﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<!DOCTYPE staatsbl PUBLIC "-//SDU//DTD staatsblad xml 1.1//NL" "../../dtd/staatsbl-11.dtd"[]>
<staatsbl id="sb996.218" soort="kb" publtype="kobe">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-1996-218/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel status="off">Staatsblad</titel>
    <subtitel>van het Koninkrijk der Nederlanden</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.4" conv="OPmaat" markup="c1xa"></versie>
    <ordernr>6S0105</ordernr>
    <stb>
      <jaargang jaar="1996">Jaargang 1996</jaargang>
      <stbjaar>1996</stbjaar>
      <stbnr>218 </stbnr>
    </stb>
    <intitule>
      <soort>Besluit</soort> van 29 maart 1996, ter bekendmaking van de
tekst van de herziene Grondwet</intitule>
    <aanhef>
      <wie>Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.</wie>
      <consider>
        <al>Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken, mede namens
Onze Minister voor Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse Zaken, van 22 maart
1996, nr. CW96/U29, Stafafdeling Constitutionele Zaken en Wetgeving;</al>
        <al>Gelet op <grslag>artikel 141 van de Grondwet</grslag>;</al>
      </consider>
      <afkondig>Hebben goedgevonden en verstaan:</afkondig>
    </aanhef>
  </frontm>
  <body>
    <besluit>
      <al>De tekst van de herziene Grondwet wordt bekend gemaakt door plaatsing
van dit besluit met deze tekst in het Staatsblad, het Publicatieblad van de
Nederlandse Antillen en het Afkondigingsblad van Aruba.</al>
    </besluit>
  </body>
  <backm>
    <nawerk>
      <slotform>Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Onze Minister voor Nederlands-Antilliaanse
en Arubaanse Zaken zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het
Staatsblad, het Publicatieblad van de Nederlandse Antillen en het Afkondigingsblad
van Aruba zal worden geplaatst.</slotform>
      <ondertek>
        <ondplts>'s-Gravenhage, </ondplts>
        <onddatum>29 maart 1996</onddatum>
        <koning>Beatrix </koning>
        <minister>
          <minvan>De Minister van Binnenlandse Zaken,</minvan>
          <naam>H. F. Dijkstal </naam>
        </minister>
        <minister>
          <minvan>De Minister voor Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse Zaken,</minvan>
          <naam>J. J. C. Voorhoeve</naam>
        </minister>
      </ondertek>
      <uitgifte>
        <uitgifte-regel>Uitgegeven de <nadruk type="cur">achttiende</nadruk> april 1996</uitgifte-regel>
        <uitdag>achttiende</uitdag>
        <uitmaand>april</uitmaand>
        <uitjaar>1996</uitjaar>
        <door>
          <minvan>De Minister van Justitie,</minvan>
          <naam>W. Sorgdrager </naam>
        </door>
      </uitgifte>
    </nawerk>
    <tekstpl>
      <kop>
        <titel status="off">GRONDWET VOOR HET KONINKRIJK DER NEDERLANDEN (Tekst, zoals
deze luidt na de laatstelijk bij de Rijkswet van 10 juli 1995 (Stb. 401; Publicatieblad
van de Nederlandse Antillen 139; Afkondigingsblad van Aruba 62), de Rijkswet
van 10 juli 1995 (Stb. 402; Publicatieblad van de Nederlandse Antillen 140;
Afkondigingsblad van Aruba 63), de wet van 10 juli 1995 (Stb. 403) en de wet
van 10 juli 1995 (Stb. 404) daarin aangebrachte veranderingen) </titel>
      </kop>
      <hfdst>
        <kop>
          <nr>HOOFDSTUK 1</nr>
          <titel status="off">GRONDRECHTEN </titel>
        </kop>
        <art id="a1">
          <kop>
            <nr>Artikel 1</nr>
          </kop>
          <al>Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk
behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid,
ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.</al>
        </art>
        <art id="a2">
          <kop>
            <nr>Artikel 2</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>De wet regelt wie Nederlander is.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>De wet regelt de toelating en de uitzetting van vreemdelingen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>Uitlevering kan slechts geschieden krachtens verdrag. Verdere voorschriften
omtrent uitlevering worden bij de wet gegeven.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>4.</nr>
            <al>Ieder heeft het recht het land te verlaten, behoudens in de gevallen,
bij de wet bepaald.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a3">
          <kop>
            <nr>Artikel 3</nr>
          </kop>
          <al>Alle Nederlanders zijn op gelijke voet in openbare dienst benoembaar.</al>
        </art>
        <art id="a4">
          <kop>
            <nr>Artikel 4</nr>
          </kop>
          <al>Iedere Nederlander heeft gelijkelijk recht de leden van algemeen vertegenwoordigende
organen te verkiezen alsmede tot lid van deze organen te worden verkozen,
behoudens bij de wet gestelde beperkingen en uitzonderingen.</al>
        </art>
        <art id="a5">
          <kop>
            <nr>Artikel 5</nr>
          </kop>
          <al>Ieder heeft het recht verzoeken schriftelijk bij het bevoegd gezag in
te dienen.</al>
        </art>
        <art id="a6">
          <kop>
            <nr>Artikel 6</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Ieder heeft het recht zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel
of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid
volgens de wet.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>De wet kan ter zake van de uitoefening van dit recht buiten gebouwen en
besloten plaatsen regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het
belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a7">
          <kop>
            <nr>Artikel 7</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Niemand heeft voorafgaand verlof nodig om door de drukpers gedachten of
gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. </al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>De wet stelt regels omtrent radio en televisie. Er is geen voorafgaand
toezicht op de inhoud van een radio- of televisieuitzending.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>Voor het openbaren van gedachten of gevoelens door andere dan in de voorgaande
leden genoemde middelen heeft niemand voorafgaand verlof nodig wegens de inhoud
daarvan, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. De wet kan
het geven van vertoningen toegankelijk voor personen jonger dan zestien jaar
regelen ter bescherming van de goede zeden.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>4.</nr>
            <al>De voorgaande leden zijn niet van toepassing op het maken van handelsreclame.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a8">
          <kop>
            <nr>Artikel 8</nr>
          </kop>
          <al>Het recht tot vereniging wordt erkend. Bij de wet kan dit recht worden
beperkt in het belang van de openbare orde.</al>
        </art>
        <art id="a9">
          <kop>
            <nr>Artikel 9</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Het recht tot vergadering en betoging wordt erkend, behoudens ieders verantwoordelijkheid
volgens de wet.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>De wet kan regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang
van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a10">
          <kop>
            <nr>Artikel 10</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen,
recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>De wet stelt regels ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer in
verband met het vastleggen en verstrekken van persoonsgegevens.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>De wet stelt regels inzake de aanspraken van personen op kennisneming
van over hen vastgelegde gegevens en van het gebruik dat daarvan wordt gemaakt,
alsmede op verbetering van zodanige gegevens.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a11">
          <kop>
            <nr>Artikel 11</nr>
          </kop>
          <al>Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen,
recht op onaantastbaarheid van zijn lichaam.</al>
        </art>
        <art id="a12">
          <kop>
            <nr>Artikel 12</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Het binnentreden in een woning tegen de wil van de bewoner is alleen geoorloofd
in de gevallen bij of krachtens de wet bepaald, door hen die daartoe bij of
krachtens de wet zijn aangewezen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Voor het binnentreden overeenkomstig het voorgaande lid zijn voorafgaande
legitimatie en mededeling van het doel van het binnentreden vereist, behoudens
bij de wet gestelde uitzonderingen. Aan de bewoner wordt een schriftelijk
verslag van het binnentreden verstrekt.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a13">
          <kop>
            <nr>Artikel 13</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Het briefgeheim is onschendbaar, behalve, in de gevallen bij de wet bepaald,
op last van de rechter.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Het telefoon- en telegraafgeheim is onschendbaar, behalve, in de gevallen
bij de wet bepaald, door of met machtiging van hen die daartoe bij de wet
zijn aangewezen. </al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a14">
          <kop>
            <nr>Artikel 14</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Onteigening kan alleen geschieden in het algemeen belang en tegen vooraf
verzekerde schadeloosstelling, een en ander naar bij of krachtens de wet te
stellen voorschriften.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>De schadeloosstelling behoeft niet vooraf verzekerd te zijn, wanneer in
geval van nood onverwijld onteigening geboden is.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>In de gevallen bij of krachtens de wet bepaald bestaat recht op schadeloosstelling
of tegemoetkoming in de schade, indien in het algemeen belang eigendom door
het bevoegd gezag wordt vernietigd of onbruikbaar gemaakt of de uitoefening
van het eigendomsrecht wordt beperkt.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a15">
          <kop>
            <nr>Artikel 15</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Buiten de gevallen bij of krachtens de wet bepaald mag niemand zijn vrijheid
worden ontnomen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Hij aan wie anders dan op rechterlijk bevel zijn vrijheid is ontnomen,
kan aan de rechter zijn invrijheidstelling verzoeken. Hij wordt in dat geval
door de rechter gehoord binnen een bij de wet te bepalen termijn. De rechter
gelast de onmiddellijke invrijheidstelling, indien hij de vrijheidsontneming
onrechtmatig oordeelt.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>De berechting van hem aan wie met het oog daarop zijn vrijheid is ontnomen,
vindt binnen een redelijke termijn plaats.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>4.</nr>
            <al>Hij aan wie rechtmatig zijn vrijheid is ontnomen, kan worden beperkt in
de uitoefening van grondrechten voor zover deze zich niet met de vrijheidsontneming
verdraagt.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a16">
          <kop>
            <nr>Artikel 16</nr>
          </kop>
          <al>Geen feit is strafbaar dan uit kracht van een daaraan voorafgegane wettelijke
strafbepaling.</al>
        </art>
        <art id="a17">
          <kop>
            <nr>Artikel 17</nr>
          </kop>
          <al>Niemand kan tegen zijn wil worden afgehouden van de rechter die de wet
hem toekent.</al>
        </art>
        <art id="a18">
          <kop>
            <nr>Artikel 18</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Ieder kan zich in rechte en in administratief beroep doen bijstaan. </al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>De wet stelt regels omtrent het verlenen van rechtsbijstand aan minder
