﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<!DOCTYPE staatsbl PUBLIC "-//SDU//DTD staatsblad xml 1.1//NL" "../../dtd/staatsbl-11.dtd"[]>
<staatsbl id="sb996.168" soort="kb" publtype="kobe">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-1996-168/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel status="off">Staatsblad</titel>
    <subtitel>van het Koninkrijk der Nederlanden</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.4" conv="OPmaat" markup="c1xa"></versie>
    <ordernr>6S0141</ordernr>
    <stb>
      <jaargang jaar="1996">Jaargang 1996</jaargang>
      <stbjaar>1996</stbjaar>
      <stbnr>168 </stbnr>
    </stb>
    <intitule>
      <soort>Besluit</soort> van 12 maart 1996, houdende regels voor tuinbouwbedrijven
met bedekte teelt (Besluit tuinbouwbedrijven met bedekte teelt milieubeheer)</intitule>
    <aanhef>
      <wie>Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.</wie>
      <consider>
        <al>Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening
en Milieubeheer van 8 november 1994, nr. MJZ08n94061, Centrale Directie Juridische
Zaken, afdeling Wetgeving, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van
Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;</al>
        <al>Gelet op de <grslag>artikelen 8.40, 8.41, 8.42 en 21.8 van de Wet milieubeheer</grslag>;</al>
        <al>De Raad van State gehoord (advies van 29 augustus 1995, No. W08.94.0682);</al>
        <al>Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer van 6 maart 1996, nr. MJZ 96014100, Centrale Directie
Juridische Zaken afdeling Wetgeving, uitgebracht in overeenstemming met Onze
Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;</al>
      </consider>
      <afkondig>Hebben goedgevonden en verstaan:</afkondig>
    </aanhef>
  </frontm>
  <body>
    <art id="a1">
      <kop>
        <nr>Artikel 1</nr>
      </kop>
      <lid>
        <nr>1.</nr>
        <al>In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:</al>
        <al>a. tuinbouwbedrijf met bedekte teelt: een inrichting die tot een krachtens
artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer aangewezen categorie behoort
en die uitsluitend of in hoofdzaak is bestemd tot het telen van groenten,
fruit, siergewassen, potplanten of eetbare paddestoelen in opstallen, voor
zover:</al>
        <al>1°. installaties ten behoeve van ruimteverwarming of warmwatervoorziening
geen groter nominaal vermogen hebben dan 7,5 MW per installatie en voor zover
er geen gasturbine of gasturbine-installatie aanwezig is;</al>
        <al>2°. uitsluitend aardgas, propaan, butaan, gasolie, petroleum of lichte
stookolie wordt gebruikt als brandstof ten behoeve van ruimteverwarming of
warmwatervoorziening;</al>
        <al>3°. uitsluitend gasolie of aardgas dan wel een combinatie van deze
brandstoffen wordt gestookt in een zuigermotor of een gascompressor in een
installatie voor warmtekrachtkoppeling, onderscheidenlijk in een warmtepompinstallatie; </al>
        <al>4°. een zuigermotor als bedoeld onder 3°, of een ketelinstallatie
niet wordt gebruikt voor het onderzoeken, beproeven of demonstreren van experimentele
verbrandingstechnieken of van technieken ter bestrijding van de uitworp van
zwaveldioxide, stikstofoxiden of stof;</al>
        <al>5°. geen activiteiten of handelingen plaatsvinden, zoals bedoeld in
bijlage I, categorie 21, behorende bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit
milieubeheer;</al>
        <al>6°. geen behandeling, door middel van begassing met bestrijdingsmiddelen,
van bloembollen of knollen plaatsvindt, voor derden in een specifiek daartoe
ingerichte begassingsruimte;</al>
        <al>7°. de gezamenlijke inhoud van de tanks voor de bewaring van vloeibare
kooldioxide niet meer bedraagt dan 16 000 liter;</al>
        <al>8°. geen andere nitraathoudende kunstmeststoffen worden bewaard dan
die van klasse C als gedefinieerd in richtlijn no 1 van de Commissie Preventie
van Rampen door Gevaarlijke Stoffen (CPR), getiteld Nitraathoudende meststoffen,
vervoer en opslag, derde druk 1982;</al>
        <al>9°. elektriciteit voor elektrische installaties uitsluitend wordt
opgewekt met behulp van zonne-energie dan wel wordt betrokken van openbare
elektriciteitsbedrijven, behoudens bij het gebruik van noodstroomvoorzieningsinstallaties
of van met aardgas of gasolie gestookte warmtekrachtkoppelingsinstallaties;</al>
        <al>10°. de gezamenlijke inhoud van de tanks voor de bewaring van gasolie
of lichte stookolie niet meer bedraagt dan 50 000 liter en voor zover
de bewaring in ondergrondse tanks plaatsvindt, dit plaatsvindt in van staal
of van kunststof vervaardigde tanks;</al>
        <al>11°. geen bewaring van K1- of K2-vloeistoffen in boven- of ondergrondse
tanks plaatsvindt, behoudens de bovengrondse bewaring van petroleum in een
of meer tanks met een gezamenlijke inhoud van ten hoogste 2500 liter;</al>
        <al>12°. bewaring van afgewerkte olie uitsluitend in bovengrondse tanks
plaatsvindt, waarvan de gezamenlijke inhoud niet meer bedraagt dan 1500 liter;</al>
        <al>13°. op het bewaren van butaan of propaan, anders dan in spuitbussen
of gasflessen, het Besluit opslag propaan milieubeheer van toepassing is;</al>
        <al>14°. ten hoogste 400 kg bestrijdingsmiddelen in de zin van de Bestrijdingsmiddelenwet
1962 aanwezig zijn;</al>
        <al>15°. aflevering van brandstoffen ten behoeve van tractiedoeleinden
uitsluitend plaatsvindt aan eigen motorvoertuigen;</al>
        <al>16°. ten hoogste een reserve-wisselreservoir voor de opslag van LPG
per transportmiddel dat door middel van LPG wordt aangedreven, aanwezig is,
met een waterinhoud van ten hoogste 150 liter;</al>
        <al>17°. de gezamenlijke inhoud van de tanks voor de bewaring van vloeibare
kunstmeststoffen niet meer bedraagt dan 24 000 liter;</al>
        <al>18°. geen verven van bloemen en siergewassen plaatsvindt;</al>
        <al>19°. geen dieren bedrijfsmatig worden gehouden;</al>
        <al>20°. bij de teelt van eetbare paddestoelen slechts gebruik wordt gemaakt
van geënte of doorgroeide compost;</al>
        <al>21°. bij de teelt van eetbare paddestoelen de teeltoppervlakte van
de cellen niet meer bedraagt dan 4000 m<sup>2</sup>;</al>
        <al>22°. koelinstallaties die werken op ammoniak of een brandbaar koudemiddel
niet meer van deze produkten bevatten dan in totaal 100 kg;</al>
        <al>b. bevoegd gezag: het bestuursorgaan dat bevoegd is of zou zijn een vergunning
krachtens artikel 8.1 van de Wet milieubeheer voor de betrokken inrichting
te verlenen;</al>
        <al>c. gevoelig object: een gebouw of deel van een gebouw, dat bestemd is
voor het verblijf van personen of een object, gebouw of terrein dat is bestemd
voor verblijfs- of dagrecreatie, niet zijnde een kampeerterrein als bedoeld
in artikel 8, tweede lid, onder a, dan wel artikel 8, derde lid, van de wet
op de openluchtrecreatie; </al>
        <al>d. woning: een gebouw of deel van een gebouw, dat voor bewoning gebruikt
wordt of daartoe is bestemd;</al>
        <al>e. assimilatiebelichting: kunstmatige belichting van planten en gewassen,
gericht op de beïnvloeding van het groeiproces van de planten of gewassen,
waarvan het geïnstalleerd elektrische vermogen op enig moment meer bedraagt
dan 20 W/m<sup>2</sup>;</al>
        <al>f. erfgrens: scheiding tussen aan elkaar grenzende percelen, voor zover
niet bij dezelfde rechthebbende in gebruik;</al>
        <al>g. aaneengesloten woonbebouwing: drie of meer woningen, die op telkens
minder dan 5 m afstand van elkaar zijn gelegen, gerekend van gevel tot gevel;</al>
        <al>h. object categorie I:</al>
        <al>– aaneengesloten woonbebouwing;</al>
        <al>– gevoelig object;</al>
        <al>i. object categorie II:</al>
        <al>– woning van derden, niet behorend tot een agrarisch bedrijf;</al>
        <al>– restaurant;</al>
        <al>j. object categorie III:</al>
        <al>– woning van derden, behorend tot een agrarisch bedrijf;</al>
        <al>k. meststoffen: meststoffen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van
de Meststoffenwet;</al>
        <al>l. vaste meststoffen: meststoffen die niet verpompbaar zijn;</al>
        <al>m. kunstmeststoffen: meststoffen van niet organische oorsprong;</al>
        <al>n. verkennend onderzoek: onderzoek ter vaststelling van de kwaliteit van
de bodem op een wijze als aangegeven in het protocol Bodemonderzoek milieuvergunning
en BSB, uitgave SDU uitgeverij, Den Haag 1993, dan wel in de door Onze Minister
aangewezen norm van het Nederlands Normalisatie-instituut met betrekking tot
dat onderwerp;</al>
        <al>o. gasturbine: een werktuig, bestaande uit een compressor, één
of meer verbrandingskamers en een turbine waarin brandstof met behulp van
door de compressor gecomprimeerde lucht wordt verstookt, waarna het geproduceerde
verbrandingsgas in de turbine tot een lagere druk expandeert en daarbij arbeid
afgeeft aan een roterende as;</al>
        <al>p. ketelinstallatie: een installatie, bestaande uit een ketel, waarin
brandstoffen worden verbruikt, daaronder begrepen de bij de installatie behorende
voorzieningen voor de reiniging van rookgas, die in hoofdzaak is bedoeld om
warmte over te dragen aan water, stoom of thermische olie, waarbij het water,
de stoom of de thermische olie niet in direct contact treedt met de rookgassen;</al>
        <al>q. gasturbine-installatie: een installatie, bestaande uit een of meer
gasturbines waarin brandstof wordt verstookt, met een of meer bijbehorende
ketelinstallaties waar de verbrandingsgassen van deze gasturbine dan wel gasturbines
doorheen worden gevoerd teneinde warmte over te dragen aan een medium dat
niet in direct contact treedt met die gassen en waarin al of niet brandstof
wordt verstookt en waarbij geen dan wel nagenoeg geen extra lucht voor de
verbranding wordt toegevoerd;</al>
        <al>r. gasolie: gasolie in de zin van de Wet op de accijns;</al>
        <al>s. K0-vloeistof: een brandbare vloeistof, alsmede een tot vloeistof verdicht
gas, waarvan bij 37,8°C de dampspanning, bepaald volgens NEN 928, uitgave
1970, meer bedraagt dan 98,1 kPa;</al>
        <al>t. K1-vloeistof: een brandbare vloeistof, geen K0-vloeistof zijnde, waarvan
het vlampunt gelegen is onder 21°C, bepaald volgens NEN-EN 57, uitgave
1984, en die bij 37,8°C een dampspanning heeft van ten minste 35 kPa en
ten hoogste 98,1 kPa, bepaald volgens NEN 928, uitgave 1970, of een verfprodukt
waarvan het vlampunt lager is dan 21°C, bepaald volgens NEN 5328, uitgave
1972, of NEN-ISO 3679, uitgave 1984;</al>
        <al>u. K2-vloeistof: een brandbare vloeistof waarvan het vlampunt gelegen
is op of boven 21°C en onder 55°C, bepaald volgens NEN-EN 57, uitgave
1984, of een verfprodukt, waarvan het vlampunt hoger is dan 21°C, doch lager dan 55°C, bepaald volgens NEN 5328, uitgave 1972, of NEN-ISO
3679, uitgave 1984;</al>
        <al>v. K3-vloeistof: een brandbare vloeistof waarvan het vlampunt gelegen
is op of boven 55°C, bepaald volgens NEN-ISO 2719, uitgave 1979, of een
verfprodukt, waarvan het vlampunt gelegen is op of boven 55°C, bepaald
volgens NEN 5328, uitgave 1976, of NEN-ISO 3679, uitgave 1984;</al>
        <al>w. lichte stookolie: lichte stookolie in de zin van de Wet op de accijns;</al>
        <al>x. teeltoppervlakte van de cellen: het totaal van het oppervlakte van
de teeltbedden ten behoeve van de teelt van eetbare paddestoelen;</al>
        <al>y. agrarisch bedrijf: een inrichting als bedoeld in bijlage I, categorie
8.1, onder a, of categorie 9.1, onder f, behorende bij het Inrichtingen- en
vergunningenbesluit milieubeheer;</al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>2.</nr>
        <al>Dit besluit is niet van toepassing op een tuinbouwbedrijf met bedekte
teelt dat is opgericht na de datum van inwerkingtreding van dit besluit en
dat is gelegen in een gebied dat krachtens artikel 1.2, tweede lid, onder
a of b, van de Wet milieubeheer bij een provinciale milieuverordening is aangewezen
of dat anderszins bij een zodanige verordening is aangewezen als gebied waarin
de kwaliteit van het milieu of van een of meer onderdelen daarvan bijzondere
bescherming behoeft en waarvoor bij die verordening regels zijn gesteld, die
die bescherming beogen.</al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>3.</nr>
        <al>Dit besluit is niet van toepassing op een tuinbouwbedrijf met bedekte
teelt, dat is opgericht na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit
en dat is gelegen:</al>
        <al>a. op minder dan 50 m afstand van een object categorie I, dan wel</al>
        <al>b. op minder dan 25 m afstand van een object categorie II of III;</al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>4.</nr>
        <al>Dit besluit is niet van toepassing op een tuinbouwbedrijf met bedekte
teelt, dat is opgericht vóór het tijdstip van inwerkingtreding
van dit besluit en dat, inclusief een eventuele uitbreiding na deze datum,
is gelegen:</al>
        <al>a. op minder dan 25 m afstand van een object categorie I, dan wel</al>
        <al>b. op minder dan 10 m afstand van een object categorie II of III.</al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>5.</nr>
        <al>Voor het bepalen van de afstanden, genoemd in het derde en vierde lid,
wordt gemeten vanaf het onderdeel van het tuinbouwbedrijf met bedekte teelt,
dat het dichtst bij het genoemde object is gelegen. Hierbij wordt niet betrokken
een waterbassin, een watersilo, een warmwateropslagtank en het open erf.</al>
      </lid>
    </art>
    <art id="a2">
      <kop>
        <nr>Artikel 2</nr>
      </kop>
      <lid>
        <nr>1.</nr>
        <al>Degene die een tuinbouwbedrijf met bedekte teelt drijft, voldoet aan de
voorschriften die zijn opgenomen in de bij dit besluit behorende bijlage I,
alsmede aan de krachtens deze voorschriften door het bevoegd gezag gestelde
nadere eisen.</al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>2.</nr>
        <al>Van een beschikking waarbij nadere eisen worden gesteld, wordt kennis
gegeven in één of meer dag-, nieuws- of huis- aan huisbladen.</al>
      </lid>
    </art>
    <art id="a3">
      <kop>
        <nr>Artikel 3</nr>
      </kop>
      <lid>
        <nr>1.</nr>
        <al>Degene die voornemens is een tuinbouwbedrijf met bedekte teelt op te richten,
meldt dit voornemen ten minste vier weken voor het oprichten aan het bevoegd
gezag en aan de inspecteur.</al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>2.</nr>
        <al>Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot het
veranderen van een tuinbouwbedrijf met bedekte teelt, dan wel met betrekking
tot het veranderen van de werking daarvan.</al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>3.</nr>
        <al>Een melding als bedoeld in tweede lid, is niet vereist indien eerder een
melding overeenkomstig dit artikel is gedaan dan wel voor de inrichting onmiddellijk
voorafgaand aan het tijdstip waarop dit besluit op de inrichting van toepassing
werd, een onherroepelijke vergunning krachtens artikel 8.1 van de Wet milieubeheer
gold, en door het veranderen of het veranderen van de werking van de inrichting
geen afwijking ontstaat van de bij de eerdere melding verstrekte
gegevens, onderscheidenlijk de vergunning.</al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>4.</nr>
        <al>Bij een melding als bedoeld in het eerste of tweede lid, wordt in ieder
geval het tijdstip vermeld, waarop het tuinbouwbedrijf met bedekte teelt of
de verandering daarvan in werking zal worden gebracht, dan wel de verandering
van de werking daarvan zal zijn verwezenlijkt, en worden de gegevens verstrekt,
die in de bij dit besluit behorende bijlage II zijn aangegeven. De melding
wordt gedaan op een formulier waarvan het model wordt vastgesteld door Onze
Minister.</al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>5.</nr>
        <al>Degene die een melding heeft gedaan als bedoeld in het eerste of het tweede
lid, stelt het bevoegd gezag zo tijdig in kennis van een wijziging van het
in het vierde lid bedoelde tijdstip dat het bevoegd gezag in staat is om voorafgaand
aan dat tijdstip te controleren of aan de in bijlage I opgenomen voorschriften
wordt voldaan.</al>
      </lid>
    </art>
    <art id="a4">
      <kop>
        <nr>Artikel 4</nr>
      </kop>
      <lid>
        <nr>1.</nr>
        <al>Degene die voornemens is een tuinbouwbedrijf met bedekte teelt op te richten,
verricht ten minste vier weken voor de inrichting in werking wordt gesteld,
een verkennend onderzoek en geeft van de resultaten van dat onderzoek onverwijld
kennis aan het bevoegd gezag.</al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>2.</nr>
        <al>Degene die voornemens is de activiteiten van het tuinbouwbedrijf met bedekte
teelt buiten werking te stellen, meldt dit voornemen vóór het
beëindigen aan het bevoegd gezag.</al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>3.</nr>
        <al>Degene die de activiteiten van het tuinbouwbedrijf met bedekte teelt heeft
beëindigd, verricht binnen acht weken na die beëindiging een verkennend
onderzoek en geeft van de resultaten van dit onderzoek onverwijld kennis aan
het bevoegd gezag.</al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>4.</nr>
        <al>Het verkennend onderzoek richt zich op de stoffen die door de werkzaamheden
ter plaatse een bedreiging voor de bodemkwaliteit vormen.</al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>5.</nr>
        <al>Het verkennend onderzoek richt zich op de plaatsen waar bodembedreigende
handelingen zullen plaatsvinden of hebben plaatsgevonden en in ieder geval
op plaatsen waar:</al>
        <al>a. vloeibare brandstoffen bovengronds worden opgeslagen, worden overgeslagen
of permanent worden gebruikt,</al>
        <al>b. bestrijdingsmiddelen worden opgeslagen of aangemaakt,</al>
        <al>c. chemicaliën voor vloeibare voeding worden opgeslagen en de vloeibare
voeding wordt aangemaakt en bewaard,</al>
        <al>d. dompelbaden worden opgesteld en</al>
        <al>e. de in de onderdelen a tot met d bedoelde handelingen hebben plaatsgevonden.</al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>6.</nr>
        <al>Het verkennend onderzoek richt zich niet op de teeltruimte voor gewassen
van tuinbouwbedrijven met bedekte teelt, indien daarin geen stoffen zijn opgeslagen,
brandstoffen worden overgegoten en bestrijdingsmiddelen worden overgegoten
of aangemaakt.</al>
      </lid>
    </art>
    <art id="a5">
      <kop>
        <nr>Artikel 5</nr>
      </kop>
      <lid>
        <nr>1.</nr>
        <al>Gedurende één jaar vanaf het tijdstip waarop dit besluit
van toepassing wordt op een reeds opgericht tuinbouwbedrijf met bedekte teelt,
is artikel 2 niet van toepassing.</al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>2.</nr>
        <al>Gedurende de in het eerste lid bedoelde periode zijn op het in dat lid
bedoelde tuinbouwbedrijf van toepassing:</al>
        <al>a. de voorschriften van een krachtens artikel 8.1 van de Wet milieubeheer
verleende vergunning,</al>
        <al>b. de voorschriften van een krachtens artikel 3, eerste lid, van de Hinderwet
vastgestelde verordening, en</al>
        <al>c. de voorschriften van een gemeentelijke verordening waarin regels zijn gesteld met betrekking tot het brengen van afvalwater in een openbaar
riool,</al>
        <al>zoals die voorschriften golden tot aan het in het eerste lid bedoelde
tijdstip.</al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>3.</nr>
        <al>In een geval als bedoeld in het eerste lid, meldt degene die een tuinbouwbedrijf
met bedekte teelt drijft, ten hoogste 26 weken na het in dat lid bedoelde
tijdstip aan het bevoegd gezag en de inspecteur dat hij het tuinbouwbedrijf
met bedekte teelt in werking heeft. De melding geschiedt overeenkomstig artikel
3, vierde lid.</al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>4.</nr>
        <al>Deze melding is niet vereist indien voor het tuinbouwbedrijf met bedekte
teelt een vergunning krachtens artikel 8.1 van de Wet milieubeheer geldt.</al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>5.</nr>
        <al>Op een tuinbouwbedrijf met bedekte teelt dat reeds is opgericht op het
tijdstip waarop dit besluit op de inrichting van toepassing wordt, wordt binnen
drie jaar na dit tijdstip een verkennend onderzoek verricht. Artikel 4, vierde,
vijfde en zesde lid, is van overeenkomstige toepassing. Van de resultaten
van dit onderzoek wordt binnen acht weken kennis gegeven aan het bevoegd gezag.</al>
      </lid>
    </art>
    <art id="a6">
      <kop>
        <nr>Artikel 6</nr>
      </kop>
      <al>In afwijking van het Besluit emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer
B, treedt voor de toepassing van dat besluit met betrekking tot een stookinstallatie
in een tuinbouwbedrijf met bedekte teelt waarop dit besluit van toepassing
is, de datum van oprichting van de stookinstallatie in de plaats van de datum
van vergunningverlening voor de stookinstallatie en is op een dergelijke stookinstallatie
hoofdstuk 8B van de bijlage bij dat besluit niet van toepassing.</al>
    </art>
    <art id="a7">
      <kop>
        <nr>Artikel 7</nr>
      </kop>
      <al>Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag van de tweede
kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt
geplaatst.</al>
    </art>
    <art id="a8">
      <kop>
        <nr>Artikel 8</nr>
      </kop>
      <al>Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit tuinbouwbedrijven met bedekte
teelt milieubeheer.</al>
    </art>
  </body>
  <backm>
    <nawerk>
      <slotform>Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota
van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.</slotform>
      <histnoot>
        <al>Het advies van de Raad van State is openbaar gemaakt door terinzagelegging
bij het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.</al>
        <al>Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage gelegde stukken worden
opgenomen in het bijvoegsel bij de Staatscourant van 9 april 1996, nr. 69.</al>
      </histnoot>
      <ondertek>
        <ondplts>'s-Gravenhage, </ondplts>
        <onddatum>12 maart 1996</onddatum>
        <koning>Beatrix </koning>
        <minister>
          <minvan>De Minister van Volkshuisvesting, RuimtelijkeOrdening en Milieubeheer,</minvan>
          <naam>Margaretha de Boer</naam>
        </minister>
      </ondertek>
      <uitgifte>
        <uitgifte-regel>Uitgegeven de <nadruk type="cur">zesentwintigste</nadruk> maart 1996</uitgifte-regel>
        <uitdag>zesentwintigste</uitdag>
        <uitmaand>maart</uitmaand>
        <uitjaar>1996</uitjaar>
        <door>
          <minvan>De Minister van Justitie,</minvan>
          <naam>W. Sorgdrager</naam>
        </door>
      </uitgifte>
    </nawerk>
    <bijlage id="b1">
      <kop>
        <titel status="off">BIJLAGE I BEHORENDE BIJ HET BESLUIT TUINBOUWBEDRIJVEN
MET BEDEKTE TEELT MILIEUBEHEER </titel>
      </kop>
      <tuskop letat="vet">INHOUD </tuskop>
      <al>
        <table orient="port" rowsep="0" colsep="0" frame="topbot" tabstyle="sdu1">
          <tgroup align="left" charoff="75" cols="3" tgroupstyle="sdu1">
            <colspec colname="c1" colnum="1" colwidth="5mm"></colspec>
            <colspec colname="c2" colnum="2" colwidth="97.5mm"></colspec>
            <colspec colname="c3" colnum="3" colwidth="10mm"></colspec>
            <tbody valign="bottom">
              <row valign="top">
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">I. </entry>
                <entry morerows="0" rotate="0">Begrippen</entry>
                <entry morerows="0" rotate="0"> 8 </entry>
              </row>
              <row valign="top">
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">II. </entry>
                <entry morerows="0" rotate="0">Voorschriften:</entry>
                <entry morerows="0" rotate="0">9 </entry>
              </row>
              <row valign="top">
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">1. </entry>
                <entry morerows="0" rotate="0">Opslaan en aanmaken van bestrijdingsmiddelen</entry>
                <entry morerows="0" rotate="0"> 9 </entry>
              </row>
              <row valign="top">
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">2.</entry>
                <entry morerows="0" rotate="0">Opslaan van meststoffen</entry>
                <entry morerows="0" rotate="0">10 </entry>
              </row>
              <row valign="top">
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">3. </entry>
                <entry morerows="0" rotate="0">Voorschriften voor zuigermotoren
van warmtekrachtkoppelingsinstallaties of warmtepompinstallaties</entry>
                <entry morerows="0" rotate="0">12 </entry>
              </row>
              <row valign="top">
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">4.</entry>
                <entry morerows="0" rotate="0">Verwarmingsinstallaties voor ruimteverwarming of warmwatervoorziening</entry>
                <entry morerows="0" rotate="0">13</entry>
              </row>
              <row valign="top">
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">5. </entry>
                <entry morerows="0" rotate="0">Noodstroomvoorzieningen</entry>
                <entry morerows="0" rotate="0">15 </entry>
              </row>
              <row valign="top">
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">6. </entry>
                <entry morerows="0" rotate="0">Afvalstoffen</entry>
                <entry morerows="0" rotate="0">16</entry>
              </row>
              <row valign="top">
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">7. </entry>
                <entry morerows="0" rotate="0">Bodembescherming</entry>
                <entry morerows="0" rotate="0">17 </entry>
              </row>
              <row valign="top">
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">8. </entry>
                <entry morerows="0" rotate="0">Geluidhinder</entry>
                <entry morerows="0" rotate="0">18</entry>
              </row>
              <row valign="top">
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">9. </entry>
                <entry morerows="0" rotate="0">Lichthinder</entry>
                <entry morerows="0" rotate="0">20 </entry>
              </row>
              <row valign="top">
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">10. </entry>
                <entry morerows="0" rotate="0">Gebruik van vorkheftrucks</entry>
                <entry morerows="0" rotate="0">21</entry>
              </row>
              <row valign="top">
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">11. </entry>
                <entry morerows="0" rotate="0">Bewaren van LPG-wisselreservoirs voor de aandrijving van transportmiddelen</entry>
                <entry morerows="0" rotate="0">22</entry>
              </row>
              <row valign="top">
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">12. </entry>
                <entry morerows="0" rotate="0">Gasdrukregel- en meetinstallaties en met aardgas gestookte
installaties</entry>
                <entry morerows="0" rotate="0">22 </entry>
              </row>
              <row valign="top">
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">13. </entry>
                <entry morerows="0" rotate="0">Gedragsvoorschriften</entry>
                <entry morerows="0" rotate="0">23 </entry>
              </row>
              <row valign="top">
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">14.</entry>
                <entry morerows="0" rotate="0">Brandbestrijding</entry>
                <entry morerows="0" rotate="0">23 </entry>
              </row>
              <row valign="top">
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">15. </entry>
                <entry morerows="0" rotate="0">Meet- en registratieverplichtingen</entry>
                <entry morerows="0" rotate="0">23</entry>
              </row>
              <row valign="top">
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">16. </entry>
                <entry morerows="0" rotate="0">Bewaren van K1-, K2- en K3-vloeistoffen en chemicaliën
in emballage</entry>
                <entry morerows="0" rotate="0">23 </entry>
              </row>
              <row valign="top">
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">17. </entry>
                <entry morerows="0" rotate="0">Gebruik van gasflessen</entry>
                <entry morerows="0" rotate="0">24 </entry>
              </row>
              <row valign="top">
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">18.</entry>
                <entry morerows="0" rotate="0">Opslaan van vloeibare kooldioxide in reservoirs</entry>
                <entry morerows="0" rotate="0">24 </entry>
              </row>
              <row valign="top">
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">19. </entry>
                <entry morerows="0" rotate="0">Opslaan
van gasolie, lichte stookolie, dieselolie en petroleum in bovengrondse tanks
met een inhoud van meer dan 200 liter</entry>
                <entry morerows="0" rotate="0">26 </entry>
              </row>
              <row valign="top">
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">20. </entry>
                <entry morerows="0" rotate="0">Afleverpompen
voor motorbrandstoffen</entry>
                <entry morerows="0" rotate="0">27 </entry>
              </row>
              <row valign="top">
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">21. </entry>
                <entry morerows="0" rotate="0">Opslaan van afgewerkte olie</entry>
                <entry morerows="0" rotate="0">28</entry>
              </row>
              <row valign="top">
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">22. </entry>
                <entry morerows="0" rotate="0">Toepassen van ammoniak als koudemiddel</entry>
                <entry morerows="0" rotate="0">28 </entry>
              </row>
              <row valign="top">
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">23. </entry>
                <entry morerows="0" rotate="0">Teelt
van eetbare paddestoelen</entry>
                <entry morerows="0" rotate="0">28</entry>
              </row>
            </tbody>
          </tgroup>
        </table>
      </al>
      <tuskop letat="vet">I. BEGRIPPEN </tuskop>
      <tuskop letat="vet">1. In deze bijlage en de daarop berustende bepalingen
wordt verstaan onder: </tuskop>
      <al>
        <table orient="port" rowsep="0" colsep="0" frame="topbot" tabstyle="sdu1">
          <tgroup align="left" charoff="75" cols="2" tgroupstyle="sdu1">
            <colspec colname="c1" colnum="1" colwidth="40mm"></colspec>
            <colspec colname="c2" colnum="2" colwidth="72.5mm"></colspec>
            <tbody valign="bottom">
              <row valign="top">
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">bedrijfsriolering:</entry>
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">voorziening voor de afvoer van bedrijfsafvalwater
vanuit het tuinbouwbedrijf met bedekte teelt naar een openbaar riool of een
andere voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater; </entry>
              </row>
              <row valign="top">
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">belasting:</entry>
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">het
deel van het thermische vermogen, waarbij de ketelinstallatie of de zuigermotor
daadwerkelijk wordt bedreven; </entry>
              </row>
              <row valign="top">
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">EnergieNed:</entry>
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Vereniging van Energiedistributiebedrijven
in Nederland; </entry>
              </row>
              <row valign="top">
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">equivalent geluidsniveau (LAeq)</entry>
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">het gemiddelde van
de afwisselende niveaus van het ter plaatse, in de loop van een bepaalde periode,
optredende geluid, vastgesteld overeenkomstig voorschrift 8.8; </entry>
              </row>
              <row valign="top">
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">gasfles:</entry>
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">een
voor herhaald gebruik bestemde, cilindrische, metalen drukhouder, die voorzien
is van één aansluiting met klep- of naaldafsluiter en een waterinhoud
heeft van ten hoogste 150 liter; </entry>
              </row>
              <row valign="top">
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">geluidgevoelige bestemmingen</entry>
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">gebouwen
of objecten, aangewezen bij algemene maatregel van bestuur krachtens de artikelen
49 en 68 van de Wet geluidhinder; </entry>
              </row>
              <row valign="top">
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">geluidsniveau in dB(A)</entry>
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">het niveau
van het ter plaatse optredende geluid, uitgedrukt in dB(A), overeenkomstig
de door de Internationale Elektrotechnische Commissie (IEC) terzake opgestelde
regels, zoals neergelegd in de IEC-publikatie no. 651, uitgave 1979; </entry>
              </row>
              <row valign="top">
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">gevaarlijke
stof:</entry>
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">stof zoals ingedeeld en gedefinieerd in het Besluit verpakking
en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en apparaten op grond van de Wet milieugevaarlijke
stoffen. </entry>
              </row>
              <row valign="top">
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">NEN:</entry>
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">een door het NNI uitgegeven norm; </entry>
              </row>
              <row valign="top">
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">NEN-EN:</entry>
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">een
door het Comité Européen de Normalisation opgestelde en door
het NNI als Nederlandse norm aanvaarde en uitgegeven norm; </entry>
              </row>
              <row valign="top">
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">NEN-ISO:</entry>
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">een
door de International Organization for Standardization opgestelde en door
het NNI als Nederlandse norm aanvaarde en uitgegeven norm; </entry>
              </row>
              <row valign="top">
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">NNI:</entry>
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Nederlands
Normalisatie Instituut; </entry>
              </row>
              <row valign="top">
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">onbrandbaar:</entry>
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">het onbrandbaar zijn overeenkomstig
NEN 6064; </entry>
              </row>
              <row valign="top">
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">openbaar riool:</entry>
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">gemeentelijke voorziening voor de inzameling
en het transport van afvalwater; </entry>
              </row>
              <row valign="top">
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">referentieniveau:</entry>
                <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">de
hoogste waarde van de onder a en b genoemde niveaus, bepaald overeenkomstig
het Besluit bepaling referentieniveauperiode:  a. het geluidsniveau, uitgedrukt
in dB(A), dat, gemeten over een bepaalde periode, gedurende 95% van de tijd,
wordt overschreden, exclusief de bijdrage van de inrichting zelf; b. het
optredende equivalente geluidsniveau (LAeq), veroorzaakt door wegverkeersbronnen
minus 10 dB, met dien verstande dat voor de nachtperiode van 23.00 tot 06.00
uur alleen wegverkeersbronnen in rekening mogen worden gebracht met een intensiteit
van meer dan 500 motorvoertuigen gedurende die periode; </entry>
              </row>
              <row valign="top">
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">riolering:</entry>
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">bedrijfsriolering
of voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater; </entry>
              </row>
              <row valign="top">
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">ruimtebehandeling:</entry>
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">een
toedieningstechniek, waarbij bestrijdingsmiddelen in een kas worden gebracht
en waarbij de initiële gemiddelde deeltjes- of druppelgrootte kleiner
is dan 50 μm; </entry>
              </row>
              <row valign="top">
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">thermisch vermogen:</entry>
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">de warmte-inhoud van de maximale
hoeveelheid brandstof die per tijdseenheid kan worden toegevoerd aan een ketelinstallatie
of een zuigermotor; </entry>
              </row>
              <row valign="top">
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">VLG:</entry>
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">het Reglement betreffende het vervoer
over land van gevaarlijke stoffen; </entry>
              </row>
              <row valign="top">
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">weerstand tegen branddoorslag en
brandoverslag:</entry>
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">de tijd, uitgedrukt in minuten, gedurende welke geen uitbreiding
van de brand naar aangrenzende ruimten mag plaatsvinden, bepaald overeenkomstig
NEN 6068; </entry>
              </row>
              <row valign="top">
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">zuigermotor:</entry>
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">een installatie, bestaande uit een toestel,
waarin een door verbranding van brandstof verkregen gasmengsel een zuiger
in beweging brengt voor de aandrijving van een werktuig.</entry>
              </row>
            </tbody>
          </tgroup>
        </table>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>2. Voor zover een DIN-, NEN-, NEN-EN- of NEN-ISO-norm, waarnaar in deze
bijlage wordt verwezen, betrekking heeft op de uitvoering van constructies,
toestellen en apparaten, wordt bedoeld de vóór de datum waarop
dit besluit in het Staatsblad is geplaatst, laatst uitgegeven norm met de
daarop tot die datum uitgegeven aanvullingen of correctiebladen dan wel –
voor zover het op die datum reeds bestaande constructies, toestellen en apparaten
betreft – de norm die bij de aanleg c.q. installatie van die constructies,
toestellen en apparaten is toegepast, tenzij in het voorschrift anders is
bepaald. </al>
      <tuskop letat="vet">II. VOORSCHRIFTEN </tuskop>
      <tuskop letat="vet">1. Opslaan en aanmaken van bestrijdingsmiddelen </tuskop>
      <tuskop letat="cur">1.1. Algemeen</tuskop>
      <al>Tengevolge van het opslaan en aanmaken mogen geen bestrijdingsmiddelen
terecht kunnen komen in de bodem, in het openbaar riool, in het oppervlaktewater
of in een afvoerput, -goot of -leiding, die aansluiting geeft op het openbaar
riool, op een septic tank, op de openbare weg of op het oppervlaktewater.  </al>
      <tuskop letat="cur">1.2. Aanmaken van bestrijdingsmiddelen</tuskop>
      <al>1.2.1. Het aanmaken van mengsels of oplossingen van bestrijdingsmiddelen
moet geschieden in en vanuit speciaal daarvoor bestemd vaatwerk.</al>
      <al>1.2.2. Leidingen die zijn bestemd voor het transport van bestrijdingsmiddelen
of een oplossing daarvan, moeten bovengronds zijn gelegd.</al>
      <al>1.2.3. Gemorste droge bestrijdingsmiddelen moeten terstond droog worden
opgenomen; gemorste vloeibare bestrijdingsmiddelen moeten terstond worden
geïmmobiliseerd en in een speciaal daartoe bestemd vat worden gebracht.
