﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<!DOCTYPE staatsbl PUBLIC "-//SDU//DTD staatsblad xml 1.1//NL" "../../dtd/staatsbl-11.dtd"[]>
<staatsbl id="sb995.88" soort="kb" publtype="kobe">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-1995-88/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel status="off">Staatsblad</titel>
    <subtitel>van het Koninkrijk der Nederlanden</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.4" conv="OPmaat" markup="c1xa"></versie>
    <ordernr>51U0025</ordernr>
    <stb>
      <jaargang jaar="1995">Jaargang 1995</jaargang>
      <stbjaar>1995</stbjaar>
      <stbnr>88 </stbnr>
    </stb>
    <intitule>
      <soort>Besluit</soort> van 24 januari 1995, houdende beslissing
op het bezwaarschrift tegen het koninklijk besluit van 18 augustus 1994 (koopprijsgrens
Huisvestingsverordening 1994, gemeente Apeldoorn)</intitule>
    <aanhef>
      <wie>Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.</wie>
      <consider>
        <al>Beschikken bij dit besluit ter zake van het bezwaarschrift van burgemeester
en wethouders van Apeldoorn van 27 september 1994, nr. SO.ROV.W en W/53199,
nader gemotiveerd bij schrijven van 9 november 1994, nr. SO.ROV.W en W/58093,
tegen het koninklijk besluit van 18 augustus 1994, nr. 94.006476<eindref refid="e1"></eindref>,
waarbij het besluit van gedeputeerde staten van Gelderland, van 6 juli 1994,
nr. RG94.24165, voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan het hanteren
van een zogenoemde koopprijsgrens van f 250 000,– voor het
stedelijk gebied in de Huisvestingsverordening 1994 van de gemeente Apeldoorn,
is vernietigd.</al>
        <al>Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer en de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken, mevrouw
A. G. M van de Vondervoort, van 16 januari 1995, DBD 12195014, Directoraat-Generaal
van de Volkshuisvesting, Bestuursdienst. </al>
        <tuskop letat="vet">Ontstaan van de bezwaren</tuskop>
        <al>Bij besluit van 6 juli 1994, nr. RG94.24165, hebben gedeputeerde staten
van Gelderland onder andere goedkeuring verleend aan het hanteren van een
zogenoemde koopprijsgrens van f 250 000,– voor het stedelijk
gebied in de Huisvestingsverordening 1994 van de gemeente Apeldoorn.</al>
        <al>Op grond van artikel 6, vierde lid, van de Huisvestingswet kunnen, onder
goedkeuring van gedeputeerde staten, in een huisvestingsverordening woonruimten
met een hogere dan de in het derde lid van voornoemd artikel vastgestelde
koopprijs worden aangewezen en daarmee onder het vergunningstelsel worden
gebracht, «voor zover zodanige aanwijzing in het belang van een evenwichtige
en rechtvaardige verdeling van woonruimte noodzakelijk is in verband met uit
bovengemeentelijk ruimtelijk beleid voortvloeiende geringe mogelijkheden tot
uitbreiding van de woonruimtevoorraad in de betrokken gemeente of in een of
meer kernen, behorende tot die gemeente». </al>
        <al>Bij het koninklijk besluit van 18 augustus 1994, nr. 94 006476, is
het desbetreffende deel in genoemd besluit van gedeputeerde staten van Gelderland
wegens strijd met het recht vernietigd. In dat koninklijk besluit is –
kort samengevat – het volgende overwogen.</al>
        <al>Gebleken is dat (het stedelijk gebied van) Apeldoorn een regionale opvangfunctie
vervult en in verband daarmee een relatief hoge groei van de woningvoorraad
kent. Om die reden is aan het desbetreffend criterium in de Huisvestingswet
niet voldaan in welk geval gedeputeerde staten van Gelderland in strijd daarmee
goedkeuring hebben verleend aan het hanteren van een koopprijsgrens van f 250 000,–
in de Huisvestingsverordening 1994 van de gemeente Apeldoorn.</al>
        <al>Tegen genoemd koninklijk besluit hebben burgemeester en wethouders van
Apeldoorn bij schrijven van 27 september 1994, nr. SO.ROV.W en W/53199, nader
gemotiveerd bij schrijven van 9 november 1994, nr SO.ROV.W en W/58093, een
bezwaarschrift ingediend op grond van artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht.</al>
