﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<!DOCTYPE staatsbl PUBLIC "-//SDU//DTD staatsblad xml 1.1//NL" "../../dtd/staatsbl-11.dtd"[]>
<staatsbl id="sb996.133" soort="beschik" publtype="besc">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-1996-133/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel status="off">Staatsblad</titel>
    <subtitel>van het Koninkrijk der Nederlanden</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.4" conv="OPmaat" markup="c1xa"></versie>
    <ordernr>6S0109</ordernr>
    <stb>
      <jaargang jaar="1996">Jaargang 1996</jaargang>
      <stbjaar>1996</stbjaar>
      <stbnr>133 </stbnr>
    </stb>
    <intitule>
      <soort>Beschikking</soort> van de Minister van Justitie van 21 februari
1996, houdende plaatsing in het Staatsblad van de tekst van de Arbeidsomstandighedenwet,
zoals deze laatstelijk is gewijzigd bij de wet van 21 december 1995, Stb.
691</intitule>
    <aanhef>
      <wie>De Minister van Justitie,</wie>
      <consider>
        <al>Gelet op artikel 12:31 van de wet van 23 november 1995, Stb. 598;</al>
      </consider>
      <afkondig>Besluit:</afkondig>
    </aanhef>
  </frontm>
  <body>
    <besluit>
      <al>De tekst van de Arbeidsomstandighedenwet, zoals deze laatstelijk is gewijzigd
bij de wet van 21 december 1995, Stb. 691, in het Staatsblad te plaatsen als
bijlage bij deze beschikking.</al>
    </besluit>
  </body>
  <backm>
    <nawerk>
      <ondertek>
        <ondplts>'s-Gravenhage, </ondplts>
        <onddatum>21 februari 1996 </onddatum>
        <minister>
          <minvan>De Minister van Justitie,</minvan>
          <naam>W. Sorgdrager</naam>
        </minister>
      </ondertek>
      <uitgifte>
        <uitgifte-regel>Uitgegeven de <nadruk type="cur">negenentwintigste</nadruk> februari 1996</uitgifte-regel>
        <uitdag>negenentwintigste</uitdag>
        <uitmaand>februari</uitmaand>
        <uitjaar>1996</uitjaar>
        <door>
          <minvan>De Minister van Justitie,</minvan>
          <naam>W. Sorgdrager </naam>
        </door>
      </uitgifte>
    </nawerk>
    <tekstpl>
      <kop>
        <titel status="off">ARBEIDSOMSTANDIGHEDENWET Tekst van de Arbeidsomstandighedenwet,
zoals deze luidt ingevolge de wijzigingen bij de wetten van 14 mei 1981, Stb.
371, van 9 januari 1985, Stb. 129, van 26 november 1987, Stb. 535, van 1 december
1988, Stb. 572, van 1 februari 1990, Stb. 91, van 4 juni 1992, Stb. 422, van
2 juli 1992, Stb. 414, van 11 november 1993, Stb. 610, van 22 december 1993,
Stb. 748, van 22 december 1993, Stb. 757, van 23 december 1993, Stb. 690,
van 14 februari 1994, Stb. 156, van 9 juni 1994, Stb. 440, van 9 juni 1994,
Stb. 441, van 29 juni 1994, Stb. 586, van 26 april 1995, Stb. 250, van 10
juli 1995, Stb. 431, van 23 november 1995, Stb. 598 en van 21 december 1995,
Stb. 691. </titel>
      </kop>
      <hfdst>
        <kop>
          <nr>HOOFDSTUK I.</nr>
          <titel status="off">DEFINITIES EN TOEPASSINGSGEBIED </titel>
        </kop>
        <art id="a1">
          <kop>
            <nr>Artikel 1</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>In het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder:</al>
            <al>a. werkgever:</al>
            <al>1°. degene jegens wie een ander krachtens arbeidsovereenkomst of publiekrechtelijke
aanstelling gehouden is tot het verrichten van arbeid, behalve indien die
ander aan een derde ter beschikking wordt gesteld voor het verrichten van
arbeid, welke die derde gewoonlijk doet verrichten;</al>
            <al>2°. degene aan wie een ander ter beschikking wordt gesteld voor het
verrichten van arbeid als bedoeld onder 1°;</al>
            <al>b. werknemer: de ander bedoeld onder a.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>In het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt mede verstaan onder:</al>
            <al>a. werkgever:</al>
            <al>1°. degene die zonder werkgever of werknemer in de zin van het eerste
lid te zijn, een ander onder zijn gezag arbeid doet verrichten;</al>
            <al>2°. degene die zonder werkgever of werknemer in de zin van het eerste
lid te zijn, een ander niet onder zijn gezag arbeid in een woning doet verrichten,
in bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen gevallen;</al>
            <al>b. werknemer: de ander als bedoeld onder a.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>In het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder «jeugdige
werknemer»: een werknemer jonger dan 18 jaar.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>4.</nr>
            <al>In het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder:</al>
            <al>«Onze Minister»: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;</al>
            <al>«Ondernemingsraad»: de ondernemingsraad, ingesteld overeenkomstig
het bij of krachtens de wet bepaalde voor de onderneming waartoe het bedrijf
of de inrichting behoort.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>5.</nr>
            <al>Waar in het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt gesproken van een
ondernemingsraad, wordt een krachtens artikel 15 ingestelde arbocommissie
als zodanig aangemerkt.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>6.</nr>
            <al>Waar in deze wet de bevoegdheid wordt verleend tot aanwijzing van bedrijven
of inrichtingen dan wel delen daarvan, hetzij per categorie, hetzij individueel,
omvat zulks mede de bevoegdheid tot aanwijzing van werkverbanden die niet
aan een bedrijf of een inrichting gebonden zijn. Waar in deze wet de woorden
«bedrijf» en «inrichting» worden gebruikt om een plaats
aan te duiden, omvat dit mede een andere plaats waar werknemers arbeid verrichten.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>7.</nr>
            <al>In deze wet wordt onder «welzijn» uitsluitend verstaan het
welzijn voor zover tot bevordering daarvan in artikel 3, eerste lid aanhef
en onder e, f, g en h alsmede krachtens artikel 24, tweede lid, onder ij tot
en met ad, verplichtingen zijn gesteld.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>8.</nr>
            <al>Voor het bij of krachtens deze wet bepaalde treedt voor de toepassing
van de afdelingen 3.6 en 4.1.2 van de Algemene wet bestuursrecht
een ondernemingsraad in de plaats van de belanghebbende werknemers.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>9.</nr>
            <al>Bij het ontbreken van een ondernemingsraad wordt, in afwijking van artikel
3:41 van de Algemene wet bestuursrecht, van een beschikking zo spoedig mogelijk
door de werkgever mededeling gedaan aan de belanghebbende werknemers. Die
beschikking treedt, in afwijking van artikel 3:40 van de Algemene wet bestuursrecht,
voor hen niet eerder in werking dan nadat de werkgever aan de mededelingsplicht,
als bedoeld in de vorige zin, heeft voldaan.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a2">
          <kop>
            <nr>Artikel 2<eindref refid="e1"></eindref></nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Het bij of krachtens deze wet bepaalde is met betrekking tot verrichtingen
van leerlingen en studenten in onderwijsinrichtingen of gedeelten daarvan,
open ruimten daaronder begrepen, van toepassing. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kan ten aanzien van verrichtingen van leerlingen, studenten
en werknemers in bedoelde inrichtingen het bij of krachtens deze wet bepaalde
of het in afdeling 4.1.2 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalde niet van
toepassing worden verklaard of kunnen andere bepalingen daarvoor in de plaats
worden gesteld. De voordracht tot een algemene maatregel van bestuur als bedoeld
in de tweede zin wordt Ons gedaan door Onze Minister en de ministers wie het
mede aangaat te zamen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking
tot arbeid verricht in burgerlijke openbare dienst, regelen worden gesteld,
welke afwijken van het bij of krachtens deze wet bepaalde of strekken ter
aanvulling daarvan. In de eerste zin wordt onder openbare dienst begrepen
de instellingen, diensten en bedrijven door de Staat en de openbare lichamen
beheerd. De voordracht tot een algemene maatregel van bestuur als bedoeld
in de eerste zin wordt Ons gedaan door Onze Minister en Onze Minister van
Binnenlandse Zaken alsmede Onze Ministers wie het mede aangaat te zamen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>Het bij of krachtens deze wet bepaalde is mede van toepassing:</al>
            <al>a. op arbeid die geheel of ten dele buiten Nederland wordt verricht door
personen, werkzaam aan boord van zeeschepen die op grond van Nederlandse rechtsregels
gerechtigd zijn de Nederlandse vlag te voeren;</al>
            <al>b. op arbeid die voor een in Nederland gevestigde werkgever geheel of
ten dele buiten Nederland wordt verricht door personen, werkzaam aan boord
van luchtvaartuigen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>4.</nr>
            <al>Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat
deze wet en de daarop berustende bepalingen geheel of gedeeltelijk niet van
toepassing zijn op arbeid, verricht in onderscheidenlijk op een luchtvaartuig,
een zeeschip of een binnenvaartuig dan wel een voertuig op een openbare weg
of een spoor- of tramweg. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur
kunnen ten aanzien van de in de vorige zin bedoelde arbeid voorts regels worden
gesteld die afwijken van of strekken ter aanvulling van deze wet en de daarop
berustende bepalingen. De voordracht tot een algemene maatregel van bestuur
als bedoeld in de tweede of derde zin wordt Ons gedaan door Onze Minister
en Onze Minister van Verkeer en Waterstaat alsmede Onze Minister wie het mede
aangaat tezamen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>5.</nr>
            <al>Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking
tot arbeid, verricht in de gestichten bedoeld in de Beginselenwet gevangeniswezen
(Stb. 1951, 596) en de rijksinrichtingen voor kinderbescherming, regelen worden
gesteld, welke afwijken van het bij of krachtens deze wet bepaalde of strekken
ter aanvulling daarvan. De voordracht tot een algemene maatregel van bestuur
als bedoeld in de eerste zin wordt Ons gedaan door Onze Minister en Onze Ministers
wie het mede aangaat te zamen. </al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>6.</nr>
            <al>Het bij of krachtens deze wet bepaalde is niet van toepassing ten aanzien
van arbeid verricht in militaire dienst, behoudens voor zover bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur anders is bepaald. Ter verzekering van de veiligheid,
ter bescherming van de gezondheid en ter bevordering van het welzijn in verband
met de arbeid in militaire dienst kunnen bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur, met inachtneming van het belang van de landsverdediging, regelen
worden gesteld, welke afwijken van het bij of krachtens deze wet bepaalde
of strekken tot aanvulling daarvan. De voordracht tot een algemene maatregel
van bestuur als bedoeld in de eerste of tweede zin wordt Ons gedaan door Onze
Minister en Onze Minister van Defensie te zamen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>7.</nr>
            <al>Het bij of krachtens deze wet bepaalde is niet van toepassing ten aanzien
van arbeid:</al>
            <al>a. verricht in de ondergrondse werken van mijnen benevens in de bij een
mijn behorende bovengronds gelegen werken en inrichtingen, die zijn aangewezen
krachtens artikel 9, eerste lid, onder a, van de Mijnwet 1903 (Stb. 1904,
73);</al>
            <al>b. verricht door personen als bedoeld in artikel 26, eerste lid, onder
b, van de Mijnwet Continentaal Plat (Stb. 1965, 428);</al>
            <al>c. verricht in een arbeidsverhouding behorend tot een door Onze Minister
aangewezen categorie, voor zover dit bij de aanwijzing is bepaald.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>8.</nr>
            <al>De werkgever en de werknemers zijn verplicht tot naleving van de voorschriften
en verboden welke bij of krachtens de in de voorlaatste zin van het eerste
lid, het tweede, derde, en vijfde of zesde lid, tweede zin, bedoelde algemene
maatregelen van bestuur zijn vastgesteld voor zover en op de wijze als bij
ieder dezer maatregelen is bepaald.</al>
          </lid>
        </art>
      </hfdst>
      <hfdst>
        <kop>
          <nr>HOOFDSTUK II.</nr>
          <titel status="off">ALGEMENE VERPLICHTINGEN VAN DE WERKGEVER </titel>
        </kop>
        <par>
          <kop>
            <titel status="off">Algemene zorg voor veiligheid, gezondheid en welzijn in
verband met de arbeid </titel>
          </kop>
          <art id="a3">
            <kop>
              <nr>Artikel 3</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Bij het organiseren van de arbeid, het inrichten van de arbeidsplaatsen
en het bepalen van de produktie- en werkmethoden moet de werkgever het volgende
in acht nemen in het kader van de zorg voor een zo groot mogelijke veiligheid,
een zo goed mogelijke bescherming van gezondheid en het bevorderen van het
welzijn bij de arbeid, gelet op de algemeen erkende regelen der techniek,
de stand van de bedrijfsgezondheidszorg, alsmede de stand van de ergonomie
en die van de arbeidskunde of bedrijfskunde:</al>
              <al>a. tenzij dit redelijkerwijs niet kan worden gevergd, moet de werkgever
de arbeid zodanig organiseren, de arbeidsplaatsen zodanig inrichten en zodanige
produktie- en werkmethoden toepassen dat daarvan geen nadelige invloed uitgaat
op de veiligheid en de gezondheid van de werknemer;</al>
              <al>b. tenzij dit redelijkerwijs niet kan worden gevergd, moeten de gevaren
voor de veiligheid of de gezondheid van de werknemer zoveel mogelijk in eerste
aanleg bij de bron daarvan worden voorkomen of zoveel mogelijk worden beperkt;
naar de mate waarin dergelijke gevaren niet bij de bron kunnen worden voorkomen
of beperkt, moeten daartoe andere doelmatige maatregelen worden getroffen,
waarbij maatregelen gericht op collectieve bescherming de voorrang dienen
te hebben boven maatregelen gericht op individuele bescherming; slechts indien
redelijkerwijs niet kan worden gevergd dat maatregelen worden getroffen die
zijn gericht op individuele bescherming, dienen doelmatige en passende persoonlijke beschermingsmiddelen aan de werknemer ter beschikking
te worden gesteld;</al>
              <al>c. het gebruik van werktuigen, machines, toestellen en overige hulpmiddelen
bij de arbeid alsmede van stoffen die gevaar kunnen opleveren voor de veiligheid
en de gezondheid van de werknemer moet worden vermeden; indien zulks redelijkerwijs
niet kan worden vermeden, moeten die gevaarlijke werktuigen, machines, toestellen
onderscheidenlijk stoffen en overige hulpmiddelen worden gebruikt, waarbij
het gevaar zo ver mogelijk is beperkt als redelijkerwijs kan worden gevergd;</al>
              <al>d. doeltreffende maatregelen moeten zijn genomen teneinde het mogelijk
te maken dat de werknemer, indien een toestand ontstaat, waarin direct gevaar
voor zijn veiligheid of gezondheid aanwezig is, zich snel in veiligheid kan
stellen dan wel andere passende maatregelen kan nemen, en ten einde te verzekeren
dat, indien schade aan zijn gezondheid is toegebracht, de gevolgen hiervan
zoveel mogelijk kunnen worden beperkt;</al>
              <al>e. de inrichting van de arbeidsplaatsen, de werkmethoden en de bij de
arbeid gebruikte hulpmiddelen moeten zoveel als redelijkerwijs kan worden
gevergd op ergonomisch verantwoorde wijze aan de werknemer zijn aangepast;</al>
              <al>f. bij de samenstelling en toewijzing van de onderscheiden taken moet
rekening gehouden worden met de persoonlijke eigenschappen van de werknemer
met betrekking tot leeftijd, geslacht, lichamelijke en geestelijke gesteldheid,
ervaring, vakmanschap en kennis van de voertaal; zo dikwijls deze eigenschappen
daartoe, mede gelet op de werkomstandigheden, aanleiding geven, moet voor
zoveel als redelijkerwijs kan worden gevergd op de bevordering van de veiligheid
en de bescherming van de gezondheid van deze werknemers speciaal toezicht
worden uitgeoefend, dan wel moeten andere doelmatige voorzieningen worden
getroffen;</al>
              <al>g. zoveel als redelijkerwijs kan worden gevergd, moet de arbeid bijdragen
tot de vakbekwaamheid van de werknemer en dient de werkgever het werk van
de werknemer zo in te richten dat de werknemer voldoende mogelijkheden heeft
om zijn werk volgens eigen inzicht, zoals dat mede bepaald wordt door zijn
vakbekwaamheid, te verrichten, contact met andere werknemers te onderhouden
en zich op de hoogte te stellen van het doel en het resultaat van zijn arbeid
en de eisen die daaraan worden gesteld;</al>
              <al>h. ongevarieerde zich in een kort tijdsbestek herhalende arbeid en arbeid
waarbij het tempo door een machine of een lopende band op een zodanige wijze
wordt beheerst dat de werknemer zelf verhinderd wordt het tempo van de arbeid
te beïnvloeden, moeten, zoveel als redelijkerwijs kan worden gevergd,
worden vermeden; indien dergelijke arbeid niet of onvoldoende kan worden vermeden,
moet de werkgever deze door andersoortige arbeid of door pauzes regelmatig
afwisselen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>In het kader van de zorg voor een zo groot mogelijke veiligheid, een zo
goed mogelijke bescherming van de gezondheid en het bevorderen van het welzijn
bij of in verband met de arbeid zorgt de werkgever er voor:</al>
              <al>a. dat de werknemer zoveel mogelijk wordt beschermd tegen seksuele intimidatie
en de nadelige gevolgen daarvan;</al>
              <al>b. dat de werknemer zoveel mogelijk wordt beschermd tegen agressie en
geweld en de nadelige gevolgen daarvan.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>Onder seksuele intimidatie, als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a,
wordt verstaan: ongewenste seksuele toenadering, verzoeken om seksuele gunsten
of ander verbaal, non-verbaal of fysiek gedrag van seksuele aard waarbij tevens
sprake is van een van de volgende punten:</al>
              <al>1°. onderwerping aan dergelijk gedrag wordt hetzij expliciet hetzij
impliciet, gehanteerd als voorwaarde voor de tewerkstelling van een persoon;</al>
              <al>2°. onderwerping aan of afwijzing van dergelijk gedrag door een persoon, wordt gebruikt of mede gebruikt als basis voor beslissingen
die het werk van deze persoon raken;</al>
              <al>3°. dergelijk gedrag heeft het doel de werkprestaties van een persoon
aan te tasten en/of een intimiderende, vijandige of onaangename werkomgeving
te creëren, dan wel heeft tot gevolg dat de werkprestaties van een persoon
worden aangetast en/of een intimiderende, vijandige of onaangename werkomgeving
wordt gecreerd.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>4.</nr>
              <al>Onder agressie en geweld, als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b,
wordt verstaan voorvallen waarbij een werknemer psychisch of fysiek wordt
lastig gevallen, bedreigd of aangevallen, onder omstandigheden die rechtstreeks
verband houden met het verrichten van de arbeid.</al>
            </lid>
          </art>
        </par>
        <par>
          <kop>
            <titel status="off">Beleidsvoering, inventarisatie en evaluatie en jaarplan </titel>
          </kop>
          <art id="a4">
            <kop>
              <nr>Artikel 4</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Bij het voeren van zijn algemeen ondernemingsbeleid moet de werkgever
dit beleid mede richten op een zo groot mogelijke veiligheid, een zo goed
mogelijke bescherming van de gezondheid en het bevorderen van het welzijn
van de werknemer binnen het bedrijf of de inrichting; dat beleid behelst de
middelen waarmee en de wijze waarop deze doelstelling moet worden bereikt,
legt de onderscheiden bevoegdheden en verantwoordelijkheden vast die in dit
verband op de bij de werkgever werkzame personen rusten, en dient gebaseerd
te zijn op een deugdelijke en op schrift gestelde inventarisatie en evaluatie
van alle gevaren die de arbeid voor de veiligheid, de gezondheid en het welzijn
van de werknemers met zich brengt. Onder die gevaren worden onder meer begrepen
de gevaren van de werktuigen, machines, toestellen en andere hulpmiddelen
bij de arbeid, de stoffen of preparaten waarmee wordt gewerkt en de inrichting
van de arbeidsplaats. De inventarisatie en evaluatie dienen tevens die gevaren
te omvatten, die niet kunnen worden vermeden alsmede de gevaren voor categorieën
van werknemers die als bijzonder kunnen worden aangemerkt. Voorts moet daarin
zijn aangegeven welke maatregelen zullen worden genomen in verband met de
bedoelde gevaren en de samenhang daartussen, een en ander overeenkomstig het
bepaalde in artikel 3.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>De werkgever moet het beleid gericht op veiligheid, gezondheid en welzijn
regelmatig toetsen aan de ervaringen die daarmee zijn opgedaan. Dit beleid
alsmede de inventarisatie en evaluatie bedoeld in het eerste lid moeten worden
aangepast zo dikwijls als de daarmee opgedane ervaring of gewijzigde werkmethoden
of werkomstandigheden daartoe aanleiding geven ofwel zich op het gebied van
de algemeen erkende regelen der techniek of in de stand van de bedrijfsgezondheidszorg
dan wel in de stand van de ergonomie en die van de arbeids- of bedrijfskunde
belangrijke wijzigingen voordoen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>Een exemplaar van de inventarisatie en evaluatie of van een wijziging
daarvan wordt door de werkgever gezonden aan de in artikel 17 bedoelde werknemers,
andere personen en diensten, alsmede aan de ondernemingsraad. Een exemplaar
van de inventarisatie en evaluatie behoeft niet te worden gezonden aan de
in artikel 17 bedoelde werknemers, andere personen en diensten, voor zover
zij bijstand hebben verleend aan de inventarisatie en evaluatie en het op
schrift stellen daarvan.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>4.</nr>
              <al>De werkgever zorgt er voor dat iedere werknemer desgewenst kennis kan
nemen van de inventarisatie en evaluatie.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>5.</nr>
              <al>Indien de werkgever arbeid doet verrichten door een werknemer die hem
ter beschikking wordt gesteld, moet hij een document bevattende de specifieke
kenmerken van de in te nemen arbeidsplaats tijdig voor de aanvang van de werkzaamheden,
verstrekken aan degene die de werknemer ter beschikking stelt,
ter doorgeleiding van dat document naar die werknemer.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>6.</nr>
              <al>In bedrijven of inrichtingen behorende tot een bij algemene maatregel
van bestuur aangewezen categorie moet het beleid gericht op veiligheid, gezondheid
en welzijn door de werkgever jaarlijks in de vorm van een schriftelijk plan
voor een periode van ten minste één jaar worden vastgelegd.