draagkrachtigen.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a19">
          <kop>
            <nr>Artikel 19</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Bevordering van voldoende werkgelegenheid is voorwerp van zorg der overheid.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>De wet stelt regels omtrent de rechtspositie van hen die arbeid verrichten
en omtrent hun bescherming daarbij, alsmede omtrent medezeggenschap.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>Het recht van iedere Nederlander op vrije keuze van arbeid wordt erkend,
behoudens de beperkingen bij of krachtens de wet gesteld.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a20">
          <kop>
            <nr>Artikel 20</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>De bestaanszekerheid der bevolking en spreiding van welvaart zijn voorwerp
van zorg der overheid.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>De wet stelt regels omtrent de aanspraken op sociale zekerheid. </al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>Nederlanders hier te lande, die niet in het bestaan kunnen voorzien, hebben
een bij de wet te regelen recht op bijstand van overheidswege.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a21">
          <kop>
            <nr>Artikel 21</nr>
          </kop>
          <al>De zorg van de overheid is gericht op de bewoonbaarheid van het land en
de bescherming en verbetering van het leefmilieu.</al>
        </art>
        <art id="a22">
          <kop>
            <nr>Artikel 22</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>De overheid treft maatregelen ter bevordering van de volksgezondheid.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Bevordering van voldoende woongelegenheid is voorwerp van zorg der overheid.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>Zij schept voorwaarden voor maatschappelijke en culturele ontplooiing
en voor vrijetijdsbesteding.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a23">
          <kop>
            <nr>Artikel 23</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Het onderwijs is een voorwerp van de aanhoudende zorg der regering.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Het geven van onderwijs is vrij, behoudens het toezicht van de overheid
en, voor wat bij de wet aangewezen vormen van onderwijs betreft, het onderzoek
naar de bekwaamheid en de zedelijkheid van hen die onderwijs geven, een en
ander bij de wet te regelen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>Het openbaar onderwijs wordt, met eerbiediging van ieders godsdienst of
levensovertuiging, bij de wet geregeld.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>4.</nr>
            <al>In elke gemeente wordt van overheidswege voldoend openbaar algemeen vormend
lager onderwijs gegeven in een genoegzaam aantal scholen. Volgens bij de wet
te stellen regels kan afwijking van deze bepaling worden toegelaten, mits
tot het ontvangen van zodanig onderwijs gelegenheid wordt gegeven.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>5.</nr>
            <al>De eisen van deugdelijkheid, aan het geheel of ten dele uit de openbare
kas te bekostigen onderwijs te stellen, worden bij de wet geregeld, met inachtneming,
voor zover het bijzonder onderwijs betreft, van de vrijheid van richting.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>6.</nr>
            <al>Deze eisen worden voor het algemeen vormend lager onderwijs zodanig geregeld,
dat de deugdelijkheid van het geheel uit de openbare kas bekostigd bijzonder
onderwijs en van het openbaar onderwijs even afdoende wordt gewaarborgd. Bij
die regeling wordt met name de vrijheid van het bijzonder onderwijs betreffende
de keuze der leermiddelen en de aanstelling der onderwijzers geëerbiedigd.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>7.</nr>
            <al>Het bijzonder algemeen vormend lager onderwijs, dat aan de bij de wet
te stellen voorwaarden voldoet, wordt naar dezelfde maatstaf als het openbaar
onderwijs uit de openbare kas bekostigd. De wet stelt de voorwaarden vast,
waarop voor het bijzonder algemeen vormend middelbaar en voorbereidend hoger
onderwijs bijdragen uit de openbare kas worden verleend.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>8.</nr>
            <al>De regering doet jaarlijks van de staat van het onderwijs verslag aan
de Staten-Generaal.</al>
          </lid>
        </art>
      </hfdst>
      <hfdst>
        <kop>
          <nr>HOOFDSTUK 2</nr>
          <titel status="off">REGERING </titel>
        </kop>
        <par>
          <kop>
            <nr>§ 1.</nr>
            <titel status="off">Koning </titel>
          </kop>
          <art id="a24">
            <kop>
              <nr>Artikel 24</nr>
            </kop>
            <al>Het koningschap wordt erfelijk vervuld door de wettige opvolgers van Koning
Willem I, Prins van Oranje-Nassau. </al>
          </art>
          <art id="a25">
            <kop>
              <nr>Artikel 25</nr>
            </kop>
            <al>Het koningschap gaat bij overlijden van de Koning krachtens erfopvolging
over op zijn wettige nakomelingen, waarbij het oudste kind voorrang heeft,
met plaatsvervulling volgens dezelfde regel. Bij gebreke van eigen nakomelingen
gaat het koningschap op gelijke wijze over op de wettige nakomelingen eerst
van zijn ouder, dan van zijn grootouder, in de lijn van erfopvolging, voor
zover de overleden Koning niet verder bestaand dan in de derde graad van bloedverwantschap.</al>
          </art>
          <art id="a26">
            <kop>
              <nr>Artikel 26</nr>
            </kop>
            <al>Het kind, waarvan een vrouw zwanger is op het ogenblik van het overlijden
van de Koning, wordt voor de erfopvolging als reeds geboren aangemerkt. Komt
het dood ter wereld, dan wordt het geacht nooit te hebben bestaan.</al>
          </art>
          <art id="a27">
            <kop>
              <nr>Artikel 27</nr>
            </kop>
            <al>Afstand van het koningschap leidt tot erfopvolging overeenkomstig de regels
in de voorgaande artikelen gesteld. Na de afstand geboren kinderen en hun
nakomelingen zijn van de erfopvolging uitgesloten.</al>
          </art>
          <art id="a28">
            <kop>
              <nr>Artikel 28</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>De Koning, een huwelijk aangaande buiten bij de wet verleende toestemming,
doet daardoor afstand van het koningschap.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Gaat iemand die het koningschap van de Koning kan beërven een zodanig
huwelijk aan, dan is hij met de uit dit huwelijk geboren kinderen en hun nakomelingen
van de erfopvolging uitgesloten.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake van een voorstel
van wet, strekkende tot het verlenen van toestemming, in verenigde vergadering.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a29">
            <kop>
              <nr>Artikel 29</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Wanneer uitzonderlijke omstandigheden daartoe nopen, kunnen bij een wet
een of meer personen van de erfopvolging worden uitgesloten.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Het voorstel daartoe wordt door of vanwege de Koning ingediend. De Staten-Generaal
beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Zij kunnen het
voorstel alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte
stemmen.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a30">
            <kop>
              <nr>Artikel 30</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Wanneer vooruitzicht bestaat dat een opvolger zal ontbreken, kan deze
worden benoemd bij een wet. Het voorstel wordt door of vanwege de Koning ingediend.
Na de indiening van het voorstel worden de kamers ontbonden.</al>
              <al>De nieuwe kamers beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.</al>
              <al>Zij kunnen het voorstel alleen aannemen met ten minste twee derden van
het aantal uitgebrachte stemmen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Indien bij overlijden van de Koning of bij afstand van het koningschap
een opvolger ontbreekt, worden de kamers ontbonden. De nieuwe kamers komen
binnen vier maanden na het overlijden of de afstand in verenigde vergadering
bijeen ten einde te besluiten omtrent de benoeming van een Koning. Zij kunnen
een opvolger alleen benoemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte
stemmen. </al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a31">
            <kop>
              <nr>Artikel 31</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Een benoemde Koning kan krachtens erfopvolging alleen worden opgevolgd
door zijn wettige nakomelingen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>De bepalingen omtrent de erfopvolging en het eerste lid van dit artikel
zijn van overeenkomstige toepassing op een benoemde opvolger, zolang deze
nog geen Koning is.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a32">
            <kop>
              <nr>Artikel 32</nr>
            </kop>
            <al>Nadat de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag heeft aangevangen,
wordt hij zodra mogelijk beëdigd en ingehuldigd in de hoofdstad Amsterdam
in een openbare verenigde vergadering van de Staten-Generaal. Hij zweert of
belooft trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van zijn ambt. De
wet stelt nadere regels vast.</al>
          </art>
          <art id="a33">
            <kop>
              <nr>Artikel 33</nr>
            </kop>
            <al>De Koning oefent het koninklijk gezag eerst uit, nadat hij de leeftijd
van achttien jaar heeft bereikt.</al>
          </art>
          <art id="a34">
            <kop>
              <nr>Artikel 34</nr>
            </kop>
            <al>De wet regelt de voogdij over de minderjarige Koning. De Staten-Generaal
beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.</al>
          </art>
          <art id="a35">
            <kop>
              <nr>Artikel 35</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Wanneer de ministerraad van oordeel is dat de Koning buiten staat is het
koninklijk gezag uit te oefenen, bericht hij dit onder overlegging van het
daartoe gevraagde advies van de Raad van State aan de Staten-Generaal, die
daarop in verenigde vergadering bijeenkomen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Delen de Staten-Generaal dit oordeel, dan verklaren zij dat de Koning
buiten staat is het koninklijk gezag uit te oefenen. Deze verklaring wordt
bekend gemaakt op last van de voorzitter der vergadering en treedt terstond
in werking.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>Zodra de Koning weer in staat is het koninklijk gezag uit te oefenen,
wordt dit bij de wet verklaard. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten
ter zake in verenigde vergadering. Terstond na de bekendmaking van deze wet
hervat de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>4.</nr>
              <al>De wet regelt zo nodig het toezicht over de persoon van de Koning indien
hij buiten staat is verklaard het koninklijk gezag uit te oefenen. De Staten-Generaal
beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a36">
            <kop>
              <nr>Artikel 36</nr>
            </kop>
            <al>De Koning kan de uitoefening van het koninklijk gezag tijdelijk neerleggen
en die uitoefening hervatten krachtens een wet, waarvan het voorstel door
of vanwege hem wordt ingediend. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten
ter zake in verenigde vergadering.</al>
          </art>
          <art id="a37">
            <kop>
              <nr>Artikel 37</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Het koninklijk gezag wordt uitgeoefend door een regent:</al>