        <al>Tegen genoemd koninklijk besluit is overigens ook door gedeputeerde staten
van Gelderland een bezwaarschrift ingediend. Gelet op het bepaalde in artikel
7:10 van de Algemene wet bestuursrecht is daarop reeds beslist en wel tot
ongegrondverklaring van de bezwaren, bij koninklijk besluit van 9 december
1994, nr. 94.006476.<eindref refid="e2"></eindref></al>
        <tuskop letat="vet">Ontvankelijkheid</tuskop>
        <al>Artikel 274a van de Provinciewet juncto artikel 7:1 van de Algemene wet
bestuursrecht geeft een belanghebbende de mogelijkheid tegen een koninklijk
besluit tot vernietiging een bezwaarschrift in te dienen. Burgemeester en
wethouders van Apeldoorn zijn in deze belanghebbende. Zij hebben tijdig bezwaar
gemaakt tegen het genoemde vernietigingsbesluit. Burgemeester en wethouders
van Apeldoorn zijn derhalve ontvankelijk in hun bezwaar. </al>
        <tuskop letat="vet">Beoordeling van de bezwaren</tuskop>
        <al>Burgemeester en wethouders van Apeldoorn hebben hun bezwaar doen steunen
op de volgende motiveringen: </al>
        <tuskop letat="cur">Motivering</tuskop>
        <al>– dat bij de beslissing tot vernietiging van het onderhavige besluit
van gedeputeerde staten van Gelderland geen rekening is gehouden met de ruimtelijke
beperkingen die de Veluwe kent;</al>
        <al>– dat immers, zoals vastgelegd in het streekplan 1987, voor de Veluwe
als geheel een restrictief bouwbeleid geldt, waarbij het binnenlandse migratiesaldo
taakstellend op nul is gesteld, hetgeen betekent dat slechts ruimte wordt
geboden voor woningzoekenden met een binding aan de Veluwe;</al>
        <al>– dat Apeldoorn als concentratiegemeente binnen de Veluwe weliswaar
extra woningbouwmogelijkheden heeft ten opzichte van de eigen behoefte, maar
deze aanvullende woningbouw uitsluitend bedoeld is om samen met Ede en Harderwijk
de vestigingsdruk van personen met een binding aan de Veluwe te reguleren;</al>
        <al>– dat geplaatst in de context als hiervoor is aangegeven Apeldoorn
wel degelijk te maken heeft met een beperking van uitbreiding van de woningvoorraad;</al>
        <al>– dat bij de beslissing tot vernietiging van het onderhavige bezwaarschrift ook geen rekening is gehouden met de vestigingsdruk
in de regio Oost-Veluwe;</al>
        <al>– dat uit het provinciaal woningbehoefte onderzoek (1990) is gebleken
dat het aantal woningzoekenden op de Veluwe als totaal de afgelopen 4 jaar
met ruim 20% is toegenomen;</al>
        <al>– dat geconstateerd moet worden dat de druk op de woningvoorraad
in het stedelijk gebied van Apeldoorn ook onverminderd groot is, resulterend
in een grote schaarste aan betaalbare/goedkope woningen in de huur- en koopsector;</al>
        <al>– dat uit een onlangs gehouden woningmarktonderzoek blijkt dat de
minder draagkrachtigen, i.c. de doelgroep van beleid, meer huishoudens (61%)
omvat dan er goedkope woningen zijn (49%);</al>
        <al>– dat er in 33% van de goedkope woningvoorraad sprake is van scheve
bewoning in welk geval de gemeente ook regulerende maatregelen in de middeldure
koopsector moet kunnen treffen voor de huisvesting van de doelgroep;</al>
        <al>– dat het aantal ingeschreven woningzoekenden voor een huurwoning
en een sociale koopwoning per 1-1-1994 9597, respectievelijk 2048 bedroeg,
waarvan 70% tot de doelgroep en 30% tot de midden inkomensgroepen behoort;</al>
        <al>– dat als gevolg van de spanning tussen vraag en aanbod van huurwoningen
er sprake is van lange wachttijden voor de woningzoekenden, terwijl de gemiddelde
inschrijvingsduur van starters en doorstromers een stijgende tendens vertoont,
hetgeen een goede indicatie is van de druk op de woningmarkt;</al>
        <al>– dat als gevolg van schaarste de gemiddelde verkoopprijs van koopwoningen
van f 245 000,– aanmerkelijk hoger ligt dan die in omliggende
steden;</al>
        <al>– dat bij de beslissing tot vernietiging van het onderhavige besluit
