﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<!DOCTYPE staatsbl PUBLIC "-//SDU//DTD staatsblad xml 1.1//NL" "../../dtd/staatsbl-11.dtd"[]>
<staatsbl id="sb996.321" soort="beschik" publtype="besc">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-1996-321/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel status="off">Staatsblad</titel>
    <subtitel>van het Koninkrijk der Nederlanden</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.4" conv="OPmaat" markup="c1xa"></versie>
    <ordernr>6S0291</ordernr>
    <stb>
      <jaargang jaar="1996">Jaargang 1996</jaargang>
      <stbjaar>1996</stbjaar>
      <stbnr>321 </stbnr>
    </stb>
    <intitule>
      <soort>Beschikking</soort> van de Minister van Justitie van 20 juni
1996, houdende plaatsing in het Staatsblad van de tekst van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen,
zoals deze laatstelijk is gewijzigd bij de wet van 28 maart 1996, Stb. 320</intitule>
    <aanhef>
      <wie>De Minister van Justitie,</wie>
      <consider>
        <al>Gelet op artikel VI van de wet van 28 maart 1996, Stb. 320;</al>
      </consider>
      <afkondig>Besluit:</afkondig>
    </aanhef>
  </frontm>
  <body>
    <besluit>
      <al>de tekst van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen, zoals deze laatstelijk
is gewijzigd bij de wet van 28 maart 1996, Stb. 320, in het Staatsblad te
plaatsen als bijlage bij deze beschikking.</al>
    </besluit>
  </body>
  <backm>
    <nawerk>
      <ondertek>
        <ondplts>'s-Gravenhage, </ondplts>
        <onddatum>20 juni 1996 </onddatum>
        <minister>
          <minvan>De Minister van Justitie,</minvan>
          <naam>W. Sorgdrager</naam>
        </minister>
      </ondertek>
      <uitgifte>
        <uitgifte-regel>Uitgegeven de <nadruk type="cur">achtentwintigste</nadruk> juni 1996</uitgifte-regel>
        <uitdag>achtentwintigste</uitdag>
        <uitmaand>juni</uitmaand>
        <uitjaar>1996</uitjaar>
        <door>
          <minvan>De Minister van Justitie,</minvan>
          <naam>W. Sorgdrager </naam>
        </door>
      </uitgifte>
    </nawerk>
    <tekstpl>
      <kop>
        <titel status="off">TEKST VAN DE WET OP DE TELECOMMUNICATIEVOORZIENINGEN,
ZOALS DEZE LAATSTELIJK IS GEWIJZIGD BIJ DE WET VAN 28 MAART 1996, STB. 320 </titel>
      </kop>
      <hfdst>
        <kop>
          <nr>HOOFDSTUK I.</nr>
          <titel status="off">ALGEMENE BEPALINGEN </titel>
        </kop>
        <art id="a1">
          <kop>
            <nr>Artikel 1</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:</al>
            <al>a. Onze Minister: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat;</al>
            <al>b. telecommunicatie: iedere overdracht, uitzending of ontvangst van signalen
door middel van telecommunicatie-infrastructuur;</al>
            <al>c. telecommunicatienet of telecommunicatie-infrastructuur: de infrastructuur
die het transport mogelijk maakt van signalen tussen gedefinieerde netwerkaansluitpunten
via kabelverbindingen, microgolfsystemen, optische middelen of andere elektromagnetische
middelen;</al>
            <al>d. kabels: geleidingen bestemd voor telecommunicatie;</al>
            <al>e. kabelwerken: de bij kabels behorende ondersteuningswerken, beschermingswerken
en signaalinrichtingen, alsmede inrichtingen, bestemd om daarin verbinding
tot stand te brengen tussen kabels in, op of boven openbare gronden enerzijds
en kabels in gebouwen en daarmee één geheel vormende gronden
anderzijds dan wel tussen laatstgenoemde kabels onderling;</al>
            <al>f. kabelverbindingen: kabels en kabelwerken;</al>
            <al>g. openbare gronden:</al>
            <al>1°. de openbare wegen met inbegrip van de daartoe behorende stoepen,
glooiingen, bermen, sloten, bruggen, viadukten, tunnels, duikers, beschoeiingen
en andere werken;</al>
            <al>2°. de wateren met de daartoe behorende bruggen, de plantsoenen, pleinen
en andere plaatsen, welke tot gemene dienst van allen zijn bestemd;</al>
            <al>3°. de spoorwegen met de daarbij behorende terreinen;</al>
            <al>h. geconcessioneerde telecommunicatie-infrastructuur: de telecommunicatie-infrastructuur,
bedoeld in artikel 3, eerste lid;</al>
            <al>i. kabelgebonden telecommunicatie-infrastructuur: de infrastructuur die
het transport mogelijk maakt van signalen tussen gedefinieerde netwerkaansluitpunten
via kabelverbindingen;</al>
            <al>j. openbaar telecommunicatienet: telecommunicatie-infrastructuur, bedoeld
in artikel 3, 3a of 13a, alsmede voor wat betreft de artikelen 29 en 29a,
de telecommunicatie-infrastructuur die door Onze Minister voor de toepassing
van de desbetreffende artikelen als openbaar telecommunicatienet is aangewezen;</al>
            <al>k. draadomroepinrichting: een inrichting of onderdeel daarvan, bestemd
om met gebruik van kabels en kabelwerken of radioverbindingen tussen vaste
punten, programma's te verspreiden naar een of meer bij anderen in gebruik
zijnde gronden, woningen dan wel niet tot woning dienende gebouwen of gedeelten
van gebouwen;</al>
            <al>l. programma: een programma als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder
e, van de Mediawet (Stb. 1987, 249);</al>
            <al>m. vaste verbinding: een mogelijkheid voor het directe transport van signalen
tussen twee netwerkaansluitpunten, waarvan de totstandkoming niet door de
gebruiker via een netwerkaansluitpunt kan worden beïnvloed;</al>
            <al>n. satellietverbinding: een vaste verbinding die tot stand komt met behulp
van een satelliet;</al>
            <al>o. netwerkaansluitpunt: het geheel van fysieke verbindingen, met hun technische
toegangsspecificaties, die deel uitmaken van een telecommunicatienet en nodig
zijn om toegang te verkrijgen tot dit net en om efficiënt via dit net
te kunnen communiceren; </al>
            <al>p. randapparatuur: een inrichting die of een samenstel van inrichtingen,
dat is bestemd voor rechtstreekse aansluiting op een openbaar telecommunicatienet
door middel van een netwerkaansluitpunt;</al>
            <al>q. Europese Economische Ruimte: gebieden waarop het Verdrag tot oprichting
van de Europese Economische Gemeenschap en het Verdrag tot oprichting van
de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal van toepassing zijn, onder de
in die verdragen neergelegde voorwaarden, en voorts de grondgebieden van de
Republiek Finland, met inachtneming van het tweede lid van artikel 126 van
de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, de Republiek IJsland,
het Koninkrijk Noorwegen, de Republiek Oostenrijk en het Koninkrijk Zweden;</al>
            <al>r. concessie: de concessie, bedoeld in artikel 3, eerste lid;</al>
            <al>s. vergunning: een vergunning als bedoeld in artikel 13a;</al>
            <al>t. infrastructuurvergunning: een vergunning, verleend krachtens de Vergunningenwet
kabelgebonden telecommunicatie-infrastructuur;</al>
            <al>u. landelijke infrastructuurvergunning: de infrastructuurvergunning zonder
gebiedsbeperking;</al>
            <al>v. dienstaanbieder: de natuurlijke of rechtspersoon die met toestemming
van de houder van een vergunning dan wel van de houder van een machtiging
op eigen naam of in naam van de houder van die vergunning onderscheidenlijk
van die machtiging mobiele telecommunicatiediensten aanbiedt;</al>
            <al>w. telecommunicatiediensten: diensten die geheel of gedeeltelijk bestaan
in de overdracht en routering van signalen over de telecommunicatie-infrastructuur
via telecommunicatieprocédés, met uitzondering van radio-omroep
en televisie;</al>
            <al>x. mobiele telecommunicatiediensten: telecommunicatiediensten met en tussen
mobiele gebruikers;</al>
            <al>ij. openbare telecommunicatiedienst: de bij of krachtens de wet opgedragen
telecommunicatiediensten bedoeld in artikel 4, eerste lid, of artikel 13c,
tweede lid, alsmede voor wat betreft artikel 29a, de telecommunicatiedienst
die door Onze Minister voor de toepassing van genoemd artikel als openbare
telecommunicatiedienst is aangewezen;</al>
            <al>z. spraaktelefoondienst: de commerciële exploitatie ten behoeve van
het publiek van direct transport en onmiddellijke schakeling van spraak van
en naar netwerkaansluitpunten van een openbaar geschakeld telecommunicatienet,
waarvan iedere gebruiker van op een dergelijk netwerkaansluitpunt aangesloten
apparatuur gebruik kan maken om met een ander netwerkaansluitpunt te communiceren;</al>
            <al>aa. pakket- en circuitgeschakelde datadienst: de commerciële exploitatie
ten behoeve van het publiek van direct datatransport van en naar netwerkaansluitpunten
van een openbaar telecommunicatienet, waarvan iedere gebruiker van op een
dergelijk netwerkaansluitpunt aangesloten apparatuur gebruik kan maken om
met een ander netwerkaansluitpunt te communiceren;</al>
            <al>bb. telexdienst: de commerciële exploitatie ten behoeve van het publiek
van direct transport van telexberichten overeenkomstig de te Melbourne op
25 november 1988 tot stand gekomen aanbeveling I 240 van de Internationale
Raadgevende Commissie inzake telegrafie en telefonie (CCITT), zoals deze thans
luidt of nadien is gewijzigd, van en naar netwerkaansluitpunten van een openbaar
telecommunicatienet, waarvan iedere gebruiker van op een dergelijk netwerkaansluitpunt
aangesloten apparatuur gebruik kan maken om met een ander netwerkaansluitpunt
te communiceren;</al>
            <al>cc. nummer: cijfers, letters of andere symbolen, al dan niet in combinatie,
die dienen voor toegang tot of identificatie van gebruikers, netwerkexploitanten,
diensten, netwerkaansluitpunten of andere netwerkelementen;</al>
            <al>dd. nummerplan: een plan houdende de bestemming van nummers, daaronder
mede begrepen gegevens over lengte en samenstelling van de in het plan opgenomen
nummers;</al>
            <al>ee. apparaten: alle elektrische en elektronische apparaten alsmede uitrustingen
en installaties, die elektrische of elektronische componenten bevatten;</al>
            <al>ff. elektromagnetische storing: het elektromagnetisch verschijnsel dat
problemen in de werking van een apparaat kan veroorzaken;</al>
            <al>gg. elektromagnetische compatibiliteit: de eigenschap van apparaten, om
op bevredigende wijze in hun elektromagnetische omgeving te kunnen functioneren
zonder zelf elektromagnetische storingen te veroorzaken die ontoelaatbaar
zijn voor alles wat zich in die omgeving bevindt;</al>
            <al>hh. in de handel brengen: voor de eerste maal afleveren na vervaardiging
in de Europese Economische Ruimte of na invoer in de Europese Economische
Ruimte uit een land daarbuiten;</al>
            <al>ii. verhandelen: verkopen, verhuren, op andere wijze ter beschikking stellen,
voorhanden of in voorraad hebben, ten verkoop of te huur aanbieden, of afleveren,
niet zijnde in de handel brengen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Onder in de handel brengen van een apparaat wordt mede verstaan: in gebruik
nemen van een apparaat door degene die het in de Europese Economische Ruimte
heeft vervaardigd of heeft ingevoerd uit een land daarbuiten.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a1a">
          <kop>
            <nr>Artikel 1a</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Onze Minister kan tot een aanwijzing als openbaar telecommunicatienet
of als openbare telecommunicatiedienst slechts besluiten</al>
            <al>a. in het belang van het publiek als gebruiker van telecommunicatie-infrastructuur,
telecommunicatie-inrichtingen, telecommunicatiediensten of apparaten;</al>
            <al>b. in het belang van andere aanbieders van telecommunicatie-infrastructuur,
telecommunicatie-inrichtingen, telecommunicatiediensten of apparaten;</al>
            <al>c. indien de uitvoering van een bindend besluit van een instelling van
de Europese Unie of de nakoming van Nederland bindende verdragen en besluiten
van volkenrechtelijke organisaties dit vordert.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Onze Minister kan tot een aanwijzing als openbaar telecommunicatienet
of als openbare telecommunicatiedienst, met betrekking tot artikel 29a, slechts
besluiten indien de aan te wijzen telecommunicatienetten of telecommunicatiediensten
een dominante marktpositie hebben.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>Van de beschikkingen, houdende een aanwijzing als bedoeld in het eerste
lid, wordt zo spoedig mogelijk mededeling gedaan in de Staatscourant onder
vermelding van het tijdstip waarop de beschikkingen van kracht worden.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a2">
          <kop>
            <nr>Artikel 2</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>De bepalingen vastgesteld bij of krachtens deze wet gelden mede op en
met betrekking tot installaties ter zee in de zin van de Wet installaties
Noordzee (Stb. 1964, 447).</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Het bepaalde in het eerste lid vindt geen toepassing ten aanzien van het
gebruik van elektromagnetische golven ten dienste van een opsporingsonderzoek
of het winnen van delfstoffen als bedoeld in de Mijnwet continentaal plat
(Stb. 1965, 428). </al>
          </lid>
        </art>
      </hfdst>
      <hfdst>
        <kop>
          <nr>HOOFDSTUK II.</nr>
          <titel status="off">OPENBARE TELECOMMUNICATIENETTEN EN TELECOMMUNICATIEDIENSTEN
VOOR DERDEN </titel>
        </kop>
        <par>
          <kop>
            <nr>§ 1.</nr>
            <titel status="off">De geconcessioneerde telecommunicatie-infrastructuur </titel>
          </kop>
          <art id="a3">
            <kop>
              <nr>Artikel 3</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Ter bevordering van een doelmatige verzorging van telecommunicatie in
het algemeen maatschappelijk en economisch belang wordt aan een bij wet aan
te wijzen rechtspersoon, behoudens het bepaalde in artikel 3a, met uitsluiting
van anderen, concessie verleend voor de aanleg, de instandhouding en de exploitatie
van de telecommunicatie-infrastructuur, die</al>
              <al>a. bestemd is voor telecommunicatie die, geheel of gedeeltelijk, openbare
gronden overschrijdt, en</al>
              <al>b. dient ter uitvoering van de bij of krachtens artikel 4, eerste tot
en met vierde lid, aan de houder van de concessie opgedragen diensten.</al>
              <al>Onder de concessie, bedoeld in de vorige volzin, zijn mede begrepen de
aansluitingen op telecommunicatie-inrichtingen buitenslands.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Onze Minister kent aan de houder van de concessie de radio-frequenties
toe welke nodig zijn voor de uitvoering van de concessie, waarbij voorschriften
en beperkingen kunnen worden gesteld.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>Onze Minister kent aan de houder van de concessie de nummers toe of kan
voor hem de nummers reserveren welke nodig zijn voor de uitvoering van de
opgedragen diensten, bedoeld in artikel 4, eerste lid, waarbij voorschriften
en beperkingen kunnen worden gesteld.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>4.</nr>
              <al>De houder van de concessie draagt er zorg voor dat de capaciteit, de kwaliteit
en de eigenschappen van de geconcessioneerde telecommunicatie-infrastructuur
voldoen voor een doelmatige verzorging van telecommunicatie.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>5.</nr>
              <al>De concessie is voor wat betreft de telecommunicatie-infrastructuur waarop
hoofdstuk IIA van toepassing is, beperkt tot de aanleg en instandhouding van
kabelverbindingen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>6.</nr>
              <al>Het is anders dan krachtens de concessie slechts toegestaan telecommunicatie-inrichtingen
als bedoeld in artikel 21, 23 of 24 aan te leggen, in stand te houden, aanwezig
te hebben, te gebruiken of te doen gebruiken en te exploiteren of te doen
exploiteren met in achtneming van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk
III.</al>
            </lid>
          </art>
        </par>
        <par>
          <kop>
            <nr>§ 1a.</nr>
            <titel status="off">Kabelgebonden telecommunicatie-infrastructuur met vergunning </titel>
          </kop>
          <art id="a3a">
            <kop>
              <nr>Artikel 3a</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Ter bevordering van een doelmatige verzorging van telecommunicatie in
het algemeen maatschappelijk en economisch belang zijn degenen die daartoe
krachtens de Vergunningenwet kabelgebonden telecommunicatie-infrastructuur
een infrastructuurvergunning hebben verkregen gerechtigd tot de aanleg, de
instandhouding en de exploitatie van kabelgebonden telecommunicatie-infrastructuur
met of zonder gebiedsbeperking die</al>
              <al>a. bestemd is voor telecommunicatie die, geheel of gedeeltelijk, openbare
gronden overschrijdt, en</al>
              <al>b. dient ter uitvoering van de bij artikel 4b opgedragen diensten of binnen
de in artikel 4b bedoelde periode dient voor het tegen vergoeding ter beschikking
stellen van het gebruik van vaste verbindingen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Onder de infrastructuurvergunning zijn mede begrepen de aansluitingen
op telecommunicatie-inrichtingen buitenslands.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>De houder van een infrastructuurvergunning zonder gebiedsbeperking is,
indien aan hem radiofrequenties zijn toegekend, tevens gerechtigd tot de aanleg,
de instandhouding en de exploitatie van radio-elektrische zendinrichtingen
die bestemd zijn voor de doeleinden bedoeld, in het eerste lid, onder a en
b.</al>
            </lid>
          </art>
        </par>
        <par>
          <kop>
            <nr>§ 2.</nr>
            <titel status="off">Opdrachten aan de houder van de concessie </titel>
          </kop>
          <art id="a4">
            <kop>
              <nr>Artikel 4</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>De houder van de concessie is in het belang van het algemeen maatschappelijk
en economisch verkeer verplicht bij algemene maatregel van bestuur te omschrijven
diensten, welke betrekking hebben op het directe transport van gegevens van
en naar netwerkaansluitpunten, te verzorgen en een ieder tegen vergoeding
het gebruik daarvan ter beschikking te stellen. Bij die algemene maatregel
van bestuur kan tevens aan de houder van de concessie worden opgedragen een
bij die maatregel te omschrijven dienst met betrekking tot de telegrafie te
verzorgen en een ieder tegen vergoeding het gebruik daarvan ter beschikking
te stellen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>De houder van de concessie is verplicht om een ieder tegen vergoeding
het gebruik van vaste verbindingen ter beschikking te stellen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>Bij de algemene maatregel van bestuur krachtens het eerste lid worden
geen diensten aangewezen die betrekking hebben op het transport van gegevens
met en tussen mobiele gebruikers te land.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>4.</nr>
              <al>De houder van de concessie is verplicht aan de houder van een vergunning
behalve de in het eerste en tweede lid bedoelde diensten, voorzieningen ter
beschikking te stellen ten behoeve van of direct verband houdende met koppelingen
van de telecommunicatie-infrastructuur van de houder van de vergunning aan
de geschakelde telecommunicatie-infrastructuur van de houder van de concessie.
