke uitkeringen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Artikel 185 van de Provinciewet schrijft voor dat specifieke uitkeringen
bij of krachtens de wet worden geregeld. Als uitzondering hierop geldt dat
specifieke uitkeringen die door de aard van het betrokken onderwerp een tijdelijk
karakter hebben, bij algemene maatregelen van bestuur worden geregeld.</al>
      <al>Het onderwerp in het onderhavige besluit is het voor een korte periode
verstrekken van bijdragen aan projecten ten behoeve van waardevolle cultuurlandschappen
teneinde een veranderingsproces op gang te brengen, waarmee de perspectieven
voor een duurzame ontwikkeling in die gebieden worden vergroot. Het onderwerp
van het besluit heeft derhalve een tijdelijk karakter.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Overeenkomstig het bepaalde in de Provinciewet ten aanzien van specifieke
uitkeringen, heeft over de inhoud van dit besluit overleg plaatsgevonden
met vertegenwoordigers van de Minister van Binnenlandse Zaken en de Minister
van Financiën.</al>
      <al>Daarnaast zijn vertegenwoordigers van de provincies bij de voorbereiding
van dit besluit betrokken.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Tevens is het besluit krachtens artikel 93, derde lid, van het EG-Verdrag
als steunmaatregel aangemeld bij de Commissie van de Europese Gemeenschappen.
Deze heeft bij besluit van 10 januari 1996 haar goedkeuring aan het besluit
gehecht. </al>
      <tuskop letat="vet">ARTIKELSGEWIJS </tuskop>
      <tuskop letat="vet">Artikel 1</tuskop>
      <al>In het SGR vraagt het Rijk de provincies om voor elk waardevol cultuurlandschap
een gebiedsperspectief te (doen) opstellen.</al>
      <al>Het doel van een gebiedsperspectief is dat de betrokkenen in de regio
een gemeenschappelijk toekomstbeeld voor het gebied schetsen. Het gebiedsperspectief
dient als kader voor de uitvoering van activiteiten die zijn gericht op behoud
en versterking van de gebiedsspecifieke kwaliteiten in samenhang met een duurzame
land- en bosbouw en op vermindering van de spanningen tussen de gebiedsfuncties.</al>
      <al>In het SGR is aangegeven aan welke minimum-eisen een gebiedsperspectief
moet voldoen.</al>
      <al>Het dient ten minste het volgende te bevatten:</al>
      <witreg></witreg>
      <al>– een begrenzing van het gebied;</al>
      <al>– een visie op de gewenste ontwikkeling van het gebied voor de eerstkomende
vijf à tien jaren;</al>
      <al>– een activiteitenplan;</al>
      <al>– een globale raming van de uitvoeringskosten in de eerstkomende
vijf jaren.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Voorts zal het gebiedsperspectief in overeenstemming moeten zijn met de
hoofdlijnen van het rijksbeleid voor waardevolle cultuurlandschappen zoals
die in het SGR zijn verwoord. </al>
      <tuskop letat="vet">Artikel 2</tuskop>
      <al>In het SGR is het voornemen opgenomen voor de uitvoering van het beleid
voor waardevolle cultuurlandschappen voor de periode 1995 tot en met 1998
een budget beschikbaar te stellen van f 25 mln per jaar (Kamerstukken
II, 1993–1994, 22 880, nr. 5, blz. 26 en nr. 6, blz. 2). Echter
in het kader van het Regeerakkoord (Kamerstukken II, 1993–1994, 23 175,
nr. 11) is besloten het totale bedrag uit te spreiden over acht jaar. De Minister
van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij stelt het jaarlijks beschikbare budget
vast. Het is uiteraard uiteindelijk de wetgever die het budget autoriseert
dat voor de uitvoering van dat beleid in een gegeven jaar beschikbaar zal
zijn. In 1994 en 1995 is reeds geld beschikbaar gesteld voor de waardevolle
cultuurlandschappen. In het totaal is er derhalve gedurende acht jaar een
budget beschikbaar voor waardevolle cultuurlandschappen.</al>
      <al>Voor de goede orde merk ik hierbij op, dat een deel van de beschikbare
middelen zal worden aangewend voor ondersteunend onderzoek, consultaties en
ondersteunende procesgelden.  </al>
      <tuskop letat="vet">Artikel 3</tuskop>
      <al>Voor het verkrijgen van een bijdrage op grond van onderhavig besluit,
is een gebiedsperspectief een vereiste (zie artikel 3, eerste lid).</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De situatie kan zich ook voordoen dat voor een volgend kalenderjaar in
