﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<!DOCTYPE staatsbl PUBLIC "-//SDU//DTD staatsblad xml 1.1//NL" "../../dtd/staatsbl-11.dtd"[]>
<staatsbl id="sb996.158" soort="kb" publtype="kobe">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-1996-158/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel status="off">Staatsblad</titel>
    <subtitel>van het Koninkrijk der Nederlanden</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.4" conv="OPmaat" markup="c1xa"></versie>
    <ordernr>6S0132</ordernr>
    <stb>
      <jaargang jaar="1996">Jaargang 1996</jaargang>
      <stbjaar>1996</stbjaar>
      <stbnr>158 </stbnr>
    </stb>
    <intitule>
      <soort>Besluit</soort> van 27 februari 1996, houdende regels met
betrekking tot diverse bijdragen voor het milieubeheer (Besluit diverse bijdragen
milieubeheer)</intitule>
    <aanhef>
      <wie>Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.</wie>
      <consider>
        <al>Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening
en Milieubeheer van 1 februari 1995, nr. MJZ 01295057, Centrale Directie Juridische
Zaken, Afdeling Wetgeving;</al>
        <al>Gelet op <grslag>artikel 15.12, eerste lid, van de Wet milieubeheer</grslag>;</al>
        <al>De Raad van State gehoord (advies van 31 juli 1995, nr. W08.95.0050);</al>
        <al>Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer van 20 februari 1996, nr. MJZ 96010285, Centrale
Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;</al>
      </consider>
      <afkondig>Hebben goedgevonden en verstaan:</afkondig>
    </aanhef>
  </frontm>
  <body>
    <par>
      <kop>
        <nr>§ 1.</nr>
        <titel status="off">Inleidende bepalingen </titel>
      </kop>
      <art id="a1">
        <kop>
          <nr>Artikel 1</nr>
        </kop>
        <al>In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:</al>
        <al>a. programma: door Onze Minister vast te stellen samenhangend geheel van
doelstellingen en soorten activiteiten in het kader waarvan krachtens dit
besluit een bijdrage kan worden verstrekt;</al>
        <al>b. aanvrager: natuurlijke persoon of rechtspersoon, niet behorende tot
een overheid, die een bijdrage op grond van dit besluit aanvraagt of heeft
aangevraagd;</al>
        <al>c. kennisoverdracht: verwerving of vergroting van de kennis op het gebied
van het milieu en vergroting van het bewustzijn op dit gebied en niet liggend
op het gebied van milieutechnologie.</al>
      </art>
      <art id="a2">
        <kop>
          <nr>Artikel 2</nr>
        </kop>
        <al>Bijdragen worden slechts verleend nadat is komen vast te staan dat de
Commissie van de Europese Gemeenschappen de desbetreffende bijdragen niet
onverenigbaar acht met de gemeenschappelijke markt. </al>
      </art>
      <art id="a3">
        <kop>
          <nr>Artikel 3</nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1.</nr>
          <al>Onze Minister maakt ieder kalenderjaar uiterlijk op 1 maart in de Staatscourant
bekend:</al>
          <al>a. het totale bedrag dat in dat jaar beschikbaar is voor verlening van
bijdragen op grond van dit besluit;</al>
          <al>b. een uitsplitsing van het totale bedrag in bedragen die in dat jaar
beschikbaar zijn voor verlening van bijdragen op grond van dit besluit, per
programma of onderdeel daarvan;</al>
          <al>c. programma's of de zakelijke inhoud daarvan, in het kader waarvan met
toepassing van dit besluit een bijdrage kan worden verleend.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2.</nr>
          <al>Bij de bekendmaking, bedoeld in het eerste lid, onder c, worden in elk
geval de volgende gegevens vermeld:</al>
          <al>a. een aanduiding van het programma;</al>
          <al>b. een omschrijving van het doel van het programma;</al>
          <al>c. het postadres waar aanvragen moeten worden ingediend;</al>
          <al>d. de aanvraagprocedure en de termijn waarbinnen de aanvragen ingediend
moeten worden.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>3.</nr>
          <al>Onze Minister kan de in het eerste lid bedoelde bedragen jaarlijks voor
1 november wijzigen. Zodanige wijziging wordt in de Staatscourant bekendgemaakt.
Deze bekendmaking heeft geen gevolgen voor aanvragen die op het tijdstip van
de bekendmaking waren ingediend.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>4.</nr>
          <al>Indien het bedrag dat voor enig kalenderjaar voor een programma beschikbaar
is gesteld in dat jaar is uitgeput, maakt Onze Minister onverwijld in de Staatscourant
bekend dat voor het desbetreffende kalenderjaar geen aanvragen meer op grond
van dat programma kunnen worden ingediend.</al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a4">
        <kop>
          <nr>Artikel 4</nr>
        </kop>
        <al>Voor een bijdrage komen niet in aanmerking de kosten waarvoor uit anderen
hoofde vanwege de Staat of een ander openbaar lichaam of de Commissie van
de Europese Gemeenschappen een bijdrage kan worden verleend.</al>
      </art>
    </par>
    <par>
      <kop>
        <nr>§ 2.</nr>
        <titel status="off">Bijdragen voor internationale samenwerking </titel>
      </kop>
      <art id="a5">
        <kop>
          <nr>Artikel 5</nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1.</nr>
          <al>Onze Minister kan aan een aanvrager een bijdrage verlenen voor activiteiten,
die betrekking hebben op de internationale samenwerking op het gebied van
het milieubeheer.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2.</nr>
          <al>Voor een bijdrage als bedoeld in het eerste lid kunnen onder meer in aanmerking
komen:</al>
          <al>a. activiteiten, die een bijdrage leveren aan:</al>
          <al>1°. het in de Notitie inzake het beleid met betrekking tot de milieusamenwerking
met Centraal- en Oost-Europa (Kamerstukken II 1990/91, 21 800 XI, nr.