De houder van de concessie stelt de voorwaarden vast waarop hij bereid is
de in die voorwaarden genoemde voorzieningen in ieder geval aan een ieder
ter beschikking te stellen. Hij maakt deze voorwaarden overeenkomstig door
Onze Minister te stellen regels bekend. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de in dit lid bedoelde voorzieningen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>5.</nr>
              <al>Onverminderd het bepaalde in het vierde lid, tweede volzin, stelt de houder
van de concessie op een desbetreffende aanvraag binnen een bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur te bepalen termijn voorzieningen als bedoeld
in het vierde lid, eerste volzin, ter beschikking op door de houder van de
concessie met betrekking tot die aanvraag te bepalen voorwaarden betreffende
tarieven en technische specificaties. De houder van de concessie gaat bij
zijn aanbod uit van de door de houder van de vergunning gevraagde voorzieningen,
tenzij deze technisch niet mogelijk zijn, de integriteit van de telecommunicatie-infrastructuur
van de houder van de concessie in gevaar brengen, of redelijkerwijs niet noodzakelijk
zijn voor een doelmatige verzorging van de diensten, te verlenen door middel
van de telecommunicatie-infrastructuur van de houder van de vergunning.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>6.</nr>
              <al>Het vijfde lid is van overeenkomstige toepassing indien door de houder
van een vergunning vaste verbindingen worden gevraagd ten behoeve van koppelingen
als bedoeld in het vierde lid.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>7.</nr>
              <al>In geval van toepassing van artikel 13x, derde lid, onder b, kan Onze
Minister aan de houder van de concessie de verplichting opleggen zijn medewerking
te verlenen aan het in die bepaling bedoelde nummerbehoud.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a4a">
            <kop>
              <nr>Artikel 4a</nr>
            </kop>
            <al>Artikel 4, vierde, vijfde en zesde lid, is van overeenkomstige toepassing
op het totstandbrengen van koppelingen tussen de telecommunicatie-infrastructuur
van de houder van de concessie en de telecommunicatie-infrastructuur van de
houder van een infrastructuurvergunning.</al>
          </art>
        </par>
        <par>
          <kop>
            <nr>§ 2a.</nr>
            <titel status="off">Opdrachten aan de houder van een infrastructuurvergunning </titel>
          </kop>
          <art id="a4b">
            <kop>
              <nr>Artikel 4b</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>De houder van een infrastructuurvergunning is in het belang van het algemeen
maatschappelijk en economisch verkeer verplicht binnen een bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur te bepalen termijn na het afgeven van een infrastructuurvergunning
een ieder in het gebied waarop de infrastructuurvergunning betrekking heeft
tegen vergoeding het gebruik van vaste verbindingen ter beschikking te stellen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>De houder van een infrastructuurvergunning is verplicht binnen een bij
of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen termijn aan de houder
van de concessie onderscheidenlijk een andere houder van een infrastructuurvergunning
behalve de in het eerste lid bedoelde dienst, voorzieningen ter beschikking
te stellen ten behoeve van of direct verband houdende met koppelingen van
de geconcessioneerde telecommunicatie-infrastructuur onderscheidenlijk de
kabelgebonden telecommunicatie-infrastructuur van een andere houder van een
infrastructuurvergunning aan de kabelgebonden telecommunicatie-infrastructuur
van de houder van de infrastructuurvergunning. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de in dit lid bedoelde voorzieningen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>De houder van een infrastructuurvergunning stelt de in het tweede lid
bedoelde voorzieningen ter beschikking op door hem daarvoor te bepalen voorwaarden
betreffende tarieven en technische specificaties binnen een bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur te bepalen termijn. De houder van de infrastructuurvergunning
gaat bij zijn aanbod uit van de door de houder van de concessie onderscheidenlijk
een andere houder van een infrastructuurvergunning gevraagde voorzieningen,
tenzij deze technisch niet mogelijk zijn of de integriteit van de telecommunicatie-infrastructuur
van de houder van de infrastructuurvergunning in gevaar brengen, of redelijkerwijs
niet noodzakelijk zijn voor een doelmatige verzorging van de diensten te verlenen
door middel van de telecommunicatie-infrastructuur van de houder van de concessie
onderscheidenlijk van een andere houder van een infrastructuurvergunning.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>4.</nr>
              <al>Het derde lid is van overeenkomstige toepassing indien door de houder
van de concessie onderscheidenlijk een andere houder van een infrastructuurvergunning
vaste verbindingen worden gevraagd ten behoeve van koppelingen als bedoeld
in het tweede lid.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>5.</nr>
              <al>De duur van krachtens het eerste en tweede lid bij algemene maatregel
van bestuur vast te stellen termijnen is er op gericht de ongelijkwaardigheid
in de mededingingspositie tussen de houder van de infrastructuurvergunning
en de houder van de concessie te verminderen.</al>
            </lid>
          </art>
        </par>
        <par>
          <kop>
            <nr>§ 2b.</nr>
            <titel status="off">Overige bepalingen in verband met de opdrachten, bedoeld
in § 2 en § 2a </titel>
          </kop>
          <art id="a4c">
            <kop>
              <nr>Artikel 4c</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Indien de houder van een infrastructuurvergunning en de houder van de
concessie dan wel houders van een infrastructuurvergunning onderling geen
overeenstemming bereiken over de voorwaarden waaronder de houder van de concessie
met toepassing van artikel 4a dan wel de houder van een infrastructuurvergunning
met toepassing van artikel 4b, voorzieningen of vaste verbindingen ter beschikking
wil stellen ten behoeve van de koppeling tussen de kabelgebonden telecommunicatie-infrastructuur
van de houder van een infrastructuurvergunning en de telecommunicatie-infrastructuur
van de houder van de concessie dan wel ten behoeve van de koppeling tussen
de kabelgebonden telecommunicatie-infrastructuur van infrastructuurvergunninghouders
onderling, of weigert daartoe een aanbod te doen, kan de houder van een infrastructuurvergunning
dan wel de houder van de concessie Onze Minister verzoeken hierover een oordeel
te geven.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>De houder van de concessie en de houder van een infrastructuurvergunning
zijn verplicht aan Onze Minister binnen twee weken alle benodigde gegevens
te verstrekken die nodig zijn om een oordeel als bedoeld in het eerste lid
te geven.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>Onze Minister geeft binnen acht weken na het in het eerste lid bedoelde
verzoek, een oordeel. Indien het oordeel inhoudt dat de door de houder van
de concessie dan wel de door de houder van een infrastructuurvergunning aangeboden
voorwaarden onredelijk zijn, of dat de houder van de concessie dan wel de
houder van een infrastructuurvergunning niet mocht weigeren een aanbod te
doen, kan Onze Minister een aanwijzing als bedoeld in artikel 43 geven. De
houder van de concessie dan wel de houder van een infrastructuurvergunning
is verplicht deze aanwijzing op te volgen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>4.</nr>
              <al>De termijn, bedoeld in het derde lid, kan door Onze Minister met ten hoogste
12 weken worden verlengd. Degene die een verzoek heeft gedaan alsmede de andere
betrokkene, bedoeld in het eerste lid, worden van een verlenging uiterlijk
een week voor afloop van de termijn in kennis gesteld.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a5">
            <kop>
              <nr>Artikel 5</nr>
            </kop>
            <al>Het is anderen dan de houder van de concessie niet toegestaan een voor
het publiek toegankelijke gelegenheid bestemd voor de spraaktelefoondienst
op openbare grond te plaatsen en te exploiteren.</al>
          </art>
          <art id="a6">
            <kop>
              <nr>Artikel 6</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Van de met gebruikmaking van de krachtens artikel 4, eerste en vierde
lid, aan de houder van de concessie opgedragen diensten of van vaste verbindingen
getransporteerde gegevens mag slechts ten behoeve van een goede uitvoering
van de dienst worden kennis genomen door het daartoe door de houder van de
concessie gemachtigde personeel belast met de uitvoering van de krachtens
artikel 4, eerste en vierde lid, aan hem opgedragen diensten en van de zorg
voor vaste verbindingen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de houder van een
infrastructuurvergunning.</al>
            </lid>
          </art>
        </par>
        <par>
          <kop>
            <nr>§ 2c.</nr>
            <titel status="off">Gebruiksbepalingen vaste verbindingen </titel>
          </kop>
          <art id="a7">
            <kop>
              <nr>Artikel 7</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Het is degene die de beschikking heeft over een vaste verbinding tot 1
juli 1997 verboden de vaste verbinding te gebruiken of te doen gebruiken voor
het verzorgen van de spraaktelefoondienst of de telexdienst.</al>
              <al>1a. Het is degene die de beschikking heeft over een vaste verbinding verboden
de vaste verbinding te gebruiken of te doen gebruiken voor het verspreiden
van een programma tenzij het gebruik ervan plaatsvindt in het kader van een
machtiging, verleend krachtens artikel 21, of in het kader van een landelijke
infrastructuurvergunning.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Het eerste lid en lid 1a zijn van overeenkomstige toepassing op de houder
van een infrastructuurvergunning die zijn telecommunicatie-infrastructuur
gebruikt of doet gebruiken.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet indien het daar omschreven gebruik geschiedt in het kader van hoofdstuk IIA of in het
kader van een machtiging als bedoeld in artikel 17 die aan de machtiginghouder
de bevoegdheid verleent voor derden openbare mobiele telecommunicatiediensten
te verzorgen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>4.</nr>
              <al>Onder spraaktelefoondienst onderscheidenlijk telexdienst wordt voor de
toepassing van dit artikel mede verstaan een met de omschrijving van die onderscheidene
diensten in artikel 1, onder z, onderscheidenlijk onder bb, overeenkomende
spraaktelefoondienst of telexdienst, die van en naar netwerkaansluitpunten
van een niet openbaar telecommunicatienet wordt verzorgd.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>5.</nr>
              <al>Onze Minister kan aan degene die de beschikking heeft over een vaste verbinding
nummers toekennen of voor hem nummers reserveren ten behoeve van het verzorgen
van telecommunicatiediensten aan derden over zijn vaste verbinding door hemzelf
of door derden, waarbij voorschriften en beperkingen kunnen worden gesteld.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a7a">
            <kop>
              <nr>Artikel 7a</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voor het verzorgen
van telecommunicatiediensten voor derden waarbij vaste verbindingen worden
gebruikt, regels worden gesteld in het belang van een doelmatige verzorging
van de telecommunicatie, de veiligheid van de Staat of de handhaving van de
rechtsorde. Daarbij kan worden onderscheiden naar categorieën van telecommunicatiediensten.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Indien een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid
verband houdt met de veiligheid van de Staat of de handhaving van de rechtsorde
wordt de voordracht ervan gedaan door Onze Minister in overeenstemming met
Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Onze Minister van Justitie.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>Tot de regels, bedoeld in het eerste lid, kan behoren het vereiste van
registratie van degene die telecommunicatiediensten voor derden verzorgt.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>4.</nr>
              <al>Het in het eerste lid bepaalde is mede van toepassing op het verzorgen
van diensten, niet zijnde de krachtens artikel 4, eerste lid, opgedragen diensten,
door de houder van de concessie met gebruikmaking van zijn infrastructuur
en het verzorgen van diensten door de houder van een infrastructuurvergunning
met gebruikmaking van zijn infrastructuur.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>5.</nr>
              <al>Onze Minister kan desgevraagd een bewijs afgeven dat in overeenstemming
met de Nederlandse regelgeving telecommunicatiediensten voor derden worden
verzorgd.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a7b">
            <kop>
              <nr>Artikel 7b</nr>
            </kop>
            <al>Het is verboden vaste verbindingen te gebruiken of te doen gebruiken voor
het voor derden verrichten van telecommunicatiediensten zonder te voldoen
aan de krachtens artikel 7a, eerste lid, gestelde regels.</al>
          </art>
        </par>
        <par>
          <kop>
            <nr>§ 3.</nr>
            <titel status="off">Algemene richtlijnen voor de houder van de concessie </titel>
          </kop>
          <art id="a8">
            <kop>
              <nr>Artikel 8</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Onze Minister geeft aan de houder van de concessie algemene richtlijnen
welke deze bij de uitvoering van artikel 3, derde lid, en artikel 4, gehouden
is op te volgen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Deze richtlijnen hebben slechts betrekking op:</al>
              <al>a. de capaciteit, kwaliteit en eigenschappen, waaronder de technische
aftapbaarheid, van de geconcessioneerde telecommunicatie-infrastructuur;</al>
              <al>b. het instandhouden van een goede dienstverlening; </al>
              <al>c. de wijze waarop de houder van de concessie in een daartoe door hem
in te stellen afzonderlijk overlegorgaan onder leiding van een door de Minister
aan te wijzen onafhankelijke voorzitter met representatieve organisaties van
direct belanghebbenden overleg dient te voeren over aangelegenheden van algemene
aard en landelijke strekking die de uitvoering van de in de onderdelen a en
b bedoelde taken betreffen;</al>
              <al>d. het instellen van een geschillencommissie voor bepaalde groepen van
gebruikers met betrekking tot de toepassing van door de houder van de concessie
vast te stellen algemene voorwaarden;</al>
              <al>e. het opstellen van een financiële verantwoording van activiteiten
bedoeld in het eerste lid, welke gescheiden is van die voor andere activiteiten;</al>
              <al>f. het verstrekken van informatie aan Onze Minister</al>
              <al>1°. ten dienste van het toezicht op de uitvoering van artikel 3, derde
lid, en artikel 4, en op de uitvoering van het overige bij of krachtens deze
wet bepaalde;</al>
              <al>2°. die Onze Minister nodig heeft in verband met de naleving van een
bindend besluit van een orgaan van de Europese Gemeenschappen;</al>
              <al>3°. die nodig is in verband met het aan Onze Minister gevraagde oordeel,
bedoeld in artikel 40b.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>De richtlijnen bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder b, bevatten
uitgangspunten en maatstaven voor:</al>
              <al>a. de wijze en mate van dienstverlening;</al>
              <al>b. de tariefstructuur en de aanpassing van de tarieven;</al>
              <al>c. de beveiliging van de geconcessioneerde telecommunicatie-infrastructuur;</al>
              <al>d. de geheimhouding met betrekking tot de in artikel 4, eerste en vierde
lid, bedoelde diensten en de vaste verbindingen;</al>
              <al>e. de bescherming van de persoonlijke levenssfeer met betrekking tot de
in artikel 4, eerste en vierde lid, bedoelde diensten en de vaste verbindingen;</al>
              <al>f. het verrichten van niet-rendabele deelactiviteiten alsmede van overheidswege
daarvoor te geven vergoedingen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>4.</nr>
              <al>De richtlijnen kunnen, ter uitvoering van een bindend besluit van een
orgaan van de Europese Gemeenschappen, ten aanzien van de onderwerpen, bedoeld
in het derde lid, onderdelen a en b, bepalen dat de houder van de concessie
in bepaalde gevallen voorafgaande toestemming van Onze Minister behoeft.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>5.</nr>
              <al>De richtlijnen kunnen ten aanzien van de tarieven voor het aan de houder
van een infrastructuurvergunning onderscheidenlijk de houder van een vergunning
ter beschikking stellen van diensten als bedoeld in artikel 4, eerste en tweede
lid, afwijkende bepalingen bevatten.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>6.</nr>
              <al>De richtlijnen bevatten alleen verplichtingen ten aanzien van het door
de houder van de concessie te bereiken resultaat en niet ten aanzien van de
wijze van bedrijfsvoering om dit resultaat te bereiken.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>7.</nr>
              <al>Een besluit tot vaststelling of met betrekking tot wijziging van de richtlijnen
wordt genomen met inachtneming van een bedrijfsmatige en op continuïteit
gerichte exploitatie door de houder van de concessie.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>8.</nr>
              <al>Een beroep door de houder van de concessie, gedaan krachtens artikel 10,
eerste lid, van de Wet openbaarheid van bestuur, op de vertrouwelijkheid van
aan Onze Minister verstrekte informatie als bedoeld in het tweede lid, onder
f, is alleen toegestaan, indien die informatie redelijkerwijs als vertrouwelijk
moet worden aangemerkt.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>9.</nr>
              <al>In onvoorziene omstandigheden kan de houder van de concessie met machtiging
van Onze Minister tijdelijk afwijken van het ingevolge het derde lid, onder
b, terzake van de aanpassing van de tarieven bepaalde.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>10.</nr>
              <al>De in het eerste lid bedoelde algemene richtlijnen worden bekend gemaakt
in de Nederlandse Staatscourant.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>11.</nr>
              <al>Vier jaren na het van kracht worden van de richtlijnen en vervolgens elke vijf jaren nadien dient onze Minister de werking van die richtlijnen
te hebben geëvalueerd.</al>
            </lid>
          </art>
        </par>
        <par>
          <kop>
            <nr>§ 3a.</nr>
            <titel status="off">Bepalingen houdende algemene verplichtingen voor de houder
van een infrastructuurvergunning </titel>
          </kop>
          <art id="a9">
            <kop>
              <nr>Artikel 9</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld
met betrekking tot verplichtingen van de houder van een infrastructuurvergunning.
Deze regels hebben slechts betrekking op:</al>
              <al>a. de capaciteit, kwaliteit en eigenschappen, waaronder de technische
aftapbaarheid, van de vergunde telecommunicatie-infrastructuur;</al>
              <al>b. de wijze en mate van dienstverlening;</al>
              <al>c. het opstellen van een financiële verantwoording van activiteiten,
bedoeld in artikel 4b, eerste lid, welke gescheiden is van die voor andere
activiteiten;</al>
              <al>d. het instellen van een geschillencommissie voor bepaalde groepen van
gebruikers met betrekking tot de toepassing van door de houder van een vergunning
vast te stellen algemene voorwaarden;</al>
              <al>e. het verstrekken van informatie aan Onze Minister ten dienste van het
toezicht op de uitvoering van de infrastructuurvergunning en de daaraan verbonden
voorschriften en op de uitvoering van het bepaalde bij of krachtens de Vergunningenwet
kabelgebonden telecommunicatie-infrastructuur en deze wet.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>De regels, bedoeld in het eerste lid, onder b, betreffen in elk geval:</al>
              <al>a. de tariefstructuur en de aanpassing van de tarieven;</al>
              <al>b. de beveiliging van de telecommunicatie-infrastructuur;</al>
              <al>c. de geheimhouding met betrekking tot de in artikel 4b, tweede lid, bedoelde
dienst en de vaste verbindingen;</al>
              <al>d. de bescherming van de persoonlijke levenssfeer met betrekking tot de
in artikel 4b, tweede lid, bedoelde dienst en de vaste verbindingen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>De inwerkingtreding van de krachtens het eerste lid aan de houder van
een infrastructuurvergunning te stellen regels kan voor de onderscheidene
regels of onderdelen daarvan verschillend zijn;</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>4.</nr>
              <al>De regels kunnen ten aanzien van de tarieven voor het aan de houder van
de concessie, de houder van een vergunning onderscheidenlijk de houder van
een infrastructuurvergunning ter beschikking stellen van vaste verbindingen
als bedoeld in artikel 4b, eerste lid, afwijkende bepalingen bevatten.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>5.</nr>
              <al>De bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels bevatten
alleen verplichtingen ten aanzien van het door de houder van een infrastructuurvergunning
te bereiken resultaat en niet ten aanzien van de wijze van bedrijfsvoering
om dit resultaat te bereiken.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>6.</nr>
              <al>De bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels worden
gegeven met inachtneming van een bedrijfsmatige en op continuïteit gerichte
exploitatie door de houder van een infrastructuurvergunning.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>7.</nr>
              <al>Een beroep door de houder van een infrastructuurvergunning, gedaan krachtens
artikel 10, eerste lid, van de Wet openbaarheid van bestuur, op de vertrouwelijkheid
van aan Onze Minister verstrekte informatie als bedoeld in het eerste lid,
onder e, is alleen toegestaan, indien die informatie redelijkerwijs als vertrouwelijk
moet worden aangemerkt.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>8.</nr>
              <al>In onvoorziene omstandigheden kan de houder van een infrastructuurvergunning
met machtiging van Onze Minister tijdelijk afwijken van het ingevolge het
tweede lid, onder a, ter zake van de aanpassing van de tarieven bepaalde. </al>
            </lid>
          </art>
        </par>
        <par>
          <kop>
            <nr>§ 4.</nr>
            <titel status="off">Overige bepalingen </titel>
          </kop>
          <art id="a10">
            <kop>
              <nr>Artikel 10</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>De houder van de concessie onderscheidenlijk de houder van een infrastructuurvergunning
is gehouden bij de uitvoering van de ingevolge deze wet op hem rustende verplichtingen
terzake van de verzorging van het internationale telecommunicatieverkeer de
daarop betrekking hebbende verplichtingen na te komen, welke voortvloeien
uit het op 6 november 1982 te Nairobi tot stand gekomen Internationaal Telecommunicatieverdrag
met daarbij behorende bijlagen en reglementen (Trb. 1983, 164), zoals het
thans luidt of nadien is gewijzigd, en uit andere Nederland bindende verdragen
of besluiten van volkenrechtelijke organisaties.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Onze Minister geeft in overeenstemming met Onze Minister van Buitenlandse
Zaken aan de houder van de concessie onderscheidenlijk de houder van een infrastructuurvergunning
voorschriften welke strekken tot:</al>
              <al>a. het waarborgen van een goede toepassing van het eerste lid;</al>
              <al>b. het verlenen van de nodige medewerking aan Onze Minister en Onze Minister
van Buitenlandse Zaken bij de voorbereiding van verdragen en besluiten als
bedoeld in het eerste lid en het in verband daarmee te voeren internationale
overleg.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a11">
            <kop>
              <nr>Artikel 11</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>De houder van de concessie kan toestaan dat de uitoefening van het exclusieve
recht krachtens de concessie tot de aanleg, de instandhouding of de exploitatie
van de telecommunicatie-infrastructuur en van de terzake van de uitoefening
op hem ingevolge deze wet rustende verplichtingen geheel of gedeeltelijk geschiedt
door een andere rechtspersoon, indien de desbetreffende rechtspersoon:</al>
              <al>a. is opgericht in overeenstemming met het recht van een der Lid-Staten
van de Europese Gemeenschappen,</al>
              <al>b. het recht tot de aanleg, de instandhouding of de exploitatie krachtens
de concessie feitelijk uitoefent door middel van een vestiging in de zin van
artikel 1, eerste lid, onder a of b, van de Handelsregisterwet,</al>
              <al>c. een geplaatst kapitaal heeft dat voor ten minste 51 procent wordt verschaft
door de houder van de concessie dan wel door een rechtspersoon die voldoet
aan het onder a tot en met d bepaalde, en</al>
              <al>d. een rechtspersoon is waarin de houder van de concessie dan wel de rechtspersoon,
bedoeld onder c, de bevoegdheid heeft de meerderheid van de bestuurders te
benoemen, te schorsen en te ontslaan.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Onze Minister kan aan de houder van de concessie, op diens verzoek, ontheffing
verlenen van de in het eerste lid, onder c en d gestelde eisen waaraan de
in dat lid bedoelde andere rechtspersoon moet voldoen. De ontheffing kan onder
beperkingen worden verleend en daaraan kunnen voorschriften worden verbonden.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>In geval van toepassing van het eerste of tweede lid, blijft de houder
van de concessie jegens Onze Minister verantwoordelijk. De rechtspersoon,
bedoeld in het eerste of tweede lid, is jegens de houder van de concessie
verplicht tot naleving van de ingevolge deze wet op de houder van de concessie
rustende verplichtingen. De houder van de concessie geeft aan de rechtspersoon,
bedoeld in het eerste of tweede lid, daartoe de nodige instructies die deze
gehouden is op te volgen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>4.</nr>
              <al>In geval van toepassing van het eerste of tweede lid, geldt het in de
artikelen 3, vijfde lid, 5, 12, 13, 14, zesde lid, 17, eerste lid, 18, 19,
derde lid, onder a, 21, eerste lid, 23, eerste en tweede lid, 25, tweede lid,
33, eerste lid, 36, 37 en 38 met betrekking tot de houder van de concessie
bepaalde mede ten aanzien van de rechtspersoon die krachtens de toepassing
van het eerste of tweede lid een exclusief recht als daar bedoeld uitoefent. </al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>5.</nr>
              <al>De houder van de concessie deelt Onze Minister voorafgaande aan de toepassing
van het eerste lid, schriftelijk mede welke rechtspersoon de in dat lid bedoelde
aanleg, instandhouding of exploitatie geheel of gedeeltelijk zal uitoefenen.