van gedeputeerde staten van Gelderland eveneens geen rekening is gehouden
met verdringingsverschijnselen op de woningmarkt ten koste van de doelgroep
van beleid;</al>
        <al>– dat immers het niet hanteren van een hogere koopprijsgrens een
ongewenste vergroting van de vestigingsdruk op het stedelijk gebied van Apeldoorn
betekent, doordat ongebonden vestigers dan woonruimte kunnen betrekken die
anders beschikbaar zou zijn voor het vrijmaken van schaarse goedkope woonruimte
ten behoeve van de doelgroep van beleid;</al>
        <al>– dat een situatie als hiervoor bedoeld niet alleen op gespannen
voet staat met het provinciaal ruimtelijk beleid maar ook een regionaal afgestemde
aanpak frustreert, zulks met alle gevolgen van dien voor de regio-gemeenten
die ten aanzien van hun woningzoekenden op de opvangmogelijkheid in Apeldoorn
zijn aangewezen;</al>
        <al>– dat ten onrechte ook geen rekening is gehouden met het belang
en de functie van de middeldure koopsector tot f 250 000,–
voor de plaatselijke en regionale doorstroming in het belang van een evenwichtige
en rechtvaardige verdeling van woonruimte met het oog op de doelgroep;</al>
        <al>– dat hierbij in aanmerking moet worden genomen dat Apeldoorn slechts
een regionale en geen landelijke opvangtaak vervult. </al>
        <tuskop letat="cur">Overweging</tuskop>
        <al>Naar aanleiding van het vorenstaande overwegen Wij het volgende.</al>
        <al>De Huisvestingswet gaat in beginsel uit van de eigen verantwoordelijkheid
van de burgers voor hun woonsituatie. Voorop staat derhalve de zelfredzaamheid
van de woningzoekenden en het vertrouwen in de werking van de woningmarkt.
Nochtans maakt de Huisvestingswet het mogelijk om in een gemeentelijke huisvestingsverordening
regelen te stellen inzake het in gebruik nemen van woonruimte voor bewoning. Blijkens de wetsgeschiedenis, de wettekst alsmede de circulaire van
de Staatssecretaris van VROM inzake inwerkingtreding Huisvestingswet en Huisvestingsbesluit
van 13 mei 1993 (MG 93–18) zijn evenwel voor overheidsbemoeienis met
de verdeling van woonruimte in de vorenbedoelde zin vanuit verschillende invalshoeken
grenzen in acht te nemen.</al>
        <al>In de eerste plaats geldt het uitgangspunt, dat ten grondslag ligt aan
de Huisvestingswet en het daarop gebaseerde Huisvestingsbesluit, dat het ingrijpen
van de overheid nooit zover mag gaan dat het in diverse internationale verdragen
erkende recht van de eigenaar om vrijelijk over zijn eigendom te beschikken
en het recht van de burger om zich vrij te vestigen wordt aangetast, zonder
dat de noodzaak daartoe is gebleken.</al>
        <al>In de tweede plaats geldt het in de considerans en diverse bepalingen
van de Huisvestingswet en het Huisvestingsbesluit neergelegde uitgangspunt
dat de bemoeienis van de overheid met de woonruimteverdeling nooit zover mag
gaan dat de vrije werking van de woningmarkt, anders dan met het oog op de
bevordering van een evenwichtige en rechtvaardige verdeling van schaarse woonruimte
nodig is, wordt aangetast. Hiermee is tot uitdrukking gebracht dat overheidsbemoeienis
met de woningmarkt niet een vanzelfsprekende zaak is, doch beperkt dient te
blijven tot gevallen waarin een zodanig tekort bestaat of dreigt te ontstaan
dat dit zonder overheidsingrijpen tot onaanvaardbare situaties zal leiden
voor de woningzoekenden. Overheidsbemoeienis veronderstelt dat er in elk geval
sprake is van een zodanige situatie op de markt van goedkopere woningen waardoor
de evenwichtige en rechtvaardige verdeling van woonruimte in het gedrang komt
en derhalve regulering van de schaarse goedkopere woningen geboden is. De
Huisvestingswet heeft hierbij in het bijzonder het oog op bepaalde groepen
van woningzoekenden met een verhoudingsgewijs zwakke financiële positie
op de woningmarkt, i.c. de doelgroep van beleid, wier huisvesting als gevolg
van schaarste zonder overheidsbemoeienis, in gevaar komt. Alleen schaarste
of dreigende schaarste aan woonruimte in de vorengenoemde zin kan een rechtvaardiging