39) geformuleerde beleid;</al>
          <al>2°. de doelstellingen van het bilaterale samenwerkingsbeleid;</al>
          <al>3°. het mondiale milieubeleid;</al>
          <al>4°. het beleid op het terrein van de Europese Unie;</al>
          <al>5°. het beleid op het terrein van de Organisatie van Europese Samenwerking
en Ontwikkeling; of</al>
          <al>6°. het internationale waterbeleid;</al>
          <al>b. reis- en verblijfskosten ;</al>
          <al>c. activiteiten van internationale organisaties. </al>
        </lid>
      </art>
    </par>
    <par>
      <kop>
        <nr>§ 3.</nr>
        <titel status="off">Bijdragen voor kennisoverdracht </titel>
      </kop>
      <art id="a6">
        <kop>
          <nr>Artikel 6</nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1.</nr>
          <al>Onze Minister kan aan een aanvrager een bijdrage verlenen voor activiteiten
met als doel kennisoverdracht.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2.</nr>
          <al>Voor een bijdrage als bedoeld in het eerste lid kunnen onder meer in aanmerking
komen:</al>
          <al>a. congressen, symposia en workshops;</al>
          <al>b. cursussen;</al>
          <al>c. voorlichtingsbijeenkomsten;</al>
          <al>d. publikaties;</al>
          <al>e. uitwisselingsprojecten.</al>
        </lid>
      </art>
    </par>
    <par>
      <kop>
        <nr>§ 4.</nr>
        <titel status="off">Bijdragen voor doelgroep-activiteiten </titel>
      </kop>
      <art id="a7">
        <kop>
          <nr>Artikel 7</nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1.</nr>
          <al>Onze Minister kan aan een aanvrager een bijdrage verlenen voor activiteiten,
die de uitvoering van het in het Tweede Nationaal Milieubeleidsplan (Kamerstukken
II 1993/94, 23 560, nr. 2) neergelegde beleid ten aanzien van de onderscheiden
doelgroepen en de samenwerking met deze doelgroepen naar zijn oordeel in belangrijke
mate bevorderen.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2.</nr>
          <al>De bijdragen op grond van het eerste lid kunnen slechts ten goede komen
van organisaties die een algemeen of collectief belang vertegenwoordigen.</al>
        </lid>
      </art>
    </par>
    <par>
      <kop>
        <nr>§ 5.</nr>
        <titel status="off">Bijdragen voor afvalstoffenbeleid </titel>
      </kop>
      <art id="a8">
        <kop>
          <nr>Artikel 8</nr>
        </kop>
        <al>Onze Minister kan aan een aanvrager een bijdrage verlenen voor activiteiten
die het door hem gevoerde afvalstoffenbeleid ondersteunen.</al>
      </art>
    </par>
    <par>
      <kop>
        <nr>§ 6.</nr>
        <titel status="off">De indiening van een aanvraag en de beslissing daarop </titel>
      </kop>
      <art id="a9">
        <kop>
          <nr>Artikel 9</nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1.</nr>
          <al>De aanvraag om een bijdrage wordt ingediend voor het tijdstip waarop de
activiteiten zullen aanvangen.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2.</nr>
          <al>Aan degene die de aanvraag heeft ingediend wordt onverwijld een bericht
van ontvangst toegezonden, waarin de datum van ontvangst wordt vermeld.</al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a10">
        <kop>
          <nr>Artikel 10</nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1.</nr>
          <al>De aanvraag van een bijdrage gaat in ieder geval vergezeld van:</al>
          <al>a. een begroting van kosten en financiering van de activiteiten waarvoor
een aanvraag wordt ingediend;</al>
          <al>b. een beschrijving van de activiteiten waarbij in het bijzonder wordt
aangegeven in hoeverre deze een passende stimulans vormen voor het gevoerde
milieubeleid, en een tijdsplanning daarvoor.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2.</nr>
          <al>Onze Minister kan nadere regelen stellen omtrent de gegevens die bij de
aanvraag dienen te worden verstrekt. Deze regelen kunnen betrekking hebben
op één of meer programma's of onderdelen daarvan. </al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a11">
        <kop>
          <nr>Artikel 11</nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1.</nr>
          <al>Onze Minister geeft de beschikking op de aanvraag om een bijdrage binnen
vier maanden nadat de aanvraag is ontvangen.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2.</nr>
          <al>De in het eerste lid bedoelde termijn wordt opgeschort gedurende de periode
dat de beslissing op de aanvraag moet worden aangehouden op grond van artikel
15.18, eerste lid, van de Wet milieubeheer.</al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a12">
        <kop>
          <nr>Artikel 12</nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1.</nr>
          <al>De beschikking tot verlening van een bijdrage vermeldt het bedrag van
de bijdrage en de wijze waarop de hoogte van dit bedrag is bepaald.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2.</nr>
          <al>Aan een beschikking tot verlening van een bijdrage worden de in de artikelen
14 tot en met 16 genoemde voorschriften verbonden en kunnen voorts andere
voorschriften worden verbonden.</al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a13">
        <kop>
          <nr>Artikel 13</nr>
        </kop>
        <al>Onze Minister weigert de bijdrage indien:</al>
        <al>a. het bedrag dat in het betreffende kalenderjaar voor de programma's
of onderdelen daarvan beschikbaar is door het totaal van de voorafgaande bijdrageverleningen
is overschreden, dan wel dat bedrag door verlening van de gevraagde bijdrage
zou worden overschreden;</al>
        <al>b. indien de aanvrager in het kader van de aanvraag gegevens heeft verstrekt
waarvan hij wist of behoorde te weten dat deze onjuist of onvolledig waren
en de verstrekking van deze gegevens tot een andere beslissing op de aanvraag
zou hebben geleid;</al>
        <al>c. niet wordt gehandeld in overeenstemming met artikel 15.17 van de Wet
milieubeheer;</al>
        <al>d. gegronde reden bestaat aan te nemen dat de aanvrager niet zal voldoen
aan de voorschriften, bedoeld in artikel 12, tweede lid;</al>
        <al>e. onvoldoende vertrouwen bestaat dat de aanvrager in staat zal zijn de
activiteiten volledig uit te voeren.</al>
      </art>
    </par>
    <par>
      <kop>
        <nr>§ 7.</nr>
        <titel status="off">Verplichtingen voor de aanvrager aan wie een bijdrage
is verleend </titel>
      </kop>
      <art id="a14">
        <kop>
          <nr>Artikel 14</nr>
        </kop>
        <al>De aanvrager dient:</al>
        <al>a. de activiteiten uit te voeren overeenkomstig de door hem verstrekte
gegevens, tenzij Onze Minister voorafgaand schriftelijk toestemming heeft
gegeven daarvan af te wijken;</al>
        <al>b. een administratie te voeren die zodanig is ingericht dat daaruit te
allen tijde op eenvoudige wijze de kosten en de financieringswijze van de
activiteiten waarvoor een bijdrage is verleend, kunnen worden afgelezen en</al>
        <al>c. indien de activiteiten zich over meer dan één kalenderjaar
uitstrekken, éénmaal per kalenderjaar aan Onze Minister een
schriftelijk verslag over te leggen omtrent de voortgang van de activiteiten