Hiertoe moeten voldoende materialen, absorberende en neutraliserende middelen
voor onmiddellijk gebruik gereed aanwezig zijn.</al>
      <al>1.2.4. Pompen, vaatwerk en leidingen, bestemd voor het aanmaken en doseren
van bestrijdingsmiddelen, mogen geen rechtstreekse vaste verbindingen vormen
met een drinkwaterleiding. Drinkwater mag alleen via een onderbreektank aan
de waterleiding worden onttrokken. </al>
      <tuskop letat="cur">1.3. Gebruiken van bestrijdingsmiddelen</tuskop>
      <al>1.3.1. Dompelbaden waarin gewerkt wordt met bestrijdingsmiddelen, moeten
zijn opgesteld op een vloeistofdichte vloer.</al>
      <al>1.3.2. Gedompelde produkten waar nog bestrijdingsmiddelen uit kunnen lekken,
moeten boven het dompelbad of boven een vloeistofdichte vloer worden bewaard.</al>
      <al>1.3.3. Het doseren van bestrijdingsmiddelen ten behoeve van ruimtebehandeling
mag uitsluitend geschieden indien ramen, deuren en ventilatie-openingen zijn
gesloten. Ramen, deuren en ventilatie-openingen dienen tot 2 uur na afloop
van de behandeling gesloten te blijven. </al>
      <tuskop letat="vet">2. Opslaan van meststoffen </tuskop>
      <tuskop letat="cur">2.1. Vloeibare kunstmeststoffen in tanks</tuskop>
      <al>2.1.1. De voorschriften 2.1.2 tot en met 2.1.20 zijn van toepassing op
de opslag van vloeibare kunstmeststoffen.</al>
      <al>2.1.2. De stijfheid en sterkte van een tank moeten voldoende zijn om het
gewicht van de opgeslagen vloeistof te dragen en om schadelijke vervorming
als gevolg van overdruk bij vulling of overvulling te voorkomen. Een tank
moet vloeistofdicht zijn.</al>
      <al>2.1.3. De ondersteunende constructie van een tank moet uit onbrandbaar
materiaal bestaan; op plaatsen waar kans op verzakking bestaat, moet een doelmatige
fundering zijn aangebracht.</al>
      <al>2.1.4. Een tank voor de opslag van zure kunstmeststoffen moet zijn voorzien
van een ontluchtingsleiding waarvan de uitmonding zich in de buitenlucht bevindt.
De ontluchtingsleiding moet te allen tijde een open verbinding van de tank
met de buitenlucht verzekeren. Ontluchtingsleidingen van tanks voor de opslag
van zure kunstmeststoffen mogen niet in verbinding staan met ontluchtingsleidingen
van tanks voor de opslag van basische kunstmeststoffen.</al>
      <al>2.1.5. Indien een niveau-aanwijzing of peilinrichting is aangebracht,
moet deze zodanig zijn ingericht dat het uitstromen van vloeistof uit de tank,
ook door verkeerde werking of door breuk, onmogelijk is.</al>
      <al>2.1.6. In elke aansluiting op een tank beneden het hoogste vloeistofniveau
en in de toevoerleiding naar het verbruikstoestel moet zo dicht mogelijk bij
de tankwand een afsluiter zijn geplaatst; deze moet zodanig zijn uitgevoerd
dat duidelijk is te zien of de afsluiter is geopend, dan wel is gesloten.</al>
      <al>2.1.7. Elke tank dient voorzien te zijn van een overstortleiding met een
diameter van 50 mm, die uitmondt op 5 cm boven de bodem van de in voorschrift
2.1.9 bedoelde lekbak. </al>
      <al>2.1.8. Leidingen moeten bovengronds of in een daartoe speciaal aangelegde
goot zijn gelegd.</al>
      <al>2.1.9. Een tank moet zijn omgeven door een vloeistofdichte lekbak. Deze
lekbak moet voldoende sterk zijn om weerstand te kunnen bieden aan de als
gevolg van een lekkage optredende vloeistofdruk. De binnenzijde van de bak
moet bestand zijn tegen de in de tanks opgeslagen stoffen.</al>
      <al>2.1.10. Indien zich binnen een vloeistofdichte lekbak slechts één
tank bevindt, moet de opnamecapaciteit ten minste gelijk zijn aan de tankinhoud.
Zijn er binnen de vloeistofdichte bak twee of meer tanks opgesteld, dan moet
de opnamecapaciteit van deze bak ten minste gelijk zijn aan de inhoud van
de grootste tank, vermeerderd met 10% van de gezamenlijke inhoud van de overige
tanks.</al>
      <al>2.1.11. Tanks of emballage voor de bewaring van zure stoffen ten behoeve
van pH-regulatie dienen in een andere lekbak te zijn geplaatst dan tanks of
emballage voor de bewaring van basische stoffen ten behoeve van de pH-regulatie.</al>
      <al>2.1.12. De gehele installatie van de tank en de leidingen moet vloeistofdicht
zijn, hetgeen voor het in gebruik nemen of na een grote reparatie door een
beproeving moet worden aangetoond. Deze beproeving moet geschieden door de
tank en de leidingen geheel met water te vullen. Indien bij de beproeving
een lekkage of een ander gebrek wordt geconstateerd, mag de tank niet in gebruik
worden gesteld. Voor de beproeving moet tijdig kennis worden gegeven aan het
bevoegd gezag, zodat het bevoegd gezag in de gelegenheid is om bij de beproeving
aanwezig te zijn.</al>
      <al>2.1.13. Het vullen van of aftappen uit een tank moet zonder morsen geschieden.</al>
      <al>2.1.14. Een tank mag ten hoogste voor 95% zijn gevuld.</al>
      <al>2.1.15. Vulleidingen moeten met een goed sluitende dop of afsluiter zijn
afgesloten, behoudens tijdens het vullen van tanks.</al>
      <al>2.1.16. Op elke tank moeten met duidelijk leesbare letters de chemische
naam en de handelsnaam zijn vermeld van het produkt dat in de tank is opgeslagen,
alsmede de concentratie van dat produkt, terwijl tevens duidelijk zichtbaar
het bijbehorende gevarensymbool moet zijn aangebracht.</al>
      <al>2.1.17. Nabij de vulopening moeten op de vulleiding met duidelijk leesbare
letters de chemische naam en de handelsnaam zijn vermeld van het produkt dat
is opgeslagen in de tank waarmee de vulleiding in verbinding staat, terwijl
tevens duidelijk zichtbaar het bijbehorende gevarensymbool moet zijn aangebracht.
Vulpunten dienen tegen mechanische beschadigingen te zijn beschermd.</al>
      <al>2.1.18. Er dienen voorzieningen en maatregelen te zijn getroffen om te
voorkomen dat bij het vullen van een tank een verkeerde aansluiting wordt
gemaakt, waardoor een ander produkt in de tank kan geraken dan waarvoor de
tank bestemd is.</al>
      <al>2.1.19. Vulleidingen moeten op afschot zijn gelegd, aflopend naar de tank.
Indien dit om technische reden niet uitvoerbaar is, dient na het vullen de
vulleiding te worden doorgeblazen.</al>
      <al>2.1.20. Bij dosering van de kunstmeststoffen in doseervaten, dient eerst
voorgedoseerd te worden met water, voordat de kunstmeststoffen mogen worden
toegevoegd. </al>
      <tuskop letat="cur">2.2. Vloeibare kunstmeststoffen in emballage</tuskop>
      <al>2.2.1. Emballage, geheel of gedeeltelijk gevuld met vloeibare kunstmeststoffen,
moet zijn geplaatst in een vloeistofdichte opvangbak, met een inhoud die ten
minste gelijk is aan de inhoud van de opgeslagen emballage.  </al>
      <tuskop letat="cur">2.3. Vaste meststoffen, niet zijnde vaste kunstmeststoffen</tuskop>
      <al>2.3.1. Een opslag van vaste meststoffen, niet zijnde vaste kunstmeststoffen,
moet zijn gelegen op ten minste:</al>
      <al>a. 100 m afstand van een object categorie I;</al>
      <al>b. 50 m afstand van een object categorie II of III.</al>
      <al>Voor een opslag van vaste meststoffen, die reeds aanwezig was voor de
datum van inwerkingtreding van dit besluit, geldt dit voorschrift met ingang
van drie jaar na deze datum.</al>
      <al>2.3.2. Voorschrift 2.3.1 is niet van toepassing op een opslag van vaste
meststoffen, die reeds aanwezig was voor de datum van inwerkingtreding van
dit besluit en die is gelegen op ten minste 25 m afstand van een object categorie
I, II of III, indien verplaatsing van de opslag redelijkerwijs niet kan worden
gevergd. In dat geval kan het bevoegd gezag nadere eisen stellen omtrent de
omvang van de opslag, het afdekken van de meststoffen en de frequentie van
de afvoer van de meststoffen, die onder de gegeven omstandigheden de grootst
mogelijke bescherming bieden tegen de nadelige gevolgen die de opslag van
de meststoffen voor het milieu kan veroorzaken en die redelijkerwijs kunnen
worden gevergd. </al>
      <tuskop letat="vet">3. Voorschriften voor zuigermotoren van warmtekrachtkoppelingsinstallaties
of warmtepompinstallaties </tuskop>
      <tuskop letat="cur">3.1. Constructie, installatie en gebruik</tuskop>
      <al>3.1.1. Bij gebruik van vloeibare brandstof moeten doelmatige voorzieningen
zijn getroffen om te voorkomen dat vloeistof terecht kan komen in de bodem,
in het openbaar riool, in het oppervlaktewater of in een afvoerput, -goot
of -leiding, die aansluiting geeft op het openbaar riool, op een septic tank,
op de openbare weg of op het oppervlaktewater.</al>
      <al>3.1.2. Een met aardgas te stoken zuigermotor moet voldoen aan de Veiligheidsvoorschriften
voor aardgasmotoren van de Commissie Veiligheid Installaties voor het stoken
van Aardgas (VISA, deel C), uitgave 1994.</al>
      <al>3.1.3. Een zuigermotor moet zodanig zijn afgesteld en worden onderhouden,
dat de concentratie van koolmonoxide in de uitgeworpen gassen, gemeten onder
normale bedrijfsomstandigheden, niet meer bedraagt dan 0,1 volumeprocenten.</al>
      <al>3.1.4. De in een ruimte waarin een zuigermotor is opgesteld, aanwezige
hoeveelheid brandstof mag ten hoogste 200 liter gasolie of ten hoogste 20
liter benzine bedragen.</al>
      <al>3.1.5. Nabij een zuigermotor moet een draagbare poederblusser aanwezig
zijn met een inhoud van ten minste 6 kg, of een ander geschikt blusmiddel
met eenzelfde bluscapaciteit. </al>
      <tuskop letat="cur">3.2. Onderhoud en controle</tuskop>
      <al>3.2.1. Een zuigermotor moet eenmaal per jaar vakkundig worden onderhouden
en afgesteld en zo vaak als nodig, doch ten minste eenmaal per jaar worden
gereinigd zonder dat roet of ander vuil zich daarbij buiten de inrichting
kan verspreiden.</al>
      <al>3.2.2. Een met aardgas te stoken zuigermotor die is opgericht na het tijdstip
waarop dit besluit op de inrichting van toepassing wordt, moet voor de ingebruikneming
en vervolgens telkens na twee jaar op goed functioneren worden gecontroleerd
aan de hand van de Veiligheidsvoorschriften voor aardgasmotoren van de Commissie
Veiligheid Installaties voor het stoken van Aardgas (VISA, deel C), uitgave
1994, door een op grond van de Waarborgregeling REG 94 erkende installateur
of een door het bevoegd gezag geaccepteerde deskundige. Een afschrift van
een rapport van bevindingen van de controle dient binnen vier
weken na de datum van de controle aan het bevoegde gezag te zijn verstrekt.</al>
      <al>3.2.3. Voorschrift 3.2.2 is van overeenkomstige toepassing op een zuigermotor
die is opgericht voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit, met
dien verstande dat de eerste controle dient plaats te vinden binnen twee jaar
na dat tijdstip. </al>
      <tuskop letat="cur">3.3. Opstelling</tuskop>
      <al>3.3.1. Een zuigermotor met uitlaatdempersysteem moet zodanig zijn opgesteld
dat geen gevaar voor brand is te duchten.</al>
      <al>3.3.2. Een zuigermotor met eventueel bijbehorende brandstoftank moet tegen
mechanische beschadiging en ongewenste handelingen van onbevoegden zijn beschermd.</al>
      <al>3.3.3. Een ruimte waarin een zuigermotor is opgesteld moet voldoen aan
NEN 2078 (GAVO deel 2). </al>
      <tuskop letat="cur">3.4. Verbrandingsgasafvoersystemen</tuskop>
      <al>3.4.1. Een verbrandingsgasafvoersysteem ten behoeve van een met aardgas
te stoken zuigermotor moet voldoen aan de eisen voor verbrandingsgasafvoersystemen
gesteld in NEN 1078.</al>
      <al>3.4.2. Een verbrandingsgasafvoersysteem ten behoeve van een met olie te
stoken zuigermotor, moet voldoen aan de eisen voor verbrandingsgasafvoersystemen
gesteld in NEN 3028. In een situatie waarin de vrije uitmonding dan wel verspreiding
van de verbrandingsgassen kan worden belemmerd, kan het bevoegd gezag in het
belang van de bescherming van het milieu nadere eisen stellen omtrent de hoogte
van de uitmonding van het verbrandingsgasafvoersysteem.</al>
      <al>3.4.3. Een verbrandingsgasafvoersysteem moet zo vaak als nodig is, indien
olie als brandstof wordt toegepast ten minste éénmaal per jaar,
inwendig worden gereinigd, zonder dat roet of ander vuil zich daarbij buiten
de inrichting kan verspreiden. </al>
      <tuskop letat="vet">4. Verwarmingsinstallaties voor ruimteverwarming of warmwatervoorziening </tuskop>
      <tuskop letat="cur">4.1. Toepassingsgebied</tuskop>
      <al>4.1.1. De voorschriften 4.2.1 tot en met 4.6.2 zijn van toepassing op
verwarmingsinstallaties met een gezamenlijke nominale belasting van meer dan
130 kW op bovenwaarde.</al>
      <al>4.1.2. De voorschriften 4.2.2 tot en met 4.2.5. zijn bovendien van toepassing
op met olie te stoken verwarmingsinstallaties met een gezamenlijke nominale
belasting van 130 kW of minder op bovenwaarde. </al>
      <tuskop letat="cur">4.2. Constructie, installatie en gebruik</tuskop>
      <al>4.2.1. Een met aardgas te stoken verwarmingsinstallatie moet zijn uitgevoerd
overeenkomstig de Model Aansluitvoorwaarden Gas 1994 van EnergieNed, uitgave
1994.</al>
      <al>4.2.2. Een met olie te stoken verwarmingsinstallatie moet zodanig zijn
ingericht en worden onderhouden, dat over het gehele regelbereik een nagenoeg
rookloze verbranding wordt verkregen, waarbij het roetgehalte van de verbrandingsgassen,
behoudens onmiddellijk na het starten of aansteken van een brander, het roetcijfer
3, bepaald volgens de filterpapiermethode van Bacharach, niet overschrijdt.
De verbrandingsgassen mogen geen roetdeeltjes bevatten groter dan 0,5 mm.</al>
      <al>4.2.3. De beveiliging van een met olie te stoken verwarmingsinstallatie
moet ten minste voldoen aan NEN 2494. </al>
      <al>4.2.4. Bij vlamwegval tijdens bedrijf mag een verdampingsbrander van een
handbediende, met olie te stoken verwarmingsinstallatie niet eerder opnieuw
worden aangestoken noch de ontstekingsinrichting opnieuw in werking worden
gesteld, dan nadat de verdampingsbrander tot omgevingstemperatuur is afgekoeld,
het eventueel in de vergassingsbrander aanwezige te veel aan olie zorgvuldig
is verwijderd en de verwarmingsinstallatie voldoende is geventileerd.</al>
      <al>4.2.5. Olieleidingen, met uitzondering van flexibele verbindingsstukken,
moeten zijn vervaardigd van metaal van een voldoende mechanische sterkte.
De verbindingen moeten onder alle omstandigheden even sterk zijn als de rest
van de leiding. De leidingen en appendages moeten blijvend oliedicht zijn. </al>
      <tuskop letat="cur">4.3. Onderhoud en controle</tuskop>
      <al>4.3.1. Een verwarmingsinstallatie moet eenmaal per jaar vakkundig worden
onderhouden, afgesteld en zo vaak als nodig is, doch ten minste eenmaal per
jaar, worden gereinigd zonder dat roet of ander vuil zich daarbij buiten de
inrichting kan verspreiden.</al>
      <al>4.3.2. Een met aardgas te stoken verwarmingsinstallatie die is opgericht
na het tijdstip waarop dit besluit op de inrichting van toepassing wordt,
en die een nominale belasting heeft van ten hoogste 660 kW op bovenwaarde,
moet voor de ingebruikneming en vervolgens telkens na 4 jaar overeenkomstig
de Model Aansluitvoorwaarden Gas 1994 van EnergieNed, uitgave 1994, op goed
en veilig functioneren worden gecontroleerd door een op grond van de Waarborgregeling
REG 94 erkende installateur of een door het bevoegd gezag geaccepteerde deskundige.
Een afschrift van een rapport van bevindingen van de controle dient binnen
vier weken na de datum van de controle aan het bevoegd gezag te zijn verstrekt.</al>
      <al>4.3.3. Een met aardgas te stoken verwarmingsinstallatie die is opgericht
na het tijdstip waarop dit besluit op de inrichting van toepassing wordt,
en die een nominale belasting heeft van meer dan 660 kW op bovenwaarde, moet
voor de ingebruikneming en vervolgens telkens na 2 jaar overeenkomstig de
Model Aansluitvoorwaarden Gas 1994 van EnergieNed, uitgave 1994, op goed en
veilig functioneren worden gecontroleerd door een op grond van de Waarborgregeling
REG 94 erkende installateur of een door het bevoegde gezag geaccepteerde deskundige.
Een afschrift van een rapport van bevindingen van de controle dient binnen
vier weken na de datum van de controle aan het bevoegd gezag te zijn verstrekt.</al>
      <al>4.3.4. Een met olie te stoken verwarmingsinstallatie, die is opgericht
na het tijdstip waarop dit besluit op de inrichting van toepassing wordt,
moet voor de ingebruikneming en vervolgens telkens na 2 jaar met inachtneming
van de voorschriften 4.2.2 tot en met 4.2.5 op de goede werking worden gecontroleerd
en zonodig afgesteld door een door het bevoegde gezag hiertoe geaccepteerde
deskundige. Een afschrift van een rapport van bevindingen van de controle
dient binnen vier weken na de datum van de controle aan het bevoegd gezag
te zijn verstrekt.</al>
      <al>4.3.5. De voorschriften 4.3.2, 4.3.3 en 4.3.4 zijn van overeenkomstige
toepassing op een verwarmingsinstallatie die is opgericht voor het tijdstip
van inwerkingtreding van dit besluit, met dien verstande dat de eerste controle
dient plaats te vinden binnen twee jaar na dat tijdstip. </al>
      <tuskop letat="cur">4.4. Opstelling verwarmingsinstallaties</tuskop>
      <al>4.4.1. Een met aardgas te stoken verwarmingsinstallatie moet zijn opgesteld
overeenkomstig NEN 1078. Een met een andere brandstof te stoken toestel moet
zijn opgesteld overeenkomstig NEN 3028.</al>
      <al>4.4.2. De brandstoftoevoer naar een verwarmingsinstallatie die is opgesteld
in een stookruimte, moet kunnen worden afgesloten door middel
van een op een goed bereikbare plaats, buiten de stookruimte aanwezige afsluiter,
zodanig dat wordt voorkomen dat bij brand of als gevolg van lekkage of breuk
van een leiding gas of olie in de stookruimte kan stromen. Nabij de stookruimte
moet op duidelijke wijze zijn aangegeven waar zich de afsluiter bevindt. Bij
de afsluiter moet duidelijk het doel en de wijze van sluiten zijn aangegeven. </al>
      <tuskop letat="cur">4.5. Verbrandingsgasafvoersystemen</tuskop>
      <al>4.5.1. Een verbrandingsgasafvoersysteem ten behoeve van een met aardgas
te stoken verwarmingsinstallatie moet voldoen aan de eisen voor verbrandingsgasafvoersystemen
gesteld in NEN 1078.</al>
      <al>4.5.2. Een verbrandingsgasafvoersysteem ten behoeve van een met olie te
stoken verwarmingsinstallatie moet voldoen aan de eisen voor verbrandingsgasafvoersystemen,
gesteld in NEN 3028.</al>
      <al>4.5.3. Indien de vrije uitmonding dan wel verspreiding van de verbrandingsgassen
uit een verbrandingsgasafvoersysteem kan worden belemmerd, kan het bevoegd
gezag in het belang van de bescherming van het milieu nadere eisen stellen
omtrent de hoogte van de uitmonding van het verbrandingsgasafvoersysteem.</al>
      <al>4.5.4. Een verbrandingsgasafvoersysteem moet zo vaak als nodig is en bij
toepassing van olie als brandstof ten minste éénmaal per jaar
inwendig worden gereinigd, zonder dat roet of ander vuil zich daarbij buiten
de inrichting kan verspreiden. </al>
      <tuskop letat="cur">4.6. Verwarmingsinstallaties voor ruimteverwarming of
warmwatervoorziening met propaan, butaan of een mengsel hiervan als brandstof.</tuskop>
      <al>4.6.1. Een met propaan, butaan of een mengsel hiervan te stoken verwarmingsinstallatie
moet zijn uitgevoerd overeenkomstig NEN 3324 en NEN 3324-A.</al>
      <al>4.6.2. Een met propaan, butaan, of een mengsel hiervan te stoken verwarmingsinstallatie
met een nominale belasting van meer dan 130 kw of meer, moet voor de ingebruikneming
en vervolgens telkens na 4 jaar overeenkomstig NEN 3324 en NEN 3324-A op goed
en veilig functioneren worden gecontroleerd door een door het bevoegde gezag
geaccepteerde deskundige. </al>
      <tuskop letat="vet">5. Noodstroomvoorzieningen </tuskop>
      <tuskop letat="cur">5.1. Noodstroomaggregaat</tuskop>
      <al>5.1.1. Een noodstroomaggregaat moet zodanig zijn opgesteld dat geen gevaar
voor brand is te duchten.</al>
      <al>5.1.2. Een noodstroomaggregaat en een eventueel aanwezige bijbehorende
brandstoftank moeten op doelmatige wijze tegen mechanische beschadiging en
handelingen van onbevoegden zijn beschermd.</al>
      <al>5.1.3. Bij gebruik van vloeibare brandstof moeten doelmatige voorzieningen
zijn getroffen om te voorkomen dat vloeistof terecht kan komen in de bodem,
in het openbaar riool, in het oppervlaktewater of in een afvoerput, -goot
of -leiding, die aansluiting geeft op het openbaar riool, op een septic tank,
op de openbare weg of op het oppervlaktewater kan geraken.</al>
      <al>5.1.4. In een ruimte waarin een noodstroomaggregaat is opgesteld, moeten
niet-afsluitbare openingen voor de toevoer van verbrandingslucht en ventilatielucht
en voor de afvoer van ventilatielucht zijn aangebracht, welke hetzij rechtstreeks,
hetzij door middel van kanalen, verbinding geven met de buitenlucht. Deze
openingen moeten:</al>
      <al>a. zodanig zijn aangebracht dat een goede dwarsventilatie is gewaarborgd;</al>
      <al>b. zodanig zijn aangebracht dat onder alle omstandigheden een vrije luchtdoorlaat
is gewaarborgd;</al>
      <al>c. zodanige afmetingen hebben dat te allen tijde voldoende ventilatie
is gewaarborgd om gassen of dampen die vrijkomen bij brandstoflekkage, af
te voeren.</al>
      <al>5.1.5. Een noodstroomaggregaat waarvoor aardgas als brandstof wordt toegepast,
moet voldoen aan de Veiligheidsvoorschriften voor aardgasmotoren van de Commissie
Veiligheid Installaties voor het stoken van Aardgas (VISA, deel C), uitgave
1994.</al>
      <al>5.1.6. Een noodstroomaggregaat moet zodanig zijn afgesteld en worden onderhouden
dat de concentratie van koolmonoxide in de uitgeworpen gassen, gemeten onder
normale bedrijfsomstandigheden, niet meer bedraagt dan 0,1 volumeprocenten.</al>
      <al>5.1.7. In een ruimte waarin een noodstroomaggregaat is opgesteld mag ten
hoogste 200 liter gasolie of ten hoogste 20 liter benzine aanwezig zijn.</al>
      <al>5.1.8. Nabij een noodstroomaggregaat moet een draagbare poederblusser
aanwezig zijn met een inhoud van ten minste 6 kilo, of een ander geschikt
blusmiddel met een zelfde bluscapaciteit. </al>
      <tuskop letat="cur">5.2. Stationaire opstelling van noodstroomaccumulatoren </tuskop>
      <al>5.2.1. Een accumulator ten behoeve van noodstroomvoorziening en de ruimte
waarin deze is opgesteld, moeten voldoen aan NEN 1010.</al>
      <al>5.2.2. In afwijking van voorschrift 5.2.1 moet een ruimte waarin accumulatoren
ten behoeve van noodstroomvoorziening zijn geplaatst waarvan de gezamenlijke
energie minder dan 10 000 VAh bedraagt en die vóór 1 juli
1984 zijn opgesteld, zodanig zijn uitgevoerd en geventileerd dat zich geen
ontplofbaar mengsel van waterstof en lucht kan vormen.</al>
      <al>5.2.3. De vloer van een ruimte waarin open accumulatoren zijn opgesteld,
moet vloeistofdicht zijn en bestand zijn tegen het te bezigen electrolyt of
op een gelijkwaardige wijze daartegen zijn beschermd.</al>
      <al>5.2.4. In een ruimte waarin accumulatoren ten behoeve van noodstroomvoorziening
zijn opgesteld, mag niet worden gerookt. In deze ruimte mag bovendien geen
open vuur aanwezig zijn. Dit moet op of nabij de toegang tot die ruimte met
het pictogram «Vuur, open vlam en roken verboden» zijn aangegeven.
Dit gevarensymbool moet zijn uitgevoerd overeenkomstig het Besluit veiligheids-
en gezondheidssignalering. </al>
      <tuskop letat="vet">6. Afvalstoffen</tuskop>
      <al>6.1. Afvalstoffen mogen niet worden verbrand, behoudens in een geval waarin
volgens een gemeentelijke verordening verbranden van daarbij aangewezen categorieën
uit de inrichting afkomstige bedrijfsafvalstoffen is toegestaan.</al>
      <al>6.2. Afvalstoffen, niet zijnde snoeihout, bladeren, afgedragen gewas en
soortgelijke afvalstoffen, mogen niet in de bodem terecht kunnen komen. Het
bewaren of bezigen van afvalstoffen op de bodem moet zodanig geschieden dat
geen verontreiniging van de bodem kan optreden.</al>
      <al>6.3. Afvalstoffen, niet zijnde snoeihout, bladeren, afgedragen gewas en
soortgelijke afvalstoffen, moeten regelmatig uit de inrichting worden afgevoerd.
Het afvoeren moet zodanig geschieden dat zich geen afvalstoffen in of buiten
de inrichting kunnen verspreiden.</al>
      <al>6.4. Het bewaren van afvalstoffen moet op ordelijke en nette wijze geschieden.