Onze Minister kan de houder van de concessie te allen tijde verzoeken hem
informatie te verstrekken over de wijze waarop de houder van de concessie
heeft verzekerd dat wordt voldaan aan het bepaalde in het eerste lid.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>6.</nr>
              <al>In de statutaire omschrijving van het doel van de rechtspersoon, bedoeld
in het eerste lid, wordt aangegeven welke concessietaken door de desbetreffende
rechtspersoon zullen worden vervuld.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>7.</nr>
              <al>Onder toestaan als bedoeld in het eerste lid wordt tevens begrepen het
verlenen van medewerking aan overgang onder algemene titel.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a12">
            <kop>
              <nr>Artikel 12</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>De houder van de concessie onderscheidenlijk de houder van een infrastructuurvergunning
is voor de schade als gevolg van het niet goed functioneren van de geconcessioneerde
telecommunicatie-infrastructuur onderscheidenlijk de telecommunicatie-infrastructuur
waarvoor een infrastructuurvergunning is verleend en van tekortkomingen bij
de uitvoering van de krachtens artikel 4, eerste en vierde lid, onderscheidenlijk
artikel 4b, eerste en tweede lid, aan hem opgedragen diensten en van de zorg
voor vaste verbindingen slechts aansprakelijk indien het schade betreft als
gevolg van:</al>
              <al>a. dood of lichamelijk letsel;</al>
              <al>b. een handelen in strijd met de artikelen 374, 374bis en 375 van het
Wetboek van Strafrecht (Stb. 1984, 92);</al>
              <al>c. het niet of onjuist verstrekken, het onzorgvuldig beheren of verwerken
van gegevens betreffende gebruikers van de bedoelde diensten en van vaste
verbindingen dan wel fouten in administratieve inrichtingen samenhangend met
die gegevens.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Bij algemene maatregel van bestuur worden bedragen vastgesteld waarboven
de aansprakelijkheid, bedoeld in het eerste lid, zich niet uitstrekt, waarbij
de hoogte van de bedragen verschillend kan zijn voor onder meer de aard van
de gebeurtenis, de onderscheiden aan de houder van de concessie onderscheidenlijk
de houder van een infrastructuurvergunning krachtens artikel 4, eerste en
vierde lid, onderscheidenlijk artikel 4b, tweede lid, opgedragen diensten
en vaste verbindingen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>De houder van de concessie onderscheidenlijk de houder van een infrastructuurvergunning
kan zich niet beroepen op een uit het eerste en tweede lid voortvloeiende
uitsluiting of beperking van zijn aansprakelijkheid, voor zover de schade
is ontstaan uit zijn eigen handelen of nalaten, geschied hetzij met het opzet
die schade te veroorzaken, hetzij roekeloos en met de wetenschap dat die schade
er waarschijnlijk uit zou voortvloeien.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a13">
            <kop>
              <nr>Artikel 13</nr>
            </kop>
            <al>Ter zake van de verzorging van het internationale telecommunicatieverkeer
is de houder van de concessie onderscheidenlijk de houder van een infrastructuurvergunning
slechts aansprakelijk overeenkomstig de bepalingen van het Internationaal
Telecommunicatieverdrag met daarbij behorende bijlagen en reglementen en andere
Nederland bindende verdragen of besluiten van volkenrechtelijke organisaties
welke betrekking hebben op het internationale telecommunicatieverkeer. </al>
          </art>
        </par>
      </hfdst>
      <hfdst>
        <kop>
          <nr>HOOFDSTUK IIA.</nr>
          <titel status="off">VERGUNNINGEN VOOR SPECIFIEKE VORMEN VAN OPENBARE MOBIELE
TELECOMMUNICATIE </titel>
        </kop>
        <par>
          <kop>
            <nr>§ 1.</nr>
            <titel status="off">Vergunningen voor specifieke vormen van openbare mobiele
telecommunicatie </titel>
          </kop>
          <art id="a13a">
            <kop>
              <nr>Artikel 13a</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Door Onze Minister wordt op aanvraag vergunning verleend voor de aanleg
en instandhouding van telecommunicatie-infrastructuur, nodig voor het voor
derden verzorgen van openbare mobiele telecommunicatiediensten door middel
van bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen technische systemen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>De vergunning wordt verleend in het belang van een doelmatige verzorging
van de in het eerste lid bedoelde diensten.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>Een vergunning omvat niet de aanleg en instandhouding van vaste verbindingen,
bestaande in kabelverbindingen.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a13b">
            <kop>
              <nr>Artikel 13b</nr>
            </kop>
            <al>Bij algemene maatregel van bestuur wordt per technisch systeem het aantal
vergunningen bepaald dat kan worden verleend. Het in de vorige volzin bedoelde
aantal wordt bepaald door de per systeem beschikbare radio-frequenties, tenzij
het aantal vergunningen per systeem bij algemene maatregel van bestuur lager
wordt gesteld, omdat een doelmatige verzorging van de bij de vergunning opgelegde
diensten in het algemeen maatschappelijk en economisch belang dit vordert.</al>
          </art>
          <art id="a13c">
            <kop>
              <nr>Artikel 13c</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>De houder van een vergunning is gerechtigd alle mobiele telecommunicatiediensten
te verzorgen die mogelijk zijn door middel van de hem toegestane telecommunicatie-infrastructuur
in samenhang met het desbetreffende technische systeem.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>De houder van een vergunning is verplicht de bij de vergunning opgelegde
diensten landelijk te verzorgen en aan een ieder tegen vergoeding het gebruik
daarvan ter beschikking te stellen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>De houders van een vergunning kunnen de diensten, bedoeld in het eerste
lid, door middel van gezamenlijke telecommunicatie-infrastructuur aanbieden,
mits onder hun eigen naam en met inachtneming van de krachtens artikel 13l,
tweede lid, terzake voor hen geldende vergunningsvoorschriften.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>4.</nr>
              <al>De houder van een vergunning kan de diensten, bedoeld in het eerste lid,
door een derde doen verrichten, met dien verstande dat de diensten die de
houder van de vergunning op grond van het tweede lid zijn opgelegd, door de
derde slechts onder de naam van de houder van de vergunning mogen worden verricht.
Het in de vorige volzin met betrekking tot de derde gestelde is niet van toepassing
indien de derde niet is een rechtspersoon, opgericht in overeenstemming met
het recht van een der Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen die zijn statutaire
zetel, zijn hoofdbestuur, of zijn hoofdvestiging heeft binnen de Gemeenschap,
danwel de derde niet kan aantonen dat hij zich op een in rechte afdwingbare
wijze heeft verbonden een dergelijke rechtspersoon op te richten.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>5.</nr>
              <al>Bij toepassing van het vierde lid blijven de verplichtingen van deze wet
op de houder van de vergunning toepasselijk.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>6.</nr>
              <al>De houder van de vergunning draagt er zorg voor dat de derde, bedoeld
in het vierde lid, de diensten uitvoert in overeenstemming met de bij of krachtens
de wet gestelde voorschriften.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>7.</nr>
              <al>Indien de houder van een vergunning toepassing geeft aan het bepaalde
in het derde of vierde lid, doet hij daarvan mededeling aan Onze Minister.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a13d">
            <kop>
              <nr>Artikel 13d</nr>
            </kop>
            <al>Het is de houder van een vergunning verboden de telecommunicatie-infrastructuur
waarop de vergunning betrekking heeft, te gebruiken of te doen gebruiken voor
andere doeleinden dan de diensten die mogelijk zijn met het desbetreffende
technische systeem.</al>
          </art>
          <art id="a13e">
            <kop>
              <nr>Artikel 13e</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Tegelijkertijd met de verlening van een vergunning kent Onze Minister
bij beschikking tevens de radiofrequenties toe ten behoeve van het uitvoeren
van de vergunning.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Indien met toepassing van artikel 13i aan Koninklijke PTT Nederland N.V.
een vergunning wordt verleend, wordt onder een toekenning als bedoeld in het
eerste lid mede verstaan de beschikking van Onze Minister dat reeds eerder
aan Koninklijke PTT Nederland N.V. als concessiehouder toegekende frequenties
kunnen worden aangewend voor de uitvoering van de vergunning.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>Tijdens de looptijd van een vergunning kan Onze Minister bij beschikking
wijzigingen aanbrengen in de toegekende radiofrequenties.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a13f">
            <kop>
              <nr>Artikel 13f</nr>
            </kop>
            <al>Het is anderen dan de houder van een vergunning verboden om telecommunicatie-infrastructuur
als bedoeld in artikel 13a, aan te leggen of in stand te houden.</al>
          </art>
          <art id="a13g">
            <kop>
              <nr>Artikel 13g</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>De houder van een vergunning dan wel de derde als bedoeld in artikel 13c,
vierde lid, dient de vergunning te exploiteren door middel van een vestiging
als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder a of b, van de Handelsregisterwet.
De houder van een vergunning dan wel de derde, dient zijn boekhouding in Nederland
te voeren. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld
met betrekking tot de overige verplichtingen van de houder van een vergunning.
Deze betreffen:</al>
              <al>a. de capaciteit, kwaliteit en eigenschappen, waaronder de technische
aftapbaarheid, van de telecommunicatie-infrastructuur, bedoeld in artikel
13a, eerste lid,</al>
              <al>b. het gebruik van de radio-frequenties,</al>
              <al>c. het instandhouden van een kwalitatief hoogwaardige en innovatieve dienstverlening,
aangepast aan de stand der ontwikkelingen,</al>
              <al>d. het instellen van een geschillencommissie voor bepaalde groepen van
gebruikers met betrekking tot de toepassing van door de houder van een vergunning
vast te stellen algemene voorwaarden,</al>
              <al>e. de verplichting zich te binden aan door Onze Minister aan te wijzen,
in internationaal verband gemaakte, afspraken met betrekking tot de telecommunicatie-infrastructuur
voor het desbetreffende technische systeem en de daarmee te verlenen diensten,</al>
              <al>f. het verstrekken van informatie aan Onze Minister ten dienste van het
toezicht op de uitvoering van de vergunning en daaraan verbonden voorschriften
en op de uitvoering van het bepaalde bij of krachtens deze wet.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>De regels, bedoeld in het eerste lid, onder c, betreffen:</al>
              <al>a. de wijze en mate van dienstverlening, waarbij onderscheid gemaakt kan
worden tussen dienstaanbieders en anderen,</al>
              <al>b. de kenbaarheid van tarieven, </al>
              <al>c. de beveiliging van de telecommunicatie-infrastructuur,</al>
              <al>d. de geheimhouding met betrekking tot diensten, en</al>
              <al>e. de bescherming van de persoonlijke levenssfeer met betrekking tot diensten.</al>
            </lid>
          </art>
        </par>
        <par>
          <kop>
            <nr>§ 2.</nr>
            <titel status="off">Verlening van vergunningen </titel>
          </kop>
          <art id="a13h">
            <kop>
              <nr>Artikel 13h</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld
omtrent de inhoud van aanvragen om een vergunning en de daarbij over te leggen
gegevens. Van de aanvraag maakt in elk geval deel uit een technisch en commercieel
plan voor de aanleg, instandhouding en exploitatie van de telecommunicatie-infrastructuur.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld
met betrekking tot de indiening en behandeling van aanvragen om een vergunning.
De procedure van behandeling is ingericht op een per technisch systeem gelijktijdige
verlening van het beschikbare aantal vergunningen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>Een vergunning wordt geweigerd indien:</al>
              <al>a. de aanvrager niet is een rechtspersoon, opgericht in overeenstemming
met het recht van een der Lid-Staten van de Europese Unie of van een van de
overige staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese
Economische Ruimte en die zijn statutaire zetel, zijn hoofdbestuur of zijn
hoofdvestiging heeft binnen de Europese Economische Ruimte, danwel de aanvrager
niet kan aantonen dat hij zich op een in rechte afdwingbare wijze heeft verbonden
een dergelijke rechtspersoon op te richten,</al>
              <al>b. naar verwachting niet zal of kan worden voldaan aan het bij of krachtens
deze wet met betrekking tot vergunningen bepaalde,</al>
              <al>c. niet wordt voldaan aan de bij algemene maatregel van bestuur aan de
aanvragers te stellen eisen met betrekking tot de liquiditeit, solvabiliteit,
technische middelen, kennis en ervaring, benodigd om de continuteit van aanleg,
instandhouding en exploitatie van de desbetreffende telecommunicatie-infrastructuur
te waarborgen,</al>
              <al>d. niet wordt doorstaan de vergelijkende toets tussen de aanvragers en
tussen de overeenkomstig het eerste lid bij de aanvragen ingediende plannen
op kwaliteitsaspecten, welke in elk geval betreffen:</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>de onder c genoemde aspecten,</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>de kwaliteit van de te bieden telecommunicatie-infrastructuur,</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>het voorgenomen gebruik van de beschikbare radio-frequenties,</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>4.</nr>
              <al>de diensten die de aanvrager zal aanbieden, en</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>5.</nr>
              <al>de tarieven die de aanvrager zal toepassen voor de door hem te leveren
diensten.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a13i">
            <kop>
              <nr>Artikel 13i</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>In afwijking van het bepaalde in artikel 13h verleent Onze Minister aan
Koninklijke PTT Nederland N.V. op aanvraag een vergunning voor bij algemene
maatregel van bestuur aangewezen technische systemen. Van de aanvraag maakt
in elk geval deel uit een technisch en commercieel plan voor de aanleg, instandhouding
en exploitatie van de telecommunicatie-infrastructuur.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld
omtrent de inhoud van de aanvraag om een vergunning als bedoeld in het eerste
lid en de procedure betreffende de indiening en behandeling daarvan.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>Vooruitlopend op het verlenen van een vergunning krachtens het eerste
lid wordt aan Koninklijke PTT Nederland N.V. een tijdelijke vergunning verleend,
die van kracht wordt op het tijdstip van inwerkingtreding van
deze wet. Voor de toepassing van de artikelen 13a, 13c, 13d, 13e, 13f, 13g,
13j, 13l, 13m, 13n, 13o, onder a, c en e, 13p, behoudens het bepaalde in het
tweede lid, onder d, 13q tot en met 13w, 41, eerste lid, onder a, 48, vijfde
lid, 48a, 54, 57, 59, 60, eerste lid, 62, derde lid, en 64, eerste lid, wordt
de tijdelijke vergunning bedoeld in de vorige volzin, aangemerkt als een vergunning
krachtens artikel 13a.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a13j">
            <kop>
              <nr>Artikel 13j</nr>
            </kop>
            <al>In de vergunning wordt aangegeven voor welke telecommunicatie-infrastructuur
en voor welke opgelegde diensten de vergunning strekt.</al>
          </art>
          <art id="a13k">
            <kop>
              <nr>Artikel 13k</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Vergunningen worden verleend voor een bij algemene maatregel van bestuur
te bepalen duur. Deze duur kan per technisch systeem verschillend zijn.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Uiterlijk twee jaar voor de afloop van de geldigheidsduur van een vergunning
geeft Onze Minister aan de houder van de vergunning kennis of de vergunning
kan worden verlengd en – indien dit het geval is – voor welke
periode. De in de eerste volzin bedoelde besluiten van Onze Minister zijn
gelijk ten aanzien van alle vergunningen, die voor hetzelfde technische systeem
zijn verleend. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt de procedure
bepaald volgens welke verlenging plaatsvindt.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a13l">
            <kop>
              <nr>Artikel 13l</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Onze Minister kan aan een vergunning voorschriften en beperkingen verbinden.