waarvoor een bijdrage is verleend.</al>
      </art>
      <art id="a15">
        <kop>
          <nr>Artikel 15</nr>
        </kop>
        <al>De aanvrager stelt Onze Minister onverwijld schriftelijk in kennis indien:</al>
        <al>a. een verzoek als bedoeld in artikel 15.18, eerste lid, van de Wet milieubeheer
wordt ingediend;</al>
        <al>b. de activiteiten definitief zijn stopgezet of niet worden aangevangen. </al>
      </art>
    </par>
    <par>
      <kop>
        <nr>§ 8.</nr>
        <titel status="off">De vaststelling van de bijdrage </titel>
      </kop>
      <art id="a16">
        <kop>
          <nr>Artikel 16</nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1.</nr>
          <al>De aanvrager zendt zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk zes maanden na
het tijdstip waarop de activiteiten zijn voltooid, aan Onze Minister:</al>
          <al>a. een schriftelijk verslag omtrent het verloop, de uitvoering en de resultaten
van de activiteiten waarvoor de bijdrage is verleend;</al>
          <al>b. een financieel verslag omtrent de wijze waarop de verleende bijdrage
is besteed.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2.</nr>
          <al>Indien het maximum bedrag van een bijdrage meer bedraagt dan f 100 000,–
(exclusief BTW) gaat het financieel verslag vergezeld van een verklaring,
afgegeven door een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van
Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, afgegeven na een toetsing van de wijze
van besteding van de bijdrage aan dit besluit.</al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a17">
        <kop>
          <nr>Artikel 17</nr>
        </kop>
        <al>Binnen dertien weken na ontvangst van de in artikel 16, eerste lid, genoemde
verslagen stelt Onze Minister de bijdrage vast met inachtneming van hetgeen
bij de beschikking op de aanvraag om de bijdrage of bij een beschikking houdende
gedeeltelijke intrekking van die beschikking is bepaald.</al>
      </art>
      <art id="a18">
        <kop>
          <nr>Artikel 18</nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1.</nr>
          <al>De beschikking houdende vaststelling van een bijdrage vermeldt het bedrag
van de bijdrage.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2.</nr>
          <al>De beschikking vermeldt de termijn of de termijnen waarbinnen het bedrag
van de bijdrage wordt betaald.</al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a19">
        <kop>
          <nr>Artikel 19</nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1.</nr>
          <al>Indien een beschikking op de aanvraag om een bijdrage geheel of gedeeltelijk
wordt ingetrokken voordat de bijdrage is vastgesteld, werkt deze intrekking
terug tot en met het tijdstip waarop de bijdrage is verleend, tenzij bij de
intrekking anders is bepaald.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2.</nr>
          <al>Onze Minister kan een beschikking houdende vaststelling van een bijdrage
intrekken of ten nadele van de aanvrager wijzigen:</al>
          <al>a. op grond van feiten of omstandigheden waarvan hij bij de bijdragevaststelling
redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn en op grond waarvan de bijdrage
lager dan overeenkomstig de bijdrageverlening zou zijn vastgesteld;</al>
          <al>b. indien de bijdragevaststelling onjuist was en de aanvrager dit wist
of behoorde te weten, of</al>
          <al>c. indien de aanvrager na de bijdragevaststelling in strijd handelt met
ingevolge dit besluit geldende verplichtingen of niet handelt in overeenstemming
met artikel 15.17 van de Wet milieubeheer.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>3.</nr>
          <al>De intrekking of wijziging werkt terug tot en met het tijdstip waarop
de bijdrage is vastgesteld, tenzij bij de intrekking of wijziging anders is
bepaald.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>4.</nr>
          <al>De bijdragevaststelling kan niet meer worden ingetrokken of ten nadele
van de aanvrager worden gewijzigd indien vijf jaren zijn verstreken sedert
de dag waarop zij is bekendgemaakt dan wel, in het geval, bedoeld in het eerste
lid, onderdeel c, sedert de dag waarop de handeling in strijd met de verplichting
is verricht of de dag waarop aan de verplichting had moeten zijn voldaan. </al>
        </lid>
      </art>
    </par>
    <par>
      <kop>
        <nr>§ 9.</nr>
        <titel status="off">Bevoorschotting en betaling </titel>
      </kop>
      <art id="a20">
        <kop>
          <nr>Artikel 20</nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1.</nr>
          <al>Op verzoek van de aanvrager kan Onze Minister op basis van declaraties
van voor de activiteiten gemaakte kosten, voorschotten verstrekken tot ten
hoogste 80% van de verleende bijdrage. Het verzoek kan deel uitmaken van de
aanvraag om een bijdrage.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2.</nr>
          <al>In afwijking van het eerste lid, kan Onze Minister voorschotten verstrekken
anders dan op basis van in dat lid bedoelde declaraties, tot ten hoogste 100%
van de verleende bijdrage:</al>
          <al>a. aan intergouvernementele organisaties;</al>
          <al>b. indien dat noodzakelijk is voor de financiering van de activiteiten.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>3.</nr>
          <al>Het verzoek, bedoeld in het tweede lid, aanhef en onderdeel b, gaat vergezeld
van een prognose van de liquiditeitsbehoefte, welke een kwartaalsgewijze indeling
bevat.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>4.</nr>
          <al>Een beschikking tot verstrekking van voorschotten vermeldt de termijnen
waarbinnen de voorschotten worden uitbetaald. Aan de beschikking kunnen voorschriften
worden verbonden.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>5.</nr>
          <al>Onze Minister kan het verstrekken van voorschotten opschorten dan wel
stopzetten, indien een aanvrager handelt in strijd met ingevolge dit besluit
geldende verplichtingen of niet handelt in overeenstemming met artikel 15.17
van de Wet milieubeheer.</al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a21">
        <kop>
          <nr>Artikel 21</nr>
        </kop>
        <al>Voorschotten als bedoeld in artikel 20 worden niet verstrekt:</al>
        <al>a. indien een verzoek tot verlening van surséance van betaling
aan of faillietverklaring van de aanvrager bij de rechtbank is ingediend,
totdat op dat verzoek is beslist, dan wel indien surséance van betaling
wordt verleend, totdat een maand na de beëindiging van de surséance
van betaling is verstreken;</al>
        <al>b. vanaf het tijdstip waarop een mededeling is ontvangen als bedoeld in
artikel 15, aanhef en onderdeel b, dan wel anderszins bekend is dat de activiteiten
definitief zijn stopgezet of niet worden aangevangen.</al>
      </art>
      <art id="a22">
        <kop>
          <nr>Artikel 22</nr>
        </kop>
        <al>De bijdrage wordt betaald overeenkomstig de beschikking houdende vaststelling
van de bijdrage onder verrekening van reeds betaalde voorschotten.</al>
      </art>
      <art id="a23">
        <kop>
          <nr>Artikel 23</nr>
        </kop>
