﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<!DOCTYPE staatsbl PUBLIC "-//SDU//DTD staatsblad xml 1.1//NL" "../../dtd/staatsbl-11.dtd"[]>
<staatsbl id="sb996.274" soort="beschik" publtype="besc">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-1996-274/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel status="off">Staatsblad</titel>
    <subtitel>van het Koninkrijk der Nederlanden</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.4" conv="OPmaat" markup="c1xa"></versie>
    <ordernr>6S0210</ordernr>
    <stb>
      <jaargang jaar="1996">Jaargang 1996</jaargang>
      <stbjaar>1996</stbjaar>
      <stbnr>274 </stbnr>
    </stb>
    <intitule>
      <soort>Beschikking</soort> van de Minister van Justitie van 22 mei
1996, houdende plaatsing in het Staatsblad van de tekst van de Tijdelijke
wet stimulering sociale vernieuwing, zoals deze laatstelijk is gewijzigd bij
de wet van 16 november 1995, Stb. 616</intitule>
    <aanhef>
      <wie>De Minister van Justitie,</wie>
      <consider>
        <al>Gelet op de artikelen 36 en 37 van de wet van 16 december 1993, Stb. 682;</al>
      </consider>
      <afkondig>Besluit:</afkondig>
    </aanhef>
  </frontm>
  <body>
    <besluit>
      <al>de tekst van de Tijdelijke wet stimulering sociale vernieuwing, zoals
deze laatstelijk is gewijzigd bij de wet van 16 november 1995, Stb. 616, in
het Staatsblad te plaatsen als bijlage bij deze beschikking.</al>
    </besluit>
  </body>
  <backm>
    <nawerk>
      <ondertek>
        <ondplts>'s-Gravenhage, </ondplts>
        <onddatum>22 mei 1996 </onddatum>
        <minister>
          <minvan>De Minister van Justitie,</minvan>
          <naam>W. Sorgdrager</naam>
        </minister>
      </ondertek>
      <uitgifte>
        <uitgifte-regel>Uitgegeven de <nadruk type="cur">dertigste</nadruk> mei 1996 </uitgifte-regel>
        <uitdag>dertigste</uitdag>
        <uitmaand>mei</uitmaand>
        <uitjaar>1996 </uitjaar>
        <door>
          <minvan>De Minister van Justitie,</minvan>
          <naam>W. Sorgdrager </naam>
        </door>
      </uitgifte>
    </nawerk>
    <tekstpl>
      <kop>
        <titel status="off"></titel>
      </kop>
      <par>
        <kop>
          <nr>Paragraaf 1.</nr>
          <titel status="off">Begripsomschrijvingen </titel>
        </kop>
        <art id="a1">
          <kop>
            <nr>Artikel 1</nr>
          </kop>
          <al>In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:</al>
          <al>a. Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken;</al>
          <al>b. sociale vernieuwing: de gezamenlijke inspanning van de gemeenten, de
provincies, het Rijk, andere overheden, organisaties en individuen op de terreinen
arbeid, scholing en inkomen, woon- en leefomgeving, opvang en hulpverlening,
alsmede onderwijs die tot doel heeft door een samenhangende aanpak van de
maatschappelijke achterstand die mensen hebben opgelopen of dreigen op te
lopen, de mogelijkheden tot hun ontplooiing te vergroten.</al>
        </art>
      </par>
      <par>
        <kop>
          <nr>Paragraaf 2.</nr>
          <titel status="off">Gemeentelijk en bovengemeentelijk beleid inzake sociale
vernieuwing </titel>
        </kop>
        <art id="a2">
          <kop>
            <nr>Artikel 2</nr>
          </kop>
          <al>Het gemeentebestuur besteedt de ingevolge artikel 6 ontvangen bijdrage
aan bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen onderdelen van de terreinen,
genoemd in artikel 1, onder b.</al>
          <al>Binnen de grenzen, gesteld in de eerste volzin, is het gemeentebestuur
vrij in de bestemming van de bijdrage.</al>
        </art>
        <art id="a3">
          <kop>
            <nr>Artikel 3</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Bij algemene maatregel van bestuur worden de gemeenten aangewezen die
zorg dragen voor de ontwikkeling en uitvoering van het regionale beleid inzake
voorzieningen voor ambulante verslavingszorg en in de regio gevestigde voorzieningen
voor maatschappelijke opvang die toegankelijk zijn voor een ieder die in Nederland
woont, alsmede voor de organisatie van de HALT-voorziening en de tenuitvoerlegging
van de HALT-afdoening.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Beslissingen over het beleid met betrekking tot deze voorzieningen worden
door de in het eerste lid bedoelde gemeenten niet genomen dan na overleg met
de betrokken gemeenten in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen
regio's.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>Beslissingen over het beleid met betrekking tot de organisatie van de
HALT-voorziening en de tenuitvoerlegging van de HALT-afdoening worden genomen
in overeenstemming met het Openbaar Ministerie.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a4">
          <kop>
            <nr>Artikel 4</nr>
          </kop>
          <al>Bij algemene maatregel van bestuur, vast te stellen op voordracht van
Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid
en Cultuur, worden de gemeenten aangewezen die op experimentele basis zorg
dragen voor de ontwikkeling en uitvoering van het beleid inzake sociale pensions.</al>
        </art>
        <art id="a5">
          <kop>
            <nr>Artikel 5</nr>
          </kop>
          <al>Het gemeentebestuur verricht het nodige ter bevordering van de actieve
betrokkenheid van en samenwerking tussen de betrokkenen bij de totstandkoming
en uitvoering van het beleid inzake sociale vernieuwing. </al>
        </art>
      </par>
      <par>
        <kop>
          <nr>Paragraaf 3.</nr>
          <titel status="off">Financiële bepalingen </titel>
        </kop>
        <art id="a6">
          <kop>
            <nr>Artikel 6</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Uit 's Rijks kas wordt aan de gemeente jaarlijks een bijdrage verstrekt
ten behoeve van de totstandkoming en uitvoering van het beleid inzake sociale
vernieuwing.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>De bijdrage wordt jaarlijks berekend volgens bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur te stellen regels.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>De betaling van de bijdrage vindt plaats in twaalf zoveel mogelijk gelijke
maandelijkse termijnen.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a7">
          <kop>
            <nr>Artikel 7</nr>
          </kop>
          <al>Onze Minister kan, het gemeentebestuur gehoord, met behoud van de aan
deze wet en de daarop gebaseerde algemene maatregel van bestuur ten grondslag
liggende beginselen, een afwijkende berekening toepassen bij de vaststelling
van de bijdrage aan gemeenten waarvoor na 1 januari 1992 een wijziging van
de gemeentelijke indeling van kracht is geworden.</al>
        </art>
        <art id="a8">
          <kop>
            <nr>Artikel 8</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>De bijdrage wordt in beginsel in het jaar van ontvangst besteed. Niet-bestede
gelden worden gereserveerd ten behoeve van het beleid inzake sociale vernieuwing
op de onderdelen, aangewezen krachtens artikel 2.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Het totaal van de gereserveerde gelden tot en met het jaar waarover ingevolge
artikel 9 verslag wordt uitgebracht mag ten hoogste gelijk zijn aan dertig
procent van de voor dat jaar ontvangen bijdrage.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a9">
          <kop>
            <nr>Artikel 9</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Het gemeentebestuur brengt jaarlijks een verslag uit over de besteding
van de bijdrage, bedoeld in artikel 6, in het voorafgaande jaar en over een
eventuele reservering van niet-bestede gelden.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Het verslag behoort tot de rekening, bedoeld in artikel 199 van de Gemeentewet.