vormen voor door de overheid te nemen maatregelen die een beperking opleggen
aan de vrije marktwerking en aan het recht van de burgers zich vrij te vestigen.</al>
        <al>In de derde plaats is de reikwijdte van de Huisvestingswet door middel
van maximale huur- en koopprijsgrenzen afgebakend. Deze grenzen geven aan
welk deel van de voorraad aan woningen met behulp van het instrumentarium
van de Huisvestingswet voor een belangrijk deel voor de doelgroep van beleid
kan worden afgeschermd. Deze grenzen zijn afgestemd op de voor de doelgroep
van beleid betaalbare woningvoorraad.</al>
        <al>In het tweede lid van artikel 6 van de Huisvestingswet is bepaald dat
huur- en koopwoningen in beginsel alleen onder het vergunningstelsel van de
wet gebracht kunnen worden, indien de huur- dan wel koopprijs daarvan onder
de wettelijk vastgestelde huurprijsgrens respectievelijk de koopprijsgrens
ligt. Deze grenzen zijn, na aanvaarding van een daartoe strekkend amendement
tijdens de mondelinge behandeling van het voorstel voor de Huisvestingswet
in de Tweede Kamer, in het derde lid van artikel 6 van de Huisvestingswet
voor wat betreft de koopprijsgrens gelijkgesteld aan de in de betrokken gemeente
geldende maximale koopsom van een woonruimte, voor het in eigendom verkrijgen
waarvan aan de eigenaar-bewoner krachtens wettelijk voorschrift, i.c. het
Besluit woninggebonden subsidies, een van diens inkomen afhankelijke rijksbijdrage
kan worden verstrekt. Op grond daarvan gold in 1994 een koopprijsgrens van
f 146 000,– voor de provincie Gelderland. </al>
        <al>De wetgever heeft met het systeem van de maximale prijsgrenzen duidelijk
tot uitdrukking gebracht dat de voorraad van duurdere (koop)woningen, waar
de huishoudens met hogere inkomens op zijn aangewezen, in beginsel buiten
de regulering door de gemeentelijke overheid dient te worden gehouden en wat
de verdeling van deze koopwoningen betreft te vertrouwen op de werking van
de markt. Verdergaande inperking van de vrije marktwerking, het gebruik van
eigendom en de vrijheid van vestiging via hantering van hogere prijsgrenzen
past derhalve in beginsel niet in de opzet van de Huisvestingswet en het Huisvestingsbesluit.</al>
        <al>Krachtens het vierde lid van artikel 6 van de Huisvestingswet is, bij
wijze van uitzondering, aanwijzing als distributiewoonruimte van onder andere
koopwoningen met een koopprijs boven de in artikel 6, derde lid, van de Huisvestingswet
gestelde koopprijsgrens, onder goedkeuring van gedeputeerde staten, mogelijk,
echter uitsluitend voor de gemeenten die in de in dat artikellid nauw omschreven
uitzonderlijke situatie verkeren. Blijkens artikel 6, vierde lid, van de Huisvestingswet,
kunnen gedeputeerde staten aan de aanwijzing door gemeenten van duurdere koopwoningen
als distributiewoonruimte namelijk alleen goedkeuring verlenen, indien zodanige
aanwijzing «in het belang van een evenwichtige en rechtvaardige verdeling
van woonruimte noodzakelijk is in verband met uit bovengemeentelijk ruimtelijk
beleid voortvloeiende geringe mogelijkheden tot uitbreiding van de woonruimtevoorraad
in de betrokken gemeente of in één of meer kernen, behorend
tot die gemeente». Voor het aanwijzen van woonruimte boven de koopprijsgrens
ingevolge genoemd artikellid dient derhalve in de eerste plaats vast te staan
dat er geringe mogelijkheden tot uitbreiding van de woonruimtevoorraad in
de betrokken gemeente zijn, die voortvloeien uit het bovengemeentelijk ruimtelijk
beleid (eerste criteriumonderdeel). Indien dit het geval is, moet vervolgens
de vraag worden beantwoord of het belang van een evenwichtige en rechtvaardige
verdeling van woonruimte een hogere koopprijsgrens noodzakelijk maakt (tweede
criteriumonderdeel).</al>
        <al>Het eerste criteriumonderdeel (geringe mogelijkheden tot uitbreiding van
de woningvoorraad voortvloeiend uit het bovengemeentelijk ruimtelijk beleid)
bevat de basisvoorwaarde in verband met de verhoging van de (koop)prijsgrens.
