﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<!DOCTYPE staatsbl PUBLIC "-//SDU//DTD staatsblad xml 1.1//NL" "../../dtd/staatsbl-11.dtd"[]>
<staatsbl id="sb995.84" soort="kb" publtype="kobe">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-1995-84/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel status="off">Staatsblad</titel>
    <subtitel>van het Koninkrijk der Nederlanden</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.4" conv="OPmaat" markup="c1xa"></versie>
    <ordernr>51U0038</ordernr>
    <stb>
      <jaargang jaar="1995">Jaargang 1995</jaargang>
      <stbjaar>1995</stbjaar>
      <stbnr>84</stbnr>
    </stb>
    <intitule>
      <soort>Besluit</soort>van 3 februari 1995, houdende regels met
betrekking tot bijdragen voor milieugerichte technologie (Bijdragenbesluit
milieugerichte technologie)</intitule>
    <aanhef>
      <wie>Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.</wie>
      <consider>
        <al>Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening
en Milieubeheer van 25 april 1994, nr. MJZ25494008, Centrale Directie Juridische
Zaken, afdeling Wetgeving;</al>
        <al>Gelet op <grslag>artikel 15.12, eerste lid, van de Wet milieubeheer</grslag>;</al>
        <al>De Raad van State gehoord (advies van 9 november 1994, nr. W08.94.0258);</al>
        <al>Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer van 30 januari 1995, nr. MJZ 30195031, Centrale Directie
Juridische Zaken, afdeling Wetgeving;</al>
      </consider>
      <afkondig>Hebben goedgevonden en verstaan:</afkondig>
    </aanhef>
  </frontm>
  <body>
    <hfdst>
      <kop>
        <nr>HOOFDSTUK 1.</nr>
        <titel status="off">ALGEMENE BEPALINGEN</titel>
      </kop>
      <par>
        <kop>
          <titel status="off">Definities</titel>
        </kop>
        <art id="a1">
          <kop>
            <nr>Artikel 1</nr>
          </kop>
          <al>In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:</al>
          <al>a. aanvrager: natuurlijke persoon of rechtspersoon, niet behorende tot
de rijksoverheid, die een bijdrage op grond van dit besluit aanvraagt of heeft
aangevraagd;</al>
          <al>b. programmabeheerder: Onze Minister dan wel, voor zover een orgaan of
rechtspersoon krachtens artikel 2, zevende lid, met de uitvoering van dit
besluit is belast, dat orgaan of die rechtspersoon;</al>
          <al>c. groep: economische eenheid, waarin organisatorisch zijn verbonden:</al>
          <al>1°. een natuurlijke persoon of privaatrechtelijke rechtspersoon die
direct of indirect:</al>
          <al>– meer dan de helft van het geplaatste kapitaal verschaft aan,</al>
          <al>– volledig aansprakelijk vennoot is van, of</al>
          <al>– overwegende zeggenschap heeft over een of meer rechtspersonen
of vennootschappen en</al>
          <al>2°. laatstbedoelde rechtspersonen of vennootschappen;</al>
          <al>d. project: een haalbaarheidsproject, een onderzoeks- of ontwikkelingsproject, een praktijkexperiment, een kennisoverdrachtproject, een demonstratieproject,
een marktintroduktieproject of een toepassingsproject;</al>
          <al>e. haalbaarheidsproject: samenhangend geheel van activiteiten, bestaande
uit een analyse en een beoordeling van de mogelijkheden om een produkt, apparaat,
systeem of techniek te ontwikkelen of in de praktijk toe te passen;</al>
          <al>f. onderzoeks- of ontwikkelingsproject: samenhangend geheel van activiteiten,
gericht op:</al>
          <al>1°. het vermeerderen van technisch of wetenschappelijk inzicht ten
aanzien van een produkt, apparaat, systeem of techniek,</al>
          <al>2°. het geschikt maken van een produkt, apparaat, systeem of techniek
voor toepassing in de praktijk, niet zijnde een praktijkexperiment, of</al>
          <al>3°. het verbeteren van het ontwerp van een produkt, apparaat, systeem
of techniek;</al>
          <al>g. praktijkexperiment: samenhangend geheel van activiteiten, bestaande
uit het treffen van technische of beheersmatige voorzieningen, voor zover
geheel of nagenoeg geheel bestemd voor het vergroten van inzicht in de geschiktheid
voor toepassing in de praktijk van een produkt, apparaat, systeem of techniek,
alsmede de daarmee samenhangende activiteiten, geheel of nagenoeg geheel gericht
op het verbeteren van die geschiktheid;</al>