Het wordt ingericht overeenkomstig een door Onze Minister vast te stellen
model.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>Vóór 1 oktober van het jaar, volgend op het jaar waarvoor
een bijdrage is verstrekt, zendt het gemeentebestuur het verslag aan Onze
Minister. Het gemeentebestuur voegt hierbij het door de registeraccountant
uitgebrachte verslag, bedoeld in artikel 215, tweede lid, van de Gemeentewet,
voor zover dat betrekking heeft op de besteding van de bijdrage en de reservering
van niet-bestede gelden.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>4.</nr>
            <al>Onze Minister kan nadere regels stellen met betrekking tot de inhoud en
de reikwijdte van het in artikel 215, tweede lid, van de Gemeentewet bedoelde
onderzoek van de rekening voor zover dat betrekking heeft op de besteding
van de bijdrage en de reservering van niet-bestede gelden.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>5.</nr>
            <al>Ten behoeve van de controle op de besteding van de bijdrage is het gemeentebestuur
verplicht desgevraagd aan de door Onze Minister daartoe aangewezen ambtenaren
van de accountantsdienst bedoeld in artikel 22, eerste lid, van de Comptabiliteitswet
de voor deze controle benodigde informatie te verschaffen. Deze ambtenaren
kunnen tevens informatie inwinnen bij de registeraccountant, bedoeld in artikel
215, tweede lid, van de Gemeentewet.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a10">
          <kop>
            <nr>Artikel 10</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Indien een ingevolge artikel 8, eerste lid, gereserveerd bedrag het in
het tweede lid van dat artikel bedoelde percentage te boven gaat, kan Onze Minister de bijdrage voor een volgend jaar met ten hoogste het
bedrag van de overschrijding verlagen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Onze Minister deelt binnen drie maanden na ontvangst van de verslagen,
bedoeld in artikel 9, eerste tot en met derde lid, mede of naar zijn oordeel
al dan niet een overschrijding van het percentage heeft plaatsgevonden.</al>
            <al>Indien een overschrijding als bedoeld in de eerste volzin heeft plaatsgevonden,
nodigt hij het gemeentebestuur uit hem binnen drie maanden daarover inlichtingen
te verschaffen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>Onze Minister beslist binnen drie maanden na ontvangst van de in het tweede
lid bedoelde inlichtingen, dan wel binnen drie maanden na de laatste van de
in het tweede lid bedoelde termijnen, omtrent de verlaging van de volgende
jaarlijkse bijdrage.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a11">
          <kop>
            <nr>Artikel 11</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Indien het gemeentebestuur niet of niet volledig heeft voldaan aan de
verplichtingen, bedoeld in artikel 9, eerste tot en met derde lid, kan Onze
Minister de betaling van twintig procent van de termijnbetalingen, bedoeld
in artikel 6, derde lid, opschorten met ingang van 1 januari van het jaar,
volgend op het jaar waarin de verplichtingen niet werden nagekomen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Onze Minister stelt het gemeentebestuur vóór 1 november
op de hoogte van zijn voornemen tot opschorting en nodigt het gemeentebestuur
uit hem binnen één maand inlichtingen te verstrekken omtrent
het niet-nakomen van de verplichtingen, bedoeld in artikel 9, eerste tot en
met derde lid. Onze Minister beslist binnen één maand na het
verstrijken van deze termijn omtrent de opschorting, bedoeld in het eerste
lid.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>Onze Minister beëindigt de opschorting slechts indien het gemeentebestuur
vóór 1 oktober van het jaar, volgend op het jaar waarin niet
aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 9, eerste tot en met derde lid,
werd voldaan, alsnog aan zijn verplichtingen heeft voldaan. Bij de beëindiging
wordt de opschorting van de eerdere termijnbetalingen ongedaan gemaakt.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>4.</nr>
            <al>Indien het gemeentebestuur op 1 oktober van het jaar, volgend op het jaar
waarin niet werd voldaan aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 9, eerste
tot en met derde lid, nog niet aan die verplichtingen heeft voldaan, wordt
de opschorting van de betalingen door Onze Minister omgezet in een verlaging
van de jaarlijkse bijdrage met het percentage van de opschorting.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>5.</nr>
            <al>Onverminderd het bepaalde in het vierde lid, beslist Onze Minister binnen
drie maanden na 1 oktober van het jaar, volgend op het jaar waarin niet werd
voldaan aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 9, eerste tot en met derde
lid, over een verlaging van de bijdrage voor één of meer volgende
jaren.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>6.</nr>
            <al>Indien het gemeentebestuur bij herhaling niet voldoet aan de verplichtingen,
bedoeld in artikel 9, eerste tot en met derde lid, kan Onze Minister besluiten
de bijdrage voor één of meer volgende jaren te verlagen.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a12">
          <kop>
            <nr>Artikel 12</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Indien het gemeentebestuur op andere wijze dan bedoeld in de artikelen
10 en 11 niet heeft voldaan aan het bepaalde bij of krachtens deze wet, kan
Onze Minister besluiten de bijdrage van één of meer volgende
jaren te verlagen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Onze Minister deelt uiterlijk aan het eind van het jaar, volgend op het
jaar waarvoor de bijdrage werd verstrekt, mede of een gemeentebestuur naar
zijn oordeel op andere wijze dan bedoeld in de artikelen 10 en 11 al dan niet
heeft voldaan aan het bepaalde bij of krachtens deze wet. </al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>Indien Onze Minister aanwijzingen heeft of vaststelt dat een gemeentebestuur
op andere wijze dan bedoeld in de artikelen 10 en 11 in strijd heeft gehandeld
met het bepaalde bij of krachtens deze wet, nodigt hij het gemeentebestuur
uit hem binnen drie maanden inlichtingen te verstrekken.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>4.</nr>
            <al>Binnen drie maanden na ontvangst van de in het derde lid bedoelde inlichtingen,
dan wel binnen drie maanden na het verstrijken van de in het derde lid bedoelde
termijn, beslist Onze Minister omtrent de verlaging van de bijdrage voor één
of meer volgende jaren.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a13">
          <kop>
            <nr>Artikel 13</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Indien Onze Minister heeft besloten tot een verlaging van een jaarlijkse
bijdrage aan een gemeente, worden deze gelden toegevoegd aan de voor het jaar
waarin de verlaging geëffectueerd wordt beschikbare gelden voor sociale
vernieuwing.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>De in het eerste lid bedoelde gelden worden over de gemeenten verdeeld
naar de mate waarin zij delen in het totaal van de krachtens deze wet voor
sociale vernieuwing beschikbare gelden, met uitzondering van de gelden bestemd
voor voorzieningen, bedoeld in artikel 3.</al>
          </lid>
        </art>
      </par>
      <par>
        <kop>
          <nr>Paragraaf 4.</nr>
          <titel status="off">Rijksbeleid inzake sociale vernieuwing </titel>
        </kop>
        <art id="a14">
          <kop>
            <nr>Artikel 14</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Onze Minister kan, na overleg met Onze Minister wie het mede aangaat,
een gemeentebestuur op een daartoe door het gemeentebestuur ingediend verzoek,
toestaan af te wijken van de artikelen 2 of 8, indien daardoor naar zijn oordeel
het belang van sociale vernieuwing in de betrokken gemeente aanmerkelijk beter
wordt gediend.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Een verzoek als bedoeld in het eerste lid dient te zijn ingediend vóór
1 april van het jaar ten aanzien waarvan het verzoek wordt gedaan.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>Onze Minister beslist binnen drie maanden na ontvangst van het in het
eerste lid bedoelde verzoek van het gemeentebestuur.</al>
          </lid>
        </art>
      </par>
      <par>
        <kop>
          <nr>Paragraaf 5.</nr>
          <titel status="off">Rapportage aan de Staten-Generaal </titel>
        </kop>
        <art id="a15">
          <kop>
            <nr>Artikel 15</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Onze Minister brengt jaarlijks, binnen zes maanden na ontvangst van de
verslagen, bedoeld in artikel 9, eerste en derde lid, verslag uit aan de Staten-Generaal
over de wijze van besteding van de bijdragen, alsmede over niet-bestede gelden.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Naast de verslaglegging, bedoeld in het eerste lid, brengt Onze Minister
periodiek verslag uit over de voortgang van het beleid inzake sociale vernieuwing.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a16">
          <kop>
            <nr>Artikel 16</nr>
          </kop>
          <al>Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen zendt in overeenstemming
met Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en Onze Minister
van Binnenlandse Zaken binnen vier jaar na de inwerkingtreding van de artikelen
27 tot en met 30 aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid
en de effecten van die artikelen in de praktijk. </al>
        </art>
      </par>
      <par>
        <kop>
          <nr>Paragraaf 6.</nr>
          <titel status="off">Wijziging van enkele wetten en besluiten </titel>
        </kop>
        <wart id="a17">
          <kop>
            <nr>Artikel 17</nr>
          </kop>
          <al>De Wet werkloosheidsvoorziening wordt als volgt gewijzigd: </al>
          <wlid>
            <kop>
              <nr>A</nr>
            </kop>
            <al>Artikel 7, zesde lid, vervalt. </al>
          </wlid>
          <wlid>
            <kop>
              <nr>B</nr>
            </kop>
            <al>Artikel 7a vervalt. </al>
          </wlid>
          <wlid>
            <kop>
              <nr>C</nr>
            </kop>
            <al>De artikelen 35, 36 en 36a vervallen. </al>
          </wlid>
          <wlid>
            <kop>
              <nr>D</nr>
            </kop>
            <al>Artikel 40 wordt als volgt gewijzigd:</al>
            <wond>
              <nr>1.</nr>
              <al>In onderdeel d van het eerste lid vervalt de zinsnede, aanvangende met
«alsmede».</al>
            </wond>
            <wond>
              <nr>2.</nr>
              <al>Onderdeel g van het eerste lid vervalt.</al>
            </wond>
            <wond>
              <nr>3.</nr>
              <al>In het tweede lid vervalt de zinsnede «en g». </al>
            </wond>
          </wlid>
          <wlid>
            <kop>
              <nr>E</nr>
            </kop>
            <al>De artikelen 40a en 40b vervallen. </al>
          </wlid>
          <wlid>
            <kop>
              <nr>F</nr>
            </kop>
            <al>In artikel 41, eerste lid, vervalt de zinsnede «inzake de kennisgeving,
bedoeld in artikel 40b,». </al>
          </wlid>
          <wlid>
            <kop>
              <nr>G</nr>
            </kop>
            <al>In artikel 42, eerste lid, vervalt onderdeel c.</al>
          </wlid>
        </wart>
        <wart id="a18">
          <kop>
            <nr>Artikel 18</nr>
          </kop>
          <al>De Algemene Bijstandswet wordt als volgt gewijzigd: </al>
          <wlid>
            <kop>
              <nr>A</nr>
            </kop>
            <al>Na artikel 3 wordt een artikel 3a ingevoegd, luidende: </al>
            <wlichaam>
              <art>
                <kop>
                  <nr>Artikel 3a</nr>
                </kop>
                <al>Burgemeester en wethouders en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie werken
samen om de inschakeling van uitkeringsgerechtigden in het arbeidsproces te
bevorderen.</al>
              </art>
            </wlichaam>
          </wlid>
          <wlid>