totaal voor een lager bedrag aan projecten is goedgekeurd dan het totaal budget
dat van rijkswege voor dat jaar beschikbaar is.</al>
      <al>Artikel 3, derde lid, biedt de mogelijkheid om een jaarprogramma in de
loop van een kalenderjaar te wijzigen of uit te breiden met andere projecten
waarvoor een bijdrage wordt aangevraagd. Een verzoek daartoe geschiedt op
overeenkomstige wijze als het indienen van een aanvraag voor een bijdrage.</al>
      <al>De minister zal geen goedkeuring verlenen, indien het betreffende verzoek
tevens een verzoek om een verhoging van de voor dat jaar reeds toegekende
bijdrage omvat, en het rijksbudget voor waardevolle cultuurlandschappen voor
het betreffende jaar – gelet op de reeds aangegane financiële verplichtingen –
is uitgeput. </al>
      <tuskop letat="vet">Artikel 4</tuskop>
      <al>Het rijksbeleid voor waardevolle cultuurlandschappen is gericht op behoud
en versterking van de bijzondere kwaliteiten van de bedoelde gebieden in samenhang
met een duurzame land- en bosbouw en het verminderen van de spanning tussen
de functies van land- en bosbouw, natuur, landschap en recreatie. Met dit
beleid wordt beoogd het beleid voor de sectoren landbouw, bosbouw, natuur,
landschap en recreatie te ondersteunen en aan te vullen, met name vanwege
de samenhang die er in de aangewezen gebieden tussen deze sectoren bestaat.</al>
      <al>Dit vergt een geïntegreerde en op het gebied toegesneden beleidsaanpak.</al>
      <al>De hierboven aangegeven doelstelling bestaat, toegespitst op de samenhang
tussen de sectoren, uit de volgende componenten:</al>
      <witreg></witreg>
      <al>– ontwikkeling van de ecologische hoofdstructuur, inclusief de verbindingszones,
en de bosuitbreidingen in samenhang met behoud en herstel van de karakteristiek
en de identiteit van het landschap;</al>
      <al>– vergroting van de toegankelijkheid en de belevings- en gebruiksmogelijkheden
van natuur, bos en landschap voor recreanten in samenhang met behoud en ontwikkeling
van natuur- en landschapswaarden;</al>
      <al>– versterking van de beheersfunctie van de landbouw voor natuur
en landschap, herstel en ontwikkeling van een samenhangende landschapsstructuur
en van algemene natuurwaarden in combinatie met duurzame landbouw en vergroting
van de mogelijkheden van inkomensvorming uit natuur- en landschapsbeheer;</al>
      <al>– vergroting van de toegankelijkheid en het recreatief gebruik van
het agrarisch gebied en ontwikkeling van het recreatief-toeristisch product
op landbouwbedrijven.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De minister toetst de aan hem voorgelegde projectvoorstellen aan dit besluit.
De projectvoorstellen dienen een concrete vertaling van het gebiedsperspectief
te vormen dat voor het betreffende gebied is opgesteld en waarmee de Minister
van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij heeft ingestemd.</al>
      <al>Na instemming door de minister fungeert het gebiedsperspectief als gemeenschappelijk
beleidskader van Rijk en provincie voor de ondersteuning van projecten. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>In artikel 4, tweede lid, onderdeel a, is bepaald dat projecten in voldoende
mate een bijdrage moeten leveren aan de realisering van het rijksbeleid zoals
dat in het SGR ten aanzien van waardevolle cultuurlandschappen is verwoord.</al>
      <al>De minister kan onder andere projectvoorstellen afkeuren, indien naar
zijn oordeel voorstellen in die mate overeenkomsten vertonen met andere ten
behoeve van het betreffende waardevol cultuurlandschap reeds uitgevoerde werkzaamheden,
dat het totaal van de ten behoeve van dat gebied uit te voeren werkzaamheden
te eenzijdig van aard dreigt te worden en de realisatie van het SGR daardoor
gevaar loopt. Dit is in het bijzonder het geval indien projectvoorstellen
in onvoldoende mate bijdragen aan de realisatie van de taakstelling in het
SGR dat ten minste zestig procent van de rijksmiddelen uit het voor de waardevolle
cultuurlandschappen beschikbare budget wordt ingezet ten behoeve van de heroriëntatie
van de landbouw. </al>
      <tuskop letat="vet">Artikel 5</tuskop>
      <al>In artikel 5 is bepaald welke kosten niet subsidiabel zijn. Met het in