          <al>h. kennisoverdrachtproject: samenhangend geheel van activiteiten, gericht
op het overdragen van kennis en informatie over de toepassing van milieutechnologie
aan een bepaalde doelgroep;</al>
          <al>i. demonstratieproject: samenhangend geheel van activiteiten die een technisch
en economisch risico inhouden, bestaande uit het treffen van technische of
beheersmatige voorzieningen, met behulp van:</al>
          <al>1°. voor Nederland nieuwe produkten, apparaten, systemen of technieken,
of</al>
          <al>2°. een voor Nederland nieuwe toepassing van produkten, apparaten,
systemen of technieken, alsmede de daarmee samenhangende activiteiten bestemd
voor het demonstreren van voorzieningen en de daarmee behaalde resultaten,
met inbegrip van het verstrekken van gegevens aan de programmabeheerder ten
behoeve van de verspreiding van kennis omtrent de aard en resultaten van de
voorzieningen;</al>
          <al>j. marktintroduktieproject: samenhangend geheel van activiteiten, bestaande
uit het in Nederland treffen van technische of beheersmatige voorzieningen,
met behulp van produkten, apparaten, systemen of technieken die:</al>
          <al>1°. reeds eerder zijn gedemonstreerd maar die in Nederland nog niet
gebruikelijk zijn, en</al>
          <al>2°. die een verdergaande bescherming van het milieu bieden dan zou
worden bereikt wanneer uitsluitend zou worden voldaan aan de terzake geldende
wettelijke voorschriften;</al>
          <al>k. toepassingsproject: het ten behoeve van het toepassen in de praktijk
investeren in een reeds tot ontwikkeling gebracht produkt, apparaat, systeem
of techniek, waarvan stimulering van de toepassing op grote schaal wegens
de milieuverdienste gewenst is;</al>
          <al>l. programma:</al>
          <al>1°. door Onze Minister vast te stellen samenhangend geheel van doelstellingen
en soorten projecten, ten behoeve van een bepaalde nader omschreven milieuverdienste,
in het kader waarvan krachtens dit besluit een bijdrage kan worden verstrekt,
of</al>
          <al>2°. door Onze Minister aan te wijzen categorie van objecten ten aanzien
waarvan in de kosten van aanschaf en ingebruikneming krachtens dit besluit
een bijdrage kan worden verstrekt;</al>
          <al>m. milieuverdienste: belang van een project voor de vermindering van de
milieubelasting;</al>
          <al>n. ondernemer:</al>
          <al>1°. een natuurlijk persoon voor wiens rekening een onderneming in
de zin van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 wordt gedreven of</al>
          <al>2°. een belastingplichtige in de zin van de Wet op de vennootschapsbelasting
1969.</al>
        </art>
      </par>
      <par>
        <kop>
          <titel status="off">Bekendmakingen in de Staatscourant</titel>
        </kop>
        <art id="a2">
          <kop>
            <nr>Artikel 2</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Onze Minister maakt ieder kalenderjaar in de Staatscourant bekend:</al>
            <al>a. het totale bedrag dat in dat jaar beschikbaar is voor bijdragen op
grond van dit besluit;</al>
            <al>b. een uitsplitsing van het totale bedrag in bedragen die in dat jaar
beschikbaar zijn voor verlening van bijdragen op grond van dit besluit, per
programma of onderdeel daarvan;</al>
            <al>c. programma's, of de zakelijke inhoud daarvan, in het kader waarvan met
toepassing van dit besluit een bijdrage kan worden verleend.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Bij de bekendmaking, bedoeld in het eerste lid, onder c, worden in elk
geval de volgende gegevens vermeld:</al>
            <al>a. een aanduiding van het programma;</al>
            <al>b. een omschrijving van het doel van het programma en van de doelgroep;</al>
            <al>c. de plaats waar de tekst van het programma kan worden opgevraagd, indien
uitsluitend de zakelijke inhoud van het programma wordt bekendgemaakt;</al>
            <al>d. een omschrijving van de activiteit;</al>
            <al>e. de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een bijdrage;</al>
            <al>f. de beoordelingsaspecten;</al>
            <al>g. de aanvraagprocedure en de termijn waarbinnen de aanvragen moeten worden
ingediend;.</al>
            <al>h. de kosten die in aanmerking worden genomen bij het bepalen van de bijdrage;</al>