            <kop>
              <nr>B</nr>
            </kop>
            <al>Na artikel 30 wordt een artikel 30a ingevoegd, luidende:  </al>
            <wlichaam>
              <art>
                <kop>
                  <nr>Artikel 30a</nr>
                </kop>
                <al>Burgemeester en wethouders dragen zorg voor een adequate controle op het
nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 30, tweede lid, en voor het
doen van aangifte bij het Openbaar Ministerie, dan wel voor het opleggen van
een administratieve sanctie.</al>
              </art>
            </wlichaam>
          </wlid>
        </wart>
        <wart id="a19">
          <kop>
            <nr>Artikel 19</nr>
          </kop>
          <al>De Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers wordt als volgt gewijzigd: </al>
          <wlid>
            <kop>
              <nr>A</nr>
            </kop>
            <al>Artikel 8 vervalt. </al>
          </wlid>
          <wlid>
            <kop>
              <nr>B</nr>
            </kop>
            <al>Aan artikel 16 wordt een nieuw derde lid toegevoegd, luidende:</al>
            <arttkst>
              <lid>
                <nr>3.</nr>
                <al>Burgemeester en wethouders en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie werken
samen om de inschakeling van uitkeringsgerechten in het arbeidsproces te bevorderen.</al>
              </lid>
            </arttkst>
          </wlid>
          <wlid>
            <kop>
              <nr>C</nr>
            </kop>
            <al>Onder vernummering van het derde tot vierde lid wordt na artikel 18, tweede
lid, ingevoegd een nieuwe derde lid, luidende:</al>
            <arttkst>
              <lid>
                <nr>3.</nr>
                <al>Burgemeester en wethouders dragen zorg voor een adequate controle op het
nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17 en voor het doen van aangifte
bij het Openbaar Ministerie, dan wel voor het opleggen van een administratieve
sanctie.</al>
              </lid>
            </arttkst>
          </wlid>
        </wart>
        <wart id="a20">
          <kop>
            <nr>Artikel 20</nr>
          </kop>
          <al>De Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen wordt als volgt gewijzigd: </al>
          <wlid>
            <kop>
              <nr>A</nr>
            </kop>
            <al>Artikel 8 vervalt. </al>
          </wlid>
          <wlid>
            <kop>
              <nr>B</nr>
            </kop>
            <al>Aan artikel 16 wordt een nieuw derde lid toegevoegd, luidende:</al>
            <arttkst>
              <lid>
                <nr>3.</nr>
                <al>Burgemeester en wethouders en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie werken
samen om de inschakeling van uitkeringsgerechten in het arbeidsproces te bevorderen.</al>
              </lid>
            </arttkst>
          </wlid>
          <wlid>
            <kop>
              <nr>C</nr>
            </kop>
            <al>Onder vernummering van het vierde tot vijfde lid, wordt na artikel 18,
derde lid, ingevoegd een nieuw vierde lid, luidende:</al>
            <arttkst>
              <lid>
                <nr>4.</nr>
                <al>Burgemeester en wethouders dragen zorg voor een adequate controle op het
nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17 en voor het doen van aangifte
bij het Openbaar Ministerie, dan wel voor het opleggen van een administratieve
sanctie.</al>
              </lid>
            </arttkst>
          </wlid>
        </wart>
        <wart id="a21">
          <kop>
            <nr>Artikel 21</nr>
          </kop>
          <al>Het Bijstandsbesluit landelijke normering wordt als volgt gewijzigd:  </al>
          <wlid>
            <kop>
              <nr>A</nr>
            </kop>
            <al>In artikel 9 wordt «in de artikelen 10, 11, 11a en 12» vervangen
door: in de artikelen 10 en 12. </al>
          </wlid>
          <wlid>
            <kop>
              <nr>B</nr>
            </kop>
            <al>Artikel 9a vervalt. </al>
          </wlid>
          <wlid>
            <kop>
              <nr>C</nr>
            </kop>
            <al>In artikel 10, vierde lid, worden de bedragen 145,18 onderscheidenlijk
629,12 vervangen door: 115,38 onderscheidenlijk 500. </al>
          </wlid>
          <wlid>
            <kop>
              <nr>D</nr>
            </kop>
            <al>De artikelen 11 en 11a vervallen. </al>
          </wlid>
          <wlid>
            <kop>
              <nr>E</nr>
            </kop>
            <al>Artikel 12 wordt als volgt gewijzigd:</al>
            <al>1°. Onderdeel e wordt vervangen door:</al>
            <al>e. premies die al dan niet eenmalig boven het rechtens geldende loon worden
verstrekt voor het aanvaarden van arbeid anders dan op grond van een arbeidsovereenkomst
met een banenpool als bedoeld in artikel 1 van de Rijksbijdrageregeling banenpools,
voor zover deze premies binnen een tijdvak van een jaar te zamen niet meer
bedragen dan f 3100,–;</al>
            <al>2°. Toegevoegd wordt een onderdeel f, luidende:</al>
            <arttkst>
              <al>f. een eenmalige premie voor het voltooien van een noodzakelijk geachte
scholing of opleiding als bedoeld in artikel 12 van de Rijksgroepsregeling
werkloze werknemers of artikel 2 van het Scholingsbesluit bijstandsgerechten,
voor zover een bedrag van 2100 niet wordt overschreden.</al>
            </arttkst>
          </wlid>
          <wlid>
            <kop>
              <nr>F</nr>
            </kop>
            <al>In artikel 19, eerste lid, wordt «artikel 11, eerste lid, artikel
11a, eerste lid, onderdeel a, b, en f, en tweede lid,» vervangen door
4 door: artikel 12, onderdeel e en f.</al>
          </wlid>
        </wart>
        <wart id="a22">
          <kop>
            <nr>Artikel 22</nr>
          </kop>
          <al>De Wet op de loonbelasting 1964 wordt als volgt gewijzigd:</al>
          <al>Artikel 2, tweede lid, komt te luiden:</al>
          <arttkst>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Degene die van een Nederlandse publiekrechtelijke rechtspersoon loon geniet
uit een dienstbetrekking tot een niet-inhoudsplichtige dan wel loon in de
vorm van premies voor werkaanvaarding ten behoeve van uitkeringsgerechtigden,
wordt geacht tot die rechtspersoon in dienstbetrekking te staan.</al>
            </lid>
          </arttkst>
        </wart>
        <wart id="a23">
          <kop>
            <nr>Artikel 23</nr>
          </kop>
          <al>Het Inkomensbesluit IOAW wordt als volgt gewijzigd:</al>
          <al>Artikel 7 wordt als volgt gewijzigd:  </al>
          <wlid>
            <kop>
              <nr>A</nr>
            </kop>
            <al>In het eerste lid, onderdeel r, wordt de punt vervangen door een puntkomma. </al>
          </wlid>
          <wlid>
            <kop>
              <nr>B</nr>
            </kop>
            <al>Aan het eerste lid worden na onderdeel r twee onderdelen toegevoegd luidende:</al>
            <arttkst>
              <al>s. premies die al dan niet eenmalig boven het rechtens geldende loon worden
verstrekt voor het aanvaarden van arbeid anders dan op grond van een arbeidsovereenkomst
met een banenpool als bedoeld in artikel 1 van de Rijksbijdrageregeling banenpools,
voor zover deze premies binnen een tijdvak van een jaar tezamen meer bedragen
dan f 3100,–;</al>
              <al>t. een eenmalige premie voor het voltooien van een scholing of opleiding
die noodzakelijk wordt geacht voor de inschakeling in de arbeid, voor zover
deze premie meer bedraagt dan f 2100,–.</al>
            </arttkst>
          </wlid>
          <wlid>
            <kop>
              <nr>C</nr>
            </kop>
            <al>Na het derde lid wordt een vierde lid toegevoegd, luidende:</al>
            <arttkst>
              <lid>
                <nr>4.</nr>
                <al>Onze Minister wijzigt de bedragen, genoemd in het eerste lid, onderdelen
s en t, met ingang van een door hem te bepalen dag, voor zover de ontwikkeling
van het in artikel 1, vijfde lid, van de Algemene Bijstandswet bedoelde netto-minimumloon
daartoe aanleiding geeft.</al>
              </lid>
            </arttkst>
          </wlid>
        </wart>
        <wart id="a24">
          <kop>
            <nr>Artikel 24</nr>
          </kop>
          <al>De Welzijnswet wordt als volgt gewijzigd: </al>
          <wlid>
            <kop>
              <nr>A</nr>
            </kop>
            <al>In artikel 2, tweede lid, wordt het woord «indien» vervangen
door: voor zover. </al>
          </wlid>
          <wlid>
            <kop>
              <nr>B</nr>
            </kop>
            <al>De bijlage wordt als volgt gewijzigd:</al>
            <wond>
              <nr>1.</nr>
              <al>In onderdeel I vervallen de punten 18 en 19.</al>
            </wond>
            <wond>
              <nr>2.</nr>
              <al>Aan het slot van onderdeel III wordt, onder vervanging van de punt door
een puntkomma, toegevoegd: algemene opvangcentra, opvangcentra voor vrouwen,
FIOM-tehuizen, blijf-van-mijn-lijf-huizen, thuislozenzorg en begeleid wonen.</al>
            </wond>
          </wlid>
        </wart>
        <wart id="a25">
          <kop>
            <nr>Artikel 25</nr>
          </kop>
          <al>Artikel VII van de wet van 20 februari 1989 houdende vereenvoudiging van
financiële en bestuurlijke betrekkingen tussen overheden op terreinen
van welzijn, volksgezondheid en cultuur en in verband daarmee wijziging van
de Welzijnswet (Stb. 1989, 62) vervalt.</al>
        </wart>
        <wart id="a26">
          <kop>
            <nr>Artikel 26</nr>
          </kop>
          <al>Artikel V, tweede en derde lid, van de wet van 18 januari 1990 houdende
wijziging van de Woonwagenwet (Stb. 1990, 59) vervalt.</al>
        </wart>
        <wart id="a27">
          <kop>
            <nr>Artikel 27</nr>
          </kop>
          <al>De Wet op het basisonderwijs wordt gewijzigd als volgt:  </al>
          <wlid>
            <kop>
              <nr>A</nr>
            </kop>
            <al>In hoofdstuk I, titel IV, wordt een nieuwe afdeling 6a ingevoegd, luidende: </al>
            <wlichaam>
              <afd>
                <kop>
                  <nr>AFDELING 6A.</nr>
                  <titel status="off">SOCIALE VERNIEUWING ONDERWIJS </titel>
                </kop>
                <par>
                  <kop>
                    <nr>§ 1.</nr>
                    <titel status="off">Algemene bepaling </titel>
                  </kop>
                  <art id="a110a">
                    <kop>
                      <nr>Artikel 110a.</nr>
                      <titel status="off">Sociale vernieuwing onderwijs</titel>
                    </kop>
                    <al>In deze wet en de daarop berustende uitvoeringsvoorschriften wordt verstaan
onder sociale vernieuwing in het onderwijs: de inspanning van bevoegde gezagsorganen,
gemeentebesturen en andere maatschappelijke organisaties en instellingen,
gericht op de verbetering van de positie van leerlingen die een maatschappelijke
achterstand hebben opgelopen of dreigen op te lopen.</al>
                  </art>
                </par>
                <par>
                  <kop>
                    <nr>§ 2.</nr>
                    <titel status="off">Samenwerking ten behoeve van sociale vernieuwing onderwijs </titel>
                  </kop>
                  <art id="a110b">
                    <kop>
                      <nr>Artikel 110b.</nr>
                      <titel status="off">Samenwerkingsovereenkomst</titel>
                    </kop>
                    <lid>
                      <nr>1.</nr>
                      <al>Ten behoeve van de sociale vernieuwing in het onderwijs kan in een gemeente
een samenwerkingsovereenkomst worden gesloten tussen bevoegde gezagsorganen
van openbare scholen, bevoegde gezagsorganen van bijzondere scholen en het
gemeentebestuur. Het besluit tot het aangaan van dan wel tot het toetreden
tot een reeds bestaand samenwerkingsverband wordt door de gemeenteraad genomen.