Deze voorschriften en beperkingen kunnen worden gewijzigd.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>De voorschriften hebben in elk geval betrekking op:</al>
              <al>a. de dekkingsgraad van de eigen telecommunicatie-infrastructuur van de
houder van de desbetreffende vergunning,</al>
              <al>b. de termijn waarop de houder van de desbetreffende vergunning de telecommunicatie-infrastructuur,
bedoeld onder a, dient te hebben aangelegd,</al>
              <al>c. de diensten die moeten worden aangeboden,</al>
              <al>d. de termijn waarop de houder van de desbetreffende vergunning de onder
c bedoelde diensten landelijk dekkend dient aan te bieden, en</al>
              <al>e. de tarieven waartegen de houder van de desbetreffende vergunning de
onder c bedoelde diensten ten hoogste mag aanbieden, met dien verstande dat
dit voorschrift alleen betrekking heeft op een periode van zes maanden, gerekend
vanaf het tijdstip waarop de houder van de vergunning als zodanig aanvangt
met het verzorgen van diensten.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>Onze Minister kan aan een beschikking houdende toekenning van radio-frequenties
voorschriften en beperkingen verbinden. Deze voorschriften en beperkingen
kunnen worden gewijzigd.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a13m">
            <kop>
              <nr>Artikel 13m</nr>
            </kop>
            <al>Van de verlening van een vergunning, van de beschikking houdende toekenning
van radio-frequenties en van de verlenging van een vergunning wordt zo spoedig
mogelijk mededeling gedaan in de Staatscourant onder vermelding van het tijdstip
waarop de vergunning en de beschikking van kracht worden. </al>
          </art>
          <art id="a13n">
            <kop>
              <nr>Artikel 13n</nr>
            </kop>
            <al>De houder van een vergunning is verplicht de vergunning, zodra deze rechtskracht
heeft verkregen, in al haar onderdelen uit te voeren en met deze uitvoering
onverwijld te beginnen.</al>
          </art>
        </par>
        <par>
          <kop>
            <nr>§ 3.</nr>
            <titel status="off">Telecommunicatie-infrastructuur </titel>
          </kop>
          <art id="a13o">
            <kop>
              <nr>Artikel 13o</nr>
            </kop>
            <al>De houder van een vergunning is, onverminderd zijn bevoegdheid krachtens
artikel 13a, gerechtigd bij de aanleg en instandhouding van zijn telecommunicatie-infrastructuur
gebruik te maken van vaste verbindingen die:</al>
            <al>a. hem door de houder van de concessie met toepassing van artikel 4, tweede
lid, ter beschikking zijn gesteld,</al>
            <al>b. hem door de houder van een infrastructuurvergunning met toepassing
van artikel 4b, eerste lid, ter beschikking zijn gesteld,</al>
            <al>c. hem door de huurder van een vaste verbinding, die de vaste verbinding
met toepassing van artikel 4, tweede lid, of artikel 4b, eerste lid, heeft
gehuurd van de houder van de concessie onderscheidenlijk de houder van een
infrastructuurvergunning, ter beschikking zijn gesteld,</al>
            <al>d. hem door een machtiginghouder met toepassing van artikel 22, tweede
lid, onder a, dan wel artikel 23a, ter beschikking zijn gesteld, of</al>
            <al>e. hem door de huurder van een vaste verbinding, die de vaste verbinding
met toepassing van artikel 22, tweede lid, onder a, of artikel 23a heeft gehuurd
van een geregistreerde houder van een machtiging voor een draadomroepinrichting
als bedoeld in artikel 22a onderscheidenlijk de geregistreerde houder van
een machtiging voor een kabelinrichting als bedoeld in artikel 23a ter beschikking
zijn gesteld, of</al>
            <al>f. door hemzelf met toepassing van artikel 13r zijn aangelegd.</al>
          </art>
        </par>
        <par>
          <kop>
            <nr>§ 4.</nr>
            <titel status="off">Koppelingen telecommunicatie-infrastructuur </titel>
          </kop>
          <art id="a13p">
            <kop>
              <nr>Artikel 13p</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>De houder van een vergunning mag koppelingen tot stand brengen of doen
brengen tussen zijn telecommunicatie-infrastructuur en de geschakelde telecommunicatie-infrastructuur
van de houder van de concessie, tussen zijn telecommunicatie-infrastructuur
en de telecommunicatie-infrastructuur van een andere houder van een vergunning
alsmede tussen zijn telecommunicatie-infrastructuur en een telecommunicatie-infrastructuur
of telecommunicatie-inrichting buiten Nederland.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>De houder van een vergunning is gerechtigd bij het tot stand brengen van
koppelingen als bedoeld in het eerste lid gebruik te maken van vaste verbindingen
die:</al>
              <al>a. hem door de houder van de concessie met toepassing van artikel 4, tweede
lid, ter beschikking zijn gesteld,</al>
              <al>b. hem door de houder van een infrastructuurvergunning met toepassing
van artikel 4b, eerste lid, ter beschikking zijn gesteld,</al>
              <al>c. hem door de huurder van een vaste verbinding, die de vaste verbinding
met toepassing van artikel 4, tweede lid, of artikel 4b, eerste lid, heeft
gehuurd van de houder van de concessie onderscheidenlijk de houder van een
infrastructuurvergunning, ter beschikking zijn gesteld,</al>
              <al>d. hem door een machtiginghouder met toepassing van artikel 23a, dan wel
artikel 22, tweede lid, onder a, ter beschikking zijn gesteld,</al>
              <al>e. hem door de huurder van een vaste verbinding, die de vaste verbinding
met toepassing van artikel 22, tweede lid, onder a, of artikel 23a heeft gehuurd
van een geregistreerde houder van een machtiging voor een kabelinrichting
als bedoeld in artikel 23a ter beschikking zijn gesteld, of</al>
              <al>f. door hemzelf met toepassing van artikel 13r zijn aangelegd.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>Het is de houder van een vergunning verboden zijn telecommunicatie-infrastructuur
te koppelen of te doen koppelen met een telecommunicatie-inrichting als bedoeld
in paragraaf 2 van hoofdstuk III.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>4.</nr>
              <al>Onze Minister kan in bijzondere gevallen ontheffing verlenen van het verbod,
bedoeld in het derde lid.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a13q">
            <kop>
              <nr>Artikel 13q</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Indien de houder van een vergunning en de houder van de concessie geen
overeenstemming bereiken over de voorwaarden waaronder de houder van de concessie
met toepassing van artikel 4, voorzieningen of vaste verbindingen ter beschikking
wil stellen ten behoeve van de koppeling tussen de telecommunicatie-infrastructuur
van de houder van de vergunning en de geschakelde telecommunicatie-infrastructuur
van de houder van de concessie, of weigert daartoe een aanbod te doen, kan
de houder van een vergunning Onze Minister verzoeken hierover een oordeel
te geven.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>De houder van de concessie en de houder van een vergunning zijn verplicht
aan Onze Minister binnen twee weken alle benodigde gegevens te verstrekken
die nodig zijn om een oordeel als bedoeld in het eerste lid te geven.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>Onze Minister geeft binnen acht weken na het in het eerste lid bedoelde
verzoek, een oordeel. Indien het oordeel inhoudt dat de door de houder van
de concessie aangeboden voorwaarden onredelijk zijn, of dat de houder van
de concessie niet mocht weigeren een aanbod te doen, kan Onze Minister een
aanwijzing als bedoeld in artikel 43 geven. De houder van de concessie is
verplicht deze aanwijzing op te volgen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>4.</nr>
              <al>De termijn, bedoeld in het derde lid, kan door Onze Minister met ten hoogste
12 weken worden verlengd. Degene die een verzoek heeft gedaan alsmede de andere
betrokkene, bedoeld in het eerste lid, worden van een verlenging uiterlijk
een week voor afloop van de termijn in kennis gesteld.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a13r">
            <kop>
              <nr>Artikel 13r</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Indien de houder van de concessie niet bereid of in staat is de door de
houder van een vergunning gevraagde kabelverbindingen ten behoeve van de telecommunicatie-infrastructuur
van de houder van de vergunning of ten behoeve van een krachtens artikel 13p
toegestane koppeling binnen een redelijke termijn en op redelijke voorwaarden
aan de houder van een vergunning ter beschikking te stellen, verleent Onze
Minister op aanvraag aan de houder van een vergunning toestemming voor het
geheel of gedeeltelijk in, op of boven openbare gronden aanleggen, in stand
houden en gebruiken van een aan die kabelverbindingen gelijkwaardige voorziening.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Het eerste lid is niet van toepassing indien het een koppeling van de
telecommunicatie-infrastructuur van de houder van de vergunning en de geschakelde
telecommunicatie-infrastructuur van de houder van de concessie betreft, indien
de houder van de vergunning ter zake een verzoek heeft ingediend als bedoeld
in artikel 13q, eerste lid.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden voorschriften gegeven
omtrent de procedure voor de verlening van de toestemming als bedoeld in het
eerste lid.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>4.</nr>
              <al>De artikelen 13l, eerste lid, en 13m zijn van overeenkomstige toepassing. </al>
            </lid>
          </art>
        </par>
        <par>
          <kop>
            <nr>§ 5.</nr>
            <titel status="off">Diensten </titel>
          </kop>
          <art id="a13s">
            <kop>
              <nr>Artikel 13s</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>De houder van een vergunning is verplicht te voldoen aan redelijke verzoeken
van dienstaanbieders om voorzieningen ter beschikking te stellen ten behoeve
van of direct verband houdende met het door hen aan derden aanbieden van mobiele
telecommunicatiediensten. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur
kunnen regels worden gesteld omtrent de in dit lid bedoelde voorzieningen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>De houder van een vergunning stelt de in het vorige lid bedoelde voorzieningen
ter beschikking op door hem daarvoor te bepalen en bekend te maken objectieve
en niet-discriminatoire voorwaarden betreffende tarieven en technische specificaties.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>De houder van de vergunning gaat bij zijn aanbod uit van de door de dienstaanbieder
gevraagde voorzieningen, tenzij deze technisch niet mogelijk zijn, de integriteit
van de telecommunicatie-infrastructuur van de houder van de vergunning in
gevaar brengen of redelijkerwijs niet noodzakelijk zijn voor een doelmatige
verzorging van de diensten van de dienstaanbieder.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>4.</nr>
              <al>Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt bepaald in welke
gevallen de houder van een vergunning niet gehouden is aan het bepaalde in
het eerste lid te voldoen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>5.</nr>
              <al>Artikel 13d is van overeenkomstige toepassing op de dienstaanbieder.</al>
            </lid>
          </art>
        </par>
        <par>
          <kop>
            <nr>§ 6.</nr>
            <titel status="off">Overige bepalingen </titel>
          </kop>
          <art id="a13t">
            <kop>
              <nr>Artikel 13t</nr>
            </kop>
            <al>De artikelen 6, eerste lid, 10, 11, eerste tot en met derde lid, en vijfde
tot en met zevende lid, en 12 zijn van overeenkomstige toepassing voor de
houder van een vergunning.</al>
          </art>
          <art id="a13u">
            <kop>
              <nr>Artikel 13u</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>De houder van een vergunning kan zijn vergunning niet aan een ander overdragen,
tenzij hij daartoe van Onze Minister toestemming heeft verkregen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>De toestemming wordt geweigerd indien de houder van een vergunning zijn
vergunning wenst over te dragen aan:</al>
              <al>a. de houder van de concessie, dan wel aan een dochtermaatschappij daarvan
als bedoeld in artikel 24a, eerste en tweede lid, van boek 2 van het Burgerlijk
Wetboek,</al>
              <al>b. een andere houder van een vergunning voor hetzelfde technische systeem,
dan wel aan een dochtermaatschappij daarvan als bedoeld in artikel 24a, eerste
en tweede lid, van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, of</al>
              <al>c. de Staat der Nederlanden, dan wel aan een rechtspersoon waarvan de
Staat der Nederlanden middellijk dan wel onmiddellijk voor meer dan de helft
van het geplaatste kapitaal aandeelhouder is.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>Onze Minister kan aan de toestemming voorschriften en beperkingen verbinden.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a13v">
            <kop>
              <nr>Artikel 13v</nr>
            </kop>
            <al>Onze Minister kan een vergunning slechts intrekken indien:</al>
            <al>a. de houder van een vergunning de bij of krachtens deze wet gestelde
regels dan wel de aan de vergunning verbonden voorschriften en beperkingen
niet nakomt; </al>
            <al>b. de houder van een vergunning in staat van faillissement is verklaard
dan wel hem surséance van betaling is verleend;</al>
            <al>c. een doelmatige verzorging van de telecommunicatie in het algemeen maatschappelijk
en economisch belang dit vordert;</al>
            <al>d. de vrees gewettigd is dat het van kracht blijven van de vergunning
ernstig gevaar zal opleveren voor de veiligheid van de Staat of de rechtsorde;</al>
            <al>e. de vergunning niet onverwijld wordt uitgevoerd;</al>
            <al>f. de gronden waarop de vergunning is verleend zijn vervallen.</al>
          </art>
          <art id="a13w">
            <kop>
              <nr>Artikel 13w</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Onze Minister kent aan de houders van een vergunning nummers toe of kan
voor hem nummers reserveren, waarbij voorschriften en beperkingen kunnen worden
gesteld.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Bij de verdeling van deze nummers maakt Onze Minister, behoudens het bepaalde
in artikel 13x, geen onderscheid tussen de houders van een vergunning voor
hetzelfde technische systeem.</al>
            </lid>
          </art>
        </par>
        <par>
          <kop>
            <nr>§ 7.</nr>
            <titel status="off">Bepalingen in verband met de ongelijke startpositie van
houders van een vergunning </titel>
          </kop>
          <art id="a13x">
            <kop>
              <nr>Artikel 13x</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Onze Minister kan, onverminderd het bepaalde in artikel 13l, aan de vergunning
van Koninklijke PTT Nederland N.V. voor een bepaald technisch systeem voorschriften
en beperkingen verbinden, die ertoe strekken tussen deze houder van een vergunning
en een andere houder van een vergunning voor het desbetreffende technische
systeem de ongelijkwaardigheid in de mededingingspositie te verminderen, welke
het gevolg is van de mogelijkheden van Koninklijke PTT Nederland N.V. om als
houder van de concessie of als houder van een vergunning of van de tijdelijke
vergunning, bedoeld in artikel 13i, derde lid, op een eerder tijdstip dan
die andere houder van een vergunning tot aanleg en exploitatie van telecommunicatie-infrastructuur
voor dat systeem over te gaan.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Onze Minister geeft aan het eerste lid uitsluitend toepassing op verzoek
van een andere houder van een vergunning als bedoeld in het eerste lid.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>De voorschriften en beperkingen kunnen, afhankelijk van het verzoek en
onverminderd het bepaalde in artikel 13s, inhouden de beide volgende verplichtingen
of één daarvan:</al>
              <al>a. 1°. het er aan medewerken, gedurende een door Onze Minister te
bepalen periode, dat de verzoeker als dienstaanbieder de diensten kan aanbieden,
die Koninklijke PTT Nederland N.V. als vergunninghouder krachtens artikel
13j verplicht is over haar telecommunicatie-infrastructuur te verzorgen, met
dien verstande dat Koninklijke PTT Nederland N.V. deze diensten alsdan dient
te verzorgen niet alleen met gebruikmaking van haar nummers, maar ook, uitsluitend
ten behoeve van de verzoeker, met gebruikmaking van de nummers van verzoeker,
en</al>
              <al>2°. het er aan medewerken, gedurende een door Onze Minister te bepalen
periode na het verlopen van de onder 1° bedoelde periode, dat de verzoeker
als houder van de vergunning met gebruikmaking van zijn nummers ten dele over
de telecommunicatie-infrastructuur van Koninklijke PTT Nederland N.V., de
onder 1° bedoelde diensten kan verzorgen en aanbieden, of</al>
              <al>b. het bieden van de mogelijkheid aan de gebruikers van de diensten die
door Koninklijke PTT Nederland N.V. over haar telecommunicatie-infrastructuur
met gebruikmaking van haar nummers worden verzorgd, om hun oorspronkelijke
abonneenummer te behouden indien zij ervoor kiezen mobiele telecommunicatiediensten
over de telecommunicatie-infrastructuur van de verzoeker te laten verzorgen.</al>
            </lid>
          </art>
        </par>
      </hfdst>
      <hfdst>
        <kop>
          <nr>HOOFDSTUK III.</nr>
          <titel status="off">TELECOMMUNICATIE-INRICHTINGEN </titel>
        </kop>
        <par>
          <kop>
            <nr>§ 1.</nr>
            <titel status="off">Inleidende bepalingen </titel>
          </kop>
          <art id="a14">
            <kop>
              <nr>Artikel 14</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Het is degene die krachtens paragraaf 2 van dit hoofdstuk is gerechtigd
een telecommunicatie-inrichting aan te leggen, in stand te houden of te gebruiken
verboden die inrichting te gebruiken of te doen gebruiken voor het voor derden
verzorgen van:</al>
              <al>a. diensten omschreven krachtens artikel 4, eerste lid, of</al>
              <al>b. het directe transport van gegevens met uitzondering van:</al>
              <al>1°. die mobiele diensten waartoe de inrichting mag worden gebruikt
krachtens een machtiging als bedoeld in artikel 17, eerste lid, of een aanwijzing
als bedoeld in artikel 17, tweede lid, en</al>
              <al>2°. niet mobiele diensten, met uitzondering van de spraaktelefoondienst
en de telexdienst, waartoe de inrichting mag worden gebruikt krachtens een
machtiging als bedoeld in artikel 17, eerste lid. Artikel 7, vierde lid, is
van overeenkomstige toepassing. Het verbod op de spraaktelefoondienst en de
telexdienst geldt tot 1 juli 1997.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet indien de desbetreffende handelingen
worden verricht in het kader van een toegevoegde waardedienst.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>Het is degene die krachtens paragraaf 2 van dit hoofdstuk gerechtigd is
een telecommunicatie-inrichting, niet zijnde een inrichting voor satellietverbindingen,
aan te leggen, in stand te houden of te gebruiken verboden die inrichting
geheel of ten dele aan een derde ter beschikking te stellen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>4.</nr>
              <al>Met betrekking tot het gebruik van een telecommunicatie-inrichting als
bedoeld in paragraaf 4 van dit hoofdstuk is het bepaalde in de artikelen 7,
7a en 7b van overeenkomstige toepassing.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>5.</nr>
              <al>Onze Minister kan ten aanzien van een telecommunicatie-inrichting als
bedoeld in artikel 17, waarop artikel 18 niet van toepassing is, van het verbod
in het eerste lid ontheffing verlenen voor telecommunicatie tussen gebruikers
van een bepaalde bij die ontheffing aan te geven categorie, indien de houder
van de concessie niet bereid is of niet in staat is binnen redelijke termijn
en tegen redelijke voorwaarden het gebruik van een gelijkwaardige voorziening
ter beschikking te stellen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>6.</nr>
              <al>Aan de ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden
in verband met het doel waarvoor de ontheffing wordt verleend.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>7.</nr>
              <al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op de bij of krachtens
de Mediawet toegestane verspreiding van programma's door middel van de in
het vijfde lid bedoelde inrichtingen.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a14a">
            <kop>
              <nr>Artikel 14a</nr>
            </kop>
            <al>Het bepaalde in de artikelen 7a en 7b is van overeenkomstige toepassing
op het voor derden verzorgen van telecommunicatiediensten over satellietverbindingen.</al>
          </art>
          <art id="a15">
            <kop>
              <nr>Artikel 15</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld
ten aanzien van de totstandkoming van besluiten tot verlening, wijziging of
intrekking van een machtiging voor een telecommunicatie-inrichting,
als bedoeld in de artikelen 17, eerste lid, 19, derde lid, onder a, 21, eerste
en derde lid, 22, tweede lid, 23, eerste lid, en van een ontheffing als bedoeld
in artikel 14, vijfde lid, en 25, tweede lid.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Deze regels kunnen slechts betrekking hebben op:</al>
              <al>a. de wijze waarop een aanvraag tot verlening, wijziging of intrekking
van een machtiging of een ontheffing wordt ingediend en behandeld, en de wijze
waarop de ambtshalve wijziging of intrekking van een machtiging of een ontheffing
wordt voorbereid;</al>
              <al>b. de gegevens die bij een aanvraag tot verlening, wijziging of intrekking
van een machtiging of een ontheffing worden verstrekt;</al>
              <al>c. de termijn waarbinnen op de aanvraag wordt beslist.</al>
            </lid>
          </art>
        </par>
        <par>
          <kop>
            <nr>§ 2.</nr>
            <titel status="off">Radio-elektrische zend- en ontvanginrichtingen </titel>
          </kop>
          <art id="a16">
            <kop>
              <nr>Artikel 16</nr>
            </kop>
            <al>Voor de toepassing van deze paragraaf en artikel 26 worden met radio-elektrische
zendinrichtingen gelijkgesteld:</al>
            <al>a. elke samenvoeging van onderdelen, geschikt om daarmede een radio-elektrische
zendinrichting dan wel ingevolge het bepaalde onder b daarmee gelijkgestelde
inrichting te vormen;</al>
            <al>b. de bij algemene maatregel van bestuur te omschrijven elektrische of
elektronische inrichtingen die geschikt zijn om door gebruik te zamen met
een radio-elektrische zendinrichting een radio-elektrische zendinrichting
te vormen met andere technische eigenschappen.</al>
          </art>
          <art id="a17">
            <kop>
              <nr>Artikel 17</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Het is anders dan krachtens de concessie, krachtens een landelijke infrastructuurvergunning
of krachtens een vergunning verboden radio-elektrische zendinrichtingen aan
te leggen, aanwezig te hebben of te gebruiken, tenzij met machtiging van Onze
Minister.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen worden aangewezen:</al>
              <al>a. radio-elektrische zendinrichtingen waarvoor geen machtiging als bedoeld
in het eerste lid is vereist;</al>
              <al>b. overheidsinstanties en categorieën van natuurlijke of rechtspersonen
die in daarbij te omschrijven gevallen zijn vrijgesteld van het vereiste van
een machtiging als bedoeld in het eerste lid.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald ten aanzien van
welke radio-elektrische zendinrichtingen de aanleg, het aanwezig hebben of
het gebruik zonder de daartoe vereiste machtiging, als misdrijf wordt strafbaar
gesteld.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>4.</nr>
              <al>Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld
met betrekking tot:</al>
              <al>a. de in het eerste lid bedoelde machtigingen;</al>
              <al>b. de aanleg, het aanwezig hebben en het gebruik van radio-elektrische
zendinrichtingen, ongeacht of daarvoor een machtiging is vereist.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>5.</nr>
              <al>De in het vierde lid bedoelde regels strekken ter waarborging van een
doelmatig gebruik van de ether. Zij kunnen mede strekken ten dienste van een
doelmatige verzorging van de telecommunicatie in het algemeen maatschappelijk
en economisch belang.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>6.</nr>
              <al>De in het vierde lid bedoelde regels kunnen slechts betrekking hebben
op:</al>
              <al>a. het verlenen van machtigingen als bedoeld in het eerste lid, waarbij
een onderscheid kan worden gemaakt naar de aard van de radio-elektrische zendinrichting
en het doel waarvoor de machtiging wordt verleend, alsmede de aan die machtigingen
te verbinden voorschriften en beperkingen; </al>
              <al>b. de bevoegdheid tot het bedienen van daarbij te omschrijven categorieën