De werkgever moet ervoor zorgen dat iedere werknemer desgewenst van het plan
kennis kan nemen. Dit plan mag worden opgenomen in de schriftelijke mededeling,
bedoeld in artikel 31b, tweede lid, van de Wet op de ondernemingsraden.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>7.</nr>
              <al>De werkgever moet omtrent het ondernemingsbeleid, voor zover dat van aanwijsbare
invloed kan zijn op de veiligheid, de gezondheid en het welzijn van de werknemers
in het bedrijf of de inrichting, alsmede omtrent het jaarplan, vooraf overleg
plegen met de ondernemingsraad of, bij het ontbreken daarvan, met de belanghebbende
werknemers.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>8.</nr>
              <al>Een exemplaar van het jaarplan moet door de werkgever aan een daartoe
aangewezen ambtenaar als bedoeld in artikel 32, eerste lid, worden gezonden,
alsmede aan de in artikel 17 bedoelde werknemers, andere personen en diensten
en aan de ondernemingsraad. Bij de toezending van het jaarplan aan de ambtenaar
wordt mededeling gedaan van het oordeel van de ondernemingsraad, dan wel de
werknemers over het jaarplan.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>9.</nr>
              <al>Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden
gesteld met betrekking tot het bepaalde in dit artikel.</al>
            </lid>
          </art>
        </par>
        <par>
          <kop>
            <titel status="off">Beleidsvoering met betrekking tot het ziekteverzuim </titel>
          </kop>
          <art id="a4a">
            <kop>
              <nr>Artikel 4a</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>De werkgever moet binnen het algemeen ondernemingsbeleid een beleid voeren
met betrekking tot het ziekteverzuim van de werknemer.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Onderdeel van dit beleid is in ieder geval:</al>
              <al>a. het zo veel mogelijk voorkomen of beperken van ziekte van de werknemer,</al>
              <al>b. het begeleiden van werknemers die door ziekte niet in staat zijn hun
arbeid te verrichten.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>Artikel 4, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van
het beleid met betrekking tot het ziekteverzuim.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>4.</nr>
              <al>Over het beleid met betrekking tot het ziekteverzuim moet de werkgever
vooraf overleg plegen met de ondernemingsraad of, bij het ontbreken daarvan,
met de belanghebbende werknemers.</al>
            </lid>
          </art>
        </par>
        <par>
          <kop>
            <titel status="off">Arbeidsveiligheidsrapporten </titel>
          </kop>
          <art id="a5">
            <kop>
              <nr>Artikel 5</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>De werkgever moet ervoor zorgen dat in een bedrijf, een inrichting of
een deel daarvan, behorende tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen
categorie, met betrekking tot dat bedrijf, die inrichting of dat deel daarvan
een arbeidsveiligheidsrapport aanwezig is, bevattende:</al>
              <al>a. een beschrijving van het bedrijf, de inrichting of het deel daarvan,
van de daarin voorkomende stoffen en de eigenschappen van deze stoffen;</al>
              <al>b. een beschrijving van het proces dat in het bedrijf, de inrichting of
het deel daarvan plaatsvindt, alsmede van de werking daarvan;</al>
              <al>c. een beschrijving van de redelijkerwijs voorzienbare gevaren die door
storingen in het onder b bedoelde proces of door foutieve handelingen kunnen
optreden tijdens alle fasen van het proces met inbegrip van het in werking
stellen en het tot stilstand brengen daarvan;</al>
              <al>d. een beschrijving van hetgeen verder nodig is voor de beoordeling van de redelijkerwijs voorzienbare gevaren voor de veiligheid en de
gezondheid van de in dat bedrijf of die inrichting werkzame werknemers;</al>
              <al>e. een beschrijving van de technische en organisatorische voorzieningen
die getroffen zijn om storingen en foutieve handelingen zoveel mogelijk te
voorkomen en de ernst van de gevolgen daarvan zoveel mogelijk te beperken.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Gelijke verplichting geldt voor de werkgever met betrekking tot een bedrijf
of een inrichting of een deel daarvan, afzonderlijk door Onze Minister hiertoe
aangewezen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>Krachtens het eerste en het tweede lid kunnen slechts worden aangewezen
een bedrijf, een inrichting of een deel daarvan, waarin zich bijzondere gevaren
kunnen voordoen voor de veiligheid of de gezondheid van de daarin werkzame
werknemers.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>4.</nr>
              <al>Indien in het bedrijf, de inrichting of het deel daarvan, een zodanige
verandering wordt aangebracht of optreedt, dat het rapport niet meer voldoet
aan het bij het eerste lid omtrent de inhoud bepaalde, moet het rapport dienovereenkomstig
worden gewijzigd. Een zodanige wijziging dient tevens te worden aangebracht
indien een verandering in het veiligheidsinzicht daartoe aanleiding geeft.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>5.</nr>
              <al>Van het rapport en de wijziging daarvan worden zeven afschriften aan een
daartoe aangewezen ambtenaar als bedoeld in artikel 32, eerste lid, en een
afschrift aan de ondernemingsraad gezonden. De werkgever zorgt er voor dat
de werknemers, andere personen en diensten als bedoeld in artikel 17, desgewenst
kennis kunnen nemen van het rapport.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>6.</nr>
              <al>Omtrent het arbeidsveiligheidsrapport en de wijziging daarvan moet vooraf
overleg worden gepleegd met de ondernemingsraad.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>7.</nr>
              <al>Het bedrijf, de inrichting of het deel daarvan, aangewezen krachtens het
eerste of tweede lid, mag niet in werking worden gebracht en de in het vierde
lid bedoelde verandering mag niet worden doorgevoerd, alvorens aan de verplichtingen,
bedoeld in het eerste, tweede, vierde en vijfde lid, is voldaan.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>8.</nr>
              <al>Bij een aanwijzing krachtens het eerste of tweede lid wordt bepaald met
ingang van welk tijdstip aan de daarbedoelde verplichting, voor zover deze
vóór de aanwijzing reeds in werking gebrachte bedrijven, inrichtingen
of delen daarvan betreft, moet zijn voldaan.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>9.</nr>
              <al>De daartoe aangewezen ambtenaar, bedoeld in artikel 32, eerste lid, zendt
een afschrift van het rapport of van een wijziging daarvan ter kennisneming
aan:</al>
              <al>a. de regionale inspecteur van de volksgezondheid, belast met het toezicht
op de hygiëne van het milieu, in wiens ambtsgebied het bedrijf, de inrichting
of het deel daarvan, waarop het rapport betrekking heeft, is gelegen;</al>
              <al>b. het gezag dat ten aanzien van de inrichting, waarop of op het deel
waarvan het rapport betrekking heeft, bevoegd is tot het verlenen van een
vergunning krachtens de Wet milieubeheer;</al>
              <al>c. het bestuur van de gemeente, van de provincie en van de regionale brandweer
waarin het bedrijf, de inrichting of het deel daarvan, waarop het rapport
betrekking heeft, is gelegen, behalve indien dit bestuur het gezag is bedoeld
onder b.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>10.</nr>
              <al>Een daartoe aangewezen ambtenaar als bedoeld in artikel 32 kan met betrekking
tot de in het eerste en vierde lid bedoelde gegevens en voorzieningen aan
de werkgever de eis stellen dat hem aanvullende gegevens worden verschaft
dan wel andere of aanvullende voorzieningen worden getroffen. De in de eerste
zin bedoelde gegevens en voorzieningen worden vermeld in een aanvulling van
het rapport. Op een zodanige aanvulling zijn het vijfde en het negende lid
van overeenkomstige toepassing. Een eis tot het treffen van een voorziening,
die met een voorschrift dat is verbonden aan een op grond van een der wetten
tot bescherming van het milieu verleende vergunning tot het oprichten, in
werking brengen of houden, uitbreiden of wijzigen van een bedrijf of inrichting dan wel tot het veranderen van een daarin gebezigde werkwijze
één of meer zodanige raakpunten heeft dat hij met dat voorschrift
in strijd kan komen, stelt de ambtenaar niet dan na overleg met het gezag
dat de vergunning heeft verleend. In verband met dit overleg hoort het gezag
de inspecteur, bedoeld in het negende lid, onder a.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>11.</nr>
              <al>Indien een daartoe aangewezen ambtenaar als bedoeld in artikel 32 van
oordeel is dat bij falen van de getroffen voorzieningen als bedoeld in het
eerste lid, onder e, dan wel in andere omstandigheden een bedrijfsramp kan
ontstaan, kan hij de eis stellen dat met betrekking tot het bedrijf, de inrichting
of het deel daarvan een stelsel van technische en organisatorische voorzieningen,
dienende om de gevolgen van zulk een ramp zoveel mogelijk te beperken, wordt
tot stand gebracht of een zodanig reeds tot stand gebracht stelsel wordt aangevuld
of gewijzigd.</al>
              <al>De eis kan onder meer betrekking hebben op:</al>
              <al>a. de wijze van interne alarmering en de organisatie daarvan;</al>
              <al>b. de door de werknemer individueel of in groepsverband te verrichten
handelingen;</al>
              <al>c. het alarmeren van betrokken overheidsinstanties en hulporganisaties;</al>
              <al>d. oefeningen, te houden volgens een vooraf vastgesteld schema.</al>
              <al>Een eis tot het tot stand brengen, aanvullen of wijzigen van een stelsel
van voorzieningen dat met een gemeentelijk of regionaal rampenplan, opgesteld
ten behoeve van de bevolking, een of meer raakpunten heeft, stelt de ambtenaar
niet dan na overleg met het gezag dat het rampenplan heeft opgesteld.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>12.</nr>
              <al>Onze Minister kan met betrekking tot het in het eerste en elfde lid bepaalde
nadere regelen stellen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>13.</nr>
              <al>De werkgever is verplicht ervoor te zorgen, dat voldaan wordt aan het
in het vierde tot en met zevende lid bepaalde en het krachtens het twaalfde
lid bepaalde, alsmede aan een eis als bedoeld in het tiende en elfde lid.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>14.</nr>
              <al>Een aanwijzing als bedoeld in het tweede lid of een eis als bedoeld in
het tiende of elfde lid bevat de termijn waarbinnen eraan moet worden voldaan.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>15.</nr>
              <al>De werking van een aanwijzing als bedoeld in het tweede lid of een eis
als bedoeld in het tiende of elfde lid wordt opgeschort totdat de bezwaar-
of beroepstermijn is verstreken of, indien bezwaar of beroep is ingesteld,
op het bezwaar of beroep is beslist.</al>
            </lid>
          </art>
        </par>
        <par>
          <kop>
            <titel status="off">Voorlichting en onderricht </titel>
          </kop>
          <art id="a6">
            <kop>
              <nr>Artikel 6</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>De werkgever moet ervoor zorgen dat een werknemer wanneer deze voor de
eerste keer werkzaamheden voor die werkgever gaat verrichten en voorts zo
dikwijls als dit in verband met de veiligheid, de bescherming van de gezondheid
en de bevordering van het welzijn in verband met de arbeid noodzakelijk is,
doeltreffend wordt ingelicht over de aard van zijn werkzaamheden en de daaraan
verbonden gevaren, alsmede over de maatregelen die erop gericht zijn deze
gevaren te voorkomen of te beperken.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>De werkgever moet ervoor zorgen dat aan zijn werknemers doeltreffend en
aan hun onderscheiden taken aangepast onderricht wordt verstrekt met betrekking
tot de veiligheid, de gezondheid en het welzijn in verband met de arbeid.