De overeenkomst kan mede worden gesloten door bevoegde gezagsorganen van scholen
voor speciaal onderwijs, voor voortgezet speciaal onderwijs en voor speciaal
en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Interimwet op het speciaal
onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs, van scholen of inrichtingen
voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs,
en van scholen voor primair of secundair onderwijs, uit de openbare kas bekostigd
op grond van de Experimentenwet onderwijs.</al>
                    </lid>
                    <lid>
                      <nr>2.</nr>
                      <al>In de overeenkomst leggen partijen vast dat zij ervoor zorgdragen dat
gedwongen ontslag van personeel als gevolg van de samenwerking wordt voorkomen.
Indien de uitvoering van de overeenkomst niettemin leidt tot extra kosten
in verband met ontslaguitkeringen, worden deze kosten in mindering gebracht
op de rijksvergoeding aan die van de aan de overeenkomst deelnemende partijen,
bij wie de ontslaguitkering is ontstaan. In de overeenkomst nemen partijen
een regeling op om de kosten die ingevolge de vorige volzin in mindering worden
gebracht, op billijke wijze te verrekenen tussen de aan de overeenkomst deelnemende
partijen.</al>
                    </lid>
                  </art>
                </par>
                <par>
                  <kop>
                    <nr>§ 3.</nr>
                    <titel status="off">Rechtspersoon, plaatselijk fonds, plan van activiteiten </titel>
                  </kop>
                  <art id="a110c">
                    <kop>
                      <nr>Artikel 110c.</nr>
                      <titel status="off">Plaatselijk fonds</titel>
                    </kop>
                    <al>Indien een overeenkomst is gesloten als bedoeld in artikel 110b kunnen
de deelnemende partijen besluiten tot de oprichting van een rechtspersoon
met volledige rechtsbevoegdheid die niet beoogt het maken van winst ten behoeve
van het beheer over een plaatselijk fonds sociale vernieuwing onderwijs, met
het doel middelen die door de deelnemende partijen daarvoor worden ingezet,
ter beschikking te stellen van sociale vernieuwing in het onderwijs, dan wel
ermee instemmen dat de gemeenteraad op grond van artikel 82 van de Gemeentewet
een commissie instelt ten behoeve van dat doel. </al>
                  </art>
                  <art id="a110d">
                    <kop>
                      <nr>Artikel 110d.</nr>
                      <titel status="off">Financiële middelen</titel>
                    </kop>
                    <lid>
                      <nr>1.</nr>
                      <al>Aan het plaatselijk fonds sociale vernieuwing onderwijs worden door de
bevoegde gezagsorganen die aan de overeenkomst deelnemen, financiële
middelen ter beschikking gesteld, behoudens het bepaalde in artikel 110e,
eerste lid.</al>
                    </lid>
                    <lid>
                      <nr>2.</nr>
                      <al>De financiële middelen, bedoeld in het eerste lid, kunnen afkomstig
zijn uit de vergoedingen waarover de school beschikt op grond van regelingen
die zijn gericht op het voorkomen en bestrijden van onderwijsachterstanden.</al>
                    </lid>
                    <lid>
                      <nr>3.</nr>
                      <al>De gemeenteraad kan besluiten financiële middelen in het fonds te
storten.</al>
                    </lid>
                    <lid>
                      <nr>4.</nr>
                      <al>Het bestuur van de rechtspersoon dan wel de commissie beslist over de
inzet van de financiële middelen, met inachtneming van hetgeen de aan
de overeenkomst deelnemende partijen ter zake zijn overeengekomen.</al>
                    </lid>
                    <lid>
                      <nr>5.</nr>
                      <al>De aan de overeenkomst deelnemende partijen voeren ten minste éénmaal
per jaar overleg over hun beleidsvoornemens inzake sociale vernieuwing met
de naar hun oordeel daarvoor in aanmerking komende lokale organisaties van
minderheidsgroepen.</al>
                    </lid>
                    <lid>
                      <nr>6.</nr>
                      <al>Voor de toepassing van dit artikel kan van het bepaalde in artikel 105i,
tweede lid, worden afgeweken, indien daarover in het overleg, bedoeld in artikel
22a, overeenstemming is bereikt.</al>
                    </lid>
                  </art>
                  <art id="a110e">
                    <kop>
                      <nr>Artikel 110e.</nr>
                      <titel status="off">Plan van activiteiten</titel>
                    </kop>
                    <lid>
                      <nr>1.</nr>
                      <al>Aan het bestuur van de rechtspersoon, bedoeld in artikel 110c, dan wel
aan de commissie, bedoeld in dat artikel, kan door de bevoegde gezagsorganen
die aan de overeenkomst deelnemen, naast of in plaats van het beschikbaar
stellen van financiële middelen als bedoeld in artikel 110d, eerste lid,
de bevoegdheid worden toegekend om een plan van door personeel te verrichten
activiteiten in het kader van de sociale vernieuwing in het onderwijs vast
te stellen.</al>
                    </lid>
                    <lid>
                      <nr>2.</nr>
                      <al>De gemeenteraad kan besluiten dat het plan tevens betrekking kan hebben
op activiteiten, te verrichten door gemeentelijk personeel dat niet aan een
school is verbonden en dat wordt bekostigd uit de eigen financiële middelen.</al>
                    </lid>
                  </art>
                </par>
                <par>
                  <kop>
                    <nr>§ 4.</nr>
                    <titel status="off">Gevolgen samenwerkingsovereenkomst </titel>
                  </kop>
                  <art id="a110f">
                    <kop>
                      <nr>Artikel 110f.</nr>
                      <titel status="off">Melding samenwerkingsovereenkomst</titel>
                    </kop>
                    <al>Indien een samenwerkingsovereenkomst is gesloten als bedoeld in artikel
110b worden de activiteiten die hieruit voortvloeien, in een gezamenlijk document
vermeld en wordt in het schoolwerkplan van de deelnemende scholen naar dit
document verwezen.</al>
                  </art>
                  <art id="a110g">
                    <kop>
                      <nr>Artikel 110g.</nr>
                      <titel status="off">Overschrijdingsregeling niet van toepassing</titel>
                    </kop>
                    <al>Indien een fonds in stand wordt gehouden als bedoeld in artikel 110c vindt
de overschrijdingsregeling ingevolge paragraaf 4 van afdeling 5 van titel
IV van hoofdstuk I geen toepassing op de uitgaven van de gemeente ten behoeve
van het fonds of op bestedingen uit het fonds.</al>
                  </art>
                  <art id="a110h">
                    <kop>
                      <nr>Artikel 110h.</nr>
                      <titel status="off">Voorschoolse activiteiten</titel>
                    </kop>
                    <al>Indien een rechtspersoon is opgericht als bedoeld in artikel 110c dan
wel een in dat artikel bedoelde commissie is ingesteld, kunnen, voor zover
het plan, bedoeld in artikel 110e, daarin voorziet, activiteiten worden verricht
en financiële middelen worden ingezet ten behoeve van kinderen die
nog niet tot een school kunnen worden toegelaten en die de leeftijd van drie
jaren hebben bereikt. De activiteiten zijn gericht op het verbeteren van de
voorwaarden voor het met succes instromen in het basisonderwijs.</al>
                  </art>
                  <art id="a110i">
                    <kop>
                      <nr>Artikel 110i.</nr>
                      <titel status="off">Regeling aantal uren onderwijs niet van toepassing</titel>
                    </kop>
                    <al>Indien een samenwerkingsovereenkomst is gesloten als bedoeld in artikel
110b vindt de regeling ten aanzien van het maximale aantal uren per dag dat
leerlingen onderwijs mogen ontvangen, geen toepassing indien dit van belang
is in verband met activiteiten in het kader van het voorkomen en bestrijden
van onderwijsachterstanden.</al>
                  </art>
                  <art id="a110j">
                    <kop>
                      <nr>Artikel 110j.</nr>
                      <titel status="off">Personeel belast met OET-activiteiten</titel>
                    </kop>
                    <al>Indien een samenwerkingsovereenkomst is gesloten als bedoeld in artikel
110b kan het bevoegd gezag personeel belasten met activiteiten in het kader
van onderwijs in eigen taal mits dat personeel voldoet aan de vereisten voor
benoembaarheid van ten minste een der samenwerkende scholen.</al>
                  </art>
                  <art id="a110k">
                    <kop>
                      <nr>Artikel 110k.</nr>
                      <titel status="off">Toepasselijkheid nadere voorschriften</titel>
                    </kop>
                    <al>Indien een samenwerkingsovereenkomst is gesloten als bedoeld in artikel
110b zijn in het geval dat door een of meer van de aan de overeenkomst deelnemende
partijen tevens een overeenkomst als bedoeld in artikel 111a, eerste lid,
is gesloten en de uit laatstbedoelde overeenkomst voortvloeiende activiteiten
geheel of gedeeltelijk voor bekostiging uit 's Rijks kas in aanmerking zijn
gebracht, nadere voorschriften als bedoeld in artikel 111a, negende lid, vierde
volzin, voor zover die betrekking hebben op verslaglegging aan Onze minister
over deze activiteiten, niet van toepassing.</al>
                  </art>
                  <art id="a110l">
                    <kop>