van radio-elektrische zendinrichtingen;</al>
              <al>c. de aan radio-elektrische zendinrichtingen te stellen technische eisen,
de keuring, de toelating en de registratie van deze inrichtingen alsmede het
vaststellen en het aanbrengen van een keurmerk op daarbij aan te wijzen radio-elektrische
zendinrichtingen; de te stellen regels hebben geen betrekking op onderwerpen
die geregeld kunnen worden krachtens hoofdstuk V;</al>
              <al>d. het voorkomen en opheffen van belemmeringen die radio-elektrische zendinrichtingen
teweeg brengen in daarbij te omschrijven inrichtingen en de behandeling van
klachten over ondervonden belemmeringen;</al>
              <al>e. het maken van handelsreclame voor radio-elektrische zendinrichtingen,
waarvan het gebruik bij of krachtens de wet is verboden;</al>
              <al>f. het in de uitoefening van een beroep of bedrijf vervaardigen, verhandelen,
installeren of herstellen van radio-elektrische zendinrichtingen;</al>
              <al>g. hetgeen nodig is ter uitvoering van Nederland bindende verdragen en
besluiten van volkenrechtelijke organisaties.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>7.</nr>
              <al>Een machtiging wordt geweigerd indien:</al>
              <al>a. verlening daarvan in strijd zou zijn met de krachtens het vierde lid
of artikel 30b, eerste lid, onder a, gestelde regels;</al>
              <al>b. een doelmatig gebruik van de ether dit vordert;</al>
              <al>c. een doelmatige verzorging van de telecommunicatie in het algemeen maatschappelijk
en economisch belang dit vordert;</al>
              <al>d. deze is gevraagd voor het verspreiden van programma's en de verlening
in strijd zou zijn met de Radio-Omroep-Zender-Wet 1935 (Stb. 403) of daarvoor
geen zendtijd is verkregen of geen toestemming is verleend krachtens de Mediawet.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>8.</nr>
              <al>Het zevende lid, onder c, is niet van toepassing op een machtigingsaanvraag
die tot doel heeft het gebruik van de in de aanvraag omschreven radio-elektrische
zendinrichtingen ten behoeve van het voor derden verzorgen van het transport
van gegevens met en tussen mobiele gebruikers.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>9.</nr>
              <al>Een machtiging kan voorts slechts worden geweigerd indien:</al>
              <al>a. een eerder verleende machtiging als bedoeld in het eerste lid is ingetrokken
wegens overtreding van de bij of krachtens deze wet gestelde regels dan wel
van de aan de machtiging verbonden voorschriften of beperkingen;</al>
              <al>b. de aanvrager niet heeft voldaan aan nog op hem rustende verplichtingen
welke voortvloeien uit een eerder aan hem verleende machtiging;</al>
              <al>c. de aanvraag niet voldoet aan de daarvoor krachtens artikel 15 gestelde
regels.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>10.</nr>
              <al>Een machtiging kan slechts worden ingetrokken indien:</al>
              <al>a. de houder van de machtiging de bij of krachtens deze wet gestelde regels
dan wel de aan de machtiging verbonden voorschriften en beperkingen niet nakomt;</al>
              <al>b. een doelmatig gebruik van de ether dit vordert;</al>
              <al>c. de vrees gewettigd is dat het van kracht blijven van de machtiging
ernstig gevaar zal opleveren voor de veiligheid van de Staat of de rechtsorde;</al>
              <al>d. de gronden waarop de machtiging is verleend zijn vervallen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>11.</nr>
              <al>Onze Minister kan aan de houder van een machtiging nummers toekennen of
voor hem nummers reserveren ten behoeve van het verzorgen van telecommunicatiediensten
over zijn radio-elektrische zendinrichtingen door hemzelf of door derden,
waarbij voorschriften en beperkingen kunnen worden gesteld. </al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a18">
            <kop>
              <nr>Artikel 18</nr>
            </kop>
            <al>Tot 1 januari 1997 wordt in afwijking van artikel 17, zevende lid, onder
c, een machtiging voor het aanleggen, aanwezig hebben of gebruiken van een
radio-elektrische zendinrichting, die is bestemd voor het tussen vaste punten
tot stand brengen van een of meer verbindingen, niet zijnde satellietverbindingen,
welke dienen voor telecommunicatie die, geheel of gedeeltelijk, openbare grond
overschrijdt, geweigerd indien:</al>
            <al>a. de houder van de concessie bereid en in staat is binnen een redelijke
termijn en tegen redelijke voorwaarden het gebruik van een aan zodanige verbinding
gelijkwaardige voorziening ter beschikking te stellen, of</al>
            <al>b. anderszins een doelmatige verzorging van de telecommunicatie in het
algemeen maatschappelijk en economisch belang zich tegen verlenen van machtiging
verzet.</al>
          </art>
          <art id="a19">
            <kop>
              <nr>Artikel 19</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ten aanzien van
radio-elektrische ontvanginrichtingen, die niet uitsluitend zijn bestemd voor
de ontvangst van programma's, regels worden gesteld.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde regels is het bepaalde
in artikel 17, zesde lid, aanhef en onder c tot en met f, van overeenkomstige
toepassing, zij het dat van overeenkomstige toepassing van het bepaalde in
artikel 17, zesde lid onder c, ten aanzien van het stellen van eisen is uitgezonderd
het stellen van eisen welke betrekking hebben op te ontvangen radio-frequenties.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>De in het eerste lid bedoelde regels kunnen voorts slechts betrekking
hebben op:</al>
              <al>a. het stellen van het vereiste van een machtiging van Onze Minister voor
de aanleg, het aanwezig hebben en het gebruik van daarbij aan te geven soorten
ontvanginrichtingen anders dan krachtens de concessie in het belang van de
bescherming van de rechten van derden in het radioverkeer dan wel de nakoming
van Nederland bindende verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties,
alsmede de aan zodanige machtiging te verbinden voorschriften en beperkingen;</al>
              <al>b. het gebruik van hetgeen met een ontvanginrichting kan worden opgevangen
ter bescherming van de rechten van derden.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>4.</nr>
              <al>Een machtiging als bedoeld in het derde lid, onder a, kan slechts worden
geweigerd indien:</al>
              <al>a. de bescherming van rechten van derden in het radioverkeer dit vordert;</al>
              <al>b. de nakoming van Nederland bindende verdragen of besluiten van volkenrechtelijke
organisaties dit vordert;</al>
              <al>c. de aanvraag niet voldoet aan de daarvoor krachtens artikel 15 gestelde
regels.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>5.</nr>
              <al>Een machtiging kan slechts worden ingetrokken indien de houder van de
machtiging de bij of krachtens deze wet gestelde regels dan wel de aan de
machtiging verbonden voorschriften en beperkingen niet nakomt.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>6.</nr>
              <al>Het bepaalde in dit artikel is niet van toepassing op radio-elektrische
ontvanginrichtingen welke deel uitmaken van een draadomroepinrichting.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a20">
            <kop>
              <nr>Artikel 20</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Voor radio-elektrische zend- of ontvanginrichtingen aan boord van:</al>
              <al>a. andere dan Nederlandse schepen, die zich bevinden in de Nederlandse
wateren, of</al>
              <al>b. andere dan Nederlandse luchtvaartuigen die zich bevinden in het Nederlandse
luchtruim of op het Nederlandse grondgebied, is geen machtiging vereist krachtens
artikel 17 of 19 indien daarvoor een vergunning is afgegeven in overeenstemming
met het Internationaal Telecommunicatieverdrag met daarbij behorende
bijlagen en reglementen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Onze Minister kan regels stellen voor het gebruik van de in het eerste
lid bedoelde radio-elektrische zendinrichtingen.</al>
            </lid>
          </art>
        </par>
        <par>
          <kop>
            <nr>§ 3.</nr>
            <titel status="off">Draadomroepinrichtingen </titel>
          </kop>
          <art id="a21">
            <kop>
              <nr>Artikel 21</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Het is anders dan krachtens de concessie of krachtens een landelijke infrastructuurvergunning
verboden een draadomroepinrichting aan te leggen, in stand te houden, te exploiteren
of te doen exploiteren, tenzij met machtiging van Onze Minister.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Van het verbod in het eerste lid zijn vrijgesteld de door Onze Minister
aan te wijzen categorieën draadomroepinrichtingen van zeer geringe omvang,
die voldoen aan door Onze Minister te stellen regels met betrekking tot de
techniek van die inrichtingen. Van het voornemen tot zodanige aanwijzing doet
Onze Minister mededeling aan Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>Onze Minister kan een machtiging verlenen voor het aanleggen, in stand
houden en exploiteren van andere dan in het tweede lid bedoelde draadomroepinrichtingen
die de grenzen van een gemeente niet overschrijden.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>4.</nr>
              <al>Aan een machtiging kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden
die slechts betrekking kunnen hebben op:</al>
              <al>a. het aantal woningen of het gebied in een gemeente, waarvoor de machtiging
wordt verleend en waarvoor de aansluitplicht geldt;</al>
              <al>b. de techniek, structuur en kwaliteit van de inrichting;</al>
              <al>c. het voorkomen dat de opbrengst van het verspreiden van programma's
wordt aangewend voor kruissubsidiëring van andere krachtens deze wet
verrichte activiteiten;</al>
              <al>d. een verplichte signaallevering aan andere draadomroepinrichtingen;</al>
              <al>e. de toewijzing en het gebruik van radio-frequenties;</al>
              <al>f. de verplichting om binnen een bepaalde termijn nadat de machtiging
rechtskracht heeft gekregen de draadomroepinrichting aan te leggen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>5.</nr>
              <al>Een machtiging kan slechts worden geweigerd:</al>
              <al>a. indien de aanvraag niet voldoet aan de daarvoor krachtens artikel 15
gestelde regels;</al>
              <al>b. indien niet voldaan wordt aan de krachtens artikel 30b, eerste lid,
onder a, gestelde regels;</al>
              <al>c. indien de aanvrager niet over voldoende technische en financiële
middelen beschikt om de continuïteit van de exploitatie van de draadomroepinrichting
te waarborgen;</al>
              <al>d. indien voor het gebied waarop de aanvraag betrekking heeft reeds een
machtiging is verleend.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>6.</nr>
              <al>Een machtiging kan slechts worden ingetrokken indien:</al>
              <al>a. de houder van de machtiging de bij of krachtens deze wet gestelde regels
dan wel de aan de machtiging verbonden voorschriften en beperkingen niet nakomt;</al>
              <al>b. de houder van de machtiging niet langer over voldoende technische en
financiële middelen beschikt om de continuïteit van de exploitatie
van de draadomroepinrichting te waarborgen;</al>
              <al>c. de gronden waarop de machtiging is verleend zijn vervallen.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a22">
            <kop>
              <nr>Artikel 22</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>De houder van een machtiging voor een draadomroepinrichting als bedoeld
in artikel 21 is gerechtigd deze te exploiteren of te doen exploiteren voor
het verspreiden van programma's, daaronder begrepen toetsbeelden,
zoals is geregeld in het bepaalde bij of krachtens de Mediawet.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>De houder van een machtiging voor een draadomroepinrichting is met inachtneming
van het hierna bepaalde tevens bevoegd om:</al>
              <al>a. aan derden het gebruik van vaste verbindingen ter beschikking te stellen;</al>
              <al>b. telecommunicatiediensten voor derden over zijn draadomroepinrichting
te verzorgen of te doen verzorgen. De artikelen 7, 7a en 7b zijn van overeenkomstige
toepassing.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>Onze Minister kan aan de houder van een machtiging nummers toekennen of
voor hem nummers reserveren ten behoeve van het verzorgen van telecommunicatiediensten
over zijn draadomroepinrichting door hemzelf of door derden, waarbij voorschriften
en beperkingen kunnen worden gesteld.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a22a">
            <kop>
              <nr>Artikel 22a</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Het is de houder van een machtiging voor een draadomroepinrichting slechts
toegestaan vaste verbindingen aan derden ter beschikking te stellen indien
hij zich daartoe door Onze Minister heeft laten registreren.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot:</al>
              <al>a. de wijze waarop een aanvraag tot registratie wordt ingediend en behandeld;</al>
              <al>b. de inhoud van aanvragen tot registratie en de daarbij over te leggen
gegevens.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>Onze Minister houdt een register waarin zijn ingeschreven de houders van
een machtiging voor een draadomroepinrichting die ingevolge een registratie
vaste verbindingen aan derden ter beschikking mogen stellen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>4.</nr>
              <al>In de maand januari van elk jaar wordt een lijst van de in het register
ingeschreven houders van een draadomroepinrichting naar de stand van 31 december
van het voorafgaande jaar in de Staatscourant geplaatst. Deze plaatsing zal
de eerste keer plaatsvinden in de maand januari van het jaar 1997.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>5.</nr>
              <al>Onze Minister houdt een afschrift van het register voor een ieder kosteloos
ter inzage op een door Onze Minister bekend te maken plaats.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>6.</nr>
              <al>Een registratie wordt beëindigd indien:</al>
              <al>a. aan de houder van een machtiging voor een draadomroepinrichting of
met diens instemming aan de exploitant van de draadomroepinrichting een infrastructuurvergunning
is verleend als bedoeld in artikel 2 van de Vergunningenwet kabelgebonden
telecommunicatie-infrastructuur;</al>
              <al>b. naar het oordeel van Onze Minister afbreuk wordt gedaan aan de door
deze wet beoogde doelmatige verzorging van de telecommunicatie en de daartoe
tot stand te brengen mededinging op het terrein waarop de registratie betrekking
heeft.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>7.</nr>
              <al>Een registratie kan voorts slechts worden beëindigd indien:</al>
              <al>a. de krachtens artikel 21 verleende machtiging voor een draadomroepinrichting
is ingetrokken;</al>
              <al>b. de houder van een machtiging voor een draadomroepinrichting de krachtens
artikel 22b gestelde regels niet nakomt;</al>
              <al>c. de naleving van een bindend besluit van een instelling van de Europese
Unie dit vordert;</al>
              <al>d. de houder van een machtiging voor een draadomroepinrichting bij de
aanvraag tot registratie onjuiste gegevens heeft verstrekt.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a22b">
            <kop>
              <nr>Artikel 22b</nr>
            </kop>
            <al>Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking
tot het aan derden aanbieden van vaste verbindingen door de houder van een machtiging voor een draadomroepinrichting alsmede met betrekking
tot het gebruiken of doen gebruiken van capaciteit van een draadomroepinrichting
voor het voor derden verzorgen of doen verzorgen van telecommunicatiediensten.
Deze regels hebben betrekking op:</al>
            <al>a. het aanbrengen van technische voorzieningen ter waarborging van het
goed functioneren van de draadomroepinrichting voor het verspreiden van programma's;</al>
            <al>b. de technische aftapbaarheid van de draadomroepinrichting;</al>
            <al>c. de naleving van een bindend besluit van een instelling van de Europese
Unie;</al>
            <al>d. de uitgangspunten en maatstaven voor de wijzen van dienstverlening;</al>
            <al>e. het opstellen van een financiële verantwoording van activiteiten
bedoeld in artikel 22, tweede lid, onder a, en van het gebruik of doen gebruiken
van capaciteit van een draadomroepinrichting voor activiteiten bedoeld in
artikel 22, tweede lid, onder b, gescheiden van andere activiteiten die worden
verricht krachtens deze wet;</al>
            <al>f. in geval de houder van een machtiging voor een draadomroepinrichting
een dochtermaatschappij als bedoeld in artikel 24a, eerste en tweede lid,
van Boek 2 Burgerlijk Wetboek is van de houder van de concessie onderscheidenlijk
de houder van een landelijke infrastructuurvergunning: het opstellen van een
gescheiden financiële verantwoording terzake van de exploitatie van de
concessie onderscheidenlijk de landelijke infrastructuurvergunning en de activiteiten
krachtens artikel 22, tweede lid, onder a;</al>
            <al>g. het verstrekken van informatie aan Onze Minister ten dienste van het
toezicht op de uitvoering van het krachtens de onderdelen d, e en f bepaalde.</al>
          </art>
          <art id="a22c">
            <kop>
              <nr>Artikel 22c</nr>
            </kop>
            <al>Het is de houder van een machtiging voor draadomroepinrichting verboden
om te handelen in strijd met de artikelen 22a en 22b.</al>
          </art>
          <art id="a22d">
            <kop>
              <nr>Artikel 22d</nr>
            </kop>
            <al>Met betrekking tot het gebruik van vaste verbindingen die behoren tot
de telecommunicatie-infrastructuur van een draadomroepinrichting, door anderen
dan de houder van een machtiging voor een draadomroepinrichting, is het bepaalde
in de artikelen 7, 7a en 7b van overeenkomstige toepassing.</al>
          </art>
        </par>
        <par>
          <kop>
            <nr>§ 4.</nr>
            <titel status="off">Telecommunicatie-inrichting met gebruik van kabels en
kabelwerken </titel>
          </kop>
          <art id="a23">
            <kop>
              <nr>Artikel 23</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Het is, onverminderd het bepaalde in artikel 13o, anders dan krachtens
de concessie of krachtens een infrastructuurvergunning verboden een inrichting
bestemd voor telecommunicatie door middel van kabels en kabelwerken, die geen
draadomroepinrichting is, geheel of gedeeltelijk in, op of boven openbare
gronden aan te leggen, in stand te houden en te gebruiken, tenzij met machtiging
van Onze Minister.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Een machtiging voor zodanige inrichting zal worden geweigerd indien niet
voldaan wordt aan de krachtens artikel 30b, eerste lid, onder a, gestelde
regels.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>Een machtiging kan voorts worden geweigerd indien de aanvraag niet voldoet
aan de daarvoor krachtens artikel 15 gestelde regels.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>4.</nr>
              <al>Aan een machtiging kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden
die slechts betrekking kunnen hebben op:</al>
              <al>a. de duur van de machtiging; </al>
              <al>b. de techniek en structuur van de inrichting.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>5.</nr>
              <al>Een machtiging kan slechts worden ingetrokken indien:</al>
              <al>a. de houder van de machtiging de bij of krachtens deze wet gestelde regels
dan wel de aan de machtiging verbonden voorschriften en beperkingen niet nakomt;</al>
              <al>b. de gronden waarop de machtiging is verleend zijn vervallen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>6.</nr>
              <al>Onze Minister kan aan de houder van een machtiging nummers toekennen of
voor hem nummers reserveren ten behoeve van het verzorgen van telecommunicatiediensten
over zijn telecommunicatie-inrichting door hemzelf of door derden, waarbij
voorschriften en beperkingen kunnen worden gesteld.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a23a">
            <kop>
              <nr>Artikel 23a</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Het is de houder van een machtiging voor een telecommunicatie-inrichting
met gebruik van kabels en kabelwerken als bedoeld in artikel 23 slechts toegestaan
vaste verbindingen aan derden ter beschikking te stellen nadat hij zich daartoe
door Onze Minister heeft laten registreren.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Met betrekking tot de registratie, bedoeld in het eerste lid, is het bepaalde
in artikel 22a, tweede tot en met zevende lid, van overeenkomstige toepassing.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a23b">
            <kop>
              <nr>Artikel 23b</nr>
            </kop>
            <al>Met betrekking tot het aan derden aanbieden van vaste verbindingen door
de houder van een machtiging van een telecommunicatie-inrichting met gebruik
van kabels en kabelwerken als bedoeld in artikel 23, is het bepaalde in artikel
22b, aanhef en de onderdelen b tot en met g, van overeenkomstige toepassing.</al>
          </art>
          <art id="a23c">
            <kop>
              <nr>Artikel 23c</nr>
            </kop>
            <al>Het is de houder van een machtiging voor een telecommunicatie-inrichting
met gebruik van kabels en kabelwerken als bedoeld in artikel 23, verboden
te handelen in strijd met de artikelen 23a en 23b.</al>
          </art>
        </par>
        <par>
          <kop>
            <nr>§ 5.</nr>
            <titel status="off">Andere inrichtingen </titel>
          </kop>
          <art id="a24">
            <kop>
              <nr>Artikel 24</nr>
            </kop>
            <al>Regeling inzake de aanleg, het aanwezig hebben en het gebruik van andere
inrichtingen dan die bedoeld in de paragrafen 2 tot en met 4 van dit hoofdstuk,
welke zijn bestemd voor het met gebruikmaking van elektrische energie overdragen
van gegevens van welke aard ook, geschiedt bij of krachtens de wet.</al>
          </art>
        </par>
        <par>
          <kop>
            <nr>§ 6.</nr>
            <titel status="off">Overige bepalingen </titel>
          </kop>
          <art id="a25">
            <kop>
              <nr>Artikel 25</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Het is degene die krachtens paragraaf 2 van dit hoofdstuk gerechtigd is
een daarin bedoelde telecommunicatie-inrichting, aan te leggen, in stand te
houden, te gebruiken dan wel te exploiteren of te doen exploiteren, verboden
die inrichting te koppelen of te doen koppelen aan een andere zodanige inrichting,
anders dan door middel van de geconcessioneerde telecommunicatie-infrastructuur
of de telecommunicatie-infrastructuur van de houder van een infrastructuurvergunning.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Onze Minister kan ten aanzien van een telecommunicatie-inrichting als
bedoeld in artikel 17 en 19 van het verbod in het eerste lid ontheffing verlenen,
indien de houder van de concessie onderscheidenlijk de houder van
een infrastructuurvergunning niet bereid of niet in staat is binnen redelijke
termijn en tegen redelijke voorwaarden het gebruik van een gelijkwaardige
voorziening ter beschikking te stellen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>Aan de ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden
in verband met het doel waarvoor de ontheffing wordt verleend.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a26">
            <kop>
              <nr>Artikel 26</nr>
            </kop>
            <al>Het is verboden radio-elektrische zend- of ontvanginrichtingen af te leveren,
te verhuren dan wel op andere wijze ter beschikking te stellen aan natuurlijke
of rechtspersonen aan wie geen machtiging is verleend welke bij of krachtens
deze wet is vereist voor de aanleg, het aanwezig hebben en het gebruik van
de betreffende zend- of ontvanginrichtingen.</al>
          </art>
          <art id="a27">
            <kop>
              <nr>Artikel 27</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Het is verboden:</al>
              <al>a. een radio-elektrische zendinrichting te gebruiken om aan boord van
een schip of luchtvaartuig buiten elk nationaal gebied programma's uit te
zenden;</al>
              <al>b. een radio-elektrische zendinrichting, bestemd voor een gebruik als
onder a bedoeld, te exploiteren;</al>
              <al>c. een radio-elektrische zendinrichting ter beschikking te stellen of
aan te leggen in de wetenschap, dat deze bestemd is voor een gebruik als onder
a bedoeld;</al>
              <al>d. een schip of luchtvaartuig ter beschikking te stellen in de wetenschap,
dat dit is bestemd om aan boord daarvan uitzendingen te doen als onder a bedoeld.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Het is verboden aan overtreding van één der in het eerste
lid bedoelde verboden desbewust mede te werken door daarbij behulpzaam te
zijn dan wel daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen.