onderdeel a bepaalde wordt beoogd te voorkomen dat dit besluit leidt tot vervanging
van andere ten behoeve van het betreffende gebied bestaande mogelijkheden
voor ondersteuning voor zover deze mogelijkheden redelijkerwijs binnen de
termijn waarop dit besluit betrekking heeft (periode tot en met 2001), worden
geboden. Ten aanzien van het instrument landinrichting houdt dat in dat, indien
in het betreffende gebied geen landinrichtingsproject in uitvoering is en
dat naar verwachting ook niet eerder dan in het jaar 2002 het geval zal zijn,
voor bepaalde inrichtingswerken die gewoonlijk in het kader van landinrichtingsprojecten
worden uitgevoerd op grond van dit besluit een bijdrage kan worden verleend.</al>
      <al>Indien echter in het kader van de beleidsvorming van een waardevol cultuurlandschap
door de betreffende provincie wordt geconstateerd dat op grote schaal inrichtingswerken
gewenst zijn, ligt het – gelet op het</al>
      <al>SGR – in de rede dat in het gebiedsperspectief de behoefte aan inzet
van het landinrichtingsinstrumentarium wordt uiteengezet en de gewenste inrichtingswerken
in het kader van een landinrichtingsproject worden gerealiseerd.</al>
      <al>Met het in onderdeel f bepaalde wordt beoogd te voorkomen dat de bijdragen
op grond van dit besluit worden aangewend ter ondersteuning van taken die
beschouwd kunnen worden als behorende tot de normale werkzaamheden van andere
overheden, zoals provincies, gemeenten en waterschappen. Niet tot de normale
werkzaamheden van de overheid behoren de kosten die specifiek met het oog
op het beleid voor waardevolle cultuurlandschappen worden gemaakt. Dit betreft
kosten voor ondersteunend onderzoek en consultaties alsmede ondersteunende
procesgelden. </al>
      <tuskop letat="vet">Artikel 6</tuskop>
      <al>Op grond van het eerste lid wordt ieder jaar per waardevol cultuurlandschap
een maximumbedrag voor de realisering van goedgekeurde projecten vastgesteld.
Uitgangspunt daarbij is, dat dit maximumbedrag voor ieder waardevol cultuurlandschap
gelijk is. De situatie kan zich echter voordoen dat de voor een waardevol
cultuurlandschap in een bepaald jaar beschikbare middelen niet volledig worden
benut. In dat geval wordt het restant van het in het eerste lid bedoelde maximumbedrag
verdeeld over de overige waardevolle cultuurlandschappen. Deze situatie is
in het tweede lid geregeld. Bij de vaststelling van de maxima per waardevol
cultuurlandschap in een volgend jaar zal hiermee dan rekening worden gehouden. </al>
      <al>Het derde tot en met het vijfde lid hebben betrekking op de hoogte van
de bijdrage. Voor projecten op het terrein van analyse, voorlichting en bedrijfsdoorlichting
bedraagt de bijdrage ten hoogste vijfenzeventig procent van de subsidiabele
kosten. Voor de overige projecten is het aandeel van het Ministerie van Landbouw,
Natuurbeheer en Visserij, bepaald op ten hoogste vijftig procent.</al>
      <al>Het verschil in de hoogte van de bijdrage houdt verband met het feit dat
uit pilot-projecten ten behoeve van waardevolle cultuurlandschappen in 1993
is gebleken dat het verkrijgen van bijdragen van derden voor projecten op
bedoeld terrein op problemen stuit, omdat men het rendement van dergelijke
investeringen veelal onzeker acht.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Voor bijdragen op grond van onderhavig besluit is ingevolge artikel 6,
derde lid, een cumulatie tot maximaal vijfenzeventig procent van de subsidiabele
kosten toegestaan met andere bijdragen van het Rijk dan van de Minister van
Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, die uit anderen hoofde met hetzelfde doel
worden toegekend. Een uitzondering hierop vormen de bijdragen voor projecten
die investeringen ten behoeve van landbouwbedrijven behelzen. Voor die categorie
bijdragen geldt in verband met Verordening (EEG) nr. 2328/91 van de Raad van
de Europese Gemeenschappen van 15 juli 1991, betreffende de verbetering van
de doeltreffendheid van de landbouwstructuur (Pb EG 1991, L 218), een maximum
van dertig procent subsidiëring van rijkswege. </al>
      <tuskop letat="vet">Artikel 7</tuskop>
      <al>De provincie in wier werkgebied het waardevolle cultuurlandschap geheel
of grotendeels is gelegen, heeft het voortouw bij het opstellen van het gebiedsperspectief.