              <al>a. zolang de Koning de leeftijd van achttien jaar niet heeft bereikt;</al>
              <al>b. indien een nog niet geboren kind tot het koningschap geroepen kan zijn;</al>
              <al>c. indien de Koning buiten staat is verklaard het koninklijk gezag uit
te oefenen; </al>
              <al>d. indien de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag tijdelijk
heeft neergelegd;</al>
              <al>e. zolang na het overlijden van de Koning of na diens afstand van het
koningschap een opvolger ontbreekt.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>De regent wordt benoemd bij de wet. De Staten-Generaal beraadslagen en
besluiten ter zake in verenigde vergadering.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>In de gevallen, genoemd in het eerste lid onder c en d, is de nakomeling
van de Koning die zijn vermoedelijke opvolger is, van rechtswege regent indien
hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>4.</nr>
              <al>De regent zweert of belooft trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling
van zijn ambt, in een verenigde vergadering van de Staten-Generaal. De wet
geeft nadere regels omtrent het regentschap en kan voorzien in de opvolging
en de vervanging daarin. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter
zake in verenigde vergadering.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>5.</nr>
              <al>Op de regent zijn de artikelen 35 en 36 van overeenkomstige toepassing.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a38">
            <kop>
              <nr>Artikel 38</nr>
            </kop>
            <al>Zolang niet in de uitoefening van het koninklijk gezag is voorzien, wordt
dit uitgeoefend door de Raad van State.</al>
          </art>
          <art id="a39">
            <kop>
              <nr>Artikel 39</nr>
            </kop>
            <al>De wet regelt, wie lid is van het koninklijk huis.</al>
          </art>
          <art id="a40">
            <kop>
              <nr>Artikel 40</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>De Koning ontvangt jaarlijks ten laste van het Rijk uitkeringen naar regels
bij de wet te stellen. Deze wet bepaalt aan welke andere leden van het koninklijk
huis uitkeringen ten laste van het Rijk worden toegekend en regelt deze uitkeringen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>De door hen ontvangen uitkeringen ten laste van het Rijk, alsmede de vermogensbestanddelen
welke dienstbaar zijn aan de uitoefening van hun functie, zijn vrij van persoonlijke
belastingen. Voorts is hetgeen de Koning of zijn vermoedelijke opvolger krachtens
erfrecht of door schenking verkrijgt van een lid van het koninklijk huis vrij
van de rechten van successie, overgang en schenking. Verdere vrijdom van belasting
kan bij de wet worden verleend.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>De kamers der Staten-Generaal kunnen voorstellen van in de vorige leden
bedoelde wetten alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal
uitgebrachte stemmen.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a41">
            <kop>
              <nr>Artikel 41</nr>
            </kop>
            <al>De Koning richt, met inachtneming van het openbaar belang, zijn Huis in.</al>
          </art>
        </par>
        <par>
          <kop>
            <nr>§ 2.</nr>
            <titel status="off">Koning en ministers </titel>
          </kop>
          <art id="a42">
            <kop>
              <nr>Artikel 42</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>De regering wordt gevormd door de Koning en de ministers.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>De Koning is onschendbaar; de ministers zijn verantwoordelijk.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a43">
            <kop>
              <nr>Artikel 43</nr>
            </kop>
            <al>De minister-president en de overige ministers worden bij koninklijk besluit
benoemd en ontslagen. </al>
          </art>
          <art id="a44">
            <kop>
              <nr>Artikel 44</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Bij koninklijk besluit worden ministeries ingesteld. Zij staan onder leiding
van een minister.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Ook kunnen ministers worden benoemd die niet belast zijn met de leiding
van een ministerie.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a45">
            <kop>
              <nr>Artikel 45</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>De ministers vormen te zamen de ministerraad.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>De minister-president is voorzitter van de ministerraad.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>De ministerraad beraadslaagt en besluit over het algemeen regeringsbeleid
en bevordert de eenheid van dat beleid.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a46">
            <kop>
              <nr>Artikel 46</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Bij koninklijk besluit kunnen staatssecretarissen worden benoemd en ontslagen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Een staatssecretaris treedt in de gevallen waarin de minister het nodig
acht en met inachtneming van diens aanwijzingen, in zijn plaats als minister
op.</al>
              <al>De staatssecretaris is uit dien hoofde verantwoordelijk, onverminderd
de verantwoordelijkheid van de minister.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a47">
            <kop>
              <nr>Artikel 47</nr>
            </kop>
            <al>Alle wetten en koninklijke besluiten worden door de Koning en door een
of meer ministers of staatssecretarissen ondertekend.</al>
          </art>
          <art id="a48">
            <kop>
              <nr>Artikel 48</nr>
            </kop>
            <al>Het koninklijk besluit waarbij de minister-president wordt benoemd, wordt
mede door hem ondertekend. De koninklijke besluiten waarbij de overige ministers
en de staatssecretarissen worden benoemd of ontslagen, worden mede door de
minister-president ondertekend.</al>
          </art>
          <art id="a49">
            <kop>
              <nr>Artikel 49</nr>
            </kop>
            <al>Op de wijze bij de wet voorgeschreven leggen de ministers en de staatssecretarissen
bij de aanvaarding van hun ambt ten overstaan van de Koning een eed, dan wel
verklaring en belofte, van zuivering af en zweren of beloven zij trouw aan
de Grondwet en een getrouwe vervulling van hun ambt.</al>
          </art>
        </par>
      </hfdst>
      <hfdst>
        <kop>
          <nr>HOOFDSTUK 3</nr>
          <titel status="off">STATEN-GENERAAL </titel>
        </kop>
        <par>
          <kop>
            <nr>§ 1.</nr>
            <titel status="off">Inrichting en samenstelling </titel>
          </kop>
          <art id="a50">
            <kop>
              <nr>Artikel 50</nr>
            </kop>
            <al>De Staten-Generaal vertegenwoordigen het gehele Nederlandse volk.</al>
          </art>
          <art id="a51">
            <kop>
              <nr>Artikel 51</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>De Staten-Generaal bestaan uit de Tweede Kamer en de Eerste Kamer.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>De Tweede Kamer bestaat uit honderdvijftig leden.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>De Eerste Kamer bestaat uit vijfenzeventig leden. </al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>4.</nr>
              <al>Bij een verenigde vergadering worden de kamers als één beschouwd.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a52">
            <kop>
              <nr>Artikel 52</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>De zittingsduur van beide kamers is vier jaren.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Indien voor de provinciale staten bij de wet een andere zittingsduur dan
vier jaren wordt vastgesteld, wordt daarbij de zittingsduur van de Eerste
Kamer in overeenkomstige zin gewijzigd.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a53">
            <kop>
              <nr>Artikel 53</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>De leden van beide kamers worden gekozen op de grondslag van evenredige
vertegenwoordiging binnen door de wet te stellen grenzen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>De verkiezingen worden gehouden bij geheime stemming.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a54">
            <kop>
              <nr>Artikel 54</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>De leden van de Tweede Kamer worden rechtstreeks gekozen door de Nederlanders
die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt, behoudens bij de wet te
bepalen uitzonderingen ten aanzien van Nederlanders die geen ingezetenen zijn.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Van het kiesrecht is uitgesloten:</al>
              <al>a. hij die wegens het begaan van een daartoe bij de wet aangewezen delict
bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak is veroordeeld tot een vrijheidsstraf
van ten minste een jaar en hierbij tevens is ontzet van het kiesrecht;</al>
              <al>b. hij die krachtens onherroepelijke rechterlijke uitspraak wegens een
geestelijke stoornis onbekwaam is rechtshandelingen te verrichten.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a55">
            <kop>
              <nr>Artikel 55</nr>
            </kop>
            <al>De leden van de Eerste Kamer worden gekozen door de leden van provinciale
staten. De verkiezing wordt, behoudens in geval van ontbinding der kamer,
gehouden binnen drie maanden na de verkiezing van de leden van provinciale
staten.</al>
          </art>
          <art id="a56">
            <kop>
              <nr>Artikel 56</nr>
            </kop>
            <al>Om lid van de Staten-Generaal te kunnen zijn is vereist dat men Nederlander
is, de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en niet is uitgesloten van
het kiesrecht.</al>
          </art>
          <art id="a57">
            <kop>
              <nr>Artikel 57</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Niemand kan lid van beide kamers zijn.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Een lid van de Staten-Generaal kan niet tevens zijn minister, staatssecretaris,
lid van de Raad van State, lid van de Algemene Rekenkamer of lid van of procureur-generaal
of advocaat-generaal bij de Hoge Raad.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>Niettemin kan een minister of staatssecretaris, die zijn ambt ter beschikking
heeft gesteld, dit ambt verenigen met het lidmaatschap van de Staten-Generaal,
totdat omtrent die beschikbaarstelling is beslist.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>4.</nr>
              <al>De wet kan ten aanzien van andere openbare betrekkingen bepalen dat zij
niet gelijktijdig met het lidmaatschap van de Staten-Generaal of van een der
kamers kunnen worden uitgeoefend. </al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a58">
            <kop>
              <nr>Artikel 58</nr>
            </kop>
            <al>Elke kamer onderzoekt de geloofsbrieven van haar nieuwbenoemde leden en
beslist met inachtneming van bij de wet te stellen regels de geschillen welke
met betrekking tot de geloofsbrieven of de verkiezing zelf rijzen.</al>
          </art>
          <art id="a59">
            <kop>
              <nr>Artikel 59</nr>
            </kop>
            <al>Alles, wat verder het kiesrecht en de verkiezingen betreft, wordt bij
de wet geregeld.</al>
          </art>
          <art id="a60">
            <kop>
              <nr>Artikel 60</nr>
            </kop>
            <al>Op de wijze bij de wet voorgeschreven leggen de leden van de kamers bij