            <al>i. het maximale bedrag van de bijdrage of de wijze waarop dit bedrag wordt
bepaald.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>Onze Minister kan gedurende een kalenderjaar in de Staatscourant bekendmaken
dat voor dat jaar een aanvullend bedrag ter beschikking wordt gesteld voor
bijdragen op grond van dit besluit. Het eerste lid, onder b, is van overeenkomstige
toepassing.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>4.</nr>
            <al>Onze Minister kan jaarlijks vóór 1 november, mits blijvend
binnen het totale bedrag, bedoeld in het eerste lid, onder a, in de Staatscourant
bekendmaken dat de in dat lid, onder b, bedoelde, dan wel de overeenkomstig
het derde lid aangevulde, respectievelijk de overeenkomstig het zesde lid
verlaagde bedragen worden gewijzigd in verband met uitputting of onderbesteding
van één of meer van die bedragen. Deze bekendmaking heeft geen
gevolgen voor aanvragen die op het tijdstip van de bekendmaking waren ingediend.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>5.</nr>
            <al>Indien het bedrag dat voor enig kalenderjaar voor een programma beschikbaar
is gesteld in dat jaar is uitgeput, maakt Onze Minister onverwijld in de Staatscourant
bekend dat voor het desbetreffende kalenderjaar geen aanvragen meer op grond
van dat programma kunnen worden ingediend.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>6.</nr>
            <al>Onze Minister kan in bijzondere gevallen gedurende een kalenderjaar in
de Staatscourant bekendmaken dat het voor dat jaar beschikbaar gestelde bedrag
wordt verlaagd. Het eerste lid, onder b, is van overeenkomstige toepassing.
Deze bekendmaking heeft geen gevolgen voor aanvragen die op het tijdstip van
de bekendmaking waren ingediend.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>7.</nr>
            <al>Onze Minister kan de uitvoering van dit besluit geheel of gedeeltelijk
opdragen aan een door hem aan te wijzen orgaan of rechtspersoon. In dat geval
geeft Onze Minister aan of dat orgaan of die rechtspersoon als programmabeheerder
dit besluit namens Onze Minister uitvoert. Onze Minister maakt
de aanwijzing bekend in de Staatscourant. De aanwijzing, bedoeld in de eerste
volzin, kan geen betrekking hebben op de vaststelling van programma's, als
bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder l, op de bekendmakingen, bedoeld in
dit artikel of op het stellen van nadere regels, zoals bedoeld in artikel
7, tweede lid, en artikel 13, tweede lid.</al>
          </lid>
        </art>
      </par>
      <par>
        <kop>
          <titel status="off">Bijdragen voor projecten</titel>
        </kop>
        <art id="a3">
          <kop>
            <nr>Artikel 3</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Op een overeenkomstig dit besluit ingediende aanvraag kan een bijdrage
worden verstrekt, indien de aanvrager in hoofdzaak in Nederland een project
uitvoert dat past binnen een programma en dat, mede gelet op de in het tweede
lid genoemde aspecten, voor zover deze van toepassing zijn, naar het oordeel
van de programmabeheerder bijdraagt aan de realisering van de doelstellingen
van het programma.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>De aspecten, bedoeld in het eerste lid, zijn tenminste:</al>
            <al>a. de milieuverdienste van het project;</al>
            <al>b. de kosten van het project;</al>
            <al>c. de oorspronkelijkheid van het project;</al>
            <al>d. de slaagkans van het project;</al>
            <al>e. de hoeveelheid relevante informatie die met het project aan de bestaande
kennis wordt toegevoegd;</al>
            <al>f. de doelmatigheid waarmee door middel van het project kennis kan worden
verspreid;</al>
            <al>g. de toepassingsmogelijkheden van produkten, apparaten, systemen of technieken
waarop het project betrekking heeft en de markt daarvoor;</al>
            <al>h. het belang van het project voor andere gepubliceerde doelstellingen
van overheidsbeleid.</al>
          </lid>
        </art>
      </par>
      <par>
        <kop>
          <titel status="off">Hoogte van de bijdrage</titel>
        </kop>
        <art id="a4">
          <kop>
            <nr>Artikel 4</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>De hoogte van de te verlenen bijdrage wordt bepaald met inachtneming van:</al>