                      <nr>Artikel 110l.</nr>
                      <titel status="off">Artikel 6 niet van toepassing</titel>
                    </kop>
                    <al>Indien een samenwerkingsovereenkomst is gesloten als bedoeld in artikel
110b met daaraan verbonden een fonds als bedoeld in artikel 110c, eerste lid,
is het bepaalde in de tweede volzin van artikel 6 niet van toepassing voor
zover het betreft middelen die op het fonds betrekking hebben.</al>
                  </art>
                  <art id="a110m">
                    <kop>
                      <nr>Artikel 110m.</nr>
                      <titel status="off">Beroep</titel>
                    </kop>
                    <al>Een belanghebbende kan beroep instellen bij gedeputeerde staten tegen
een beslissing tot het aangaan van een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld
in artikel 110b, eerste lid, tweede volzin.</al>
                  </art>
                </par>
              </afd>
            </wlichaam>
          </wlid>
          <wlid>
            <kop>
              <nr>B</nr>
            </kop>
            <al>In artikel 111a vervalt het tiende lid en wordt het elfde lid vernummerd
tot tiende lid. </al>
          </wlid>
          <wlid>
            <kop>
              <nr>C</nr>
            </kop>
            <al>De inhoudsopgave wordt als volgt gewijzigd:</al>
            <al>In hoofdstuk I, titel IV wordt na artikel 110 ingevoegd:</al>
            <arttkst>
              <al>Afdeling 6A. Sociale vernieuwing onderwijs</al>
              <al>§ 1. Algemene bepaling</al>
              <al>Artikel 110a. Sociale vernieuwing onderwijs</al>
              <al>§ 2. Samenwerking ten behoeve van sociale vernieuwing onderwijs</al>
              <al>Artikel 110b. Samenwerkingsovereenkomst</al>
              <al>§ 3. Rechtspersoon, plaatselijk fonds, plan van activiteiten</al>
              <al>Artikel 110c. Plaatselijk fonds</al>
              <al>Artikel 110d. Financiële middelen</al>
              <al>Artikel 110e. Plan van activiteiten</al>
              <al>§ 4. Gevolgen samenwerkingsovereenkomst</al>
              <al>Artikel 110f. Melding samenwerkingsovereenkomst</al>
              <al>Artikel 110g. Overschrijdingsregeling niet van toepassing</al>
              <al>Artikel 110h. Voorschoolse activiteiten</al>
              <al>Artikel 110i. Regeling aantal uren onderwijs niet van toepassing</al>
              <al>Artikel 110j. Personeel belast met OET-activiteiten</al>
              <al>Artikel 110k. Toepasselijkheid nadere voorschriften</al>
              <al>Artikel 110l. Artikel 6 niet van toepassing</al>
              <al>Artikel 110m. Beroep.</al>
            </arttkst>
          </wlid>
        </wart>
        <wart id="a28">
          <kop>
            <nr>Artikel 28</nr>
          </kop>
          <al>De Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs
wordt gewijzigd als volgt: </al>
          <wlid>
            <kop>
              <nr>A</nr>
            </kop>
            <al>In titel IV wordt na afdeling 6 een nieuwe afdeling 6a ingevoegd, luidende: </al>
            <wlichaam>
              <afd>
                <kop>
                  <nr>AFDELING 6A.</nr>
                  <titel status="off">SOCIALE VERNIEUWING ONDERWIJS </titel>
                </kop>
                <par>
                  <kop>
                    <nr>§ 1.</nr>
                    <titel status="off">Algemene bepaling </titel>
                  </kop>
                  <art id="a106a">
                    <kop>
                      <nr>Artikel 106a.</nr>
                      <titel status="off">Sociale vernieuwing onderwijs</titel>
                    </kop>
                    <al>In deze wet en de daarop berustende uitvoeringsvoorschriften wordt verstaan
onder sociale vernieuwing in het onderwijs: de inspanning van bevoegde gezagsorganen,
gemeentebesturen en andere maatschappelijke organisaties en instellingen,
gericht op de verbetering van de positie van leerlingen die een maatschappelijke
achterstand hebben opgelopen of dreigen op te lopen.</al>
                  </art>
                </par>
                <par>
                  <kop>
                    <nr>§ 2.</nr>
                    <titel status="off">Samenwerking ten behoeve van sociale vernieuwing onderwijs </titel>
                  </kop>
                  <art id="a106b">
                    <kop>
                      <nr>Artikel 106b.</nr>
                      <titel status="off">Samenwerkingsovereenkomst</titel>
                    </kop>
                    <lid>
                      <nr>1.</nr>
                      <al>Ten behoeve van de sociale vernieuwing in het onderwijs kan in een gemeente
een samenwerkingsovereenkomst worden gesloten tussen bevoegde gezagsorganen
van openbare scholen, bevoegde gezagsorganen van bijzondere scholen en het
gemeentebestuur. Het besluit tot het aangaan van dan wel tot het toetreden
tot een reeds bestaand samenwerkingsverband wordt door de gemeenteraad genomen.
De overeenkomst kan mede worden gesloten door bevoegde gezagsorganen van scholen
voor basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het basisonderwijs, van scholen
of inrichtingen voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet op het voortgezet
onderwijs, en van scholen voor primair of secundair onderwijs, uit de openbare
kas bekostigd op grond van de Experimentenwet onderwijs.</al>
                    </lid>
                    <lid>
                      <nr>2.</nr>
                      <al>In de overeenkomst leggen partijen vast dat zij ervoor zorgdragen dat
gedwongen ontslag van personeel als gevolg van de samenwerking wordt voorkomen.
Indien de uitvoering van de overeenkomst niettemin leidt tot extra kosten
in verband met ontslaguitkeringen, worden deze kosten in mindering gebracht
op de rijksvergoeding aan die van de aan de overeenkomst deelnemende partijen,
bij wie de ontslaguitkering is ontstaan. In de overeenkomst nemen
partijen een regeling op om de kosten die ingevolge de vorige volzin in mindering
worden gebracht, op billijke wijze te verrekenen tussen de aan de overeenkomst
deelnemende partijen.</al>
                    </lid>
                  </art>
                </par>
                <par>
                  <kop>
                    <nr>§ 3.</nr>
                    <titel status="off">Rechtspersoon, plaatselijk fonds, plan van activiteiten </titel>
                  </kop>
                  <art id="a106c">
                    <kop>
                      <nr>Artikel 106c.</nr>
                      <titel status="off">Plaatselijk fonds</titel>
                    </kop>
                    <al>Indien een overeenkomst is gesloten als bedoeld in artikel 106b kunnen
de deelnemende partijen besluiten tot de oprichting van een rechtspersoon
met volledige rechtsbevoegdheid die niet beoogt het maken van winst ten behoeve
van het beheer over een plaatselijk fonds sociale vernieuwing onderwijs, met
het doel middelen die door de deelnemende partijen daarvoor worden ingezet,
ter beschikking te stellen van sociale vernieuwing in het onderwijs, dan wel
ermee instemmen dat de gemeenteraad op grond van artikel 82 van de Gemeentewet
een commissie instelt ten behoeve van dat doel.</al>
                  </art>
                  <art id="a106d">
                    <kop>
                      <nr>Artikel 106d.</nr>
                      <titel status="off">Financiële middelen</titel>
                    </kop>
                    <lid>
                      <nr>1.</nr>
                      <al>Aan het plaatselijk fonds sociale vernieuwing onderwijs worden door de
bevoegde gezagsorganen die aan de overeenkomst deelnemen, financiële
middelen ter beschikking gesteld, behoudens het bepaalde in artikel 106e,
eerste lid.</al>
                    </lid>
                    <lid>
                      <nr>2.</nr>
                      <al>De financiële middelen, bedoeld in het eerste lid, kunnen afkomstig
zijn uit de vergoedingen waarover de school beschikt op grond van regelingen
die zijn gericht op het voorkomen en bestrijden van onderwijsachterstanden.</al>
                    </lid>
                    <lid>
                      <nr>3.</nr>
                      <al>De gemeenteraad kan besluiten financiële middelen in het fonds te
storten.</al>
                    </lid>
                    <lid>
                      <nr>4.</nr>
                      <al>Het bestuur van de rechtspersoon dan wel de commissie beslist over de
inzet van de financiële middelen, met inachtneming van hetgeen de aan
de overeenkomst deelnemende partijen ter zake zijn overeengekomen.</al>
                    </lid>
                    <lid>
                      <nr>5.</nr>
                      <al>De aan de overeenkomst deelnemende partijen voeren ten minste éénmaal
per jaar overleg over hun beleidsvoornemens inzake sociale vernieuwing met
de naar hun oordeel daarvoor in aanmerking komende lokale organisaties van
minderheidsgroepen.</al>
                    </lid>
                    <lid>
                      <nr>6.</nr>
                      <al>Voor de toepassing van dit artikel kan van het bepaalde in artikel 102j,
tweede lid, worden afgeweken, indien daarover in het overleg, bedoeld in artikel
30a, overeenstemming is bereikt.</al>
                    </lid>
                  </art>
                  <art id="a106e">
                    <kop>
                      <nr>Artikel 106e.</nr>
                      <titel status="off">Plan van activiteiten</titel>
                    </kop>
                    <lid>
                      <nr>1.</nr>
                      <al>Aan het bestuur van de rechtspersoon, bedoeld in artikel 106c, dan wel
aan de commissie, bedoeld in dat artikel, kan door de bevoegde gezagsorganen