de aanvaarding van hun ambt in de vergadering een eed, dan wel verklaring
en belofte, van zuivering af en zweren of beloven zij trouw aan de Grondwet
en een getrouwe vervulling van hun ambt.</al>
          </art>
          <art id="a61">
            <kop>
              <nr>Artikel 61</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Elk der kamers benoemt uit de leden een voorzitter.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Elk der kamers benoemt een griffier. Deze en de overige ambtenaren van
de kamers kunnen niet tevens lid van de Staten-Generaal zijn.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a62">
            <kop>
              <nr>Artikel 62</nr>
            </kop>
            <al>De voorzitter van de Eerste Kamer heeft de leiding van de verenigde vergadering.</al>
          </art>
          <art id="a63">
            <kop>
              <nr>Artikel 63</nr>
            </kop>
            <al>Geldelijke voorzieningen ten behoeve van leden en gewezen leden van de
Staten-Generaal en van hun nabestaanden worden bij de wet geregeld. De kamers
kunnen een voorstel van wet ter zake alleen aannemen met ten minste twee derden
van het aantal uitgebrachte stemmen.</al>
          </art>
          <art id="a64">
            <kop>
              <nr>Artikel 64</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Elk der kamers kan bij koninklijk besluit worden ontbonden.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Het besluit tot ontbinding houdt tevens de last in tot een nieuwe verkiezing
voor de ontbonden kamer en tot het samenkomen van de nieuw gekozen kamer binnen
drie maanden.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>De ontbinding gaat in op de dag waarop de nieuw gekozen kamer samenkomt.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>4.</nr>
              <al>De wet stelt de zittingsduur van een na ontbinding optredende Tweede Kamer
vast; de termijn mag niet langer zijn dan vijf jaren. De zittingsduur van
een na ontbinding optredende Eerste Kamer eindigt op het tijdstip waarop de
zittingsduur van de ontbonden kamer zou zijn geëindigd.</al>
            </lid>
          </art>
        </par>
        <par>
          <kop>
            <nr>§ 2.</nr>
            <titel status="off">Werkwijze </titel>
          </kop>
          <art id="a65">
            <kop>
              <nr>Artikel 65</nr>
            </kop>
            <al>Jaarlijks op de derde dinsdag van september of op een bij de wet te bepalen
eerder tijdstip wordt door of namens de Koning in een verenigde vergadering
van de Staten-Generaal een uiteenzetting van het door de regering te voeren
beleid gegeven. </al>
          </art>
          <art id="a66">
            <kop>
              <nr>Artikel 66</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>De vergaderingen van de Staten-Generaal zijn openbaar.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>De deuren worden gesloten, wanneer een tiende deel van het aantal aanwezige
leden het vordert of de voorzitter het nodig oordeelt.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>Door de kamer, onderscheidenlijk de kamers in verenigde vergadering, wordt
vervolgens beslist of met gesloten deuren zal worden beraadslaagd en besloten.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a67">
            <kop>
              <nr>Artikel 67</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>De kamers mogen elk afzonderlijk en in verenigde vergadering alleen beraadslagen
of besluiten, indien meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden
ter vergadering aanwezig is.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Besluiten worden genomen bij meerderheid van stemmen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>De leden stemmen zonder last.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>4.</nr>
              <al>Over zaken wordt mondeling en bij hoofdelijke oproeping gestemd, wanneer
één lid dit verlangt.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a68">
            <kop>
              <nr>Artikel 68</nr>
            </kop>
            <al>De ministers en de staatssecretarissen geven de kamers elk afzonderlijk
en in verenigde vergadering mondeling of schriftelijk de door een of meer
leden verlangde inlichtingen waarvan het verstrekken niet in strijd is met
het belang van de staat.</al>
          </art>
          <art id="a69">
            <kop>
              <nr>Artikel 69</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>De ministers en de staatssecretarissen hebben toegang tot de vergaderingen
en kunnen aan de beraadslaging deelnemen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Zij kunnen door de kamers elk afzonderlijk en in verenigde vergadering
worden uitgenodigd om ter vergadering aanwezig te zijn.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>Zij kunnen zich in de vergaderingen doen bijstaan door de personen, daartoe
door hen aangewezen.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a70">
            <kop>
              <nr>Artikel 70</nr>
            </kop>
            <al>Beide kamers hebben, zowel ieder afzonderlijk als in verenigde vergadering,
het recht van onderzoek (enquête), te regelen bij de wet.</al>
          </art>
          <art id="a71">
            <kop>
              <nr>Artikel 71</nr>
            </kop>
            <al>De leden van de Staten-Generaal, de ministers, de staatssecretarissen
en andere personen die deelnemen aan de beraadslaging, kunnen niet in rechte
worden vervolgd of aangesproken voor hetgeen zij in de vergaderingen van de
Staten-Generaal of van commissies daaruit hebben gezegd of aan deze schriftelijk
hebben overgelegd.</al>
          </art>
          <art id="a72">
            <kop>
              <nr>Artikel 72</nr>
            </kop>
            <al>De kamers stellen elk afzonderlijk en in verenigde vergadering een reglement
van orde vast. </al>
          </art>
        </par>
      </hfdst>
      <hfdst>
        <kop>
          <nr>HOOFDSTUK 4</nr>
          <titel status="off">RAAD VAN STATE, ALGEMENE REKENKAMER EN VASTE COLLEGES
VAN ADVIES </titel>
        </kop>
        <art id="a73">
          <kop>
            <nr>Artikel 73</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>De Raad van State of een afdeling van de Raad wordt gehoord over voorstellen
van wet en ontwerpen van algemene maatregelen van bestuur, alsmede over voorstellen
tot goedkeuring van verdragen door de Staten-Generaal. In bij de wet te bepalen
gevallen kan het horen achterwege blijven.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>De Raad of een afdeling van de Raad is belast met het onderzoek van de
geschillen van bestuur die bij koninklijk besluit worden beslist en draagt
de uitspraak voor.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>De wet kan aan de Raad of een afdeling van de Raad de uitspraak in geschillen
van bestuur opdragen.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a74">
          <kop>
            <nr>Artikel 74</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>De Koning is voorzitter van de Raad van State. De vermoedelijke opvolger
van de Koning heeft na het bereiken van de leeftijd van achttien jaar van
rechtswege zitting in de Raad. Bij of krachtens de wet kan aan andere leden
van het koninklijk huis zitting in de Raad worden verleend.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>De leden van de Raad worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen
leeftijd worden zij ontslagen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>4.</nr>
            <al>In de gevallen bij de wet aangewezen kunnen zij door de Raad worden geschorst
of ontslagen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>5.</nr>
            <al>De wet regelt overigens hun rechtspositie.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a75">
          <kop>
            <nr>Artikel 75</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van de Raad
van State.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Bij de wet kunnen aan de Raad of een afdeling van de Raad ook andere taken
worden opgedragen.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a76">
          <kop>
            <nr>Artikel 76</nr>
          </kop>
          <al>De Algemene Rekenkamer is belast met het onderzoek van de ontvangsten
en uitgaven van het Rijk.</al>
        </art>
        <art id="a77">
          <kop>
            <nr>Artikel 77</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>De leden van de Algemene Rekenkamer worden bij koninklijk besluit voor
het leven benoemd uit een voordracht van drie personen, opgemaakt door de
Tweede Kamer der Staten-Generaal.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen
leeftijd worden zij ontslagen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>In de gevallen bij de wet aangewezen kunnen zij door de Hoge Raad worden
geschorst of ontslagen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>4.</nr>
            <al>De wet regelt overigens hun rechtspositie.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a78">
          <kop>
            <nr>Artikel 78</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van de Algemene
Rekenkamer.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Bij de wet kunnen aan de Algemene Rekenkamer ook andere taken worden opgedragen. </al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a79">
          <kop>
            <nr>Artikel 79</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Vaste colleges van advies in zaken van wetgeving en bestuur van het Rijk
worden ingesteld bij of krachtens de wet.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van deze colleges.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>Bij of krachtens de wet kunnen aan deze colleges ook andere dan adviserende
taken worden opgedragen.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a80">
          <kop>
            <nr>Artikel 80</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>De adviezen van de in dit hoofdstuk bedoelde colleges worden openbaar
gemaakt volgens regels bij de wet te stellen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Adviezen, uitgebracht ter zake van voorstellen van wet die door of vanwege
de Koning worden ingediend, worden, behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen,
aan de Staten-Generaal overgelegd.</al>
          </lid>
        </art>
      </hfdst>
      <hfdst>
        <kop>
          <nr>HOOFDSTUK 5</nr>
          <titel status="off">WETGEVING EN BESTUUR </titel>
        </kop>
        <par>
          <kop>
            <nr>§ 1.</nr>
            <titel status="off">Wetten en andere voorschriften </titel>
          </kop>
          <art id="a81">
            <kop>
              <nr>Artikel 81</nr>
            </kop>
            <al>De vaststelling van wetten geschiedt door de regering en de Staten-Generaal
gezamenlijk.</al>
          </art>
          <art id="a82">
            <kop>
              <nr>Artikel 82</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Voorstellen van wet kunnen worden ingediend door of vanwege de Koning
en door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Voorstellen van wet waarvoor behandeling door de Staten-Generaal in verenigde
vergadering is voorgeschreven, kunnen worden ingediend door of vanwege de
Koning en, voor zover de betreffende artikelen van hoofdstuk 2 dit toelaten,
door de verenigde vergadering.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>Voorstellen van wet, in te dienen door de Tweede Kamer onderscheidenlijk
de verenigde vergadering, worden bij haar door een of meer leden aanhangig
gemaakt.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a83">
            <kop>
              <nr>Artikel 83</nr>