Van afvalstoffen afkomstige geur mag zich niet buiten de inrichting kunnen
verspreiden.</al>
      <al>6.5. Bedrijfsafvalwater dat:</al>
      <al>a. bedrijfsafvalstoffen bevat, die door versnijdende of vermalende apparatuur
zijn versneden of vermalen of waarvan kan worden voorkomen dat deze in het
bedrijfsafvalwater terecht komen,</al>
      <al>b. een gevaarlijke afvalstof is, waarvan kan worden voorkomen dat deze
in de riolering terecht komt, of</al>
      <al>c. stankoverlast buiten de inrichting veroorzaakt,</al>
      <al>wordt niet in een riolering gebracht.</al>
      <al>6.6. Onverminderd voorschrift 6.5, wordt bedrijfsafvalwater slechts in
een openbaar riool gebracht, indien door de samenstelling, eigenschappen of
hoeveelheid ervan:</al>
      <al>a. geen belemmering kan plaatsvinden van de doelmatige werking van een
openbaar riool, een door een bestuursorgaan beheerd zuiveringstechnisch werk
of de bij een zodanig openbaar riool of zuiveringstechnisch werk behorende
apparatuur,</al>
      <al>b. geen belemmering kan plaatsvinden van de verwerking van slib, verwijderd
uit een openbaar riool of een door een bestuursorgaan beheerd zuiveringstechnisch
werk, en</al>
      <al>c. de nadelige gevolgen voor de kwaliteit van het oppervlaktewater zoveel
mogelijk worden beperkt.</al>
      <al>Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen met betrekking tot de samenstelling,
eigenschappen of hoeveelheid van bedrijfsafvalwater dat in een openbaar riool
wordt gebracht met het oog op de doelmatige werking, bedoeld onder a, de verwerking,
bedoeld onder b, en de kwaliteit van het oppervlaktewater, bedoeld onder c.</al>
      <al>6.7. Voorschrift 6.6 is van overeenkomstige toepassing op bedrijfsafvalwater
dat wordt gebracht in een andere voorziening voor de inzameling en het transport
van afvalwater.</al>
      <al>6.8. Bedrijfsafvalwater wordt, voordat het in een voorziening voor inzameling
en transport van afvalwater wordt gebracht, door een doelmatige, goed toegankelijke
controlevoorziening geleid.</al>
      <al>6.9. Het composteren van afgedragen gewas en andere plantaardige afvalstoffen
dient plaats te vinden op ten minste 5 m van de erfafscheiding, op ten minste
5 m van de insteek van een sloot, op ten minste 100 m van een object categorie
I en op ten tenminste 50 m van een object categorie II of III. Voor het composteren
van afgedragen gewas en andere plantaardige afvalstoffen, dat reeds plaatsvond
voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit geldt dit voorschrift
met ingang van drie jaar na dat tijdstip.</al>
      <al>6.10. Voorschrift 6.9 is niet van toepassing op het composteren van afgedragen
gewas en andere plantaardige afvalstoffen, dat reeds plaatsvond voor het tijdstip
van inwerkingtreding van dit besluit en dat plaatsvindt op ten minste 25 m
van een object categorie I, II of III, indien verplaatsing van het composteren
redelijkerwijs niet kan worden gevergd. In dat geval kan het bevoegd gezag
nadere eisen stellen omtrent de omvang van de hoeveelheid te composteren materiaal,
de duur van het composteren en het afdekken van het te composteren materiaal,
die onder de gegeven omstandigheden de grootst mogelijke bescherming bieden
tegen de nadelige gevolgen voor het milieu die het composteren voor het milieu
kan veroorzaken en die redelijkerwijs kunnen worden gevergd. </al>
      <tuskop letat="vet">7. Bodembescherming</tuskop>
      <al>7.1. De voorschriften 7.2 tot en met 7.6 zijn van toepassing op het recirculeren
van overtollig drainwater bij substraatteelt door middel van het systeem van
onderbemaling.</al>
      <al>7.2. Recirculatie moet plaatsvinden door middel van een drainagestelsel
met verzamelput en afvoer naar een centrale opvang. Het systeem moet al het
drainwater kunnen verwerken.</al>
      <al>7.3. De drainagekokers moeten op een diepte liggen, die niet meer dan
25 cm verschilt van de gemiddelde grondwaterstand, maar niet lager dan 125
cm onder het maaiveld.</al>
      <al>7.4. De hoeveelheid drainwater moet op een representatief aantal plaatsen worden gemeten. Op basis hiervan wordt de totale drainwaterstroom
berekend.</al>
      <al>7.5. De hoeveelheid opgepompt water dient te worden geregistreerd.</al>
      <al>7.6. Van de berekende hoeveelheid drainwater en de opgepompte hoeveelheid
water dient 90% te worden gerecirculeerd.</al>
      <al>7.7. Het bewaren of composteren van afgedragen gewas of ander plantaardige
afvalstoffen en het bewaren van vaste meststoffen en gebruikt substraatmateriaal
dient te geschieden op een vloeistofdichte ondergrond met opstaande randen
of gelijkwaardige voorziening; de stapeling moet zodanig geschieden dat uitzakkend
vocht niet van de vloeistofdichte ondergrond kan vloeien. De bewaring van
dit vocht dient te geschieden in een vloeistofdichte opslagruimte. Voor het
bewaren gedurende ten hoogste vijf aaneengesloten dagen is het bovenstaande
niet van toepassing.</al>
      <al>7.8. Voorschrift 7.7 is van toepassing met ingang van drie jaar na het
tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit, indien het bewaren en composteren
reeds voor dat tijdstip plaatsvond, tenzij de in voorschrift 7.7 bedoelde
voorziening op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit voor de inrichting
reeds was voorgeschreven in een vergunning krachtens artikel 8.1 van de Wet
milieubeheer of in een verordening als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van
de Hinderwet. </al>
      <tuskop letat="vet">8. Geluidhinder</tuskop>
      <al>8.1. Het equivalente geluidsniveau (LAeq), veroorzaakt door de in de inrichting
vast opgestelde toestellen en installaties, mag ter plaatse van woningen van
derden, andere geluidgevoelige bestemmingen en – voor zover binnen een
afstand van 50 meter van de inrichting geen woningen van derden of geluidgevoelige
bestemmingen aanwezig zijn – op enig punt 50 meter van de inrichting,
niet meer bedragen dan het referentieniveau ter plaatse, met dien verstande
dat:</al>
      <al>a. het equivalente geluidsniveau (LAeq) niet meer mag bedragen dan:</al>
      <al>50 dB(A) tussen 06.00 en 19.00 uur;</al>
      <al>45 dB(A) tussen 19.00 en 23.00 uur;</al>
      <al>40 dB(A) tussen 23.00 en 06.00 uur;</al>
      <al>b. het equivalente geluidsniveau niet minder behoeft te bedragen dan:</al>
      <al>40 dB(A) tussen 06.00 en 19.00 uur;</al>
      <al>35 dB(A) tussen 19.00 en 23.00 uur;</al>
      <al>30 dB(A) tussen 23.00 en 06.00 uur.</al>
      <al>8.2. In afwijking van voorschrift 8.1 mag voor inrichtingen die zijn opgericht
vóór de datum waarop dit besluit op die inrichting van toepassing
wordt, het equivalente geluidsniveau (LAeq) niet meer bedragen dan:</al>
      <al>55 dB(A) tussen 06.00 en 19.00 uur;</al>
      <al>50 dB(A) tussen 19.00 en 23.00 uur;</al>
      <al>45 dB(A) tussen 23.00 en 06.00 uur;</al>
      <al>met dien verstande dat, indien ten behoeve van die inrichting een vergunning
krachtens artikel 8.1 van de Wet milieubeheer is verleend, het equivalente
geluidsniveau niet hoger mag zijn dan de waarde die is vastgelegd in de voor
die inrichting verleende vergunning of die met de in die vergunning verlangde
akoestische voorzieningen en in acht te nemen gedragsregels wordt bereikt;
dit geldt niet voor zover dat equivalente niveau hoger is dan de waarde, vermeld
in de aanhef van dit voorschrift, of lager is dan de waarde, vastgelegd in
voorschrift 8.1, onder b.</al>
      <al>Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen ten aanzien van de toelaatbare
equivalente geluidsniveaus betreffende de inrichting; dit niveau mag echter
niet hoger zijn dan het equivalente geluidsniveau, vermeld in de aanhef van
dit voorschrift, en niet lager dan het niveau, vastgelegd in voorschrift 8.1,
onder b; deze nadere eisen moeten onder de gegeven omstandigheden de grootst
mogelijke bescherming bieden tegen de nadelige gevolgen voor
het milieu, die de equivalente geluidsniveaus kunnen veroorzaken en moeten
redelijkerwijs gevergd kunnen worden.</al>
      <al>8.3. De in de voorschriften 8.1 en 8.2 gestelde equivalente geluidsniveaus
gelden niet voor grondstomen dat plaatsvindt door middel van een installatie
van derden waarbij redelijkerwijs niet kan worden gevergd dat die niveaus
niet worden overschreden. In dat geval kan het bevoegd gezag nadere eisen
stellen, die onder meer kunnen inhouden het vaststellen van de toelaatbare
equivalente geluidsniveaus, de periode gedurende welke het grondstomen mag
plaatsvinden en de locatie waar de installatie moet worden opgesteld en die
onder de gegeven omstandigheden de grootst mogelijke bescherming bieden tegen
de nadelige gevolgen die de installatie voor het grondstomen voor het milieu
kan veroorzaken en die redelijkerwijs kunnen worden gevergd.</al>
      <al>8.4. Onverminderd de voorschriften 8.1 en 8.2 mogen de piekwaarden (Lmax)
veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties,
en de daarin verrichte werkzaamheden niet meer bedragen dan:</al>
      <al>70 dB(A) tussen 06.00 en 19.00 uur;</al>
      <al>65 dB(A) tussen 19.00 en 23.00 uur;</al>
      <al>60 dB(A) tussen 23.00 en 06.00 uur.</al>
      <al>8.5. De in voorschrift 8.4 gestelde piekwaarden gelden niet voor:</al>
      <al>a. laden en lossen tussen 19.00 en 06.00 uur ten behoeve van de afvoer
van tuinbouwprodukten door middel van groepsvervoer, voor zover dit niet meer
dan eenmaal in deze periode plaats vindt;</al>
      <al>b. laden en lossen tussen 06.00 en 19.00 uur;</al>
      <al>c. laden en lossen, anders dan bedoeld onder a en b, indien redelijkerwijs
niet kan worden gevergd dat de piekwaarden niet worden overschreden.</al>
      <al>In een geval als bedoeld onder c kan het bevoegd gezag nadere eisen stellen,
die onder de gegeven omstandigheden de grootst mogelijke bescherming bieden
tegen de nadelige gevolgen die het laden en lossen voor het milieu kunnen
veroorzaken, die redelijkerwijs kunnen gevergd en die onder meer kunnen inhouden
het vaststellen van de toelaatbare piekwaarden, het bepalen van een periode
gedurende welke het laden en lossen niet mag plaatsvinden, het aanwijzen van
een binnen het tuinbouwbedrijf met bedekte teelt gelegen plaats waar het laden
en lossen dient plaats te vinden, of het aanwijzen van een route die door
het af- en aanrijdend verkeer van en naar het tuinbouwbedrijf met bedekte
teelt moet worden aangehouden.</al>
      <al>8.6. Op zondagen en algemeen erkende feestdagen gelden voor de toepassing
van de voorschriften 8.1, 8.2 en 8.4 tussen 06.00 en 19.00 uur de niveaus
van de periode tussen 19.00 en 23.00 uur.</al>
      <al>8.7. De controle op of berekening van het ingevolge voorschrift 8.1, 8.2,
8.3, 8.4 of 8.6 geldende geluidsniveau, geschiedt overeenkomstig de Handleiding
meten en rekenen industrielawaai, IL-HR-13–01, van maart 1981, uitgegeven
door het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.
Ook de beoordeling van de meetresultaten vindt overeenkomstig deze handleiding
plaats.</al>
      <al>8.8. Indien metingen ter plaatse van de in voorschrift 8.1 bedoelde woningen
of andere geluidgevoelige bestemmingen dan wel op de in dat voorschrift bedoelde
afstand niet mogelijk zijn vanwege stoorgeluidsniveaus, kan het bevoegd gezag
nadere eisen stellen, inhoudende de vaststelling van referentiepunten waar
metingen moeten worden verricht.</al>
      <al>Daarbij kan het bevoegd gezag geluidsniveaus vaststellen, die zijn afgeleid
van de in de voorschriften 8.1, 8.2, 8.3, 8.4 en 8.6 genoemde niveaus.</al>
      <al>8.9. Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen ten aanzien van de voorzieningen
die binnen de inrichting moeten worden aangebracht en de gedragsregels
die in acht moeten worden genomen teneinde aan de voorschriften 8.1, 8.2,
8.3, 8.4 en 8.6 te voldoen. </al>
      <tuskop letat="vet">9. Lichthinder</tuskop>
      <al>9.1. De gevel van een glasopstand waarin assimilatiebelichting wordt toegepast,
dient te zijn afgeschermd op een zodanige wijze dat de lichtuitstraling op
een afstand van ten hoogste 10 meter van die gevel met ten minste 95 % wordt
gereduceerd en de gebruikte lampen buiten de inrichting niet zichtbaar zijn.
Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen, inhoudende dat de lichtuitstraling
direct aan de gevel wordt afgeschermd.</al>
      <al>9.2. Voorschrift 9.1 is niet van toepassing indien door de aanwezigheid
van een object of voorziening binnen 10 m afstand van een gevel van een glasopstand,
waarin assimilatiebelichting wordt toegepast de lichtuitstraling naar de verdere
omgeving, voor ten minste 95% wordt gereduceerd. Het bevoegd gezag kan daaromtrent
nadere eisen stellen.</al>
      <al>9.3. Voorschrift 9.1 is niet van toepassing op een glasopstand waarin
reeds voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit assimilatiebelichting
werd toegepast, indien zijafscherming naar het oordeel van het bevoegd gezag
redelijkerwijze niet kan worden aangebracht. In dat geval kan het bevoegd
gezag nadere eisen stellen, inhoudende dat daarbij aangegeven voorzieningen
dienen te worden aangebracht dan wel maatregelen moeten worden getroffen die
onder de gegeven omstandigheden de grootst mogelijke bescherming bieden tegen
de nadelige gevolgen die de assimilatiebelichting voor het milieu kan veroorzaken
en die redelijkerwijs kunnen worden gevergd. Indien dergelijke voorzieningen
of maatregelen redelijkerwijze niet mogelijk zijn, wordt de constructie van
de glasopstand binnen drie jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit
besluit op zodanige wijze aangepast dat het aanbrengen van voorzieningen dan
wel het treffen van maatregelen mogelijk wordt.</al>
      <al>9.4. De voorschriften 9.1, 9.2 en 9.3 gelden vanaf het tijdstip van zonsondergang
tot het tijdstip van zonsopgang. Indien zich binnen 50 m afstand van een glasopstand
waarin assimilatiebelichting wordt toegepast, een object categorie I, of binnen
25 m afstand een object categorie II of III bevindt, kan het bevoegd gezag
nadere eisen stellen, inhoudende dat voorschrift 9.1, onderscheidenlijk voorschrift
9.2, op elk moment waarop de assimilatiebelichting in werking is, geldt voor
de gevel die is gekeerd naar het bedoelde object.</al>
      <al>9.5. In de periode vanaf 1 september tot 1 mei is de toepassing van assimilatiebelichting
vanaf 20.00 tot 24.00 uur niet toegestaan.</al>
      <al>9.6. Het in voorschrift 9.5 gestelde verbod is niet van toepassing indien
redelijkerwijs niet kan worden gevergd dat in de in dat voorschrift aangegeven
periode gedurende de daarin genoemde uren geen assimilatiebelichting wordt
toegepast. In dat geval kan het bevoegd gezag nadere eisen stellen, die onder
de gegeven omstandigheden de grootst mogelijke bescherming bieden tegen de
nadelige gevolgen die assimilatiebelichting voor het milieu kan veroorzaken
en die redelijkerwijs kunnen worden gevergd, inhoudende:</al>
      <al>– het verbod van de toepassing van assimilatiebelichting gedurende
een aaneengesloten periode van vier uur tussen 19.00 en 02.00 uur, dan wel</al>
      <al>– de verplichting tot het aanbrengen van een voorziening aan de
bovenzijde van de glasopstand, die de lichtuitstraling ten minste 95% reduceert,
dan wel</al>
      <al>– het vaststellen van een periode tussen 1 september en 1 mei, gedurende
welke het verboden is vanaf 20.00 tot 24.00 uur assimilatiebelichting toe
te passen, met dien verstande dat gedurende ten minste 10 aaneengesloten weken
tijdens genoemde uren assimilatiebelichting wordt toegestaan.  </al>
      <tuskop letat="vet">10. Gebruik van vorkheftrucks</tuskop>
      <al>10.1. Een verbrandingsmotor van een vorkheftruck moet zodanig zijn afgesteld
dat de uitlaatgassen nagenoeg roet- en rookloos zijn. De verbrandingsmotor
moet zijn voorzien van een doelmatige geluiddemper in de uitlaat.</al>
      <al>10.2. De ruimte waarin accumulatorenbatterijen van elektrische vorkheftrucks
worden geladen, moet op de buitenlucht zijn geventileerd. De vloer van de
ruimte dient vloeistofdicht te zijn en bestand tegen accuzuur.</al>
      <al>10.3. Tijdens het laden van een accumulatorenbatterij mag binnen 2 m van
de opstelplaats van de accumulatorenbatterij niet worden gerookt en mag geen
open vuur aanwezig zijn. Dit moet met het pictogram «Vuur, open vlam
en roken verboden» zijn aangegeven. Dit gevarensymbool moet zijn uitgevoerd
overeenkomstig het Besluit veiligheids- en gezondheidssignalering.</al>
      <al>10.4. Een oplaadinstallatie moet zodanig ten opzichte van de accumulatorenbatterij
zijn geplaatst dat zich in de oplaadinstallatie geen waterstofgas kan verzamelen.
Tevens moet de oplaadinstallatie zijn geaard.</al>
      <al>10.5. Een oplaadinstallatie en een accumulatorenbatterij moeten overzichtelijk
zijn opgesteld en te allen tijde goed bereikbaar zijn.</al>
      <al>10.6. Het bijvullen van een brandstofreservoir van een heftruck met benzine
mag uitsluitend in de buitenlucht plaatsvinden.</al>
      <al>10.7. Het verwisselen van het brandstofreservoir van een vorkheftruck
met een LPG-gestookte verbrandingsmotor mag alleen in de buitenlucht geschieden.
Het is verboden een LPG-reservoir in de inrichting te vullen.</al>
      <al>10.8. Indien het LPG-brandstofreservoir verwisselbaar is, moet het deugdelijk
aan de heftruck zijn bevestigd; er moeten voldoende en in elk geval twee passende
klemmen of beugels permanent aan de heftruck zijn bevestigd.</al>
      <al>10.9. De klemmen en beugels waarmee het LPG-brandstofreservoir is bevestigd,
moeten evenals de delen van de heftruck, die als ondersteuning dienen van
het LPG-brandstofreservoir, zodanig met vilt, leer of kunststof zijn bekleed,
dat het LPG-brandstofreservoir de heftruck niet metallisch raakt. De juiste
stand van het LPG-brandstofreservoir moet op het LPG-brandstofreservoir door
middel van een onuitwisbaar merkteken zijn aangegeven.</al>
      <al>10.10. Het LPG-brandstofreservoir, de daarop bevestigde appendages en
de bijbehorende leidingen moeten zodanig zijn aangebracht, dat deze zo goed
mogelijk tegen aanrijding zijn beschermd en niet door het laden of het verschuiven
van de lading kunnen worden beschadigd.</al>
      <al>10.11. De op het LPG-brandstofreservoir bevestigde appendages en de daarbij
behorende leidingen moeten onder alle omstandigheden gemakkelijk bereikbaar
zijn, eventueel na het openen van het deksel van een appendagekast of na het
wegnemen van een beschermkap.</al>
      <al>10.12. Het LPG-brandstofreservoir moet zijn goedgekeurd door de Dienst
voor het Stoomwezen of door een namens die dienst erkende deskundige; ten
bewijs daarvan moet het LPG-brandstofreservoir zijn voorzien van een stempelplaat,
waarin de volgende gegevens duidelijk leesbaar zijn ingeslagen:</al>
      <al>a. het nummer van het LPG-brandstofreservoir;</al>
      <al>b. de waterinhoud in liters;</al>
      <al>c. de werk en persdruk;</al>
      <al>d. de vullingsgraad en de keuringsdatum met het bijbehorende stempel.</al>
      <al>10.13. Een LPG-brandstofreservoir waarvan de goedkeuring door de Dienst
voor het Stoomwezen of een door die dienst erkende deskundige niet of blijkens
de ingeponste datum meer dan 10 jaar geleden heeft plaatsgevonden, mag niet
in de inrichting aanwezig zijn. </al>
      <al>10.14. Het LPG-brandstofreservoir mag voor ten hoogste 80% met vloeistof
zijn gevuld.</al>
      <al>10.15. Een beschadigd en/of lek LPG-brandstofreservoir moet onmiddellijk
in de buitenlucht worden gebracht en worden gemerkt met het woord «DEFECT»,
onderscheidenlijk «LEK»; voorts dienen de nodige maatregelen te
worden getroffen om brand- en ontploffingsgevaar te voorkomen; van een en
ander moet de plaatselijke brandweer terstond in kennis worden gesteld; het
personeel moet hieromtrent zijn geïnstrueerd; een beschadigd of lek LPG-brandstofreservoir
moet ten spoedigste aan de leverancier worden teruggezonden.</al>
      <al>10.16. De appendages moeten zijn gekeurd door de Dienst van het Stoomwezen.
In verband hiermee dienen de verdamper/drukregelaar, onderscheidenlijk de
drukregelaar, van de volgende, duidelijk zichtbare, aanduidingen zijn voorzien:</al>
      <al>a. het keur- of inschrijvingsmerk van de Dienst voor het Stoomwezen;</al>
      <al>b. de hoogst toegestane druk in kPa;</al>
      <al>c. de naam van de fabrikant of fabrieksmerk.</al>
      <al>10.17. De verdamper/drukregelaar, onderscheidenlijk drukregelaar, moet
op een veilige plaats en trillingvrij zijn bevestigd. </al>
      <tuskop letat="vet">11. Bewaren van LPG-wisselreservoirs voor de aandrijving
van transportmiddelen</tuskop>
      <al>11.1. LPG-wisselreservoirs waarvan de goedkeuring door de Dienst voor
het Stoomwezen, een door die dienst erkende deskundige of een ingevolge de
EEG-kaderrichtlijn 76-167-EEG aangewezen instantie niet of blijkens de ingeponste
datum niet tijdig heeft plaatsgevonden, mogen niet in de inrichting aanwezig
zijn. De beproeving moet periodiek zijn herhaald overeenkomstig de termijnen
die zijn aangegeven in het VLG.</al>
      <al>11.2. Indien op het open terrein van de inrichting, dan wel per verdieping
of deel van een gebouw, dat is gescheiden van de rest van het gebouw door
wanden, vloeren of plafonds met een weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag
van tenminste 60 minuten, meer dan 2 LPG-wisselreservoirs aanwezig zijn, moeten
de LPG-wisselreservoirs worden bewaard of zijn opgesteld in een kast, een
kluis, een opslaggebouw of een open opslag- of opstelplaats, overeenkomstig
de bepalingen van de concept-publicatie CP 16-3 (laboratoria, samengeperste,
opgeloste of tot vloeistof verdichte gassen), uitgave 1989, van het Directoraat-Generaal
van de Arbeid. Hiervan zijn uitgezonderd LPG-wisselreservoirs die als brandstofreservoirs
op een vorkheftruck of motorvoertuig zijn gemonteerd.</al>
      <al>11.3. De uitvoering van de in voorschrift 11.2 bedoelde opslag- of opstelplaatsen,
alsmede het bewaren van de in deze opslag- of opstelplaatsen aanwezige LPG-wisselreservoirs,
moet geschieden overeenkomstig de bepalingen van de concept-publicatie CP
16-3, getiteld laboratoria, samengeperste, opgeloste of tot vloeistof verdichte
gassen, uitgave 1989, van het Directoraat-Generaal van de Arbeid. </al>
      <tuskop letat="vet">12. Gasdrukregel- en meetinstallaties en met aardgas gestookte
installaties</tuskop>
      <al>12.1. Voor zover in deze bijlage niet anders is bepaald, moeten de uitvoering
van een gasdrukregel- en meetinstallatie en die van een aardgasinstallatie
als gedefinieerd in NEN 1078 en NEN 2078, alsmede die van de ruimten waarin
een dergelijke installatie is opgesteld, voldoen aan de Model Aansluitvoorwaarden
Gas 1994 van EnergieNed, uitgave 1994.  </al>
      <tuskop letat="vet">13. Gedragsvoorschriften</tuskop>
      <al>13.1. De inrichting moet schoon worden gehouden en moet in goede staat
van onderhoud verkeren.</al>
      <al>13.2. Het aantrekken van ongewenste insekten, knaagdieren en ander ongedierte
moet zoveel mogelijk worden voorkomen. Zo vaak de omstandigheden daartoe aanleiding
geven, moet doelmatige bestrijding van ongewenste insekten, knaagdieren en
ander ongedierte plaatsvinden.</al>
      <al>13.3. Buiten gebruik gestelde installaties, toestellen en tanks dienen
op gezette tijden uit de inrichting te worden afgevoerd.</al>
      <al>13.4. Het gebruik als brandstof van afgewerkte olie in de zin van het
Besluit aanwijzing gevaarlijke afvalstoffen alsmede het gebruik van andere
afvaloliën is niet toegestaan. </al>
      <tuskop letat="vet">14. Brandbestrijding</tuskop>
      <al>14.1. Teneinde een begin van brand effectief te kunnen bestrijden, moeten
brandblusmiddelen of brandbestrijdingsinstallaties aanwezig zijn. Het bevoegd
gezag kan ten aanzien van de aard, de capaciteit, het aantal en de plaats
van brandblusmiddelen of brandbestrijdingsinstallaties nadere eisen stellen.</al>
      <al>14.2. Brandblusmiddelen moeten steeds voor onmiddellijk gebruik beschikbaar
zijn en onbelemmerd kunnen worden bereikt.</al>
      <al>Draagbare blustoestellen, slanghaspels en andere brandblusmiddelen of
brandbestrijdingsinstallaties moeten jaarlijks door een deskundige worden
gecontroleerd op hun deugdelijkheid. Het onderhoud van draagbare blustoestellen
moet overeenkomstig NEN 2559 geschieden. Brandslanghaspels moeten voldoen
aan NEN 3211.</al>
      <al>14.3. Draagbare blustoestellen moeten zijn voorzien van een rijkskeurmerk
met rangnummer. </al>
      <tuskop letat="vet">15. Meet- en registratieverplichtingen</tuskop>
      <al>15.1. Indien in deze bijlage is bepaald dat degene die de inrichting drijft,
verplicht is metingen, keuringen en controles aan installaties of installatie-onderdelen
te verrichten of te doen verrichten, moeten de resultaten daarvan ten minste
tot aan het beschikbaar zijn van de resultaten van de eerstvolgende meting,
keuring of controle in de inrichting worden bewaard en ter inzage worden gehouden
voor het bevoegd gezag, tenzij in deze bijlage anders is bepaald. </al>
      <tuskop letat="vet">16. Bewaren van K1-, K2- en K3-vloeistoffen en chemicaliën
in emballage</tuskop>
      <al>16.1. De verpakking van K1-, K2- en K3-vloeistoffen en van andere chemicaliën
moet dicht zijn, geschikt voor de desbetreffende stof en voldoende sterk.
Bewaring van voornoemde stoffen is niet toegestaan in trappenhuizen van gebouwen
en op plaatsen die kunnen dienen als vluchtweg in geval van brand of anderszins.</al>
      <al>16.2. In de inrichting mogen niet meer K1-, K2- en K3-vloeistoffen en
andere chemicaliën aanwezig zijn dan voor een goede bedrijfsvoering noodzakelijk
is.</al>
      <al>16.3. De bewaring van gevaarlijke stoffen in een emballage van meer dan
25 kg of 25 liter dient plaats te vinden overeenkomstig richtlijn 15-1 van
de Commissie Preventie van Rampen door gevaarlijke stoffen (CPR), getiteld
Opslag gevaarlijke stoffen in emballage, van toepassing.  </al>
      <tuskop letat="vet">17. Gebruik van gasflessen</tuskop>
      <al>17.1. Gasflessen waarvan de goedkeuring door de Dienst voor het Stoomwezen,
een door die dienst geaccepteerde deskundige of een ingevolge de EEG-kaderrichtlijn
76/767/EEG alsmede de daarop berustende bijzondere richtlijnen 84/525/EEG,
84/526/EEG en 84/527/EEG aangewezen instantie niet of blijkens de ingeponste
datum niet tijdig heeft plaatsgevonden, mogen niet in de inrichting aanwezig
zijn. De beproeving van gasflessen moet periodiek zijn herhaald overeenkomstig
de termijnen, aangegeven in het VLG.</al>
      <al>17.2. Gasflessen mogen slechts zijn gevuld met het gas waarvoor zij zijn
beproefd en waarvan de naam op de fles is aangebracht. Het voorhanden hebben
en het gebruik van gasflessen die zijn gevuld met LPG, is verboden, evenals
het voorhanden hebben en het gebruik van vloeibaar gas in LPG anders dan voor
de tractie van motorvoertuigen.</al>
      <al>17.3. Gasflessen moeten steeds gemakkelijk bereikbaar zijn en beveiligd
zijn tegen omvallen en mogen niet in de onmiddellijke nabijheid van andere
brandgevaarlijke stoffen zijn opgesteld.</al>
      <al>17.4. Niet aan een vaste plaats gebonden gasflessen moeten buiten werktijd
op een vaste, in overeenstemming met de plaatselijke brandweer nader te bepalen
plaats ondergebracht zijn. Aan een vaste plaats gebonden gasflessen moeten
bij de plaatselijke brandweer bekend zijn.</al>
      <al>17.5. In de inrichting mogen niet meer gasflessen aanwezig zijn, dan voor
een goede bedrijfsvoering noodzakelijk is. </al>
      <tuskop letat="vet">18. Opslaan van vloeibare kooldioxide in reservoirs</tuskop>
      <al>18.1. In de voorschriften 18.2 tot en met 18.39 wordt verstaan onder:</al>
      <al>reservoir: een reservoir waarin vloeibare kooldioxide wordt opgeslagen;</al>
      <al>installatie: een reservoir, de daarop aangebrachte appendages en de bijbehorende
leidingen.</al>
      <al>18.2. De voorschriften 18.3 tot en met 18.39 zijn van toepassing op reservoirs
die zijn bestemd voor de opslag van vloeibare kooldioxide.</al>
      <al>18.3. Een reservoir mag niet voor andere doeleinden worden gebruikt dan
voor het opslaan van vloeibare kooldioxide.</al>
      <al>18.4. Een reservoir moet in de open lucht zijn geplaatst, zo dat bij lekkage
vrijkomende kooldioxide zich niet kan ophopen.</al>
      <al>18.5. Een hoge-drukreservoir waarin vloeibare kooldioxide niet gekoeld
wordt opgeslagen, moet bestand zijn tegen een beproevingsdruk van ten minste
13 MPa.</al>
      <al>18.6. Een reservoir waarin vloeibare kooldioxide gekoeld wordt opgeslagen,
moet goed zijn geïsoleerd.</al>
      <al>18.7. Een reservoir waarin vloeibare kooldioxide gekoeld wordt opgeslagen,
moet bestand zijn tegen een beproevingsdruk van ten minste 2,2 MPa.</al>
      <al>18.8. Een vacuüm geïsoleerd reservoir waarin vloeibare kooldioxide
gekoeld wordt opgeslagen, moet bestand zijn tegen een beproevingsdruk van
ten minste 3 MPa.</al>
      <al>18.9. Een reservoir moet blijkens zijn constructie speciaal voor de opslag
van vloeibare kooldioxide zijn bestemd. Alle onderdelen van de installatie
moeten bestand zijn tegen de drukken en temperaturen, die kunnen optreden.</al>
      <al>18.10. Het vacuümvat (buitenvat) van een vacuüm geïsoleerd
reservoir waarin vloeibare kooldioxide gekoeld wordt opgeslagen, moet van
een zodanige dichtheid zijn dat het vereiste vacuüm van het vat behouden
blijft.</al>
      <al>18.11. De vacuümruimte van een reservoir moet beveiligd zijn tegen
overdruk.</al>
      <al>18.12. Elk onderdeel van een installatie moet zijn vervaardigd van materiaal dat bestand is tegen de laagste temperatuur waaraan het
kan worden blootgesteld.</al>
      <al>18.13. Een reservoir moet zijn voorzien van ten minste één
deugdelijk veiligheidstoestel dat in directe verbinding staat met de dampruimte
van het reservoir. Bij gebruik van meer dan één veiligheidstoestel
moeten de toestellen zodanig zijn gekoppeld dat er altijd een veiligheidstoestel
in directe verbinding staat met de dampruimte.</al>
      <al>18.14. Een veiligheidstoestel moet openen wanneer de toelaatbare bedrijfsdruk
wordt overschreden.</al>
      <al>18.15. Een veiligheidstoestel en de bijbehorende aanvoer- en afvoerleidingen
moeten een zodanige doorlaat hebben, dat de druk in het reservoir niet meer
dan 10% boven de toelaatbare bedrijfsdruk kan stijgen.</al>
      <al>18.16. Een reservoir moet zijn voorzien van een deugdelijke manometer,
die ten minste een druk kan aanwijzen die 25% hoger is dan de toelaatbare
bedrijfsdruk van het reservoir.</al>
      <al>18.17. Een reservoir moet zijn voorzien van deugdelijke apparatuur waarmee
kan worden gemeten welke hoeveelheid vloeibare kooldioxide daarin is opgeslagen.</al>
      <al>18.18. Een reservoir moet zijn goedgekeurd door de Dienst voor het Stoomwezen
of door een door die dienst erkende deskundige. Ten bewijze daarvan dient
het reservoir te zijn voorzien van een stempelplaat, waarin duidelijk zichtbaar
de volgende gegevens zijn ingeslagen:</al>
      <al>a. het nummer van het reservoir;</al>
      <al>b. de gassoort;</al>
      <al>c. de waterinhoud in liters;</al>
      <al>d. de maximaal toelaatbare vullingsgraad;</al>
      <al>e. de werk- en beproevingsdruk;</al>
      <al>f. het jaar van de eerste beproeving;</al>
      <al>g. het jaar van de laatste beproeving;</al>
      <al>h. het waarmerk van de Dienst voor het Stoomwezen of een door deze dienst
erkend waarmerk.</al>
      <al>18.19. Een reservoir waarvan de goedkeuring door de Dienst van het Stoomwezen
of door een door deze dienst erkende deskundige niet of blijkens de ingeslagen
datum meer dan zes jaar geleden heeft plaatsgevonden, mag niet meer worden
gebruikt.</al>
      <al>18.20. De stijfheid en de sterkte van de ondersteuningsconstructie van
een reservoir moeten voldoende zijn om schadelijke vervorming van het reservoir
als gevolg van verzakking van de steunpunten of van weersinvloeden te voorkomen.</al>
      <al>18.21. Voor het in gebruik nemen van een installatie en binnen vier weken
na elke herkeuring daarvan dient door degene die het tuinbouwbedrijf met bedekte
teelt drijft, een afschrift van het door de Dienst voor het Stoomwezen afgegeven
beproevingsrapport aan het bevoegd gezag te zijn overgelegd.</al>
      <al>18.22. Het uitwendige van een installatie moet deugdelijk tegen corrosie
zijn beschermd.</al>
      <al>18.23. Leidingen moeten waar mogelijk bovengronds zijn gelegd. Ondergrondse
leidingen moeten zijn beschermd tegen corrosie en belasting door het verkeer.</al>
      <al>18.24. Leidingen moeten lekvrij zijn verbonden door een deugdelijke koppeling,
door lassen of door hardsolderen.</al>
      <al>18.25. Alle onderdelen van een installatie moeten zodanig zijn uitgevoerd
dat er geen ontoelaatbare spanningen ten gevolgen van verzakkingen of temperatuurverschillen
kunnen ontstaan.</al>
      <al>18.26. Een leidinggedeelte tussen twee afsluiters, waarin door het opsluiten
van vloeibaar gas een ontoelaatbare drukverhoging kan ontstaan, moet zijn
voorzien van een drukontlastklep.</al>
      <al>18.27. In de vloeistof- of gasafnameleiding moet zo dicht mogelijk bij
het reservoir een afsluiter aanwezig zijn. </al>
      <al>18.28. Leidingen moeten zodanig zijn geconstrueerd en ingericht, dat de
werking van de verdamper de druk in het reservoir niet boven de werkdruk kan
doen stijgen.</al>
      <al>18.29. De aansluitkoppeling van de vulleiding van een reservoir moet deugdelijk
zijn ondersteund en speciaal voor kooldioxide bestemd zijn.</al>
      <al>18.30. Een vulslang voor het vullen van een reservoir alsmede de bijbehorende
koppelingen moeten van een deugdelijke constructie zijn en bestand zijn tegen
kooldioxide. Zij moeten ten minste eenmaal per jaar op deugdelijkheid worden
gecontroleerd en op 3000 kPa worden beproefd.</al>
      <al>18.31. Bij het vullen van het reservoir mag de maximaal toelaatbare vullingsgraad
niet worden overschreden.</al>
      <al>18.32. Voor het bedienen van een installatie en het toezicht tijdens het
vullen van het reservoir moeten één of meer personen zijn aangewezen,
die voldoende geïnstrueerd zijn omtrent de bediening onder normale omstandigheden
en de te treffen maatregelen bij bijzondere omstandigheden.</al>
      <al>18.33. Een installatie moet aan alle zijden worden vrijgehouden en toegankelijk
zijn.</al>
      <al>18.34. Indien een installatie zich bevindt op een terrein dat vrij toegankelijk
is, dient op ten minste 1 meter afstand van het reservoir een deugdelijk hekwerk
van metaalgaas met een hoogte van ten minste 2 m aanwezig zijn, zodat onbevoegden
niet bij de installatie kunnen komen. Op de buitenzijde van het hekwerk moet
het opschrift «VERBODEN VOOR ONBEVOEGDEN, KOOLDIOXIDE» zijn aangebracht.</al>
      <al>18.35. Het terreingedeelte binnen het in voorschrift 18.34 bedoelde hekwerk
moet zich ten minste op het peil van het omliggende terrein bevinden. De bodemafwerking
moet zijn uitgevoerd in beton, betonplaten, asfalt of een andere voldoende
stevige bestrating.</al>
      <al>18.36. Een installatie moet voldoende tegen aanrijding zijn beschermd
door een deugdelijk remmingwerk dan wel een deugdelijke vangrailconstructie.</al>
      <al>18.37. Reparaties aan een installatie mogen alleen worden uitgevoerd door
ter zake kundige personen.</al>
      <al>18.38. Een reservoir met een waterinhoud van meer dan 10 000 l dient
te zijn geplaatst op ten minste 25 m afstand van een object categorie I, II
of III. Voor een reservoir dat reeds aanwezig was voor het tijdstip van inwerkingtreding
van dit besluit, geldt dit voorschrift met ingang van drie jaar na dat tijdstip.</al>
      <al>18.39. Voorschrift 18.38 is niet van toepassing op een reservoir, dat
reeds aanwezig was voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit
en dat is gelegen op ten minste 10 m afstand van een object categorie I, II
of III, indien verplaatsing van het reservoir redelijkerwijs niet kan worden
gevergd. In dat geval kan het bevoegd gezag nadere eisen stellen, inhoudende
de verplichting tot het aanbrengen van een beschermende voorziening tussen
het reservoir en het nabijgelegen object, die onder de gegeven omstandigheden
de grootst mogelijke bescherming bieden tegen de nadelige gevolgen die de
opslag van vloeibare kooldioxide voor het milieu kan veroorzaken en die redelijkerwijs
kan worden gevergd. </al>
      <tuskop letat="vet">19. Opslaan van gasolie, lichte stookolie, dieselolie
en petroleum in bovengrondse tanks met een inhoud van meer dan 200 liter </tuskop>
      <tuskop letat="cur">19.1. Buitenopslag</tuskop>
      <al>19.1.1. Het opslaan in een bovengrondse tank van gasolie, lichte stookolie
en dieselolie dient plaats te vinden overeenkomstig richtlijn CPR 9–6
van de Commissie Preventie van Rampen door gevaarlijke stoffen (CPR), getiteld
Vloeibare aardolieprodukten; buitenopslag van K3-produkten in bovengrondse
tanks (0,2 tot 150 m<sup>3</sup>), dan wel de door Onze Minister
aangewezen richtlijn van de CPR, die op dit onderwerp betrekking heeft.</al>
      <al>19.1.2. Het opslaan van petroleum in een bovengrondse tank dient plaats
te vinden op dezelfde wijze als in voorschrift 19.1.1 is aangegeven voor gasolie,
lichte stookolie en dieselolie.</al>
      <al>19.1.3. De artikelen 5.1.2, 5.1.5, 5.2.6, 5.2.10 en 5.3.1 van de in voorschrift
19.1.1 bedoelde richtlijn gelden niet voor een bovengrondse tank die reeds
was opgericht voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit. </al>
      <tuskop letat="cur">19.2. Binnenopslag</tuskop>
      <al>19.2.1. Het opslaan in een bovengrondse tank die in een gebouw is geplaatst,
mag niet meer bedragen dan 15 000 liter en is slechts toegestaan voor
K3-vloeistoffen. De plaatsing van de tank dient zodanig te zijn, dat geen
ontoelaatbare nadelige gevolgen voor het milieu kunnen worden veroorzaakt.
Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen betreffende de plaatsing van de
tank. De ontluchtingsleiding van de tank dient in de buitenlucht uit te monden.
Voor het overige zijn de voorschriften 19.1.1, 19.1.2 en 19.1.3 van overeenkomstige
toepassing. </al>
      <tuskop letat="vet">20. Afleverpompen voor motorbrandstoffen</tuskop>
      <al>20.1. Een elektrische pomp ten behoeve van de aflevering van motorbrandstoffen
moet in de buitenlucht zijn opgesteld.</al>
      <al>20.2. Een pomp moet zodanig zijn geplaatst en de afleverslang moet zodanig
zijn bemeten dat de aflevering aan een voertuig nimmer kan plaatsvinden binnen
1 m afstand van een ondergrondse tank.</al>
      <al>20.3. Een pomp moet zodanig zijn ingericht dat hetzij slechts gedurende
een daartoe strekkende opzettelijke bediening van de vul-afsluiter vloeistof
uit de pomp kan stromen, hetzij de aflevering van vloeistof automatisch stopt
als het reservoir waaraan wordt afgeleverd, vrijwel is gevuld. In het laatste
geval moeten aan de vulafsluiter voorzieningen zijn getroffen, waardoor deze
sluit bij een lichte schok.</al>
      <al>20.4. Indien geen toezicht wordt gehouden, moet een pomp zijn afgesloten
zo dat onbevoegden deze niet in werking kunnen stellen.</al>
      <al>20.5. Bij het plotseling sluiten van de vulafsluiter moet een eventueel
optredende drukstoot kunnen worden opgevangen.</al>
      <al>20.6. De elektrische installatie in en aan de pomp moet voldoen aan de
voorschriften voor elektrische installaties in ruimten met gasontploffingsgevaar,
NEN 3410. Deze voorschriften zijn niet van toepassing met betrekking tot het
bovenste deel van de pompkast, waarin het telwerk is aangebracht, mits zich
in dat deel geen leidingen of onderdelen met vloeistof bevinden, die bij lekkage
gevaar kunnen opleveren.</al>
      <al>Voor de elektrische installatie van het in het voorgaande bedoelde bovenste
deel van de pompkast geldt, dat het elektrisch materiaal bij normaal bedrijf
geen vonkende delen, noch delen met een temperatuur die gevaar voor ontploffing
kan opleveren, mag bezitten.</al>
      <al>20.7. Op de hoofdschakelaar waarmee de elektrische installatie in en aan
de pompkast kan worden uitgeschakeld, moeten de schakelstanden duidelijk zijn
aangegeven. Bij deze schakelaar moet duidelijk zichtbaar zijn vermeld, dat
deze dient voor de pomp.</al>
      <al>20.8. Behalve de in voorschrift 20.7 bedoelde hoofdschakelaar moet voor
het in- en uitschakelen van de elektromotor van een pomp bovendien in of aan
de pompkast een schakelaar zijn aangebracht.</al>
      <al>20.9. Aan de pompkast van een elektrische pomp mogen geen wandcontactdozen
zijn aangebracht; aan de vulafsluiter of aan de afleverslang mag geen elektrische
schakelaar aanwezig zijn.</al>
      <al>20.10. De pompkast van een elektrische pomp moet voldoende zijn geventileerd;
de uitsparing in de pompkast, waarin de vulafsluiter van de afleverslang
in ruststand wordt geborgen, moet gasdicht van het inwendige van de pompkast
zijn afgesloten.</al>
      <al>20.11. Het afleveren van vloeistof is verboden, indien daarbij wordt gerookt
of enigerlei vuur of open kunstlicht aanwezig is, of de motor van het voertuig
waaraan de vloeistof wordt afgeleverd, in werking is.</al>
      <al>20.12. Op of bij een pomp moet met duidelijk leesbare letters het opschrift
zijn aangebracht: «VOERTUIGMOTOR AFZETTEN, ROKEN EN VUUR VERBODEN».</al>
      <al>20.13. Nabij een pomp moet een draagbare poederblusser aanwezig zijn met
een inhoud van ten minste 6 kg of een ander geschikt blusmiddel met eenzelfde
bluscapaciteit.</al>
      <al>20.14. De afleverinstallatie, de pomp en de leidingen dienen goed te worden
onderhouden. Het afleveren van motorbrandstoffen en het ophangen van de afleverslang
dient zodanig te geschieden, dat geen verontreiniging van de bodem kan plaatsvinden. </al>
      <tuskop letat="vet">21. Opslaan van afgewerkte olie</tuskop>
      <al>21.1. Het vaatwerk voor de bewaring van afgewerkte olie dient te zijn
geplaatst in een vloeistofdichte lekbak, die een opnamecapaciteit heeft van
ten minste de inhoud van het grootste vat, vermeerderd met 10% van de gezamenlijke
inhoud van de overige vaten; er moeten voorzieningen zijn getroffen om te
voorkomen dat regenwater in de lekbak kan geraken.</al>
      <al>21.2. Het opslaan van afgewerkte olie in een of meer tanks met een gezamenlijke
inhoud van meer dan 400 l, mag alleen geschieden in daarvoor speciaal bestemde
dubbelwandige tanks of stalen tanks met stalen opvangbak. Op dit opslaan zijn
de voorschriften 19.1.1, 19.1.2 en 19.1.3 van overeenkomstige toepassing. </al>
      <tuskop letat="vet">22. Toepassing ammoniak als koudemiddel</tuskop>
      <al>22.1. Bij toepassing van ammoniak als koudemiddel dient te worden voldaan
aan richtlijn CPR-13 van de Commissie Preventie van Rampen door gevaarlijke
stoffen (CPR), getiteld «Ammoniak, vervoer, opslag en toepassingen». </al>
      <tuskop letat="vet">23. Teelt van eetbare paddestoelen</tuskop>
      <al>23.1. De voorschriften 23.2 tot en met 23.6 zijn van toepassing op de
teelt van eetbare paddestoelen.</al>
      <al>23.2. Stellingen en bedden mogen niet van hout zijn of van een constructie
waarin hout is verwerkt. Voor stellingen en bedden, die reeds aanwezig waren
voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit geldt dit voorschrift
met ingang van drie jaar na dat tijdstip. </al>
      <al>23.3. Het storten of bewaren van champignon-compost of champost dient
te geschieden op een specifiek daartoe ingerichte, vloeistofdichte compostplaat.</al>
      <al>23.4. Aan de langszijde dient de in voorschrift 23.3 bedoelde compostplaat
te zijn voorzien van een keerwand met een hoogte van ten minste 0,5 m. Voor
een compostplaat die reeds aanwezig was voor het tijdstip van inwerkingtreding
van dit besluit geldt dit voorschrift met ingang van drie jaar na dat tijdstip.</al>
      <al>23.5. De in voorschrift 23.3 bedoelde compostplaat moet zijn gelegen op
ten minste:</al>
      <al>a. 100 m afstand van een object categorie I;</al>
      <al>b. 50 m afstand van een object categorie II of III.</al>
      <al>Voor een compostplaat, die reeds aanwezig was voor de tijdstip van inwerkingtreding
van dit besluit geldt dit voorschrift met ingang van drie jaar na dat tijdstip.</al>
      <al>23.6. Voorschrift 23.5 is niet van toepassing op een compostplaat, die reeds aanwezig was voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit
besluit en die is gelegen op ten minste 50 m afstand van een object categorie
I of II of ten minste 25 m afstand van een object categorie III, indien verplaatsing
van de compostplaat redelijkerwijs niet kan worden gevergd. In dat geval kan
het bevoegd gezag nadere eisen stellen omtrent het afdekken van de champignon-compost
of champost en of de frequentie van afvoer van de champost, die onder de gegeven
omstandigheden de grootst mogelijke bescherming bieden tegen de nadelige gevolgen
die de compostplaat voor het milieu kan veroorzaken en die redelijkerwijs
kan worden gevergd. </al>
    </bijlage>
    <bijlage id="b2">
      <kop>
        <titel status="off">BIJLAGE II BEHORENDE BIJ HET BESLUIT TUINBOUWBEDRIJVEN
MET BEDEKTE TEELT MILIEUBEHEER</titel>
      </kop>
      <al>Bij een melding als bedoeld in de artikelen 3, eerste en tweede lid, en
5, tweede lid, moeten de volgende gegevens worden verstrekt:</al>
      <al>a. naam en adres van degene die het tuinbouwbedrijf met bedekte teelt
drijft,</al>
      <al>b. een opgave van het adres waar het tuinbouwbedrijf met bedekte teelt
is of zal worden gevestigd,</al>
      <al>c. het voorgenomen tijdstip waarop het tuinbouwbedrijf met bedekte teelt
of de uitbreiding of wijziging daarvan in werking zal worden gebracht, dan
wel de werking daarvan wordt verwezenlijkt,</al>
      <al>d. de gegevens waaruit kan worden afgeleid of omstandigheden als bedoeld
in artikel 1, eerste lid, onder a, en tweede lid, zich voordoen en gegevens
waaruit de noodzaak tot het stellen van nadere eisen kan blijken, en</al>
      <al>e. een plattegrond van het tuinbouwbedrijf met bedekte teelt;</al>
      <al>f. een opgave van:</al>
      <al>1°. de samenstelling en de eigenschappen van het bedrijfsafvalwater
en de hoeveelheid ervan, die in een riolering wordt gebracht,</al>
      <al>2°. de voorzieningen waardoor het bedrijfsafvalwater wordt geleid
voordat het in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater
wordt gebracht. </al>
      <tuskop letat="vet"></tuskop>
    </bijlage>
    <notatoe>
      <kop>
        <titel status="off">NOTA VAN TOELICHTING </titel>
      </kop>
      <tuskop letat="vet">HOOFDSTUK I. ALGEMEEN </tuskop>
      <tuskop letat="vet">paragraaf 1. Inleiding</tuskop>
      <al>Deze algemene maatregel van bestuur (amvb) bevat algemene voorschriften
ter voorkoming en beperking van de nadelige gevolgen voor het milieu, die
veroorzaakt kunnen worden door tuinbouwbedrijven met bedekte teelt. Hieronder
worden in dit besluit verstaan inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer,
waar zich geen bijzondere omstandigheden voordoen als omschreven in artikel
1, eerste en tweede lid, van het besluit. De grondslag voor de amvb is artikel
8.40 van de Wet milieubeheer.</al>
      <al>Ingevolge artikel 8.1, tweede lid, van de Wet milieubeheer geldt voor
de bedrijven waarop het onderhavige besluit van toepassing is, geen vergunningplicht.
Degene die een dergelijke inrichting drijft, kan bij de oprichting, verandering
of verandering van werkwijze van de inrichting volstaan met een melding. Dit
is geregeld in artikel 3 van het besluit (waarmee artikel 8.41, eerste lid,
van de Wet milieubeheer wordt uitgevoerd). Bedrijven die niet binnen de in
artikel 1 aangegeven werkingssfeer van het besluit vallen, zijn ingevolge
artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer vergunningplichtig. Artikel
8.1, tweede lid, is op deze bedrijven niet van toepassing. Zij dienen in het
kader van de vergunningprocedure afzonderlijk te worden beoordeeld. Hierop
zal nader worden ingegaan in de toelichting bij artikel 1, eerste en tweede
lid.</al>
      <al>Voor een inrichting die binnen de werkingssfeer van dit besluit valt,
vervalt een eerder verleende vergunning, met inbegrip van de daaraan verbonden
voorschriften. Met ingang van het tijdstip waarop de inrichting dient te voldoen
aan dit besluit en de in de daarbij behorende bijlage I opgenomen voorschriften,
geldt hiervoor ingevolge artikel 8.1, tweede lid, van de Wet milieubeheer
namelijk geen vergunningplicht meer. In artikel 5 is overgangsrecht opgenomen
voor vergunningplichtige bedrijven waarop het besluit van toepassing wordt.
Verwezen zij naar de toelichting op dat artikel. Nieuw op te richten tuinbouwbedrijven
met bedekte teelt dienen direct aan dit besluit te voldoen.</al>
      <al>De in bijlage I opgenomen voorschriften sluiten aan bij de bestaande praktijk
van vergunningverlening. Bij het stellen van de voorschriften is gebruik gemaakt
van de ervaring van gemeenten, bedrijven en adviesbureaus.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het ontwerp-besluit is ter advisering toegezonden aan de Raad voor het
milieubeheer. De Raad heeft geen advies uitgebracht.</al>
      <al>Het ontwerp-besluit is voorts ter kennisneming aangeboden aan zowel de
Eerste Kamer als de Tweede Kamer van de Staten-Generaal en ten behoeve van
inspraak in de Staatscourant gepubliceerd. Een overzicht van de commentaren
naar aanleiding van op de voorpublicatie alsmede een verslag van het overleg
met de instanties waarvan deze commentaren afkomstig waren, is door mij op
22 augustus 1994 aan de Tweede Kamer aangeboden (kamerstukken II 1993/94,
23 400 XI, nr. 80). Daarbij heb ik aangegeven alle (meerderheids)conclusies
in het verslag in het besluit te zullen verwerken. In deze toelichting wordt
op de commentaren niet meer afzonderlijk ingegaan. Verwezen zij hier naar
genoemde kamerstukken.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De sector tuinbouwbedrijven met bedekte teelt telt naar schatting 15 500
bedrijven, verdeeld over de volgende bedrijfstakken:</al>
      <al>– glastuinbouwbedrijven;</al>
      <al>– bedrijven voor de produktie van eetbare paddestoelen;</al>
      <al>– groententrekkerijen (bijv. witlof, rabarber). </al>
      <al>Het gaat om bedrijven waar uitsluitend of in hoofdzaak of uitsluitend
groenten, fruit, siergewassen en eetbare paddestoelen worden geteeld in beschermde
ruimten, dat wil zeggen niet in de open lucht. Ook de teelt van uitgangsmateriaal
in bedekte ruimten valt onder dit besluit.</al>
      <al>Naar schatting zullen in totaal ongeveer 12 500 tuinbouwbedrijven
met bedekte teelt onder de werking van deze amvb vallen. Veel van deze bedrijven
beschikten op het tijdstip van inwerkingtreding nog niet over de vereiste
vergunning ingevolge de Wet milieubeheer. Gedoogsituaties kwamen met name
in gebieden waarin de glastuinbouw is geconcentreerd, veelvuldig voor. De
inwerkingtreding van het onderhavige besluit maakt hieraan een einde. De bedrijven
krijgen gedurende een overgangsperiode de tijd om zich op de nieuwe voorschriften
in te stellen en zo nodig maatregelen te treffen om daaraan te kunnen voldoen. </al>
      <tuskop letat="vet">paragraaf 2. Nadelige gevolgen voor het milieu </tuskop>
      <tuskop letat="cur">2.1. Algemeen</tuskop>
      <al>In bijlage I bij het onderhavige besluit zijn de voorschriften opgenomen,
die nodig zijn ter bescherming van het milieu tegen de nadelige gevolgen die
kunnen worden veroorzaakt door tuinbouwbedrijven met bedekte teelt, waarop
het besluit van toepassing is. Hier dient echter bij te worden aangetekend
dat ten aanzien van enkele milieu-aspecten op dit moment nog geen (dekkend)
voorschriftenpakket kan worden gegeven. Het gaat vooral om het voorkomen van
het ontstaan van afvalstoffen, het bevorderen van het hergebruik van deze
stoffen, het beperken van het energieverbruik, het tegengaan van de emissie
van bestrijdingsmiddelen als gevolg van de toepassing van die middelen en
de bescherming van de omgeving tegen lichtuitstraling uit kassen bij de toepassing
van assimilatie-belichting. Op deze aspecten zal in het hiernavolgende uitvoeriger
worden ingegaan. Zodra het mogelijk is aanvullende voorschriften in het besluit
op te nemen, zal het besluit worden gewijzigd. Een dergelijke actualisering
wordt overigens in de Wet milieubeheer ook voorgeschreven, namelijk in artikel
8.40, derde lid, juncto artikel 8.22. Een eerste actualisering kan, naar het
zich thans laat aanzien, over ongeveer drie jaar worden verwacht. Deze periode
is naar verwachting voldoende om de benodigde kennis en inzichten te verwerven
en in proefbedrijven en onderzoeksinstellingen met eventueel voor te schrijven
maatregelen ervaring op te doen. </al>
      <tuskop letat="cur">2.2. Afvalstoffen</tuskop>
      <al>De doelmatige verwijdering van afvalstoffen krijgt landelijk gezien steeds
meer aandacht. In de glastuinbouw heeft dit onder meer geleid tot het gescheiden
inzamelen en verwijderen van afvalstoffen van kunststof, het oprichten van
centrale installaties voor de verwerking van snoeihout, bladeren, afgewerkt
gewas en soortgelijke afvalstoffen van organische herkomst tot compost en
het op grote schaal hergebruiken van substraatmateriaal. Het belangrijkste
resterende knelpunt op dit terrein is de verwijdering van substraatmateriaal
dat niet meer kan worden hergebruikt. Een deel van de steenwolmatten wordt
na smelting opnieuw toegepast bij de produktie van steenachtige produkten.
Een groot deel is echter niet verwerkbaar en moet nog worden gestort. In het
kader van het afvalstoffenbeleid wordt gezocht naar mogelijkheden om de hoeveelheid
te storten afvalstoffen verder te verminderen. In de onderhavige amvb zijn
ten aanzien van de verwijdering van afvalstoffen uit het bedrijf alleen voorschriften
opgenomen voor de behandeling van deze stoffen op eigen terrein. De uitvoering
van het convenant met betrekking tot land- en tuinbouwfolie en kunststofafval
zou bij een komende wijziging van het besluit tot aanvullende voorschriften
kunnen leiden. </al>
      <al>Op de verwijdering van de afvalstoffen is uiteraard de regelgeving met
betrekking tot afvalstoffen van toepassing. </al>
      <tuskop letat="cur">2.3. Energie</tuskop>
      <al>Het verbruik van energie en grondstoffen is onderwerp van breedgericht
onderzoek en overleg.</al>
      <al>Over de verbetering van de energie-efficiëntie en -besparing in de
glastuinbouw is tussen de sector en de rijksoverheid een Meerjarenafspraak
opgesteld (getekend januari 1992). Dit plan kent een aantal doelstellingen
en een afspraak om eind 1995 een evaluatie uit te voeren naar de tussendoelstelling.</al>
      <al>In verband met het reeds vergevorderde stadium van overleg over deze amvb
met de doelgroep ten tijde van het in werking treden van de Wet milieubeheer
en mede gelet op de inhoud van de Meerjarenafspraak is voorshands afgezien
van een nadere toetsing van de mogelijkheid en wenselijkheid van het opnemen
van eisen aan energiebesparing. Deze toetsing zal plaatsvinden in 1996, gekoppeld
aan de evaluatie van de Meerjarenafspraak, waarna aanpassing van dit besluit
kan volgen. </al>
      <tuskop letat="cur">2.4. Bestrijdingsmiddelen</tuskop>
      <al>Tijdens de voorbereiding van dit besluit is geconstateerd dat in de verschillende
milieucompartimenten in glastuinbouwgebieden hoge concentraties bestrijdingsmiddelen
worden aangetroffen.</al>
      <al>De beleidsdoelstellingen met betrekking tot het gebruik van chemische
bestrijdingsmiddelen zijn vastgelegd in het Meerjarenplan Gewasbescherming
(MJP-G) dat als hoofddoelstelling heeft:</al>
      <al>1. het verregaand terugdringen van de structurele afhankelijkheid van
gewasbeschermingsmiddelen in de land- en tuinbouw,</al>
      <al>2. het verminderen van de omvang van het gebruik van bestrijdingsmiddelen
en</al>
      <al>3. het verminderen van de emissie van bestrijdingsmiddelen naar het milieu.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De uitwerking van dit beleid is vastgelegd in de Bestuursovereenkomst
Uitvoering MJP-G (verder: bestuursovereenkomst) tussen onder meer de Staat,
het landbouwbedrijfsleven en de producenten van bestrijdingsmiddelen. De Hinderwet,
die inmiddels is opgegaan in de Wet milieubeheer, wordt in het MJP-G genoemd
als een wet die aan de uitvoering van dat plan een bijdrage kan leveren in
de vorm van emissie-eisen.</al>
      <al>In het beleid ter vermindering van de milieubelasting door het gebruik
van bestrijdingsmiddelen kunnen twee hoofdlijnen worden onderscheiden.</al>
      <al>1. In het toelatingsbeleid zal een verschuiving worden nagestreefd naar
de toepassing van minder milieubelastende bestrijdingsmiddelen door vaststelling
van milieucriteria ter uitvoering van artikel 3a van de Bestrijdingsmiddelenwet
1962.</al>
      <al>2. Teneinde de hoeveelheden bestrijdingsmiddelen die worden toegepast,
te verminderen wordt gestreefd naar:</al>
      <al>– het toepassen van preventieve en hygiënische maatregelen
waarmee de oorzaken van ziekten en plagen kunnen worden weggenomen,</al>
      <al>– het toepassen van niet-chemische bestrijdingsmethoden,</al>
      <al>– het selectief en curatief toepassen van bestrijdingsmiddelen in
plaats van het preventieve behandelen van het gehele gewas, en</al>
      <al>– het toepassen van efficiënte toedieningstechnieken met een
relatief laag verbruik.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De eerste hoofdlijn in het beleid heeft inmiddels al geresulteerd in enige
regelgeving op basis van artikel 3a van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962. In februari 1995 is het Besluit Milieutoelatingseisen Bestrijdingsmiddelen
(Staatsblad 1995, 37) van kracht geworden. Hierin zijn voor de toelating van
gewasbeschermingsmiddelen criteria gesteld ten aanzien van persistentie in
de bodem, uitspoeling naar het grondwater en de toxiciteit voor waterorganismen.
Vervolgens is in september 1995 het Besluit Uniforme Beginselen Gewasbeschermingsmiddelen
(Staatsblad 1995, 241) in werking getreden, waarin voor gewasbeschermingsmiddelen
ook ten aanzien van andere milieu-aspecten criteria voor de toelating zijn
gesteld. Dit besluit geldt vooralsnog alleen voor «nieuwe» stoffen
en stoffen die in het kader van het EU-herbeoordelingsprogramma zijn beoordeeld.
Voor de «oude stoffen» zullen ten aanzien van deze andere milieu-aspecten
ook criteria worden gesteld. Deze zullen worden opgenomen in het Besluit Milieutoelatingseisen
Bestrijdingsmiddelen.</al>
      <al>Overeenkomstig de bestuursoveeenkomst wordt elk jaar een sectorwerkplan
voor de glastuinbouw vastgesteld, waarin het pakket aan maatregelen wordt
opgenomen, dat nodig is om de doelstellingen van het accoord te realiseren.
In dit besluit zijn in aansluiting op de sectorwerkplannen enkele maatregelen
voorgeschreven, die zijn gericht op een zorgvuldig omgaan met bestrijdingsmiddelen
en tot doel hebben nadelige gevolgen voor het milieu te voorkomen. Enkele
andere maatregelen van het beoogde pakket lenen zich meer voor regeling in
het kader van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 of kunnen vooralsnog aan de
sector zelf worden overgelaten. Indien in het kader van de voortgangsbewaking
blijkt dat via de bestuursovereenkomst en via de in de sectorwerkplannen opgenomen
maatregelen onvoldoende resultaat wordt geboekt, zullen overeenkomstig de
afspraken in het MJP-G nadere wettelijke maatregelen worden voorgesteld om
de beleidsdoelstellingen van het akkoord alsnog te realiseren. Dit komt dan
aan de orde in het kader van de aangekondigde herziening van dit besluit.</al>
      <al>Het voorgaande neemt niet weg dat zich situaties kunnen voordoen, waarin
bij het gebruik van bestrijdingsmiddelen in kassen ongewenste gevolgen voor
de omgeving kunnen ontstaan. Dit kan aanleiding zijn voor beperkingen of voorschriften
in het kader van de Wet milieubeheer, in aanvulling op de regels in het kader
van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 (zie voor de verhouding tussen deze wetten
paragraaf 2 van deze nota van toelichting). Gelet op de resultaten van onderzoek
dat door het TNO en het RIVM is verricht naar de emissie van bestrijdingsmiddelen
en de gezondheidsrisico's die dit in de onmiddellijke omgeving oplevert (hierop
wordt ingegaan in de toelichting op artikel 1, derde en vierde lid), is er
op dit moment onvoldoende reden om in het onderhavige besluit in aanvulling
op de regelgeving in het kader van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 regels
te stellen met betrekking tot het gebruik van bestrijdingsmiddelen. Vervolgonderzoek
is echter noodzakelijk, omdat in vorenbedoeld onderzoek werd uitgegaan van
een eenmalige toediening van een bestrij- dingsmiddel. In de praktijk worden
middelen echter met een zekere frequentie toegepast. Bovendien is specifiek
vervolgonderzoek nodig naar de situatie in glastuinbouwgebieden.</al>
      <al>Bedoelde onderzoeken kunnen leiden tot nieuwe inzichten met betrekking
tot risico's ten gevolge van de emissie van bestrijdingsmiddelen. Dit kan
er toe leiden dat in dit besluit alsnog aanvullende voorschriften ter zake
van het gebruik van bestrijdingsmiddelen worden opgenomen.</al>
      <al>Op dit moment is in artikel 1, derde en vierde lid, van het besluit al
wel een afstandseis gesteld, die tussen een tuinbouwbedrijf en het dichtstbijgelegen
gevoelige object dient te worden aangehouden. Deze eis is gesteld teneinde
nadelige gevolgen van het bedrijf voor het milieu in de omgeving te voorkomen.
Hierbij gaat het niet alleen om de gevolgen die kunnen worden veroorzaakt
door het gebruik van bestrijdingsmiddelen, maar om alle gevolgen die het bedrijf
in zijn geheel kan meebrengen. Verwezen zij naar de toelichting op artikel
1, derde en vierde lid.  </al>
      <tuskop letat="cur">2.5. Assimilatiebelichting</tuskop>
      <al>Met betrekking tot de toepassing van assimilatiebelichting in kassen zijn
een aantal onderzoeken verricht. Deze onderzoeken betroffen verschillende
aspecten rondom de toepassing van deze techniek.</al>
      <al>De toepassing van assimilatiebelichting heeft als doel het bevorderen
van de groei van planten en de verbetering van de kwaliteit van de produkten.
Zij vindt met name plaats in de periode met een tekort aan daglicht, vanaf
september tot april.</al>
      <al>Assimilatiebelichting vereist een bepaalde lichtintensiteit. Indien geen
voorzieningen zouden worden getroffen, kunnen als gevolg van de toepassing
van assimilatiebelichting verschillende nadelige gevolgen voor het milieu
optreden. Dergelijke gevolgen kunnen met name optreden wanneer er vanuit de
omgeving van de kas direct zicht is op de lampen, objecten buiten de kas door
het geproduceerde licht direct worden aangestraald of boven de kas een lichtgloed
wordt veroorzaakt. De nadelige gevolgen voor het milieu kunnen bestaan uit
overlast voor omwonenden, aantasting van de natuurlijke flora en fauna en
schade aan gewassen die binnen de lichtinvloedssfeer geteeld worden. Teneinde
de kennis en de inzichten hieromtrent te vergroten is onderzoek verricht.
Voorts is een onderzoek verricht, dat betrekking had op de (technische) mogelijkheden
ter reduktie van de uitstraling van het kunstlicht.</al>
      <al>Vervolgens zal worden ingegaan op enkele resultaten van deze onderzoeken.
Vooraf dient echter nog in meer algemene zin te worden opgemerkt dat men bij
de vertaling van de resultaten in beleid en regelgeving op een reeks van vragen
en kennishiaten stuit, die vervolgonderzoek noodzakelijk maken.</al>
      <al>– Onderzoek naar de visuele hinder die omwonenden van assimilatiebelichting
kunnen ondervinden, is uitgevoerd door middel van een enquête onder
400 omwonenden op afstanden variërend van 20 m tot 1500 m van verlichte
kassen. Er is geen eenduidige (dosis-effect-)relatie gevonden tussen de mate
van ondervonden hinder enerzijds en de lichtsterkte anderzijds. Wat betreft
de vorm van ondervonden hinder, bleek dat in situaties waarin kaslicht direct
op huis en tuin valt, 13% van de betrokkenen dit een beetje hinderlijk vindt
en 5% erg tot heel erg hinderlijk (van het totaal aantal omwonenden dat werd
ondervraagd, is dit ca. 5%, respectievelijk 2%). Van degenen die direct zicht
op verlichte kassen hebben, vindt 24% dit een beetje hinderlijk en 6% erg
of heel erg hinderlijk (van het totaal is dit ca. 10%, respectievelijk 2,5%).