die aan de overeenkomst deelnemen, naast of in plaats van het beschikbaar
stellen van financiële middelen als bedoeld in artikel 106d, eerste lid,
de bevoegdheid worden toegekend om een plan van door personeel te verrichten
activiteiten in het kader van de sociale vernieuwing in het onderwijs vast
te stellen.</al>
                    </lid>
                    <lid>
                      <nr>2.</nr>
                      <al>De gemeenteraad kan besluiten dat het plan tevens betrekking kan hebben
op activiteiten, te verrichten door gemeentelijk personeel dat niet aan een
school is verbonden en dat wordt bekostigd uit de eigen financiële middelen. </al>
                    </lid>
                  </art>
                </par>
                <par>
                  <kop>
                    <nr>§ 4.</nr>
                    <titel status="off">Gevolgen samenwerkingsovereenkomst </titel>
                  </kop>
                  <art id="a106f">
                    <kop>
                      <nr>Artikel 106f.</nr>
                      <titel status="off">Melding samenwerkingsovereenkomst</titel>
                    </kop>
                    <al>Indien een samenwerkingsovereenkomst is gesloten als bedoeld in artikel
106b worden de activiteiten die hieruit voortvloeien, in een gezamenlijk document
vermeld en wordt in het schoolwerkplan van de deelnemende scholen naar dit
document verwezen.</al>
                  </art>
                  <art id="a106g">
                    <kop>
                      <nr>Artikel 106g.</nr>
                      <titel status="off">Overschrijdingsregeling niet van toepassing</titel>
                    </kop>
                    <al>Indien een fonds in stand wordt gehouden als bedoeld in artikel 106c vindt
de overschrijdingsregeling ingevolge paragraaf 4 van afdeling 5 van titel
IV geen toepassing op de uitgaven van de gemeente ten behoeve van het fonds
of op bestedingen uit het fonds.</al>
                  </art>
                  <art id="a106h">
                    <kop>
                      <nr>Artikel 106h.</nr>
                      <titel status="off">Personeel belast met OET-activiteiten</titel>
                    </kop>
                    <al>Indien een samenwerkingsovereenkomst is gesloten als bedoeld in artikel
106b kan het bevoegd gezag personeel belasten met activiteiten in het kader
van onderwijs in eigen taal mits dat personeel voldoet aan de vereisten voor
benoembaarheid van ten minste een der samenwerkende scholen.</al>
                  </art>
                  <art id="a106i">
                    <kop>
                      <nr>Artikel 106i.</nr>
                      <titel status="off">Toepasselijkheid nadere voorschriften</titel>
                    </kop>
                    <al>Indien een samenwerkingsovereenkomst is gesloten als bedoeld in artikel
106b zijn in het geval dat door een of meer van de aan de overeenkomst deelnemende
partijen tevens een overeenkomst als bedoeld in artikel 109, eerste lid, is
gesloten en de uit laatstbedoelde overeenkomst voortvloeiende activiteiten
geheel of gedeeltelijk voor bekostiging uit 's Rijks kas in aanmerking zijn
gebracht, nadere voorschriften als bedoeld in artikel 109, negende lid, vierde
volzin, voor zover die betrekking hebben op verslaglegging aan Onze minister
over deze activiteiten, niet van toepassing.</al>
                  </art>
                  <art id="a106j">
                    <kop>
                      <nr>Artikel 106j.</nr>
                      <titel status="off">Artikel 6 niet van toepassing</titel>
                    </kop>
                    <al>Indien een samenwerkingsovereenkomst is gesloten als bedoeld in artikel
106b met een fonds is het bepaalde in de tweede volzin van artikel 6 niet
van toepassing voor zover het betreft middelen die op het fonds betrekking
hebben.</al>
                  </art>
                  <art id="a106k">
                    <kop>
                      <nr>Artikel 106k.</nr>
                      <titel status="off">Beroep</titel>
                    </kop>
                    <al>Een belanghebbende kan beroep instellen bij gedeputeerde staten tegen
een beslissing tot het aangaan van een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld
in artikel 106b, eerste lid, tweede volzin.</al>
                  </art>
                </par>
              </afd>
            </wlichaam>
          </wlid>
          <wlid>
            <kop>
              <nr>B</nr>
            </kop>
            <al>In artikel 107a vervalt het tiende lid en wordt het elfde lid vernummerd
tot tiende lid. </al>
          </wlid>
          <wlid>
            <kop>
              <nr>C</nr>
            </kop>
            <al>De inhoudsopgave wordt als volgt gewijzigd:</al>
            <al>In titel IV wordt na artikel 106 ingevoegd:</al>
            <arttkst>
              <al>Afdeling 6A. Sociale vernieuwing onderwijs</al>
              <al>§ 1. Algemene bepaling</al>
              <al>Artikel 106a. Sociale vernieuwing onderwijs</al>
              <al>§ 2. Samenwerking ten behoeve van sociale vernieuwing onderwijs</al>
              <al>Artikel 106b. Samenwerkingsovereenkomst</al>
              <al>§ 3. Rechtspersoon, plaatselijk fonds, plan van activiteiten</al>
              <al>Artikel 106c. Plaatselijk fonds</al>
              <al>Artikel 106d. Financiële middelen</al>
              <al>Artikel 106e. Plan van activiteiten</al>
              <al>§ 4. Gevolgen samenwerkingsovereenkomst</al>
              <al>Artikel 106f. Melding samenwerkingsovereenkomst</al>
              <al>Artikel 106g. Overschrijdingsregeling niet van toepassing</al>
              <al>Artikel 106h. Personeel belast met OET-activiteiten</al>
              <al>Artikel 106i. Toepasselijkheid nadere voorschriften</al>
              <al>Artikel 106j. Artikel 6 niet van toepassing</al>
              <al>Artikel 106k. Beroep.</al>
            </arttkst>
          </wlid>
        </wart>
        <wart id="a29">
          <kop>
            <nr>Artikel 29</nr>
          </kop>
          <al>De Wet op het voortgezet onderwijs wordt gewijzigd als volgt: </al>
          <wlid>
            <kop>
              <nr>A</nr>
            </kop>
            <al>Artikel 99, tweede lid tweede volzin, wordt vervangen door twee nieuwe
volzinnen, luidende: De vergoeding, bedoeld in artikel 96d, eerste lid onderdeel
b, wordt besteed ten behoeve van het onderwijs aan de school dan wel ten behoeve
van de sociale vernieuwing in het onderwijs. De vergoeding, bedoeld in artikel
96d, eerste lid onderdeel c, wordt besteed ten behoeve van het onderwijs aan
de school. </al>
          </wlid>
          <wlid>
            <kop>
              <nr>B</nr>
            </kop>
            <al>In artikel 102b vervalt het tiende lid en wordt het elfde lid vernummerd
tot tiende lid. </al>
          </wlid>
          <wlid>
            <kop>
              <nr>C</nr>
            </kop>
            <al>Na titel IV wordt een nieuwe titel IVa ingevoegd, luidende: </al>
            <wlichaam>
              <titeldl>
                <kop>
                  <nr>TITEL IVA.</nr>
                  <titel status="off">SOCIALE VERNIEUWING ONDERWIJS </titel>
                </kop>
                <par>
                  <kop>
                    <nr>§ 1.</nr>
                    <titel status="off">Algemene bepaling </titel>
                  </kop>
                  <art id="a118a">
                    <kop>
                      <nr>Artikel 118a.</nr>
                      <titel status="off">Sociale vernieuwing onderwijs</titel>
                    </kop>
                    <al>In deze wet en de daarop berustende uitvoeringsvoorschriften wordt verstaan
onder sociale vernieuwing in het onderwijs: de inspanning van bevoegde gezagsorganen,
gemeentebesturen en andere maatschappelijke organisaties en instellingen,
gericht op de verbetering van de positie van leerlingen die een maatschappelijke
achterstand hebben opgelopen of dreigen op te lopen.</al>
                  </art>
                </par>
                <par>
                  <kop>
                    <nr>§ 2.</nr>
                    <titel status="off">Samenwerking ten behoeve van sociale vernieuwing onderwijs </titel>
                  </kop>
                  <art id="a118b">
                    <kop>
                      <nr>Artikel 118b.</nr>
                      <titel status="off">Samenwerkingsovereenkomst</titel>
                    </kop>
                    <lid>
                      <nr>1.</nr>
                      <al>Ten behoeve van de sociale vernieuwing in het onderwijs kan in een gemeente
een samenwerkingsovereenkomst worden gesloten tussen bevoegde gezagsorganen
van openbare scholen of inrichtingen, bevoegde gezagsorganen van bijzondere
scholen of inrichtingen en het gemeentebestuur. Het besluit tot het aangaan
van dan wel tot het toetreden tot een reeds bestaand samenwerkingsverband
wordt door de gemeenteraad genomen. De overeenkomst kan mede
worden gesloten door bevoegde gezagsorganen van scholen voor basisonderwijs
als bedoeld in de Wet op het basisonderwijs, van scholen voor speciaal onderwijs,
voor voortgezet speciaal onderwijs en voor speciaal en voortgezet speciaal
onderwijs als bedoeld in de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet
speciaal onderwijs, en van scholen voor primair of secundair onderwijs, uit
de openbare kas bekostigd op grond van de Experimentenwet onderwijs.</al>
                    </lid>
                    <lid>
                      <nr>2.</nr>
                      <al>In de overeenkomst leggen partijen vast dat zij ervoor zorgdragen dat
gedwongen ontslag van personeel als gevolg van de samenwerking wordt voorkomen.