        <al>Indien het bedrag van de betaalde voorschotten het bedrag van de vastgestelde
bijdrage te boven gaat wordt het saldo teruggevorderd.</al>
      </art>
    </par>
    <par>
      <kop>
        <nr>§ 10.</nr>
        <titel status="off">Slotbepalingen </titel>
      </kop>
      <art id="a24">
        <kop>
          <nr>Artikel 24</nr>
        </kop>
        <al>De Regeling diverse bijdragen milieubeheer 1995 wordt ingetrokken behoudens
met betrekking tot voor de inwerkingtreding van dit besluit ingediende aanvragen
om een bijdrage, waarop nog niet onherroepelijk is beslist.</al>
      </art>
      <art id="a25">
        <kop>
          <nr>Artikel 25</nr>
        </kop>
        <al>Dit besluit treedt in werking met ingang van de negenentwintigste dag
na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. </al>
      </art>
      <art id="a26">
        <kop>
          <nr>Artikel 26</nr>
        </kop>
        <al>Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit diverse bijdragen milieubeheer.</al>
      </art>
    </par>
  </body>
  <backm>
    <nawerk>
      <slotform>Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota
van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.</slotform>
      <histnoot>
        <al>Het advies van de Raad van State is openbaar gemaakt door terinzagelegging
bij het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.</al>
        <al>Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage gelegde stukken worden
opgenomen in het bijvoegsel bij de Staatscourant van 9 april 1996, nr. 69.</al>
      </histnoot>
      <ondertek>
        <ondplts>'s-Gravenhage, </ondplts>
        <onddatum>27 februari 1996</onddatum>
        <koning>Beatrix </koning>
        <minister>
          <minvan>De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,</minvan>
          <naam>Margaretha de Boer</naam>
        </minister>
      </ondertek>
      <uitgifte>
        <uitgifte-regel>Uitgegeven de <nadruk type="cur">veertiende</nadruk> maart 1996</uitgifte-regel>
        <uitdag>veertiende</uitdag>
        <uitmaand>maart</uitmaand>
        <uitjaar>1996</uitjaar>
        <door>
          <minvan>De Minister van Justitie,</minvan>
          <naam>W. Sorgdrager </naam>
        </door>
      </uitgifte>
    </nawerk>
    <notatoe>
      <kop>
        <titel status="off">NOTA VAN TOELICHTING </titel>
      </kop>
      <tuskop letat="vet">§ 1. Inleiding </tuskop>
      <tuskop letat="cur">Wettelijke basis voor bijdragen</tuskop>
      <al>Op 1 juli 1992 is een gewijzigd Hoofdstuk financiële bepalingen van
de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne in werking getreden. Hiermee
is een wettelijke grondslag geschapen voor de verlening van bijdragen op het
gebied van het milieubeheer ten laste van de begroting van het Ministerie
van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. Het gaat hierbij,
na inwerkingtreding van de Wet milieubeheer, die de Wet algemene bepalingen
milieuhygiëne heeft vervangen, om de artikelen 15.12 tot en met 15.19
van die wet. Artikel 15.15 bepaalt dat slechts bijdragen worden verleend aan
niet-overheden op basis van een algemene maatregel van bestuur of in bepaalde
gevallen op basis van een ministeriële regeling. Het onderhavige besluit
is gebaseerd op artikel 15.12, eerste lid, en schept een wettelijke grondslag
voor een aantal bijdragen op het gebied van het milieubeheer, waarvoor tot
1 juli 1992 een artikelonderdeel in de begroting van het Ministerie van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer de enige grondslag vormde. Sinds 1 juli
1992 worden deze bijdragen verleend op basis van de Regeling diverse bijdragen
milieubeheer. Overeenkomstig artikel 15.12, derde lid, van de Wet milieubeheer
vervangt het besluit deze regeling, met uitzondering van paragraaf 2 van de
regeling, die betrekking heeft op milieutechnologie. De in die paragraaf bedoelde
bijdragen zijn opgenomen in het Bijdragenbesluit milieugerichte technologie.</al>
      <al>Op grond van artikel 21.6, vierde lid, van de Wet milieubeheer zoals dat
tot 1 januari 1995 luidde, is de Raad voor het milieubeheer in de gelegenheid
gesteld van advies te dienen. De Raad voor het milieubeheer heeft bericht
geen advies uit te brengen gezien zijn met ingang van genoemde datum gewijzigde
taakstelling (Wet tot wijziging van de Wet milieubeheer van 13 oktober 1994,
Stb. 766).</al>
      <al>Tevens is het ontwerp-besluit aan de Staten-Generaal overgelegd, zoals
voorgeschreven in artikel 21.6, vijfde lid, van de Wet milieubeheer, en in
de Staatscourant van 22 september 1994, nr. 182, gepubliceerd.</al>
      <al>Hierop is één reactie met aanbevelingen van taalkundige
aard ontvangen. </al>
      <tuskop letat="cur">Categorieën bijdragen</tuskop>
      <al>Het besluit heeft betrekking op een viertal categorieën bijdragen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De eerste categorie ziet op bijdragen in het kader van de internationale
samenwerking op milieugebied. Binnen deze categorie kan een aantal soorten
bijdragen worden onderscheiden, zoals de bijdrageverlening die plaatsvindt
in het kader van bijvoorbeeld de samenwerking op het gebied van het milieubeheer
met landen in Centraal- en Oost-Europa. De begunstigde van de bijdrageverlening
is in dit voorbeeld een Nederlandse onderneming of organisatie of een partner
in één van deze landen zelf. Ook reis- en verblijfskosten van
deskundigen en functionarissen kunnen op basis van dit artikel worden vergoed,
voor zover het niet gaat om medewerkers van de departementen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De tweede categorie behelst bijdragen met als doel kennisoverdracht. Het
gaat hierbij veelal om kleinere bijdragen voor activiteiten als congressen,
symposia, cursussen en voorlichtingsbijeenkomsten, terwijl voorts bijvoorbeeld
publikaties op het gebied van het milieu worden ondersteund. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Een derde categorie bijdragen is opgenomen voor doelgroep-activiteiten
in het kader van het doelgroepenbeleid. Het betreft hier activiteiten ter
uitvoering van het milieubeleid door doelgroepen. Een en ander is neergelegd
het Tweede Nationaal Milieubeleidsplan (Kamerstukken II 1993/94, 23 560
(NMP-2)), waarnaar in artikel 7 van het besluit ook wordt verwezen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Voorts kent het besluit nog een vierde categorie bijdragen namelijk op
het gebied van het afvalstoffenbeleid. De bijdragen op dat terrein vinden
tot nu toe hun basis veelal elders (begroting, andere categorie van dit besluit
of andere regelingen). Echter, mede gezien de snelle ontwikkelingen op dit
gebied, is te verwachten dat niet alle toekomstige bijdragen op dit terrein
nog hierop kunnen worden gebaseerd. Daarom is alsnog een aparte categorie
bijdragen in dit besluit opgenomen. </al>
      <tuskop letat="cur">Gevolgen van het besluit</tuskop>
      <al>Het besluit schept een kader voor de subsidieverlening door de Minister
van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en bevat dan ook
geen dwingende overheidsinterventie. Het besluit is noodzakelijk, gelet op
het bepaalde in de Wet milieubeheer en het belang om het subsidie-instrument