Als handelingen van medewerking worden in elk geval beschouwd:</al>
              <al>a. het ter beschikking stellen van materiaal ten behoeve van het schip
of luchtvaartuig dan wel van de zendinrichting;</al>
              <al>b. het onderhouden of herstellen van het schip of luchtvaartuig dan wel
van de zendinrichting;</al>
              <al>c. het bevoorraden van het schip of luchtvaartuig;</al>
              <al>d. het vervoeren van personen of goederen naar of van het schip of luchtvaartuig
dan wel het ter beschikking stellen van middelen tot dat vervoer;</al>
              <al>e. het vervaardigen van programma's of onderdelen daarvan, bestemd om
te worden uitgezonden;</al>
              <al>f. het geven van opdrachten tot het uitzenden van programma's of onderdelen
daarvan dan wel het verlenen van bemiddeling bij het verkrijgen van zodanige
opdrachten.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>Het in het tweede lid bepaalde lijdt uitzondering, indien de aldaar bedoelde
handelingen worden verricht teneinde in geval van nood het schip of luchtvaartuig
bij te staan of mensenlevens te beschermen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>4.</nr>
              <al>Onder schip of luchtvaartuig wordt in dit artikel mede begrepen elk ander
drijvend dan wel door de lucht gedragen voorwerp.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a28">
            <kop>
              <nr>Artikel 28</nr>
            </kop>
            <al>Het bepaalde bij of krachtens dit hoofdstuk is niet van toepassing op
de daarin bedoelde inrichtingen bestemd voor telecommunicatie welke tot gebruik
strekken van door Onze Minister, na overleg met Onze Ministers die het mede
aangaat, aan te wijzen overheidsorganen of diensten, die zijn belast met de
zorg voor de veiligheid van de Staat, dan wel met de handhaving
van de rechtsorde, aan welke aanwijzing voorschriften en beperkingen kunnen
worden verbonden.</al>
          </art>
        </par>
      </hfdst>
      <hfdst>
        <kop>
          <nr>HOOFDSTUK IV.</nr>
          <titel status="off">RANDAPPARATUUR </titel>
        </kop>
        <art id="a29">
          <kop>
            <nr>Artikel 29</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden technische eisen
gesteld waaraan randapparatuur dient te voldoen en worden regels gesteld met
betrekking tot het testen van randapparatuur op conformiteit met de gestelde
technische eisen. Deze eisen en regels worden gesteld met inachtneming van
de wezenlijke vereisten voor randapparatuur, bedoeld in voor Nederland bindende
besluiten van de Europese Economische Gemeenschap.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden voorts regels gesteld
met betrekking tot:</al>
            <al>a. het erkennen van instellingen die randapparatuur testen ten behoeve
van de goedkeuring van die randapparatuur voor aansluiting op een openbaar
telecommunicatienet, alsmede met betrekking tot het toezicht op die instellingen;</al>
            <al>b. het afgeven van de verklaringen van conformiteit voor randapparatuur;</al>
            <al>c. het goedkeuren van randapparatuur voor aansluiting op een openbaar
telecommunicatienet en de wijze waarop kenbaar dient te worden gemaakt dat
randapparatuur is goedgekeurd;</al>
            <al>d. het aanvragen van de goedkeuring van randapparatuur.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>Op een openbaar telecommunicatienet mag uitsluitend randapparatuur worden
aangesloten of aangesloten gehouden, die daarvoor is goedgekeurd.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>4.</nr>
            <al>De goedkeuring van randapparatuur mag slechts worden geweigerd:</al>
            <al>a. indien bij de aanvraag niet zijn overgelegd de vereiste verklaring
of verklaringen van conformiteit en de overige vereiste bescheiden en gegevens;</al>
            <al>b. indien de randapparatuur niet voldoet aan de krachtens het eerste lid
gestelde eisen en regels.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>5.</nr>
            <al>De behandeling van de aanvraag tot goedkeuring van een randapparatuur
die in een andere Lid-Staat van de Europese Gemeenschappen of in een van de
overige staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese
Economische Ruimte door een door de desbetreffende staat erkende instelling,
gevestigd binnen de Europese Economische Ruimte, is getest op conformiteit
met voor de bedoelde staten bindende technische eisen voor die randapparatuur
dan wel voor een of meer onderdelen of functies van die randapparatuur, kan
met inachtneming van de procedures die ter zake van de goedkeuring zijn aangegeven
in voor Nederland bindende besluiten van de Europese Economische Gemeenschap
worden opgeschort, indien gegronde redenen bestaan voor het vermoeden dat
de randapparatuur ten aanzien van die kenmerken niet voldoet aan de wezenlijke
vereisten, bedoeld in die besluiten.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>6.</nr>
            <al>De goedkeuring van randapparatuur mag slechts worden ingetrokken, indien
is gebleken dat deze randapparatuur:</al>
            <al>a. in betekenende mate afwijkt van de bij de aanvraag van de goedkeuring
overgelegde verklaring of verklaringen van conformiteit en de overige vereiste
bescheiden en gegevens;</al>
            <al>b. niet voldoen aan de krachtens het eerste lid gestelde eisen en regels.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>7.</nr>
            <al>Indien de randapparatuur is getest op de wijze bedoeld in het vijfde lid,
mag intrekking van de goedkeuring slechts plaatsvinden met inachtneming van
de procedures die ter zake van de intrekking zijn aangegeven in voor Nederland
bindende besluiten van de Europese Economische Gemeenschap. </al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>8.</nr>
            <al>Onverminderd het bepaalde krachtens artikel 30a is het verboden in de
uitoefening van een beroep of bedrijf randapparatuur op of bestemd voor de
Nederlandse markt te verkopen, te verhuren of op andere wijze ter beschikking
te stellen, in voorraad te hebben, ten verkoop of te huur aan te bieden dan
wel af te leveren indien op de randapparatuur niet op de voorgeschreven wijze
kenbaar is dat deze is goedgekeurd.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>9.</nr>
            <al>Het beroeps- of bedrijfsmatig aanleggen en onderhouden van randapparatuur
is slechts toegestaan met inachtneming van de bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur te stellen regels met betrekking tot de vakbekwaamheid.</al>
          </lid>
        </art>
      </hfdst>
      <hfdst>
        <kop>
          <nr>HOOFDSTUK IVA.</nr>
          <titel status="off">OPEN NETWERK VOORZIENING </titel>
        </kop>
        <art id="a29a">
          <kop>
            <nr>Artikel 29a</nr>
          </kop>
          <al>Onverminderd het bepaalde in de artikelen 8, 9 en 13g kan Onze Minister
bij ministeriële regeling voor openbare telecommunicatienetten en openbare
telecommunicatiediensten regels stellen in het kader van de geharmoniseerde
voorwaarden die betrekking hebben op open en efficiënte toegang tot en
gebruik van openbare telecommunicatienetten en openbare telecommunicatiediensten
overeenkomstig richtlijn nr. 90/387/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen
van 28 juni 1990 betreffende de totstandbrenging van de interne markt voor
telecommunicatiediensten door middel van de tenuitvoerlegging van Open Network
Provision (ONP) (PbEG L 192), naar de tekst zoals deze bij die richtlijn is
vastgesteld, en de daarmee samenhangende richtlijnen en resoluties. Deze regels
kunnen verschillen voor de onderscheiden bij of krachtens artikel 1, onder
j of ij, aangewezen telecommunicatienetten of telecommunicatiediensten of
voor categorieën daarvan.</al>
        </art>
      </hfdst>
      <hfdst>
        <kop>
          <nr>HOOFDSTUK V.</nr>
          <titel status="off">ELEKTROMAGNETISCHE COMPATIBILITEIT </titel>
        </kop>
        <art id="a30">
          <kop>
            <nr>Artikel 30</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld
inzake de vereisten waaraan apparaten moeten voldoen met betrekking tot hun
elektromagnetische compatibiliteit.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Bij de in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur worden
regels gesteld inzake:</al>
            <al>a. het opstellen, ter beschikking houden of de afgifte van documenten
en het aanbrengen van aanduidingen met betrekking tot de overeenstemming van
apparaten met de in het eerste lid bedoelde vereisten;</al>
            <al>b. de middelen die Onze Minister kan aanwenden om het in de handel brengen
en verhandelen van door hem aangewezen apparaten of categorieën van apparaten
te beëindigen of te beperken, indien hem is gebleken dat de betrokken
apparaten niet voldoen aan de in het eerste lid bedoelde vereisten.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>Bij of krachtens de in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van
bestuur kunnen regels worden gesteld inzake het voeren van een administratie,
het onderwerpen van kwaliteitssystemen aan een goedkeuring, het onderwerpen
van apparaten aan een test of typekeuring met betrekking tot hun elektromagnetische
compatibiliteit, waaronder de erkenning van de daartoe bevoegde instanties,
de testen of typekeuringen en de afgifte van documenten ter zake.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>4.</nr>
            <al>Bij of krachtens de in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van
bestuur te stellen eisen met betrekking tot randapparaten kunnen niet betreffen
de wezenlijke vereisten als bedoeld in artikel 29, eerste lid. </al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a30a">
          <kop>
            <nr>Artikel 30a</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Het is verboden apparaten in de handel te brengen, indien niet wordt voldaan
aan de krachtens artikel 30, eerste lid, tweede lid, onder a, en derde lid,
gestelde regels.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Het is verboden apparaten te verhandelen ten aanzien waarvan de in artikel
30, tweede lid, onder a, bedoelde documenten respectievelijk aanduidingen
ontbreken respectievelijk niet zijn aangebracht.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a30b">
          <kop>
            <nr>Artikel 30b</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld
inzake:</al>
            <al>a. de installatie van apparaten ter voorkoming van elektromagnetische
storingen in de werking van de telecommunicatie-infrastructuur of in om veiligheidsredenen
gebruikte zend- of ontvangstations;</al>
            <al>b. de behandeling van klachten over elektromagnetische storingen, ondervonden
van het gebruik van apparaten.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Indien van de ingebruikneming of het gebruik van een apparaat op een bepaalde
plaats problemen zijn te verwachten of bestaan in verband met de elektromagnetische
compatibiliteit van dat apparaat is Onze Minister bevoegd om overeenkomstig
bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels</al>
            <al>a. aan de houder van het apparaat aanwijzingen te geven met betrekking
tot de ingebruikneming of het gebruik van dat apparaat;</al>
            <al>b. aan een machtiging op grond van hoofdstuk III voorschriften te verbinden
met betrekking tot de ingebruikneming of het gebruik van dat apparaat;</al>
            <al>c. de houders van apparaten, behorende tot een bepaalde categorie, of
de houders van apparaten in bij de maatregel genoemde gevallen de ingebruikneming
of het gebruik van die apparaten te verbieden zonder voorafgaande machtiging
van Onze Minister.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a30c">
          <kop>
            <nr>Artikel 30c</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Het bij en krachtens dit hoofdstuk bepaalde is niet van toepassing op
het in de handel brengen of het verhandelen van apparaten indien aannemelijk
kan worden gemaakt dat dit geschiedt ten einde het apparaat:</al>
            <al>a. naar een land buiten de Europese Economische Ruimte uit te voeren;</al>
            <al>b. in overeenstemming te brengen met de krachtens dit hoofdstuk ten aanzien
van dat apparaat gestelde regels;</al>
            <al>c. ten toon te stellen op beurzen of soortgelijke exposities;</al>
            <al>d. te gebruiken voor experimenten.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Bij de in artikel 30, eerste lid, bedoelde algemene maatregel van bestuur
kunnen categorieën van apparaten van de toepassing van het bij en krachtens
dit hoofdstuk bepaalde worden uitgezonderd, indien:</al>
            <al>a. zij geen elektromagnetische storingen kunnen veroorzaken of hun werking
daardoor niet kan worden aangetast, of</al>
            <al>b. met betrekking tot de elektromagnetische compatibiliteit van die apparaten
reeds regels zijn gesteld ter uitvoering van een bindend besluit van een orgaan
van de Europese Gemeenschappen. </al>
          </lid>
        </art>
      </hfdst>
      <hfdst>
        <kop>
          <nr>HOOFDSTUK VI.</nr>
          <titel status="off">BEPALINGEN INZAKE DE GEDOOGPLICHT VOOR DE AANLEG, INSTANDHOUDING
EN OPRUIMING VAN KABELS EN KABELWERKEN, BEHORENDE TOT DE GECONCESSIONEERDE
TELECOMMUNICATIE-INFRASTRUCTUUR </titel>
        </kop>
        <art id="a31">
          <kop>
            <nr>Artikel 31</nr>
          </kop>
          <al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden kabelwerken met kabels gelijkgesteld.</al>
        </art>
        <art id="a32">
          <kop>
            <nr>Artikel 32</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Een ieder is, behoudens het bepaalde in artikel 33 en onverminderd recht
op schadevergoeding, verplicht de aanleg en de instandhouding van kabels ten
dienste van de geconcessioneerde telecommunicatie-infrastructuur in en op
openbare gronden, benevens de opruiming daarvan, te gedogen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Deze verplichting strekt zich wat betreft interlokale en internationale
kabels tevens uit tot alle andere gronden, uitgezonderd afgesloten tuinen
en erven die met bewoonde percelen één geheel vormen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>Door de aanleg, de instandhouding en de opruiming van kabels wordt geen
verandering in de bestemming en zo min mogelijk belemmering in het gebruik
van de gronden gebracht.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a33">
          <kop>
            <nr>Artikel 33</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Indien de houder van de concessie het voornemen heeft kabels ten dienste
van de geconcessioneerde telecommunicatie-infrastructuur aan te leggen of
op te ruimen, streeft hij naar overeenstemming met degeen op wie een gedoogplicht
rust over de plaats en wijze van de uitvoering van het werk.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Bij gebreke van overeenstemming geeft de houder van de concessie aan degeen
op wie de gedoogplicht rust onverwijld een schriftelijke kennisgeving waarin
een omschrijving van de voorgenomen plaats en de wijze van uitvoering van
het werk wordt gegeven. Indien degene op wie een gedoogplicht rust, tegen
de kennisgeving bedenkingen heeft, kan hij na ontvangst daarvan Onze Minister
verzoeken een beschikking te geven.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>Onze Minister geeft de beschikking binnen twee maanden na ontvangst van
het verzoek.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>4.</nr>
            <al>Het verzoek schorst de uitvoering van het voornemen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>5.</nr>
            <al>Het bepaalde in het eerste tot en met het vierde lid is niet van toepassing
indien ingevolge aanwijzingen gegeven op grond van artikel 57 kabels ten dienste
van de geconcessioneerde telecommunicatie-infrastructuur worden opgeruimd.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a34">
          <kop>
            <nr>Artikel 34</nr>
          </kop>
          <al>De in artikel 32 bedoelde schadevergoeding beperkt zich voor eigenaren
en beheerders van openbare gronden tot vergoeding van de kosten der voorzieningen
en van de meerdere kosten van onderhoud.</al>
        </art>
        <art id="a35">
          <kop>
            <nr>Artikel 35</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Onverminderd het bepaalde bij artikel 32 en onverminderd recht op schadevergoeding,
is een ieder verplicht ten dienste van de geconcessioneerde telecommunicatie-infrastructuur
te gedogen dat:</al>
            <al>a. kabels boven gronden, gebouwen en wateren worden aangelegd en in stand
gehouden, mits zonder aanhechting of aanraking;</al>
            <al>b. in en aan gebouwen, alsmede in en op gronden welke daarmee één
geheel vormen, kabels en netwerkaansluitpunten worden aangelegd en in stand gehouden ten behoeve van aansluitingen in die gebouwen en in
naburige gebouwen;</al>
            <al>c. de onder a en b bedoelde kabels en netwerkaansluitpunten worden opgeruimd.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Door de aanleg, de instandhouding en de opruiming van kabels wordt geen
verandering teweeggebracht in de bestemming van hetgeen waarin, waaraan, waarop
of waarboven de kabels zijn of worden aangelegd alsmede zo min mogelijk verandering
in de uiterlijke gedaante en zo min mogelijk belemmering in het gebruik ervan.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>Op de aanleg van kabels ingevolge dit artikel is het bepaalde bij artikel
33 niet van toepassing.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a36">
          <kop>
            <nr>Artikel 36</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>De aanleg van kabels en netwerkaansluitpunten door de houder van de concessie
in en op gronden, alsmede in en aan gebouwen van anderen brengt geen wijziging
in de eigendom van hetgeen is aangelegd.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Dit artikel is mede van toepassing op kabels en netwerkaansluitpunten
aangelegd voor het in werking treden van deze bepaling.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a37">
          <kop>
            <nr>Artikel 37</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>De houder van de concessie is verplicht op eigen kosten tot verplaatsing
van kabels ten dienste van de geconcessioneerde telecommunicatie-infrastructuur
over te gaan, indien deze verplaatsing nodig is voor de oprichting van gebouwen
of de uitvoering van werken door of vanwege degene op wie een gedoogplicht
rust.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>In andere gevallen dan in het eerste lid bedoeld gaat de houder van de
concessie slechts tot de daar bedoelde verplaatsing over indien de verzoeker
hem de kosten daarvan vergoedt.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>Bij gebreke van overeenstemming over de kosten bedoeld in het tweede lid
is het bepaalde in artikel 33, tweede en derde lid, van overeenkomstige toepassing.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a38">
          <kop>
            <nr>Artikel 38</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Rechthebbenden ten aanzien van bomen of beplantingen zijn, behoudens recht
op schadevergoeding, verplicht deze op verzoek van de houder van de concessie
op te snoeien dan wel de wortels of takken daarvan in te korten, voor zover
deze redelijkerwijs hinderlijk zijn of worden voor de aanleg, instandhouding
en exploitatie van de geconcessioneerde telecommunicatie-infrastructuur.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Voldoen de rechthebbenden niet binnen veertien dagen na ontvangst van
een schriftelijke kennisgeving aan hun verplichting, dan kan op schriftelijke
last van Onze Minister daaraan door de houder van de concessie uitvoering
worden gegeven.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>In geval van ernstige belemmering of storing van de telecommunicatie kan
onmiddellijk tot het opsnoeien dan wel inkorten van wortels of takken worden
overgegaan, waarna zo spoedig mogelijk hiervan schriftelijk aan de rechthebbende
kennis wordt gegeven.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a39">
          <kop>
            <nr>Artikel 39</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>De eis tot schadevergoeding als bedoeld in de artikelen 32, 35 en 38 wordt,
onafhankelijk van hetgeen gevorderd wordt, aanhangig gemaakt bij de kantonrechter
in wiens ambtsgebied de onroerende zaak waaraan schade wordt toegebracht is
gelegen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Indien de onroerende zaak in meer dan één kanton is gelegen,
wordt de eis aanhangig gemaakt bij één van de kantonrechters,
ter keuze van de eiser. </al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>Van de uitspraak van de kantonrechter is hoger beroep toegelaten.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>4.</nr>
            <al>De bepalingen, voor burgerlijke twistgedingen geldende, zijn op de twistgedingen
in dit artikel bedoeld van toepassing, voor zover daarvan in de voorgaande
leden van dit artikel niet is afgeweken.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>5.</nr>
            <al>Ook voordat omtrent de schadevergoeding overeenstemming verkregen of uitspraak
gedaan is, kan tot de uitvoering van de in de artikelen 32, 35 en 38 bedoelde
werkzaamheden worden overgegaan.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a40">
          <kop>
            <nr>Artikel 40</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Ten behoeve van de werkzaamheden voor de aanleg, de instandhouding en
de opruiming van kabels en netwerkaansluitpunten ten dienste van de geconcessioneerde
telecommunicatie-infrastructuur hebben de hiermee belaste personen toegang
tot de percelen, voor zover de betreding daarvan ter vervulling van hun taak
redelijkerwijs noodzakelijk is.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Bij toepassing van het eerste lid kan zonder toestemming van de bewoner
een woning worden binnengetreden door in het eerste lid bedoelde personen
die Onze Minister daartoe bevoegd heeft verklaard.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a40a">
          <kop>
            <nr>Artikel 40a</nr>
          </kop>
          <al>Dit hoofdstuk is van overeenkomstige toepassing op de aanleg, de instandhouding
en de opruiming van kabelverbindingen, verricht door</al>
          <al>a. de houder van een vergunning in het kader van een op grond van artikel
13r, eerste lid, verleende toestemming, of</al>
          <al>b. de houder van een infrastructuurvergunning in het kader van de op grond
van de Vergunningenwet kabelgebonden telecommunicatie-infrastructuur verleende
vergunning.</al>
        </art>
      </hfdst>
      <hfdst>
        <kop>
          <nr>HOOFDSTUK VIA.</nr>
          <titel status="off">BEMIDDELING </titel>
        </kop>
        <art id="a40b">
          <kop>
            <nr>Artikel 40b</nr>
          </kop>
          <al>Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld
met betrekking tot de gevallen waarin en de procedure volgens welke de natuurlijke
persoon of de rechtspersoon die rechtstreeks in zijn belang is getroffen een
oordeel van Onze Minister kan vragen over een maatregel, door de houder van
de concessie dan wel door een houder van een infrastructuurvergunning genomen
in het kader van de geharmoniseerde voorwaarden die betrekking hebben op open
en efficiënte toegang tot en gebruik van openbare telecommunicatienetwerken
en openbare telecommunicatiediensten overeenkomstig richtlijn nr. 90/387/EEG
van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 28 juni 1990 betreffende de
totstandbrenging van de interne markt voor telecommunicatiediensten door middel
van de tenuitvoerlegging van Open Network Provision (ONP) (PbEG L 192), naar
de tekst zoals deze bij die richtlijn is vastgesteld.</al>
        </art>
        <art id="a40c">
          <kop>
            <nr>Artikel 40c</nr>
          </kop>
          <al>Indien een oordeel van Onze Minister, gegeven krachtens artikel 40b, inhoudt
dat een door de houder van de concessie dan wel door een houder van een infrastructuurvergunning
genomen maatregel, bedoeld in dat artikel, onredelijk is, kan Onze Minister
een aanwijzing geven als bedoeld in artikel 43. De houder van de concessie
dan wel de houder van de infrastructuurvergunning is verplicht deze aanwijzing
op te volgen. </al>
        </art>
      </hfdst>
      <hfdst>
        <kop>
          <nr>HOOFDSTUK VIB.</nr>
          <titel status="off">NUMMERBELEID EN NUMMERBEHEER </titel>
        </kop>
        <art id="a40d">
          <kop>
            <nr>Artikel 40d</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Onze Minister heeft de zorg voor het nummerbeleid en nummerbeheer. In
dit kader is hij in elk geval belast met:</al>
            <al>a. het vaststellen van nummerplannen;</al>
            <al>b. het op basis van nummerplannen als bedoeld onder a, toekennen of reserveren
van nummers alsmede de wijziging of intrekking van een toekenning of reservering;</al>
            <al>c. het bijhouden van een overzicht van de toegekende nummers op naam en
van de gereserveerde nummers met vermelding van de duur van de reservering,
voor een ieder kosteloos ter inzage op een door Onze Minister bekend te maken
plaats.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Een nummerplan kan betrekking hebben op nummers die bestemd zijn voor
een of meer in artikel 1, onder cc, bedoelde doeleinden.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld
met betrekking tot de aanvraagprocedure tot het toekennen of reserveren van
nummers alsmede de wijziging of intrekking van een toekenning of reservering.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>4.</nr>
            <al>Onze Minister kan bij ministeriële regeling regels stellen op het
gebied van nummerbeleid en nummerbeheer, anders dan genoemd in het eerste
lid, onder a tot en met c.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a40e">
          <kop>
            <nr>Artikel 40e</nr>
          </kop>
          <al>Vooruitlopend op de vaststelling van een nummerplan als bedoeld in artikel
40d, eerste lid, onder a, kan Onze Minister reeds tijdens het voorbereidingsproces
van een nummerplan, nummers toekennen voor de bij ministeriële regeling
bepaalde bestemmingen. Deze bevoegdheid duurt tot een bij de ministeriële
regeling vastgestelde termijn.</al>
        </art>
        <art id="a40f">
          <kop>
            <nr>Artikel 40f</nr>
          </kop>
          <al>Onze Minister kan, indien nodig, aan anderen dan degenen bedoeld in artikel
3, derde lid, 7, vijfde lid, 13w, eerste lid, 17, elfde lid, 22, derde lid,
23, zesde lid, van deze wet, of artikel 2, derde lid, van de Vergunningenwet
kabelgebonden telecommunicatie-infrastructuur, nummers toekennen of voor hen
nummers reserveren.</al>
        </art>
        <art id="a40g">
          <kop>
            <nr>Artikel 40g</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Het is een ieder verboden:</al>
            <al>a. om nummers voorkomend in een krachtens artikel 40d vastgesteld nummerplan
of vallend onder het toepassingsgebied van een krachtens artikel 40e vastgestelde
ministeriële regeling voor doeleinden waarvoor ze door het nummerplan
of door de ministeriële regeling zijn bestemd, te gebruiken anders dan
op grond van een toekenning krachtens artikel 3, derde lid, 7, vijfde lid,
13w, eerste lid, 17, elfde lid, 22, derde lid, 23, zesde lid, 40f, van deze
wet, of artikel 2, derde lid, van de Vergunningenwet kabelgebonden telecommunicatie-infrastructuur;</al>
            <al>b. in strijd met het krachtens in artikel 40d, vierde lid, bepaalde, te
handelen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Het is verboden in strijd te handelen met de voorschriften en beperkingen,
verbonden aan een toekenning krachtens artikel 7, vijfde lid, 13w, eerste
lid, 17, elfde lid, 22, derde lid, 23, zesde lid, of 40f. </al>
          </lid>
        </art>
      </hfdst>
      <hfdst>
        <kop>
          <nr>HOOFDSTUK VII.</nr>
          <titel status="off">VERGOEDINGEN </titel>
        </kop>
        <art id="a41">
          <kop>
            <nr>Artikel 41</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Overeenkomstig bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen
regels is een door Onze Minister vast te stellen vergoeding verschuldigd voor:</al>
            <al>a. de concessie, bedoeld in artikel 3, een registratie als bedoeld in
artikel 7a, 22a, eerste lid, of 23a, eerste lid, een vergunning als bedoeld
in artikel 13a, een ontheffing als bedoeld in artikel 13p, vierde lid, een
toestemming als bedoeld in artikel 13r, eerste lid, een oordeel als bedoeld
in de artikelen 4c of 13q, dan wel een machtiging als bedoeld in de artikelen
17, eerste lid, 19, derde lid, onder a, 21, eerste lid en derde lid, 23, eerste
lid, en 30b, tweede lid, onder c, welke vergoeding verschuldigd is voor de
kosten van de bemoeiingen met betrekking tot de concessie, een registratie,
een vergunning onderscheidenlijk de machtiging en het toezicht op de naleving
door de houder van de concessie, de houder van een registratie, de houder
van een vergunning dan wel de houder van de machtiging van de bij of krachtens
deze wet gegeven regels, voorschriften en beperkingen;</al>
            <al>b. het toezicht op de naleving door de houder van een infrastructuurvergunning
van de bij of krachtens deze wet of de Vergunningenwet kabelgebonden telecommunicatie-infrastructuur
gegeven regels, voorschriften en beperkingen;</al>
            <al>c. het verkrijgen van de bevoegdheid tot bediening van radio-elektrische
zendinrichtingen als bedoeld in artikel 17, zesde lid, onder b;</al>
            <al>d. de kosten van de bemoeiingen met betrekking tot:</al>
            <al>1°. de keuring, toelating en registratie van inrichtingen, als bedoeld
in artikel 17, zesde lid, onder c, en het toezicht op de naleving daarvan,</al>
            <al>2°. de goedkeuring van randapparatuur, bedoeld in artikel 29, tweede
lid, onder c, en het toezicht op de naleving van de met betrekking tot de
goedkeuring gestelde regels, en</al>
            <al>3°. de keuring van kwaliteitssystemen of van apparaten, bedoeld in
artikel 30, derde lid, en het toezicht op de naleving ervan;</al>
            <al>e. de kosten van de behandeling van klachten over belemmeringen als bedoeld
in artikel 17, zesde lid, onder d, en in artikel 19, tweede lid, voorzover
daarin artikel 17, zesde lid, onder d, van overeenkomstige toepassing is verklaard,
en de kosten van de behandeling van klachten over storingen als bedoeld in
artikel 30b, eerste lid, onder b;</al>
            <al>f. een erkenning als bedoeld in artikel 29, tweede lid, onder a, of in
artikel 30, derde lid, welke vergoeding verschuldigd is voor de kosten van
bemoeiingen met betrekking tot het verlenen van de erkenning en het toezicht
op de naleving door de erkende instantie van de bij of krachtens deze wet
met betrekking tot de erkenning gegeven regels;</al>
            <al>g. de kosten van de bemoeiingen met betrekking tot het verlenen van een
ontheffing, als bedoeld in de artikelen 14, zesde lid, en 25, tweede lid,
en het toezicht op de naleving van zodanige ontheffing;</al>
            <al>h. de kosten voor het aanwenden van middelen als bedoeld in artikel 30,
tweede lid, onder b, waaronder begrepen de kosten voor het uitvoeren van keuringen
ter controle op het voldoen aan de vereisten;</al>
            <al>i. het vragen van een oordeel van Onze Minister, bedoeld in artikel 40b.</al>
            <al>j. het toekennen of reserveren van nummers, bedoeld in artikel 3, derde
lid, 7, vijfde lid, 13w, eerste lid, 17, elfde lid, 22, derde lid, 23, zevende
lid, of 40f, welke vergoeding verschuldigd is voor de kosten van de bemoeiingen
met betrekking tot de toekenning of reservering van nummers of het wijzigen,
verlengen of intrekken daarvan en het toezicht op de naleving door de houder
van nummers, toegekend krachtens een van de genoemde artikelen of krachtens
artikel 2, derde lid, van de Vergunningenwet kabelgebonden telecommunicatie-infrastructuur, toegekende nummers van de bij of krachtens deze wet of de Vergunningenwet
gegeven regels, voorschriften en beperkingen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels wordt
van de gebruikers van zendinrichtingen een door Onze Minister vast te stellen
jaarlijkse bijdrage geheven ter dekking van de kosten die voor de overheid
voortvloeien uit de toepassing van het bij of krachtens deze wet ter zake
van de elektromagnetische compatibiliteit bepaalde, voorzover deze kosten
niet reeds krachtens het eerste lid verschuldigd zijn.</al>
          </lid>
        </art>
      </hfdst>
      <hfdst>
        <kop>
          <nr>HOOFDSTUK VIII.</nr>
          <titel status="off">BEROEP </titel>
        </kop>
        <art id="a42">
          <kop>
            <nr>Artikel 42</nr>
          </kop>
          <al>Tegen een op grond van deze wet genomen besluit, met uitzondering van
een aanwijzing gegeven op grond van de artikelen 28 en 57, kan een belanghebbende
beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.</al>
        </art>
      </hfdst>
      <hfdst>
        <kop>
          <nr>HOOFDSTUK IX.</nr>
          <titel status="off">TOEZICHT </titel>
        </kop>
        <par>
          <kop>
            <nr>§ 1.</nr>
            <titel status="off">Toezicht op de uitoefening van concessietaken alsmede
de taken van de houder van een infrastructuurvergunning </titel>
          </kop>
          <art id="a43">
            <kop>
              <nr>Artikel 43</nr>
            </kop>
            <al>Indien de houder van de concessie of de houder van een infrastructuurvergunning
handelt in strijd met een bij of krachtens deze wet gestelde regel, kan Onze
Minister deze een aanwijzing geven.</al>
          </art>
          <art id="a43a">
            <kop>
              <nr>Artikel 43a</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Onze Minister is bevoegd om ten aanzien van de houder van de concessie
of de houder van een infrastructuurvergunning bestuursdwang toe te passen.