26% Van de ondervraagden vindt de gloed boven (een) verlichte kas(sen) een
beetje hinderlijk en 9% erg of heel erg hinderlijk.</al>
      <al>Invloed op de gezondheid van omwonenden is in het onderzoek niet aangetoond.</al>
      <al>Op de vraag naar negatieve invloeden op de woonomgeving noemt 2% van de
ondervraagden kasverlichting als eerste punt. Van alle punten, die een negatieve
invloed hebben op de woonomgeving, komt kasverlichting in het onderzoek op
de twaalfde plaats.</al>
      <al>Uit het onderzoek kan geen monotoon stijgende of dalende dosis-effect
relatie kon worden vastgesteld tussen de verlichtingssterkte en het percentage
omwonenden dat daarvan hinder ondervindt. Op grond van deze kennis kunnen
dan ook geen maximaal toelaatbare lichtniveaus worden vastgesteld die zijn
gekoppeld aan een bepaalde mate van hinder, die beleidsmatig kan worden geaccepteerd,
zoals bijvoorbeeld wèl mogelijk is gebleken met betrekking tot geluid-
en stankhinder.</al>
      <al>– Onderzoek naar de mogelijke effecten op de natuurlijke flora en
fauna is uitgevoerd in de vorm van een literatuurstudie.</al>
      <al>De effecten blijken zich te beperken tot (delen van) bepaalde planten
in de zeer nabije omgeving van de lichtbron (enkele meters). Ook wat betreft
eventuele effecten op de fauna is geen duidelijk beeld verkregen. Nadere studie
en onderzoek zullen dit beeld moeten verduidelijken. </al>
      <al>– De invloed van een verlichte kas op het reeds aanwezige achtergrondniveau
kan niet goed worden gemeten, onder meer als gevolg van het feit dat de weersomstandigheden
en andere in de omgeving aanwezige bronnen zorgdragen voor een wisselend lichtniveau
op een bepaalde locatie. Uit metingen blijkt dat het lichtniveau op een bepaald
meetpunt bij gelijkblijvende lichtbronnen binnen korte meetperioden sterk
kan wisselen. Het is daarom momenteel niet goed mogelijk om voorschriften
aangaande het afschermen van zijgevels en bovendek te koppelen aan het lichtachtergrondniveau
of aan bepaalde gebieden, los van het feit dat een dergelijke aanpak tot grote
verschillen binnen de sector zou leiden.</al>
      <al>– In 1989 heeft het Landbouwschap een verordening vastgesteld ter
beperking van schade aan gewassen, die worden belicht door kunstlicht in nabuurkassen.
Deze Verordening Belichtingstoepassingen (verder: de verordening) houdt in
dat gevelafscherming dient te worden toegepast indien op de erfgrens de lichtsterkte
van 4 lux wordt overschreden, tenzij de nabuurtuinder een «verklaring
van geen bezwaar» heeft ondertekend. Lichtuitstraling via het bovendek
is in de verordening niet geregeld. Nader onderzoek op het Proefstation voor
de Bloemisterij te Aalsmeer geeft aan dat het zeer moeilijk is om uit een
oogpunt van het voorkomen van schade aan nabuurgewassen een bepaalde maat
aan te geven voor een maximaal toelaatbare lichtsterkte. De eventuele schade
is afhankelijk van het soort gewas, het groeistadium, de voorgeschiedenis
van de plant, het kasklimaat, de voeding en watergift, maar ook van de sterkte
van het van buitenaf ingestraalde licht. De lichtsterkte hangt af van factoren
die bepalend zijn voor de lichtweerkaatsing, zoals de aard van het wolkendek,
de hoogte waarop dit zich bevindt en de luchtvochtigheid (met name de aanwezigheid
van druppeltjes in de lucht). Uit simulatieproeven is op te maken dat sommige
gewassen onder omstandigheden bij lage lichtregimes reeds effect kunnen ondervinden.
Het is echter nog de vraag of dit tot een vast te stellen schade leidt. Verder
doen zich nog aanzienlijke moeilijkheden voor bij het betrouwbaar vaststellen
van de lichtsterkte zoals die door het menselijk oog wordt waargenomen (type
apparatuur, methode van meten, standaardisatie, weersinvloeden, invloed van
andere lichtbronnen, zoals straatverlichting).</al>
      <al>– Inmiddels is onderzoek gestart naar de mogelijkheid om in de kas
bovenafschermvoorzieningen aan te brengen, waardoor geen of nauwelijks licht
via het bovendek wordt uitgestraald en geen lichtgloed boven de kas meer optreedt.
Daarbij wordt tevens bezien hoe kan worden voorkomen dat door het aanbrengen
van dergelijke voorzieningen de klimaatbeheersing in de kas wordt verstoord.
Dit punt wordt in de praktijk, naast de hoge investeringskosten, als een belangrijk
knelpunt beschouwd bij het aanbrengen van bovenafscherming.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Inmiddels heeft de Afdeling Geschillen voor bestuur van de Raad van State
in een aantal beroepszaken betreffende de toepassing van assimilatiebelichting
uitspraak gedaan. Het betreft de uitspraken van 6 mei 1992, no. B05.91.1113
(Maassluis), 22 januari 1993, no. G 05.91.1177 (Lisse), 26 februari 1993,
no. G 05.89.1428 (Venlo), 26 februari 1993 , no. G 05.90.0679 (Maasbree) en
30 september 1993, no. G 05.90.1298 (Aalsmeer). Blijkens deze uitspraken is
de afdeling van mening dat assimilatiebelichting niet kan worden toegestaan
zonder dat in de kas voorzieningen zijn aangebracht om de nadelige gevolgen
daarvan te voorkomen of te beperken. Gevelafscherming ter voorkoming van direkte
hinder dient zonder meer te worden aangebracht. Wat betreft bovenafscherming
kan de plaatselijke situatie van belang zijn, zoals enerzijds de verstoring
van het dag-nachtritme (aantasting donker landschap) en anderzijds de aanwezigheid
van straatverlichting, waartegen uitgestraald assimilatielicht wegvalt. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Tenslotte zij hier verwezen naar de toelichting op de voorschriften 9.1
tot en met 9.6, die zijn opgenomen in bijlage I bij dit besluit en betrekking
hebben op assimilatiebelichting. </al>
      <tuskop letat="cur">2.6. Bedrijfsafval</tuskop>
      <al>In dit besluit zijn voorschriften opgenomen voor het brengen van bedrijfsafvalwater
in een openbaar riool of in een andere – niet-gemeentelijke –
voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater. Dit houdt
verband met de inwerkingtreding op 1 maart 1996 van de wet van 2 november
1994, houdende wijziging van de Wet milieubeheer en de Wet verontreiniging
oppervlaktewateren (Stb. 798). De voorschriften houden verband met:</al>
      <al>– de brief van 14 mei 1991 van de Ministers van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en van Verkeer en Waterstaat (kamerstukken
II 1990/91, 21 087, nr. 17) en</al>
      <al>– richtlijn nr. 91/271/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen
van 21 mei 1991 inzake de behandeling van stedelijk afvalwater (PbEG L 135).</al>
      <al>Voor uitvoeriger toelichting kan verwezen worden naar het algemene gedeelte
van de nota van toelichting bij het Besluit houdende het opnemen van voorschriften
in enkele algemene maatregelen van bestuur gebaseerd op artikel 8.40 Wet milieubeheer
met betrekking tot het brengen van bedrijfsafvalwater in een voorziening voor
de inzameling en het transport van afvalwater, hierna te noemen: Besluit lozingsvoorschriften
artikel 8.40 Wm.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In artikel 2 van het Lozingenbesluit Wvo glastuinbouw zijn glastuinbouwbedrijven
aangewezen als soort van inrichtingen in de zin van artikel 1, tweede lid,
en artikel 31, vierde lid van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren. Onder
glastuinbouwbedrijf wordt in het Lozingenbesluit Wvo glastuinbouw verstaan
een inrichting waarbinnen in het kader van de uitoefening van beroep of bedrijf
onder een permanente opstand van glas of van kunststof het telen plaatsvindt
van gewassen, niet zijnde eetbare paddestoelen of witlof. Artikel 20 van het
Lozingenbesluit Wvo glastuinbouw bepaalt, dat het hele besluit (en dus ook
bovenbedoelde aanwijzing in artikel 2) tot 1 januari 2000 niet van toepassing
is op een glastuinbouwbedrijf waaraan voor 1 november 1994 een vergunning
is verleend krachtens artikel 1 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het bovenstaande leidt er toe dat voor glastuinbedrijven in de zin van
het Lozingenbesluit Wvo glastuinbouw waaraan voor 1 november 1994 geen vergunning
is verleend op grond van artikel 1 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren
de bescherming van de zuiveringstechnische werken en het oppervlaktewater
bij lozingen op het openbaar riool is geregeld in het Lozingenbesluit Wvo
glastuinbouw. Voor overige tuinbouwbedrijven met bedekte teelt is dat niet
het geval, en gelden ook ten aanzien van die aspecten de voorschriften van
dit besluit.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Voor een toelichting op de verhouding tussen voorschrift 6.6 en de overige
voorschriften uit dit besluit die betrekking hebben op het brengen van bedrijfsafvalwater
in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, wordt
hier verwezen naar paragraaf 2.1.1. van het Besluit lozingsvoorschriften artikel
8.40 Wm.</al>
      <al>Hoewel in de praktijk wordt gewerkt met concrete voorschriften in verband
met de bescherming van het oppervlaktewater en de zuiveringstechnische werken,
is er in dit besluit voor gekozen om dat niet te doen. Voor de inrichtingen
die vallen onder de werkingssfeer van het Lozingenbesluit Wvo glastuinbouw,
heeft deze concretisering plaatsgevonden in dat besluit. Bij
bedrijven die niet onder het Lozingenbesluit Wvo glastuinbouw vallen, kunnen
aan de betrokken lozing voorschriften worden verbonden in de vorm van nadere
eisen. Dit is bepaald in voorschrift 6.6, opgenomen in de bij dit besluit
behorende bijlage I.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Voor glastuinbouwbedrijven in de zin van artikel 1, eerste lid, onder
f, van het Lozingenbesluit Wvo glastuinbouw, is dat besluit zoals hierboven
reeds is aangegeven niet van toepassing tot 1 januari 2000. Voor de voorschriften
te verbinden aan de nadere eis ingevolge voorschrift 6.6, zullen de voorschriften
van dat besluit en het rapport afvalwaterproblematiek glastuinbouw van de
Coördinatiecommissie Wet verontreiniging oppervlaktewateren (CUWVO) (maart
1993) een aanknopingspunt bieden. Voor andere inrichtingen zijn dat de CUWVO
aanbevelingen met betrekking tot agrarische bedrijven en bestrijdingsmiddelen
(1990) en champignonteeltbedrijven (1985 en 1989).  </al>
      <tuskop letat="vet">Paragraaf 3. Wetgevingstoets</tuskop>
      <al>In het voorgaande is reeds opgemerkt dat in het onderhavige besluit algemene
regels worden gesteld, die gelden voor het merendeel van de tuinbouwbedrijven
met bedekte teelt. Voor deze sector is een beoordeling van de milieugevolgen
voor elk bedrijf afzonderlijk niet meer nodig. Er behoeft voor de bedrijven
waarop de amvb van toepassing is, dan ook geen vergunningplicht meer te gelden.
Volstaan kan worden met voor alle bedrijven geldende algemene regels. Daarom
is artikel 8.40 van de Wet milieubeheer als wettelijke basis voor dit besluit
gekozen. Ingevolge artikel 8.1, tweede lid, van de Wet milieubeheer geldt
voor inrichtingen die krachtens artikel 8.40 zijn aangewezen, namelijk geen
vergunningplicht. Dit brengt mee dat het bevoegd gezag de in deze amvb gestelde
voorschriften niet kan aanscherpen of aanvullen met eigen voorschriften. Wel
kan het bevoegd gezag op grond van artikel 8.42 van de Wet milieubeheer nadere
eisen stellen in gevallen waarin die mogelijkheid in dit besluit is geopend.
Indien de amvb op een bedrijf van toepassing wordt, vervalt een eerder voor
dat bedrijf verleende vergunning van rechtswege.</al>
      <al>In het voorgaande is eveneens uiteengezet dat er redenen bestaan om voor
een (relatief klein) aantal bedrijven de in artikel 8.1, eerste lid, van de
Wet milieubeheer gestelde vergunningplicht te handhaven omdat voor een dergelijk
bedrijf in verband met een bijzondere situatie die zich daarin voordoet, een
afzonderlijke beoordeling van de milieugevolgen noodzakelijk is in het kader
van een vergunningprocedure. Deze bedrijven zijn in artikel 1 van het onderhavige
besluit van de werkingssfeer van het besluit uitgezonderd. Burgemeester en
wethouders van de gemeente waarin de inrichting geheel of in hoofdzaak is
gelegen, zijn voor deze inrichtingen (in het algemeen) het bevoegde gezag.</al>
      <al>Anders dan de inmiddels ingetrokken Hinderwet (artikel 3, eerste lid),
bevat de Wet milieubeheer niet de mogelijkheid dat gemeenten algemene regels
ter zake van inrichtingen vaststellen in een verordening. Aangezien met de
onderhavige amvb is beoogd om een uitputtende regeling te geven, kunnen gemeenten
met betrekking tot tuinbouwbedrijven met bedekte teelt, waarop dit besluit
van toepassing is, evenmin een autonome verordening vaststellen op basis van
artikel 149 van de Gemeentewet, voor zover deze tot doel heeft om de nadelige
gevolgen voor het milieu tegen te gaan, die door deze bedrijven (kunnen) worden
veroorzaakt.</al>
      <al>In het verleden zijn door een aantal gemeenten in concentratiegebieden
van glastuinbouwbedrijven verordeningen vastgesteld op basis van artikel 3,
derde lid, van de Hinderwet. Voor glastuinbouwbedrijven waarop een dergelijke
verordening van toepassing is, bevat artikel XXII, zesde lid, onder b, van
de Wet van 2 juli 1992 tot uitbreiding en wijziging van de Wet algemene
bepalingen milieuhygiëne en daarmee samenhangende wetten (vergunningen
en algemene regels voor inrichtingen; procedures voor vergunningen en ontheffingen;
handhaving) (Stb. 1992, 414) een overgangsregeling. Deze regeling houdt in
dat voor glastuinbouwbedrijven, waarvoor de vergunningplicht ingevolge een
gemeentelijke verordening op basis van artikel 3, eerste lid, van de Hinderwet
is opgeheven, de voorschriften van de verordening van kracht blijven tot het
van toepassing worden van het onderhavige besluit. Artikel 5, eerste lid,
van dit besluit bevat voor dergelijke bedrijven een overgangsregeling. Voor
een toelichting op dat artikel zij verwezen naar de artikelsgewijze toelichting.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Dit besluit vloeit voort uit de conclusie in het actieprogramma deregulering
ruimtelijke ordening en milieubeheer (kamerstukken II 1982/83, 17 931,
nr. 4), inhoudende dat voor aangewezen categorieën van inrichtingen dient
te worden bevorderd dat op basis van de Hinderwet (thans: Wet milieubeheer)
algemene regels worden vastgesteld met gelijktijdige opheffing van de vergunningplicht
voor afzonderlijke inrichtingen. Als gevolg hiervan zal enige centralisatie
optreden, aangezien de voorschriften die tot dusverre door het bevoegd gezag,
veelal het gemeentebestuur, aan de vergunning werden verbonden, thans door
de centrale overheid worden gesteld.</al>
      <al>Een ander gevolg van deze amvb zal zijn dat de bestuurlijke lasten welke
thans zijn gemoeid met de vergunningverlening, in de toekomst zullen verschuiven
in de richting van de handhaving van de bij of krachtens de amvb gestelde
regels. Dit geldt met name voor een aantal gemeenten in concentratiegebieden
van glastuinbouwbedrijven. Die gemeenten zouden zich in verband met de opgelopen
achterstanden in de vergunningverlening anders voor een grote inspanning zien
geplaatst teneinde de achterstanden binnen afzienbare termijn weg te werken.</al>
      <al>De lasten die voortvloeien uit de handhaving van de amvb, zullen vooral
op de gemeenten drukken. Ten opzichte van de huidige situatie treedt echter
nauwelijks verandering op, aangezien de gemeenten ook al waren belast met
de handhaving van de door hen afgegeven vergunningen. Te verwachten valt dat
de bestuurlijke lasten in de administratieve sfeer dankzij de onderhavige
amvb zullen verminderen doordat na de inwerkingtreding van de amvb geen vergunningen
meer behoeven te worden opgesteld en geen (inspraak- en beroeps)procedures
meer behoeven te worden doorlopen.</al>
      <al>Aangenomen wordt dat de personele consequenties van invoering van de amvb
neutraal zullen zijn. De huidige milieudiensten van de gemeenten zullen meer
ruimte krijgen om zich met de handhaving van de voorschriften bezig te houden.
Onoverkomelijke problemen zullen zich daarbij naar verwachting niet voordoen.
De handhaving wordt van rijkswege bevorderd doordat voor de gemeenten een
checklist zal worden opgesteld, waarin de ingevolge dit besluit voor tuinbouwbedrijven
met bedekte teelt geldende regels worden vertaald in aandachtspunten bij het
uitvoeren van een eerste controle en latere periodieke controles en bij de
afhandeling van klachten. Voorts zullen speciale brochures worden uitgegeven,
die zijn gericht tot de met de uitvoering en handhaving van dit besluit belaste
ambtenaren.</al>
      <al>De strafrechtelijke handhaving van dit besluit is geregeld in de Wet milieubeheer.
Dit betekent dat een overtreding wordt aangemerkt als een economisch delict
in de zin van de Wet op de economische delicten.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Tegen de voorschriften die in dit besluit zijn opgenomen, kan geen beroep
worden aangetekend. Indien op grond van het besluit nadere eisen worden gesteld,
kan daartegen wèl in beroep worden gegaan. Bij het opstellen van het
besluit is er van uitgegaan dat nadere eisen slechts incidenteel zullen behoeven
te worden gesteld. Als gevolg hiervan zal het aantal beroepen
dat tegen milieu-voorschriften ter zake van tuinbouwbedrijven met bedekte
teelt wordt ingesteld, waarschijnlijk afnemen. Het beslag dat de handhaving
van deze voorschriften op het justitiële apparaat legt, zal naar verwachting
echter niet verminderen. Daarop kan zelfs een zwaarder accent komen te liggen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In het actieprogramma deregulering ruimtelijke ordening en milieubeheer
is aangegeven dat de voordelen van amvb's als de onderhavige evident zijn:
«meer zekerheid omtrent de inhoud van de regelgeving, géén
procedures, dus geen vertraging, ruimte voor de lagere overheden om de achterstand
bij de uitvoering van de Hinderwet snel in te halen en daarbij aandacht te
schenken aan die bedrijven die werkelijk problemen veroorzaken».</al>
      <al>Dit zijn uiteraard ook voordelen die voor de onder dit besluit vallende
afzonderlijke bedrijven gelden. Over de gevolgen die de amvb voor de sector
heeft, kan voorts het volgende worden opgemerkt.</al>
      <al>De amvb heeft betrekking op zowel bestaande bedrijven als nieuwvestigingen.
Bestaande bedrijven hebben de afgelopen periode van 10 tot 15 jaar met grote
veranderingen te maken gehad. In het bijzonder is er sprake van verdergaande
intensivering en mechanisatie. Door het telen op substraatmateriaal is het
gebruik van grondontsmettingsmiddelen afgenomen. De toepassing van biologische
bestrijding daarentegen vertoont een stijgende lijn. De met substraatteelt
samenhangende afvalwaterproblematiek is geregeld in het Lozingenbesluit bodembescherming
(van kracht sinds 1 juli 1992) en in het Lozingenbesluit Wvo glastuinbouw
(van kracht sinds 1 november 1994).</al>
      <al>In het onderhavige besluit worden uniforme regels gesteld, die gelden
voor elk bedrijf waarop het besluit van toepassing is. Deze regels vervangen
de vergunningplicht. Met het besluit wordt beoogd eenzelfde beschermingsniveau
te bieden als met de vergunningplicht werd beoogd, met dien verstande dat
daarvan een betere naleving en handhaving van de voorschriften wordt verwacht,
hetgeen zal moeten leiden tot een verbetering van de toestand van het milieu.
Op het terrein van de bescherming van het milieu zijn op het ogenblik een
aantal ontwikkelingen gaande, die ook voor bestaande bedrijven op afzienbare
termijn (hierbij kan worden gedacht aan een periode van drie jaar) tot een
uitbreiding van het voorschriftenpakket zullen leiden. Deze ontwikkelingen
betreffen vooral het energieverbruik, het ontstaan, hergebruiken en verwerken
van afvalstoffen, de toepassing van assimilatiebelichting en het bestrijdingsmiddelengebruik.</al>
      <al>Bedrijven die worden opgericht na het tijdstip van inwerkingtreding van
dit besluit en binnen de werkingssfeer van het besluit vallen, zullen onmiddellijk
aan de voorschriften, die in dit besluit zijn opgenomen, moeten voldoen. Voor
andere bedrijven geldt, zoals reeds eerder werd opgemerkt, een overgangsregeling.
Het gaat niet alleen om de bedrijven die reeds zijn opgericht op het tijdstip
van inwerkingtreding van het besluit en waarop het besluit onmiddellijk van
toepassing is, maar ook om bedrijven die eerst later onder het besluit komen
te vallen. Dit kunnen ook bedrijven zijn die zijn opgericht na het tijdstip
van inwerkingtreding van het besluit en die eerst vergunnigplichtig zijn geweest.</al>
      <al>Wat betreft de financiële en economische gevolgen die dit besluit
naar verwachting voor de sector zal hebben, dient allereerst te worden opgemerkt
dat deze ook reeds voortvloeien uit de huidige vergunningplicht. Meer in het
bijzonder kan worden opgemerkt dat bedrijven die assimilatiebelichting toepassen
(ca. 6% van de glastuinbouwbedrijven) en nog geen lichtafschermende voorzieningen
hebben getroffen, kosten zullen moeten maken voor het lichtdicht maken van
de zijgevels. Voor bestaande bedrijven geldt een overgangstermijn. Voorts
krijgen bestaande bedrijven bij beëindiging te maken met de in artikel
4, derde lid, van het besluit gestelde verplichting om een verkennend bodemonderzoek te laten uitvoeren. De kosten hiervan zullen eenmalig gemiddeld
circa 3000 gulden bedragen, afhankelijk van de stoffen die in het bedrijf
zijn opgeslagen. Deze kosten zullen moeten worden gemaakt binnen drie jaar
nadat dit besluit van kracht is geworden. Dit staat in artikel 5, vierde lid,
van het besluit. Voor nieuwe bedrijven zal het verkennende bodemonderzoek
kunnen worden gekoppeld aan het bodemonderzoek dat plaatsvindt ten behoeve
van de bouwvergunning. </al>
      <tuskop letat="vet">Paragraaf 4. Verhouding tot andere regelgeving</tuskop>
      <al>Op tuinbouwbedrijven met bedekte teelt kan naast de onderhavige amvb nog
een aantal andere regelingen van toepassing zijn, die (mede) de bescherming
van het milieu tot doel hebben. Genoemd kunnen worden de amvb's op grond van
de Wet bodembescherming, de Wet milieugevaarlijke stoffen, de Bestrijdingsmiddelenwet
1962 en de Wet milieubeheer.</al>
      <al>In afwijking van eerdere besluiten op grond van artikel 8.40 van de Wet
milieubeheer, komen in bijlage I bij dit besluit alleen voorschriften voor,
die niet reeds in andere besluiten zijn opgenomen. Er wordt ook niet meer
naar andere van toepassing zijnde regelgeving verwezen, zoals eerder naar
het Bestrijdingsmiddelenbesluit. Aanleiding hiervoor was een opmerking in
het advies van de Raad van State, dat dergelijke verwijzingen onbedoeld tot
verwarring aanleiding kunnen geven doordat tegelijkertijd twee regelingen
met een verschillende wettelijke basis van toepassing zijn, waarin hetzelfde
wordt geregeld, terwijl ook zonder verwijzing aan de andere regeling dient
te worden voldaan. Deze regelingen kunnen onderling verschillen vertonen in
doelstelling, instrumentarium en bevoegd gezag.</al>
      <al>Als voorbeeld kan worden genoemd de mogelijkheid die in het Lozingenbesluit
is opgenomen, om een ontheffing te verlenen van het ingevolge dat besluit
geldende verbod om in de bodem te lozen. Indien in het onderhavige besluit
het Lozingenbesluit bodembescherming op lozingen in de bodem van overeenkomstige
toepassing zou worden verklaard, zou zich het probleem voordoen dat de Wet
milieubeheer in tegenstelling tot de Wet bodembescherming het instrument ontheffing
niet kent, terwijl aan de mogelijkheid van ontheffing in de praktijk wèl
behoefte bestaat.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In het navolgende wordt een overzicht gegeven van regelgeving die op tuinbouwbedrijven
met bedekte teelt van toepassing kan zijn en die (mede) strekt ter bescherming
van het milieu. </al>
      <tuskop letat="cur">4.1. Verhouding tot de Wet bodembescherming </tuskop>
      <tuskop letat="rom">4.1.1. Algemeen</tuskop>
      <al>Anders dan in de ingetrokken Hinderwet (artikel 38c) het geval was, is
in de Wet milieubeheer de verhouding tot de Wet bodembescherming niet geregeld.
De Wet milieubeheer bevat het ruime criterium dat regels kunnen worden gesteld,
die nodig zijn ter bescherming van het milieu, waarvan ook de bodem deel uitmaakt.
In bijlage I bij het onderhavige besluit zijn onder meer enkele voorschriften
ter bescherming van de bodem opgenomen. Zo wordt in enkele voorschriften een
vloeistofdichte vloer vereist. Dit laat onverlet dat de Wet bodembescherming
eveneens op de inrichting van toepassing is. In het bijzonder kan worden gewezen
op de zorgplicht in artikel 13 van die wet, en in hoofdstuk IV, Algemene bepalingen
in geval van verontreiniging van de bodem. Daarnaast kunnen ook amvb's van
toepassing zijn, die zijn vastgesteld krachtens de artikelen 6–12. Genoemd
kunnen worden het Lozingenbesluit bodembescherming en het Besluit opslaan
in ondergrondse tanks.  </al>
      <tuskop letat="rom">4.1.2. Lozingenbesluit bodembescherming</tuskop>
      <al>Ingevolge dit besluit is het verboden om zonder ontheffing vloeistoffen
definitief in de bodem te brengen. Het in de bodem brengen van drainwater,
de voor substraatteelt noodzakelijke overdosis aan gietwater, valt ook onder
dit verbod. Gezien de ontwikkelingen om te komen tot toepassing van gesloten
systemen met drainwaterrecirculatie en gezien de overgangsproblematiek en
de samenloop met het Lozingenbesluit WVO, is er niet voor gekozen deze materie
in het onderhavige besluit te regelen. Wel zijn in dit besluit voorschriften
opgenomen, die verplichten tot het aanbrengen van een vloeistofdichte afdichting
onder opslagen van mest- en afvalstoffen. Met deze voorschriften wordt beoogd
om te voorkomen dat dergelijke stoffen in contact kunnen komen met de bodem,
waardoor deze verontreinigd kan geraken. Het Lozingenbesluit bodembescherming
is in geval van opslag niet van toepassing, aangezien niet wordt voldaan aan
het vereiste voor een lozing in de zin van dat besluit, inhoudende dat het
oogmerk bestaat om afvalstoffen definitief in de bodem te brengen.</al>
      <al>Het Lozingenbesluit bodembescherming is evenmin van toepassing in situaties
die voorkomen in een aantal bedrijven met substraatteelt, waarin overtollig
drainwater via een systeem van onderbemaling, dus via de bodem, wordt gerecirculeerd,
en tevens wordt voldaan aan een aantal voorschriften. In een dergelijk geval
is geen sprake van een lozing in de bodem, als bedoeld in het Lozingenbesluit
bodembescherming. In dit systeem laat men het overtollige drainwater gelijkmatig
over de teeltoppervlakte van de bodem uitstromen, waarna het water via drainkokers
wordt opgevangen en naar een centrale put wordt afgevoerd. Daarvandaan wordt
het via een drainpomp verder afgevoerd naar een opslagsilo. Na eventuele ontsmetting
of zuivering kan het water met de daarin aanwezige voedingsstoffen worden
hergebruikt. Indien deze vorm van recirculatie aan bepaalde voorschriften
voldoet, kan worden gesproken van een vrijwel gesloten systeem. Deze voorschriften
zijn in de bij dit besluit behorende bijlage I opgenomen als de voorschriften
7.2 tot en met 7.6. </al>
      <tuskop letat="rom">4.1.3. Besluit opslaan in ondergrondse tanks</tuskop>
      <al>Het Besluit opslaan in ondergrondse tanks bevat regels met betrekking
tot het opslaan in ondergrondse tanks van vloeibare brandstoffen, afgewerkte
olie en huishoudelijk afvalwater. De regels hebben betrekking op zowel oude
als nieuwe tanks, die zowel van staal als van kunststof vervaardigd kunnen
zijn. Voor de volledigheid zij opgemerkt dat voor de bovengrondse opslag van
genoemde vloeistoffen produkten (nog) geen amvb bestaat. Wel is er een ontwerp
van een CPR-richtlijn. In het onderhavige besluit wordt naar deze ontwerp-richtlijn
verwezen. </al>
      <tuskop letat="cur">4.2. Verhouding tot de Bestrijdingsmiddelenwet 1962</tuskop>
      <al>De afstemming tussen de Wet milieubeheer en de Bestrijdingsmiddelenwet
1962 is niet wettelijk geregeld. Beide wetten zijn in beginsel naast elkaar
van toepassing. Het ruime criterium bescherming van het milieu in de Wet milieubeheer
biedt voldoende basis om in aanvulling op de regels die zijn gesteld in het
kader van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962, in het onderhavige besluit regels
te stellen met betrekking tot het bewaren en het gebruiken van bestrijdingsmiddelen.
Het gaat met name om de voorschriften die zijn opgenomen in paragraaf II,
onder 1, van bijlage I bij het besluit betreffende het opslaan, aanmaken en
gebruiken van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast is in artikel 1 de reikwijdte
van het besluit beperkt om redenen die met de toepassing van bestrijdingsmiddelen
verband houden. Zo is het besluit niet van toepassing indien niet is voldaan aan de afstandseisen tot omliggende bebouwing rondom een tuinbouwbedrijf
met bedekte teelt, die in het tweede lid van artikel 1 zijn gesteld. Het besluit
is ook niet van toepassing indien in het bedrijf meer dan 400 kg bestrijdingsmiddelen
wordt bewaard. Dit is bepaald in artikel 1, eerste lid, onder a, 14°.
In beide gevallen is het desbetreffende bedrijf vergunningplichtig ingevolge
artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer.</al>
      <al>Op het bewaren van bestrijdingsmiddelen in hoeveelheden van minder dan
400 kg zijn de artikelen 8–12 van het <nadruk type="vet">Bestrijdingsmiddelenbesluit</nadruk> van toepassing. De aanvullende voorschriften die zijn opgenomen in
hoofdstuk II, paragraaf 1, van bijlage I bij het onderhavige besluit, hadden
op zichzelf ook in het kader van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 kunnen worden
gesteld. Hiervan is afgezien omdat het toezicht op de naleving van deze voorschriften
tot dusver door gemeente-ambtenaren werd uitgeoefend en de wens bestaat om
het toezicht op deze wijze te laten voortbestaan. Omdat gemeente-ambtenaren
tot dusver niet zijn aangewezen als toezichthoudende ambtenaren in het kader
van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962, zijn de voorschriften vooralsnog opgenomen
in dit besluit op basis van de Wet milieubeheer.</al>
      <al>Ook het op basis van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 vastgestelde <nadruk type="vet">Beschikking verwijdering dompelvloeistof bloembollen en -knollen</nadruk> kan
voor tuinbouwbedrijven met bedekte teelt van belang zijn. In dat besluit wordt
het lozen van restanten van dompelbaden waarin bestrijdingsmiddelen zijn toegepast,
geregeld.</al>
      <al>In het <nadruk type="vet">Besluit regulering grondontsmettingsmiddelen</nadruk> (Stbl
1993, 225) en de daarop gebaseerde <nadruk type="vet">Uitvoeringsregeling grondontsmettingsmiddelen</nadruk> zijn regels gesteld ten aanzien van de toegelaten middelen, die ten
minste dichloorpropeen, cischloorpropeen of metamnatrium bevatten. Op grond
hiervan is het voorhanden hebben en het gebruik van deze middelen voor de
teelt onder glas alleen toegestaan met vergunning. Met name wordt gewezen
op de artikelen 2, 3 en 5 van het Besluit regulering grondontsmettingsmiddelen
en op de artikelen 2 en volgende van de Uitvoeringsregeling grondontsmetting.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Voor een toelichting op enkele andere relevante regelingen op basis van
de Bestrijdingsmiddelenwet 1962, zij verwezen naar paragraaf 2.2.3, Bestrijdingsmiddelen. </al>
      <tuskop letat="cur">4.3. Verhouding tot enkele andere regelingen</tuskop>
      <al>– <nadruk type="vet">Besluit emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer B</nadruk></al>
      <al>In het Besluit emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer B (verder:
Bees B) worden eisen gesteld met betrekking tot de emissie van zwaveldioxide,
stikstofoxide en stof vanuit kolen-, olie- en gasgestookte installaties. Tevens
is daarin aangegeven hoe genoemde stoffen worden gemeten. Het Bees-B heeft
betrekking op stookinstallaties met een thermisch vermogen van 2,5 MW en meer,
berekend op de bovenste verbrandingswaarde per ketel. Voor installaties onder
de 2,5 MW zijn nog geen emissie-eisen gesteld. In het onderhavige besluit
zijn voor tuinbouwbedrijven met bedekte teelt met betrekking tot stooktoestellen
en stookinstallaties aanvullende eisen gesteld, zoals constructie-, installatie-,
gebruiks- en keuringseisen.</al>
      <al>In artikel 6 van het onderhavige besluit is een bijzondere regeling getroffen
voor stookinstallaties in tuinbouwbedrijven met bedekte teelt, waarop dit
besluit van toepassing is. Deze installaties zijn in tegenstelling tot de
andere installaties waarop het BEES-B van toepassing is, niet vergunningplichtig.