te kunnen gebruiken als instrument voor gedragsbeïnvloeding op een aantal
onderdelen van het milieubeheer. Uit het besluit vloeien geen nieuwe uitvoerings-
en handhavingslasten voort. Ook thans reeds worden de bijdragen verstrekt
en dient controle hierop plaats te vinden. De lasten voor de overheid zullen
naar verwachting niet toenemen, aangezien het besluit slechts betrekking heeft
op de formalisering van het tot 1 juli 1992 bestaande – buitenwettelijke –
stelsel van subsidieverlening. Het besluit kan aanleiding geven tot conflicten,
doch verwacht wordt dat op grond van het besluit niet meer dan enkele beroepsprocedures
per jaar zullen worden aangespannen. Deze verwachting vloeit voort uit de
ervaringen, die zijn opgedaan met de Regeling diverse bijdragen milieubeheer. </al>
      <tuskop letat="vet">§ 2. De systematiek van het besluit</tuskop>
      <al>Het onderhavige besluit dient te worden gelezen in samenhang met de wettelijke
bepalingen waarop het is gebaseerd. Eén van de gevolgen van het Hoofdstuk
financiële bepalingen van de Wet milieubeheer is namelijk dat niet langer
alle bepalingen die relevant zijn voor de bijdrageverlening in één
regeling zijn opgenomen.</al>
      <al>Het hoofdstuk kent een aantal delegatiebepalingen die aanduiden welke
onderwerpen in ieder geval bij algemene maatregel van bestuur dienen te worden
geregeld. Daarnaast geeft de wet zelf een aantal voorschriften die gelden
voor iedere bijdrageverlening die onder de reikwijdte van de wet valt.</al>
      <al>Artikel 15.17 verleent toezichthoudende ambtenaren de bevoegdheid zich
toegang te verschaffen tot plaatsen, die door de belanghebbende worden gebruikt,
en inzage te verkrijgen in boeken en andere zakelijke bescheiden. De belanghebbende
is verplicht hieraan medewerking te verlenen. Artikel 15.18 regelt het geval
waarin een verzoek tot verlening van surséance van betaling aan of
faillietverklaring van de belanghebbende bij de rechtbank is ingediend, voordat
een beslissing op de aanvraag om een bijdrage is genomen. Tenslotte geeft
artikel 15.19 een opsomming van de gevallen waarin een beslissing op de aanvraag
om een bijdrage vervalt of kan worden ingetrokken.</al>
      <al>Voorts is nog van belang de Algemene wet bestuursrecht. Hierin is onder
meer een titel betreffende beschikkingen opgenomen die algemene regels geeft
voor de aanvraag tot en met de beslissing op de aanvraag.</al>
      <al>In § 5 van deze nota wordt nader ingegaan op deze bepalingen. </al>
      <al>De derde tranche van de Algemene wet bestuursrecht, waarvan het voorstel
van wet op 5 juli 1994 aan de Tweede Kamer is aangeboden (Kamerstukken II
1993/94, 23 780, nrs. 1 en 2), voorziet in een titel over subsidies.
Op een aantal plaatsen is in het onderhavige besluit bij dit voorstel aangesloten. </al>
      <tuskop letat="vet">§ 3. De reikwijdte van het besluit</tuskop>
      <al>Het besluit heeft geen betrekking op bijdragen, die alleen voor lagere
overheden zijn bestemd. Deze bijdragen, die strekken ter vergoeding van het
door de lagere overheden te voeren milieubeleid, worden verleend op basis
van het Bijdragenbesluit openbare lichamen milieubeheer. Voorts ziet het besluit
niet op bijdragen op het gebied van het milieubeheer, die volledig ten laste
komen van de begroting van een ander ministerie dan het Ministerie van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Alle uitgaven met een min of meer algemene strekking worden onder de werking
van dit besluit gebracht. Daarnaast zijn afzonderlijke algemene maatregelen
van bestuur opgesteld voor meer specifieke bijdrageverleningen, die zich vanwege
dit specifieke karakter niet lenen voor opname in dit besluit. Hierbij wordt
gedacht aan bijdragen, die een beperkte reikwijdte hebben, zowel wat betreft
de kring van begunstigden als wat betreft de te subsidiëren activiteit
of maatregel. Als voorbeeld moge dienen de stimulering van de aanschaf van
laagzwavelige dieselolie, opgenomen in de Bijdragenregeling laagzwavelige
dieselolie.</al>
      <al>Verder wordt het niet zinvol geacht om de stimulering van de ontwikkeling
en toepassing van milieuvriendelijke technologieën door het bedrijfsleven
onder de werking van dit besluit te brengen. Voor deze categorie van bijdragen
is separaat een algemene maatregel van bestuur, het Bijdragenbesluit milieugerichte
technologie, in het leven geroepen. </al>
      <tuskop letat="vet">§ 4. De inhoud van het besluit</tuskop>
      <al>De mogelijkheden van bijdrageverlening vinden hun beperking in het jaarlijks
overeenkomstig artikel 3 beschikbaar gestelde bedrag, dat is gerelateerd aan
een artikelonderdeel van de begroting van het Ministerie van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.</al>
      <al>Voorts zijn van bijdrageverlening uitgesloten de kosten, waarvoor uit
anderen hoofde vanwege het Rijk of andere openbare lichamen of de Europese
Gemeenschappen een bijdrage kan worden verleend. Indien voor bepaalde activiteiten
een specifieke bijdrageregeling openstaat gaat deze voor het onderhavige besluit,
dat een algemene strekking heeft.</al>
      <al>Voor de aanvrager is het belangrijk te weten welke activiteiten in concreto
voor een bijdrage in aanmerking komen. Derhalve worden deze activiteiten in
de vorm van een programma in de Staatscourant bekend gemaakt. Daarbij worden
dan ook onder meer de voorwaarden gepubliceerd.</al>
      <al>De groepen bijdragen worden hieronder afzonderlijk besproken. </al>
      <tuskop letat="rom">a. Bijdragen voor internationale samenwerking (artikel
5)</tuskop>
      <al>De bijdragen, die in de categorie bijdragen voor internationale samenwerking
zijn opgenomen, hebben als doel een goede internationale samenwerking op het
gebied van het milieubeheer mogelijk te maken. Deze categorie voorziet in
een groot aantal bijdragen. Niet alle bijdragen op het gebied van de internationale
samenwerking zullen evenwel onder dit besluit worden gebracht. Zulks is namelijk
niet nodig voor bijdragen die buiten de reikwijdte van artikel 15.15 van de
Wet milieubeheer vallen doordat een verdrag of een artikel van een begrotingswet
de basis vormt ofwel voor bijdragen aan particulieren die door
een ander ministerie worden uitgekeerd. Dit laatste is bijvoorbeeld het geval
bij veel bijdragen, die verband houden met ontwikkelingssamenwerking.</al>
      <al>Binnen deze categorie vallen allereerst reis- en verblijfskosten. Het
komt voor dat van de kant van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer reis- en verblijfskosten worden betaald van buitenlandse
deskundigen of functionarissen, die afkomstig zijn uit landen, die deze kosten
niet of niet volledig zelf kunnen dragen. Daarnaast valt te denken aan de
kosten voor buitenlandse reizen, die worden gemaakt bij de deelname aan conferenties
door mensen van non-gouvernementele organisaties of andere organisaties en
instellingen. Het belang van internationale uitwisseling brengt met zich mee
dat in dit kader bijdragen moeten kunnen worden verleend. Derhalve is de basis
van deze bijdragen eveneens in dit besluit opgenomen. Van een opname onder
de categorie kennisoverdracht is afgezien, aangezien kennisoverdracht, zoals
omschreven in artikel 1 van het besluit, niet steeds het doel is van een reis.