Hieronder wordt verstaan het doen wegnemen, beletten, verrichten of in de
vorige toestand herstellen van hetgeen door de houder van de concessie in
strijd met een bij of krachtens deze wet gestelde regel is of wordt gedaan,
gehouden of nagelaten. De artikelen 127, 128, 129, 131, 132, 134 en 135 van
de Gemeentewet zijn van overeenkomstige toepassing.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>In plaats van de toepassing van bestuursdwang kan Onze Minister aan de
overtreder een last onder dwangsom opleggen. Voor het opleggen van een last
onder dwangsom wordt niet gekozen, indien het gelaedeerde belang zich daartegen
verzet. De artikelen 137, tweede lid, eerste, tweede en derde volzin, en derde
lid, 138 en 139 van de Gemeentewet zijn van overeenkomstige toepassing.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a43b">
            <kop>
              <nr>Artikel 43b</nr>
            </kop>
            <al>Indien de houder van de concessie of de houder van een infrastructuurvergunning
handelt in strijd met een bij of krachtens deze wet gestelde regel, kan Onze
Minister hem een administratieve boete opleggen van ten hoogste een miljoen
gulden. </al>
          </art>
        </par>
        <par>
          <kop>
            <nr>§ 2.</nr>
            <titel status="off">Verplichtingen, vastgesteld bij of krachtens het bepaalde
in § 2c. van hoofdstuk II en in de hoofdstukken IIA, III, IV, IVA,
V en VIB </titel>
          </kop>
          <art id="a44">
            <kop>
              <nr>Artikel 44</nr>
            </kop>
            <al>Deze paragraaf is van toepassing ten aanzien van het toezicht op de naleving
en de handhaving van verplichtingen, welke in het bepaalde bij of krachtens
§ 2c. van hoofdstuk II en de hoofdstukken IIA, III, IV, IVA, V en
VIB zijn vastgesteld.</al>
          </art>
          <art id="a45">
            <kop>
              <nr>Artikel 45</nr>
            </kop>
            <al>Met het toezicht zijn belast:</al>
            <al>a. de ambtenaren van onder Onze Minister ressorterende diensten, die daartoe
door hem zijn aangewezen;</al>
            <al>b. de ambtenaren van politie, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak,
die daartoe door Onze Minister, in overeenstemming met Onze Ministers van
Justitie en van Binnenlandse Zaken, zijn aangewezen.</al>
          </art>
          <art id="a46">
            <kop>
              <nr>Artikel 46</nr>
            </kop>
            <al>De toezichthoudende ambtenaren zijn, voorzover dit redelijkerwijs voor
de vervulling van hun taak nodig is, bevoegd:</al>
            <al>a. met de daarvoor nodige apparatuur alle plaatsen, met uitzondering van
woningen zonder toestemming van de bewoner, te betreden, waar zij redelijkerwijs
kunnen vermoeden dat inrichtingen of apparaten aanwezig zijn;</al>
            <al>b. inrichtingen, apparaten en onderdelen daarvan aan een onderzoek ter
plaatse te onderwerpen of tegen schriftelijk bewijs voor onderzoek mee te
nemen voor de tijd die redelijkerwijs daarvoor nodig is.</al>
          </art>
          <art id="a47">
            <kop>
              <nr>Artikel 47</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>De toezichthoudende ambtenaren zijn, voorzover dit redelijkerwijs voor
de vervulling van hun taak nodig is, bevoegd om van personen van wie zij redelijkerwijs
kunnen vermoeden dat zij alleen of mede verantwoordelijk zijn voor het gebruik
van vaste verbindingen of de aanleg, het aanwezig hebben, het gebruik of de
exploitatie van inrichtingen:</al>
              <al>a. inlichtingen te vorderen;</al>
              <al>b. inzage te vorderen en afschrift te nemen van bescheiden die met betrekking
tot inrichtingen en apparaten bij of krachtens de wet zijn voorgeschreven
dan wel daarvan tegen een schriftelijk bewijs voor korte tijd afgifte te vorderen
ten einde afschrift te nemen;</al>
              <al>c. afgifte te vorderen van ongeldige bescheiden.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Indien de desbetreffende personen uit hoofde van hun stand, beroep of
ambt tot geheimhouding zijn verplicht, kunnen zij zich van de in het eerste
lid bedoelde verplichtingen verschonen, voorzover deze inlichtingen of bescheiden
betreffen, welke aan hen in hun hoedanigheid zijn toevertrouwd.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a48">
            <kop>
              <nr>Artikel 48</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Onze Minister is bevoegd om, indien de ten aanzien van inrichtingen of
apparaten krachtens artikel 17, 19, 29 of hoofdstuk V gestelde regels dan
wel voorschriften en beperkingen inzake het voorkomen en opheffen van belemmeringen
of storingen in andere apparaten niet worden nageleefd, overeenkomstig bij
algemene maatregel van bestuur te stellen regels, aan de houder van zodanige
inrichting of apparaat aanwijzingen te geven tot het voorkomen en opheffen
van belemmeringen of storingen. Bij het niet naleven van de aanwijzingen,
bedoeld in de eerste volzin of in artikel 30b, tweede lid, onder
a, kan Onze Minister op kosten van de houder de nodige werkzaamheden doen
uitvoeren ter voorkoming en opheffing van belemmeringen en storingen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Indien de ten aanzien van de aanleg, het aanwezig hebben of het gebruik
van telecommunicatie-inrichtingen als bedoeld in paragraaf 2 van hoofdstuk
III gestelde regels dan wel de aan een machtiging voor zodanige inrichting
verbonden voorschriften of beperkingen niet worden nageleefd, is Onze Minister
bevoegd om ten aanzien van telecommunicatie-inrichtingen als hiervoor bedoeld
overeenkomstig bij die maatregel te stellen regels:</al>
              <al>a. aan de houder van de inrichting een geheel of gedeeltelijk zendverbod
op te leggen;</al>
              <al>b. de inrichting op kosten van de houder van de inrichting te doen verzegelen
en in bewaring te doen nemen;</al>
              <al>c. aan de houder van de machtiging voor de inrichting een administratieve
boete van ten hoogste vijftigduizend gulden op te leggen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>De houder van een telecommunicatie-inrichting ten aanzien waarvan een
dwangmaatregel als bedoeld in het tweede lid, onder a of b, is genomen, is
verplicht deze dwangmaatregel na te leven dan wel te gedogen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>4.</nr>
              <al>Het in het tweede lid, aanhef en onder c, bepaalde is van overeenkomstige
toepassing op telecommunicatie-inrichtingen bedoeld in de paragrafen 3 en
4 van hoofdstuk III.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>5.</nr>
              <al>Indien de houder van een vergunning de bij of krachtens deze wet gestelde
regels dan wel de aan een vergunning verbonden voorschriften en beperkingen
niet nakomt, zijn het tweede en derde lid van overeenkomstige toepassing ten
aanzien van de houder van de vergunning en de telecommunicatie-inrichtingen
waarvan hij gebruik maakt, met dien verstande dat de hoogte van de administratieve
boete, bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder c, ten hoogste een miljoen
gulden bedraagt.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>6.</nr>
              <al>Indien de exploitant van een telecommunicatienet onderscheidenlijk de
aanbieder van een telecommunicatiedienst wiens net onderscheidenlijk dienst
krachtens artikel 1a is aangewezen, de bij of krachtens artikel 29a gestelde
regels niet nakomt, kan de exploitant onderscheidenlijk de dienstaanbieder
een administratieve boete van ten hoogste een miljoen gulden worden opgelegd.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a48a">
            <kop>
              <nr>Artikel 48a</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Onze Minister is bevoegd om ten aanzien van de houder van een vergunning
bestuursdwang toe te passen. Hieronder wordt verstaan het doen wegnemen, beletten,
verrichten of in de vorige toestand herstellen van hetgeen door de houder
van een vergunning in strijd met bij of krachtens deze wet gestelde verplichtingen
is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten. De artikelen 127, 128, 129, 131,
132, 134 en 135 van de Gemeentewet zijn van overeenkomstige toepassing.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>In plaats van de toepassing van bestuursdwang kan Onze Minister aan de
overtreder een last onder dwangsom opleggen. Voor het opleggen van een last
onder dwangsom wordt niet gekozen, indien het gelaedeerde belang zich daartegen
verzet. De artikelen 136, tweede lid, eerste, tweede en derde volzin, en derde
lid, 137 en 138 van de Gemeentewet zijn van overeenkomstige toepassing.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a48b">
            <kop>
              <nr>Artikel 48b</nr>
            </kop>
            <al>In geval van overtreding van de artikelen 4c, 5, 7, eerste tot en met
vierde lid, 7b, 13f, 14, 22c, 23c of 40g kan Onze Minister aan de overtreder
een administratieve boete van ten hoogste een miljoen gulden opleggen. </al>
          </art>
          <art id="a49">
            <kop>
              <nr>Artikel 49</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Onze Minister kan van de overtreder bij dwangbevel de volgende bedragen,
verhoogd met de op de invordering vallende kosten, invorderen:</al>
              <al>a. de kosten, verbonden aan de toepassing van bestuursdwang als bedoeld
in artikel 43a of 48a;</al>
              <al>b. het bedrag dat verschuldigd is ingevolge een verbeurde dwangsom als
bedoeld in artikel 43a of 48a;</al>
              <al>c. het bedrag dat verschuldigd is ingevolge een krachtens artikel 43b,
48 of 48b opgelegde administratieve boete;</al>
              <al>d. de overige kosten, verbonden aan de toepassing van artikel 43b of 48.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Het dwangbevel levert een executoriale titel op, die met toepassing van
de voorschriften van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan worden
tenuitvoergelegd. De betekening van het dwangbevel geschiedt op kosten van
de overtreder.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>Gedurende zes weken na betekening staat verzet tegen het dwangbevel open
door dagvaarding van de Staat.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>4.</nr>
              <al>Het verzet schorst de tenuitvoerlegging. Op verzoek van de Staat kan de
rechter de schorsing van de tenuitvoerlegging opheffen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>5.</nr>
              <al>De in het eerste lid bedoelde bedragen komen toe aan de Staat.</al>
            </lid>
          </art>
        </par>
      </hfdst>
      <hfdst>
        <kop>
          <nr>HOOFDSTUK X.</nr>
          <titel status="off">STRAF- EN OPSPORINGSBEPALINGEN </titel>
        </kop>
        <art id="a50">
          <kop>
            <nr>Artikel 50</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de vijfde
categorie wordt gestraft:</al>
            <al>a. hij die handelt in strijd met artikel 13f;</al>
            <al>b. hij die handelt in strijd met artikel 17, eerste lid, met betrekking
tot een radio-elektrische zendinrichting als aangewezen krachtens artikel
17, derde lid;</al>
            <al>c. hij die handelt in strijd met artikel 26 met betrekking tot radio-elektrische
zendinrichtingen, aangewezen krachtens artikel 17, derde lid;</al>
            <al>d. hij die handelt in strijd met artikel 27, eerste lid.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Onverminderd het bepaalde in het vierde lid, aanhef en onder b, is medeplichtigheid
aan het misdrijf omschreven in het eerste lid, aanhef en onder d, niet strafbaar.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>Vervallen</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>4.</nr>
            <al>Met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de vierde categorie
wordt gestraft:</al>
            <al>a. overtreding van de artikelen 7, eerste tot en met vierde lid, 14, eerste
lid, 17, eerste lid, 21, eerste lid, 23, eerste lid, 25, eerste lid, 26, 29,
achtste lid, en 30a, eerste en tweede lid;</al>
            <al>b. overtreding van artikel 27, tweede lid;</al>
            <al>c. het aansluiten of aangesloten houden op een openbaar telecommunicatienet
van randapparatuur waarvoor niet een verklaring van toelating als bedoeld
in artikel 29, derde lid, is afgegeven;</al>
            <al>d. het niet naleven van de verplichting bedoeld in artikel 48, derde lid. </al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>5.</nr>
            <al>Overtreding van de regels gesteld bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur bedoeld in de artikelen 17, vierde lid, 19, eerste lid, 29, negende
lid, 30, eerste lid, en 30b, eerste lid, en tweede lid, onder c, dan wel van
de regels gesteld krachtens artikel 20, tweede lid, wordt, voor zover uitdrukkelijk
als strafbaar feit aangemerkt, gestraft met hechtenis van ten hoogste vier
maanden of een geldboete van de derde categorie.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>6.</nr>
            <al>De Nederlandse strafwet is toepasselijk op de Nederlander die, aan boord
van een zich buiten elk nationaal gebied bevindend vaartuig, luchtvaartuig
of ander drijvend dan wel door de lucht gedragen voorwerp, zich
schuldig maakt aan een der in het eerste lid, aanhef en onder d, en het vierde
lid, aanhef en onder b, strafbaar gestelde feiten.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>7.</nr>
            <al>De in het eerste lid van dit artikel strafbaar gestelde feiten zijn misdrijven.