Zo dikwijls de daarmee opgedane ervaring of gewijzigde werkmethoden of werkomstandigheden
daartoe aanleiding geven moet dit onderricht worden aangepast en opnieuw verstrekt.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>Indien persoonlijke beschermingsmiddelen ter beschikking van de werknemers
worden gesteld, en indien op werktuigen, toestellen of anderszins beveiligingen
zijn aangebracht, moet de werkgever zorgen dat de werknemers
op de hoogte zijn van hun doel en werking en de wijze waarop zij deze dienen
te gebruiken.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>4.</nr>
              <al>De werkgever moet er voor zorgen dat de werknemers doeltreffend worden
ingelicht over de wijze waarop de deskundige bijstand, bedoeld in de artikelen
17 tot en met 23b, in zijn bedrijf of inrichting is georganiseerd.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>5.</nr>
              <al>Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden
gesteld met betrekking tot het bepaalde in dit artikel.</al>
            </lid>
          </art>
        </par>
        <par>
          <kop>
            <titel status="off">Voorlichting en onderricht aan jeugdige werknemers </titel>
          </kop>
          <art id="a7">
            <kop>
              <nr>Artikel 7</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>De werkgever moet er voor zorgen dat de jeugdige werknemer bij de arbeid
wordt betrokken op een wijze die bevorderlijk is voor diens vorming. Daartoe
behoort een behoorlijke voorlichting, welke in ieder geval betreft:</al>
              <al>a. het geheel van de werkzaamheden in het bedrijf of de inrichting en
de organisatie daarvan;</al>
              <al>b. de arbeidsomstandigheden in het bedrijf of de inrichting en de daar
geldende gedragsregels welke voor hem van belang zijn;</al>
              <al>c. zijn taak en de eisen die hieraan worden gesteld;</al>
              <al>d. zijn vormings- en opleidingsmogelijkheden;</al>
              <al>e. de mogelijkheden van promotie en de eisen waaraan daartoe moet worden
voldaan;</al>
              <al>f. het personeelsbeoordelingssysteem;</al>
              <al>g. zijn arbeidsvoorwaarden, daaronder begrepen de feitelijke arbeidstijd
per dag, de onderbrekingen van de arbeidstijd, het tijdstip van aanvang en
einde van de arbeid, de wijze van opneming van vakantieverlof en het systeem
van beloning;</al>
              <al>h. het medisch onderzoek in verband met de tewerkstelling;</al>
              <al>i. de in het bedrijf of de inrichting geldende regelingen met betrekking
tot de medezeggenschap van werknemers.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>De in het eerste lid bedoelde voorlichting moet worden gegeven wanneer
de jeugdige werknemer voor de eerste keer werkzaamheden voor die werkgever
gaat verrichten en voorts met zodanige tussenpozen worden herhaald als met
het oog op de persoon van de jeugdige werknemer en de aard van de arbeid die
hij in het bedrijf of de inrichting verricht en de omstandigheden waaronder
deze wordt verricht, redelijkerwijs noodzakelijk is.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>De werkgever verschaft aan de jeugdige werknemer een afschrift van de
voorschriften, die op zijn arbeids- en rusttijden betrekking hebben, alsmede
die bij of krachtens artikel 6, dit artikel en artikel 8 zijn gesteld. Voorts
zorgt hij ervoor dat, indien ten aanzien van de jeugdige werknemer bepalingen
van enige collectieve arbeidsovereenkomst, van een verordening als bedoeld
in de Wet op de Bedrijfsorganisatie of van een arbeidsreglement van toepassing
zijn, aan die werknemer een afschrift van die bepalingen wordt verschaft.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>4.</nr>
              <al>Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van:</al>
              <al>a. een jeugdige werknemer die uitsluitend tijdens zijn vakantie in het
bedrijf of de inrichting arbeid verricht;</al>
              <al>b. door Onze Minister aangewezen categorieën van jeugdige werknemers.</al>
            </lid>
          </art>
        </par>
        <par>
          <kop>
            <titel status="off">Begeleiding van jeugdige werknemers </titel>
          </kop>
          <art id="a8">
            <kop>
              <nr>Artikel 8</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>De werkgever moet, indien zijn bedrijf of inrichting behoort tot een bij
algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie, waarin tenminste een
bij die maatregel bepaald aantal jeugdige werknemers arbeid pleegt
te verrichten, er voor zorgen dat ten behoeve van die jeugdige werknemers
één of meer mentoren werkzaam zijn al naar gelang bij die maatregel
bepaald. Het in de eerste zin bedoelde aantal kan voor verschillende categorieën
bedrijven of inrichtingen verschillend worden gesteld. Voor de toepassing
van de vorige zin blijven jeugdige werknemers als bedoeld in artikel 7, vierde
lid, buiten beschouwing.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Een mentor heeft in ieder geval tot taak:</al>
              <al>a. het geven of bevorderen van de voorlichting en het onderricht, bedoeld
in de artikelen 6 en 7, eerste lid, aan de jeugdige werknemers;</al>
              <al>b. het bevorderen van het leer- en vormingsproces van de jeugdige werknemers;</al>
              <al>c. het onderhouden van de contacten met instellingen op het gebied van
vorming en opleiding, voor zover de jeugdige werknemers aan een cursus van
een onderwijsinstelling deelnemen dan wel wensen deel te nemen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>Een mentor heeft voorts tot taak het geven of bevorderen van de voorlichting,
bedoeld in de artikelen 6 en 7, aan personen, jonger dan 18 jaar, die overwegen
als werknemer in het bedrijf of de inrichting werkzaam te zullen zijn.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>4.</nr>
              <al>Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald aan
welke eisen van bekwaamheid de mentor moet voldoen en gedurende hoeveel tijd
hij tenminste beschikbaar moet zijn.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>5.</nr>
              <al>Omtrent de benoeming van de mentor en het doen eindigen van diens betrekking,
behoudens indien dit laatste geschiedt zonder inachtneming van een opzegtermijn
wegens een dringende, aan de mentor onverwijld medegedeelde reden dan wel
met diens uitdrukkelijke toestemming, wordt de ondernemingsraad in de gelegenheid
gesteld advies uit te brengen. Op het beëindigen van de dienstbetrekking
van de in het bedrijf of de inrichting werkzame mentor is artikel 21, derde
tot en met vijfde lid van de Wet op de ondernemingsraden van overeenkomstige
toepassing, met dien verstande dat de derde zin van het derde lid van laatstgenoemd
artikel als volgt wordt gelezen: De kantonrechter verleent de toestemming
slechts indien het hem aannemelijk voorkomt dat de beëindiging geen verband
houdt met feiten of omstandigheden, voortvloeiende uit een juiste taakuitoefening
door de mentor.</al>
            </lid>
          </art>
        </par>
        <par>
          <kop>
            <titel status="off">Melding en registratie van ongevallen en beroepsziekten </titel>
          </kop>
          <art id="a9">
            <kop>
              <nr>Artikel 9</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Indien aan een werknemer in verband met het verrichten van arbeid een
ongeval overkomt hetwelk ernstig lichamelijk dan wel geestelijk letsel of
de dood ten gevolge heeft, moet de werkgever hiervan onverwijld mededeling
doen aan een daartoe aangewezen ambtenaar als bedoeld in artikel 32. Onder
een ongeval dat een werknemer in verband met het verrichten van arbeid overkomt,
is niet begrepen een ongeval dat de werknemer overkomt op weg van huis naar
zijn arbeid of terug.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>De in het eerste lid bedoelde mededeling moet de werkgever eveneens doen
indien zich in een bedrijf of een inrichting een gebeurtenis heeft voorgedaan
waarbij grote materiële schade is ontstaan en waarbij tevens gevaar voor
de veiligheid of de gezondheid van werknemers heeft bestaan.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>De in het eerste lid bedoelde ongevallen, overige ongevallen welke enig
lichamelijk dan wel geestelijk letsel ten gevolge hebben gehad, en de in het
tweede lid bedoelde gebeurtenissen moet de werkgever vermelden in een register,
dat in het bedrijf of in de inrichting aanwezig moet zijn.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>4.</nr>
              <al>Met betrekking tot de ongevallen, bedoeld in het eerste lid, en de overige
ongevallen, bedoeld in het derde lid, moet de werkgever een rapport opstellen
dat voldoet aan een bij ministeriële regeling vast te stellen model.
Het rapport moet door de werkgever zo spoedig mogelijk doch uiterlijk
binnen veertien dagen nadat het ongeval heeft plaatsgevonden aan Onze Minister
worden gezonden.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>5.</nr>
              <al>Indien is aangetoond of redelijkerwijs het vermoeden bestaat dat een werknemer
aan een beroepsziekte lijdt of zijn gezondheid in verband met de arbeid gevaar
loopt, moet de werkgever hiervan zo spoedig mogelijk mededeling doen aan het
districtshoofd. Het districtshoofd stelt de regionale inspecteurs van de volksgezondheid
belast met het toezicht op de volksgezondheid van deze mededeling in kennis.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>6.</nr>
              <al>Onze Minister kan met betrekking tot het in dit artikel bepaalde nadere
regelen stellen, alsmede bepalen welke gegevens met betrekking tot ongevallen,
gebeurtenissen en beroepsziekten aan een daartoe aangewezen ambtenaar als
bedoeld in artikel 32 moeten worden meegedeeld.</al>
            </lid>
          </art>
        </par>
        <par>
          <kop>
            <titel status="off">Jaarverslag </titel>
          </kop>
          <art id="a10">
            <kop>
              <nr>Artikel 10</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>De werkgever moet, indien ten aanzien van zijn bedrijf of inrichting een
jaarplan is voorgeschreven als bedoeld in artikel 4, zesde lid, of indien
zijn bedrijf of inrichting behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur
aangewezen categorie, een jaarverslag opmaken met betrekking tot de veiligheid,
de bescherming van de gezondheid en de maatregelen ter bevordering van het
welzijn van de werknemers in dat bedrijf of die inrichting. Dit verslag moet
voldoen aan het bij of krachtens dit artikel bepaalde. Het mag worden opgenomen
in de gegevens, die ingevolge artikel 31b, eerste lid van de Wet op de ondernemingsraden
aan de ondernemingsraad moeten worden verstrekt.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Het jaarverslag bevat ten minste:</al>
              <al>a. een beschrijving van het beleid gericht op veiligheid, gezondheid en
welzijn als bedoeld in artikel 4, eerste lid, alsmede van het ziekteverzuimbeleid,
bedoeld in artikel 4a zoals dat in het afgelopen kalenderjaar is gevoerd,
onder vermelding van de wijzigingen welke daarin zijn aangebracht en de redenen
voor deze wijzigingen;</al>
              <al>b. inlichtingen over de wijze waarop uitvoering is gegeven aan het in
hoofdstuk IV bepaalde omtrent de samenwerking en het overleg tussen werkgever
en werknemers in het behartigen van de zorg voor de veiligheid, de gezondheid
en het welzijn, en omtrent de bijstand, bedoeld in de artikelen 17 tot en
met 23b;</al>
              <al>c. inlichtingen omtrent de wijze waarop uitvoering is gegeven aan de artikelen
6, 7 en 8;</al>
              <al>d. een beschrijving van de maatregelen die getroffen zijn naar aanleiding
van ongevallen of aangetoonde of vermoede beroepsziekten die zich in het bedrijf
of de inrichting hebben voorgedaan onderscheidenlijk daar zijn ontstaan;</al>
              <al>e. een beschrijving van de maatregelen die zijn getroffen naar aanleiding
van een gebeurtenis als bedoeld in artikel 9, tweede lid;</al>
              <al>f. een overzicht van de door de werknemers ingevolge artikel 12, onder
e, gemelde gevaren;</al>
              <al>g. een vermelding van de door een daartoe aangewezen ambtenaar als bedoeld
in artikel 32 krachtens deze wet gegeven aanwijzingen of gestelde eisen en
de wijze waarop aan die aanwijzingen of eisen is voldaan;</al>
              <al>h. een cijfermatig overzicht van de ongevallen die in het bedrijf of de
inrichting hebben plaatsgehad alsmede van het arbeidsverzuim als gevolg van
ongevallen en ziekte benevens van de daarbij betrokken werknemers.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>Een exemplaar van het jaarverslag moet door de werkgever zo spoedig mogelijk
worden gezonden aan een daartoe aangewezen ambtenaar als bedoeld in artikel
32, eerste lid, aan de in artikel 17 bedoelde werknemers, andere personen
en diensten en, voor zover de laatste zin van het eerste lid
geen toepassing vindt, aan de ondernemingsraad.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>4.</nr>
              <al>De werkgever moet ervoor zorgen dat iedere werknemer desgewenst kennis
kan nemen van het jaarverslag.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>5.</nr>
              <al>Onze Minister kan met betrekking tot het in dit artikel bepaalde nadere
regelen geven.</al>
            </lid>
          </art>
        </par>
        <par>
          <kop>
            <titel status="off">Voorkomen van gevaar voor andere personen dan werknemers </titel>
          </kop>
          <art id="a11">
            <kop>
              <nr>Artikel 11</nr>
            </kop>
            <al>Indien bij of in rechtstreeks verband met de arbeid die de werkgever door
zijn werknemers doet verrichten, in een bedrijf of een inrichting of in de
onmiddellijke omgeving daarvan enig gevaar kan ontstaan voor de veiligheid
of de gezondheid van andere personen dan die werknemers, moet de werkgever
doeltreffende maatregelen nemen ter voorkoming van dat gevaar.</al>
          </art>
        </par>
      </hfdst>
      <hfdst>
        <kop>
          <nr>HOOFDSTUK III.</nr>
          <titel status="off">ALGEMENE VERPLICHTINGEN VAN DE WERKNEMERS </titel>
        </kop>
        <art id="a12">
          <kop>
            <nr>Artikel 12</nr>
          </kop>
          <al>Onverminderd het elders bij of krachtens deze wet bepaalde zijn de werknemers
verplicht in verband met de arbeid de nodige voorzichtigheid en zorgvuldigheid
in acht te nemen ter vermijding van gevaren voor de veiligheid of de gezondheid
van hen zelf of van anderen dan wel met het oog op het welzijn. Met name zijn
zij verplicht om:</al>
          <al>a. machines, toestellen, werktuigen, gevaarlijke stoffen, transportmiddelen
en andere hulpmiddelen op de juiste wijze te gebruiken;</al>
          <al>b. de hun ingevolge deze wet ter beschikking gestelde persoonlijke beschermingsmiddelen
op de juiste wijze te gebruiken en na gebruik op de daartoe bestemde plaats
op te bergen, een en ander voor zover niet krachtens deze wet is bepaald dat
werknemers niet verplicht zijn beschermingsmiddelen als vorenbedoeld te gebruiken;</al>
          <al>c. de op werktuigen, toestellen of anderszins aangebrachte beveiligingen
niet te veranderen of buiten noodzaak weg te halen en deze op de juiste wijze
te gebruiken;</al>
          <al>d. mede te werken aan het voor hen georganiseerde onderricht bedoeld in
de artikelen 6, 7 en 8;</al>
          <al>e. de door hen opgemerkte gevaren voor de veiligheid of de gezondheid
terstond ter kennis te brengen aan de werkgever of degene, die namens deze
ter plaatse met de leiding is belast;</al>
          <al>f. de werkgever en de werknemers, andere personen en diensten, bedoeld
in artikel 17, indien nodig, bij te staan bij de uitvoering van hun verplichtingen
en taken op grond van deze wet.</al>
        </art>
      </hfdst>
      <hfdst>
        <kop>
          <nr>HOOFDSTUK IV.</nr>
          <titel status="off">SAMENWERKING EN OVERLEG TUSSEN WERKGEVER EN WERKNEMERS,
DESKUNDIGE BIJSTAND </titel>
        </kop>
        <afd>
          <kop>
            <nr>EERSTE AFDELING.</nr>
            <titel status="off">SAMENWERKING EN OVERLEG </titel>
          </kop>
          <par>
            <kop>
              <titel status="off">Verplichting tot samenwerking </titel>
            </kop>
            <art id="a13">
              <kop>
                <nr>Artikel 13</nr>
              </kop>
              <al>De werkgever en de werknemers moeten samenwerken in het behar-tigen
van de zorg voor de veiligheid, de gezondheid en het welzijn binnen het bedrijf
of de inrichting.</al>
            </art>
          </par>
          <par>
            <kop>
              <titel status="off">Rechten van de ondernemingsraad </titel>
            </kop>
            <art id="a14">
              <kop>
                <nr>Artikel 14</nr>
              </kop>
              <lid>
                <nr>1.</nr>
                <al>Aan de leden van de ondernemingsraad dienen in verband met hun taak in
het kader van de veiligheid, de gezondheid en het welzijn van de werknemers:</al>
                <al>a. de nodige inlichtingen te worden verschaft:</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>1.</nr>
                <al>door de in artikel 8 bedoelde mentor, door de in artikel 17 bedoelde werknemers,
andere personen en diensten en door de in artikel 22 bedoelde bedrijfshulpverleners;</al>
                <al>2°. door de ambtenaren, bedoeld in artikel 32;</al>
                <al>b. de mogelijkheid te worden geboden de ambtenaren, bedoeld in artikel
32, tijdens hun bezoek aan het bedrijf of de inrichting te vergezellen, behoudens
voor zover dezen te kennen geven dat daartegen vanwege een goede uitoefening
van hun taak bezwaren bestaan;</al>
                <al>c. de mogelijkheid te worden geboden zich met de in onderdeel b bedoelde
ambtenaren buiten tegenwoordigheid van anderen te onderhouden.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>2.</nr>
                <al>Indien de ondernemingsraad een vaste commissie heeft ingesteld aan welke
hij bevoegdheden heeft overgedragen ter zake van de aangelegenheden betreffende
de veiligheid, de gezondheid en het welzijn van de werknemers, komen de in
het eerste lid genoemde rechten toe aan de leden van die commissie.</al>
              </lid>
            </art>
          </par>
          <par>
            <kop>
              <titel status="off">Arbocommissie </titel>
            </kop>
            <art id="a15">
              <kop>
                <nr>Artikel 15</nr>
              </kop>
              <lid>
                <nr>1.</nr>
                <al>Ter bevordering van de in artikel 13 bedoelde samenwerking moeten in een
bedrijf of een inrichting, aangewezen krachtens het tweede of het derde lid,
gelet op de aard en de indeling daarvan, één of meer arbocommissies
worden ingesteld, tenzij het bedrijf of de inrichting behoort tot een onderneming
waarvoor een ondernemingsraad is ingesteld.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>2.</nr>
                <al>Bij algemene maatregel van bestuur worden categorieën van bedrijven
en inrichtingen aangewezen, ten aanzien waarvan de in het eerste lid bedoelde
verplichting geldt.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>3.</nr>
                <al>Een daartoe aangewezen ambtenaar als bedoeld in artikel 32 kan een bedrijf
of een inrichting niet behorende tot een krachtens het tweede lid aangewezen
categorie, afzonderlijk aanwijzen, ten aanzien waarvan de in het eerste lid
bedoelde verplichting geldt.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>4.</nr>
                <al>Een arbocommissie bestaat uit vertegenwoordigers van de betrokken werknemers,
die daartoe door die werknemers uit hun midden worden gekozen. Indien het
bedrijf of de inrichting uit afdelingen bestaat waarin het in artikel 16 bedoelde
overleg plaatsvindt, kiest iedere afdeling één persoon als haar
vertegenwoordiger, en wel in die arbocommissie die mede ten behoeve van de
werknemers van die afdeling is ingesteld.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>5.</nr>
                <al>Een arbocommissie beraadt zich omtrent de zorg voor de veiligheid, de
gezondheid en het welzijn van de werknemers in het bedrijf of de inrichting,
pleegt regelmatig overleg daaromtrent met de werkgever en adviseert hem dienaangaande.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>6.</nr>
                <al>Ten aanzien van een arbocommissie onderscheidenlijk de leden van een arbocommissie
zijn de artikelen 17, 18, eerste en tweede lid, en 31, eerste lid, van de
Wet op de ondernemingsraden van overeenkomstige toepassing.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>7.</nr>
                <al>Een arbocommissie kan één of meer deskundigen uitnodigen
tot het bijwonen van een vergadering met het oog op de behandeling van een bepaald onderwerp of tot het uitbrengen van een schriftelijk advies.