Dit doel kan bijvoorbeeld ook liggen in het voeren van bilaterale of multilaterale
onderhandelingen.</al>
      <al>Voorts valt te denken aan internationale samenwerkingsprojekten of aan
bijdragen aan internationale organisaties.</al>
      <al>Bij de beoordeling van aanvragen voor een bijdrage wordt uitgegaan van
het belang van een activiteit voor het milieubeleid van het Ministerie van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. De hoogte van de bijdrage
zal naar de aard der zaak verschillen evenals het bijdragepercentage. Daarbij
zij opgemerkt dat in het algemeen een eigen bijdrage zal worden verlangd,
tenzij zulks onredelijke gevolgen zou hebben. </al>
      <tuskop letat="rom">b. Bijdragen voor kennisoverdracht (artikel 6)</tuskop>
      <al>Onder kennisoverdracht verstaat het besluit de verwerving of de vergroting
van de kennis en de vergroting van het bewustzijn op het gebied van het milieu.
Hierbij kan gedacht worden aan</al>
      <al>a. congressen, symposia en workshops;</al>
      <al>b. cursussen;</al>
      <al>c. voorlichtingsbijeenkomsten;</al>
      <al>d. publikaties;</al>
      <al>e. uitwisselingsprojecten.</al>
      <al>De aanleiding om voor deze activiteiten bijdragen te verlenen is gelegen
in de verwachting, dat de activiteiten zonder een financiële bijdrage
van de zijde van de rijksoverheid niet of in aanzienlijk mindere mate van
de grond zouden komen.</al>
      <al>Voor een bijdrage komt een ieder in aanmerking. In de meeste gevallen
zal de begunstigde evenwel een non profit-instelling zijn, waarbij valt te
denken aan een onderwijsinstelling, een sociaal-culturele instelling of een
vakbond.</al>
      <al>De aanvragen zullen veelal in overleg met het Directoraat-Generaal Milieubeheer
tot stand komen. Bij de beoordeling van de verschillende aanvragen wordt getoetst
aan de vraag of een activiteit een passende stimulans vormt voor de vergroting
van de kennis op het gebied van het milieubeheer. Daarbij kan een afweging
plaatsvinden tussen de hoogte van de gevraagde bijdrage en het verwachte nuttig
effect van de activiteit.</al>
      <al>De hoogte van de bijdragen zal in het algemeen betrekkelijk beperkt zijn
en in de orde van grote van enkele duizenden of enkele tienduizenden guldens
op jaarbasis liggen. Niettemin is in het besluit geen maximum-bedrag opgenomen.
Gelet op het feit dat het onderhavige besluit mede als sluitstuk dient voor
de subsidieverlening op het gebied van het milieubeheer zou een stringent
maximum-bedrag onnodig beperkend kunnen werken voor het gebruik van het subsidie-instrument
op dit beleidsgebied. Evenmin is een maximum-percentage voor de bijdragen
opgenomen. Veelal zal van de begunstigde een eigen bijdrage worden verwacht
in de kosten van de activiteit. Er is echter afgezien van een verplichte eigen
bijdrage. Het verplicht stellen van een eigen bijdrage zou een te grote beperking
van de mogelijkheden van de bijdragenverlening inhouden. </al>
      <tuskop letat="rom">c. Bijdragen voor doelgroep-activiteiten (artikel 7)</tuskop>
      <al>Artikel 7 bevat een regeling voor bijdragen voor doelgroepactiviteiten.
In het kader van de uitvoering van het NMP 2 worden milieudoelstellingen vertaald
naar milieutaakstellingen voor de verschillende doelgroepen. Met de term doelgroep
wordt een groep van organisaties of personen aangeduid die vergelijkbare (voor
het milieu schadelijke of in ieder geval relevante) activiteiten ontplooien
(prioritaire doelgroepen) of een groep van organisaties die de mogelijkheid
hebben om het gedrag van andere groepen te beïnvloeden (intermediaire
kaders).</al>
      <al>De activiteiten waarop dit artikel betrekking heeft zijn activiteiten
in het kader van met de onderscheiden doelgroepen overeengekomen milieutaakstellingen.
Het kan eventueel ook gaan om activiteiten die worden verricht in het kader
van nog met de doelgroep overeen te komen milieutaakstellingen. De activiteiten
moeten in ieder geval gericht zijn op het bevorderen van de implementatie
van concrete milieumaatregelen door de doelgroep.</al>
      <al>De uitvoering van die activiteiten en de verantwoordelijkheid daarvoor
berust bij de belangenorganisaties die bij die implementatie direct zijn betrokken.</al>
      <al>Hierbij is in de eerste plaats gedacht aan branche-verenigingen, vakbonden,
consumentenorganisaties en andere non-profit-organisaties. Deze organisaties
vertegenwoordigen de doelgroep of een deel daarvan. Daarnaast kan ook worden
gedacht aan het Interprovinciaal Overleg (IPO), de Vereniging van Nederlandse
Gemeenten (VNG) en de Unie van Waterschappen. De laatstgenoemde organisaties
kunnen met name als intermediaire kaders een belangrijke functie vervullen
bij de bevordering van de implementatie van de prioritaire doelgroepen.</al>
      <al>Een aanvraag op grond van dit artikel zal dan ook veelal door een organisatie
worden ingediend, al is het niet bij voorbaat uitgesloten dat een activiteit
waarvoor een bijdrage op grond van dit artikel kan worden verleend, door een
natuurlijk persoon wordt verricht.</al>
      <al>Bepalend is of het gaat om activiteiten die ertoe bijdragen dat de doelgroepen
de milieutaakstellingen beter of sneller kunnen volbrengen. </al>
      <al>Het is echter niet de bedoeling dat de bijdrage direct of indirect ertoe
leidt dat financiële steun aan het bedrijfsleven wordt verleend. Dit
effect zou zich met name bij bepaalde branche-organisaties kunnen voordoen.</al>
      <al>Indien een bijdrage direct of indirect ten goede komt aan het bedrijfsleven,
is voorafgaande melding aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen als
steunmaatregel in de zin van de artikelen 92 en volgende van het EG-Verdrag
vereist. Een bijdrage kan in die gevallen slechts worden verleend, indien
de Commissie geen bezwaar maakt. Nu in het tweede lid uitdrukkelijk is bepaald
dat de bijdrageverlening uitsluitend ten goede mag komen aan de organisatie
zelf, houdt dat in dat de bijdrage niet op de een of andere wijze mag worden
«doorgegeven» aan de bedrijven die deze organisatie vertegenwoordigt.