            </kop>
            <al>Voorstellen van wet, ingediend door of vanwege de Koning, worden gezonden
aan de Tweede Kamer of, indien daarvoor behandeling door de Staten-Generaal
in verenigde vergadering is voorgeschreven, aan deze vergadering.</al>
          </art>
          <art id="a84">
            <kop>
              <nr>Artikel 84</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Zolang een voorstel van wet, ingediend door of vanwege de Koning, niet
door de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering is aangenomen,
kan het door haar, op voorstel van een of meer leden, en vanwege de regering
worden gewijzigd.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Zolang de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering een
door haar in te dienen voorstel van wet niet heeft aangenomen, kan het door
haar, op voorstel van een of meer leden, en door het lid of de leden door
wie het aanhangig is gemaakt, worden gewijzigd. </al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a85">
            <kop>
              <nr>Artikel 85</nr>
            </kop>
            <al>Zodra de Tweede Kamer een voorstel van wet heeft aangenomen of tot indiening
van een voorstel heeft besloten, zendt zij het aan de Eerste Kamer, die het
voorstel overweegt zoals het door de Tweede Kamer aan haar is gezonden. De
Tweede Kamer kan een of meer van haar leden opdragen een door haar ingediend
voorstel in de Eerste Kamer te verdedigen.</al>
          </art>
          <art id="a86">
            <kop>
              <nr>Artikel 86</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Zolang een voorstel van wet niet door de Staten-Generaal is aangenomen,
kan het door of vanwege de indiener worden ingetrokken.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Zolang de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering een
door haar in te dienen voorstel van wet niet heeft aangenomen, kan het door
het lid of de leden door wie het aanhangig is gemaakt, worden ingetrokken.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a87">
            <kop>
              <nr>Artikel 87</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Een voorstel wordt wet, zodra het door de Staten-Generaal is aangenomen
en door de Koning is bekrachtigd.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>De Koning en de Staten-Generaal geven elkaar kennis van hun besluit omtrent
enig voorstel van wet.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a88">
            <kop>
              <nr>Artikel 88</nr>
            </kop>
            <al>De wet regelt de bekendmaking en de inwerkingtreding van de wetten. Zij
treden niet in werking voordat zij zijn bekendgemaakt.</al>
          </art>
          <art id="a89">
            <kop>
              <nr>Artikel 89</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Algemene maatregelen van bestuur worden bij koninklijk besluit vastgesteld.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Voorschriften, door straffen te handhaven, worden daarin alleen gegeven
krachtens de wet. De wet bepaalt de op te leggen straffen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>De wet regelt de bekendmaking en de inwerkingtreding van de algemene maatregelen
van bestuur. Zij treden niet in werking voordat zij zijn bekendgemaakt.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>4.</nr>
              <al>Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op andere
vanwege het Rijk vastgestelde algemeen verbindende voorschriften.</al>
            </lid>
          </art>
        </par>
        <par>
          <kop>
            <nr>§ 2.</nr>
            <titel status="off">Overige bepalingen </titel>
          </kop>
          <art id="a90">
            <kop>
              <nr>Artikel 90</nr>
            </kop>
            <al>De regering bevordert de ontwikkeling van de internationale rechtsorde.</al>
          </art>
          <art id="a91">
            <kop>
              <nr>Artikel 91</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Het Koninkrijk wordt niet aan verdragen gebonden en deze worden niet opgezegd
zonder voorafgaande goedkeuring van de Staten-Generaal. De wet bepaalt de
gevallen waarin geen goedkeuring is vereist.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>De wet bepaalt de wijze waarop de goedkeuring wordt verleend en kan voorzien
in stilzwijgende goedkeuring.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>Indien een verdrag bepalingen bevat welke afwijken van de Grondwet dan
wel tot zodanig afwijken noodzaken, kunnen de kamers de goedkeuring alleen
verlenen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen. </al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a92">
            <kop>
              <nr>Artikel 92</nr>
            </kop>
            <al>Met inachtneming, zo nodig, van het bepaalde in artikel 91, derde lid,
kunnen bij of krachtens verdrag aan volkenrechtelijke organisaties bevoegdheden
tot wetgeving, bestuur en rechtspraak worden opgedragen.</al>
          </art>
          <art id="a93">
            <kop>
              <nr>Artikel 93</nr>
            </kop>
            <al>Bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties,
die naar haar inhoud een ieder kunnen verbinden, hebben verbindende kracht
nadat zij zijn bekendgemaakt.</al>
          </art>
          <art id="a94">
            <kop>
              <nr>Artikel 94</nr>
            </kop>
            <al>Binnen het Koninkrijk geldende wettelijke voorschriften vinden geen toepassing,
indien deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepalingen
van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties.</al>
          </art>
          <art id="a95">
            <kop>
              <nr>Artikel 95</nr>
            </kop>
            <al>De wet geeft regels omtrent de bekendmaking van verdragen en besluiten
van volkenrechtelijke organisaties.</al>
          </art>
          <art id="a96">
            <kop>
              <nr>Artikel 96</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Het Koninkrijk wordt niet in oorlog verklaard dan na voorafgaande toestemming
van de Staten-Generaal.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>De toestemming is niet vereist, wanneer het overleg met de Staten-Generaal
ten gevolge van een feitelijk bestaande oorlogstoestand niet mogelijk is gebleken.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>4.</nr>
              <al>Het bepaalde in het eerste en het derde lid is van overeenkomstige toepassing
voor een verklaring dat een oorlog beëindigd is.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a97">
            <kop>
              <nr>Artikel 97</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Alle Nederlanders daartoe in staat, zijn verplicht mede te werken tot
handhaving van de onafhankelijkheid van het Rijk en tot verdediging van zijn
grondgebied.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Ook aan ingezetenen die geen Nederlanders zijn, kan die plicht worden
opgelegd.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a98">
            <kop>
              <nr>Artikel 98</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Tot bescherming van de belangen van de staat is er een krijgsmacht die
bestaat uit vrijwillig dienenden en mede kan bestaan uit dienstplichtigen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>De regering heeft het oppergezag over de krijgsmacht.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>De wet regelt de verplichte krijgsdienst en de bevoegdheid tot opschorting
van de oproeping in werkelijke dienst. Zij regelt ook de verplichtingen die
aan hen, die niet tot de krijgsmacht behoren, ten aanzien van 's lands verdediging
opgelegd kunnen worden.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a99">
            <kop>
              <nr>Artikel 99</nr>
            </kop>
            <al>Bij de wet worden de voorwaarden genoemd, waarop wegens ernstige gewetensbezwaren
vrijstelling van de krijgsdienst wordt verleend. </al>
          </art>
          <art id="a100">
            <kop>
              <nr>Artikel 100</nr>
            </kop>
            <al>Vreemde troepen worden niet dan krachtens een wet in dienst genomen.</al>
          </art>
          <art id="a101">
            <kop>
              <nr>Artikel 101</nr>
            </kop>
            <al>(vervallen bij Rijkswet van 10 juli 1995, Stb. 401)</al>
          </art>
          <art id="a102">
            <kop>
              <nr>Artikel 102</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Al de kosten voor de legers van het Rijk worden uit 's Rijks kas voldaan.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>De inkwartieringen en het onderhoud van het krijgsvolk, de transporten
en leverantiën van welke aard ook voor de legers of verdedigingswerken
van het Rijk gevorderd, kunnen niet dan volgens algemene regels bij de wet
te stellen en tegen schadeloosstelling ten laste van een of meer inwoners
of gemeenten worden gebracht.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>De uitzonderingen op die algemene regels voor het geval van oorlog, oorlogsgevaar
of andere buitengewone omstandigheden worden bij de wet vastgesteld.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a103">
            <kop>
              <nr>Artikel 103</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>De wet bepaalt in welke gevallen ter handhaving van de uit- of inwendige
veiligheid bij koninklijk besluit een door de wet als zodanig aan te wijzen
uitzonderingstoestand kan worden afgekondigd; zij regelt de gevolgen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Daarbij kan worden afgeweken van de grondwetsbepalingen inzake de bevoegdheden
van de besturen van provincies, gemeenten en waterschappen, van de grondrechten
geregeld in de artikelen 6, voor zover dit de uitoefening buiten gebouwen
en besloten plaatsen van het in dit artikel omschreven recht betreft, 7, 8,
9, 12, tweede lid, en 13, alsmede van artikel 113, eerste en derde lid.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>Terstond na de afkondiging van een uitzonderingstoestand en voorts, zolang
deze niet bij koninklijk besluit is opgeheven, telkens wanneer zij zulks nodig
oordelen beslissen de Staten-Generaal omtrent het voortduren daarvan; zij
beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a104">
            <kop>
              <nr>Artikel 104</nr>
            </kop>
            <al>Belastingen van het Rijk worden geheven uit kracht van een wet. Andere
heffingen van het Rijk worden bij de wet geregeld.</al>
          </art>
          <art id="a105">
            <kop>
              <nr>Artikel 105</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>De begroting van de ontvangsten en de uitgaven van het Rijk wordt bij
de wet vastgesteld.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Jaarlijks worden voorstellen van algemene begrotingswetten door of vanwege
de Koning ingediend op het in artikel 65 bedoelde tijdstip.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>De verantwoording van de ontvangsten en de uitgaven van het Rijk wordt
aan de Staten-Generaal gedaan overeenkomstig de bepalingen van de wet. De
door de Algemene Rekenkamer goedgekeurde rekening wordt aan de Staten-Generaal
overgelegd.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>4.</nr>
              <al>De wet stelt regels omtrent het beheer van de financiën van het Rijk.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a106">
            <kop>
              <nr>Artikel 106</nr>
            </kop>
            <al>De wet regelt het geldstelsel. </al>
          </art>
          <art id="a107">
            <kop>
              <nr>Artikel 107</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>De wet regelt het burgerlijk recht, het strafrecht en het burgerlijk en