            <al>a. de mate waarin de aanvrager een eigen belang heeft bij de resultaten
van het project en</al>
            <al>b. de mate waarin het project bijdraagt aan de doelstellingen van het
programma.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>De bijdrage bedraagt ten hoogste:</al>
            <al>a. in geval van een haalbaarheidsproject: 90% van de projectkosten, maar
niet meer dan f 200 000,–;</al>
            <al>b. in geval van een onderzoeks-of ontwikkelingsproject: 50% van de projectkosten,
maar niet meer dan f 1 000 000,–, met dien verstande
dat indien:</al>
            <al>1°. de aanvrager een kleine of middelgrote onderneming is in de zin
van de Communautaire kaderregeling inzake overheidssteun voor het midden-
en kleinbedrijf van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 20 mei
1992 (PbEG C 213), of</al>
            <al>2°. de aanvrager geen ondernemer is,</al>
            <al>een bijdrage kan worden verstrekt tot ten hoogste 60% van de projectkosten,
maar niet meer dan f 1 000 000,–;</al>
            <al>c. in geval van een praktijkexperiment: 50% van de projectkosten, maar
niet meer dan f 2 000 000,–, met dien verstande dat indien:</al>
            <al>1°. de aanvrager een kleine of middelgrote onderneming is in de zin
van de Communautaire kaderregeling inzake overheidssteun voor het midden-
en kleinbedrijf van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 20 mei
1992 (PbEG C 213), of</al>
            <al>2°. de aanvrager geen ondernemer is,</al>
            <al>een bijdrage kan worden verstrekt tot ten hoogste 60% van de projectkosten,
maar niet meer dan f 2 000 000,–;</al>
            <al>d. in geval van een kennisoverdrachtproject: 90% van de projectkosten
maar niet meer dan f 200 000,–;</al>
            <al>e. in geval van een demonstratieproject: 35% van de projectkosten voor
zover deze niet meer bedragen dan f 1 000 000,– en 25%
van de projectkosten voor zover deze meer bedragen dan f 1 000 000,–,
met dien verstande dat de totale bijdrage niet meer bedraagt dan f 5 000 000,–;</al>
            <al>f. in geval van een marktintroduktieproject: 25% van de projectkosten
maar niet meer dan f 5 000 000,–;</al>
            <al>g. in geval van een toepassingsproject: 15% van de projectkosten maar
niet meer dan f 500 000,–.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>In een programma kunnen lagere maximum percentages en lagere maximum bedragen
per projectsoort worden vastgesteld.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>4.</nr>
            <al>Indien terzake van de projectkosten onderscheidenlijk een deel daarvan
reeds uit anderen hoofde vanwege het Rijk of de Commissie van de Europese
Gemeenschappen een bijdrage is verleend dan wel anderszins een financiële
tegemoetkoming is gegeven, wordt slechts een zodanige bijdrage verleend dat
het totale bedrag aan bijdragen niet meer bedraagt dan de ingevolge het tweede
of derde lid maximaal geldende percentages voor de desbetreffende projectsoort.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>5.</nr>
            <al>In een programma kan worden bepaald dat een project niet voor een bijdrage
in het kader van dat programma in aanmerking komt indien voor dat project
een bijdrage is verleend in het kader van dit besluit of van een andere met
name te noemen regeling van rijkswege.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>6.</nr>
            <al>In een programma kan worden bepaald dat een project niet voor een bijdrage
in het kader van dat programma in aanmerking komt indien de projectkosten
blijven beneden een bepaald, daarbij aangegeven, bedrag.</al>
          </lid>
        </art>
      </par>
      <par>
        <kop>
          <titel status="off">Projectkosten</titel>
        </kop>
        <art id="a5">
          <kop>
            <nr>Artikel 5</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Als projectkosten worden uitsluitend in aanmerking genomen:</al>
            <al>a. de volgende noodzakelijke, rechtstreeks aan het project toe te rekenen
en door de aanvrager gemaakte en betaalde kosten:</al>
            <al>1°. kosten van de aanschaf, uitsluitend ten behoeve van het project,
van machines en apparatuur;</al>
            <al>2°. loonkosten van het bij de uitvoering van het project direct betrokken
personeel, berekend op basis van het brutoloon volgens de kolommen 3, 4 en