Indien de uitvoering van de overeenkomst niettemin leidt tot extra kosten
in verband met ontslaguitkeringen, worden deze kosten in mindering gebracht
op de rijksvergoeding aan die van de aan de overeenkomst deelnemende partijen,
bij wie de ontslaguitkering is ontstaan. In de overeenkomst nemen partijen
een regeling op om de kosten die ingevolge de vorige volzin in mindering worden
gebracht, op billijke wijze te verrekenen tussen de aan de overeenkomst deelnemende
partijen.</al>
                    </lid>
                  </art>
                </par>
                <par>
                  <kop>
                    <nr>§ 3.</nr>
                    <titel status="off">Rechtspersoon, plaatselijk fonds, plan van activiteiten </titel>
                  </kop>
                  <art id="a118c">
                    <kop>
                      <nr>Artikel 118c.</nr>
                      <titel status="off">Plaatselijk fonds</titel>
                    </kop>
                    <al>Indien een overeenkomst is gesloten als bedoeld in artikel 118b kunnen
de deelnemende partijen besluiten tot de oprichting van een rechtspersoon
met volledige rechtsbevoegdheid die niet beoogt het maken van winst ten behoeve
van het beheer over een plaatselijk fonds sociale vernieuwing onderwijs, met
het doel middelen die door de deelnemende partijen daarvoor worden ingezet,
ter beschikking te stellen van sociale vernieuwing in het onderwijs, dan wel
ermee instemmen dat de gemeenteraad op grond van artikel 82 van de Gemeentewet
een commissie instelt ten behoeve van dat doel.</al>
                  </art>
                  <art id="a118d">
                    <kop>
                      <nr>Artikel 118d.</nr>
                      <titel status="off">Financiële middelen</titel>
                    </kop>
                    <lid>
                      <nr>1.</nr>
                      <al>Aan het plaatselijk fonds sociale vernieuwing onderwijs worden door de
bevoegde gezagsorganen die aan de overeenkomst deelnemen, financiële
middelen ter beschikking gesteld, behoudens het bepaalde in artikel 118e,
eerste lid.</al>
                    </lid>
                    <lid>
                      <nr>2.</nr>
                      <al>De financiële middelen, bedoeld in het eerste lid, kunnen afkomstig
zijn uit de vergoedingen waarover de school beschikt op grond van regelingen
die zijn gericht op het voorkomen en bestrijden van onderwijsachterstanden.</al>
                    </lid>
                    <lid>
                      <nr>3.</nr>
                      <al>De gemeenteraad kan besluiten financiële middelen in het fonds te
storten.</al>
                    </lid>
                    <lid>
                      <nr>4.</nr>
                      <al>Het bestuur van de rechtspersoon dan wel de commissie beslist over de
inzet van de financiële middelen, met inachtneming van hetgeen de aan
de overeenkomst deelnemende partijen ter zake zijn overeengekomen.</al>
                    </lid>
                    <lid>
                      <nr>5.</nr>
                      <al>De aan de overeenkomst deelnemende partijen voeren ten minste éénmaal
per jaar overleg over hun beleidsvoornemens inzake sociale vernieuwing met
de naar hun oordeel daarvoor in aanmerking komende lokale organisaties van
minderheidsgroepen.</al>
                    </lid>
                  </art>
                  <art id="a118e">
                    <kop>
                      <nr>Artikel 118e.</nr>
                      <titel status="off">Plan van activiteiten</titel>
                    </kop>
                    <lid>
                      <nr>1.</nr>
                      <al>Aan het bestuur van de rechtspersoon, bedoeld in artikel 118c, dan wel
aan de commissie, bedoeld in dat artikel, kan door de bevoegde gezagsorganen
die aan de overeenkomst deelnemen, naast of in plaats van het beschikbaar
stellen van financiële middelen als bedoeld in artikel 118d,
eerste lid, de bevoegdheid worden toegekend om een plan van door personeel
te verrichten activiteiten in het kader van de sociale vernieuwing in het
onderwijs vast te stellen.</al>
                    </lid>
                    <lid>
                      <nr>2.</nr>
                      <al>De gemeenteraad kan besluiten dat het plan tevens betrekking kan hebben
op activiteiten, te verrichten door gemeentelijk personeel dat niet aan een
school is verbonden en dat wordt bekostigd uit de eigen financiële middelen.</al>
                    </lid>
                  </art>
                </par>
                <par>
                  <kop>
                    <nr>§ 4.</nr>
                    <titel status="off">Gevolgen samenwerkingsovereenkomst </titel>
                  </kop>
                  <art id="a118f">
                    <kop>
                      <nr>Artikel 118f.</nr>
                      <titel status="off">Melding samenwerkingsovereenkomst</titel>
                    </kop>
                    <al>Indien een samenwerkingsovereenkomst is gesloten als bedoeld in artikel
118b worden de activiteiten die hieruit voortvloeien, in een gezamenlijk document
vermeld en wordt in het schoolwerkplan van de deelnemende scholen naar dit
document verwezen.</al>
                  </art>
                  <art id="a118g">
                    <kop>
                      <nr>Artikel 118g.</nr>
                      <titel status="off">Overschrijdingsregeling niet van toepassing</titel>
                    </kop>
                    <al>Indien een fonds in stand wordt gehouden als bedoeld in artikel 118c vindt
de overschrijdingsregeling ingevolge paragraaf 6 van hoofdstuk III van afdeling
II van titel III geen toepassing op de uitgaven van de gemeente ten behoeve
van het fonds of op bestedingen uit het fonds.</al>
                  </art>
                  <art id="a118h">
                    <kop>
                      <nr>Artikel 118h.</nr>
                      <titel status="off">Personeel belast met OET-activiteiten</titel>
                    </kop>
                    <al>Indien een samenwerkingsovereenkomst is gesloten als bedoeld in artikel
118b kan het bevoegd gezag personeel belasten met activiteiten in het kader
van onderwijs in eigen taal mits dat personeel voldoet aan de vereisten voor
benoembaarheid van ten minste een der samenwerkende scholen.</al>
                  </art>
                  <art id="a118i">
                    <kop>
                      <nr>Artikel 118i.</nr>
                      <titel status="off">Toepasselijkheid nadere voorschriften</titel>
                    </kop>
                    <al>Indien een samenwerkingsovereenkomst is gesloten als bedoeld in artikel
118b zijn in het geval dat door een of meer van de aan de overeenkomst deelnemende
partijen tevens een overeenkomst als bedoeld in artikel 102b, eerste lid,
is gesloten en de uit laatstbedoelde overeenkomst voortvloeiende activiteiten
geheel of gedeeltelijk voor bekostiging uit 's Rijks kas in aanmerking zijn
gebracht, nadere voorschriften als bedoeld in artikel 102b, negende lid, vierde
volzin, voor zover die betrekking hebben op verslaglegging aan Onze minister
over deze activiteiten, niet van toepassing.</al>
                  </art>
                  <art id="a118j">
                    <kop>
                      <nr>Artikel 118j.</nr>
                      <titel status="off">Artikel 77, tweede lid, niet van toepassing</titel>
                    </kop>
                    <al>Indien een samenwerkingsovereenkomst is gesloten als bedoeld in artikel
118b met een fonds is het bepaalde in artikel 77, tweede lid, niet van toepassing
voor zover het betreft middelen die op het fonds betrekking hebben.</al>
                  </art>
                  <art id="a118k">
                    <kop>
                      <nr>Artikel 118k.</nr>
                      <titel status="off">Activiteiten voor leerlingen met een niet-Nederlandse
culturele achtergrond</titel>
                    </kop>
                    <al>Indien een samenwerkingsovereenkomst is gesloten als bedoeld in artikel
118b kunnen de aan de overeenkomst deelnemende partijen activiteiten verrichten
ten behoeve van leerlingen van 14 jaar en ouder die behoren tot een van de
groepen leerlingen, bedoeld in artikel 37 van het Inrichtingsbesluit v.w.o.-h.a.v.o.-m.a.v.o.-v.b.o.,
en die voor de eerste maal als leerlingen aan een Nederlandse school zijn
ingeschreven. De activiteiten zijn gericht op een verbeterde
doorstroming naar het vervolgonderwijs. De activiteiten kunnen zonodig afwijken
van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 11a tot en met 11f en artikel
22.</al>
                  </art>
                  <art id="a118l">
                    <kop>
                      <nr>Artikel 118l.</nr>
                      <titel status="off">Beroep</titel>
                    </kop>
                    <al>Een belanghebbende kan beroep instellen bij gedeputeerde staten tegen
een beslissing tot het aangaan van een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld
in artikel 118b, eerste lid, tweede volzin.</al>
                  </art>
                  <art id="a30">
                    <kop>
                      <nr>Artikel 30</nr>
                    </kop>
                    <al>Tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip wordt in artikel 110b,
tweede lid, van de Wet op het basisonderwijs, artikel 106b, tweede lid, van
de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs,
en 118b, tweede lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs telkens «gedwongen
ontslag van personeel» vervangen door: gedwongen ontslag of deelontslag
van personeel.</al>
                  </art>
                </par>
                <par>
                  <kop>
                    <nr>Paragraaf 7.</nr>
                    <titel status="off">Overige bepalingen </titel>
                  </kop>
                  <art id="a31">
                    <kop>
                      <nr>Artikel 31</nr>
                    </kop>
                    <al>Indien het gemeentebestuur gelden besteedt aan bij algemene maatregel
van bestuur aangewezen voorzieningen voor maatschappelijke opvang, draagt
het er zorg voor dat aan de personen die van zodanige voorzieningen gebruik
maken in ieder geval onderdak, voeding, alsmede hulpverlening en begeleiding
wordt geboden. Indien het gemeentebestuur aan de betrokken personen een eigen
bijdrage in rekening brengt, is de hoogte van die bijdrage zodanig dat de
betrokken personen in ieder geval de beschikking houden over een bij die maatregel
vastgesteld bedrag.</al>
                  </art>
                  <art id="a32">
                    <kop>
                      <nr>Artikel 32</nr>
                    </kop>
                    <al>Indien het gemeentebestuur middelen verstrekt aan instellingen die ambulante
verslavingszorg aanbieden, draagt het er zorg voor dat die instellingen overeenkomstig
door Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur ter zake te stellen
regels hun werkzaamheden registreren en de geregistreerde gegevens verstrekken
aan een door Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur daartoe
aangewezen instelling.</al>
                  </art>
                </par>
                <par>
                  <kop>
                    <nr>Paragraaf 8.</nr>
                    <titel status="off">Overgangsbepalingen </titel>