strafprocesrecht in algemene wetboeken, behoudens de bevoegdheid tot regeling
van bepaalde onderwerpen in afzonderlijke wetten.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>De wet stelt algemene regels van bestuursrecht vast.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a108">
            <kop>
              <nr>Artikel 108</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>De wet stelt regels omtrent de instelling, bevoegdheid en werkwijze van
een of meer algemene, onafhankelijke organen voor het onderzoek van klachten
betreffende overheidsgedragingen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Strekt de werkzaamheid zich uit tot gedragingen van de rijksoverheid,
dan geschiedt benoeming door de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Ontslag
kan plaatsvinden in de gevallen bij de wet aangewezen.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a109">
            <kop>
              <nr>Artikel 109</nr>
            </kop>
            <al>De wet regelt de rechtspositie van de ambtenaren. Zij stelt tevens regels
omtrent hun bescherming bij de arbeid en omtrent medezeggenschap.</al>
          </art>
          <art id="a110">
            <kop>
              <nr>Artikel 110</nr>
            </kop>
            <al>De overheid betracht bij de uitvoering van haar taak openbaarheid volgens
regels bij de wet te stellen.</al>
          </art>
          <art id="a111">
            <kop>
              <nr>Artikel 111</nr>
            </kop>
            <al>Ridderorden worden bij de wet ingesteld.</al>
          </art>
        </par>
      </hfdst>
      <hfdst>
        <kop>
          <nr>HOOFDSTUK 6</nr>
          <titel status="off">RECHTSPRAAK </titel>
        </kop>
        <art id="a112">
          <kop>
            <nr>Artikel 112</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Aan de rechterlijke macht is opgedragen de berechting van geschillen over
burgerlijke rechten en over schuldvorderingen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>De wet kan de berechting van geschillen die niet uit burgerlijke rechtsbetrekkingen
zijn ontstaan, opdragen hetzij aan de rechterlijke macht, hetzij aan gerechten
die niet tot de rechterlijke macht behoren. De wet regelt de wijze van behandeling
en de gevolgen van de beslissingen.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a113">
          <kop>
            <nr>Artikel 113</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Aan de rechterlijke macht is voorts opgedragen de berechting van strafbare
feiten.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Tuchtrechtspraak door de overheid ingesteld wordt bij de wet geregeld.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>Een straf van vrijheidsontneming kan uitsluitend door de rechterlijke
macht worden opgelegd.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>4.</nr>
            <al>Voor berechting buiten Nederland en voor het oorlogsstrafrecht kan de
wet afwijkende regels stellen.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a114">
          <kop>
            <nr>Artikel 114</nr>
          </kop>
          <al>De doodstraf kan niet worden opgelegd. </al>
        </art>
        <art id="a115">
          <kop>
            <nr>Artikel 115</nr>
          </kop>
          <al>Ten aanzien van de in artikel 112, tweede lid, bedoelde geschillen kan
administratief beroep worden opengesteld.</al>
        </art>
        <art id="a116">
          <kop>
            <nr>Artikel 116</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>De wet wijst de gerechten aan die behoren tot de rechterlijke macht.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van de rechterlijke
macht.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>De wet kan bepalen, dat aan rechtspraak door de rechterlijke macht mede
wordt deelgenomen door personen die niet daartoe behoren.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>4.</nr>
            <al>De wet regelt het toezicht door leden van de rechterlijke macht met rechtspraak
belast uit te oefenen op de ambtsvervulling door zodanige leden en door de
personen bedoeld in het vorige lid.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a117">
          <kop>
            <nr>Artikel 117</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>De leden van de rechterlijke macht met rechtspraak belast en de procureur-generaal
bij de Hoge Raad worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen
leeftijd worden zij ontslagen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>In de gevallen bij de wet bepaald kunnen zij door een bij de wet aangewezen,
tot de rechterlijke macht behorend gerecht worden geschorst of ontslagen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>4.</nr>
            <al>De wet regelt overigens hun rechtspositie.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a118">
          <kop>
            <nr>Artikel 118</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>De leden van de Hoge Raad der Nederlanden worden benoemd uit een voordracht
van drie personen, opgemaakt door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>De Hoge Raad is in de gevallen en binnen de grenzen bij de wet bepaald,
belast met de cassatie van rechterlijke uitspraken wegens schending van het
recht.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>Bij de wet kunnen aan de Hoge Raad ook andere taken worden opgedragen.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a119">
          <kop>
            <nr>Artikel 119</nr>
          </kop>
          <al>De leden van de Staten-Generaal, de ministers en de staatssecretarissen
staan wegens ambtsmisdrijven in die betrekkingen gepleegd, ook na hun aftreden
terecht voor de Hoge Raad. De opdracht tot vervolging wordt gegeven bij koninklijk
besluit of bij een besluit van de Tweede Kamer.</al>
        </art>
        <art id="a120">
          <kop>
            <nr>Artikel 120</nr>
          </kop>
          <al>De rechter treedt niet in de beoordeling van de grondwettigheid van wetten
en verdragen.</al>
        </art>
        <art id="a121">
          <kop>
            <nr>Artikel 121</nr>
          </kop>
          <al>Met uitzondering van de gevallen bij de wet bepaald vinden de terechtzittingen
in het openbaar plaats en houden de vonnissen de gronden in waarop zij rusten.
De uitspraak geschiedt in het openbaar. </al>
        </art>
        <art id="a122">
          <kop>
            <nr>Artikel 122</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Gratie wordt verleend bij koninklijk besluit na advies van een bij de
wet aangewezen gerecht en met inachtneming van bij of krachtens de wet te
stellen voorschriften.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Amnestie wordt bij of krachtens de wet verleend.</al>
          </lid>
        </art>
      </hfdst>
      <hfdst>
        <kop>
          <nr>HOOFDSTUK 7</nr>
          <titel status="off">PROVINCIES, GEMEENTEN, WATERSCHAPPEN EN ANDERE OPENBARE
LICHAMEN </titel>
        </kop>
        <art id="a123">
          <kop>
            <nr>Artikel 123</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Bij de wet kunnen provincies en gemeenten worden opgeheven en nieuwe ingesteld.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>De wet regelt de wijziging van provinciale en gemeentelijke grenzen.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a124">
          <kop>
            <nr>Artikel 124</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Voor provincies en gemeenten wordt de bevoegdheid tot regeling en bestuur
inzake hun huishouding aan hun besturen overgelaten.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Regeling en bestuur kunnen van de besturen van provincies en gemeenten
worden gevorderd bij of krachtens de wet.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a125">
          <kop>
            <nr>Artikel 125</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Aan het hoofd van de provincie en de gemeente staan provinciale staten
onderscheidenlijk de gemeenteraad. Hun vergaderingen zijn openbaar, behoudens
bij de wet te regelen uitzonderingen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Van het bestuur van de provincie maken ook deel uit gedeputeerde staten
en de commissaris van de Koning, van het bestuur van de gemeente het college
van burgemeester en wethouders en de burgemeester.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>De commissaris van de Koning en de burgemeester zijn voorzitter van de
vergaderingen van provinciale staten onderscheidenlijk de gemeenteraad.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a126">
          <kop>
            <nr>Artikel 126</nr>
          </kop>
          <al>Bij de wet kan worden bepaald, dat de commissaris van de Koning voorts
wordt belast met de uitvoering van een door de regering te geven ambtsinstructie.</al>
        </art>
        <art id="a127">
          <kop>
            <nr>Artikel 127</nr>
          </kop>
          <al>Provinciale staten en de gemeenteraad stellen, behoudens bij de wet of
door hen krachtens de wet te bepalen uitzonderingen, de provinciale onderscheidenlijk
de gemeentelijke verordeningen vast.</al>
        </art>
        <art id="a128">
          <kop>
            <nr>Artikel 128</nr>
          </kop>
          <al>Behoudens in de gevallen bedoeld in artikel 123, kan de toekenning van
bevoegdheden, als bedoeld in artikel 124, eerste lid, aan andere organen dan
die, genoemd in artikel 125, alleen door provinciale staten onderscheidenlijk
de gemeenteraad geschieden.</al>
        </art>
        <art id="a129">
          <kop>
            <nr>Artikel 129</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>De leden van provinciale staten en van de gemeenteraad worden rechtstreeks
gekozen door de Nederlanders, tevens ingezetenen van de provincie
onderscheidenlijk de gemeente, die voldoen aan de vereisten die gelden voor
de verkiezing van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Voor het lidmaatschap
gelden dezelfde vereisten.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>De leden worden gekozen op de grondslag van evenredige vertegenwoordiging
binnen door de wet te stellen grenzen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>De artikelen 53, tweede lid, en 59 zijn van toepassing.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>4.</nr>
            <al>De zittingsduur van provinciale staten en de gemeenteraad is vier jaren,
behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>5.</nr>
            <al>De wet bepaalt welke betrekkingen niet gelijktijdig met het lidmaatschap
kunnen worden uitgeoefend. De wet kan bepalen, dat beletselen voor het lidmaatschap
voortvloeien uit verwantschap of huwelijk en dat het verrichten van bij de
wet aangewezen handelingen tot het verlies van het lidmaatschap kan leiden.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>6.</nr>
            <al>De leden stemmen zonder last.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a130">
          <kop>
            <nr>Artikel 130</nr>
          </kop>
          <al>De wet kan het recht de leden van de gemeenteraad te kiezen en het recht
lid van de gemeenteraad te zijn toekennen aan ingezetenen, die geen Nederlander
zijn, mits zij tenminste voldoen aan de vereisten die gelden voor ingezetenen
die tevens Nederlander zijn.</al>
        </art>
        <art id="a131">
          <kop>
            <nr>Artikel 131</nr>
          </kop>
          <al>De commissaris van de Koning en de burgemeester worden bij koninklijk
besluit benoemd.</al>
        </art>
        <art id="a132">
          <kop>
            <nr>Artikel 132</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>De wet regelt de inrichting van provincies en gemeenten, alsmede de samenstelling