Daarom is in artikel 6 bepaald dat voor de toepassing van het BEES-B op installaties
in vorenbedoelde tuinbouwbedrijven niet de datum van vergunningverlening voor
die installatie beslissend is maar de datum van oprichting van de installatie.
Dit geldt ook voor installaties die op het tijdstip van inwerkingtreding
van het onderhavige besluit reeds waren opgericht. Weliswaar waren die bedrijven,
met inbegrip van de zich daarin bevindende installaties, vóór
dat tijdstip vergunningplichtig en zou de in het BEES-B voor die installaties
getroffen regeling op zichzelf met enige aanpassing naar de geest wèl
kunnen worden toegepast, toch zijn er redenen om ook voor die installaties
een van het BEES-B afwijkende regeling te treffen. Een reden is dat in de
sector van de glastuinbouw, zoals reeds eerder in deze nota van toelichting
uiteen is gezet, grote achterstanden in de vergunningverlening zijn ontstaan.
Een andere reden is dat in een aantal gemeenten in concentratiegebieden van
glastuinbouwbedrijven een verordening op grond van artikel 3, eerste lid,
van de Hinderwet, is vastgesteld, waarin voor glastuinbouwbedrijven de ingevolge
de Wet milieubeheer (voorheen: de Hinderwet) geldende vergunningplicht is
opgeheven. Voor die bedrijven zou vorenbedoelde uitzondering op het BEES-B
toch al moeten worden gemaakt. Het zou tot ongewenste rechtsongelijkheid leiden
indien deze uitzondering niet zou worden gemaakt voor de andere bedrijven
waarop het onderhavige besluit van toepassing is.</al>
      <al>In artikel 6 van dit besluit is voorts bepaald dat voor installaties in
bedrijven waarop dit besluit van toepassing is, hoofdstuk 8B van de bijlage
bij het BEES-B niet geldt. Ingevolge dat hoofdstuk is het mogelijk om in een
vergunning emissie-eisen te stellen, die afwijken van de in het BEES-B gestelde
algemene emissie-eisen. Deze mogelijkheid is gekoppeld aan de vergunningplicht
en kan niet worden toegepast indien het bedrijven betreft, die niet vergunningplichtig
zijn, zoals de tuinbouwbedrijven met bedekte teelt waarop het onderhavige
besluit van toepassing is.</al>
      <al>– <nadruk type="vet">Lozingenbesluit Wvo glastuinbouw</nadruk></al>
      <al>Dit besluit heeft betrekking op het lozen in oppervlaktewater van afvalstoffen.
Hierbij kan het ook gaan om verontreinigende of schadelijke stoffen als bedoeld
in artikel 1, eerste lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, die
voorkomen in (afval)waterstromen, die vanuit glastuinbouwbedrijven in het
oppervlaktewater worden geloosd. Het Lozingenbesluit Wvo glastuinbouw is alleen
van toepassing op bedrijven waarin in permanente opstanden van glas of kunststof
groenten, fruit of siergewassen worden geteeld. Het geldt derhalve bijvoorbeeld
niet voor lozingen vanuit bedrijven waarin eetbare paddestoelen worden geteeld.</al>
      <al>Met het Lozingenbesluit Wvo glastuinbouw wordt beoogd het gebruik van
bestrijdingsmiddelen en meststoffen in glastuinbouwbedrijven te beperken,
hergebruik van deze stoffen te bevorderen en restlozingen te saneren.</al>
      <al>– <nadruk type="vet">Besluit inzake stoffen die de ozonlaag aantasten</nadruk></al>
      <al>Het Besluit inzake stoffen die de ozonlaag aantasten legt het produceren,
verhandelen en toepassen van bepaalde chloorfluorkoolstofverbindingen en halonen
(stoffen die de ozonlaag aantasten) aan banden, onder meer waar het gaat om
het gebruik als koudemiddel in koel- en airconditioningsinstallaties en als
blusmiddel. Op grond van artikel 12, derde lid, van het besluit is een ministeriële
regeling opgesteld (Regeling lekdichtheidsvoorschriften koelinstallaties,
Stcrt. 1993, 52). Daarnaast is in het besluit bepaald dat installatie en onderhoud
van koelinstallaties dienen te worden verricht door een erkende installateur.</al>
      <al>– <nadruk type="vet">Stoombesluit</nadruk></al>
      <al>Het Stoombesluit, dat is vastgesteld op grond van de Stoomwet, bevat regels
voor onder meer de constructieve veiligheid en de beveiliging tijdens het
gebruik van stoomketels. Stoomketels boven bepaalde grenzen, die worden genoemd
in artikel 10, eerste lid, van het besluit (onder meer een werkdruk hoger
dan 50 kPa), mogen alleen in werking worden gebracht indien daarvoor door
de Dienst voor het Stoomwezen een vergunning is verleend. Dergelijke ketels
worden iedere twee jaar onderworpen aan een onderzoek, dat zich
ook tot het inwendige van de ketels uitstrekt.</al>
      <al>– <nadruk type="vet">Bouwbesluit</nadruk></al>
      <al>Het Bouwbesluit is vastgesteld op grond van de Woningwet. In dit besluit
worden regels gesteld, die onder meer betrekking hebben op de constructieve
veiligheid, de brandveiligheid en de elektriciteitsvoorzieningen van woningen,
niet tot bewoning bestemde gebouwen alsmede bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
Voorschriften die ter zake waren opgenomen in eerdere besluiten op grond van
artikel 8.40 van de Wet milieubeheer, zijn in het onderhavige besluit weggelaten.</al>
      <al>– <nadruk type="vet">Arbeidsomstandighedenwet</nadruk></al>
      <al>De voorschriften in bijlage I laten onverlet hetgeen bij of krachtens
de Arbeidsomstandighedenwet is bepaald. Dit betekent dat op het tuinbouwbedrijf
met bedekte teelt naast het onderhavige besluit ook regels van toepassing
kunnen zijn, die in het kader van de Arbeidsomstandighedenwet zijn of worden
getroffen met het oog op de arbeidsomstandigheden. Ook de bevoegdheid van
het districtshoofd van de Arbeidsinspectie om met het oog op de arbeidsomstandigheden
op grond van de wetgeving inzake de arbeidsbescherming aanvullende of verder
gaande eisen te stellen, wordt onverlet gelaten. </al>
      <tuskop letat="vet">HOOFDSTUK 2. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING (BESLUIT) </tuskop>
      <tuskop letat="vet">Artikel 1, eerste lid </tuskop>
      <tuskop letat="cur">Onderdeel a</tuskop>
      <al>De amvb beperkt zich tot tuinbouwbedrijven met bedekte teelt. Dit zijn
bedrijven waarin in opstallen gewassen worden geteeld. Het gaat vooral om
glastuinbouwbedrijven, bedrijven voor de teelt van eetbare paddestoelen en
de groentetrekbedrijven. De amvb is niet van toepassing op tuinbouwbedrijven
waarin in de volle grond gewassen worden geteeld. Die bedrijven vallen in
het algemeen binnen de werkingssfeer van het Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer,
dat eveneens op artikel 8.40 van de Wet milieubeheer is gebaseerd en per 1
april 1994 van kracht is geworden.</al>
      <al>Indien in een bedrijf waarin zowel bedekte teelt als volle grondsteelt
plaatsvindt, meer dan 1000 m<sup>2</sup> glasopstand aanwezig is, valt dat
bedrijf niet onder het Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer, zo is bepaald
in artikel 1, eerste lid, onder a, 11°, van dat besluit. Het onderhavige
besluit kan wèl op een dergelijke bedrijf van toepassing zijn, mits
is voldaan aan de vereisten die zijn gesteld in artikel 1.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het onderhavige besluit is niet van toepassing op tuinbouwbedrijven met
bedekte teelt, waarin zich een bijzondere omstandigheid voordoet, als omschreven
in het hier besproken onderdeel a. Alvorens de in dit onder- deel opgenomen
beperkingen worden toegelicht, zij het volgende opgemerkt.</al>
      <al>Het besluit is alleen van toepassing indien het tuinbouwbedrijf met bedekte
teelt kan worden aangemerkt als een inrichting, behorende tot een categorie
van inrichtingen, die is aangewezen krachtens artikel 1.1, derde lid, van
de Wet milieubeheer. Voorts moet het bedrijf in hoofdzaak zijn bestemd voor
bedekte teelt. Het gaat in dit besluit alleen om produktiebedrijven, dat wil
zeggen tuinderijen en kwekerijen, en niet om aanverwante bedrijven, waarin
tuinbouwprodukten worden behandeld dan wel op of overgeslagen. Indien sprake
is van een inrichting waarin verschillende van deze activiteiten tegelijk
plaatsvinden, is het bedrijf niet in hoofdzaak voor bedekte teelt bestemd
en valt de inrichting derhalve niet onder deze amvb. </al>
      <al>Open land dat is gelegen rondom de tot het bedrijf behorende gebouwen,
wordt, uitzonderingen daargelaten, niet tot de inrichting gerekend. Het bedrijfsgedeelte
dat als inrichting in de zin van de Wet milieubeheer kan worden aangemerkt,
bestaat in de meeste gevallen uitsluitend uit de grond waarop zich de gebouwen
bevinden, met name kassen, gebouwen of andere omhulsels waarin groenten, fruit,
siergewassen, potplanten of eetbare paddestoelen worden geteelt dan wel grond-,
hulp-, brand- of voedingsstoffen worden opgeslagen, de ketelinstallatie en
het waterbassin, alsmede het bijbehorende erf. Of sprake is van een uitzondering,
waarin ook het open land van de inrichting deel uitmaakt, wordt beoordeeld
aan de hand van de algemene criteria die zijn opgenomen in artikel 1.1, vierde
lid, van de Wet milieubeheer. De jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak
van de Raad van State is ter zake van landbouwbedrijven op dit moment nog
niet volledig uitgekristalliseerd. Gewezen kan worden op de uitspraken van
de (voorzitter van de) Afdeling bestuursrechtspraak van 6 juni 1994, no. G05.92 0820
(Oudenbosch, gepubliceerd in de Gemeentestem, 7004, no. 9, en in Milieu en
Recht, 1994, 9, nr. 80K), 9 januari 1995, no. G05.92 2523 (Maarheeze),
6 april 1995, nr. F03.94 1198 (gepubliceerd in Milieu en Recht 1995,
7/8, jurisprudentiekatern nr. 85) en van 1 december 1995, nr. E03.94.0495
(Niedorp) (gepubliceerd in ABkort, 27 januari 1996, nr. 23). Bij tuinbouwbedrijven
met bedekte teelt, waarop het onderhavige besluit van toepassing is, gaat
het wat betreft de verhouding tussen de gebouwen en de daaromheen gelegen
grond veelal om een vergelijkbare situatie als zich voordeed in de uitspraak
van 6 april 1995. In het algemeen wordt de volle grond extensief gebruikt
en is het gedeelte van de inrichting waarin de bedekte teelt plaatsvindt,
in zijn functioneren niet afhankelijk van de activiteiten die daar plaatsvinden.
In een dergelijke situatie kan worden geconcludeerd dat tussen gebouwen en
grond niet zodanige bindingen bestaan, als bedoeld in artikel 1.1, vierde
lid, van de Wet milieubeheer, dat zij tezamen als één inrichting
dienen te worden beschouwd. In gevallen waarin wèl van één
inrichting sprake is, wordt veelal niet voldaan aan het vereiste dat een bedrijf
in hoofdzaak voor bedekte teelt is bestemd, zodat het onderhavige besluit
daarop niet van toepassing is. In verband met het voorgaande zijn in dit besluit
geen voorschriften opgenomen, die betrekking hebben op rondom de bedrijfsgebouwen
gelegen grond, met uitzondering van het erf, dat, zoals gezegd, wel tot de
inrichting wordt gerekend. Hierbij zij aangetekend dat dit uiteraard niet
wegneemt dat ook daar activiteiten aan regels kunnen zijn gebonden. Als regelgeving
waarmee rekening dient te worden gehouden, kunnen bijvoorbeeld worden genoemd
de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 en de daarop gebaseerde regelingen, het Besluit
gebruik dierlijke meststoffen, het Besluit kwaliteit en gebruik overige organische
meststoffen en het Lozingenbesluit bodembescherming.</al>
      <al>Tenslotte zij opgemerkt dat ook de eigen woning, de moestuin en de siertuin
niet tot de inrichting worden gerekend. Dit besluit is daar dan ook niet op
van toepassing.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In het voorgaande werd reeds opgemerkt dat deze amvb niet van toepassing
is op een tuinbouwbedrijf met bedekte teelt, waarin zich een bijzondere omstandigheid
voordoet, als omschreven in het hier besproken onderdeel a, 1° tot en
met 22°. Het gaat in deze bepaling om een limitatieve opsomming van omstandigheden.
De aanwezigheid van een bijzondere omstandigheid maakt een afzonderlijke beoordeling
van het bedrijf in een vergunningprocedure noodzakelijk. Het gaat dan namelijk
niet om een bedrijf dat in de sector waarop deze amvb van toepassing is, als
een standaardbedrijf kan worden beschouwd, waarop zonder meer de in de amvb
gestelde standaardregels van toepassing kunnen worden verklaard. Indien zich
in de inrichting een bijzondere omstandigheid voordoet, dient een vergunning
te worden aangevraagd, die op de gehele inrichting betrekking
heeft. Dit besluit is alleen van toepassing op inrichtingen die geheel voldoen
aan alle vereisten die in artikel 1 zijn gesteld. Zo dient een vergunning
te worden aangevraagd voor een kassencomplex dat deel uitmaakt van een instituut
voor agrarisch beroepsonderwijs, aangezien die inrichting niet uitsluitend
of in hoofdzaak is bestemd voor bedekte teelt. De vergunningplicht geldt ook
indien het kassencomplex overigens geheel voldoet aan de vereisten van artikel
1 en zich binnen het complex geen omstandigheid voordoet als bedoeld in de
hierna te bespreken punten 1 tot en met 22.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In de <nadruk type="vet">punten 1 tot en met 4</nadruk> worden de in de sector gebruikelijke
verwarmingsinstallaties omschreven. De levering van CO<inf>2</inf>-houdend
gas, al dan niet gecombineerd met de levering van warm water, zoals door energie-bedrijven
wordt verzorgd, en de aanwezigheid van de daarvoor benodigde installaties
vormen geen belemmering voor de toepasselijkheid van het besluit op de desbetreffende
inrichting.</al>
      <al>Onder <nadruk type="vet">punt 5</nadruk> wordt een uitzondering gemaakt voor bedrijven
waarin wordt gewerkt met genetisch gemodificeerde organismen. Een afzonderlijke
beoordeling van een dergelijk inrichting is noodzakelijk indien de inrichting
behoort tot de categorie van inrichtingen, die als categorie 21 is opgenomen
in de bijlage I bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer,
dan wel in de inrichting kassen aanwezig zijn, die voor het ontwikkelen en
beproeven van genetisch gemodificeerde organismen zijn bestemd. Er dient dan
te worden voldaan aan de Regeling ingeperkt gebruik genetisch gemodificeerde
organismen, terwijl er tevens een individuele beoordeling van de inrichting
dient plaats te vinden in het kader van een vergunningprocedure ingevolge
artikel 8.1 van de Wet milieubeheer. Indien het een «gewone» kas
betreft, waarin genetisch gemodificeerde organismen worden toegepast, die
niet zijn vrijgesteld van het Besluit genetisch gemodificeerde organismen
Wet milieugevaarlijke stoffen (Stb. 1993, 435), dient daarvoor een vergunning
te worden aangevraagd als in dat besluit bedoeld, en kunnen aanvullende voorschriften
worden gesteld. In de circulaire van 29 maart 1994 van de Minister van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke ordening en Milieubeheer (Stcrt. 1994, 68) is een toelichting
gegeven op de achtergrond en de consequenties van het genoemde besluit en
de genoemde regeling.</al>
      <al>Onder genetisch gemodificeerde organismen worden verstaan: organismen
waarvan het genetisch materiaal is veranderd op een wijze die van nature niet
mogelijk is door voortplanting of recombinatie en die het vermogen bezitten
dat genetisch materiaal te vermenigvuldigen of over te dragen. Het gaat hier
onder meer om de toepassing van de recombinant DNA-techniek, micro-injectie,
organel-transplantatie en protoplast-fusie. Het enkel toepassen van weefselkweek
is geen modificatie van organismen.</al>
      <al>
        <nadruk type="vet">Punt 6</nadruk> bevat een uitzondering die geldt voor bedrijven
waarin voor derden in een specifiek daartoe ingerichte begassingsruimte door
middel van begassing met bestrijdingsmiddelen bollen en knollen worden behandeld.</al>
      <al>Indien in de inrichting meer dan 16 000 liter zuivere CO<inf>2</inf>
wordt opgeslagen, is dit besluit op die inrichting niet van toepassing (<nadruk type="vet">punt 7</nadruk>).</al>
      <al>
        <nadruk type="vet">Punt 8</nadruk> heeft betrekking op nitraathoudende kunstmeststoffen.
Bedrijven waarin kunstmeststoffen worden bewaard, die kunnen detoneren (klasse
A) of deflageren (klasse B), vallen buiten dit besluit. Deze stoffen zijn
normaliter niet op een tuinbouwbedrijf aanwezig. Voor kunstmeststoffen van
klasse C, die niet kunnen detoneren of deflageren, behoeft geen uitzondering
op de reikwijdte van het besluit te worden gemaakt.</al>
      <al>Het gestelde in <nadruk type="vet">punt 9</nadruk> brengt mee dat een tuinbouwbedrijf
met bedekte teelt, waarin een windmolen of windturbine (met een rotordiameter groter dan 2m) is geïnstalleerd, vergunningplichtig
blijft (zie bijlage I, categorie 20, Inrichtingen- en vergunningenbesluit
milieubeheer).</al>
      <al>De aanwezigheid van een op benzine of dieselolie te stoken noodstroomaggregaat
kan daarentegen worden toegestaan zonder dat een individuele beoordeling in
het kader van een vergunningprocedure nodig is.</al>
      <al>In <nadruk type="vet">punt 10</nadruk> worden bedrijven uitgezonderd, waarin meer dan
50 000 liter gasolie of lichte stookolie wordt bewaard. Indien in een
tuinbouwbedrijf gasolie of lichte stookolie wordt opgeslagen in een ondergrondse
tank, die niet is vervaardigd van staal of van kunststof, valt het bedrijf
ook niet onder dit besluit.</al>
      <al>Het besluit is evenmin van toepassing indien in de inrichting K1- of K2-vloeistoffen
worden bewaard, met uitzondering van de K2-vloeistof petroleum, voor zover
ten behoeve van ruimteverwarming niet meer dan 2500 kg van die vloeistof wordt
bewaard (<nadruk type="vet">punt 11</nadruk>).</al>
      <al>Indien in een inrichting afgewerkte olie wordt bewaard, valt zij alleen
onder dit besluit indien de olie in bovengrondse tanks wordt bewaard en de
totale inhoud van die tanks niet meer bedraagt dan 1500 liter (<nadruk type="vet">punt
12</nadruk>).</al>
      <al>Inrichtingen waarin propaan of butaan wordt bewaard op andere wijze dan
in gasflessen of spuitbussen, vallen ingevolge <nadruk type="vet">punt 13</nadruk> alleen
onder dit besluit indien daarop het Besluit opslag propaan milieubeheer van
toepassing is.</al>
      <al>Tuinbouwbedrijven waarin bloemen of siergewassen worden geverfd, zijn
buiten de werkingssfeer van dit besluit gehouden (<nadruk type="vet">punt 18)</nadruk>.
Bij deze activiteit worden namelijk middelen gebruikt, die bodem, water en
lucht kunnen verontreinigen.</al>
      <al>Indien in de inrichting bedrijfsmatig dieren worden gehouden, is geen
sprake van een standaard-bedrijf. In <nadruk type="vet">punt 19</nadruk> worden dergelijke
bedrijven buiten de werkingssfeer van dit besluit geplaatst.</al>
      <al>In <nadruk type="vet">punt 20</nadruk> worden bedrijven uitgezonderd, waarin voor de
teelt van eetbare paddestoelen gebruik wordt gemaakt van andere dan geënte
of doorgegroeide compost. Het gaat vooral om bedrijven waarin verse compost
wordt gepasteuriseerd ten behoeve van de produktie van champignons. Hierbij
komt ca. 500 gram ammoniak per ton gepasteuriseerde compost vrij. Op een produktie
van ca. 800 000 ton compost per jaar is dit een aanzienlijke emissie. <nadruk type="vet">Punt 21</nadruk> heeft eveneens betrekking op bedrijven voor de teelt van eetbare
paddestoelen. Indien een dergelijk bedrijf een grote omvang heeft aangenomen,
is een afzonderlijke beoordeling noodzakelijk in verband met de aanwezigheid
van grote hoeveelheden champignon-compost en champost en extra aanvoer-, afvoer-,
laad- en losactiviteiten. Als maatstaf geldt de omvang van de teeltoppervlakte
van de cellen, (niet meer dan 4000 m<sup>2</sup>).</al>
      <al>Tenslotte is in <nadruk type="vet">punt 22</nadruk> een uitzondering gemaakt voor bedrijven
met koelinstallaties die werken op ammoniak of een brandbaar koudemiddel in
een hoeveelheid van meer dan 100 kg. </al>
      <tuskop letat="cur">Onderdeel b</tuskop>
      <al>Voor een tuinbouwbedrijf met bedekte teelt, waarop deze amvb betrekking
heeft, is het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waarin
het bedrijf geheel of in hoofdzaak is gelegen, in de regel het bevoegd gezag. </al>
      <tuskop letat="cur">Onderdeel e</tuskop>
      <al>In een aantal glastuinbouwbedrijven wordt ter aanvulling van het daglicht
gebruik gemaakt van kunstlicht. Hierdoor wordt de groei van de gewassen gestimuleerd,
hetgeen zich uit in een kortere produktiecyclus en sterkere en
gezondere planten. Het gebruik van kunstlicht wordt doorgaans aangeduid als
assimilatiebelichting, aangezien dit gebruik is gericht op het beïnvloeden
van het proces van opnemen en verwerken van voedingsstoffen, de assimilatie.</al>
      <al>Voor een nadere toelichting kan worden verwezen naar paragraaf 2.5, Assimilatiebelichting,
en naar de toelichting op de voorschriften 9.1 t/m 9.6, die zijn opgenomen
in bijlage I bij dit besluit. </al>
      <tuskop letat="cur">Onderdelen g t/m j</tuskop>
      <al>Glastuinbouwbedrijven komen in hoofdzaak voor in een aantal concentratiegebieden.
Binnen die gebieden is er sprake van een mengeling van wonen en werken, waarbij
de woningen veelal gekoppeld zijn aan het bedrijf. Dit betekent dat de bewoners
in de concentratiegebieden vaak direct worden geconfronteerd met de aanwezigheid
van glastuinbouwbedrijven in de directe omgeving, met alle nadelige gevolgen
voor het woon- en leefklimaat van dien. Omdat deze situatie reeds jaren lang
bestaat, wordt zij echter in het algemeen geaccepteerd. Het is dan ook alleszins
redelijk om bij de beoordeling van de nadelige gevolgen die in die gebieden
gelegen glastuinbouwbedrijven kunnen veroorzaken, andere acceptatieniveaus
aan te houden voor nabuurtuinderswoningen dan voor de bebouwde kom of andere
als meer gevoelig te beschouwen objecten. Voor een vergelijkbare aanpak is
gekozen in de geluidnormering met betrekking tot woningen op een industrieterrein
en de stanknormering met betrekking tot woningen in het agrarische buitengebied.</al>
      <al>Met de omschrijving woning van derden, (niet) behorend tot een agrarisch
bedrijf, wordt onderscheid gemaakt tussen woningen met de bestemming agrarische
bedrijfswoning enerzijds en woningen die deze bestemming niet (meer) hebben
anderzijds. Eerstbedoelde woningen worden aangemerkt als objecten categorie
III, laatstbedoelde woningen als objecten categorie II. Woningen van categorie
II genieten op enkele punten extra bescherming, zoals blijkt uit de voorschriften
met afstandeisen, die betrekking hebben op de teelt van eetbare paddestoelen
(de voorschriften 23.1 tot en met 23.6, opgenomen in bijlage I bij het besluit).
In artikel 1, derde en vierde lid, waarin eveneens afstandseisen zijn gesteld,
wordt tussen objecten categorie II en objecten categorie III geen onderscheid
gemaakt.</al>
      <al>Woningen met de bestemming «agrarisch gebruik» worden aangemerkt
als objecten categorie III. Hiertoe behoren ook de woning van een zogenoemde
«rustende agrariër». Hiermee wordt bedoeld de voormalige
eigenaar van het bedrijf, die in familierelatie staat tot de huidige eigenaar. </al>
      <tuskop letat="cur">Onderdelen s t/m v</tuskop>
      <al>Met betrekking tot brandbare vloeistoffen wordt onderscheid gemaakt tussen
K0-, K1-, K2- en K3-vloeistoffen. Deze vloeistoffen bezitten een verschillend
vlampunt. Het vlampunt is een maat voor de ontvlambaarheid van een vloeistof.</al>
      <al>Tot de K0-klasse (zeer licht ontvlambare vloeistoffen) behoren bijvoorbeeld
ethyleenoxide en cyaanwaterstof. Ook tot vloeistof verdichte gassen behoren
tot de K0-klasse. Het tot vloeistof verdichten van gassen kan onder druk en
door koude plaatsvinden. Een voorbeeld hiervan is tot vloeistof verdicht koolzuurgas
(CO<inf>2</inf>). Een dergelijke stof wordt op tuinbouwbedrijven toegepast
als voedingsstof ter bevordering van de koolstofassimilatie. Op de opslag
van CO<inf>2</inf> zijn de voorschriften 18.1 tot en met 18.32, opgenomen
in bijlage I bij dit besluit, van toepassing. Tot de klasse K1 (licht ontvlambare
vloeistoffen) behoren bijvoorbeeld benzine en aceton. Als K2-vloeistoffen
(ontvlambare vloeistoffen) kunnen worden onder meer petroleum, terpentine
en thinner worden genoemd. Bij K3-vloeistoffen (brandbare vloeistoffen)
kan worden gedacht aan gasolie en dieselolie.</al>
      <al>Tot welke klasse brandbare vloeistoffen behoren kan worden afgelezen op
de emballage. De volgende aanduidingen worden gebruikt:</al>
      <al>K1 : oranje vierkant met daarin een zwarte vlam en de tekst «licht
ontvlambaar»</al>
      <al>K2 : de tekst «ontvlambaar»</al>
      <al>Voor K3-vloeistoffen is geen aanduiding verplicht.</al>
      <al>Ook brandbare verven kunnen een K1-, K2- of K3-vloeistof zijn; zij kunnen
aan dan dezelfde aanduidingen worden herkend. In het algemeen behoren brandbare,
uitstrijkbare verven tot de klasse K2. </al>
      <tuskop letat="cur">Onderdeel x</tuskop>
      <al>Het gaat om het totaal aan teeltoppervlakte, dat op het bedrijf ten behoeve
van de teelt van eetbare paddestoelen aanwezig is. Het aantal malen dat de
cellen worden gevuld is in dit verband niet van belang, aangezien dat een
maat voor de produktie-capaciteit is en niet voor de teeltoppervlakte. Cellen
die enige tijd leeg staan maar nog niet definitief uit produktie zijn genomen,
worden tot de teeltoppervlakte van de cellen gerekend. </al>
      <tuskop letat="vet">Artikel 1, tweede lid</tuskop>
      <al>In het tweede lid van artikel 1 is bepaald dat het onderhavige besluit
niet van toepassing is op een tuinbouwbedrijf met bedekte teelt dat is opgericht
na de datum van inwerkingtreding van dit besluit en dat is gelegen in een
gebied dat krachtens artikel 1.2, tweede lid, onder a of b, van de Wet milieubeheer
bij een provinciale milieuverordening is aangewezen of dat anderszins bij
een zodanige verordening is aangewezen als gebied waarin de kwaliteit van
het milieu of van een of meer onderdelen daarvan bijzondere bescherming behoeft
en waarvoor bij die verordening regels zijn gesteld, die die bescherming beogen.</al>
      <al>Voor een dergelijk bedrijf dient derhalve een vergunning te worden aangevraagd
op grond van artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer. De reden voor
de uitzondering van de werkingssfeer van dit besluit is dat in een afzonderlijke
procedure moet kunnen worden beoordeeld of en in welke vorm een bedrijf in
een milieubeschermingsgebied kan worden toegestaan, gelet op het provinciale
beleid dat in het gebied wordt gevoerd, zoals dit in de provinciale milieuverordening
is neergelegd. In een dergelijke verordening kunnen met betrekking tot inrichtingen,
waartoe ook tuinbouwbedrijven met bedekte teelt kunnen behoren, regels worden
gesteld, waarin dit beleid zijn vertaling vindt en die door het bevoegde gezag
bij de beoordeling van een vergunningaanvraag in acht dienen te worden genomen. </al>
      <tuskop letat="vet">Artikel 1, derde en vierde lid</tuskop>
      <al>Een tuinbouwbedrijf met bedekte teelt kan nadelige gevolgen voor het milieu
veroorzaken door onder meer de fysieke aanwezigheid van opstallen en bedrijfsgebouwen,
de opslag en het gebruik van chemicaliën, zoals gewasbeschermingsmiddelen,
het gebruik van toestellen en installaties, verwarmingsinstallaties, de toepassing
van kunstlicht, intern transport en aan- en afrijdend verkeer. Die gevolgen
zijn slechts gedeeltelijk door het treffen van technische voorzieningen en
organisatorische maatregelen te ondervangen. Ook zonering ten opzichte van
gevoelige en te beschermen objecten kan een bijdrage leveren aan het voorkomen
van nadelige gevolgen voor de omgeving. Indien tussen het bedrijf en het dichtstbijgelegen
object ten minste de in het derde en vierde lid van artikel 1 aangegeven afstanden
worden aangehouden, en overigens aan de in dit besluit gestelde
voorschriften wordt voldaan, biedt het besluit voldoende bescherming tegen
de nadelige gevolgen. De toepassing van bestrijdingsmiddelen is bij het stellen
van bedoelde afstandseisen een belangrijk aandachtspunt geweest. Daarom zal
in het hiernavolgende uitvoeriger op dit aspect worden ingegaan. Indien niet
aan de afstandseisen wordt voldaan, dient in een vergunningprocedure voor
het desbetreffende bedrijf afzonderlijk te worden nagegaan of de nadelige
gevolgen die door het bedrijf kunnen worden veroorzaakt, door het treffen
van andere maatregelen te voorkomen zijn.</al>
      <al>Er wordt onderscheid gemaakt tussen nieuwe bedrijven (derde lid) en bestaande
bedrijven (vierde lid). Voor nieuwe bedrijven gelden strengere afstandseisen
dan voor bestaande bedrijven. Onder nieuwe bedrijven worden hier verstaan
bedrijven die na het tijdstip van inwerkingtreding van het besluit zijn of
worden opgericht. Bestaande bedrijven zijn bedrijven die vóór
dat tijdstip zijn opgericht. Beslissend hierbij is de feitelijke oprichting
van een bedrijf en niet de omstandigheid of voor het bedrijf al dan niet een
vergunning geldt. Onder oprichting van een tuinbouwbedrijf met bedekte teelt
wordt nieuwvestiging van een tuinbouwbedrijf met bedekte teelt verstaan. Als
er wordt overgegaan van een akkerbouwbedrijf, veehouderij of bedrijf met opengrondsteelt
op een tuinbouwbedrijf met bedekte teelt, is er eveneens sprake van oprichting
van een tuinbouwbedrijf met bedekte teelt. Een dergelijk bedrijf zal dus moeten
voldoen aan de eisen die in dit besluit zijn gesteld voor nieuwe bedrijven.
In geval van uitbreiding van een bestaand tuinbouwbedrijf met bedekte teelt
is er geen sprake van oprichting; een dergelijk bedrijf moet dus niet worden
gezien als een nieuw bedrijf, ook niet wat betreft de uitbreiding.</al>
      <al>Voor nieuwe bedrijven geldt een afstandseis van 50 meter tot een object
categorie I (aaneengesloten woonbebouwing, gevoelig object als bedoeld in
artikel 1, eerste lid, onder c, van dit besluit) en van 25 meter tot een object
categorie II of een object categorie III (losstaande woning). Voor bestaande
bedrijven geldt een eis van 25 meter, onderscheidenlijk 10 meter.</al>
      <al>Met betrekking tot de afstandseisen voor bestaande bedrijven kan het volgende
worden opgemerkt. Uit onderzoek in met name de concentratiegebieden van tuinbouwbedrijven
en uit overleg met de betrokken overheden in die gebieden is niet gebleken
dat zich bij de gestelde afstanden ontoelaatbare nadelige gevolgen voor het
milieu kunnen voordoen indien de in bijlage I bij dit besluit opgenomen voorschriften
worden nageleefd, alsmede de voorschriften die gelden ingevolge de Bestrijdingsmiddelenwet
1962. In dergelijke situaties bestaat tevens een goed evenwicht tussen het
milieubelang enerzijds en de belangen van de reeds gevestigde bedrijven anderzijds.