Voor het opstellen van een gemeenschappelijke visie en het maken van afspraken
over uitvoeringsmaatregelen zal voldoende draagvlak in het gebied nodig zijn.
De provincies zullen derhalve andere partijen afkomstig uit het betreffende
gebied bij de opstelling van het perspectief betrekken.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De provincie in wier gebied het waardevol cultuurlandschap geheel of grotendeels
is gelegen, kan ervoor kiezen niet zelf een aanvraag voor een bijdrage in
te dienen, maar die verantwoordelijkheid over te laten aan een door haar in
het gebiedsperspectief daartoe aangewezen rechtspersoon.</al>
      <al>Naar verwachting zal in sommige gebieden de provincie als aanvrager gaan
optreden en derhalve voor de uitvoering van de projecten zorgdragen en in
andere gebieden een daarvoor op te richten stichting, waaraan de provincie
en één of meer gemeenten deel kunnen nemen.</al>
      <al>De aanvrager aan wie de bijdrage is verleend, draagt zorg voor de besteding
van de toegekende gelden. De bijdrage aan een provincie zal rechtstreeks aan
de provincie worden overgemaakt.</al>
      <al>Reden hiervoor is dat de middelen voor waardevolle cultuurlandschappen
geen deel uitmaken van de in het kader van de decentralisatie-impuls afgesproken
brede doeluitkering.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Voor de constructie waarbij slechts één rechtspersoon per
gebied als aanvrager van bijdragen voor projecten in het kader van onderhavig
besluit kan optreden, is gekozen, teneinde te bevorderen dat de betrokkenen
in de regio, in onderlinge samenwerking en na afweging van alle in het gebied
aanwezige belangen, in belangrijke mate zelf kunnen bepalen welke activiteiten
worden uitgevoerd binnen het in het gebiedsperspectief gegeven beleidskader.
Door de ideeën en wensen uit een gebied op deze wijze te bundelen en
daarbij aan de betrokkenen in het gebied zelf de gelegenheid te bieden om
prioriteiten te bepalen, wordt de met het beleid ten aanzien van waardevolle
cultuurlandschappen beoogde integratie op gebiedsniveau bevorderd. Deze werkwijze
heeft bovendien de voorkeur, omdat het formuleren van gedetailleerde
criteria voor de inhoud van de projecten niet mogelijk en niet wenselijk is. </al>
      <tuskop letat="vet">Artikel 9</tuskop>
      <al>Naast het vereiste dat voor een waardevol cultuurlandschap een gebiedsperspectief
is opgesteld, dient om in aanmerking te komen voor een bijdrage, een jaarprogramma
te worden opgesteld.</al>
      <al>Het jaarprogramma bestaat uit een bundel van projecten. In een jaarprogramma
worden alle projecten opgenomen die men in de regio voornemens is in het eerstvolgende
jaar geheel of gedeeltelijk uit te voeren.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het jaarprogramma, waarin opgenomen een beschrijving van de projecten
en onder andere wordt bijgevoegd een begroting per project, wordt aan de Minister
van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij voorgelegd door de provincie of een
andere daartoe door de provincie in het gebiedsperspectief aangewezen rechtspersoon.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Projecten behoeven slechts de goedkeuring van de minister, voor zover
voor de in het jaarprogramma opgenomen projecten een bijdrage op grond van
onderhavig besluit wordt gevraagd.</al>
      <al>Projecten die krachtens onderhavig besluit reeds zijn goedgekeurd, en
waarmee in het jaar volgend op het jaar van goedkeuring, met de uitvoering
is begonnen, behoeven ten behoeve van het verkrijgen van een bijdrage voor
daaropvolgende jaren, niet opnieuw te worden goedgekeurd. </al>
      <tuskop letat="vet">Artikel 10</tuskop>
      <al>Zolang de rijksbegroting op dat onderdeel nog niet is vastgesteld of goedgekeurd,
zal de bijdrage worden verleend onder de voorwaarde dat voldoende gelden ter
beschikking worden gesteld (artikel 10, derde lid).</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De minister is gehouden te beschikken op de aanvraag om de verlening,