13 van de loonstaat van de betrokken medewerkers, exclusief volledig winstafhankelijke
uitkeringen, verhoogd met de wettelijke dan wel op grond van een collectieve
arbeidsovereenkomst verschuldigde opslagen voor sociale lasten, met dien verstande
dat wordt uitgegaan van een uurloon berekend op basis van het jaarloon bij
een volledige betrekking, gedeeld door 1600;</al>
            <al>3°. kosten van verbruikte materialen en hulpmiddelen, gebaseerd op
historische aanschafprijzen, exclusief winstopslagen bij transacties binnen
een groep;</al>
            <al>4°. een evenredig deel van de kosten van afschrijving van machines
en apparatuur die niet uitsluitend ten behoeve van het project zijn aangeschaft,
berekend op basis van de historische aanschafwaarde, exclusief winstopslagen
bij transacties binnen een groep, een lineaire afschrijvingsmethode en een
levensduur van 5 jaar;</al>
            <al>5°. aan derden verschuldigde kosten ter zake van door hen verleende
diensten en ter zake van de verwerving van kennis en intellectuele eigendomsrechten
alsmede ter zake van de bescherming van die rechten, exclusief winstopslagen
bij transacties binnen een groep;</al>
            <al>6°. reis- en verblijfkosten alsmede kosten van deelneming aan wetenschappelijke
symposia, tot ten hoogste 10% van de projectkosten;</al>
            <al>b. een opslag voor algemene kosten, groot 40% van de loonkosten, bedoeld
in onderdeel a, onder 2°.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Tenzij het programma anders bepaalt worden projectkosten die zijn gemaakt
voor de indiening van de aanvraag niet in aanmerking genomen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>In een programma kunnen bepaalde van de in het eerste lid bedoelde kostencategorieën
worden uitgesloten.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>4.</nr>
            <al>Indien het programma dit bepaalt kan de berekening van het uurloon, bedoeld
in het eerste lid, onderdeel a, onder 2°, en de vaststelling van het opslagpercentage
voor algemene kosten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, met inbegrip
van indirecte loonkosten en kosten van toezichthoudend personeel, in afwijking
van het eerste lid geschieden overeenkomstig een voor de gehele organisatie
van de aanvrager geldende en controleerbare methodiek.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>5.</nr>
            <al>Kosten worden in aanmerking genomen met inbegrip van omzetbelasting, indien
de aanvrager de omzetbelasting niet kan verrekenen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>6.</nr>
            <al>Ingeval van een demonstratieproject, een marktintroductieproject of een
toepassingsproject worden uitsluitend kosten van die machines, apparatuur,
materialen en hulpmiddelen in aanmerking genomen welke rechtstreeks van belang
zijn voor de bescherming van het milieu.</al>
          </lid>
        </art>
      </par>
      <par>
        <kop>
          <titel status="off">Bijdragen ten behoeve van bepaalde objecten</titel>
        </kop>
        <art id="a6">
          <kop>
            <nr>Artikel 6</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>In een programma kan worden bepaald dat een bijdrage kan worden verstrekt
voor de betaalde kosten van aanschaf en ingebruikneming van bepaalde, in dat
programma aangewezen objecten, indien deze objecten in hoofdzaak bestemd zijn
voor daadwerkelijk gebruik in Nederland.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Indien toepassing is gegeven aan het eerste lid, wordt voorafgaand aan
de beschikking houdende vaststelling van de bijdrage geen beschikking tot
verlening van de bijdrage gegeven.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>Met betrekking tot de vaststelling van de in het eerste lid bedoelde bijdrage
is het in de artikelen 7, 8, tweede tot en met vijfde lid, 9, aanhef en onder
a, c en d, 11, tweede en derde lid, 12, aanhef en onder b tot en met f, met
betrekking tot de verlening van de bijdrage bepaalde van overeenkomstige toepassing.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>4.</nr>
            <al>Het programma, bedoeld in het eerste lid, vermeldt de hoogte van de bijdrage,
met dien verstande dat deze bijdrage niet meer kan bedragen dan 25% van de