Blijkens deze voorwaarde heeft de wetgever alleen een mogelijkheid tot verhoging
van onder andere de koopprijsgrens willen geven indien er voor een gemeente,
op grond van bovengemeentelijk ruimtelijk beleid (blijkend uit het streekplan)
geringe mogelijkheden zijn tot uitbreiding van de reeds bestaande woningvoorraad.
Het is niet de bedoeling van de wetgever geweest dat er voor de invulling
van dit begrip een relatie wordt gelegd met de plaatselijke, regionale dan
wel landelijke behoefte aan woningen en met de omvang en de aard van de schaarste
in de betreffende gemeente. Met het woord «geringe» heeft de wetgever
een maat gegeven. De desbetreffende gemeente moet, wil haar aanwijzing van
ook duurdere woonruimte door gedeputeerde staten goedgekeurd kunnen worden,
in absolute zin, dus losstaand van de omvang en oorzaak van de vraag naar
woonruimte, bijna geen nieuwbouw mogen plegen. De enige relatie die voor de
invulling van de maat van de uitbreidingsmogelijkheid, welke is uitgedrukt
door het woord «geringe», mag worden gelegd, is die met de reeds
bestaande voorraad.</al>
        <al>Het tweede criteriumonderdeel (noodzakelijk in het belang van een evenwichtige
en rechtvaardige verdeling van woonruimte) bevat de voorwaarde waaraan dient
te zijn voldaan om überhaupt een vergunningstelsel in het leven te mogen
roepen. Deze voorwaarde impliceert dat er sprake moet zijn van schaarste.
Hierbij moet gedacht worden aan situaties waarin door een tekort aan in het
bijzonder goedkope woonruimte bepaalde groepen van woningzoekenden,
die om geldelijke of maatschappelijke redenen een verhoudingsgewijs zwakke
positie op de woningmarkt innemen, i.c. de doelgroep van het volkshuisvestingsbeleid,
niet meer of moeilijk zelf in adequate huisvesting kunnen voorzien. In tegenstelling
tot het eerste criteriumonderdeel kan hier wel een verband worden gelegd met
de omvang van de woningproduktie afgezet tegen de vestigingsdruk, i.c. in
de regio Oost-Veluwe in het algemeen en in Apeldoorn in het bijzonder, de
scheve bewoning in de bestaande woningvoorraad, de aard en omvang van de woningvoorraad
alsmede de aard (b.v. de primaire doelgroep) en de omvang van de (aantallen
ingeschreven) woningzoekenden en met de wenselijkheid van het vergunningstelsel
vanuit gemeentelijk of regionaal huisvestingsbeleid gezien; bijvoorbeeld omdat
de primaire doelgroep alleen adequaat kan worden gehuisvest indien ook de
doorstroming van de huur- naar de koopsector zoveel mogelijk kan worden gereguleerd.</al>
        <al>Gezien de wetsgeschiedenis heeft de wetgever deze uitzondering op de algemene
regel van artikel 6, derde lid, van de Huisvestingswet, voor de bepaling van
het distributiebestand uitsluitend gemaakt voor de gemeenten die op grond
van het bovengemeentelijk ruimtelijk beleid waaraan zij zijn onderworpen zodanig
stringent en knellend in de groei van de woonruimtevoorraad zijn beperkt dat
zij feitelijk op de bestaande woonruimtevoorraad zijn en blijven aangewezen.