De in het vierde en vijfde lid van dit artikel strafbaar gestelde feiten zijn
overtredingen.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a51">
          <kop>
            <nr>Artikel 51</nr>
          </kop>
          <al>Met de opsporing van de in deze wet strafbaar gestelde feiten zijn, behalve
de bij artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering (Stb. 1925, 343) aangewezen
ambtenaren, belast de ambtenaren die daartoe door Onze Minister, in overeenstemming
met Onze Minister van Justitie, zijn aangewezen.</al>
        </art>
        <art id="a52">
          <kop>
            <nr>Artikel 52</nr>
          </kop>
          <al>Bij het opsporen van een bij deze wet strafbaar gesteld feit hebben de
in artikel 51 bedoelde ambtenaren toegang tot elke plaats, voor zover dat
redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is.</al>
        </art>
        <art id="a53">
          <kop>
            <nr>Artikel 53</nr>
          </kop>
          <al>De in artikel 51 bedoelde ambtenaren zijn, voorzover dit redelijkerwijs
nodig is voor de opsporing van de in deze wet strafbaar gestelde feiten, te
allen tijde bevoegd tot inbeslagneming van daarvoor vatbare voorwerpen en
tot vordering van uitlevering daarvan.</al>
        </art>
      </hfdst>
      <hfdst>
        <kop>
          <nr>HOOFDSTUK XI.</nr>
          <titel status="off">BIJZONDERE BEPALINGEN </titel>
        </kop>
        <art id="a54">
          <kop>
            <nr>Artikel 54</nr>
          </kop>
          <al>In bijzondere omstandigheden in verband met de handhaving van de internationale
rechtsorde of met de internationale betrekkingen is Onze Minister bevoegd
in overeenstemming met Onze Minister van Buitenlandse Zaken aan de houder
van de concessie, aan de houder van een landelijke infrastructuurvergunning
en aan de houder van een vergunning aanwijzingen te geven met betrekking tot
de verzorging van telecommunicatie van en naar het buitenland.</al>
        </art>
        <art id="a55">
          <kop>
            <nr>Artikel 55</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Bij koninklijk besluit kunnen in buitengewone omstandigheden voor Nederland
of een deel daarvan de artikelen 57, eerste tot en met vierde lid, en 58,
eerste tot en met derde lid, in werking worden gesteld.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Een in het eerste lid bedoeld besluit wordt vastgesteld op voordracht
van Onze minister-president.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>Het besluit treedt niet in werking dan nadat het op een daarin te bepalen
wijze algemeen bekend is gemaakt. Het besluit wordt in elk geval in het Staatsblad
geplaatst.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>4.</nr>
            <al>Met betrekking tot de intrekking van het besluit zijn het tweede en derde
lid van overeenkomstige toepassing.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a56">
          <kop>
            <nr>Artikel 56</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Indien een in artikel 55, eerste lid, bedoeld besluit is genomen, wordt
onverwijld een voorstel van wet bij de Staten-Generaal ingediend omtrent het
voortduren van de in artikelen 57 en 58 bedoelde bevoegdheden.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Wordt het voorstel van wet ingetrokken of verworpen dan treden het in
het eerste lid bedoelde besluit en de artikelen 57, eerste tot en met vierde lid, en 58, eerste tot en met derde lid, van rechtswege buiten
werking met ingang van de vierde dag na die waarop de intrekking of verwerping
van het voorstel heeft plaats gehad.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>Ingeval het tweede lid toepassing heeft gevonden wordt bij koninklijk
besluit bepaald op welk tijdstip artikel 57, vijfde lid, onderscheidenlijk
artikel 58, vierde lid, buiten werking treedt. Ten aanzien van zodanig besluit
is artikel 55, tweede en derde lid, van overeenkomstige toepassing.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>4.</nr>
            <al>Ingeval het tweede lid toepassing vindt, wordt een mededeling over het
tijdstip waarop het desbetreffende koninklijk besluit vervalt, door de zorg
van Onze minister-president tijdig algemeen bekend gemaakt. De mededeling
wordt in ieder geval geplaatst in de Nederlandse Staatscourant.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a57">
          <kop>
            <nr>Artikel 57</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Onze Minister is bevoegd aan de houder van de concessie onderscheidenlijk
de houder van een infrastructuurvergunning alsmede voor zover van toepassing
aan de houder van een vergunning aanwijzingen te geven met betrekking tot:</al>
            <al>a. de instandhouding en exploitatie van hun openbare telecommunicatienetten,</al>
            <al>b. het verzorgen en het gebruiken van hun openbare telecommunicatiediensten,</al>
            <al>c. het ter beschikking stellen van vaste verbindingen en het gebruik daarvan,
van, naar of in het gebied waarvoor een besluit als bedoeld in artikel 55
van kracht is.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Ingeval voor Nederland of een deel daarvan krachtens de Oorlogswet voor
Nederland (Stb. 1964, 337) de staat van oorlog of de staat van beleg is afgekondigd,
oefent Onze Minister de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid uit in overeenstemming
met Onze Minister van Defensie.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>Onze Minister kan bij toepassing van het eerste en tweede lid afwijken
van de verplichtingen die ingevolge deze wet op de houder van de concessie
onderscheidenlijk de houder van een infrastructuurvergunning rusten, en voor
zover van toepassing op de houder van een vergunning.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>4.</nr>
            <al>De aanwijzingen die ingevolge het eerste en tweede lid aan de houder van
de concessie onderscheidenlijk de houder van een infrastructuurvergunning,
en voor zover van toepassing aan de houder van een vergunning zijn gegeven,
zijn voor deze verbindend.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>5.</nr>
            <al>Indien de houder van de concessie onderscheidenlijk de houder van een
infrastructuurvergunning, en voor zover van toepassing de houder van een vergunning
als gevolg van aanwijzingen gegeven krachtens het eerste en tweede lid onevenredig
financieel nadeel ondervindt, kent Onze Minister hem een naar billijkheid
te bepalen vergoeding toe.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a58">
          <kop>
            <nr>Artikel 58</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Onze Minister is bevoegd regels te stellen met betrekking tot de beperking
of beëindiging van het gebruik van telecommunicatie-inrichtingen, als
bedoeld in hoofdstuk III voor telecommunicatie van, naar of in het gebied
waarvoor een besluit als bedoeld in artikel 55 van kracht is.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Ingeval voor Nederland of een deel daarvan krachtens de Oorlogswet voor
Nederland (Stb. 1964, 337) de staat van oorlog of de staat van beleg is afgekondigd,
oefent Onze Minister de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid uit in overeenstemming
met Onze Minister van Defensie.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>Onze Minister kan bij toepassing van het eerste en tweede lid afwijken
van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk III.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>4.</nr>
            <al>Indien degene die gerechtigd is tot het gebruik van een in het eerste
lid bedoelde inrichting als gevolg van de regels gesteld krachtens het eerste lid onevenredig financieel nadeel ondervindt, kent Onze Minister
hem een naar billijkheid te bepalen vergoeding toe.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a59">
          <kop>
            <nr>Artikel 59</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Bij toepassing van artikel 19 van de Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk
gezag (Stb. 1952, 361) is de houder van de concessie, onderscheidenlijk de
houder van een infrastructuurvergunning en de houder van een vergunning, verplicht
de krachtens het eerste lid van genoemd artikel aangewezen autoriteiten alle
medewerking te verlenen, daaronder begrepen het uitvoeren van door die autoriteiten
gegeven opdrachten.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Bij toepassing van artikel 45 van de Oorlogswet voor Nederland is de houder
van de concessie, onderscheidenlijk de houder van een infrastructuurvergunning
en de houder van een vergunning, verplicht het militair gezag of een orgaan
als bedoeld in het tweede lid van genoemd artikel alle medewerking te verlenen,
daaronder begrepen het uitvoeren van door dat gezag of dat orgaan gegeven
opdrachten.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a60">
          <kop>
            <nr>Artikel 60</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Onze Minister geeft, na overleg met Onze Minister van Binnenlandse Zaken
en Onze Minister van Defensie, aan de houder van de concessie, onderscheidenlijk
de houder van een infrastructuurvergunning en de houder van een vergunning,
voorschriften ten aanzien van de door deze te nemen organisatorische en personele
maatregelen en te treffen bijzondere voorzieningen met betrekking tot de voorbereiding
van het door hen te verzorgen elektronisch transport van gegevens in buitengewone
omstandigheden als bedoeld in artikel 55 en de door hen daarover aan Onze
Minister te verstrekken informatie. Onze Minister bepaalt in die voorschriften
welke kosten van de uitvoering redelijkerwijze ten laste van de houder van
de concessie, onderscheidenlijk de houder van een infrastructuurvergunning
en de houder van een vergunning, dienen te komen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>De in het eerste lid bedoelde bijzondere voorzieningen hebben betrekking
op:</al>
            <al>a. de beveiliging van bepaalde onderdelen van een openbaar telecommunicatienet;</al>
            <al>b. de afwikkeling van het elektronisch transport van gegevens over een
openbaar telecommunicatienet;</al>
            <al>c. aanvullende infrastructurele voorzieningen voor het elektronisch transport
van gegevens en de beveiliging daarvan.</al>
          </lid>
        </art>
      </hfdst>
      <hfdst>
        <kop>
          <nr>HOOFDSTUK XII.</nr>
          <titel status="off">OVERIGE BEPALINGEN </titel>
        </kop>
        <art id="a61">
          <kop>
            <nr>Artikel 61</nr>
          </kop>
          <al>De toepasselijkheid van deze wet wordt beperkt door de regels van het
volkenrecht.</al>
        </art>
        <art id="a62">
          <kop>
            <nr>Artikel 62</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Onze Minister betrekt de houder van de concessie tijdig bij de voorbereiding
van een besluit als bedoeld in de artikelen 3, tweede lid, 4, eerste lid,
8, 12, tweede lid, 29, eerste lid en negende lid, 30, eerste lid, en 30b,
eerste en tweede lid. De houder van de concessie is verplicht de nodige medewerking
te verlenen bij de voorbereiding van de hiervoor bedoelde besluiten, daaronder
begrepen het opstellen van ontwerpen voor besluiten als bedoeld in artikel
29, eerste lid. </al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Onze Minister hoort de houder van de concessie over het voornemen tot
een besluit als bedoeld in artikel 10, tweede lid, 13r, 14, zesde lid, 18,
22, derde lid, 23, 25, tweede lid, 43 en 60.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>Onze Minister hoort de houder van een landelijke infrastructuurvergunning
onderscheidenlijk de houder van een vergunning over het voornemen tot een
hem betreffend besluit, houdende voorschriften als bedoeld in artikel 10,
tweede lid, en over het voornemen tot een besluit als bedoeld in artikel 60.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>4.</nr>
            <al>Onze Minister betrekt belanghebbende organisaties tijdig bij de voorbereiding
van een besluit als bedoeld in artikel 29, eerste en tweede lid, 30, eerste
lid, en 30b, eerste en tweede lid.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>5.</nr>
            <al>De voordracht voor een wijziging van de algemene maatregel van bestuur
bedoeld in de artikelen 4, eerste lid, 12, tweede lid, en 29, eerste, tweede
en negende lid, wordt niet gedaan dan nadat een ontwerp van dat besluit aan
de beide Kamers der Staten-Generaal ter kennisneming is toegezonden alsmede
in de Staatscourant is bekend gemaakt en nadat aan een ieder de gelegenheid
is geboden binnen een termijn van twee maanden wensen en bezwaren ter kennis
van Onze Minister te brengen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>6.</nr>
            <al>Een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het vijfde lid treedt
niet eerder in werking dan twee maanden na de datum van uitgifte van het Staatsblad,
waarin hij wordt geplaatst.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>7.</nr>
            <al>Een besluit houdende wijziging van de algemene richtlijnen als bedoeld
in artikel 8 wordt niet eerder vastgesteld dan twee maanden nadat een ontwerp
van dat besluit aan de beide Kamers der Staten-Generaal ter kennisneming is
toegezonden behoudens indien de wijziging strekt tot uitvoering van een bindend
besluit van een orgaan van de Europese Gemeenschappen.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a63">
          <kop>
            <nr>Artikel 63</nr>
          </kop>
          <al>Vervallen</al>
        </art>
        <art id="a64">
          <kop>
            <nr>Artikel 64</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>De houder van de concessie, onderscheidenlijk de houder van een infrastructuurvergunning,
de houder van een vergunning en de houder van een registratie als bedoeld
in de artikelen 22a en 23a, is verplicht medewerking te verlenen aan de uitvoering
van een bevoegd gegeven bijzondere last tot het afluisteren of opnemen van
de telecommunicatie die over de telecommunicatie-infrastructuur wordt afgewikkeld.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Het eerste lid is tevens van toepassing met betrekking tot de telecommunicatie
die wordt afgewikkeld over de telecommunicatie-inrichtingen van de houder
van een machtiging die de desbetreffende telecommunicatie-inrichtingen gebruikt
ten behoeve van het voor derden verzorgen van het transport van gegevens met
en tussen mobiele gebruikers.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a64a">
          <kop>
            <nr>Artikel 64a</nr>
          </kop>
          <al>De investerings-, exploitatie- en onderhoudskosten voor de technische
voorzieningen die door de houder van een vergunning voor het voor derden verzorgen
van openbare mobiele telecommunicatie in de vorm van telefonie als bedoeld
in aanbeveling nr. 87/371/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van
25 juni 1987 (PbEG L 196), zijn gemaakt teneinde te kunnen voldoen aan het
bepaalde in artikel 64, komen te zijnen laste. </al>
        </art>
      </hfdst>
      <hfdst>
        <kop>
          <nr>HOOFDSTUK XIII.</nr>
          <titel status="off">OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN </titel>
        </kop>
        <art id="a65">
          <kop>
            <nr>Artikel 65</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>De Telegraaf- en Telefoonwet 1904 (Staatsblad no. 7) wordt ingetrokken,
met dien verstande dat de regels vastgesteld krachtens de desbetreffende bepalingen
van genoemde wet worden geacht te zijn vastgesteld krachtens de overeenkomstige
bepalingen van deze wet.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Machtigingen die op grond van artikel 3, eerste lid, van de Telegraaf-
en Telefoonwet 1904 (Staatsblad no. 7) zijn verleend voor de aanleg en het
gebruik van een telegraaf of telefoon dan wel van een andere inrichting, welke
overeenkomt met een telecommunicatie-inrichting als bedoeld in artikel 23
van deze wet, worden geacht te zijn verleend krachtens artikel 23 van deze
wet.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>Machtigingen en vrijstellingen die op grond van het bepaalde bij en krachtens
artikel 3ter van de Telegraaf- en Telefoonwet 1904 (Staatsblad no. 7) zijn
verleend voor de aanleg, het aanwezig hebben en het gebruik van radio-elektrische
zend- of ontvanginrichtingen, worden geacht te zijn verleend krachtens artikel
17 of 18 dan wel artikel 19 van deze wet.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>4.</nr>
            <al>Machtigingen die op grond van het bepaalde krachtens artikel 3sexies,
vierde lid, van de Telegraaf- en Telefoonwet 1904 (Staatsblad no. 7) zijn
verleend voor de aanleg en instandhouding van draadomroepinrichtingen en voor
de exploitatie daarvan overeenkomstig de bestemming, worden geacht te zijn
verleend op grond van artikel 21 van deze wet.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>5.</nr>
            <al>Voorzover in voorschriften verbonden aan een machtiging als bedoeld in
het tweede of derde lid, toestemming is gegeven voor een vorm van telecommunicatie
bedoeld in artikel 14, eerste lid, van deze wet, wordt deze toestemming geacht
te zijn verleend bij ontheffing op grond van artikel 14, tweede lid, van deze
wet.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>6.</nr>
            <al>Voorzover in voorschriften verbonden aan een machtiging als bedoeld in
het tweede lid, toestemming is gegeven voor het koppelen van de inrichting
aan een andere inrichting, waarvoor een machtiging als bedoeld in het tweede
of derde lid, is verleend, wordt deze toestemming geacht te zijn verleend
bij ontheffing op grond van artikel 25, tweede lid, van deze wet.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>7.</nr>
            <al>Een machtiging die op grond van artikel 3, eerste lid, van de Telegraaf-
en Telefoonwet 1904 (Staatsblad no. 7) ten aanzien van een inrichting is verleend
voor ander gebruik dan waarvoor ten aanzien van die inrichting een machtiging
is verleend op grond van artikel 3sexies van die wet, wordt geacht te zijn
verleend op grond van artikel 22 van deze wet.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>8.</nr>
            <al>Het bepaalde in het tweede tot en met het zevende lid geldt ten aanzien
van de daarin bedoelde inrichtingen uitsluitend voor de voorschriften en beperkingen
met betrekking tot de duur, de omvang, het gebruik en de technische eisen
waaronder de machtigingen voor deze inrichtingen zijn verleend op het tijdstip
van inwerkingtreding van deze wet.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>9.</nr>
            <al>Ten aanzien van inrichtingen bestemd voor telecommunicatie door middel
van kabels en kabelwerken, die geen draadomroepinrichting zijn, welke door
organen en diensten van het rijk, niet behorende tot het Staatsbedrijf der
Posterijen, Telegrafie en Telefonie, op grond van artikel 3 van de Telegraaf-
en Telefoonwet 1904 (Staatsblad no. 7) zijn aangelegd, in stand gehouden en
gebruikt ten behoeve van de vervulling van hun taken, is het tweede lid van
artikel 23 van deze wet niet van toepassing voor zover het betreft de omvang,
het gebruik en de technische staat van de inrichtingen op het tijdstip van
de inwerkingtreding van deze wet. </al>
          </lid>
        </art>
        <wart id="a66">
          <kop>
            <nr>Artikel 66</nr>
          </kop>
          <al>De Mediawet wordt als volgt gewijzigd:</al>
          <al>A. In artikel 1 eerste lid, onder m, worden de woorden «artikel
1, onder f, van de Telegraaf- en Telefoonwet 1904 (Stb. no. 7)» vervangen
door: artikel 1, onder g, van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen (Stb.
1988, 520).</al>
          <al>B. In artikel 1, eerste lid, onder n, wordt de zinsnede «de houder
van een machtiging of concessie voor de aanleg, instandhouding en exploitatie
van een draadomroepinrichting dan wel, bij aanleg, instandhouding en exploitatie
van Rijkswege, het Staatsbedrijf der Posterijen, Telegrafie en Telefonie»
vervangen door: degene die met machtiging of krachtens vrijstelling een draadomroepinrichting
aanlegt, in stand houdt of exploiteert, dan wel de houder van de concessie
bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen
indien deze de aanleg, instandhouding en exploitatie verzorgt.</al>
          <al>C. Aan artikel 70 wordt een derde lid toegevoegd dat luidt:</al>
          <arttkst>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>Onze Minister kan bepalen dat de verplichtingen neergelegd in artikel
65 geheel of ten dele niet gelden ten aanzien van de beheerder van door de
minister aangewezen categorieën draadomroepinrichtingen. Deze aanwijzing
kan slechts geschieden ten aanzien van draadomroepinrichtingen die van zeer
geringe omvang zijn of die uitsluitend worden gebruikt voor één
bijzonder doel.</al>
            </lid>
          </arttkst>
          <al>D. In artikel 167, eerste lid, worden de woorden «Telegraaf- en
Telefoonwet 1904 (Stb. 7)» vervangen door: Wet op de telecommunicatievoorzieningen.</al>
        </wart>
        <wart id="a67">
          <kop>
            <nr>Artikel 67</nr>
          </kop>
          <al>De Radio-Omroep-Zender-Wet 1935 wordt als volgt gewijzigd:</al>
          <al>A. In artikel 1, derde lid, worden de woorden «het Staatsbedrijf
der Posterijen, Telegrafie en Telefonie» vervangen door: PTT Nederland
NV of een dochtermaatschappij daarvan.</al>
          <al>B. In artikel 2, eerste lid, worden de woorden «artikel 3ter, eerste
lid, der Telegraaf- en Telefoonwet 1904, Stb. no. 7» vervangen door:
artikel 17, eerste lid, van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen (Stb.
1988, 520).</al>
          <al>C. In artikel 2, derde lid, worden de woorden «artikel 3ter van
de Telegraaf- en Telefoonwet 1904, Stb. no. 7» vervangen door: artikel
17 van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen.</al>
          <al>D. In artikel 2, vierde lid, worden de woorden «artikel 3ter van
de Telegraaf- en Telefoonwet 1904, Stb. no. 7» vervangen door: artikel
17 van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen.</al>
          <al>E. In artikel 2, vijfde lid, worden de woorden «artikel 3ter van
de Telegraaf- en Telefoonwet 1904, Stb. no. 7» vervangen door: artikel
17 van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen.</al>
          <al>F. In artikel 2, zesde lid, worden de woorden «Art. 13 der Telegraaf-
en Telefoonwet 1904, Stb. no. 7 is van toepassing» vervangen door: De
artikelen 31 tot en met 40 en artikel 63 van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen
zijn van overeenkomstige toepassing.</al>
          <al>G. In artikel 2, zevende lid, worden de woorden «Onze Minister belast
met de zorg voor het Staatsbedrijf der Posterijen, Telegrafie en Telefonie»
vervangen door: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.</al>
          <al>H. Artikel 2, achtste lid, komt te luiden: «De NOZEMA zal door de
aanleg en het gebruik van haar inrichtingen geen belemmering teweegbrengen
in de aanleg, instandhouding en exploitatie van de telecommunicatie-infrastructuur
als bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen
en voor de aanleg, instandhouding en gebruik van telecommunicatie-inrichtingen
van overheidsorganen en -diensten, aangewezen krachtens artikel 28 van die
wet. </al>
          <al>I. Artikel 2bis vervalt.</al>
          <al>J. In artikel 4, tweede lid, worden de woorden «Onze Minister belast
met de zorg voor het Staatsbedrijf der Posterijen, Telegrafie en Telefonie»
vervangen door: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.</al>
          <al>K. In artikel 7, tweede lid, worden de woorden «Onze Minister belast
met de zorg voor het Staatsbedrijf der Posterijen, Telegrafie en Telefonie»
vervangen door: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.</al>
        </wart>
        <wart id="a68">
          <kop>
            <nr>Artikel 68</nr>
          </kop>
          <al>De Wegenverkeerswet (Stb. 1935, 554) wordt als volgt gewijzigd:</al>
          <al>A. In artikel 9e, tweede lid, onder a, worden de woorden «de Telegraaf-
en Telefoonwet 1904 (Stb. no. 7)» vervangen door: de Wet op de telecommunicatievoorzieningen
(Stb. 1988, 520).</al>
          <al>B. In artikel 12, vijfde lid, worden de woorden «de Telegraaf- en
Telefoonwet 1904» vervangen door: de Wet op de telecommunicatievoorzieningen.</al>
          <al>C. In artikel 13, tweede lid, worden de woorden «de Telegraaf- en
Telefoonwet 1904» vervangen door: de Wet op de telecommunicatievoorzieningen.</al>
        </wart>
        <wart id="a69">
          <kop>
            <nr>Artikel 69</nr>
          </kop>
          <al>De Auteurswet 1912 (Stb. 308) wordt als volgt gewijzigd :</al>
          <wond>
            <nr>1.</nr>
            <al>In artikel 15, eerste lid, worden in de aanhef en onder 1° de woorden
«de Telegraaf- en Telefoonwet 1904 (Staatsblad no. 7)» vervangen
door: de Wet op de telecommunicatievoorzieningen (Stb. 1988, 520).</al>
          </wond>
          <wond>
            <nr>2.</nr>
            <al>In artikel 16, eerste lid, onder b, worden de woorden «de Telegraaf-
en Telefoonwet 1904 (Staatsblad no. 7)» vervangen door: de Wet op de
telecommunicatievoorzieningen (Stb. 1988, 520).</al>
          </wond>
        </wart>
        <art id="a70">
          <kop>
            <nr>Artikel 70</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Bij de toepassing van deze wet wordt niet getreden in de onderwerpen geregeld
bij of krachtens de Mediawet.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Het bepaalde bij of krachtens deze wet is, behoudens het bepaalde in artikel
67, niet van toepassing voor zover het betreft hetgeen in de Radio-Omroep-Zender-Wet
1935 ten aanzien van de NV NOZEMA is geregeld en de daaraan gegeven toepassing.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a71">
          <kop>
            <nr>Artikel 71</nr>
          </kop>
          <al>Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.</al>
        </art>
        <art id="a72">
          <kop>
            <nr>Artikel 72</nr>
          </kop>
          <al>Deze wet kan worden aangehaald als: Wet op de telecommunicatievoorzieningen.</al>
        </art>
      </hfdst>
    </tekstpl>
  </backm>
</staatsbl>