Derhalve is hier geen sprake van een steunmaatregel, zodat de bijdrageverlening
niet behoeft te worden gemeld.</al>
      <al>De activiteiten die in het eerste lid worden bedoeld, kunnen in beginsel
van velerlei aard zijn. In het besluit wordt echter in de paragrafen 2 tot
en met 5 reeds voor verschillende typen activiteiten de mogelijkheid van een
bijdrageverlening gegeven. Gezien de vrij algemene formulering van deze bepalingen
kunnen hiertoe ook activiteiten behoren welke in het kader van het doelgroepenbeleid
kunnen worden verricht. Dit betekent dat het bij het onderhavige artikel in
het algemeen zal gaan om ondersteuning in de vorm van het financieren
van (een deel van) het personeel van een organisatie dat speciaal wordt aangetrokken
om het doelgroepenbeleid van die organisatie vorm te geven. </al>
      <tuskop letat="rom">d. Bijdragen voor afvalstoffenbeleid (artikel 8)</tuskop>
      <al>In artikel 8 is de basis neergelegd voor bijdragen op het gebied van het
afvalstoffenbeleid.</al>
      <al>De soort activiteiten waarvoor bijdragen kunnen worden verleend, kan echter
niet bij voorbaat worden aangegeven. Binnen het beleidsterrein afvalstoffen
doet zich een aantal ontwikkelingen voor, waarop in een zo vroeg mogelijk
stadium dient te worden ingespeeld. Te denken valt bijvoorbeeld aan activiteiten
ten behoeve van afvalpreventie bij bedrijven. Het verlenen van bijdragen is
een ondersteuning van dit beleid en moet derhalve ook daarop kunnen worden
afgestemd.</al>
      <al>Uiteraard geldt ook voor deze categorie bijdragen dat de verlening verenigbaar
moet zijn met het EG-recht. In voorkomende gevallen zal melding aan de Europese
Commissie noodzakelijk zijn. </al>
      <tuskop letat="vet">§ 5. De procedure</tuskop>
      <al>In § 6 van het besluit zijn voorschriften opgenomen met betrekking
tot de indiening van aanvragen op grond van het besluit en met betrekking
tot de beslissing daarop. Gekozen is voor een tamelijk lichte procedure, die
uiteraard past binnen het kader van het Hoofdstuk financiële bepalingen
van de Wet milieubeheer. Laatstgenoemd hoofdstuk bevat ook bepalingen die
gelden voor de onderhavige bijdragen, hoewel zij niet in het besluit zelf
zijn terug te vinden.</al>
      <al>Zoals hierboven, in § 2, ook al werd aangestipt, moeten deze
bepalingen tevens in samenhang worden gelezen met de Algemene wet bestuursrecht.
Het gaat hierbij met name om Titel 4.1, Beschikkingen, van die wet. Deze titel
bevat een regeling over onder meer het indienen van de aanvraag, de gevolgen
van een onvolledige aanvraag en de mogelijkheid die in dat geval aan de aanvrager
moet worden gegeven om de aanvraag aan te vullen. Deze bepalingen gelden algemeen
en dus ook voor beschikkingen op grond van het onderhavige besluit. In verband
daarmee zijn in het besluit uitsluitend bepalingen opgenomen die dienen ter
aanvulling van de bepalingen in de Algemene wet bestuursrecht.</al>
      <al>In de navolgende beschrijving van de procedure wordt daarom tevens ingegaan
op de voor de bijdrageverlening relevante bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht
en de Wet milieubeheer.</al>
      <al>Aanvragen op grond van dit besluit dienen op grond van artikel 4:1 van
de Algemene wet bestuursrecht te worden ingediend bij het bestuursorgaan dat
beslist over de aanvraag, hetgeen in dit geval wil zeggen bij de Minister
van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. De aanvraag dient
op grond van artikel 4:1 van de Algemene wet bestuursrecht schriftelijk te
worden ingediend en op grond van artikel 4:2 van die wet tenminste de naam,
de dagtekening en een aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd te
bevatten. Een aanvraag om een bijdrage moet worden ingediend voor het tijdstip
waarop de activiteiten zullen aanvangen. Een aanvraag moet op grond van artikel
10 van het besluit verder vergezeld gaan van een begroting, een inhoudelijke
beschrijving van de activiteiten en een tijdsplanning indien de activiteiten
ten tijde van het indienen van de aanvraag nog niet zijn voltooid. Bij ministeriële
regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de gegevens, die bij
de aanvraag dienen te worden overgelegd.</al>
      <al>Indien de aanvraag niet volledig is, dient de aanvrager op grond van artikel
4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in de gelegenheid te worden
gesteld, binnen een bepaalde termijn de aanvraag aan te vullen. Is na het
verstrijken van die termijn de aanvraag nog niet of niet voldoende
aangevuld, dan kan besloten worden de aanvraag niet te behandelen, op grond
van eerder genoemd artikel van de Algemene wet bestuursrecht.</al>
      <al>De beslistermijn is op grond van artikel 11 vier maanden.</al>
      <al>Deze termijn wordt ingevolge artikel 4:15 van de Algemene wet bestuursrecht
opgeschort gedurende de termijn dat de aanvraag nog moet worden aangevuld.
Het tweede lid van artikel 11 hangt samen met artikel 15.18 van de Wet milieubeheer.