Zoals uit de wetsgeschiedenis blijkt heeft de wetgever hiermee beoogd de onder
de vorengenoemde omstandigheden verkerende gemeenten een instrument ter beschikking
te stellen ter bescherming van de aan die gemeenten economisch en sociaal
gebondenen, tegen verdringing op de bestaande woningvoorraad door andere vestigers
van elders. Met uitsluiting van de andere gemeenten dienen deze gemeenten
de mogelijkheid te hebben om de toch al schaars vrijkomende woningen in de
bestaande voorraad bij voorrang aan de plaatsgebonden woningzoekenden toe
te wijzen.</al>
        <al>In dit verband wordt er verder met nadruk op gewezen dat in genoemd artikellid
alleen over gemeenten en kernen van gemeenten wordt gesproken, zodat het derhalve
nimmer kan gaan om een regio waarbinnen, in het belang van de regionale afstemming
van maatregelen, uniform hogere (koop)prijsgrenzen zouden moeten worden gehanteerd,
tenzij de regio uitsluitend zou bestaan uit gemeenten waarop het artikellid
van toepassing is. Gedeputeerde staten zullen bij verzoeken van regio's tot
verhoging van (koop)prijsgrenzen steeds moeten beoordelen op de vraag of er
in de bij een zodanig verzoek betrokken gemeenten, elk afzonderlijk, sprake
is van geringe uitbreidingsmogelijkheden van de woningvoorraad als bedoeld
in artikel 6, vierde lid, van de Huisvestingswet, zoals dat hiervoor nader
is uiteengezet.</al>
        <al>Vanuit de ruimtelijke ordening wordt aangegeven in welke gebieden een
uitbreiding van de woningvoorraad mogelijk is en voor welke gebieden op dat
punt restricties gelden. Voor wat betreft de volkshuisvesting wordt in streekplannen
aangegeven of een gemeente wel of geen geringe mogelijkheden heeft tot uitbreiding
van de woningvoorraad. Voor het antwoord op de vraag of er in een gemeente
sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 6, vierde lid, van de Huisvestingswet
geldt het streekplan als belangrijkste toetsingskader.</al>
        <al>Het bovengemeentelijk ruimtelijk beleid ten aanzien van de Veluwe, vastgelegd
in het streekplan Veluwe 1987, kan als volgt worden samengevat.</al>
        <al>Voor de Veluwe als geheel gelden beperkende voorwaarden om uitbreiding
van de woningvoorraad te realiseren, onder andere tot uitdrukking
komend in een taakstellend binnenlands migratiesaldo van nul. Binnen de Veluwe
is Apeldoorn als concentratiegemeente aangewezen. In deze hoedanigheid heeft
Apeldoorn extra woningbouwmogelijkheden ten opzichte van de eigen behoefte
met dien verstande dat hun aanvullende woningbouw slechts er op gericht mag
zijn de vestigingsdruk van aan de Veluwe gebonden woningzoekenden te reguleren.
Het gaat hierbij echter nadrukkelijk om een regionale opvangtaak en geen landelijke
opvangtaak.</al>
        <al>Wij constateren dat niet is aangetoond dat er ten gevolge van bovengemeentelijk
ruimtelijk beleid zodanige beperkende voorwaarden zijn verbonden aan de mogelijkheden
voor Apeldoorn voor uitbreiding van de woningvoorraad dat gesproken kan worden
van geringe uitbreidingsmogelijkheden van de woningvoorraad als bedoeld in
artikel 6, vierde lid, van de Huisvestingswet. Integendeel. Gegeven het feit
dat Apeldoorn een regionale opvangfunctie vervult kent deze gemeente daarom
reeds een relatief hoge groei van de woningvoorraad. De door burgemeester
en wethouders van Apeldoorn overigens aangevoerde argumenten waarmee het belang
van een hogere koopprijsgrens, i.c. van f 250 000,–, in Apeldoorn
wordt onderstreept, missen, zoals hiervoor is aangegeven, ook een basis in
de Huisvestingswet. Slechts is betoogd dat er in Apeldoorn voldaan wordt aan
de (ook voor het mogen invoeren van een «normaal» vergunningstelsel
gestelde) voorwaarde dat er sprake moet zijn van schaarste als gevolg van
spanning tussen vraag en aanbod van woningen en dat een gemeentelijke bemoeienis