Indien de deskundige hiervoor kosten in rekening brengt, behoeft de arbocommissie
voor de uitnodiging de toestemming van de werkgever. De werkgever geeft zijn
toestemming, indien die kosten redelijkerwijs noodzakelijk zijn voor de vervulling
van de taak van de arbocommissie.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>8.</nr>
                <al>Ten aanzien van de leden en de gewezen leden van een arbocommissie is
artikel 21, eerste lid, eerste volzin, van de Wet op de ondernemingsraden
van overeenkomstige toepassing. Op het beëindigen van de dienstbetrekking
van de leden van een arbocommissie onderscheidenlijk werknemers die korter
dan twee jaar geleden lid zijn geweest van een arbocommissie zijn het tweede
en vijfde onderscheidenlijk derde tot en met vijfde lid van artikel 21 van
de Wet op de ondernemingsraden van overeenkomstige toepassing.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>9.</nr>
                <al>Ten aanzien van de naleving van het zesde lid, het zevende lid en de eerste
zin van het achtste lid zijn artikel 7, 18, vijfde lid, 21, eerste lid, tweede
volzin, en 36, tweede lid, zesde lid, eerste en tweede volzin, van de Wet
op de ondernemingsraden van overeenkomstige toepassing.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>10.</nr>
                <al>De werking van de aanwijzing wordt opgeschort totdat de beroepstermijn
is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist.</al>
              </lid>
            </art>
          </par>
          <par>
            <kop>
              <titel status="off">Werkoverleg </titel>
            </kop>
            <art id="a16">
              <kop>
                <nr>Artikel 16</nr>
              </kop>
              <lid>
                <nr>1.</nr>
                <al>Indien een bedrijf of een inrichting uit afdelingen bestaat, die als een
werkeenheid kunnen worden beschouwd, moet in elk van die afdelingen, voor
zover de veiligheid, de gezondheid of het welzijn van de betrokken werknemers
dat vereist, regelmatig overleg worden gepleegd tussen degene die met de leiding
van die afdeling is belast en de in die afdeling werkzame personen. Het overleg
mag ook plaatsvinden met personen die daartoe door de betrokken werknemers
uit hun midden worden gekozen. Deze verplichting geldt ten aanzien van een
bepaalde afdeling niet, indien de werkgever een arbocommissie heeft ingesteld
die uitsluitend werkzaam is ten behoeve van de werknemers van die afdeling.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>2.</nr>
                <al>Aan het eerste lid wordt geacht te zijn voldaan indien de ondernemingsraad
voor de afdeling een onderdeelcommissie heeft ingesteld, die een taak heeft
welke het in het eerste lid bepaalde omvat.</al>
              </lid>
            </art>
          </par>
        </afd>
        <afd>
          <kop>
            <nr>TWEEDE AFDELING.</nr>
            <titel status="off">DESKUNDIGE BIJSTAND OP HET GEBIED VAN PREVENTIE EN BESCHERMING </titel>
          </kop>
          <par>
            <kop>
              <titel status="off">Algemene verplichting </titel>
            </kop>
            <art id="a17">
              <kop>
                <nr>Artikel 17</nr>
              </kop>
              <lid>
                <nr>1.</nr>
                <al>De werkgever laat zich ten aanzien van zijn verplichtingen op grond van
deze wet bijstaan door:</al>
                <al>a. een of meer deskundige werknemers, al dan niet georganiseerd in een
dienst;</al>
                <al>b. een of meer andere deskundige personen;</al>
                <al>c. een of meer diensten bestaande uit andere deskundige personen, dan
wel</al>
                <al>d. een combinatie van deskundige werknemers, andere deskundige personen
of diensten als bedoeld in de onderdelen a, b en c.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>2.</nr>
                <al>De werkgever neemt zodanige maatregelen en richt de werkzaamheden zodanig
in dat de uitoefening van de taken van de in het eerste lid bedoelde deskundige
werknemers, deskundige personen of diensten op elkaar worden afgestemd.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>3.</nr>
                <al>De werkgever pleegt omtrent een door hem voorgenomen besluit met
betrekking tot de wijze waarop hij uitvoering geeft aan het eerste lid vooraf
overleg met de ondernemingsraad of, bij het ontbreken daarvan, met de belanghebbende
werknemers.</al>
              </lid>
            </art>
          </par>
          <par>
            <kop>
              <titel status="off">Bijstand op het gebied van preventie en bescherming </titel>
            </kop>
            <art id="a18">
              <kop>
                <nr>Artikel 18</nr>
              </kop>
              <lid>
                <nr>1.</nr>
                <al>Het verlenen van bijstand bij de uitvoering van de verplichtingen op grond
van deze wet door de in artikel 17 bedoelde werknemers, andere personen en
diensten, houdt in elk geval in:</al>
                <al>a. het verlenen van medewerking aan het verrichten en opstellen van de
inventarisatie en evaluatie, bedoeld in artikel 4, eerste lid, waaronder mede
begrepen het adviseren daaromtrent;</al>
                <al>b. de bijstand bij de begeleiding van werknemers die door ziekte niet
in staat zijn hun arbeid te verrichten, bedoeld in artikel 4a;</al>
                <al>c. het uitvoeren van het arbeidsgezondheidskundig onderzoek, bedoeld in
artikel 24a;</al>
                <al>d. het adviseren aan onderscheidenlijk nauw samenwerken met de werkgever,
de werknemers en de ondernemingsraad inzake de genomen en de te nemen maatregelen,
gericht op een zo groot mogelijke veiligheid, een zo goed mogelijke bescherming
van de gezondheid en het bevorderen van het welzijn van de werknemers binnen
het bedrijf of de inrichting;</al>
                <al>e. de uitvoering van de in onderdeel d bedoelde maatregelen dan wel de
medewerking daaraan;</al>
                <al>f. het houden van een arbeidsgezondheidskundig spreekuur.<eindref refid="v1"></eindref></al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>2.</nr>
                <al>De werkgever laat zich met betrekking tot de taken, bedoeld in het eerste
lid, onderdeel a, b, c en f bijstaan door ten minste een dienst als bedoeld
in artikel 17, eerste lid, onderdeel a of c, ten behoeve waarvan, overeenkomstig
het bepaalde in artikel 31a door Onze Minister dan wel een door Onze Minister
aangewezen instelling, een certificaat is afgegeven.<eindref refid="e2"></eindref></al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>3.</nr>
                <al>Indien de werkgever zich ten aanzien van de begeleiding van werknemers
die door ziekte niet in staat zijn hun arbeid te verrichten, laat bijstaan
door:</al>
                <al>a. een dienst als bedoeld in artikel 17, eerste lid, onderdeel a, legt
hij de wijze waarop deze bijstand plaatsvindt en de inhoud daarvan schriftelijk
vast;</al>
                <al>b. een dienst als bedoeld in artikel 17, eerste lid, onderdeel c, blijkt
de wijze waarop de bijstand plaatsvindt en de inhoud daarvan uit een schriftelijke
overeenkomst met de desbetreffende dienst.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>4.</nr>
                <al>Een afschrift van een advies, op grond van het eerste lid, onderdeel a
of d, verstrekt aan de werkgever dan wel de ondernemingsraad, wordt door de
werknemers, andere personen en diensten, bedoeld in artikel 17, gezonden aan
de andere partij. Bij het ontbreken van een ondernemingsraad zorgt de werkgever
er voor dat de inhoud van een aan hem gericht advies zo spoedig mogelijk ter
kennis van de belanghebbende werknemers wordt gebracht. </al>
                <tuskop letat="vet">Eisen van deskundigheid, uitrusting en organisatie</tuskop>
              </lid>
            </art>
            <art id="a19">
              <kop>
                <nr>Artikel 19</nr>
              </kop>
              <lid>
                <nr>1.</nr>
                <al>De werknemers, andere personen en diensten, bedoeld in artikel 17, beschikken
over een zodanige deskundigheid, ervaring en uitrusting, zijn zodanig in aantal,
gedurende zoveel tijd beschikbaar en zonodig zodanig georganiseerd, dat zij
de in artikel 18 genoemde bijstand naar behoren kunnen verlenen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>2.</nr>
                <al>De in artikel 17 bedoelde werknemers verlenen hun bijstand met behoud
van hun zelfstandig oordeel op het gebied van hun deskundigheid en van hun
onafhankelijkheid ten opzichte van de werkgever. Zij mogen uit hoofde van
een juiste taakuitoefening niet worden benadeeld in hun positie in het bedrijf
of de inrichting. Artikel 21, eerste lid, tweede volzin, van de Wet op de
ondernemingsraden, is van overeenkomstige toepassing. Op het beëindigen
van de dienstbetrekking van deze werknemers is artikel 8, vijfde lid, van
overeenkomstige toepassing.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>3.</nr>
                <al>De werknemers, andere personen en diensten, bedoeld in artikel 17, werken
bij het verlenen van bijstand aan een werkgever samen.</al>
              </lid>
            </art>
          </par>
          <par>
            <kop>
              <titel status="off">Nadere regels </titel>
            </kop>
            <art id="a20">
              <kop>
                <nr>Artikel 20</nr>
              </kop>
              <lid>
                <nr>1.</nr>
                <al>Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden
gesteld met betrekking tot het bepaalde in artikel 18, eerste tot en met derde
lid en 19, eerste en tweede lid. Deze regels kunnen voor verschillende categorieën
bedrijven of inrichtingen dan wel onderdelen daarvan verschillend worden gesteld,
afhankelijk van de grootte van die bedrijven of inrichtingen dan wel de gevaren
die zich daarin kunnen voordoen voor de veiligheid, de gezondheid en het welzijn
van de daarin werkzame werknemers, daaronder begrepen de gevaren voor categorieën
van werknemers die als bijzonder kunnen worden aangemerkt.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>2.</nr>
                <al>De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het
eerste lid wordt niet gedaan dan nadat het ontwerp in de Staatscourant is
bekendgemaakt en aan een ieder de gelegenheid is geboden binnen een bij die
bekendmaking te stellen termijn opmerkingen over het ontwerp schriftelijk
ter kennis van Onze Minister te brengen. Het ontwerp wordt gelijktijdig met
de in de eerste volzin bedoelde bekendmaking overgelegd aan de beide Kamers
der Staten-Generaal.</al>
              </lid>
            </art>
            <art id="a21">
              <kop>
                <nr>Artikel 21</nr>
              </kop>
              <al>Vervallen</al>
            </art>
          </par>
          <par>
            <kop>
              <titel status="off">Algemene uitzondering </titel>
            </kop>
            <art id="a21a">
              <kop>
                <nr>Artikel 21a</nr>
              </kop>
              <al>Artikel 17, eerste lid, geldt, behoudens wat de in artikel 18, eerste
lid, onderdeel a, b, c en f bedoelde taken betreft, niet ten aanzien van de
werkgever die natuurlijk persoon is met niet meer dan 15 werknemers, mits
hij beschikt over voldoende deskundigheid, ervaring, tijd en uitrusting om
deze taken naar behoren te vervullen. Bij ministeriële regeling kunnen
nadere eisen worden gesteld aan de deskundigheid, ervaring, tijd en uitrusting.</al>
            </art>
          </par>
        </afd>
        <afd>
          <kop>
            <nr>DERDE AFDELING.</nr>
            <titel status="off">DESKUNDIGE BIJSTAND OP HET GEBIED VAN BEDRIJFSHULPVERLENING </titel>
          </kop>
          <par>
            <kop>
              <titel status="off">Algemene verplichting </titel>
            </kop>
            <art id="a22">
              <kop>
                <nr>Artikel 22</nr>
              </kop>
              <lid>
                <nr>1.</nr>
                <al>Bij de uitvoering van zijn verplichtingen op grond van artikel 3, eerste
lid, onderdeel d, dient de werkgever zich te laten bijstaan door een of meer
werknemers die door hem zijn aangewezen als bedrijfshulpverleners.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>2.</nr>
                <al>De werkgever pleegt omtrent de door hem voorgenomen aanwijzing, bedoeld
in het eerste lid, vooraf overleg met de ondernemingsraad of, bij het ontbreken
daarvan, met de belanghebbende werknemers.</al>
              </lid>
            </art>
          </par>
          <par>
            <kop>
              <titel status="off">Taken op het gebied van bedrijfshulpverlening </titel>
            </kop>
            <art id="a23">
              <kop>
                <nr>Artikel 23</nr>
              </kop>
              <lid>
                <nr>1.</nr>
                <al>Het verlenen van de bijstand bij de uitvoering van de verplichtingen op
grond van artikel 3, eerste lid, onderdeel d, bedoeld in artikel 22, door
de aldaar bedoelde bedrijfshulpverleners houdt in elk geval in:</al>
                <al>a. het verlenen van eerste hulp bij ongevallen;</al>
                <al>b. het beperken en bestrijden van brand en het voorkomen en beperken van
ongevallen;</al>
                <al>c. het in noodsituaties alarmeren en evacueren van alle werknemers en
andere personen in het bedrijf of de inrichting;</al>
                <al>d. het alarmeren van en samenwerken met de gemeentelijke brandweer en
andere hulpverleningsorganisaties in verband met de in de onderdelen a tot
en met c bedoelde bijstand.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>2.</nr>
                <al>De bedrijfshulpverleners werken bij de uitvoering van hun taken samen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>3.</nr>
                <al>Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden
gesteld met betrekking tot de inhoud van de in het eerste lid bedoelde bijstand.
Artikel 20, eerste lid, tweede volzin, is van overeenkomstige toepassing.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>4.</nr>
                <al>De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het
derde lid wordt niet gedaan dan nadat het ontwerp in de Staatscourant is bekendgemaakt
en aan een ieder de gelegenheid is geboden binnen een bij die bekendmaking
te stellen termijn opmerkingen over het ontwerp schriftelijk ter kennis van
Onze Minister te brengen. Het ontwerp wordt gelijktijdig met de in de eerste
volzin bedoelde bekendmaking overgelegd aan de beide kamers der Staten-Generaal.</al>
              </lid>
            </art>
          </par>
          <par>
            <kop>
              <titel status="off">Eisen van deskundigheid </titel>
            </kop>
            <art id="a23a">
              <kop>
                <nr>Artikel 23a</nr>
              </kop>
              <lid>
                <nr>1.</nr>
                <al>De bedrijfshulpverleners beschikken over een zodanige deskundigheid, ervaring
en uitrusting zijn zodanig in aantal en zodanig georganiseerd, dat zij de
in artikel 23 genoemde taken naar behoren kunnen vervullen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>2.</nr>
                <al>Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld
met betrekking tot het bepaalde in het eerste lid. Artikel 20, eerste lid,
tweede volzin, is van overeenkomstige toepassing.</al>
              </lid>
            </art>
          </par>
          <par>
            <kop>
              <titel status="off">Algemene uitzondering </titel>
            </kop>
            <art id="a23b">
              <kop>
                <nr>Artikel 23b</nr>
              </kop>
              <al>Artikel 22, eerste lid, geldt niet ten aanzien van de werkgever die een
natuurlijk persoon is met niet meer dan 15 werknemers, mits hij beschikt over
voldoende deskundigheid, ervaring en uitrusting om deze taken naar behoren
te vervullen. Bij ministeriële regeling kunnen nadere eisen worden gesteld
aan de deskundigheid, ervaring en uitrusting. </al>
            </art>
          </par>
        </afd>
        <afd>
          <kop>
            <nr>VIERDE AFDELING.</nr>
            <titel status="off">VERPLICHTINGEN VAN DE WERKGEVER, ANDERE PERSONEN EN DIENSTEN </titel>
          </kop>
          <par>
            <kop>
              <titel status="off">Verplichtingen van de werkgever </titel>
            </kop>
            <art id="a23c">
              <kop>
                <nr>Artikel 23c</nr>
              </kop>
              <lid>
                <nr>1.</nr>
                <al>Overeenkomstig het bij en krachtens dit hoofdstuk bepaalde:</al>
                <al>a. zorgt de werkgever er voor dat in de daartoe aangewezen bedrijven of
inrichtingen een of meer arbocommissies worden gevormd voor zover er geen
ondernemingsraad aanwezig is en bevordert hij overleg in de afdelingen;</al>
                <al>b. zorgt de werkgever er voor dat hij zich laat bijstaan door werknemers,
andere personen of diensten als bedoeld in artikel 17, die voldoen aan de
bij en krachtens de artikelen 19 en 20 gestelde eisen;</al>
                <al>c. zorgt de werkgever er voor dat door de in artikel 17 bedoelde werknemers,
andere personen en diensten bijstand wordt verleend en adviezen worden toegezonden
zoals voorgeschreven bij en krachtens de artikelen 18 en 20;</al>
                <al>d. is in geval van toepassing van de artikelen 21a en 23b de werkgever
verplicht om aan de krachtens dat artikel gestelde eisen te voldoen;</al>
                <al>e. zorgt de werkgever er voor dat door de bedrijfshulpverleners bijstand
wordt verleend zoals voorgeschreven bij of krachtens artikel 23 en dat wordt
voldaan aan de bij of krachtens artikel 23a gestelde eisen;</al>
                <al>f. zorgt de werkgever er voor dat aan de werknemers, andere personen en
diensten, bedoeld in artikel 17, en aan de bedrijfshulpverleners, de benodigde
informatie wordt verstrekt in verband met de verlening van bijstand;</al>
                <al>g. zorgt de werkgever er voor dat de werknemers, andere personen en diensten,
bedoeld in artikel 17, desgewenst er van op de hoogte worden gesteld dat werknemers
voor de eerste keer werkzaamheden voor de werkgever gaan verrichten;</al>
                <al>h. neemt de werkgever zodanige maatregelen en richt hij de werkzaamheden
zodanig in dat de werknemers, andere personen en diensten, bedoeld in artikel
17, en de bedrijfshulpverleners hun bijstand naar behoren kunnen verlenen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>2.</nr>
                <al>Onverminderd het bepaalde in artikel 18, derde lid, draagt de werkgever
er zorg voor dat schriftelijk is vastgelegd welke werknemers, andere personen
en diensten, bedoeld in artikel 17, en welke bedrijfshulpverleners, bedoeld
in artikel 22, bij de verlening van de in artikel 18, respectievelijk artikel