en bevoegdheid van hun besturen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>De wet regelt het toezicht op deze besturen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>Besluiten van deze besturen kunnen slechts aan voorafgaand toezicht worden
onderworpen in bij of krachtens de wet te bepalen gevallen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>4.</nr>
            <al>Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden bij
koninklijk besluit wegens strijd met het recht of het algemeen belang.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>5.</nr>
            <al>De wet regelt de voorzieningen bij in gebreke blijven ten aanzien van
regeling en bestuur, gevorderd krachtens artikel 124, tweede lid. Bij de wet
kunnen met afwijking van de artikelen 125 en 127 voorzieningen worden getroffen
voor het geval het bestuur van een provincie of een gemeente zijn taken grovelijk
verwaarloost.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>6.</nr>
            <al>De wet bepaalt welke belastingen door de besturen van provincies en gemeenten
kunnen worden geheven en regelt hun financiële verhouding tot het Rijk.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a133">
          <kop>
            <nr>Artikel 133</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>De opheffing en instelling van waterschappen, de regeling van hun taken
en inrichting, alsmede de samenstelling van hun besturen, geschieden volgens
bij de wet te stellen regels bij provinciale verordening, voor zover bij of
krachtens de wet niet anders is bepaald.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>De wet regelt de verordenende en andere bevoegdheden van de besturen van
de waterschappen, alsmede de openbaarheid van hun vergaderingen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>De wet regelt het provinciale en overige toezicht op deze besturen. Vernietiging
van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden wegens strijd met het
recht of het algemeen belang. </al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a134">
          <kop>
            <nr>Artikel 134</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Bij of krachtens de wet kunnen openbare lichamen voor beroep en bedrijf
en andere openbare lichamen worden ingesteld en opgeheven.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>De wet regelt de taken en de inrichting van deze openbare lichamen, de
samenstelling en bevoegdheid van hun besturen, alsmede de openbaarheid van
hun vergaderingen. Bij of krachtens de wet kan aan hun besturen verordenende
bevoegdheid worden verleend.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>De wet regelt het toezicht op deze besturen. Vernietiging van besluiten
van deze besturen kan alleen geschieden wegens strijd met het recht of het
algemeen belang.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a135">
          <kop>
            <nr>Artikel 135</nr>
          </kop>
          <al>De wet geeft regels ter voorziening in zaken waarbij twee of meer openbare
lichamen zijn betrokken. Daarbij kan in de instelling van een nieuw openbaar
lichaam worden voorzien, in welk geval artikel 134, tweede en derde lid, van
toepassing is.</al>
        </art>
        <art id="a136">
          <kop>
            <nr>Artikel 136</nr>
          </kop>
          <al>De geschillen tussen openbare lichamen worden bij koninklijk besluit beslist,
tenzij deze behoren tot de kennisneming van de rechterlijke macht of hun beslissing
bij de wet aan anderen is opgedragen.</al>
        </art>
      </hfdst>
      <hfdst>
        <kop>
          <nr>HOOFDSTUK 8</nr>
          <titel status="off">HERZIENING VAN DE GRONDWET </titel>
        </kop>
        <art id="a137">
          <kop>
            <nr>Artikel 137</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>De wet verklaart, dat een verandering in de Grondwet, zoals zij die voorstelt,
in overweging zal worden genomen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>De Tweede Kamer kan, al dan niet op een daartoe door of vanwege de Koning
ingediend voorstel, een voorstel voor zodanige wet splitsen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>Na de bekendmaking van de wet, bedoeld in het eerste lid, wordt de Tweede
Kamer ontbonden.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>4.</nr>
            <al>Nadat de nieuwe Tweede Kamer is samengekomen, overwegen beide kamers in
tweede lezing het voorstel tot verandering, bedoeld in het eerste lid. Zij
kunnen dit alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte
stemmen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>5.</nr>
            <al>De Tweede Kamer kan, al dan niet op een daartoe door of vanwege de Koning
ingediend voorstel, met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte
stemmen een voorstel tot verandering splitsen.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a138">
          <kop>
            <nr>Artikel 138</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Voordat de in tweede lezing aangenomen voorstellen tot verandering in
de Grondwet door de Koning worden bekrachtigd, kunnen bij de wet:</al>
            <al>a. de aangenomen voorstellen en de ongewijzigd gebleven bepalingen van
de Grondwet voor zoveel nodig aan elkaar worden aangepast;</al>
            <al>b. de indeling in en de plaats van hoofdstukken, paragrafen en artikelen,
alsmede de opschriften worden gewijzigd.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Een voorstel van wet, houdende voorzieningen als bedoeld in het eerste
lid, onder a, kunnen de kamers alleen aannemen met ten minste twee derden
van het aantal uitgebrachte stemmen. </al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a139">
          <kop>
            <nr>Artikel 139</nr>
          </kop>
          <al>De veranderingen in de Grondwet, door de Staten-Generaal aangenomen en
door de Koning bekrachtigd, treden terstond in werking, nadat zij zijn bekendgemaakt.</al>
        </art>
        <art id="a140">
          <kop>
            <nr>Artikel 140</nr>
          </kop>
          <al>Bestaande wetten en andere regelingen en besluiten die in strijd zijn
met een verandering in de Grondwet, blijven gehandhaafd, totdat daarvoor overeenkomstig
de Grondwet een voorziening is getroffen.</al>
        </art>
        <art id="a141">
          <kop>
            <nr>Artikel 141</nr>
          </kop>
          <al>De tekst van de herziene Grondwet wordt bij koninklijk besluit bekendgemaakt,
waarbij hoofdstukken, paragrafen en artikelen kunnen worden vernummerd en
verwijzingen dienovereenkomstig kunnen worden veranderd.</al>
        </art>
        <art id="a142">
          <kop>
            <nr>Artikel 142</nr>
          </kop>
          <al>De Grondwet kan bij de wet met het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden
in overeenstemming worden gebracht. De artikelen 139, 140 en 141 zijn van
overeenkomstige toepassing.</al>
        </art>
      </hfdst>
      <hfdst>
        <kop>
          <titel status="off">ADDITIONELE ARTIKELEN<voetref refid="v1"></voetref></titel>
        </kop>
        <wart id="ai">
          <kop>
            <nr>ARTIKEL I</nr>
          </kop>
          <al>(vervallen bij Rijkswet van 10 juli 1995, Stb. 402)</al>
        </wart>
        <wart id="aii-viii">
          <kop>
            <nr>ARTIKELEN II-VIII</nr>
          </kop>
          <al>(vervallen bij wet van 10 juli 1995, Stb. 404)</al>
        </wart>
        <art id="aix">
          <kop>
            <nr>Artikel IX</nr>
          </kop>
          <al>Artikel 16 is niet van toepassing ten aanzien van feiten, strafbaar gesteld
krachtens het Besluit Buitengewoon Strafrecht.</al>
        </art>
        <wart id="ax">
          <kop>
            <nr>Artikel X</nr>
          </kop>
          <al>(vervallen bij wet van 10 juli 1995, Stb. 404)</al>
        </wart>
        <art id="axi">
          <kop>
            <nr>ARTIKEL XI</nr>
          </kop>
          <al>De formulieren voor de eden en beloften, vastgesteld bij de artikelen
44 en 53 en voor de verklaring, vastgesteld bij artikel 54 van de Grondwet
naar de tekst van 1972, blijven van kracht totdat daarvoor bij de wet een
regeling is getroffen.</al>
        </art>
        <art>
          <kop>
            <nr>Artikel 44</nr>
          </kop>
          <al>Bij het aanvaarden van het regentschap legt de Regent in een verenigde
vergadering van de Staten-Generaal in handen van de Voorzitter de volgende
eed of belofte af:</al>
          <al>«Ik zweer (beloof) trouw aan de Koning; ik zweer (beloof), dat ik
in de waarneming van </al>
          <al>het Koninklijk gezag, zolang de Koning minderjarig is (zolang de Koning
buiten staat blijft de Regering waar te nemen of zolang de uitoefening van
het Koninklijk gezag is neergelegd), de Grondwet steeds zal onderhouden en
handhaven.</al>
          <al>Ik zweer (beloof), dat ik de onafhankelijkheid en het grondgebied van
de Staat met al mijn vermogen zal verdedigen en bewaren; dat ik de algemene
en bijzondere vrijheid, en de rechten van alle des Konings onderdanen en van
elk hunner zal beschermen en tot instandhouding en bevordering van de algemene
en bijzondere welvaart alle middelen aanwenden, welke de wetten te mijner
beschikking stellen, gelijk een goed en getrouw Regent schuldig is te doen.</al>
          <al>Zo waarlijk helpe mij God almachtig!» («Dat beloof ik!»)</al>
        </art>
        <art>
          <kop>
            <nr>Artikel 53</nr>
          </kop>
          <al>In deze vergadering wordt door de Koning de volgende eed of belofte op
de Grondwet afgelegd:</al>
          <al>«Ik zweer (beloof) aan het Nederlandse volk, dat Ik de Grondwet
steeds zal onderhouden en handhaven.</al>
          <al>Ik zweer (beloof) dat Ik de onafhankelijkheid en het grondgebied van de
Staat met al Mijn vermogen zal verdedigen en bewaren; dat Ik de algemene en
bijzondere vrijheid en de rechten van alle Mijne onderdanen zal beschermen,
en tot instandhouding en bevordering van de algemene en bijzondere welvaart
alle middelen zal aanwenden, welke de wetten te Mijner beschikking stellen,
zoals een goed Koning schuldig is te doen.</al>
          <al>Zo waarlijk helpe Mij God almachtig!» («Dat beloof Ik!»)</al>
        </art>
        <art>
          <kop>
            <nr>Artikel 54</nr>
          </kop>
          <al>Na het afleggen van deze eed of belofte wordt de Koning in dezelfde vergadering
gehuldigd door de Staten-Generaal, wier Voorzitter de volgende plechtige verklaring
uitspreekt, die vervolgens door hem en elk der leden, hoofd voor hoofd, beëdigd
of bevestigd wordt:</al>
          <al>«Wij ontvangen en huldigen, in naam van het Nederlandse volk en
krachtens de Grondwet, U als Koning; wij zweren (beloven), dat wij Uw onschendbaarheid
en de rechten Uwer Kroon zullen handhaven; wij zweren (beloven) alles te zullen
doen wat goede en getrouwe Staten-Generaal schuldig zijn te doen.</al>
          <al>Zo waarlijk helpe ons God almachtig!» («Dat beloven wij!»)</al>
        </art>
        <wart id="axii-xvi">
          <kop>
            <nr>ARTIKEL XII-XVI</nr>
          </kop>
          <al>(vervallen bij wet van 10 juli 1995, Stb. 404)</al>
        </wart>
        <art id="axvii">
          <kop>
            <nr>ARTIKEL XVII</nr>
          </kop>
          <al>Totdat ter zake bij de wet een voorziening zal zijn getroffen blijft artikel
106, vierde lid, van de Grondwet naar de tekst van 1972 van kracht.</al>
        </art>
        <art>
          <kop>
            <nr>Artikel 106, vierde lid</nr>
          </kop>
          <al>Krijgslieden in werkelijke dienst, het lidmaatschap van een der beide
Kamers aanvaardende, zijn gedurende dat lidmaatschap van rechtswege op non-activiteit.