Op grond van dat artikel moet de aanvraag worden aangehouden wanneer een verzoek
tot verlening van surséance van betaling aan of faillietverklaring
van de aanvrager bij de rechtbank is ingediend, totdat op dat verzoek is beslist,
dan wel, indien surséance van betaling wordt verleend, totdat een maand
na beëindiging van de surséance is verstreken. De beslistermijn
is op grond van artikel 11, tweede lid, gedurende die tijd opgeschort. Om
een aanvraag om deze reden te kunnen aanhouden is het nodig dat bekend is,
dat een verzoek tot verlening van surséance van betaling of tot faillietverklaring
is gedaan. Derhalve is in artikel 15 de verplichting voor de aanvrager opgenomen
hiervan mededeling te doen. Het spreekt voor zich dat de stopzetting van de
activiteiten waarvoor een bijdrage is aangevraagd eveneens moet worden gemeld.</al>
      <al>De beschikking moet op grond van artikel 4:17 van de Algemene wet bestuursrecht
worden gemotiveerd, waarbij het wettelijk voorschrift krachtens welke zij
wordt gegeven, wordt vermeld. Op grond van artikel 12 dient de beschikking
verder onder meer het bedrag van de bijdrage en de wijze waarop de hoogte
van dit bedrag is bepaald te vermelden. Hiertoe kan een verwijzing naar de
aanvraag volstaan. Soms evenwel zal het noodzakelijk zijn in de beschikking
te vermelden welke kosten (-soorten) wel en welke niet subsidiabel zijn.</al>
      <al>De afwijzingsgronden zijn opgenomen in artikel 13.</al>
      <al>In § 7 is een aantal verplichtingen voor de gesubsidieerde opgesomd.
Gewezen zij hier slechts op de verplichting om bij langlopende activiteiten
een jaarlijks voortgangsverslag aan de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer over te leggen. Naast de in artikel 14 opgesomde
verplichtingen kunnen in een beschikking tot verlening van een bijdrage nadere
verplichtingen worden opgenomen (artikel 12, tweede lid).</al>
      <al>De sanctie op het niet naleven van de voorschriften is dat de beschikking
tot verlening kan worden ingetrokken. Dit volgt uit artikel 15.19, eerste
lid, onder b, van de Wet milieubeheer.</al>
      <al>Aan de hand van een inhoudelijk en een financieel verslag na afloop van
de activiteit wordt een beschikking houdende vaststelling van de bijdrage
genomen. Bij kleinere bijdragen kan de verslaglegging een summier karakter
hebben. Bij grotere bijdragen wordt een uitvoeriger verslag verlangd, dat
bij een bedrag dat boven de f 100 000,– ligt, wordt vergezeld
van een accountantsverklaring.</al>
      <al>De bijdrage wordt vastgesteld binnen dertien weken nadat de verslagen
zijn ontvangen.</al>
      <al>Hierboven is reeds de intrekking van de beschikking tot verlening van
de bijdrage aan de orde gekomen. Deze intrekking is gebaseerd op artikel 15.19
van de Wet milieubeheer.</al>
      <al>Na de vaststelling van de bijdrage heeft intrekking van de eerste beschikking
geen zin meer, omdat de op de vaststelling gebaseerde aanspraak op financiële
middelen niet wordt aangetast.</al>
      <al>Desondanks bestaat in bepaalde gevallen de behoefte aan de mogelijkheid
van intrekking van de beschikking tot vaststelling van de bijdrage. De gronden
daarvoor, die in artikel 19 zijn opgenomen, zijn ontleend aan de derde tranche
van de Algemene wet bestuursrecht. Daarin is ook de termijn van vijf jaren
opgenomen.</al>
      <al>§ 9 bevat enige voorschriften omtrent de bevoorschotting en
de betaling. Omdat de verplichting tot betaling pas ontstaat bij de vaststelling
van de bijdrage is voorzien in de mogelijkheid dat voorschotten worden verstrekt
vooruitlopende op de vaststelling van de bijdrage. Immers vaak is de aanvrager
niet in staat de activiteit te verrichten, indien hem geen geld beschikbaar
wordt gesteld. Het begrip voorschot wordt hier gebruikt in de zin van voorschot
op nog te maken kosten alsmede in de zin van een vooruitbetaling, namelijk
vooruitlopende op de subsidievaststelling, van reeds door de aanvrager gemaakte
kosten.</al>
      <al>Het verdient aanbeveling een verzoek om voorschot tegelijk met de aanvraag
om een bijdrage in te dienen, zodat een en ander tegelijkertijd kan worden
behandeld. Aan de beschikking tot verlening van een voorschot kunnen voorschriften
worden verbonden.</al>
      <al>Te denken valt bijvoorbeeld aan het voorschrift dat tussentijds financiële
verantwoording dient te worden afgelegd of dat ten behoeve van voorschotverlening
met betrekking tot reeds gemaakte kosten betaalbewijzen dienen te worden overgelegd.
Voorschotten kunnen op verzoek van de aanvrager op basis van declaraties worden
verstrekt, echter niet tot een hoger bedrag dan 80% van de verleende bijdrage.</al>
      <al>Een uitzondering hierop is mogelijk in de in het tweede lid van artikel
20 omschreven gevallen.</al>
      <al>Ingevolge het eerste lid van artikel 21 worden geen voorschotten betaald
indien een verzoek tot verlening van surséance van betaling aan of
faillietverklaring van de aanvrager bij de rechtbank is ingediend. Deze bepaling
kan beschouwd worden als een aanvulling op hetgeen reeds in de Wet milieubeheer
is bepaald over de gevolgen van surséance van betaling en faillissement.
Op grond van artikel 15.18, tweede lid, van die wet moet een aanvraag worden
afgewezen wanneer de aanvrager failliet is verklaard. Artikel 15.19, tweede
lid, van die wet bepaalt, dat de beschikking vervalt zodra de aanvrager failliet
is verklaard, wanneer dit gebeurt voor de betaling van het definitief vastgestelde
bedrag. De onderhavige bepaling heeft het oog op de daaraan voorafgaande situatie,
waarin de beschikking nog niet is vervallen; in die fase moeten op grond van
dit artikel lopende betalingen worden stopgezet. Is de beschikking eenmaal
vervallen, dan volgt uit artikel 15.19, derde lid, van de Wet milieubeheer
dat de reeds betaalde bedragen terstond opeisbaar zijn.</al>
      <al>De bezwaar- en beroepsmogelijkheid is geregeld in de Wet milieubeheer
en in de Algemene wet bestuursrecht. Op grond van artikel 20.1 van de Wet
milieubeheer kan tegen een beschikking op grond van dit besluit beroep worden
ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.</al>
      <al>Voorafgaand hieraan dient evenwel steeds eerst een bezwaarschrift te worden
ingediend bij het orgaan dat de beschikking heeft gegeven, in casu de Minister
van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. Dit volgt uit
artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht. De procedure voor de indiening
en afhandeling van dit bezwaarschrift is geregeld in de afdelingen 7.1 en
7.2 van die wet.</al>
      <al>Op grond van het aldus beschreven stelsel is het niet nodig afzonderlijke
bepalingen over bezwaar en beroep in dit besluit op te nemen. </al>
      <minister>
        <minvan>De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,</minvan>
        <naam>Margaretha de Boer</naam>
      </minister>
    </notatoe>
  </backm>
</staatsbl>