23 bedoelde bijstand zijn betrokken, wie daarbij de feitelijke leiding heeft
en welke middelen hun daarbij ten dienste staan.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>3.</nr>
                <al>Indien de werkgever besluit om een op grond van artikel 18, eerste lid,
onderdeel a of d, uitgebracht advies niet te volgen, doet hij daarvan zo spoedig
mogelijk mededeling aan de ondernemingsraad. Bij het ontbreken van een ondernemingsraad
brengt de werkgever de inhoud van zijn besluit zo spoedig mogelijk ter kennis
van de belanghebbende werknemers.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>4.</nr>
                <al>De werkgever doet van elk document, dat op grond van het bepaalde bij
deze wet door een ambtenaar als bedoeld in artikel 32 of 35a, dan wel door
Onze Minister aan hem is toegezonden, een afschrift toekomen aan de betrokken
werknemers, andere personen en diensten, bedoeld in artikel 17.</al>
              </lid>
            </art>
          </par>
          <par>
            <kop>
              <titel status="off">Verplichtingen van externe diensten en andere deskundigen </titel>
            </kop>
            <art id="a23d">
              <kop>
                <nr>Artikel 23d</nr>
              </kop>
              <al>De andere personen en diensten, bedoeld in artikel 17, eerste lid, onderdelen
b en c, zijn verplicht de hun uit hoofde van artikel 18 opgedragen
bijstand naar behoren te vervullen en de bij en krachtens de artikelen 19
en 20 vastgestelde voorschriften na te leven.</al>
            </art>
          </par>
        </afd>
      </hfdst>
      <hfdst>
        <kop>
          <nr>HOOFDSTUK V.</nr>
          <titel status="off">BIJZONDERE VERPLICHTINGEN VAN WERKGEVER EN WERKNEMERS </titel>
        </kop>
        <par>
          <kop>
            <titel status="off">Regelen ter verzekering van de veiligheid, ter bescherming
van de gezondheid en ter bevordering van het welzijn in verband met de arbeid </titel>
          </kop>
          <art id="a24">
            <kop>
              <nr>Artikel 24</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regelen gesteld
ter verzekering van de veiligheid, ter bescherming van de gezondheid en ter
bevordering van het welzijn van de werknemers in verband met de arbeid. De
ontwerp-tekst van een algemene maatregel van bestuur wordt gepubliceerd in
de Nederlandse Staatscourant, alvorens hij om advies wordt gezonden aan de
Raad van State.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>De in het eerste lid bedoelde regelen kunnen betrekking hebben op:</al>
              <al>a. de afmetingen, de inrichting en de veilige staat van gebouwen, terreinen,
schepen en andere arbeidsplaatsen;</al>
              <al>b. verkeerswegen binnen een bedrijf of een inrichting;</al>
              <al>c. vluchtwegen in verband met mogelijke gevaren;</al>
              <al>d. het voorkomen, beperken en bestrijden van brand of ontploffing en de
beveiliging tegen deze gevaren;</al>
              <al>e. beveiliging tegen de gevaren, verbonden aan het gebruik van elektriciteit;</al>
              <al>f. de beveiliging tegen stralingsgevaar;</al>
              <al>g. de toetreding van daglicht;</al>
              <al>h. de beveiliging tegen gevaar van het werken onder overdruk;</al>
              <al>i. de verlichting;</al>
              <al>j. de temperatuur en het klimaat;</al>
              <al>k. de luchtverversing;</al>
              <al>l. het ontstaan en de verspreiding van gassen, dampen, nevels of stof;</al>
              <al>m. de zindelijkheid;</al>
              <al>n. het verschaffen van drinkwater of andere dranken;</al>
              <al>o. geluid en trillingen;</al>
              <al>p. dag- en nachtverblijven, schuilgelegenheden en rustruimten;</al>
              <al>q. kleding, kledingbergplaatsen, kleedruimten, toiletten en wasgelegenheden;</al>
              <al>r. zitgelegenheden;</al>
              <al>s. het gebruik van, de omgang met of de opslag van gevaarlijke stoffen;</al>
              <al>t. de deugdelijkheid, de opstelling, het gebruik en de beveiliging van
installaties, machines, werktuigen, toestellen, gereedschappen, reservoirs,
transportmiddelen en andere middelen die betrokken zijn bij of verband houden
met het verrichten van arbeid;</al>
              <al>u. persoonlijke beschermingsmiddelen;</al>
              <al>v. het voorkomen van ongevallen;</al>
              <al>w. het voorkomen van vergiftiging, besmetting of beroepsziekten;</al>
              <al>x. de taal waarin veiligheidsaanduidingen of gebruiksaanwijzingen zijn
gesteld;</al>
              <al>ij. communicatiemogelijkheden van werknemers die geïsoleerd arbeid
verrichten;</al>
              <al>z. informatieverschaffing inzake doel en resultaat van de arbeid;</al>
              <al>aa. het werktempo, de inhoud en organisatie van de arbeid, alsmede de
ergonomische aspecten van de arbeid voor zover niet betrekking hebbend op
de veiligheid en de gezondheid;</al>
              <al>ab. de andere onderwerpen dan die genoemd in de onderdelen ij tot en met aa, welke worden bestreken door artikel 3, eerste lid, onder f,
voor zover niet betrekking hebbend op de veiligheid en de gezondheid, en h;</al>
              <al>ac. het uitzicht naar buiten;</al>
              <al>ad. kantines en schaftgelegenheden;</al>
              <al>ae. sexuele intimidatie en agressie en geweld, bedoeld in artikel 3, tweede
lid.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>De in het eerste lid bedoelde regelen kunnen ten aanzien van alle of bepaalde
arbeid alsmede in verband met onderwerpen, als bedoeld in het tweede lid,
betrekking hebben op:</al>
              <al>a. de ergonomische aspecten van de arbeid voor zover betrekking hebbend
op de veiligheid en de gezondheid, de wijze waarop voor het overige de arbeid
wordt verricht en de overige arbeidsomstandigheden;</al>
              <al>b. de ergonomische vereisten waaraan werktuigen, machines, toestellen
en andere hulpmiddelen bij de arbeid moeten voldoen;</al>
              <al>c. het beperken van de gevolgen van brand, van ontploffing, van straling
en van verspreiding van gassen, dampen, nevels of stof;</al>
              <al>d. de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, ervaring, deskundigheid
en leeftijd van personen;</al>
              <al>e. het bij de arbeid uitoefenen van deskundig toezicht, de aanwezigheid
daarbij van deskundige hulp en de taak van de met zodanig toezicht of zodanige
hulp belaste personen;</al>
              <al>f. vereisten waaraan moet zijn voldaan bij het verrichten van arbeid;</al>
              <al>g. het verrichten van onderzoekingen, beproevingen of metingen, het uitreiken
van bewijsstukken omtrent het resultaat daarvan;<eindref refid="m1"></eindref></al>
              <al>h. de aanwezigheid van bewijsstukken;</al>
              <al>i. het registreren, melden en bewaren van gegevens;</al>
              <al>j. het bij zich dragen van een middel tot herkenning van aan de arbeid
verbonden gevaren;</al>
              <al>k. de aanwezigheid van instructies, gebruiksaanwijzingen en waarschuwingen;</al>
              <al>l. de wijze van verpakking en kenmerking van voorwerpen of stoffen;</al>
              <al>m. de duur van de arbeid in verband met de daaraan verbonden gevaren;</al>
              <al>n. het verschuldigd zijn van de kosten als gevolg van de toepassing van
het krachtens dit lid bepaalde.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>4.</nr>
              <al>De in het eerste lid bedoelde regelen kunnen inhouden:</al>
              <al>a. een verbod om bepaalde bij die maatregel omschreven arbeid te verrichten
of te doen verrichten waaraan bijzondere gevaren voor de veiligheid of de
gezondheid zijn verbonden;</al>
              <al>b. een verbod om bepaalde bij die maatregel omschreven arbeid te verrichten
of te doen verrichten, indien met betrekking tot die arbeid niet aan de bij
of krachtens die maatregel vastgestelde voorwaarden of voorschriften is voldaan;</al>
              <al>c. een verbod om bepaalde bij die maatregel omschreven stoffen of voorwerpen
voorhanden te hebben, waaraan bijzondere gevaren voor de veiligheid of de
gezondheid zijn verbonden;</al>
              <al>d. een verbod om bepaalde bij die maatregel omschreven gevaarlijke stoffen
of voorwerpen voorhanden te hebben, indien met betrekking tot die stoffen
of voorwerpen niet aan de bij of krachtens die maatregel vastgestelde voorwaarden
of voorschriften is voldaan.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>5.</nr>
              <al>Regelen als bedoeld in het eerste lid ter voorkoming of bestrijding van
silicose of andere stoflongziekten dan wel andere ziekten die het gevolg kunnen
zijn van het inademen van stofdeeltjes, kunnen mede strekken tot bescherming
van de gezondheid van anderen dan werknemers.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>6.</nr>
              <al>De in het eerste lid bedoelde regelen kunnen betrekking hebben op andere
onderwerpen dan die welke zijn genoemd in het tweede en derde lid, indien
dat noodzakelijk is ter uitvoering van krachtens het Verdrag tot oprichting
van de Europese Economische Gemeenschap vastgestelde verplichtingen
die betrekking hebben op de bescherming tegen arbeidsongevallen en beroepsziekten
of op de arbeidshygiëne.</al>
            </lid>
          </art>
        </par>
        <par>
          <kop>
            <titel status="off">Periodiek arbeidsgezondheidskundig onderzoek </titel>
          </kop>
          <art id="a24a">
            <kop>
              <nr>Artikel 24a</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Onverminderd het bepaalde bij of krachtens de artikelen 24 en 25, stelt
de werkgever de werknemers periodiek in de gelegenheid een onderzoek te ondergaan,
dat erop is gericht de risico's die de arbeid voor de gezondheid van de werknemers
met zich brengt zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. De werkgever
pleegt op grond van de resultaten van de in artikel 4, eerste lid, bedoelde
inventarisatie en evaluatie, vooraf overleg met de ondernemingsraad of, bij
het ontbreken daarvan, met de belanghebbende werknemers omtrent de periodiciteit
van het onderzoek.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>De in het eerste lid bedoelde verplichtingen gelden niet, in geval op
grond van artikel 25, eerste lid, een periodiek arbeidsgezondheidskundig onderzoek
is voorgeschreven, dan wel voor zover op grond van enig ander wettelijk voorschrift
de werknemers een verplicht, periodiek onderzoek ondergaan dat er op is gericht
de risico's die de arbeid voor de gezondheid van de werknemers met zich brengt
zo veel mogelijk te voorkomen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden
gesteld met betrekking tot het in dit artikel bedoelde arbeidsgezondheidskundig
onderzoek. Artikel 20, eerste lid, tweede volzin, is van overeenkomstige toepassing.</al>
            </lid>
          </art>
        </par>
        <par>
          <kop>
            <titel status="off">Verplicht arbeidsgezondheidskundig onderzoek </titel>
          </kop>
          <art id="a25">
            <kop>
              <nr>Artikel 25</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat arbeid of bepaalde
bij of krachtens die algemene maatregel omschreven arbeid dan wel arbeid onder
bepaalde omstandigheden door werknemers of bepaalde groepen van werknemers
slechts mag worden verricht nadat zij arbeidsgezondheidskundig zijn onderzocht.
De algemene maatregel kan bepalen dat dit arbeidsgezondheidskundig onderzoek
na de tewerkstelling bij tussenpozen moet worden herhaald en om bijzondere
redenen ook na beëindiging van de arbeid moet worden voortgezet.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>De algemene maatregel kan het verrichten van arbeid in het algemeen of
van arbeid, als bedoeld in het eerste lid, door werknemers beneden de leeftijd
van 18 jaar afhankelijk stellen van het resultaat van het arbeidsgezondheidskundig
onderzoek.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>De algemene maatregel kan het verrichten van arbeid, als bedoeld in het
eerste lid, door werknemers van 18 jaar of ouder slechts afhankelijk stellen
van het resultaat van het arbeidsgezondheidskundig onderzoek voor zover die
arbeid bijzondere gevaren medebrengt voor het leven of de gezondheid van henzelf
of van andere personen of voor zover dit om andere bijzondere redenen geboden
is.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>4.</nr>
              <al>Onze Minister is bevoegd te eisen dat door hem te bepalen groepen van
werknemers arbeidsgezondheidskundig worden onderzocht indien hij, gelet op
de aard van de arbeid en de omstandigheden waaronder deze wordt verricht,
van mening is dat dit onderzoek in het belang van de gezondheid van de betrokken
werknemers of om andere bijzondere redenen noodzakelijk is.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>5.</nr>
              <al>Een daartoe aangewezen ambtenaar als bedoeld in artikel 32 is bevoegd
te eisen dat een werknemer arbeidsgezondheidskundig wordt onderzocht indien
hij, gelet op de aard van de arbeid of de omstandigheden waaronder deze wordt
verricht, van mening is dat dit onderzoek in het belang van de
gezondheid van de betrokken werknemers of van andere personen noodzakelijk
is.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>6.</nr>
              <al>Hetgeen in het tweede en derde lid is bepaald met betrekking tot het resultaat
van het aldaar bedoelde arbeidsgezondheidskundig onderzoek, is van overeenkomstige
toepassing op het resultaat van het in het vierde en vijfde lid bedoelde arbeidsgezondheidskundig
onderzoek.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>7.</nr>
              <al>De kosten van een arbeidsgezondheidskundig onderzoek, als bedoeld in het
eerste, vierde en vijfde lid, komen ten laste van de werkgever voor wie de
onderzochte persoon arbeid verricht of gaat verrichten, onderscheidenlijk
heeft verricht, tenzij bij algemene maatregel van bestuur anders is bepaald.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>8.</nr>
              <al>Met betrekking tot het in dit artikel bedoelde arbeidsgezondheidskundig
onderzoek en de wijze waarop de uitslag daarvan wordt verwerkt worden bij
of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regelen gesteld. Deze hebben
in ieder geval betrekking op de gevallen waarin en de wijze waarop de belanghebbende,
die een arbeidsgezondheidskundig onderzoek heeft ondergaan, een verzoek tot
herkeuring kan doen. De uitslag van het onderzoek als bedoeld in de eerste
zin en de verwerking ervan worden ter beschikking gesteld van de desbetreffende
werknemer, zijn huisarts, de bedrijfsarts alsmede van de werkgever voorzover
de uitslag verband houdt met de Arbeidsomstandighedenwet en met uitsluiting
van gegevens van persoonlijke aard inzake de belanghebbende die het onderzoek
heeft ondergaan.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>9.</nr>
              <al>Met betrekking tot het in dit artikel bedoelde arbeidsgezondheidskundig
onderzoek kan door Onze Minister of door een daartoe aangewezen ambtenaar
als bedoeld in artikel 32 een eis worden gesteld ten aanzien van:</al>
              <al>a. de wijze waarop en de termijn waarbinnen dit onderzoek moet worden
verricht;</al>
              <al>b. de persoon of personen door wie of onder wier leiding dit onderzoek
moet worden gedaan.</al>
            </lid>
          </art>
        </par>
        <par>
          <kop>
            <titel status="off">Verplichting van werkgever en werknemers </titel>
          </kop>
          <art id="a26">
            <kop>
              <nr>Artikel 26</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>De werkgever en de werknemers zijn verplicht tot naleving van de voorschriften
of verboden welke bij of krachtens de in dit hoofdstuk bedoelde algemene maatregelen
van bestuur zijn vastgesteld voor zover en op de wijze als bij ieder dezer
maatregelen is bepaald.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>De werkgever is verplicht tot naleving van eisen als bedoeld in artikel
25, vierde, vijfde en negende lid.</al>
            </lid>
          </art>
        </par>
      </hfdst>
      <hfdst>
        <kop>
          <nr>HOOFDSTUK VI.</nr>
          <titel status="off">VERPLICHTINGEN VAN ZELFSTANDIG WERKENDEN EN DERDEN EN
ENIGE BIJZONDERE BEPALINGEN </titel>
        </kop>
        <par>
          <kop>
            <titel status="off">Verplichting van zelfstandig werkenden </titel>
          </kop>
          <art id="a27">
            <kop>
              <nr>Artikel 27</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat daarbij aangewezen
voorschriften, gegeven krachtens artikel 24 of 25, voor zover zij betrekking
hebben op bij of krachtens die maatregel omschreven arbeid of op arbeid onder
bij of krachtens die maatregel omschreven omstandigheden, wanneer aan die
arbeid bijzondere gevaren voor de veiligheid of de gezondheid zijn verbonden,
mede moeten worden nageleefd door personen die deze arbeid verrichten zonder
werkgever of werknemer te zijn in de zin van deze wet. Regelen als bedoeld
in artikel 24, vijfde lid, kunnen zich mede richten tot personen
die niet werkgever of werknemer in de zin van deze wet zijn.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat personen als
bedoeld in het eerste lid, mede verplicht zijn tot naleving van de voorschriften
of verboden welke bij of krachtens die maatregel zijn vastgesteld ter uitvoering
van krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap
vastgestelde verplichtingen met betrekking tot de bevordering van de verbetering
van het arbeidsmilieu.</al>
            </lid>
          </art>
        </par>
        <par>
          <kop>
            <titel status="off">Verplichtingen van derden </titel>
          </kop>
          <art id="a28">
            <kop>
              <nr>Artikel 28</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de verplichting
tot naleving van daarbij aangewezen zich tot de werkgever richtende voorschriften,
vastgesteld krachtens artikel 24 dan wel ter uitvoering van krachtens het
Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap vastgestelde
verplichtingen met betrekking tot de bevordering van de verbetering van het
arbeidsmilieu, in de gevallen bij die maatregel omschreven rust op een ander
dan de werkgever. Aangewezen kunnen worden de eigenaar of beheerder dan wel
degene die anderszins bevoegd is te beslissen over het ontwerp, de vervaardiging
dan wel het onderhoud van:</al>
              <al>a. schepen, vaartuigen of andere vervoermiddelen;</al>
              <al>b. gebouwen, inrichtingen, installaties, terreinen of andere ruimten;</al>
              <al>c. gereedschappen, installaties, machines, werktuigen of andere hulpmiddelen
bij de arbeid, een en ander zoals zo nodig nader bij die maatregel bepaald.