aanschafkosten met een maximum van f 25 000,– per object.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>5.</nr>
            <al>Indien ter zake van de in het eerste lid bedoelde kosten of een deel van
de kosten uit andere hoofde van rijkswege of in het kader van het steunbeleid
van de Europese Unie een bijdrage is verleend dan wel anderszins een financiële
tegemoetkoming is gegeven, wordt slechts een zodanige bijdrage verleend dat
het totale bedrag aan bijdragen niet meer bedraagt dan 40% van die kosten
onderscheidenlijk dan 40% van het desbetreffende deel.</al>
          </lid>
        </art>
      </par>
    </hfdst>
    <hfdst>
      <kop>
        <nr>HOOFDSTUK 2.</nr>
        <titel status="off">DE INDIENING VAN DE AANVRAAG EN DE BESCHIKKING DAAROP</titel>
      </kop>
      <par>
        <kop>
          <titel status="off">Indiening aanvraag en gegevens</titel>
        </kop>
        <art id="a7">
          <kop>
            <nr>Artikel 7</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>De aanvraag om een bijdrage wordt ingediend bij de programmabeheerder.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent
de gegevens die bij de aanvraag moeten worden verstrekt.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>Aanvragen worden niet ingediend per telefax.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>4.</nr>
            <al>Aan degene die de aanvraag heeft ingediend wordt onverwijld een bericht
van ontvangst toegezonden, waarin de datum van ontvangst wordt vermeld.</al>
          </lid>
        </art>
      </par>
      <par>
        <kop>
          <titel status="off">Beslistermijn</titel>
        </kop>
        <art id="a8">
          <kop>
            <nr>Artikel 8</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Tenzij het programma anders bepaalt geeft de programmabeheerder een beschikking
binnen vier maanden na ontvangst van de aanvraag. Indien de beschikking niet
binnen vier maanden kan worden gegeven, stelt de programmabeheerder de aanvrager
daarvan in kennis en noemt daarbij een redelijke termijn waarbinnen de beschikking
wel tegemoet kan worden gezien.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>De in het eerste lid bedoelde termijn wordt opgeschort gedurende de periode
dat de beslissing op de aanvraag moet worden aangehouden op grond van artikel
15.18, eerste lid, van de Wet milieubeheer.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>Indien de verlening van een bijdrage naar aanleiding van een aanvraag
tot gevolg kan hebben dat op grond van artikel 9, aanhef en onder d, afwijzend
moet worden beslist op een andere aanvraag, die eerder voldeed aan de daarvoor
geldende wettelijke voorschriften, geeft de programmabeheerder geen beschikking
totdat op die eerdere aanvraag is beslist.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>4.</nr>
            <al>Indien het bedrag, dat voor het betrokken kalenderjaar overeenkomstig
artikel 2 beschikbaar is gesteld, door de verlening van de gevraagde bijdrage
zou worden overschreden, kan de programmabeheerder bepalen dat de aanvragen
waarop op dat moment nog niet is beslist, in afwijking van het eerste lid,
worden aangehouden tot 1 maart van het daarop volgende kalenderjaar. Diegenen
die reeds een aanvraag hebben ingediend worden van de aanhouding in kennis
gesteld. Het bepaalde in de eerste en tweede volzin geldt niet voor aanvragen
die zijn ingediend na de bekendmaking, bedoeld in artikel 2, vijfde lid.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>5.</nr>
            <al>De programmabeheerder kan, alvorens op een aanvraag te beslissen, advies
van derden inwinnen.</al>
          </lid>
        </art>
      </par>
      <par>
        <kop>
          <titel status="off">Afwijzingsgronden</titel>
        </kop>
        <art id="a9">
          <kop>
            <nr>Artikel 9</nr>
          </kop>
          <al>De programmabeheerder beslist in ieder geval afwijzend op een aanvraag:</al>
          <al>a. indien een gegronde reden bestaat aan te nemen dat de aanvrager zal
handelen in strijd met ingevolge dit besluit geldende verplichtingen of met
artikel 15.17 van de Wet milieubeheer;</al>
          <al>b. indien onvoldoende vertrouwen bestaat dat de aanvrager in staat zal
zijn het project volledig uit te voeren;</al>
          <al>c. indien de aanvrager in het kader van de aanvraag gegevens heeft verstrekt