Aan een beoordeling van elk bedrijf afzonderlijk bestaat onder deze omstandigheden
geen behoefte meer. Daarbij is tevens in aanmerking genomen dat de effectiviteit
en het milieurendement van een vergunningprocedure in dergelijke situaties
gering zouden zijn. Evenmin bestaat er behoefte aan de mogelijkheid om aanvullende
voorschriften te stellen.</al>
      <al>Voor nieuwe bedrijven ligt dit in zoverre anders dat het bij de vestiging
van een bedrijf eenvoudiger is om een bepaalde afstand tot bestaande bebouwing
aan te houden en met dat vereiste bij voorbaat rekening te houden. Dit heeft
ertoe geleid dat voor een dergelijk bedrijf in dit besluit strengere afstandseisen
zijn gesteld. Indien niet aan deze eisen wordt voldaan, betekent dit niet
zonder meer dat het bedrijf niet kan worden toegestaan, maar dat een beoordeling
in een afzonderlijke vergunningprocedure ingevolge artikel 8.1 van de Wet
milieubeheer noodzakelijk is. Aldus kan worden voorkomen dat op grote schaal
nieuwe situaties ontstaan, waarin tuinbouwbedrijven en woningen pal op elkaar
liggen. Hierbij dient te worden aangetekend dat veranderingen van de woonomgeving
door de vestiging van nieuwe bedrijven anders wordt ervaren dan de
continuering van bestaande, bekende of vertrouwde, situaties, waarin tuinbouwbedrijven
in de nabijheid van woningen zijn gelegen, die met name in concentratiegebieden
van glastuinbouwbedrijven veelvuldig voorkomen. Daarom is het redelijk voor
nieuwe bedrijven strengere eisen te stellen dan voor bestaande bedrijven.
Ter voorkoming van misverstanden zij er nog eens op gewezen dat de in artikel
1, derde en vierde lid, aangegeven afstanden niet alleen in verband met het
gebruik van bestrijdingsmiddelen zijn opgenomen, maar zijn gesteld met het
oog op de nadelige gevolgen voor het milieu, die een tuinbouwbedrijf in totaal
voor de directe omgeving kan veroorzaken. De in artikel 1, derde lid, opgenomen
regeling stelt gemeenten in staat om het verder oprukken van tuinbouwbedrijven
in de richting van woningen beter in de hand te houden. De aangegeven afstanden
kunnen tevens worden gebruikt als handreiking voor het opstellen van bestemmingsplannen,
waarin is voorzien in de vestiging van nieuwe tuinbouwbedrijven in de nabijheid
van woningen, de uitbreiding van bestaande tuinbouwbedrijven in de richting
van woningen of de bouw van woningen nabij bestaande tuinbouwbedrijven.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zoals in het voorgaande reeds werd aangekondigd, zal in het hiernavolgende
nader worden ingegaan op de nadelige gevolgen voor het milieu, die in de omgeving
van met name glastuinbouwbedrijven kunnen optreden als gevolg van de toepassing
van bestrijdingsmiddelen. Het gaat met name om gezondheidsrisico's voor omliggende
woningen.</al>
      <al>De in artikel 1, derde en vierde lid, opgenomen afstanden zijn mede gebaseerd
op onderzoeken van zowel het TNO als het RIVM. Het onderzoek van TNO had tot
doel inzicht te krijgen in de emissie van gewasbeschermingsmiddelen bij de
toepassing van deze middelen in kassen. Dit onderzoek maakt het mogelijk concentratieprofielen
in de lucht te berekenen. Deze geven inzicht in de concentraties waarin bestrijdingsmiddelen
tijdens en na de toepassing in de nabijheid van de kas voorkomen.</al>
      <al>Gebleken is dat binnen de lijwervel van de kas, dat wil zeggen binnen
een afstand van ongeveer 7 maal de kashoogte, een vrijwel gelijkmatige concentratie
heerst en dat deze concentratie wordt bepaald door de dampspanning van het
desbetreffende middel en de toedieningstechniek. Het concentratieverloop kan
in vier fasen worden ingedeeld, namelijk:</al>
      <al>* de concentratie in het eerste uur na de toediening,</al>
      <al>* de concentratie in het tweede uur na de toediening tot het moment van
ventileren,</al>
      <al>* de concentratie tijdens het ventileren, en</al>
      <al>* de concentratie na het ventileren.</al>
      <al>In de uren na de toediening en voor het ventileren is de concentratie
van het middel in de lijwervel het hoogst.</al>
      <al>Verder is gebleken dat het middel met de hoogste dampspanning de hoogste
concentratie geeft, onafhankelijk van de toedieningstechniek. Van zes, in
de glastuinbouw veel toegepaste, middelen met een relatief hoge toxiciteit,
waaronder het middel met de hoogste dampspanning, is nagegaan of de door het
RIVM berekende gezondheidskundige grenswaarde voor acute blootstelling (uurgemiddelde)
wordt overschreden.</al>
      <al>Bij eenmalige toepassing van de onderzochte middelen is ook voor de middelen
met de hoogste toxiteit geen overschrijding van deze waarden gevonden. Omdat
er binnen het totale volume van de lijwervel, dat wil zeggen op elke afstand
tot de kas, een gelijke concentratie heerst, is er bij de in artikel 1, derde
en vierde lid, aangegeven afstanden op grond van de huidige kennis en inzichten
geen aanleiding voor aanvullende regels of beperkingen met betrekking tot
de toepassing van bestrijdingsmiddelen in een kas. Vervolgonderzoek is echter
noodzakelijk, omdat in vorenbedoeld onderzoek werd uitgegaan van een eenmalige
toediening van een bestrijdingsmiddel. In de praktijk worden middelen echter
met een zekere frequentie toegepast. Bovendien is specifiek vervolgonderzoek
nodig naar de situatie in glastuinbouwgebieden. Bedoelde onderzoeken kunnen
leiden tot nieuwe inzichten met betrekking tot risico's ten gevolge van de
emissie van bestrijdingsmiddelen. Dit kan er toe leiden dat in dit besluit
alsnog aanvullende voorschriften ter zake van het gebruik van bestrijdingsmiddelen
worden opgenomen. </al>
      <tuskop letat="vet">Artikel 1, vijfde lid</tuskop>
      <al>In de toelichting op artikel 1, eerste lid, is uiteengezet wat in het
kader van de Wet milieubeheer onder een inrichting wordt verstaan. Bij tuinbouwbedrijven
met bedekte teelt gaat het in beginsel om de gebouwen en het daaromheen gelegen
erf.</al>
      <al>Bij het bepalen van de in het derde en vierde lid van artikel 1 bedoelde
afstanden wordt uitgegaan van het onderdeel van de inrichting, dat zich het
dichtst bij het te beschermen object bevindt. Daarbij worden het waterbassin,
de (warm)wateropslagtank en het open erf buiten beschouwing gelaten. Hetzelfde
geldt voor schuurtjes, garages, bergingen en dergelijke, die behoren tot het
te beschermen object. Dit laatste volgt uit de omschrijving van het begrip
woning in artikel 1, eerste lid, onder d. Alleen de woon-, verblijf- en slaapruimten
genieten ingevolge dit besluit bescherming. </al>
      <tuskop letat="vet">Artikel 2, eerste lid en tweede lid</tuskop>
      <al>De in bijlage I bij dit besluit opgenomen voorschriften zijn gesteld teneinde
de nadelige gevolgen voor het milieu, die een tuinbouwbedrijf met bedekte
teelt kan veroorzaken, te voorkomen, dan wel, voor zover deze gevolgen niet
kunnen worden voorkomen, daartegen de grootst mogelijk bescherming te bieden,
voor zover dat redelijkerwijs van het bedrijf kan worden gevergd. Hiermee
is uitvoering gegeven aan artikel 8.40, derde lid, van de Wet milieubeheer
juncto artikel 8.11, derde lid, van deze wet.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De voorschriften gelden met onmiddellijke ingang voor bedrijven die worden
opgericht na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit en binnen de
werkingssfeer daarvan vallen. Voor andere bedrijven waarop het onderhavige
besluit van toepassing wordt, is een overgangsregeling opgenomen in artikel
5 van dit besluit. Voor een toelichting zij verwezen naar de toelichting op
dat artikel.</al>
      <al>Andersom is het ook mogelijk dat een tuinbouwbedrijf met bedekte teelt,
waarop het onderhavige besluit van toepassing is, door een verandering van
omstandigheden buiten de werkingssfeer van het besluit komt te vallen en voor
het bedrijf een vergunning dient te worden aangevraagd op grond van artikel
8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer. Artikel 8.1, tweede lid, van deze
wet is dan namelijk niet van toepassing. Voor dergelijke bedrijven is een
overgangsregeling getroffen in artikel 8.21 van de Wet milieubeheer. Deze
houdt in dat de inrichting in afwijking van artikel 8.1, eerste lid, zonder
vergunning in werking kan worden gehouden gedurende de in artikel 8.21 aangegeven
termijn. Ingevolge artikel 8.21, derde lid, blijven voor het bedrijf gedurende
die termijn de in bijlage I bij het onderhavige besluit opgenomen voorschriften
gelden. Indien de vergunningplicht ontstaat ten gevolge van een voorgenomen
verandering van de inrichting of van de werking daarvan, mag de verandering
pas worden verwezenlijkt nadat de vergunning is verleend. Dit is bepaald in
het tweede lid van artikel 8.21.</al>
      <al>Voor de toepassing van artikel 8.21 van de Wet milieubeheer maakt het
niet uit of eerder voor de inrichting een vergunning is verleend, omdat die
vergunning door het in werking treden van de amvb is komen te vervallen. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>In een aantal voorschriften is de mogelijkheid geopend dat het bevoegd
gezag met betrekking tot de in die voorschriften geregelde onderwerpen nadere
eisen stelt. In andere gevallen, die niet uitdrukkelijk in de voorschriften
zijn aangegeven, kan het bevoegd gezag geen nadere eisen stellen. De mogelijkheid
tot het stellen van nadere eisen is zo veel mogelijk beperkt. Het gaat met
name om de voorschriften die betrekking hebben op geluid- en lichthinder.
Het kader waarbinnen nadere eisen kunnen worden gesteld, is in de desbetreffende
voorschriften aangegeven.</al>
      <al>Het instrument nadere eisen maakt het mogelijk om binnen de grenzen die
zijn aangegeven in het desbetreffende voorschrift, tot een op de concrete
situatie toegesneden, doelmatige oplossing te komen. Nadere eisen mogen alleen
gesteld worden indien de lokale situatie dit noodzakelijk maakt en moeten
redelijkerwijs kunnen worden gevergd (zie ook de toelichting op de desbetreffende
voorschriften). Daarbij dient te worden voldaan aan de vereisten die ter zake
van het geven van beschikkingen zijn gesteld in de Algemene wet bestuursrecht,
met name in hoofdstuk 4, titel 4.1 (Beschikkingen). Vooral van belang zijn
de bepalingen die betrekking hebben op de voorbereidingsprocedure, de beslistermijn
en de motivering. De bepalingen in de Algemene wet bestuursrecht, die in de
afdelingen 3.4 en 3.5 van die wet zijn opgenomen en die betrekking hebben
op de openbare voorbereidingsprocedure, zijn niet van toepassing op het geven
van een beschikking waarin nadere eisen zijn gesteld.</al>
      <al>Voor een goede gang van zaken is het ook van belang dat eventuele nadere
eisen zo spoedig mogelijk nadat een melding is binnengekomen, worden gesteld,
vooral wanneer die nadere eisen betrekking hebben op de bouw van de inrichting.</al>
      <al>Van een beschikking waarbij nadere eisen worden gesteld, wordt kennis
gegeven door publicatie in een of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen.
Dit is bepaald in artikel 2, tweede lid.</al>
      <al>Deze bepaling strekt ter uitvoering van artikel 8.42, eerste lid, van
de Wet milieubeheer. </al>
      <tuskop letat="vet">Artikel 3 </tuskop>
      <tuskop letat="cur">Artikel 3, eerste, tweede en derde lid</tuskop>
      <al>Degene die voornemens is een tuinbouwbedrijf met bedekte teelt op te richten,
waarop dit besluit van toepassing is, dient dit voornemen te melden aan het
bevoegd gezag en aan de inspecteur (eerste lid). De melding dient ten minste
vier weken voordat de inrichting wordt opgericht, te worden gedaan. Een melding
behoeft niet plaats te vinden indien voor het betrokken bedrijf vóór
het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit een vergunning is verleend.
Dit is bepaald in artikel 5, derde lid. De melding kan in dat geval achterwege
blijven omdat het bevoegd gezag al van de aanwezigheid van het bedrijf op
de hoogte is.</al>
      <al>Ingevolge het tweede lid is ook degene die voornemens is een tuinbouwbedrijf
met bedekte teelt te veranderen dan wel de werking daarvan te veranderen,
verplicht dit te melden. In bepaalde gevallen, die zijn omschreven in het
derde lid, behoeft echter geen melding plaats te vinden. Een melding is niet
vereist indien de verandering of verandering van werkwijze niet leidt tot
een wijziging van de gegevens waarover het bevoegd gezag reeds beschikt op
grond van een eerdere melding of een voor het bedrijf geldende vergunning. </al>
      <tuskop letat="vet">Artikel 3, vierde lid</tuskop>
      <al>Degene die een melding doet als bedoeld in het eerste of tweede lid, moet
daarbij het tijdstip vermelden, waarin het tuinbouwbedrijf met bedekte
teelt of de verandering daarvan in werking zal worden gebracht of de verandering
van de werking van het bedrijf zal zijn verwezenlijkt. De melding stelt het
bevoegd gezag in staat voor aanvang van deze periode te controleren of aan
de in het besluit opgenomen voorschriften wordt voldaan. Het bevoegd gezag
is overigens niet verplicht een dergelijke controle uit te voeren. Het uitvoeren
van een controle is in veel gevallen echter wèl raadzaam. Indien een
controle wordt uitgevoerd, zijn daarvoor geen leges verschuldigd. Het bevoegd
gezag is evenmin verplicht op andere wijze op de melding te reageren. Met
name wordt van het bevoegd gezag niet verwacht dat een schriftelijke verklaring
wordt afgegeven of terecht is gemeld dan wel een vergunning dient te worden
aangevraagd. De Wet milieubeheer voorziet niet in een dergelijke reactie,
die door de rechter als een beschikking in de zin van de Algemene wet bestuursrecht
kan worden opgevat. Dit kan tot een procedure leiden, die niet door de wetgever
is beoogd. Het is verstandig dat degene die de inrichting drijft, voorafgaand
aan of direct na de melding met het bevoegd gezag contact opneemt teneinde
na te gaan welke voorzieningen eventueel nog aangebracht moeten worden om
aan de voorschriften te voldoen en of een noodzaak voor het stellen van nadere
eisen bestaat. Uiteraard kan het bevoegd gezag ook zelf contact opnemen met
degene die de melding heeft gedaan, om een afspraak te maken ten behoeve van
een controle. Op deze wijze kan worden gewaarborgd dat de voornemens ten uitvoer
worden gebracht in overeenstemming met de voorschriften.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Aan een controle door het bevoegd gezag zijn geen directe gevolgen verbonden.
Een negatief controleresultaat of het achterwege blijven van een controle
staat op zichzelf niet in de weg aan het in werking brengen van het tuinbouwbedrijf
met bedekte teelt of het veranderen daarvan, noch aan de verwezenlijking van
het veranderen van de werking van het bedrijf. Wordt bij een controle geconstateerd
dat niet aan de voorschriften is voldaan, dan kan het bevoegd gezag tegen
die overtreding optreden met de normale sanctiemiddelen van de Wet milieubeheer.
Daarnaast blijft het uiteraard nodig periodiek om te controleren of het tuinbouwbedrijf
met bedekte teelt nog aan de voorschriften voldoet.</al>
      <al>Bij het doen van een melding dient men gebruik te maken van een meldingsformulier
dat is vastgesteld door de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening
en Milieubeheer. </al>
      <tuskop letat="vet">Artikel 3, vijfde lid</tuskop>
      <al>Het kan voorkomen dat na het indienen van het meldingsformulier bij het
bevoegd gezag het voorgenomen tijdstip waarop de inrichting zal worden opgericht
of veranderd dan wel de werking van het bedrijf zal worden veranderd, verschuift
doordat een verandering is opgetreden in de planning. Artikel 3, vijfde lid,
verplicht degene die de inrichting drijft, om het bevoegd gezag hiervan tijdig
op de hoogte te stellen. In die gevallen kan volstaan worden met het op andere
wijze doorgeven van de nieuwe datum, bijvoorbeeld per telefoon. Op basis hiervan
kan een nieuwe afspraak worden gemaakt. Het is dus niet nodig om met vermelding
van de nieuwe datum opnieuw een meldingenformulier bij het bevoegd gezag in
te dienen. </al>
      <tuskop letat="vet">Artikel 4</tuskop>
      <al>Artikel 4 verplicht tot het verrichten van nulsituatie-onderzoek en eindonderzoek
naar de kwaliteit van de bodem binnen de inrichting.</al>
      <al>Het nulsituatie-onderzoek heeft als functie het bepalen van de referentie
voor eventueel later optredende verontreiniging. Indien bij het eindonderzoek
geen of dezelfde verontreiniging wordt geconstateerd, geven de metingen geen
aanleiding tot bodemsanering. Indien de verontreiniging echter
blijkt te zijn toegenomen, zal de bodem ten minste moeten worden gebracht
in de staat ten tijde van het nulsituatie-onderzoek.</al>
      <al>Het onderzoek is in de vorm van een protocol omschreven in de publikatie
«Bodemonderzoek milieuvergunning en BSB», uitgave SDU, oktober
1993. Deze publikatie is een gezamenlijk produkt is van het Directoraat-Generaal
Milieubeheer, het Interprovinciaal Overleg (IPO), de Vereniging Nederlandse
Gemeenten (VNG) en de Stichting Bodemsanering Bedrijfsterreinen (BSB). Zij
is vooral bedoeld om de verschillende bodemonderzoeken die in het kader van
de milieuvergunning en in besluiten als het onderhavige worden verlangd, op
elkaar af te stemmen en te uniformeren. Het voornemen bestaat om dit protocol
op te nemen in NEN 5740. Deze norm zal het verkennend onderzoek in bredere
zin gaan regelen en de huidige NVN 5740 vervangen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In de definitie van het begrip verkennend onderzoek in artikel 1, eerste
lid, onder n, wordt verwezen naar de publikatie Bodemonderzoek milieuvergunning
en BSB. In de definitie is voorzien in de mogelijkheid dat die verwijzing
tezijnertijd wordt vervangen door een verwijzing naar de nog uit te brengen
NEN 5740.</al>
      <al>De plaatsen waar en de stoffen waarop het onderzoek zich moet richten
volgen primair uit het bovengenoemde protocol. Artikel 4, vijfde lid, noemt
een aantal plaatsen die in ieder geval voor onderzoek in aanmerking komen.</al>
      <al>De analyse van het bodemmonster op bestrijdingsmiddelen kan in het kader
van dit besluit beperkt blijven tot enkele middelen, die met regelmaat in
voorraad zijn.</al>
      <al>Tenslotte is in het zesde lid bepaald dat het glasareaal niet onderzocht
hoeft te worden als dat uitsluitend voor de teelt van gewassen wordt gebruikt.
Hiermee wordt afgeweken van de recente praktijk in enkele gemeenten om in
de vergunning ook bemonstering van de kasgrond voor te schrijven. Op dit moment
bestaat er nog onvoldoende inzicht in de voorwaarden waaronder een dergelijk
onderzoek in de specifieke situatie van de glastuinbouw een voor het individuele
bedrijf betrouwbare indicatie van de belasting van de bodem en van de te nemen
maatregelen kan opleveren. Het is daarom nog te vroeg om dergelijk bodemonderzoek
voor iedere individuele tuinder voor te schrijven. Nader onderzoek van deze
problematiek kan er toe leiden dat dit bij een toekomstige wijziging van het
besluit alsnog gebeurt.</al>
      <al>Het «nulsituatie-onderzoek» kan zowel voor al bestaande als
voor nieuwe inrichtingen de volgende neveneffecten hebben.</al>
      <al>a. Bij het «nulsituatie-onderzoek» wordt geen of een lichte
verontreiniging geconstateerd. Sanering is dan in het algemeen niet aan de
orde.</al>
      <al>b. Bij het «nulsituatie-onderzoek» wordt geconstateerd dat
er een vermoeden is van ernstige bodemverontreiniging. In hoofdstuk IV van
de Wet bodembescherming, algemene bepalingen ingeval van verontreiniging van
de bodem, is aangegeven hoe in dat geval verder moet worden gehandeld. Indien
uit vervolgonderzoek blijkt dat het vermoeden van ernstige bodemverontreiniging
juist is, zal dit, al dan niet op termijn, tot een bodemsanering moeten leiden. </al>
      <tuskop letat="vet">Artikel 5, eerste lid</tuskop>
      <al>Vanaf het tijdstip waarop op een reeds opgericht tuinbouwbedrijf met bedekte
teelt het besluit van toepassing wordt, is de vergunningplicht voor dat bedrijf
opgeheven en vervalt een eerder verleende vergunning. Gedurende dat jaar geldt
als overgangsregeling dat het tuinbouwbedrijf met bedekte teelt nog niet hoeft
te voldoen aan de voorschriften van de amvb. Formeel blijven gedurende dat
jaar de aan een vergunning verbonden voorschriften gelden. Een soortgelijke
bepaling geldt voor de voorschriften, die zijn verbonden aan
een verordening op grond van artikel 3, eerste lid, van de Hinderwet. De overgangstermijn
van een jaar is bedoeld om het bedrijf praktisch gezien in de gelegenheid
te stellen over te gaan van de vergunningvoorschriften, onderscheidenlijk
de verordeningsvoorschriften, op de amvb-voorschriften. Indien het voor bestaande
bedrijven belastend zou zijn om na één jaar aan een nieuw voorschrift
te moeten voldoen, zijn in het desbetreffende voorschrift langere overgangs-termijnen
aangegeven.</al>
      <al>Overigens zij opgemerkt dat in deze amvb met «opgericht» wordt
bedoeld dat de inrichting feitelijk bestaat. Dit kan met of zonder vergunning
het geval zijn. </al>
      <tuskop letat="vet">Artikel 5, tweede, derde en vierde lid</tuskop>
      <al>Voor reeds opgerichte tuinbouwbedrijven met bedekte teelt waarop de amvb
van toepassing wordt en waarvoor geen vergunningplicht meer geldt, is een
afwijkende meldingsregeling opgenomen.</al>
      <al>Die betreft in de eerste plaats alle bestaande tuinbouwbedrijven met bedekte
teelt, die binnen de werkingssfeer van de amvb komen te vallen op het tijdstip
waarop de maatregel in werking treedt.</al>
      <al>Daarnaast is het denkbaar dat in de loop van de tijd tuinbouwbedrijven
met bedekte teelt door wijzigingen van externe of interne factoren onder de
amvb komen te vallen. Hierbij kan worden gedacht wijzigingen in de omgeving
van deze bedrijven of aan wijzigingen van de capaciteit van de bedrijven.</al>
      <al>Indien een tuinbouwbedrijf met bedekte teelt onder de amvb komt te vallen,
dient degene die de inrichting drijft, binnen zes maanden, te rekenen vanaf
de datum waarop de amvb op het tuinbouwbedrijf met bedekte teelt van toepassing
wordt, aan het bevoegd gezag en aan de inspecteur te melden dat hij een tuinbouwbedrijf
met bedekte teelt in werking heeft. In andere amvb's op grond van artikel
8.40 van de Wet milieubeheer wordt standaard een termijn van drie maanden
gehanteerd. In de onderhavige amvb is, in overeenstemming met de overige besluiten
voor agrarische bedrijven, voor een langere termijn gekozen, aangezien het
besluit betrekking heeft op een groot aantal bedrijven. Het bevoegd gezag
kan de toestroom van meldingen dan zonder problemen verwerken. Bovendien wordt
de landbouwvoorlichting zo de nodige tijd geboden om de invoering van het
besluit in voldoende mate te ondersteunen.</al>
      <al>Indien men beschikt over een vergunning krachtens artikel 8.1 van de Wet
milieubeheer kan de melding achterwege blijven. Dit is in het vierde lid van
artikel 5 bepaald. Indien het tuinbouwbedrijf met bedekte teelt of de werking
daarvan zodanig wordt veranderd dat daardoor een afwijking zal ontstaan van
de in de vergunningbescheiden vastgelegde gegevens (zie artikel 3, derde lid),
dient wel een melding plaats te vinden. </al>
      <tuskop letat="vet">Artikel 5, vijfde lid</tuskop>
      <al>In tuinbouwbedrijven met bedekte teelt die reeds zijn opgericht op het
tijdstip waarop het onderhavige besluit op de inrichting van toepassing wordt,
dient een verkennend bodemonderzoek plaats te vinden binnen een termijn van
drie jaar na dat tijdstip. Het is niet de bedoeling dat voor het uitvoeren
van de bemonstering bestaande voorzieningen als een vloeistofdichte vloer
in een bedrijfsruimte worden verwijderd of beschadigd. </al>
      <tuskop letat="vet">Artikel 6</tuskop>
      <al>Voor een toelichting op dit artikel zij verwezen naar paragraaf 4.3, Verhouding
tot enkele andere regelingen.  </al>
      <tuskop letat="vet">HOOFDSTUK 3. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING (BIJLAGE I) </tuskop>
      <tuskop letat="vet">I. Begrippen</tuskop>
      <al>De definities van begrippen met betrekking tot geluid- en trillinghinder
sluiten aan op die welke gebruikt worden in de Wet geluidhinder.</al>
      <al>Met betrekking tot het begrip «ruimtebehandeling» kan het
volgende worden opgemerkt. Voor de bepaling van de gemiddelde deeltjes- of
druppelgrootte wordt gebruik gemaakt van de «volume mediaan diameter»
(vmd). Dit is een karakterisering van de verdeling van de grootte van de deeltjes
of druppeltjes, zoals die zich bij het verstuiven of versproeien voordoet.
Het gezamenlijk volume van de deeltjes of druppeltjes, die groter zijn dan
de vmd, is de helft van het totaal verspoten volume. Bij de begripsbepaling
gaat het om de grootte van de deeltjes of druppeltjes, zoals ze de toedieningsapparatuur
verlaten (initieel). Dit houdt tevens een karakterisering van de toedieningsapparatuur
in. Bij ruimtebehandeling is de vmd ten hoogste 50 μm, zodat de deeltjes
of druppeltjes in zwevende toestand kunnen geraken.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Ruimtebehandeling kan met de volgende technieken of apparatuur worden
uitgevoerd:</al>
      <al>– een poederverstuiver;</al>
      <al>– een fog of straalmotorspuit;</al>
      <al>– roken;</al>
      <al>– een LVM-installatie.</al>
      <al>Onder ruimtebehandeling wordt tevens verstaan een behandeling waarbij
zich het middel in de totale ruimte van de kas, of een groot deel ervan, bevindt.
Een beperkte, lokale behandeling, bijvoorbeeld met behulp van een spuitbuis,
wordt in dit verband niet gezien als een ruimtebehandeling. </al>
      <tuskop letat="vet">II. Voorschriften</tuskop>
      <al>Niet alle voorschriften zijn op ieder tuinbouwbedrijf met bedekte teelt
van toepassing. Een aantal voorschriften houdt verband met de aanwezigheid
van bepaalde toestellen, apparaten of stoffen dan wel met het uitvoeren van
bepaalde werkzaamheden.</al>
      <al>De inhoudsopgave van bijlage I geeft een overzicht van de verschillende
onderdelen van het voorschriftenpakket.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>1. De ruimten waarin bestrijdingsmiddelen worden bewaard en voor gebruik
worden gereedgemaakt moeten zodanig zijn uitgevoerd dat geen verontreiniging
van de bodem kan plaatsvinden, ook niet bij morsen of overvullen dan wel breuk
of beschadiging van opslag- en mengvaten. Dit betekent onder meer dat zich
in de ruimte geen opvang- of schrobputje mag bevinden, dat een directe aansluiting
op de riolering of het oppervlaktewater heeft, of waardoor lozing in de bodem
zou kunnen optreden. In dit verband kan voorts nog worden opgemerkt dat het
opslaan van bestrijdingsmiddelen moet voldoen aan de artikelen 8 tot en met
12 van het Bestrijdingsmiddelenbesluit.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>1.3. In de toelichting bij artikel 1, derde en vierde lid, is uiteengezet
wat op grond van onderzoek van het TNO en het RIVM is te verwachten aan concentraties
van bestrijdingsmiddelen nabij een kas tijdens en na gebruik van die middelen
in die kas. Uit de toxicologische toets van een aantal middelen is geconcludeerd
dat de gevonden concentraties vooralsnog geen aanleiding geven om in aanvulling
op de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 op ruime schaal beperkingen en voorschriften
ten aanzien van het gebruik van bestrijdingsmiddelen in het onderhavige besluit
op te nemen.</al>
      <al>De voorschriften 1.3.1 en 1.3.2 hebben betrekking op het gebruik van dompelbaden,
waarin met bestrijdingsmiddelen wordt gewerkt. Dit kan bij lekkage en onzorgvuldig
gebruik tot bodemverontreiniging leiden. De voorschriften zijn gesteld om
dat te voorkomen.</al>
      <al>In voorschrift 1.3.3 is bepaald dat in geval van ruimtebehandeling ramen,
deuren en ventilatie-openingen gedurende de behandeling gesloten dienen te
zijn en dit dienen te blijven tot twee uur na de behandeling. Voor een toelichting
op het begrip ruimtebehandeling kan worden verwezen naar de toelichting op
de begrippen, die onder I in de bijlage zijn opgenomen. Het voorschrift is
niet van toepassing bij het toedienen van een bestrijdingsmiddel, waarbij
de vmd kleiner is dan 50 μm, maar waarbij de toediening in een beperkt
deel van de kas plaatsvindt, zoals bij het gebruik van een spuitbus. Dit volgt
uit de definitie van het begrip ruimtebehandeling, die is opgenomen in de
bij het besluit behorende Bijlage I, onder I.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>2.1. In toenemende mate vindt de opslag van vloeibare meststoffen plaats
in grote opslageenheden. De grootte van de opslagvaten is afhankelijk van
de omvang van het bedrijf, de behoefte aan mestgift en de bevoorradingsfrequentie.
Uit een oogpunt van veiligheid en het voorkomen van lucht- en bodemverontreiniging
is het van belang dat voor de bevoorrading en de opslag van deze stoffen regels
worden gesteld.</al>
      <al>Voorkomen moet worden dat verschillende stoffen, die bij vermenging aanleiding
kunnen geven tot ontwikkeling van dampen, een explosie of iets dergelijks,
met elkaar in contact kunnen komen. Derhalve dienen de ontluchtingsleidingen
van de tanks voor zuur produkt in de vrije buitenlucht uit te monden (voorschrift
2.1.4).</al>
      <al>Voorts bepaalt voorschrift 2.1.11 dat in de opvangbak een scheiding moet
zijn aangebracht tussen de vaten die zijn bestemd voor de opslag van zuren
en basen, teneinde te voorkomen dat deze produkten bij lekkage, overvullen
of morsen vermengd kunnen raken. Verder zijn voorschriften opgenomen met betrekking
tot een goede aanduiding van de vulleidingen en maatregelen ter voorkoming
van verkeerde aansluiting bij het bevoorraden. De in de amvb opgenomen voorschriften
sluiten nauw aan bij de «Richtlijnen voor gebruik water- en mestinstallaties»
(eerste druk, 1993) van de Stuurgroep «Water- en mestinstallaties».
Deze stuurgroep is samengesteld uit vertegenwoordigers van het tuinbouwbedrijfsleven,
verzekeringsmaatschappijen en installatiebedrijven.</al>
      <al>Ingevolge voorschrift 2.1.17 dient een vulpunt tegen mechanische beschadigingen
te zijn beschermd. Een dergelijke beschadiging kan bijvoorbeeld het gevolg
van een aanrijding zijn.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>2.3. De in deze paragraaf opgenomen voorschriften hebben uitsluitend betrekking
op vaste meststoffen van dierlijke oorsprong en andere organische meststoffen
en niet op kunstmeststoffen.</al>
      <al>Opslagen van vaste meststoffen, die reeds aanwezig waren op het tijdstip
van inwerkingtreding van deze amvb, moeten drie jaar na dat tijdstip op 100
m afstand van een object categorie I of op 50 m afstand van een object categorie
II of III zijn gelegen. Aan deze afstandseisen behoeft niet te worden voldaan
indien verplaatsing van een bestaande opslag redelijkerwijs niet kan worden
gevergd. Dit is bijvoorbeeld het geval indien verplaatsing van de opslag niet
mogelijk is wegens ruimtegebrek binnen een inrichting dan wel de opslag uit
zodanig omvangrijke bouwkundige constructies bestaat dat verplaatsing daarvan
onredelijk hoge kosten mee zou brengen. In een dergelijk geval kan het bevoegd
gezag nadere eisen stellen met betrekking tot de omvang van de opslag, het
afdekken ervan en de frequentie van afvoer. Een minimale afstand van 25 m
tot objecten categorie I, II of III blijft echter verplicht. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>3. De voorschriften 3.1 t/m 3.4 hebben betrekking op de veiligheid en
het deugdelijk functioneren van zuigermotoren. De emissie-eisen die voor deze
zuigermotoren gelden, zijn gesteld in het BEES-B. Voor een toelichting op
de verhouding tot dat besluit zij verwezen naar paragraaf 4.3, Verhouding
tot enkele andere regelingen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>3.2. Uit een oogpunt van veiligheid, milieu en rendement is het van belang
dat zuigermotoren en verwarmingsinstallaties goed worden afgesteld, bediend
en onderhouden. Op grond van voorschrift 3.2.1 dient dan ook ten minste eenmaal
per jaar onderhoud en afstelling plaats te vinden. Voorts dient er op grond
van voorschrift 3.2.2 eenmaal per periode van twee jaar een controle plaats
te vinden. Voor het installeren, in gebruik nemen, onderhouden en controleren
van verwarmingsinstallaties is een erkenningsregelgeving in voorbereiding.