Ophoudende lid te zijn, keren zij tot de werkelijke dienst terug.</al>
        </art>
        <wart id="axviii">
          <kop>
            <nr>ARTIKEL XVIII</nr>
          </kop>
          <al>(vervallen bij wet van 10 juli 1995, Stb. 404)</al>
        </wart>
        <art id="axix">
          <kop>
            <nr>ARTIKEL XIX</nr>
          </kop>
          <al>Het formulier van afkondiging, vastgesteld bij artikel 81 en de formulieren
van verzending en kennisgeving, vastgesteld bij de artikelen 123, 124, 127,
128 en 130 van de Grondwet naar de tekst van 1972, blijven van kracht totdat
daarvoor een regeling is getroffen. </al>
        </art>
        <art>
          <kop>
            <nr>Artikel 81</nr>
          </kop>
          <al>Het formulier van afkondiging der wetten is het volgende:</al>
          <al>«Wij» enz. «Koning der Nederlanden,» enz.</al>
          <al>«Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:</al>
          <al>«Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat» enz.</al>
          <al>(De beweegredenen der wet.)</al>
          <al>«Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden
en verstaan bij deze» enz.</al>
          <al>(De inhoud der wet.)</al>
          <al>«Gegeven», enz.</al>
          <al>Ingeval een Koningin regeert of het Koninklijk gezag door een Regent of
door de Raad van State wordt waargenomen, wordt de daardoor nodige wijziging
in dit formulier gebracht.</al>
        </art>
        <art>
          <kop>
            <nr>Artikel 130</nr>
          </kop>
          <al>De Koning doet de Staten-Generaal zo spoedig mogelijk kennis dragen, of
Hij een voorstel van wet, door hen aangenomen, al dan niet goedkeurt. Die
kennisgeving geschiedt met een der volgende formulieren:</al>
          <al>«De Koning bewilligt in het voorstel.»</al>
          <al>of:</al>
          <al>«De Koning houdt het voorstel in overweging.»</al>
        </art>
        <wart id="axx">
          <kop>
            <nr>ARTIKEL XX</nr>
          </kop>
          <al>(vervallen bij Rijkswet van 10 juli 1995, Stb. 402)</al>
        </wart>
        <art id="axxi">
          <kop>
            <nr>ARTIKEL XXI</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Totdat ter zake bij de wet een voorziening zal zijn getroffen, blijft
het bepaalde in de volgende artikelen van de Grondwet naar de tekst van 1972
van kracht:</al>
            <al>a. de artikelen 61 en 64, voor wat betreft de stilzwijgende goedkeuring;</al>
            <al>b. artikel 62.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Zolang artikel 24 van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden
naar de tekst van 1975 geldt, blijft ten aanzien van overeenkomsten welke
de Nederlandse Antillen raken voor wat de stilzwijgende goedkeuring betreft,
het bepaalde in de artikelen 61 en 64 van de Grondwet naar de tekst van 1972
van kracht.</al>
          </lid>
        </art>
        <art>
          <kop>
            <nr>Artikel 61</nr>
          </kop>
          <al>De goedkeuring wordt uitdrukkelijk of stilzwijgend verleend.</al>
          <al>De uitdrukkelijke goedkeuring wordt verleend bij de wet.</al>
          <al>De stilzwijgende goedkeuring is verleend, indien niet binnen dertig dagen
na een daartoe strekkende overlegging van de overeenkomst aan de beide Kamers
der Staten-Generaal door of namens een der Kamers of door ten minste een vijfde
van het grondwettelijk aantal leden van een der Kamers de wens wordt te kennen
gegeven, dat de overeenkomst aan de uitdrukkelijke goedkeuring zal worden
onderworpen.</al>
          <al>De in het vorig lid bedoelde termijn wordt geschorst gedurende de tijd,
dat de zitting der Staten-Generaal gesloten is.</al>
        </art>
        <art>
          <kop>
            <nr>Artikel 62</nr>
          </kop>
          <al>De goedkeuring is – behoudens in het geval, bedoeld in artikel 63 –
niet vereist:</al>
          <al>a. indien het een overeenkomst betreft, waarvoor dit bij de wet is bepaald;</al>
          <al>b. indien de overeenkomst uitsluitend betreft de uitvoering van een goedgekeurde
overeenkomst, voor zover in de wet tot goedkeuring geen voorbehoud terzake
is gemaakt;</al>
          <al>c. indien de overeenkomst geen belangrijke geldelijke verplichtingen aan
het Koninkrijk oplegt en voor ten hoogste een jaar is gesloten;</al>
          <al>d. indien in buitengewone gevallen van dwingende aard het belang van het
Koninkrijk zich er bepaaldelijk tegen verzet, dat de overeenkomst niet in
werking treedt dan nadat zij is goedgekeurd.</al>
          <al>Een overeenkomst, als bedoeld in het eerste lid onder d, wordt alsnog
zo spoedig mogelijk aan goedkeuring van de Staten-Generaal onderworpen.
Artikel 61 is daarbij van toepassing. Indien de goedkeuring aan de overeenkomst
wordt onthouden, wordt de overeenkomst zo spoedig als zulks rechtens mogelijk
is beëindigd.</al>
          <al>Tenzij het belang van het Koninkrijk zich daartegen bepaaldelijk verzet,
wordt zij niet aangegaan dan onder voorbehoud van haar beëindiging bij
onthouding van goedkeuring.</al>
        </art>
        <art>
          <kop>
            <nr>Artikel 64</nr>
          </kop>
          <al>Voor toetreding tot en opzegging van overeenkomsten vinden de bepalingen
van de vier voorgaande artikelen overeenkomstige toepassing.</al>
        </art>
        <wart id="axxii-xxiii">
          <kop>
            <nr>ARTIKELEN XXII-XXIII</nr>
          </kop>
          <al>(vervallen bij wet van 10 juli 1995, Stb. 404)</al>
        </wart>
        <art id="axxiv">
          <kop>
            <nr>ARTIKEL XXIV</nr>
          </kop>
          <al>Algemeen verbindende voorschriften betreffende de rechtspositie van ambtenaren,
welke niet op een wet berusten, kunnen tot de inwerkingtreding van een wet
welke die rechtspositie regelt, worden gewijzigd op gelijke wijze als waarop
zij tot stand zijn gekomen.</al>
        </art>
        <art id="axxv">
          <kop>
            <nr>ARTIKEL XXV</nr>
          </kop>
          <al>Totdat ter zake bij de wet een voorziening zal zijn getroffen blijft artikel
74, eerste lid, van de Grondwet naar de tekst van 1972 van kracht.</al>
        </art>
        <art>
          <kop>
            <nr>Artikel 74, eerste lid</nr>
          </kop>
          <al>De Koning verleent adeldom.</al>
        </art>
        <wart id="axxvi-xxix">
          <kop>
            <nr>ARTIKELEN XXVI-XXIX</nr>
          </kop>
          <al>(vervallen bij wet van 10 juli 1995, Stb. 404)</al>
        </wart>
        <art id="axxx">
          <kop>
            <nr>ARTIKEL XXX</nr>
          </kop>
          <al>Totdat ter zake bij de wet een voorziening is getroffen, blijft artikel
101 van de Grondwet naar de tekst van 1987 van kracht.</al>
        </art>
        <art>
          <kop>
            <nr>Artikel 101</nr>
          </kop>
          <al>Wanneer in geval van oorlog, oorlogsgevaar of andere buitengewone omstandigheden
de dienstplichtigen die niet in werkelijke dienst zijn, bij koninklijk besluit
geheel of ten dele buitengewoon onder de wapenen worden geroepen, wordt onverwijld
een voorstel van wet aan de Staten-Generaal gedaan, om het onder de wapenen
blijven der dienstplichtigen zoveel nodig te bepalen.</al>
        </art>
      </hfdst>
      <bijlage>
        <kop>
          <titel status="off">Behoort bij het koninklijk besluit van 29 maart 1996 </titel>
        </kop>
        <al>Beatrix </al>
        <al>De Minister van Binnenlandse Zaken,</al>
        <al>H. F. Dijkstal </al>
      </bijlage>
    </tekstpl>
    <voetnoot id="v1">
      <nootnr>1</nootnr>
      <noottkst>
        <al>Indien (gedeelten van) een of meer artikelen van de Grondwet naar de tekst
van 1972 danwel 1987 ingevolge een additioneel artikel vooralsnog van kracht
blijven, is de tekst hiervan – verkleind – achter het desbetreffende
additionele artikel opgenomen.</al>
      </noottkst>
    </voetnoot>
  </backm>
</staatsbl>