waarvan hij wist of behoorde te weten dat deze onjuist of onvolledig waren
en de verstrekking van deze gegevens tot een andere beslissing op de aanvraag
zou hebben geleid;</al>
          <al>d. voor zover het bedrag dat in het betrokken kalenderjaar overeenkomstig
artikel 2 beschikbaar is gesteld, door het totaal van de reeds verleende bijdragen
met betrekking tot eerder ingediende aanvragen is uitgeput dan wel dat bedrag
door verlening van de gevraagde bijdrage zou worden overschreden, en artikel
8, vierde lid, niet wordt toegepast.</al>
        </art>
      </par>
      <par>
        <kop>
          <titel status="off">Tender</titel>
        </kop>
        <art id="a10">
          <kop>
            <nr>Artikel 10</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Een programma kan voorzien in een gelijktijdige beslissing op aanvragen
met betrekking tot soortgelijke projecten op basis van een vergelijking van
hun geschiktheid om bij te dragen aan de doelstelling van het programma.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Indien toepassing is gegeven aan het eerste lid, is het bepaalde in dit
besluit van toepassing, met dien verstande dat:</al>
            <al>a. de beslistermijn, bedoeld in artikel 8, eerste lid, aanvangt op de
eerste dag na de afloop van de termijn waarbinnen de aanvragen moeten zijn
ingediend;</al>
            <al>b. artikel 8, derde lid, niet van toepassing is, en</al>
            <al>c. in afwijking van het bepaalde in artikel 9, aanhef en onder d, aanvragen
moeten worden afgewezen, indien het voor verlening van bijdragen met betrekking
tot de betreffende bijdrage beschikbare bedrag is uitgeput door verlening
van bijdragen met betrekking tot geschikter bevonden projecten.</al>
          </lid>
        </art>
      </par>
      <par>
        <kop>
          <titel status="off">Inhoud beschikking</titel>
        </kop>
        <art id="a11">
          <kop>
            <nr>Artikel 11</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>De beschikking tot verlening van een bijdrage vermeldt in ieder geval:</al>
            <al>a. een raming van de projectkosten;</al>
            <al>b. het maximale bedrag van de bijdrage;</al>
            <al>c. de periode waarin het project moet worden uitgevoerd.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>De programmabeheerder kan aan een beschikking tot verlening van een bijdrage
voorschriften verbinden.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>De programmabeheerder kan aan een beschikking tot verlening van een bijdrage
voorwaarden verbinden, bij het niet vervuld worden waarvan de beschikking
geen werking verkrijgt dan wel geheel of gedeeltelijk vervalt.</al>
          </lid>
        </art>
      </par>
    </hfdst>
    <hfdst>
      <kop>
        <nr>HOOFDSTUK 3.</nr>
        <titel status="off">ALGEMENE VOORSCHRIFTEN IN VERBAND MET DE BIJDRAGEVERLENING</titel>
      </kop>
      <par>
        <kop>
          <titel status="off">Verplichtingen van de aanvrager</titel>
        </kop>
        <art id="a12">
          <kop>
            <nr>Artikel 12</nr>
          </kop>
          <al>De aanvrager dient:</al>
          <al>a. het project uit te voeren overeenkomstig de bij de aanvraag verstrekte
gegevens, tenzij de programmabeheerder voorafgaand schriftelijk toestemming
heeft gegeven daarvan af te wijken;</al>
          <al>b. bij de uitvoering van het project te beschikken over de daarvoor nodige
vergunningen en ontheffingen;</al>
          <al>c. een administratie te voeren die zodanig is ingericht, dat daaruit te
allen tijde op eenvoudige en duidelijke wijze de projectkosten kunnen worden
afgelezen;</al>
          <al>d. onverwijld nadat een verzoek tot verlening van surséance van
betaling aan of faillietverklaring van hem bij de rechtbank is ingediend,
daarvan schriftelijk mededeling te doen aan de programmabeheerder;</al>
          <al>e. op verzoek van de programmabeheerder medewerking te verlenen aan openbaarmaking
van de gegevens en de resultaten van het project, met uitzondering van vertrouwelijke
bedrijfsgegevens;</al>
          <al>f. alle gevraagde medewerking te verlenen aan een door of vanwege Onze Minister ter zake van de toepassing en de effecten van dit besluit
ingesteld evaluatie-onderzoek.</al>
        </art>
      </par>
    </hfdst>
    <hfdst>