Deze regeling geeft aan welke bepalingen hierbij gelden en welke instanties
deze werkzaamheden mogen uitvoeren. Voor kleine verwarmingstoestellen bestaat
nu reeds de Waarborgregeling REG 94. In het besluit is voor de interimperiode
tot het van kracht worden van de hiervoor genoemde algemene erkenningsregeling
bij de Waarborgregeling aangesloten. Verwacht wordt dat die regeling in de
praktijk gedurende de tussenperiode voldoende kwaliteitsbescherming biedt.</al>
      <al>Een bedrijf dat bij de regeling is aangesloten mag zowel het onderhoud
als de controle van een toestel verrichten. Deze opzet is vergelijkbaar met
die voor het onderhouden en keuren van auto's (apk).</al>
      <witreg></witreg>
      <al>4. De voorschriften onder 4.2 t/m 4.5 bevatten de eisen betreffende constructie,
installatie, gebruik, controle en veiligheid van verwarmingsinstallaties en
stookinstallaties met een gezamenlijke nominale belasting van meer dan 130
kW. De emissie-eisen zijn gesteld in BEES-B. Voor een toelichting op de verhouding
tussen het onderhavige besluit en het BEES-B zij verwezen naar paragraaf 4.3,
Verhouding tot enkele andere regelingen. Hierbij dient te worden opgemerkt
dat het laatstgenoemde besluit niet geldt voor ketelinstallaties met een vermogen
van minder dan 2,5 MW. Emissie-eisen voor stookinstallaties met een dergelijk
klein vermogen zijn nog in voorbereiding. Het onderhavige besluit is niet
van toepassing op tuinbouwbedrijven met bedekte teelt, waarin stookinstallaties
worden gestookt met kolen of stookolie, met uitzondering van lichte stookolie.
Dit is bepaald in artikel 1, eerste lid, onder a, 1° tot en met 3°,
van het besluit. De controle van met aardgas te stoken toestellen is verplicht
voor toestellen met een nominale belasting van 130 kW of meer (zie voorschrift
4.3). Verwezen zij naar de toelichting op voorschrift 3.2. Voorschrift 4.3.1
verplicht tot regelmatig onderhouden en afstellen van stooktoestellen. Op
grond van voorschrift 4.4.1 moeten de wanden van de ruimte waarin een stooktoestel
is geplaatst, aan de in de NEN aangegeven brandwerendheidseisen voldoen. Het
komt voor dat een ketelinstallatie in een kas is geplaatst of dat een of meer
wanden van de ketelruimte uit glas bestaan. Gelet op de afstanden tot omringende
woningen, die bepalen of het bedrijf onder de amvb valt (artikel 1, derde
en vierde lid), kan zo'n situatie worden geaccepteerd.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>5.2. Veiligheidseisen voor stationaire opstelling van accumulatoren ten
behoeve noodstroomvoorzieningen zijn opgenomen in zowel NEN 1010, uitgave
1962, als in NEN 1010, uitgave 1984. De eisen in NEN 1010, uitgave 1962, golden
echter uitsluitend voor installaties met een gezamenlijke energie van meer
dan 10 000 Vah. Voor installaties met een gezamenlijke energie van 10 000
Vah of minder was tot het verschijnen van NEN 1010, uitgave 1984, geen norm
voorhanden. Daarom is in de onder 5.2 opgenomen voorschriften voor dergelijke
kleinere installaties die zijn geplaatst vóór het
van toepassing worden van NEN 1010, uitgave 1984, expliciet het doel voorgeschreven,
namelijk het voorkomen van explosiegevaar.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>6. De voorschriften in deze paragraaf zijn van toepassing op afvalstoffen,
zoals bedrijfsafvalstoffen die naar aard en samenstelling overeenkomen met
huishoudelijk afval, papierafval en leeg emballagemateriaal. Aan de voorschriften
wordt voldaan indien afvalstoffen op normale wijze worden behandeld, bijvoorbeeld
door opslag in vuilniszakken of containers en periodieke afvoer.</al>
      <al>Op grond van artikel 10.27 van de Wet milieubeheer kan in het belang van
een doelmatige verwijdering van afvalstoffen bij provinciale verordening worden
bepaald dat het verbranden van bedrijfsafvalstoffen, zoals snoeihout uit het
eigen bedrijf, is verboden behoudens vergunning van gedeputeerde staten. Zolang
echter bij provinciale verordening geen regels met betrekking tot het verbranden
zijn gesteld, kan een gemeente bij verordening regels stellen met betrekking
tot het verbranden van bedrijfsafvalstoffen die in de eigen inrichting zijn
ontstaan.</al>
      <al>Indien op grond van een gemeentelijke verordening de verbranding van bepaalde
afvalstoffen, zoals snoeihout uit het eigen bedrijf, is toegestaan, staat
het onderhavige besluit daaraan niet in de weg (voorschrift 6.1). Dit kan
van belang zijn in gevallen waarin afvoer van met ziekten besmet materiaal
van het bedrijf een probleem oplevert.</al>
      <al>De regels die in de gemeentelijke verordening zijn gesteld, mogen niet
in strijd zijn met hetgeen bij een provinciale verordening is bepaald. Derhalve
kan aan een gemeentelijke verordening geen toestemming worden ontleend om
afvalstoffen te verbranden, indien dit bij provinciale verordening is verboden.</al>
      <al>In tuinbouwbedrijven met bedekte teelt kunnen afvalstoffen vrijkomen,
die vallen onder het Besluit aanwijzing gevaarlijke afvalstoffen en die –
gezien de hoeveelheid – worden aangeduid als klein chemisch afval. Dit
afval dient gescheiden van andere afvalstoffen periodiek uit de inrichting
te worden afgevoerd. Provincies hebben één of meer inzamelbedrijven
aangewezen, die verplicht zijn het klein chemisch afval op afroep binnen redelijke
termijn op te halen. Dikwijls zal er in de gemeente waarin het bedrijf is
gelegen, een depot zijn, waarheen het klein chemisch afval kan worden gebracht.
Voorschrift 6.2 is niet van toepassing op produkten die tijdens de teelt zijn
toegepast op de bodem en na afloop van de teelt een geheel met de bodem vormen,
zoals organische meststoffen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>7. Het onder bepaalde condities recirculeren van overtollig drainwater
bij substraatteelt wordt niet beschouwd als een lozing in de bodem met het
oog op het zich ontdoen van die waterstroom. Dit betekent dat het Lozingenbesluit
bodembescherming daarop niet van toepassing is. Voor een toelichting op de
verhouding van het onderhavige besluit tot het Lozingenbesluit bodembescherming
zij verwezen naar paragraaf 4.1.2, Lozingenbesluit bodembescherming. Op het
recirculeren van overtollig drainwater bij substraatteelt zijn wel de voorschriften
7.1 tot en met 7.6 van toepassing.</al>
      <al>In voorschrift 7.4 is bepaald dat de hoeveelheid drainwater op een representatief
aantal plaatsen moet worden gemeten. Het aantal meetplaatsen is afhankelijk
van de oppervlakte die het bedrijf beslaat. Als richtlijn kan worden gehanteerd
dat 1 meting wordt verricht per kwart hectare.</al>
      <al>Het bewaren en composteren van afgedragen gewas en ander plantaardig afval
alsmede het bewaren van vaste meststoffen (zowel dierlijke meststoffen als
andere organische meststoffen) en van gebruikt substraatmateriaal dient plaats
te vinden op een vloeistofdichte ondergrond, zodat mestvocht en verontreinigd
percolatiewater niet in de bodem kan geraken, hetgeen op den duur kan leiden
tot een lokale bodemverontreiniging. Voor de afvoer van het opgevangen
vocht gelden de regels van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren en het
Lozingenbesluit bodembescherming. Indien met het oog daarop (tussentijdse)
opslag nodig is, dient dit te geschieden in een vloeistofdichte opslagruimte.</al>
      <al>Op het lozen in de bodem van afvalwater is het Lozingenbesluit bodembescherming
van toepassing.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>8.1. In dit voorschrift is bepaald dat het toelaatbare equivalente geluidsniveau
(LAeq), veroorzaakt door vast opgestelde toestellen en installaties, niet
meer mag bedragen dan het referentieniveau ter plaatsen. Indien het referentieniveau
meer bedraagt dan 50 dB(A) gedurende de dagperiode, geldt voor die periode
echter een maximaal toelaatbaar equivalente geluidsniveau van 50dB(A). Is
het referentieniveau gedurende de dagperiode daarentegen lager dan 40dB(A)
dan mag voor die periode het equivalente geluidsniveau ten hoogste 40dB(A)
bedragen. Bepalingen van een zelfde strekking zijn vastgesteld voor de avond-
en de nachtperiode. Een indicatie van de referentieniveaus, en daarmee van
de toelaatbare equivalente geluidsniveaus, die in bepaalde omgevingen veelal
aanwezig zijn, kan worden verkregen uit de onderstaande tabel.</al>
      <al>Toelaatbare equivalente geluidsniveaus in de woonomgeving in dB(A) </al>
      <al>
        <table orient="port" rowsep="0" colsep="0" frame="topbot" tabstyle="sdu1">
          <tgroup align="left" charoff="75" cols="4" tgroupstyle="sdu1">
            <colspec colname="c1" colnum="1" colwidth="28.125mm"></colspec>
            <colspec colname="c2" colnum="2" colwidth="28.125mm"></colspec>
            <colspec colname="c3" colnum="3" colwidth="28.125mm"></colspec>
            <colspec colname="c4" colnum="4" colwidth="28.125mm"></colspec>
            <thead valign="bottom">
              <row valign="top">
                <entry morerows="0" rotate="0" rowsep="1"> Aard van de woonomgeving</entry>
                <entry morerows="0" rotate="0" rowsep="1">dag</entry>
                <entry morerows="0" rotate="0" rowsep="1">avond</entry>
                <entry morerows="0" rotate="0" rowsep="1">nacht</entry>
              </row>
            </thead>
            <tbody valign="bottom">
              <row valign="top">
                <entry morerows="0" rotate="0">1. Landelijke omgeving (herstellingsoorden, stille recreatie)</entry>
                <entry morerows="0" rotate="0">40</entry>
                <entry morerows="0" rotate="0">35</entry>
                <entry morerows="0" rotate="0">30</entry>
              </row>
              <row valign="top">
                <entry morerows="0" rotate="0">2. Rustige woonwijk, weinig verkeer</entry>
                <entry morerows="0" rotate="0">45</entry>
                <entry morerows="0" rotate="0">40</entry>
                <entry morerows="0" rotate="0">35 </entry>
              </row>
              <row valign="top">
                <entry morerows="0" rotate="0">3.
Woonwijk in de stad</entry>
                <entry morerows="0" rotate="0">50</entry>
                <entry morerows="0" rotate="0">45</entry>
                <entry morerows="0" rotate="0">40</entry>
              </row>
            </tbody>
          </tgroup>
        </table>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Onder woningen van derden worden ook huurwoningen verstaan, waarvan de
eigenaar tevens degene is die de inrichting drijft.</al>
      <al>Als geluidgevoelige bestemmingen kunnen onder meer worden aangemerkt:
gebouwen ten behoeve van basis-, en voortgezet onderwijs (met uitzondering
van gymnastieklokalen), bejaardenoorden, algemene, categoriale en academische
ziekenhuizen, verpleeghuizen, gebouwen voor sociaal-cultureel of maatschappelijk
gebruik (met uitzondering van horeca-inrichtingen), algemene en categoriale
psychiatrische ziekenhuizen, zwakzinnigeninrichtingen, inrichtingen voor zintuigelijk
gehandicapten, medische kindertehuizen, medische kleuterdagverblijven en sanatoria.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>8.2. Dit voorschrift geldt alleen voor inrichtingen die reeds zijn opgericht
vóór de datum waarop dit besluit op die inrichtingen van toepassing
wordt. Voorschrift 8.1 is in dat geval niet van toepassing. Voor bedoelde
inrichtingen geldt in ieder geval een maximaal toelaatbaar equivalent geluidsniveau
van 55 dB(A) gedurende de dagperiode, 50 dB(A) gedurende de avondperiode en
45 dB(A) gedurende de nachtperiode. In voorschrift 8.2 is een speciale regeling
opgenomen met betrekking tot inrichtingen waarvoor in het verleden een vergunning
krachtens artikel 8.1 van de Wet milieubeheer is verleend, waaraan ter beperking
van geluidhinder voorschriften zijn verbonden die strenger zijn dan de in
het voorgaande genoemde geluidsniveaus. De bedoeling van deze regeling is
te voorkomen dat voorschrift 8.2 voor die inrichtingen een verruiming van
het toegestane geluidsniveau zou meebrengen. De inrichtingen moeten blijven
voldoen aan het equivalente geluidsniveau dat in de vergunning is vastgelegd
of dat kan worden bereikt met de akoestische voorzieningen en gedragsregels,
die in de vergunning zijn voorgeschreven. Gedragsregels als hier bedoeld,
kunnen onder meer een verbod inhouden om gedurende de avond- en de nachtperiode
bepaalde werkzaamheden uit te voeren of verplichten tot het gesloten houden
van ramen en deuren. </al>
      <al>Tenslotte geeft het voorschrift het bevoegd gezag de mogelijkheid om nadere
eisen te stellen ten aanzien van het toelaatbare equivalente geluidsniveau.
Hierdoor kan inhoud worden gegeven aan het streven om reeds opgerichte inrichtingen
zoveel mogelijk te laten voldoen aan de huidige inzichten met betrekking tot
het voorkomen van geluidhinder en daarmee aan de voorschriften die gelden
voor inrichtingen die nog moeten worden opgericht. De bij nadere eis aangegeven
toelaatbare geluidsniveaus moeten onder de gegeven omstandigheden de grootst
mogelijke bescherming bieden tegen geluidsoverlast en moeten redelijkerwijs
kunnen worden gesteld.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>8.3. In bedrijven waar niet het systeem van substraat-teelt wordt toegepast
maar waar in de grond wordt geteeld, moet op gezette tijden ontsmetting van
de grond plaatsvinden. Dit geschiedt door de grond te stomen. In een aantal
gevallen gebeurt dat met behulp van de eigen ketelinstallatie. In gevallen
waarin die installatie daar niet geschikt voor is, wordt het stomen uitgevoerd
door specialistische grondstoombedrijven. Deze bedrijven plaatsen tijdelijk
een mobiele installatie bij het tuinbouwbedrijf. Indien zich hierbij geluidproblemen
voordoen kan de gemeente, met inachtneming van de tijdelijkheid van de werkzaamheden,
nadere eisen stellen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>8.4. Deze voorschriften zijn zowel van toepassing op reeds opgerichte
inrichtingen als op nog op te richten inrichtingen. De voorschriften zijn
bedoeld als aanvulling op de voorschriften 8.1 en 8.2.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>8.5. In de praktijk blijken bij het lossen overdag (tussen 06.00 en 19.00
uur) overschrijdingen van de piekwaarde niet tot hinder te leiden. Daarnaast
is er een ontwikkeling dat produkten door specifiek daarvoor opgerichte vervoersbedrijven
van het tuindersbedrijf naar de veilingen worden vervoerd. Deze ontwikkeling
is mede op gang gebracht ter voorkoming van het grote aantal transportbewegingen,
dat met name in de concentratiegebieden van glastuinbouwbedrijven tot grote
problemen leidt. Door de afvoer gebundeld te doen plaatsvinden door specialistische
vervoerders in plaats van door elke kweker zelf, neemt het aantal transportbewegingen
af. Voor een deel vindt deze afvoer plaats in de avond- en nachturen, waardoor
het overige verkeer wordt ontlast. Deze vorm van afvoer staat bekend onder
de benaming groepsvervoer. De groepsvervoerder moet toestemming hebben om
produkten van tuinders op de veiling af te leveren. Zodoende is er zicht en
controle op het groepsvervoer. In zijn algemeenheid is dit in de concentratiegebieden
een positieve ontwikkeling. Voorschrift 8.3 bepaalt dan ook dat de piekwaarden
niet gelden voor het eenmalig laden en lossen in de avond- en nachturen ten
behoeve van de afvoer van de veilingprodukten indien deze afvoer door middel
van groepsvervoer plaatsvindt.</al>
      <al>Indien gedurende de avond- en nachturen de in voorschrift 8.3 genoemde
piekwaarden worden overschreden tengevolge van laden en lossen dat niet éénmaal
per nacht plaatsvindt ten behoeve van groepsvervoer, en zich hierdoor overlast
voor omwonenden voordoet, kan het bevoegd gezag met betrekking tot het laden
en lossen nadere eisen stellen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>8.7. In dit voorschrift is aangegeven op welke wijze de controle of de
berekening van de in de voorschriften 8.1, 8.2 en 8.3 vastgelegde geluidsniveaus
moet plaatsvinden. Bij controle zal meestal kunnen worden volstaan met de
methode van directe meting, waarbij met een eenvoudige geluidmeter snel een
betrouwbare meting kan worden uitgevoerd. Deze methode voor metingen in de
buitenlucht is in de genoemde handleiding aangeduid als meetmethode A1. </al>
      <al>Muziekgeluid moet in principe worden gemeten volgens methode B1 van genoemde
handleiding. In eenvoudige gevallen kan echter worden volstaan met methode
A1. Dit geldt ook voor die situaties waarbij klachten het vermoeden rechtvaardigen
dat de inrichting de toegestane geluidniveaus overschrijdt.</al>
      <al>Overigens is het de eigen verantwoordelijkheid van degene die de inrichting
drijft, om voorafgaande aan het oprichten en tijdens het in werking hebben
van de inrichting geluidmetingen uit te voeren of te laten uitvoeren, teneinde
voor zichzelf te kunnen nagaan of aan de in de voorschriften gestelde geluidsniveaus
wordt voldaan. Uiteraard kan ook het bevoegd gezag bij het toezicht op de
naleving van de voorschriften geluidmetingen uitvoeren en bij overtreding
daarvan sancties opleggen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>8.8. In de praktijk kunnen situaties voorkomen, waarin het uitvoeren van
een directe meting ter plaatse van woningen (het immissiepunt) niet mogelijk
is.</al>
      <al>Het bevoegd gezag kan door middel van het stellen van nadere eisen een
ander punt (het referentiepunt) aanwijzen waar de meting moet worden uitgevoerd.
Uit de resultaten van deze meting kan door middel van bijvoorbeeld extrapolatie
het niveau op het immissiepunt worden berekend. Deze methode is beschreven
in de «Handleiding meten en rekenen industrielawaai». Andersom
kan, uitgaande van de niveaus bij het immissiepunt, berekend worden welke
waarden bij het referentiepunt niet mogen worden overschreden. Bij het stellen
van nadere eisen kan het bevoegd gezag tevens de bij het referentiepunt toegestane
niveaus vastleggen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>8.9. De op grond van dit voorschrift te stellen nadere eisen maken het
voor het bevoegd gezag mogelijk om het treffen van akoestische voorzieningen
verplicht te stellen en gedragsregels op te leggen, die nodig zijn om aan
de voorschriften 8.1 tot en met 8.4 en 8.6 te voldoen. Voor het stellen van
zodanige nadere eisen is alleen in uitzonderingsgevallen aanleiding indien
de lokale situatie dat noodzakelijk maakt. Indien degene die de inrichting
drijft, in overleg met het bevoegd gezag nagaat op welke wijze het beste aan
de voorschriften kan worden voldaan, is het niet noodzakelijk de resultaten
van dit overleg te formaliseren door het stellen van nadere eisen. Het stellen
van nadere eisen kan met name uitkomst bieden indien de inrichting regelmatig
geluidsoverlast blijkt te veroorzaken. Door deze nadere eisen kunnen de in
de voorschriften voorgeschreven maximale geluidsniveaus worden vertaald in
concrete middelen waarmee aan de voorschriften wordt voldaan. Het achterwege
laten van nadere eisen laat uiteraard onverlet dat degene die de inrichting
drijft, moet voldoen aan de voorschriften.</al>
      <al>Het aangeven van de toe te passen middelen kan tevens de controle van
de voorschriften eenvoudiger te maken, in het bijzonder indien relatief eenvoudige
middelen moeten worden toegepast om aan de voorschriften te voldoen. Een controle
op het niet juist functioneren van akoestische voorzieningen of op het niet
in acht nemen van bepaalde gedragsregels kan doelmatiger zijn dan het uitvoeren
van geluidmetingen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>9. Voor een algemene toelichting op de onder 9 opgenomen voorschriften
zij verwezen naar paragraaf 2.5, Assimilatiebelichting</al>
      <witreg></witreg>
      <al>9.1. Voorschrift 9.1 houdt in dat aan de gevel of binnen 10 meter van
de gevel van een verlichte kas een zodanige voorziening dient te zijn aangebracht
dan wel aanwezig dient te zijn, dat 95 % van de horizontale lichtuitstraling
via die gevel wordt gereduceerd en vanuit de omgeving geen direct zicht op
de belichtingslampen bestaat. Op deze wijze kan de ondernemer kiezen uit de
verschillende technische mogelijkheden die voorhanden zijn, en is ruimte gelaten
voor nieuwe ontwikkelingen op dit punt. In de meeste gevallen
wordt lichtuitstraling via de zijgevel afgeschermd door het aanbrengen van
een gevelscherm. Voorschrift 9.1 schrijft dit echter niet voor. Een andere
wijze van afscherming binnen een afstand van tien meter tot de gevel is ook
toegestaan. Hierdoor wordt vermeden dat ook een gevelscherm moet worden aangebracht
indien reeds een andere afscherming aanwezig is die voldoende lichtreductie
teweegbrengt, zoals een blinde muur of een dichte bomenrij. Evenmin behoeft
een gevelscherm te worden aangebracht indien op korte afstand van een gevel
van een belichte kas een andere al of niet belichte kas aanwezig is, waardoor
verdere lichtuitstraling naar de omgeving zodanig wordt belemmerd dat aan
het gestelde reductievereiste van 95% wordt voldaan. Indien hiervan naar het
oordeel van het bevoegd gezag sprake is, kan het bevoegd gezag nadere eisen
stellen, inhoudende dat de gevel niet of slechts gedeeltelijk behoeft te worden
afgeschermd. Indien het bevoegd gezag van mening is dat de alternatieve afscherming
onvoldoende is, kan door het opleggen van nadere eisen afscherming aan de
gevel worden voorgeschreven. Voor de kwaliteitsborging en standaard-meetmethoden
van schermmaterialen wordt verwezen naar de Nationale Beoordelingsrichtlijn
(uitgave van Intron, Houten, 1994).</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Een standaardmeetmethode voor de beoordeling van de effectiviteit van
de in voorschrift 9.1 bedoelde voorziening, met inbegrip van de constructie,
de wijze van aanbrengen, eventuele kieren e.d., is (nog) niet voorhanden.
Het gaat in dit verband om het vaststellen van het relatieve effect van een
zijgevelafscherming, d.w.z. de hoeveelheid licht die de kas via de zijgevel
verlaat in de situatie waarin de zijgevelafscherming functioneert, <nadruk type="cur">in verhouding tot</nadruk> de hoeveelheid licht die de zijgevel verlaat zonder
dat een dergelijke voorziening in functie is. De meting met en zonder scherm
dient dus met dezelfde lichtcel op dezelfde plaats te geschieden. Om invloeden
van andere bronnen zoveel mogelijk te voorkomen dient het meetvlak van de
lichtcel verticaal, gericht naar de gevel te worden geplaatst. Afhankelijk
van de plaatselijke situatie wordt geadviseerd te meten op een positie tussen
1 en 10 meter van de gevel, met dien verstande dat de metingen in beide situaties,
d.w.z. met en zonder functionerend scherm, op dezelfde positie moeten worden
verricht. Over de lengte van de gevel dient op een representatief aantal plekken
te worden gemeten, waarbij ook wordt gekeken naar de aard en de omvang van
kieren in het scherm. Op grond van de huidige inzichten kan worden aangenomen
dat van een effectief scherm sprake is als het gemiddelde van de metingen
op 95% lichtreductie uitkomt en geen waarden onder de 90% worden gemeten.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>9.3. Voorschrift 9.3 houdt in dat het bevoegd gezag nadere eisen kan stellen
ten aanzien van de (methode van) gevelafscherming indien in een kas bij de
inwerkingtreding van dit besluit reeds assimilatiebelichting wordt toegepast.
In een dergelijke situatie kan het bijvoorbeeld voorkomen dat aan de gevel
verwarmingspijpen zijn aangebracht, zodat afschermvoorzieningen niet (zonder
meer) kunnen worden aangebracht. De nadere eisen kunnen dan inhouden dat bepaalde
voorzieningen aan de buitenzijde van de kas worden aangebracht. Indien dergelijke
mogelijkheden niet voorhanden of toepasbaar zijn, dient, door het aanbrengen
van zijafscherming mogelijk te worden gemaakt door bouwkundige aanpassing
van de kas. Indien ook dit niet mogelijk is of achterwege blijft, is het toepassen
van kunstlicht in de desbetreffende kas na afloop van een periode van drie
jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit niet meer toegestaan.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>9.5. Voorschrift 9.5 bepaalt dat de zijgevelafscherming moet functioneren
gedurende de periode van zonsondergang tot zonsopkomst. In een aantal bijzondere
situaties kan het voorkomen dat hinder wordt ondervonden gedurende
andere uren van de dag, waarop de lampen branden. Het kan hierbij gaan om
gevallen waarin een of meer woningen op korte afstand van de kas zijn gelegen.
Voor die gevallen kan de gemeente door middel van het stellen van nadere eisen
verplichten dat de zijgevelafscherming tijdens het in bedrijf zijn van de
assimilatiebelichting in werking moet zijn.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>9.6. Het aanbrengen van afschermvoorzieningen aan de bovenzijde van de
kas is een veel complexere zaak.</al>
      <al>Zoals eerder is aangegeven draagt het licht dat via het bovendek uittreedt,
bij aan de lichtsterkte die in de omgeving wordt waargenomen (en die mede
wordt beïnvloed door andere lichtbronnen en door de weersomstandigheden).
Dit via het bovendek uittredende licht kan oorzaak zijn van een op afstand
boven die kas waar te nemen lichtgloed. Uit onderzoek van het TNO blijkt dat
hinder die wordt veroorzaakt door via het bovendek uitgestraald licht, bestaat
uit het tegen een donkere hemel waarnemen van een lichtgloed. Dit is een andere
vorm van hinder dan directe hinder in en nabij een woning, die wordt veroorzaakt
door een op korte afstand van de woning gelegen lichtbron waardoor die woning
direct wordt aangestraald.</al>
      <al>Daarnaast doen zich bij het aanbrengen van bovenafscherming in een van
assimilatiebelichting voorziene kas verschillende problemen voor. Het aanbrengen
van bovenafscherming is in technische zin aanzienlijk ingewikkelder dan het
aanbrengen van zijafscherming, doordat de aan te brengen voorziening gedurende
de daguren volledig moet kunnen worden weggeschoven om het daglicht met zo
min mogelijke schaduwwerking in de kas toe te laten. Voorts moet er in de
bovenzijde van de kas, boven de belichtingslampen, ruimte aanwezig zijn om
afschermvoorzieningen aan te brengen. In een bestaande kas kan dit tot problemen
leiden. Voorts is een constante vocht- en temperatuurregulatie in de kas voor
de meeste gewassen uit teelttechnische overwegingen van vitaal belang. Om
een afdoende reductie van de lichtuitstraling te realiseren is een afscherming
van, naar schatting, ten minste 95% noodzakelijk. Bij een dergelijke afsluiting
kunnen zich bij bepaalde gewassen min of meer ernstige groeiproblemen voordoen.
Nader onderzoek naar dit verschijnsel is inmiddels gestart. Hierbij wordt
onder meer nagegaan of er afschermvoorzieningen en methodieken zijn, die onder
verschillende omstandigheden voldoende ventilatie waarborgen. Nadat dit onderzoek
de benodigde duidelijkheid heeft verschaft, kan er nadere besluitvorming omtrent
de bovenafscherming plaatsvinden. Een ander bezwaar van bovenafdichting is
dat met het aanbrengen daarvan hoge kosten zijn gemoeid. Voordat tot definitieve
besluitvorming inzake de wenselijkheid van regulering kan worden overgegaan,
is nader onderzoek en overleg nodig. Uitgangspunt bij de besluitvorming is
dat evenwicht wordt bereikt tussen enerzijds de milieu- en natuurbelangen
en anderzijds de tuindersbelangen, waarbij de technische, teelttechnische
en economische aspecten van verticale lichtuitstraling uit de kassen bijzondere
aandacht verdienen. Normstelling en meetmethodiek zullen hierbij een belangrijke
rol spelen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In voorschrift 9.6 is als algemene eis gesteld dat in de periode van 1
september tot 1 mei tussen 20.00 en 24.00 uur geen assimilatiebelichting mag
worden toegepast (donkerperiode). Dit betekent een aanzienlijke verbetering
gedurende de meest kwetsbare periode van de avond en de nacht, waarin de invloed
op het woon- en leefklimaat het grootst is. Verstoring van de nachtrust, tengevolge
van bedoelde indirecte verticale lichtuitstraling, is bij het hinderonderzoek
niet aangetoond. Evenmin is er gezondheidsschade aangetoond. Daarom is het
verbod om assimilatiebelichting toe te passen beperkt tot 24 uur. </al>
      <al>In bepaalde situaties kan een uniforme donkerperiode problemen opleveren.
Dit kan het geval zijn voor planten-opkweekbedrijven, waar een 24-uurs belichting
noodzakelijk is. Dit kan ook het geval zijn bij bedrijven waar de warmte-krachtkoppelingsinstallatie
een zodanige capaciteit heeft dat de verschillende onderdelen van het bedrijf
opeenvolgend belicht worden, zodat gedurende de gehele avond en nacht in het
bedrijf belichting plaatsvindt. Ook aansluitcontracten met het energiebedrijf
kunnen belemmerend zijn voor flexibiliteit. Voorschrift 9.6 geeft het bevoegd
gezag voor dergelijke gevallen de bevoegdheid op de situatie afgestemde nadere
eisen te stellen. Voor bestaande situaties kan in de beschikking waarin nadere
eisen zijn gesteld, een termijn worden opgenomen, waarna aan de eisen moet
zijn voldaan.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>10.4. Bij het laden van accumulatorenbatterijen komen waterstofgas en
zuurstof vrij (het zogenaamde knalgas). Om een ruimte-explosie te voorkomen,
moet ventilatie aanwezig zijn en mogen er geen potentiële ontstekingsbronnen
zijn.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>12.1. In dit voorschrift worden de Model Aansluitvoorwaarden Gas 1994
van de Vereniging van Energiedistributiebedrijven in Nederland (EnergieNed)
van toepassing verklaard.</al>
      <al>Indien het plaatselijke gasleveringsbedrijf hiervan afwijkende bepalingen
hanteert, kunnen deze bepalingen in het kader van de Wet milieubeheer niet
worden toegepast. Er zij op gewezen dat op grond van de Model Aansluitvoorwaarden
Gas 1994 gasdrukregel- en meetinstallaties moeten voldoen aan de Richtlijnen
gasdrukregelen meetstations, uitgegeven door het Directoraat-Generaal van
de Arbeid.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>13.2. Onder «ongewenste insekten» worden uiteraard geen insekten
verstaan insekten die ter bestrijding van ongedierte worden ingezet.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>16. Er is van chemicaliën sprake indien op de verpakking van de stoffen
een gevaarsaanduiding verplicht is. Voor bestrijdingsmiddelen geldt overigens
een apart regime, waarin ook een gevaarsaanduiding verplicht wordt gesteld.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>18. De opslag van zuivere, vloeibare CO<inf>2</inf> dient uit een oogpunt
van veiligheid te voldoen aan een aantal voorschriften. Voorkomen moet worden
dat bij de bevoorrading, de bewaring en het gebruik onbedoeld en ongecontroleerd
CO<inf>2</inf> in de lucht kan vrijkomen of dat zich door verhoging van de
druk een explosie kan voordoen. De in het besluit opgenomen voorschriften
zijn gelijk aan de eisen die erkende leveranciers van CO<inf>2</inf> en CO<inf>2</inf>-installaties hanteren.</al>
      <al>Bij de deugdelijke meetapparatuur die wordt bedoeld in voorschrift 18.17,
kan worden gedacht aan een vloeistofstandaanwijzer, weeginrichting, vloeistofkolommeting
middels drukverschil of een maximum vulafsluiter.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>19. Voor het bewaren van gasolie, lichte stookolie, dieselolie en andere
K-3 produkten is een richtlijn van de Commissie Preventie van Rampen door
gevaarlijke stoffen (CPR) in ontwikkeling. De totstandkomingsprocedure van
deze richtlijn is ver gevorderd en de inhoud van het meest recente concept
wordt algemeen onderschreven. Daarom kan in het onderhavige besluit reeds
naar dat concept worden verwezen. Ook dubbelwandige tanks met een inhoud van
ten hoogste 10 000 liter kunnen worden toegestaan, mits aan bepaalde
voorschriften is voldaan. Gezien de geringe hoeveelheid petroleum waarop dit
besluit van toepassing is, worden de voorschriften uit de richtlijn CPR 9–6
voor de bewaring hiervan voldoende geacht, ook al is er sprake van een K-2
produkt. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>20.3. Bij een schok als in dit voorschrift bedoeld, kan worden gedacht
aan een schok ten gevolge van vallen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>22. Bij het toepassen van CFK's, HCFK's en HFK's als koel- of vriesmedium
dient te worden voldaan aan het Besluit inzake stoffen die de ozonlaag aantasten.
Verwezen zij naar paragraaf 4.3, Verhouding tot enkele andere regelingen.
Op het gebruik van ammoniak als koelmedium is de richtlijn CPR-13 van overeenkomstige
toepassing.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>23. Voor de teelt van eetbare paddestoelen gelden, naast de relevante
voorschriften 1 tot en met 22, enkele specifieke voorschriften, die zijn vermeld
onder 23. </al>
      <minister>
        <minvan>De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,</minvan>
        <naam>Margaretha de Boer</naam>
      </minister>
    </notatoe>
  </backm>
</staatsbl>