Een aanwijzing brengt geen wijziging in de burgerrechtelijke verplichtingen
van de werkgever jegens de werknemer met betrekking tot zaken als bedoeld
onder a tot en met c.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat het degene op
wie krachtens een maatregel als bedoeld in het eerste lid een verplichting
is gelegd, verboden is aan een werkgever:</al>
              <al>a. toestemming te geven op, aan of in zaken als bedoeld in het eerste
lid, onder a of b, door werknemers arbeid te doen verrichten;</al>
              <al>b. zaken als bedoeld in het eerste lid, onder c, voor het doen verrichten
van arbeid door werknemers ter beschikking te doen stellen, indien niet bij
die maatregel omschreven bewijsstukken met betrekking tot die zaken aanwezig
zijn, een en ander zoals zo nodig bij of krachtens die maatregel nader bepaald.</al>
            </lid>
          </art>
        </par>
        <par>
          <kop>
            <titel status="off">Enige bijzondere bepalingen </titel>
          </kop>
          <art id="a29">
            <kop>
              <nr>Artikel 29</nr>
            </kop>
            <al>Indien twee of meer personen, zonder werknemer te zijn, gezamenlijk arbeid
verrichten, waarop de krachtens artikel 24 gegeven voorschriften of gestelde
verboden betrekking hebben, worden zij voor de toepassing van de artikelen
26, 32, derde lid, laatste zin, 33 en 36 ten aanzien van die voorschriften
of verboden als werkgever en werknemer beschouwd, tenzij één
van hen kennelijk met de leiding is belast, in welk geval deze als werkgever
en de overigen als werknemer worden beschouwd.</al>
          </art>
          <art id="a30">
            <kop>
              <nr>Artikel 30</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Indien in een bedrijf of een inrichting meerdere werkgevers arbeid doen
verrichten, moeten zij onderling op doelmatige wijze samenwerken ten einde
de naleving van het bij of krachtens deze wet bepaalde te verzekeren.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Alvorens werkzaamheden behorende tot een bij algemene maatregel van
bestuur aangewezen categorie aanvangen moeten de werkgevers ervoor zorgen
dat schriftelijk is vastgelegd op welke wijze zal worden samengewerkt, welke
voorzieningen daarbij zullen worden getroffen en op welke wijze op die voorzieningen
toezicht zal worden uitgeoefend.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>Onze Minister kan met betrekking tot het in het tweede lid bepaalde nadere
regelen stellen.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a31">
            <kop>
              <nr>Artikel 31</nr>
            </kop>
            <al>Indien de werkgever aan werknemers, niet zijnde bestuurders, toezichthoudende
taken opdraagt in verband met het bij of krachtens deze wet bepaalde, moet
hij ervoor zorgen dat:</al>
            <al>a. aan deze werknemers de bevoegdheden en middelen worden verleend die
nodig zijn voor een goede uitoefening van die taken;</al>
            <al>b. slechts één werknemer wordt belast met eenzelfde taak
als vorenbedoeld.</al>
            <al>De opdracht moet de taken nauwkeurig omschrijven. Zij moeten in een geschrift
zijn neergelegd, onder vermelding van de naam van de werknemer.</al>
          </art>
        </par>
        <par>
          <kop>
            <titel status="off">Certificatie </titel>
          </kop>
          <art id="a31a">
            <kop>
              <nr>Artikel 31a</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld
op grond waarvan werkgevers, werknemers, andere natuurlijke of rechtspersonen
of instellingen in het bezit moeten zijn van een of meer certificaten waaruit
blijkt dat zij voldoen aan voorschriften, gesteld bij of krachtens deze wet.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Onze Minister dan wel een door Onze Minister daartoe aangewezen instelling
beslist op aanvraag over de afgifte van een certificaat. Zij zijn tevens bevoegd
een afgegeven certificaat in te trekken.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>Aan een aanwijzing krachtens het tweede lid kunnen voorschriften worden
verbonden.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>4.</nr>
              <al>Een certificaat wordt afgegeven voor een beperkte tijdsduur. Aan een certificaat
kunnen voorschriften worden verbonden. De bedoelde beperking en de voorschriften
worden in het certificaat vermeld.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>5.</nr>
              <al>Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld
onder meer met betrekking tot:</al>
              <al>a. de gronden waarop de in het tweede lid bedoelde aanwijzing kan worden
ingetrokken dan wel gewijzigd;</al>
              <al>b. de wijze waarop de aanvraag om een certificaat moet worden gedaan en
de gegevens die daarbij van de aanvrager kunnen worden verlangd;</al>
              <al>c. de gronden waarop en de gevallen waarin de afgifte van een certificaat
kan worden geweigerd dan wel een afgegeven certificaat kan worden ingetrokken,
en</al>
              <al>d. de vergoeding die verschuldigd is voor de afgifte van een certificaat
en de wijze van betaling daarvan.</al>
            </lid>
          </art>
        </par>
        <par>
          <kop>
            <titel status="off">Verplichtingen </titel>
          </kop>
          <art id="a31b">
            <kop>
              <nr>Artikel 31b</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>De in artikel 31a, tweede lid, bedoelde instellingen zijn verplicht tot
naleving van de krachtens artikel 31a, derde lid, gestelde voorschriften.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>De in artikel 31a, eerste lid, bedoelde werkgevers, werknemers en andere
natuurlijke of rechtspersonen of instellingen zijn verplicht tot naleving
van:</al>
              <al>a. de voorschriften, bedoeld in artikel 31a, vierde lid; </al>
              <al>b. de voorschriften die bij of krachtens de in artikel 31a, eerste lid
en vijfde lid, bedoelde algemene maatregelen van bestuur zijn vastgesteld,
voor zover en op de wijze als bij ieder dezer maatregelen is bepaald.</al>
            </lid>
          </art>
        </par>
      </hfdst>
      <hfdst>
        <kop>
          <nr>HOOFDSTUK VII.</nr>
          <titel status="off">TOEZICHT EN AMBTELIJKE BEVELEN </titel>
        </kop>
        <par>
          <kop>
            <titel status="off">Ambtenaren belast met het toezicht en met bijzondere taken </titel>
          </kop>
          <art id="a32">
            <kop>
              <nr>Artikel 32</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Onze Minister wijst onder hem ressorterende ambtenaren aan die namens
hem zijn belast met het toezicht op de naleving van deze wet en de daarop
berustende bepalingen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Onze Minister kan met betrekking tot door hem aangewezen categorieën
van arbeid het toezicht op de naleving van deze wet en de daarop berustende
bepalingen opdragen of mede opdragen aan andere dan de in het eerste lid bedoelde
ambtenaren. Indien de opdracht wordt verleend aan ambtenaren ressorterende
onder het ministerie van een andere dan Onze Minister, wordt het besluit tot
aanwijzing van de ambtenaren die deze opdracht wordt verleend genomen door
Onze Minister en Onze Minister die het mede aangaat tezamen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>De in dit artikel bedoelde ambtenaren hebben toegang tot elke plaats en
zijn bevoegd alle onderzoekingen en handelingen te verrichten voor zover dat
redelijkerwijs voor de vervulling van hun in dit artikel bedoelde taak nodig
is. De in de vorige zin bedoelde onderzoekingen en handelingen omvatten met
name:</al>
              <al>a. het verrichten van beproevingen en metingen;</al>
              <al>b. het maken van tekeningen en fotografische opnamen;</al>
              <al>c. het nemen van monsters van stoffen of voorwerpen;</al>
              <al>d. het voor nader onderzoek medenemen van voorwerpen of gedeelten daarvan.</al>
              <al>Bij gebruikmaking van hun onder c en d vermelde bevoegdheid verstrekt
de ambtenaar desgevraagd aan de werkgever onderscheidenlijk de natuurlijke
of rechtspersoon bedoeld in de artikelen 27 en 28, een deugdelijk bewijsstuk
van de door hem verrichte handeling.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>4.</nr>
              <al>De in dit artikel bedoelde ambtenaren zijn voorts bevoegd te allen tijde
ter zake van een ongeval een onderzoek in te stellen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>5.</nr>
              <al>De in dit artikel bedoelde ambtenaren maken een rapport op naar aanleiding
van een onderzoek als bedoeld in het derde en vierde lid en zenden dit aan
de werkgever en aan de ondernemingsraad.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>6.</nr>
              <al>De in dit artikel bedoelde ambtenaren geven zo spoedig mogelijk gehoor
aan het verzoek om een onderzoek in te stellen, gedaan door de ondernemingsraad
of, bij het ontbreken daarvan, een meerderheid van de belanghebbende werknemers.
Bij het ontbreken van de ondernemingsraad kan mede een verzoek als bedoeld
in de eerste zin worden gedaan door een vereniging van werknemers, die krachtens
haar statuten ten doel heeft de belangen van haar leden als werknemers te
behartigen en als zodanig in de betrokken onderneming of bedrijfstak werkzaam
is en in het bezit is van volledige rechtsbevoegdheid. De in dit artikel bedoelde
ambtenaren geven zo spoedig mogelijk gehoor aan een verzoek als bedoeld in
de tweede zin.</al>
            </lid>
          </art>
        </par>
        <par>
          <kop>
            <titel status="off">Verplichting tot verstrekken van inlichtingen </titel>
          </kop>
          <art id="a33">
            <kop>
              <nr>Artikel 33</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>De werkgever, de werknemers en de andere personen of diensten bedoeld
in artikel 17, eerste lid, onderdelen b en c, alsmede de in artikel 27 en
28 bedoelde natuurlijke of rechtspersonen zijn verplicht aan de in artikel
32 bedoelde ambtenaren alle door hen verlangde gegevens en inlichtingen te
verstrekken met betrekking tot de naleving van het bij of krachtens deze wet
bepaalde. Desverlangd moeten deze gegevens en inlichtingen schriftelijk binnen
een door deze ambtenaren gestelde termijn worden verstrekt.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>De werkgever en de andere personen of diensten bedoeld in artikel 17,
eerste lid, onderdelen b en c, alsmede de in artikel 27 en 28 bedoelde natuurlijke
of rechtspersonen zijn verplicht om aan de in artikel 32 bedoelde ambtenaren
in het belang van de vervulling van hun taak gelegenheid te geven de daar
bedoelde onderzoekingen en handelingen te verrichten en hun daarbij alle hulp
te verlenen, welke deze ambtenaren redelijkerwijs kunnen verlangen.</al>
            </lid>
          </art>
        </par>
        <par>
          <kop>
            <titel status="off">Geheimhouding </titel>
          </kop>
          <art id="a34">
            <kop>
              <nr>Artikel 34</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>De in artikel 32 bedoelde ambtenaren zijn, behoudens tegenover hen aan
wier gezag zij uit kracht van hun ambt zijn onderworpen, verplicht tot geheimhouding
van de namen der personen door wie een klacht is ingediend of aangifte is
gedaan van een overtreding van het bij of krachtens deze wet bepaalde, behoudens
wanneer deze personen hun schriftelijk hebben verklaard tegen de mededeling
van hun namen geen bezwaar te hebben.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>De in artikel 5, negende lid, onder c, bedoelde gezagsdragers zijn verplicht
tot geheimhouding van gegevens, waarover zij krachtens artikel 5 de beschikking
krijgen en waarvan zij het vertrouwelijke karakter kennen of redelijkerwijs
moeten vermoeden, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hen tot
bekendmaking verplicht.</al>
            </lid>
          </art>
        </par>
        <par>
          <kop>
            <titel status="off">Aanwijzing </titel>
          </kop>
          <art id="a35">
            <kop>
              <nr>Artikel 35</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Indien een daartoe aangewezen ambtenaar als bedoeld in artikel 32 van
oordeel is, dat een of meer van de in het zesde of achtste lid bedoelde bepalingen
niet of in onvoldoende mate of op onjuiste wijze worden nageleefd, is hij
bevoegd de werkgever respectievelijk de andere personen of diensten, bedoeld
in artikel 17, eerste lid, onderdelen b en c, een aanwijzing te geven. Hij
gaat hiertoe in de gevallen, bedoeld in het achtste lid, niet over dan nadat
hem hiertoe een verzoek is gedaan overeenkomstig artikel 40.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>In de aanwijzing geeft de ambtenaar aan op welke punten het bij of krachtens
deze wet bepaalde naar zijn oordeel niet of in onvoldoende mate of op onjuiste
wijze wordt nageleefd, benevens de maatregelen welke naar zijn oordeel noodzakelijk
zijn om daaraan te voldoen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>Een aanwijzing bevat de termijn waarbinnen eraan moet zijn voldaan.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>4.</nr>
              <al>De werkgever respectievelijk de andere personen of diensten, bedoeld in
artikel 17, eerste lid, onderdelen b en c, zijn verplicht aan de in het eerste
lid bedoelde aanwijzingen te voldoen. De werknemers zijn verplicht aan de
aanwijzing te voldoen voor zover deze betrekking heeft op een verplichting
die bij of krachtens deze wet aan werknemers is opgelegd. De werkgever draagt
zorg dat de werknemers van de op hen rustende verplichting zo spoedig mogelijk
in kennis worden gesteld.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>5.</nr>
              <al>De werking van de aanwijzing wordt opgeschort totdat de bezwaar- of beroepstermijn
is verstreken of, indien bezwaar of beroep is ingesteld, op het bezwaar of
beroep is beslist.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>6.</nr>
              <al>Een aanwijzing kan strekken ter naleving van het bepaalde bij of krachtens: </al>
              <al>a. artikel 2, voor zover zulks bij de krachtens dat artikel gestelde regelen
is bepaald;</al>
              <al>b. artikel 3, eerste lid, onderdelen a tot en met f, en tweede lid;</al>
              <al>c. artikel 4;</al>
              <al>d. artikel 4a, eerste en vierde lid;</al>
              <al>e. artikel 6;</al>
              <al>f. artikel 7;</al>
              <al>g. artikel 8, eerste tot en met vierde lid;</al>
              <al>h. artikel 9, derde lid;</al>
              <al>i. artikel 10;</al>
              <al>j. artikel 12, onderdelen a tot en met f;</al>
              <al>k. artikel 14;</al>
              <al>l. artikel 15, eerste, vierde en vijfde lid;</al>
              <al>m. artikel 16, eerste lid;</al>
              <al>n. artikel 17;</al>
              <al>o. artikel 18;</al>
              <al>p. artikel 19;</al>
              <al>q. artikel 20;</al>
              <al>r. artikel 21a;</al>
              <al>s. artikel 22;</al>
              <al>t. artikel 23;</al>
              <al>u. artikel 23a;</al>
              <al>v. artikel 23b;</al>
              <al>w. artikel 23c, eerste lid, onder h;</al>
              <al>x. artikel 24, voor zover zulks bij de krachtens dat artikel gestelde
regelen is bepaald;</al>
              <al>y. artikel 24a;</al>
              <al>z. artikel 30;</al>
              <al>aa. artikel 31.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>7.</nr>
              <al>Een aanwijzing als bedoeld in dit artikel kan uitsluitend strekken ter
naleving van de artikelen 18, 19 en 20, voor zover geen aanwijzing kan worden
gegeven op grond van artikel 35a.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>8.</nr>
              <al>Een aanwijzing kan voorts strekken ter naleving van:</al>
              <al>a. artikel 3, eerste lid, onder g en h;</al>
              <al>b. artikel 13.</al>
            </lid>
          </art>
        </par>
        <par>
          <kop>
            <titel status="off">Aanwijzing jegens certificaathouders </titel>
          </kop>
          <art id="a35a">
            <kop>
              <nr>Artikel 35a</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Indien Onze Minister van oordeel is dat een dienst als bedoeld in artikel
17, eerste lid, onderdeel a of c, ten behoeve waarvan overeenkomstig het bepaalde
in artikel 31a door hem een certificaat is afgegeven, de artikelen 18 en 19
dan wel de krachtens artikel 20 gestelde regels niet, onjuist of op onvoldoende
wijze naleeft, is hij bevoegd de werkgever, in geval sprake is van een dienst
als bedoeld in artikel 17, eerste lid, onderdeel a, dan wel de dienst, bedoeld
in artikel 17, eerste lid, onderdeel c, een aanwijzing te geven. Onze Minister
kan een onder hem ressorterende ambtenaar aanwijzen die de bevoegdheid, bedoeld
in de eerste zin, namens hem uitoefent.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>In de aanwijzing geeft Onze Minister of de ambtenaar, op grond van het
eerste lid aangewezen, aan op welke punten het in artikel 18 en 19, dan wel
krachtens artikel 20 bepaalde naar zijn oordeel niet, onjuist of in onvoldoende
mate wordt nageleefd. Tevens geeft hij aan welke maatregelen noodzakelijk
zijn voor goede naleving van hetgeen in die artikelen is bepaald.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>Een aanwijzing bevat de termijn waarbinnen er aan moet zijn voldaan.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>4.</nr>
              <al>De werkgever, in geval sprake is van een dienst als bedoeld in artikel 17, eerste lid, onderdeel a, dan wel de dienst, bedoeld in artikel
17, eerste lid, onderdeel c, is verplicht aan de aanwijzing te voldoen.</al>
            </lid>
          </art>
        </par>
        <par>
          <kop>
            <titel status="off">Eis tot naleving </titel>
          </kop>
          <art id="a36">
            <kop>
              <nr>Artikel 36</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Een daartoe aangewezen ambtenaar als bedoeld in artikel 32 kan aan een
werkgever een eis stellen betreffende de wijze waarop één of
meer regelen, gesteld krachtens artikel 2 of 24, moeten worden nageleefd,
voor zover zulks bij die regelen is bepaald. Eveneens kan een eis worden gesteld
betreffende de wijze waarop de regels met betrekking tot de inventarisatie
en evaluatie, bedoeld in artikel 4, eerste en tweede lid, moeten worden nageleefd,
alsmede de regels, gesteld krachtens artikel 4, negende lid, met betrekking
tot de inventarisatie en evaluatie, voor zover zulks bij die regels is bepaald.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Een eis vermeldt van welke regelen hij de wijze van naleving bepaalt en
bevat de termijn waarbinnen eraan moet zijn voldaan.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>De werkgever is verplicht aan de eis te voldoen. De werknemers zijn verplicht
aan de eis te voldoen, voor zover zulks bij de eis is bepaald. De werkgever
draagt zorg dat de werknemers van de op hen rustende verplichting zo spoedig
mogelijk in kennis worden gesteld.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>4.</nr>
              <al>De werking van de eis wordt opgeschort totdat de bezwaar- of beroepstermijn
is verstreken of, indien bezwaar of beroep is ingesteld, op het bezwaar of
beroep is beslist.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>5.</nr>
              <al>Indien naleving van de eis in verband met gevaar voor de veiligheid of
de gezondheid redelijkerwijs geen uitstel kan lijden, kan de ambtenaar bepalen
dat het vierde lid niet van toepassing is. Van het schrijven dat de eis bevat,
wordt onverwijld een afschrift gezonden aan de griffie van de rechtbank van
het arrondissement waarbinnen het bedrijf of de inrichting, waarop de eis
betrekking heeft, is gelegen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>6.</nr>