met het oog op de bevordering van een evenwichtige en rechtvaardige verdeling
van de schaarse woonruimte nodig is. Wij merken in dit verband op dat, zoals
ook uit de wetsgeschiedenis blijkt, de wetgever met artikel 6, vierde lid,
van de Huisvestingswet uitdrukkelijk niet heeft beoogd de gemeenten een instrument
ter beschikking te stellen ter algemene regulering van de instroom van woningzoekenden
en ter bevordering van de doorstroming. Op basis van de door burgemeester
en wethouders van Apeldoorn in hun bezwaarschrift aangevoerde argumenten kan
derhalve geen goedkeuring worden verleend voor het hanteren van een hogere
koopprijsgrens dan uit artikel 6, derde lid, van de Huisvestingswet volgt. </al>
        <tuskop letat="vet">Hoorplicht</tuskop>
        <al>Gelet op artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb),
dient het bestuursorgaan de belanghebbende te horen voordat op het bezwaarschrift
wordt beslist. Zowel de indiener van het bezwaarschrift als eventuele andere
belanghebbenden dienen in de gelegenheid te worden gesteld hun standpunt (nader)
toe te lichten.</al>
        <al>Ter voldoening aan het bepaalde in eerdergenoemd artikel 7:2 van de Awb
is belanghebbende gehoord op donderdag 15 december 1994, conform artikel 7:5,
eerste lid, onder b, van de Awb. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt,
waarbij belanghebbende in de gelegenheid is gesteld zonodig wijzigingen aan
te geven alvorens het verslag definitief werd vastgesteld. Belanghebbende
heeft het definitieve verslag toegezonden gekregen.</al>
        <al>Het horen van belanghebbende heeft geen nieuwe feiten, argumenten en andere
gezichtspunten opgeleverd, dan die welke in het bezwaarschrift reeds naar
voren zijn gebracht. </al>
        <tuskop letat="vet">Conclusie</tuskop>
        <al>Alles overziende zijn Wij van oordeel dat de gemeente Apeldoorn niet voldoet
aan het criterium vervat in artikel 6, vierde lid, van de Huisvestingswet.
Wij blijven derhalve van oordeel dat gedeputeerde staten van Gelderland geen
goedkeuring konden hechten aan het met toepassing van dit artikellid in de
Huisvestingsverordening 1994 van deze gemeente vaststellen van een hogere
koopprijsgrens dan voortvloeit uit artikel 6, tweede en derde lid, van de
Huisvestingswet. </al>
        <tuskop letat="vet">Beslissing</tuskop>
        <al>Gelet op <grslag>artikel 274a van de Provinciewet en de Algemene wet bestuursrecht</grslag>,</al>
      </consider>
      <afkondig>Hebben Wij goedgevonden en verstaan:</afkondig>
    </aanhef>
  </frontm>
  <body>
    <besluit>
      <al>de bezwaren ongegrond te verklaren.</al>
    </besluit>
  </body>
  <backm>
    <nawerk>
      <slotform>Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad zal worden
geplaatst.</slotform>
      <eindnoot id="e1">
        <al>Stb. 1994, 665.</al>
      </eindnoot>
      <eindnoot id="e2">
        <al>Stb. 1995, 18.</al>
      </eindnoot>
      <ondertek>
        <ondplts>'s-Gravenhage, </ondplts>
        <onddatum>24 januari 1995</onddatum>
        <koning>Beatrix </koning>
        <minister>
          <minvan>De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer,</minvan>
          <naam>D. K. J. Tommel </naam>
        </minister>
        <minister>
          <minvan>De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken,</minvan>
          <naam>A. G. M. van de Vondervoort</naam>
        </minister>
      </ondertek>
      <uitgifte>
        <uitgifte-regel>Uitgegeven de <nadruk type="cur">drieëntwintigste</nadruk> februari 1995</uitgifte-regel>
        <uitdag>drieëntwintigste</uitdag>
        <uitmaand>februari</uitmaand>
        <uitjaar>1995</uitjaar>
        <door>
          <minvan>De Minister van Justitie,</minvan>
          <naam>W. Sorgdrager</naam>
        </door>
      </uitgifte>
    </nawerk>
  </backm>
</staatsbl>