onderscheidenlijk de vaststelling, van een bijdrage, overeenkomstig hetgeen
in de Algemene wet bestuursrecht (Afdeling 4.1.3) is bepaald. Dit impliceert
onder meer dat de minister een beschikking moet afgeven binnen een redelijke
termijn, die in ieder geval verstreken is wanneer de minister binnen acht
weken na ontvangst van de aanvraag geen beschikking heeft gegeven, noch de
aanvrager ervan in kennis heeft gesteld dat de termijn van acht weken niet
kan worden gehaald en een redelijke termijn heeft aangegeven waarbinnen de
beschikking wel tegemoet kan worden gezien.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Artikel 10, vierde lid bepaalt dat aan de beschikking voorschriften kunnen
worden verbonden. Bij dergelijke voorschriften kan worden gedacht aan voorwaarden
omtrent het afstemmen met bepaalde instanties en met andere projecten. Verder
kan worden gedacht aan voorwaarden omtrent openstelling van terreinen ten
behoeve van recreatiemogelijkheden. Er kunnen daarnaast ook voorwaarden worden
gesteld die afhankelijk zijn van het individuele project. </al>
      <tuskop letat="vet">Artikel 11</tuskop>
      <al>Tot ten hoogste tachtig procent van het maximaal vast te stellen bedrag
voor de bijdrage, kan een voorschot worden verstrekt aan de hand van een door
de aanvrager ingediend liquiditeitenoverzicht. Dit liquiditeitenoverzicht
bestaat uit een overzicht van uitgevoerde en uit te voeren werkzaamheden en
de daarbij voor een bepaalde periode benodigde middelen. Bij
het bepalen van de hoogte van het te verstrekken voorschot wordt rekening
gehouden met de voortgang van de uitvoering van het jaarprogramma. </al>
      <tuskop letat="vet">Artikel 12</tuskop>
      <al>Voor de verantwoording van de besteding van de verleende bijdrage door
provincies of gemeenten wordt als uitgangspunt gehanteerd dat de accountant
die de (jaar)rekening van de provincie, onderscheidenlijk de gemeente, controleert,
tevens belast is met de controle van de besteding van de verleende bijdrage
(single-audit gedachte). Om die reden kan, ingeval de ontvanger van de bijdrage
een provincie of gemeente betreft, voor de financiële verantwoording
worden volstaan met het overleggen aan de minister van een jaarverslag en
de verslagen, bedoeld in artikel 197 van de Gemeentewet, onderscheidenlijk
artikel 201 van de Provinciewet (artikel 12, zevende lid). </al>
      <tuskop letat="vet">Artikel 21</tuskop>
      <al>De systematiek voor de verdeling van de rijksmiddelen voor waardevolle
cultuurlandschappen zal uiterlijk binnen drie jaar na inwerkingtreding van
het besluit worden geëvalueerd. Onder meer zal worden bezien of het beginsel
van gelijke verdeling van het op grond van onderhavig besluit beschikbare
budget over de waardevolle cultuurlandschappen gehandhaafd kan blijven. Deze
evaluatie is wenselijk om, indien blijkt dat de verdeling van rijksmiddelen
niet optimaal verloopt, te kunnen komen tot een tijdige aanpassing van het
besluit teneinde het budget voor de waardevolle cultuurlandschappen zo goed
mogelijk aan te wenden.</al>
      <al>Vervolgens zal iedere drie jaar een evaluatie van de bijdrage plaatsvinden.</al>
      <al>Voor een beleidsmatige evaluatie is een langere ervaring met het besluit
wenselijk.</al>
      <al>Daarom zal uiterlijk in het jaar 2002 het gevoerde beleid ten aanzien
van waardevolle cultuurlandschappen in zijn geheel worden geëvalueerd,
en zal worden bezien of, en zo ja in welke gebieden het beleid zal worden
voortgezet. Daarbij zal worden bekeken of stroomlijning of integratie met
het beleid voor andere categorieën van gebiedsgericht beleid mogelijk
is. In dat kader zal onder meer worden bezien of het beleid ten aanzien van
waardevolle cultuurlandschappen kan worden gedecentraliseerd naar de provincies. </al>
      <minister>
        <minvan>De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,</minvan>
        <naam>J. J. van Aartsen</naam>
      </minister>
    </notatoe>
  </backm>
</staatsbl>