              <al>De president van de rechtbank bedoeld in het vijfde lid, kan op verzoek
van de werkgever, na deze, de betrokken ambtenaar alsmede de ondernemingsraad
of, bij het ontbreken daarvan, de belanghebbende werknemers in de gelegenheid
te hebben gesteld te worden gehoord, de beschikking, houdende toepassing van
het vijfde lid, buiten werking stellen. Hij omkleedt zijn beslissing met redenen
en zendt afschrift daarvan aan de werkgever en de ambtenaar. De werkgever
brengt de inhoud van de beschikking zo spoedig mogelijk bij gedagtekend schrijven
ter kennis van de betrokken werknemers, de andere personen en de diensten
bedoeld in artikel 17 en van de ondernemingsraad of, bij het ontbreken daarvan,
van de belanghebbende werknemers. Tegen de beslissing van de president van
de rechtbank staat geen voorziening open behalve beroep in cassatie in het
belang der wet.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>7.</nr>
              <al>Voor de toepassing van de vorige leden worden met een werkgever gelijkgesteld:</al>
              <al>a. de in artikel 27 bedoelde personen, voor zover het betreft de daar
bedoelde voorschriften;</al>
              <al>b. de in artikel 28 bedoelde natuurlijke of rechtspersonen, voor zover
het betreft de krachtens dat artikel omschreven verplichtingen.</al>
            </lid>
          </art>
        </par>
        <par>
          <kop>
            <titel status="off">Stillegging van het werk </titel>
          </kop>
          <art id="a37">
            <kop>
              <nr>Artikel 37</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Een daartoe aangewezen ambtenaar als bedoeld in artikel 32 is bevoegd
mondeling of bij gedagtekend schrijven te bevelen, dat personen niet mogen
blijven in door hem aangewezen plaatsen, of dat door hem aangewezen werkzaamheden
worden gestaakt dan wel niet mogen worden aangevangen, indien
naar zijn redelijk oordeel dat verblijf of die werkzaamheden ernstig gevaar
opleveren voor personen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Een mondeling bevel wordt zo spoedig mogelijk schriftelijk aan de werkgever
bevestigd.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>Een bevel, als bedoeld in het eerste lid, geldt niet langer dan gedurende
zeven dagen, tenzij het is bekrachtigd door de president van de rechtbank
van het arrondissement, binnen hetwelk de in het eerste lid bedoelde plaatsen
zijn gelegen of de daar bedoelde werkzaamheden zijn of zouden worden verricht,
in welk geval het blijft gelden totdat het overeenkomstig het bepaalde in
het zesde lid is ingetrokken. Het verzoek om bekrachtiging moet door de ambtenaar
die het bevel gaf, binnen drie dagen nadat het is uitgevaardigd bij de griffie
van de arrondissementsrechtbank zijn ingediend. De president van de arrondissementsrechtbank
geeft binnen drie dagen, na de werkgever, degene tot wie het bevel is gericht,
de ambtenaar die het bevel gaf en de ondernemingsraad of, bij het ontbreken
daarvan, de belanghebbende werknemers in de gelegenheid te hebben gesteld
te worden gehoord, zijn met redenen omklede beslissing, waarvan onverwijld
aan die werkgever, aan degene tot wie het bevel is gericht en aan die ambtenaar
per aangetekende brief een afschrift wordt gezonden. Bij weigering van de
bekrachtiging kan de president tevens het bevel buiten werking stellen. Tegen
zijn beslissing staat geen voorziening open behalve beroep in cassatie in
het belang der wet.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>4.</nr>
              <al>De president der arrondissementsrechtbank is niet gebonden aan de in het
derde lid genoemde termijn van drie dagen in de gevallen, waarin hij voor
het geven van zijn beslissing een langere termijn nodig acht. In zodanig geval
blijft het bevel bedoeld in het eerste lid evenveel langer gelden dan zeven
dagen. De president geeft van het langer gelden van het bevel kennis aan de
ambtenaar die het bevel, bedoeld in het eerste lid, gaf en aan de werkgever.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>5.</nr>
              <al>De bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt mede in die gevallen,
waarin op grond van het bepaalde in artikel 36, vierde lid, aan een gestelde
eis nog geen uitvoering behoeft te worden gegeven.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>6.</nr>
              <al>Zodra naar het oordeel van de ambtenaar, die een bevel als bedoeld in
het eerste lid gaf, geen ernstig gevaar meer aanwezig is, trekt hij het bevel
in.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>7.</nr>
              <al>Degene, die een bevel als bedoeld in het eerste lid gegeven heeft, is
bevoegd met betrekking tot dit bevel de nodige maatregelen te treffen, de
nodige aanwijzingen te geven en de hulp van de sterke arm in te roepen. De
maatregelen en aanwijzingen kunnen onder meer betrekking hebben op het verzegelen
van werktuigen, toestellen, gereedschappen en dergelijke, of onderdelen daarvan.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>8.</nr>
              <al>De werkgever brengt de inhoud van een bevel als bedoeld in het eerste
lid, alsmede van een beslissing als bedoeld in het derde lid, derde zin, zo
spoedig mogelijk bij gedagtekend schrijven ter kennis van de betrokken werknemers,
de andere personen en de diensten, bedoeld in artikel 17 en van de ondernemingsraad
of, bij het ontbreken daarvan, van de belanghebbende werknemers.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>9.</nr>
              <al>Ieder wie zulks aangaat, is verplicht zich te gedragen overeenkomstig
een bevel, als bedoeld in het eerste lid, en een aanwijzing, als bedoeld in
het zevende lid.</al>
            </lid>
          </art>
        </par>
        <par>
          <kop>
            <titel status="off">Werkonderbreking </titel>
          </kop>
          <art id="a38">
            <kop>
              <nr>Artikel 38</nr>
            </kop>
            <al>Een werknemer is bevoegd het werk te onderbreken en de onderbreking voort
te zetten, indien en zolang naar zijn redelijk oordeel gevaar voor personen
als bedoeld in artikel 37, eerste lid, aanwezig is en naar zijn redelijk oordeel
het gevaar zo onmiddellijk dreigt dat een daartoe aangewezen
ambtenaar als bedoeld in artikel 32 niet tijdig kan optreden. Voor de duur
van de onderbreking behoudt de werknemer zijn aanspraak op het naar tijdruimte
vastgesteld loon. Degene die stelt dat de werknemer de aanwezigheid van onmiddellijk
dreigend gevaar als bedoeld in de eerste zin op grond van de feiten waarop
hij zich beroept, niet naar zijn redelijk oordeel mocht aannemen, moet dit
bewijzen. Indien de onderbreking van het werk geschiedt buiten weten van de
werkgever, onderscheidenlijk de bij de arbeid betrokken leidinggevende persoon,
moet de werknemer de onderbreking terstond bij deze melden. Indien de onderbreking
van het werk ter kennis wordt gebracht van de ingevolge artikel 37, eerste
of tweede lid, bevoegde ambtenaar, geeft deze een bevel krachtens het eerste
lid van dat artikel of verklaart hij, zo nodig onder het stellen van een eis
als bedoeld in artikel 36, dat de arbeid kan worden verricht. Door de beschikking
van de ambtenaar eindigt de bevoegdheid van de werknemer de werkonderbreking
voort te zetten.</al>
          </art>
        </par>
        <par>
          <kop>
            <titel status="off">Ongeldigverklaring bewijsstukken </titel>
          </kop>
          <art id="a39">
            <kop>
              <nr>Artikel 39</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald in welke gevallen
een daartoe aangewezen ambtenaar als bedoeld in artikel 32 bewijsstukken als
bedoeld in artikel 24, derde lid, onder h, of 28, tweede lid, ongeldig kan
verklaren en daarop een desbetreffende aantekening kan plaatsen. Bij de maatregel
wordt tevens bepaald welke bevelen de ambtenaar voor een juiste vervulling
van deze taak kan geven aan de werkgever onderscheidenlijk de natuurlijke
of rechtspersoon, bedoeld in laatstgenoemd artikellid.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Degene aan wie een bevel als bedoeld in het eerste lid, tweede zin, is
gegeven, is verplicht daaraan te voldoen. De ambtenaar kan ter uitvoering
van een zodanig bevel de hulp inroepen van de sterke arm.</al>
            </lid>
          </art>
        </par>
        <par>
          <kop>
            <titel status="off">Verzoek om wetstoepassing </titel>
          </kop>
          <art id="a40">
            <kop>
              <nr>Artikel 40</nr>
            </kop>
            <al>Indien tussen de werkgever en werknemers meningsverschil bestaat omtrent
de naleving van een of meer van de bij of krachtens deze wet gestelde regelen
dan wel omtrent de aanwezigheid van ernstig gevaar voor personen als bedoeld
in artikel 37, eerste lid, kunnen de werkgever alsmede de ondernemingsraad
of, bij het ontbreken daarvan, een meerderheid van de belanghebbende werknemers
een daartoe aangewezen ambtenaar als bedoeld in artikel 32 verzoeken toepassing
te geven aan artikel 35, 36 of 37. Bovendien kan de ondernemingsraad of, bij
het ontbreken daarvan, een meerderheid van de belanghebbende werknemers Onze
Minister verzoeken toepassing te geven aan artikel 5, tweede lid, of Onze
Minister of de door Onze Minister op grond van artikel 35a, eerste lid, aangewezen
ambtenaar verzoeken toepassing te geven aan artikel 35a, eerste lid. Bij het
ontbreken van een ondernemingsraad kan mede een verzoek als bedoeld in de
eerste en tweede zin worden gedaan door een vereniging van werknemers, die
krachtens haar statuten ten doel heeft de belangen van haar leden als werknemers
te behartigen en als zodanig in het betrokken bedrijf of de inrichting dan
wel de betrokken bedrijfstak werkzaam is en in het bezit is van volledige
rechtsbevoegdheid. De werkgever zendt zo spoedig mogelijk een afschrift van
zijn verzoek aan de ondernemingsraad en aan de in artikel 17 bedoelde werknemers,
andere personen en diensten. Bij het ontbreken van een ondernemingsraad brengt
de werkgever de inhoud van zijn verzoek zo spoedig mogelijk bij gedagtekend
schrijven ter kennis van de belanghebbende werknemers. Andere verzoekers dan
de werkgever zenden zo spoedig mogelijk een afschrift van het
verzoek aan de werkgever.</al>
          </art>
        </par>
      </hfdst>
      <hfdst>
        <kop>
          <nr>HOOFDSTUK VIII.</nr>
          <titel status="off">VRIJSTELLINGEN, ONTHEFFINGEN EN BEROEP </titel>
        </kop>
        <art id="a41">
          <kop>
            <nr>Artikel 41</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Onze Minister kan met betrekking tot categorieën van bedrijven of
inrichtingen vrijstelling verlenen van de voorschriften welke bij of krachtens
de hoofdstukken IV tot en met VI, de artikelen 27 en 28 zijn vastgesteld.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Een daartoe aangewezen ambtenaar als bedoeld in artikel 32 kan met betrekking
tot een individueel bedrijf of inrichting ontheffing verlenen van de in het
eerste lid bedoelde voorschriften.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regelen worden gesteld inzake
het verlenen van vrijstellingen of ontheffingen als bedoeld in het eerste
onderscheidenlijk tweede lid.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>4.</nr>
            <al>Een vrijstelling of een ontheffing kan onder beperkingen worden verleend.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>5.</nr>
            <al>Aan een vrijstelling of een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>6.</nr>
            <al>Een vrijstelling, onderscheidenlijk ontheffing, kan worden ingetrokken
wanneer:</al>
            <al>a. een of meer der redenen waarom zij is verleend is of zijn vervallen;</al>
            <al>b. een of meer van de daaraan verbonden voorschriften niet wordt of worden
nageleefd;</al>
            <al>c. zich na de verlening zodanige feiten of omstandigheden voordoen dat,
indien deze ten tijde van de verlening bekend waren geweest, de vrijstelling
of ontheffing niet of niet in die vorm zou zijn verleend.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>7.</nr>
            <al>De werkgever zendt zo spoedig mogelijk een afschrift van zijn verzoek
om ontheffing aan de betrokken werknemers, de andere personen en de diensten
bedoeld in artikel 17, alsmede aan de ondernemingsraad. Bij het ontbreken
van een ondernemingsraad brengt de werkgever de inhoud van zijn verzoek zo
spoedig mogelijk bij gedagtekend schrijven ter kennis van de belanghebbende
werknemers.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>8.</nr>
            <al>De werking van een beschikking inzake een ontheffing wordt opgeschort
totdat de bezwaar- of beroepstermijn is verstreken of, indien bezwaar of beroep
is ingesteld, op het bezwaar of beroep is beslist.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a42">
          <kop>
            <nr>Artikel 42</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Tegen een beschikking op grond van deze wet van een ambtenaar als bedoeld
in artikel 32, tweede lid, kan door de belanghebbende een beroepschrift worden
ingediend bij Onze Minister.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Onze Minister kan een commissie voor bezwaar en beroep instellen, die
belast is met de taak, genoemd in artikel 7:19 van de Algemene wet bestuursrecht.</al>
          </lid>
        </art>
      </hfdst>
      <hfdst>
        <kop>
          <nr>HOOFDSTUK IX.</nr>
          <titel status="off">ADVIESCOLLEGES </titel>
        </kop>
        <art>
          <kop></kop>
          <al>Vervallen. </al>
        </art>
      </hfdst>
      <hfdst>
        <kop>
          <nr>HOOFDSTUK X.</nr>
          <titel status="off">OVERGANGS- EN SLOTBEPALLNGEN </titel>
        </kop>
        <art id="a46">
          <kop>
            <nr>Artikel 46</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>De Veiligheidswet 1934 (Stb. 352), de Silicosewet (Stb. 1951, 134) en
de Wet op werken onder overdruk (Stb. 1968, 44) worden ingetrokken.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>In afwijking van het eerste lid blijft de Veiligheidswet 1934 van kracht
met betrekking tot een algemene maatregel van bestuur of een ministerieel
besluit vastgesteld krachtens artikel 19, tweede lid, en artikel 7, eerste
lid, onder e, van die wet, tot een door Ons te bepalen tijdstip.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>Met betrekking tot verrichtingen als omschreven in artikel 2, eerste lid,
en arbeid als omschreven in artikel 2, tweede, derde onderscheidenlijk vierde
lid, blijft deze wet buiten toepassing totdat de algemene maatregel van bestuur
onderscheidenlijk het besluit van Onze Ministers, vastgesteld krachtens het
lid van artikel 2 dat op die verrichtingen of arbeid betrekking heeft, in
werking is getreden. Tot vorenbedoeld tijdstip blijft de Veiligheidswet 1934
voor zover van toepassing op vorenbedoelde verrichtingen en arbeid, in afwijking
van het eerste lid, met betrekking tot die verrichtingen en arbeid van kracht.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a47">
          <kop>
            <nr>Artikel 47</nr>
          </kop>
          <al>Voor de toepassing van deze wet worden de hieronder vermelde algemene
maatregelen van bestuur geacht te zijn vastgesteld krachtens deze wet:</al>
          <al>a. het Veiligheidsbesluit voor fabrieken of werkplaatsen 1938 (Stb. 872);</al>
          <al>b. het Elektrotechnisch Veiligheidsbesluit 1938 (Stb. 873);</al>
          <al>c. het Veiligheidsbesluit-loodwit (Stb. 1939, 865);</al>
          <al>d. het Veiligheidsbesluit elektrische schrikdraden (Stb. 1948, I 482);</al>
          <al>e. het Landbouwveiligheidsbesluit (Stb. 1950, K 107);</al>
          <al>f. het Zandsteenbesluit (Stb. 1951, 433);</al>
          <al>g. het Veiligheidsbesluit ioniserende stralen (Stb. 1963, 98);</al>
          <al>h. het Veiligheidsbesluit Binnenvaart (Stb. 1963, 170);</al>
          <al>i. het Caissonbesluit (Stb. 1968, 435);</al>
          <al>j. het Zandstraalbesluit (Stb. 1973, 415);</al>
          <al>k. het Veiligheidsbesluit Tankschepen (Stb. 1974, 566);</al>
          <al>l. het Besluit verplichtstelling van bedrijfsgeneeskundige diensten (Stb.
1974, 740);</al>
          <al>m. het Besluit eisen bedrijfsgeneeskundige diensten (Stb. 1974, 741);</al>
          <al>n. het Besluit ongevallen behandeling bedrijfsgeneeskundige diensten (Stb.
1974, 743);</al>
          <al>o. het Koninklijk besluit van 12 januari 1976 (Stb. 97) betreffende propaansulton;</al>
          <al>p. het Asbestbesluit (Stb. 1977, 269);</al>
          <al>q. het Besluit acetyleenontwikkelaars (Stb. 1967, 578), voor zover dit
besluit is gebaseerd op de artikelen 7 en 11 van de Veiligheidswet 1934;</al>
          <al>r. een algemene maatregel van bestuur vastgesteld krachtens artikel 20v
van de Veiligheidswet 1934.</al>
        </art>
        <wart id="a48">
          <kop>
            <nr>Artikel 48</nr>
          </kop>
          <al>De Stuwadoorswet (Stb. 1914, 486) ondergaat de volgende wijzigingen: </al>
          <wlid>
            <kop>
              <nr>A</nr>
            </kop>
            <al>De artikelen 12, 12ter en 19bis vervallen. </al>
          </wlid>
          <wlid>
            <kop>
              <nr>B</nr>
            </kop>
            <al>In artikel 15 vervalt: «12, eerste en tweede lid; 12ter, tweede
lid;».  </al>
          </wlid>
          <wlid>
            <kop>
              <nr>C</nr>
            </kop>
            <al>In artikel 20, eerste lid, vervalt: «19bis, vierde lid». </al>
          </wlid>
          <wlid>
            <kop>
              <nr>D</nr>
            </kop>
            <al>In artikel 20, tweede lid, wordt in plaats van «het bepaalde bij
of krachtens een der artikelen 12, eerste, tweede, zevende en achtste lid,
12ter, tweede lid en 21, tweede en derde lid,» gelezen: «het bepaalde
bij artikel 21, tweede en derde lid». </al>
          </wlid>
          <wlid>
            <kop>
              <nr>E</nr>
            </kop>
            <al>In artikel 20, derde lid, onder a en b, wordt in plaats van «het
bepaalde bij of krachtens een der artikelen 12, eerste en tweede lid, 12ter,
tweede lid en 21, tweede en derde lid» gelezen: «het bepaalde
bij artikel 21, tweede en derde lid». </al>
          </wlid>
          <wlid>
            <kop>
              <nr>F</nr>
            </kop>
            <al>In artikel 21, eerste lid, onder 2°-a, wordt na het woord «ingeschreven»
de puntkomma vervangen door een punt, terwijl het gestelde onder 2°-b
van dit lid vervalt.</al>
          </wlid>
        </wart>
        <art id="a49">
          <kop>
            <nr>Artikel 49</nr>
          </kop>
          <al>Voor de toepassing van deze wet wordt het Veiligheidsbesluit Stuwadoorswet
(Stb. 1950, K519) geacht te zijn vastgesteld krachtens deze wet.</al>
        </art>
        <art id="a50">
          <kop>
            <nr>Artikel 50</nr>
          </kop>
          <al>Voor de toepassing van deze wet worden vrijstellingen en ontheffingen
alsmede andere besluiten die door Onze Minister, het districtshoofd of een
andere ambtenaar genomen zijn op grond van het bij of krachtens de in de artikelen
46 en 48 genoemde wetten bepaalde, en die op het tijdstip van het in werking
treden van deze wet nog van kracht zijn, geacht te zijn verleend onderscheidenlijk
genomen krachtens deze wet.</al>
        </art>
        <wart id="a51">
          <kop>
            <nr>Artikel 51</nr>
          </kop>
          <al>De Wet op de gevaarlijke werktuigen (Stb. 1952, 104) ondergaat de volgende
wijzigingen. </al>
          <wlid>
            <kop>
              <nr>A</nr>
            </kop>
            <al>In artikel 1, eerste lid, onder c, wordt in plaats van «Onze Minister
van Sociale Zaken en Volksgezondheid» gelezen: «Onze Minister
van Sociale Zaken». </al>
          </wlid>
          <wlid>
            <kop>
              <nr>B</nr>
            </kop>