                  </kop>
                  <art id="a33">
                    <kop>
                      <nr>Artikel 33</nr>
                    </kop>
                    <lid>
                      <nr>1.</nr>
                      <al>Indien een gemeentebestuur in overeenstemming met artikel 8 van het Besluit
sociale vernieuwing op 1 januari van het jaar dat de wet in werking treedt
een bedrag heeft overgehouden van de in de voorgaande jaren verstrekte doeluitkeringen,
besteedt het gemeentebestuur dat bedrag aan de krachtens artikel 2, eerste
lid, aangewezen onderdelen van terreinen in het eerste jaar waarvoor ingevolge
artikel 6 een bijdrage wordt verstrekt.</al>
                    </lid>
                    <lid>
                      <nr>2.</nr>
                      <al>De financiële verantwoording van dit bedrag geschiedt overeenkomstig
het bepaalde in artikel 9. </al>
                    </lid>
                  </art>
                  <art id="a34">
                    <kop>
                      <nr>Artikel 34</nr>
                    </kop>
                    <lid>
                      <nr>1.</nr>
                      <al>Indien van de doeluitkeringen die op grond van het Besluit sociale vernieuwing
aan gemeenten zijn verstrekt nog gelden worden teruggevorderd, worden die
toegevoegd aan het voor sociale vernieuwing op Hoofdstuk VII van de Rijksbegroting
beschikbare bedrag voor sociale vernieuwing van het jaar waarin de terugbetaling
plaatsvindt.</al>
                    </lid>
                    <lid>
                      <nr>2.</nr>
                      <al>De in het eerste lid bedoelde gelden worden over de gemeenten verdeeld
naar de mate waarin zij delen in het totaal van de voor de uitvoering van
deze wet beschikbare gelden, met uitzondering van de gelden bestemd voor voorzieningen,
bedoeld in artikel 3.</al>
                    </lid>
                  </art>
                  <art id="a35">
                    <kop>
                      <nr>Artikel 35</nr>
                    </kop>
                    <al>De krachtens artikel 3, eerste lid, aangewezen gemeenten stellen de instellingen
voor maatschappelijke opvang waarvoor zij een centrumfunctie vervullen en
die in het jaar voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet voor de uitvoering
van voorzieningen als bedoeld in artikel 3 gelden ontvingen van Onze Minister
van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, en de instellingen voor ambulante
verslavingszorg in staat de betreffende voorzieningen gedurende twee jaren
na inwerkingtreding van de wet in stand te houden tot ten minste het niveau
van het jaar, voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet, voor zover
dit overeenstemt met de daarvoor toegekende gelden.</al>
                  </art>
                  <art id="a36">
                    <kop>
                      <nr>Artikel 36</nr>
                    </kop>
                    <al>Vergoedingen krachtens de bij artikel 17 ingetrokken bepalingen met betrekking
tot tijdvakken gelegen vóór de inwerkingtreding van deze wet
blijven beheerst door de bij of krachtens die bepalingen gestelde regels.</al>
                  </art>
                  <art id="a37">
                    <kop>
                      <nr>Artikel 37</nr>
                    </kop>
                    <lid>
                      <nr>1.</nr>
                      <al>Aan degene die op de dag, voorafgaand aan inwerkingtreding van dit artikel,
een uitkering ontving met toepassing van artikel 11, eerste of vijfde lid,
van het Bijstandsbesluit landelijke normering, en voor wie op dat tijdstip
de periode bedoeld in de eerste of vijfde lid van dat artikel nog niet is
verstreken, wordt voor de resterende periode door burgemeester en wethouders
een premie verleend, zolang arbeid wordt verricht waarmee niet in de algemeen
noodzakelijke kosten van het bestaan kan worden voorzien.</al>
                    </lid>
                    <lid>
                      <nr>2.</nr>
                      <al>Een premie als bedoeld in het eerste lid is gelijk aan het bedrag van
de arbeidsinkomsten dat ingevolge de artikelen 11 en 11a van het Bijstandsbesluit
landelijke normering bij de bijstandverlening buiten beschouwen zou zijn gelaten.</al>
                    </lid>
                    <lid>
                      <nr>3.</nr>
                      <al>De toepassing van het eerste lid eindigt zodra burgemeester en wethouders
richtlijnen met betrekking tot het verstrekken van premies voor werkaanvaarding
ten behoeve van uitkeringsgerechtigden hebben vastgesteld en deze ten aanzien
van de persoon, bedoeld in het eerste lid, hebben toegepast.</al>
                    </lid>
                  </art>
                  <art id="a38">
                    <kop>
                      <nr>Artikel 38</nr>
                    </kop>
                    <lid>
                      <nr>1.</nr>
                      <al>Aan degene die op de dag, voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit
artikel, een uitkering ontving met toepassing van artikel 8 van de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 8
van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen en voor wie op die dag de periode, bedoeld in het eerste lid
van dat artikel, nog niet is verstreken, wordt voor de resterende periode
door burgemeester en wethouders een premie verleend, zolang arbeid
wordt verricht waarmee een inkomen verworven wordt dat minder bedraagt dan
de ingevolge artikel 4 van die wetten toepasselijke grondslag.</al>
                    </lid>
                    <lid>
                      <nr>2.</nr>
                      <al>Een premie als bedoeld in het eerste lid is gelijk aan het bedrag van
de inkomsten uit arbeid dat met toepassing van artikel 8 van de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 8
van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen, voor de vaststelling van de hoogte van de uitkering buiten
beschouwing zou zijn gelaten.</al>
                    </lid>
                    <lid>
                      <nr>3.</nr>
                      <al>De toepassing van het eerste lid eindigt zodra burgemeester en wethouders
richtlijnen met betrekking tot het verstrekken van premies voor werkaanvaarding
ten behoeve van uitkeringsgerechtigden hebben vastgesteld en deze ten aanzien
van de persoon, bedoeld in het eerste lid, hebben toegepast.</al>
                    </lid>
                  </art>
                </par>
                <par>
                  <kop>
                    <nr>Paragraaf 9.</nr>
                    <titel status="off">Slotbepalingen </titel>
                  </kop>
                  <art id="a39">
                    <kop>
                      <nr>Artikel 39</nr>
                    </kop>
                    <al>De voordracht voor een krachtens artikel 2 vast te stellen algemene maatregel
van bestuur wordt niet gedaan dan nadat het ontwerp gedurende drie maanden
aan de beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd.</al>
                  </art>
                  <art id="a40">
                    <kop>
                      <nr>Artikel 40</nr>
                    </kop>
                    <lid>
                      <nr>1.</nr>
                      <al>Een bepaling in een algemene maatregel van bestuur waarbij een aanwijzing
van een onderdeel krachtens artikel 2 vervalt, wordt vóór 1
oktober van het jaar, voorafgaand aan het jaar waarin de bepaling in werking
treedt, bekendgemaakt en treedt in werking op de eerste dag van het jaar,
volgend op het tijdstip van vaststelling van de algemene maatregel van bestuur.</al>
                    </lid>
                    <lid>
                      <nr>2.</nr>
                      <al>Indien de omvang van de jaarlijkse bijdrage als gevolg van een algemene
maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid zodanig afneemt dat geen
uitvoering gegeven kan worden aan besluiten als bedoeld in de artikelen 10,
derde lid, 11, vijfde en zesde lid, en artikel 12, vierde lid, kan bij deze
algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat uitvoering van deze besluiten
plaatsvindt door verlaging van meer dan één jaarlijkse bijdrage.</al>
                    </lid>
                  </art>
                  <art id="a41">
                    <kop>
                      <nr>Artikel 41</nr>
                    </kop>
                    <lid>
                      <nr>1.</nr>
                      <al>Indien het bij koninklijke boodschap van 31 maart 1993 ingediende voorstel
van wet tot wijziging van onder meer de Wet op het basisonderwijs, de Interimwet
op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs en de Wet op
het voortgezet onderwijs in verband met sociale vernieuwing (Regeling samenwerking
sociale vernieuwing onderwijs) (kamerstukken II 1992/93, 23 078, nr.
2) tot wet wordt verheven, worden na artikel 26 ingevoegd de artikelen 27
tot en met 30, die de tekst bevatten van de onderscheiden artikelen I tot
en met IV van die wet.</al>
                    </lid>
                  </art>
                  <art id="a42">
                    <kop>
                      <nr>Artikel 42</nr>
                    </kop>
                    <al>Na de invoeging van de artikelen 27 tot en met 30 wordt de aldus gewijzigde
tekst van de Tijdelijke wet stimulering sociale vernieuwing in het Staatsblad
geplaatst. Voor de plaatsing in het Staatsblad stelt Onze Minister de nummering
van de artikelen van de Tijdelijke wet stimulering sociale vernieuwing opnieuw
vast en brengt hij de in deze wet voorkomende aanhalingen van
de artikelen met de nieuwe nummering in overeenstemming.</al>
                  </art>
                  <art id="a43">
                    <kop>
                      <nr>Artikel 43</nr>
                    </kop>
                    <lid>
                      <nr>1.</nr>
                      <al>Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 1994 en werkt voor
wat betreft artikel 39 terug tot en met 1 april 1993. De artikelen 1 tot en
met 15 en 17 tot en met 43 vervallen met ingang van 1 januari 1997, tenzij
voor dit tijdstip een voorstel tot wijziging van artikel 43 bij de Staten-Generaal
is ingediend. De wet wordt ingetrokken vier jaar na de inwerkingtreding van
de artikelen 27 tot en met 30.</al>
                    </lid>
                    <lid>
                      <nr>2.</nr>
                      <al>In afwijking van het eerste lid treden artikel 18, onderdeel A, artikel
19, onderdelen A en B, artikel 20, onderdelen A en B, artikel 21, artikel
22, artikel 23, artikel 37 en artikel 38 op een bij koninklijk besluit te
bepalen tijdstip in werking.</al>
                    </lid>
                    <lid>
                      <nr>3.</nr>
                      <al>In afwijking van het eerste lid treden de artikelen 27 tot en met 30 in
werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende
artikelen of onderdelen daarvan verschillen kan worden gesteld.</al>
                    </lid>
                  </art>
                </par>
              </titeldl>
            </wlichaam>
          </wlid>
        </wart>
        <art id="a44">
          <kop>
            <nr>Artikel 44</nr>
          </kop>
          <al>Deze wet wordt aangehaald als: Tijdelijke wet stimulering sociale vernieuwing.</al>
        </art>
      </par>
    </tekstpl>
  </backm>
</staatsbl>