            <al>In artikel 2, eerste zin, wordt in plaats van «Bij algemene maatregel
van bestuur» gelezen: «Bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur».  </al>
          </wlid>
          <wlid>
            <kop>
              <nr>C</nr>
            </kop>
            <al>Artikel 3, eerste lid, wordt gelezen:</al>
            <arttkst>
              <al>«1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften
worden vastgesteld betreffende het keuren van daarbij aangewezen gevaarlijke
werktuigen en beveiligingsmiddelen.»</al>
            </arttkst>
          </wlid>
          <wlid>
            <kop>
              <nr>D</nr>
            </kop>
            <al>In artikel 6 wordt in plaats van «Bij algemene maatregel van bestuur»
gelezen: «Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur». </al>
          </wlid>
          <wlid>
            <kop>
              <nr>E</nr>
            </kop>
            <al>In artikel 7, aanhef wordt in plaats van «Algemene maatregel van
bestuur als bedoeld in» gelezen: «Regelen ter uitvoering van». </al>
          </wlid>
          <wlid>
            <kop>
              <nr>F</nr>
            </kop>
            <al>In artikel 8, eerste lid, wordt tussen de komma, volgend op de woorden
«is ingevoerd», en het woord «is» een zinsnede ingevoegd,
luidende: «ten aanzien waarvan ingevolge artikel 3, eerste lid, een
keuring is voorgeschreven,». </al>
          </wlid>
          <wlid>
            <kop>
              <nr>G</nr>
            </kop>
            <al>In artikel 8, tweede lid, wordt tussen de komma, volgend op de woorden
«is ingevoerd», en het woord «is» een zinsnede ingevoegd,
luidende: «ten aanzien waarvan ingevolge artikel 3, eerste lid, een
keuring is voorgeschreven,» en wordt in plaats van «tot het verrichten
van de in artikel 3 bedoelde keuring» gelezen: «tot het verrichten
van de keuring». </al>
          </wlid>
          <wlid>
            <kop>
              <nr>H</nr>
            </kop>
            <al>Artikel 10 wordt gelezen:</al>
            <arttkst>
              <al>«Artikel 10. 1. Het is verboden een gevaarlijk werktuig of een beveiligingsmiddel
te vervaardigen zonder inachtneming van een krachtens artikel 2 vastgesteld
voorschrift.</al>
              <al>2. Het is verboden een gevaarlijk werktuig of een beveiligingsmiddel ten
aanzien waarvan niet ingevolge artikel 3, eerste lid, een keuring is voorgeschreven,
voorhanden te hebben, af te leveren, te gebruiken of tentoon te stellen, indien
het niet voldoet krachtens artikel 2 vastgesteld voorschrift.</al>
              <al>3. Het is verboden een gevaarlijk werktuig of een beveiligingsmiddel ten
aanzien waarvan ingevolge artikel 3, eerste lid, een keuring is voorgeschreven,
voorhanden te hebben, af te leveren, te gebruiken of tentoon te stellen, indien
ten aanzien van dat gevaarlijke werktuig of dat beveiligingsmiddel niet een
geldig certificaat van goedkeuring kan worden getoond en dat gevaarlijke werktuig
of dat beveiligingsmiddel evenmin voorzien is van een geldig merk van goedkeuring.</al>
              <al>4. Voor zover bij algemene maatregel van bestuur niet anders is bepaald,
zijn het tweede en het derde lid niet van toepassing op het voorhanden hebben
en het gebruiken in de huishouding.</al>
              <al>5. Voor zover bij algemene maatregel van bestuur niet anders is bepaald,
is het derde lid niet van toepassing op het tentoonstellen, mits bij het tentoonstellen
op duidelijk leesbare wijze is vermeld, dat een geldig certificaat van goedkeuring
nog niet werd aangevraagd of verkregen.». </al>
            </arttkst>
          </wlid>
          <wlid>
            <kop>
              <nr>I</nr>
            </kop>
            <al>Artikel 11 wordt gelezen:</al>
            <arttkst>
              <al>«Artikel 11. 1. Van het bij of krachtens deze wet bepaalde kan Onze
Minister vrijstelling en een door Onze Minister aangewezen ambtenaar ontheffing
verlenen.</al>
              <al>2. Een vrijstelling of een ontheffing kan onder beperkingen worden verleend.</al>
              <al>3. Aan een vrijstelling of een ontheffing kunnen voorschriften worden
verbonden.</al>
              <al>4. Een vrijstelling of een ontheffing kan worden ingetrokken wanneer:</al>
              <al>a. een of meer der redenen waarom zij is verleend, vervallen zijn,</al>
              <al>b. een of meer van de daaraan verbonden voorschriften dan wel andere bij
of krachtens deze wet vastgestelde voorschriften niet worden nageleefd, of</al>
              <al>c. zich na de verlening zodanige feiten of omstandigheden voordoen dat,
indien deze ten tijde van de verlening bekend waren geweest, de vrijstelling
of ontheffing niet of niet in die vorm zou zijn verleend.».</al>
            </arttkst>
          </wlid>
          <wlid>
            <kop>
              <nr>J</nr>
            </kop>
            <al>Artikel 12, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:</al>
            <wond>
              <nr>1.</nr>
              <al>In de eerste zin wordt tussen «dan wel» en «herstelling»
ingevoegd: «schriftelijk en gedagtekend».</al>
            </wond>
            <wond>
              <nr>2.</nr>
              <al>In de eerste zin wordt het zinsdeel «van een merk van afkeuring
voorzien» gelezen: «ten bewijze daarvan voorzien van een merk
van afkeuring».</al>
            </wond>
            <wond>
              <nr>3.</nr>
              <al>Aan het lid wordt een derde zin toegevoegd, luidende: «Een krachtens
de eerste zin gestelde eis moet worden nageleefd door degene aan wie hij is
gesteld.». </al>
            </wond>
          </wlid>
          <wlid>
            <kop>
              <nr>K</nr>
            </kop>
            <al>Artikel 13, eerste lid, onderdeel b, wordt gelezen:</al>
            <arttkst>
              <al>«b. tegen een beslissing van een ambtenaar als bedoeld in artikel
11, eerste lid, waarbij het verlenen van een ontheffing wordt geweigerd, tegen
een beperking waaronder een ontheffing is verleend of tegen een voorschrift
dat aan een ontheffing is verbonden.».</al>
            </arttkst>
          </wlid>
          <wlid>
            <kop>
              <nr>L</nr>
            </kop>
            <al>Artikel 14 wordt als volgt gewijzigd:</al>
            <wond>
              <nr>1.</nr>
              <al>In het eerste lid wordt in plaats van «arbeiders» gelezen:
«werknemers» en in plaats van «voorwaarde»: «voorschrift».</al>
            </wond>
            <wond>
              <nr>2.</nr>
              <al>Het tweede en derde lid vervallen. Het cijfer 1 ter aanduiding van het
eerste lid vervalt. </al>
            </wond>
          </wlid>
          <wlid>
            <kop>
              <nr>M</nr>
            </kop>
            <al>Na artikel 14 wordt ingevoegd:</al>
            <arttkst>
              <al>«Bijzondere bepaling</al>
              <al>Artikel 14a. Indien de werkgever werknemers opdraagt taken uit te oefenen,
voortvloeiende uit zijn zorg voor de naleving van het bij of krachtens deze
wet bepaalde, moet hij ervoor zorgen dat:</al>
              <al>a. aan deze werknemers de bevoegdheden en middelen worden verleend die
nodig zijn voor een goede uitoefening van die taken;</al>
              <al>b. slechts één werknemer wordt belast met een zelfde taak
als vorenbedoeld. </al>
              <al>De opdracht moet de taken nauwkeurig omschrijven. Zij moet in een geschrift
zijn neergelegd, onder vermelding van de naam van de werknemer.».</al>
            </arttkst>
          </wlid>
          <wlid>
            <kop>
              <nr>N</nr>
            </kop>
            <al>Artikel 15 wordt gelezen:</al>
            <arttkst>
              <al>«Artikel 15. Aan artikel 1, onder 4°, van de Wet op de economische
delicten (Stb. 1950, K258) wordt toegevoegd: de Wet op de gevaarlijke werktuigen,
de artikelen 4, vierde lid, tweede zin, 8, eerste lid, 10, eerste, tweede
en derde lid, 12, eerste lid, 13, zesde lid, 14a en 20;».</al>
            </arttkst>
          </wlid>
          <wlid>
            <kop>
              <nr>O</nr>
            </kop>
            <al>Het opschrift boven artikel 16 wordt gelezen «Toezicht». </al>
          </wlid>
          <wlid>
            <kop>
              <nr>P</nr>
            </kop>
            <al>Artikel 16 wordt gelezen:</al>
            <arttkst>
              <al>«Artikel 16. 1. De ambtenaren der Arbeidsinspectie door Onze Minister
aangewezen krachtens 77 der Arbeidswet zijn in het door hem aangewezen ambtsgebied
belast met de handhaving van het bij of krachtens deze wet bepaalde en de
medewerking aan de uitvoering daarvan.</al>
              <al>2. Onze Minister kan de handhaving van het bij of krachtens deze wet bepaalde
en de medewerking aan de uitvoering ervan opdragen of mede opdragen aan anderen
dan in het eerste lid bedoelde ambtenaren.</al>
              <al>Indien de opdracht wordt verleend aan ambtenaren ressorterende onder het
departement van een andere dan Onze Minister, wordt het desbetreffende besluit
genomen door onze beide Ministers tezamen.</al>
              <al>3. De in dit artikel bedoelde ambtenaren zijn bevoegd alle bedrijven,
inrichtingen en andere plaatsen – met uitzondering van woningen –
te betreden en alle onderzoekingen en handelingen te verrichten een en ander
voor zover zulks noodzakelijk is voor de juiste vervulling van hun in dit
artikel bedoelde taak.».</al>
            </arttkst>
          </wlid>
          <wlid>
            <kop>
              <nr>Q</nr>
            </kop>
            <al>Artikel 17 vervalt. </al>
          </wlid>
          <wlid>
            <kop>
              <nr>R</nr>
            </kop>
            <al>In artikel 18, eerste lid, wordt in plaats van «De opsporingsambtenaren»
gelezen: «De in artikel 16 bedoelde ambtenaren». </al>
          </wlid>
          <wlid>
            <kop>
              <nr>S</nr>
            </kop>
            <al>Artikel 19, eerste zin, wordt gelezen:</al>
            <arttkst>
              <al>«De in artikel 16 bedoelde ambtenaren zijn bevoegd tot het verzegelen
van gevaarlijke werktuigen en beveiligingsmiddelen, ten aanzien waarvan ingevolge
artikel 3, eerste lid, een keuring is voorgeschreven, doch ten aanzien waarvan
een geldig certificaat van goedkeuring niet kan worden getoond en welke evenmin
zijn voorzien van een geldig merk van goedkeuring.».</al>
            </arttkst>
          </wlid>
          <wlid>
            <kop>
              <nr>T</nr>
            </kop>
            <al>Artikel 20 wordt gelezen:</al>
            <arttkst>
              <al>«Artikel 20. Een ieder is verplicht aan de in artikel 16 bedoelde
ambtenaren alle door hen verlangde gegevens en inlichtingen te verstrekken
met betrekking tot de naleving van het bij of krachtens deze wet bepaalde, alsmede inzage te verlenen van alle bescheiden waarvan dezen voor
de goede vervulling van hun taak inzage nodig oordelen.</al>
              <al>Desverlangend moeten de verlangde gegevens en inlichtingen schriftelijk
binnen een door deze ambtenaren gestelde termijn worden verstrekt.».</al>
            </arttkst>
          </wlid>
          <wlid>
            <kop>
              <nr>U</nr>
            </kop>
            <al>In artikel 21, eerste zin, wordt in plaats van «De opsporingsambtenaren»
gelezen: «De in artikel 16 bedoelde ambtenaren». </al>
          </wlid>
          <wlid>
            <kop>
              <nr>V</nr>
            </kop>
            <al>Artikel 23 vervalt. </al>
          </wlid>
          <wlid>
            <kop>
              <nr>W</nr>
            </kop>
            <al>In artikel 24, eerste zin, wordt in plaats van «artikel 10, eerste
lid,» gelezen: «artikel 10, derde lid,». </al>
          </wlid>
          <wlid>
            <kop>
              <nr>X</nr>
            </kop>
            <al>Artikel 25 wordt gelezen:</al>
            <arttkst>
              <al>«Artikel 25. Deze wet brengt geen wijziging in de toepassing van
de Mijnwet 1903, de Schepenwet en de Stoomwet.».</al>
            </arttkst>
          </wlid>
        </wart>
        <art id="a52">
          <kop>
            <nr>Artikel 52</nr>
          </kop>
          <al>Het Veiligheidsbesluit gevaarlijke werktuigen (Stb. 1940, 842), wordt
geacht te zijn vastgesteld krachtens de Wet op de gevaarlijke werktuigen,
zoals gewijzigd ingevolge artikel 51.</al>
        </art>
        <art id="a53">
          <kop>
            <nr>Artikel 53</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>De behandeling van verzoeken en beroepen, welke voor de inwerkingtreding
van deze wet zijn gedaan onderscheidenlijk ingesteld op grond van hetgeen
bepaald is bij of krachtens de Veiligheidswet 1934, de Silicosewet, de Wet
op werken onder overdruk en de artikelen 12 en 21 van de Stuwadoorswet wordt
voortgezet op de voet van deze wet.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Ten aanzien van feiten die zich hebben voorgedaan vóór de
inwerkingtreding van deze wet, gelden met betrekking tot verzoeken en beroepen,
in afwijking van deze wet, de termijnen voorkomend in de in het eerste lid
bedoelde bepalingen.</al>
          </lid>
        </art>
        <wart id="a54">
          <kop>
            <nr>Artikel 54</nr>
          </kop>
          <al>In artikel 9, tweede lid, van de Mijnwet 1903 (Stb. 1904, 73) wordt in
plaats van «de Veiligheidswet» gelezen: «de Arbeidsomstandighedenwet».</al>
        </wart>
        <wart id="a55">
          <kop>
            <nr>Artikel 55</nr>
          </kop>
          <al>In artikel II, eerste lid, van de wet van 7 september 1973 (Stb. 499),
houdende een overgangsregeling ten aanzien van werken en inrichtingen die
niet meer bij een mijn behoren (Overgangsregeling steenkolenmijnen), wordt
in plaats van «artikel 38, eerste lid, onder d, van de Veiligheidswet
1934 (Stb. 352)» gelezen: «artikel 2, zesde lid, onder a, van
de Arbeidsomstandighedenwet». </al>
          <al>Kosten</al>
        </wart>
        <art id="a56">
          <kop>
            <nr>Artikel 56</nr>
          </kop>
          <al>De kosten die zijn verbonden aan de naleving van de regels die bij of
krachtens deze wet zijn gesteld, worden niet ten laste van de werknemer gebracht.</al>
        </art>
        <wart id="a57">
          <kop>
            <nr>Artikel 57</nr>
          </kop>
          <al>Aan artikel 1, onder 4°, van de Wet op de economische delicten wordt
toegevoegd «de Arbeidsomstandighedenwet, de artikelen 2, zevende lid,
4, derde, vijfde en zesde lid, 5, eerste, tweede, dertiende en veertiende
lid, 6, 9, 10, 11, 12, onder a tot en met d, 14, derde lid, vierde zin, 18,
tweede lid, vierde zin, 19, tweede lid, vierde zin, 23, 26, 27, 28, 30, tweede
en derde lid, 31, 33, 35, eerste lid, vierde zin, tweede lid, derde zin, en
vierde lid, 36, vierde lid, tweede zin, vijfde lid, en achtste lid, derde
zin, 37, achtste en negende lid, 39, tweede lid, tweede zin, en derde lid,
eerste zin, 40, eerste lid, vijfde tot en met zevende zin, en derde lid, tweede
zin, 41, vijfde lid, zevende lid, eerste en tweede zin, en negende lid, derde
zin, en 42, tiende lid, vierde zin;»</al>
        </wart>
        <art id="a58">
          <kop>
            <nr>Artikel 58</nr>
          </kop>
          <al>Indien bijzondere omstandigheden van plaatselijke aard in een gemeente
voorschriften betreffende onderwerpen, waarop deze wet betrekking heeft, nodig
maken, die niet bij algemene maatregel van bestuur zijn gegeven, kunnen deze
voorschriften door de gemeenteraad onder Onze goedkeuring worden vastgesteld.</al>
        </art>
        <art id="a59">
          <kop>
            <nr>Artikel 59</nr>
          </kop>
          <al>Waar in deze wet niet anders is bepaald wordt de voordracht tot een algemene
maatregel van bestuur Ons gedaan door Onze Minister.</al>
        </art>
        <art id="a60">
          <kop>
            <nr>Artikel 60</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Deze wet kan worden aangehaald als Arbeidsomstandighedenwet.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Zij treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip, dat voor de
verschillende artikelen, onderdelen daarvan, of onderwerpen daaruit, verschillend
kan worden gesteld.</al>
          </lid>
        </art>
      </hfdst>
      <eindnoot id="e1">
        <al>De wijzigingen in artikel 2, derde tot en met achtste lid, zijn nog niet
in werking getreden. Tot die inwerkingtreding luiden deze artikelonderdelen:</al>
        <al>3. Bij gezamenlijk besluit van Onze Minister en Onze Ministers wie het
mede aangaat kan worden bepaald dat het bij of krachtens deze wet bepaalde
geheel of gedeeltelijk niet van toepassing is ten aanzien van arbeid verricht
in onderscheidenlijk op een luchtvaartuig, zeeschip of een binnenvaartuig
dan wel een voertuig op een openbare weg of een spoor- of tramweg.</al>
        <al>4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking
tot arbeid, verricht in de gestichten bedoeld in de Beginselenwet gevangeniswezen
(Stb. 1951, 596) en de rijksinrichtingen voor kinderbescherming, regelen worden
gesteld, welke afwijken van het bij of krachtens deze wet bepaalde of strekken
ter aanvulling daarvan. De voordracht tot een algemene maatregel van bestuur
als bedoeld in de eerste zin wordt Ons gedaan door Onze Minister en Onze Ministers
wie het mede aangaat te zamen.</al>
        <al>5. Het bij of krachtens deze wet bepaalde is niet van toepassing ten aanzien
van arbeid verricht in militaire dienst, behoudens voor zover bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur anders is bepaald. Ter verzekering van de veiligheid,
ter bescherming van de gezondheid en ter bevordering van het welzijn in verband
met de arbeid in militaire dienst kunnen bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur, met inachtneming van het belang van de landsverdediging, regelen
worden gesteld, welke afwijken van het bij of krachtens deze wet bepaalde
of strekken tot aanvulling daarvan. De voordracht tot een algemene maatregel
van bestuur als bedoeld in de eerste of tweede zin wordt Ons gedaan door Onze
Minister en Onze Minister van Defensie te zamen.</al>
        <al>6. Het bij of krachtens deze wet bepaalde is niet van toepassing ten aanzien
van arbeid:</al>
        <al>a. verricht in de ondergrondse werken van mijnen benevens in de bij een
mijn behorende bovengronds gelegen werken en inrichtingen, die zijn aangewezen
krachtens artikel 9, eerste lid, onder a, van de Mijnwet 1903 (Stb. 1904,
73);</al>
        <al>b. verricht door personen als bedoeld in artikel 26, eerste lid, onder
b, van de Mijnwet Continentaal Plat (Stb. 1965, 428);</al>
        <al>c. verricht in een arbeidsverhouding behorend tot een door Onze Minister
aangewezen categorie, voor zover dit bij de aanwijzing is bepaald.</al>
        <al>7. De werkgever en de werknemers zijn verplicht tot naleving van de voorschriften
en verboden welke bij of krachtens de in de voorlaatste zin van het eerste
lid, het tweede, vierde of vijfde lid, tweede zin, bedoelde algemene maatregelen
van bestuur zijn vastgesteld voor zover en op de wijze als bij ieder dezer
maatregelen is bepaald.</al>
      </eindnoot>
      <eindnoot id="v1">
        <al>Artikel 18, eerste lid, onderdeel f, en artikel 18, tweede lid, zijn in
werking getreden op 1 januari 1996 voor de werkgevers die zijn aangesloten
bij de bedrijfsverenigingen met de nummers 24, 03, 16, 23, 04, 08, 10, 11
en 21. Voor de overige werkgevers treden deze verplichtingen in werking op
1 januari 1998.</al>
      </eindnoot>
      <eindnoot id="e2">
        <al>Zie noot 1.</al>
      </eindnoot>
      <eindnoot id="m1">
        <al>Deze wijziging is nog niet in werking getreden. Tot die inwerkingtreding
luidt dit artikelonderdeel: het verrichten van onderzoekingen, beproevingen
of metingen, het uitreiken van bewijsstukken omtrent het resultaat daarvan
en het daarvoor aanwijzen of erkennen van diensten, instellingen, ondernemingen
of personen.</al>
      </eindnoot>
    </tekstpl>
  </backm>
</staatsbl>