      <kop>
        <nr>HOOFDSTUK 4.</nr>
        <titel status="off">VASTSTELLING DEFINITIEF BEDRAG VAN DE BIJDRAGE</titel>
      </kop>
      <par>
        <kop>
          <titel status="off">Verzoek tot vaststelling</titel>
        </kop>
        <art id="a13">
          <kop>
            <nr>Artikel 13</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>De aanvrager zendt zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes maanden
na afloop van de in artikel 11, eerste lid, onder c, bedoelde periode aan
de programmabeheerder een verzoek tot vaststelling van het definitieve bedrag
van de bijdrage, te zamen met:</al>
            <al>a. een schriftelijk verslag omtrent het verloop, de uitvoering en de resultaten
van het project;</al>
            <al>b. tenzij door de programmabeheerder anders wordt bepaald, een financieel
verslag omtrent de realisatie van de projectkosten, welk verslag vergezeld
gaat van een goedkeurende verklaring van een accountant als bedoeld in artikel
393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, afgegeven na een toetsing
van de realisatie van het project in verhouding tot de projectkosten.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met
betrekking tot de verslagen, bedoeld in het eerste lid, onder a en b, en ten
aanzien van de toetsing, bedoeld in het eerste lid, onder b.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing op bijdragen als
bedoeld in artikel 6.</al>
          </lid>
        </art>
      </par>
      <par>
        <kop>
          <titel status="off">Beslistermijn en ambtshalve toekenning verzoek</titel>
        </kop>
        <art id="a14">
          <kop>
            <nr>Artikel 14</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Binnen dertien weken na ontvangst van het in artikel 13 bedoelde verzoek
te zamen met de in dat artikel bedoelde verslagen stelt de programmabeheerder
de bijdrage vast.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Indien de aanvrager niet of niet geheel heeft voldaan aan artikel 13 stelt
de programmabeheerder hem in de gelegenheid binnen een door de programmabeheerder
te stellen termijn een verzoek tot vaststelling van het definitieve bedrag
van de bijdrage onderscheidenlijk een aanvulling van dat verzoek in te dienen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>Indien na afloop van de in het tweede lid bedoelde termijn geen verzoek
is ingediend, stelt de programmabeheerder het definitieve bedrag van de bijdrage
ambtshalve vast.</al>
          </lid>
        </art>
      </par>
      <par>
        <kop>
          <titel status="off">Vaststelling van de bijdrage</titel>
        </kop>
        <art id="a15">
          <kop>
            <nr>Artikel 15</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Onverminderd de in het tweede en derde lid bedoelde gevallen, stelt de
programmabeheerder de bijdrage vast overeenkomstig hetgeen is bepaald bij
de beschikking tot verlening van de bijdrage.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>De programmabeheerder kan de bijdrage op een lager bedrag of op nihil
vaststellen indien:</al>
            <al>a. de activiteiten waarvoor de bijdrage is verleend niet of niet geheel
hebben plaatsgevonden;</al>
            <al>b. de aanvrager niet of niet geheel heeft voldaan aan de voor hem ingevolge
dit besluit geldende verplichtingen of aan artikel 15.17 van de Wet milieubeheer;</al>
            <al>c. de aanvrager onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van deze gegevens tot een andere beslissing op de aanvraag
tot verlening van de bijdrage zou hebben geleid;</al>
            <al>d. de beschikking tot verlening van de bijdrage anderszins onjuist was
en de aanvrager dit wist of behoorde te weten.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>In het geval, bedoeld in artikel 17, eerste lid, stelt de programmabeheerder
de bijdrage vast overeenkomstig hetgeen is bepaald in de beschikking tot intrekking.</al>
          </lid>
        </art>
      </par>
      <par>
        <kop>
          <titel status="off">Inhoud beschikking tot vaststelling en betaling van de
bijdrage</titel>
        </kop>
        <art id="a16">
          <kop>
            <nr>Artikel 16</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>De beschikking houdende vaststelling van een bijdrage vermeldt het bedrag
van de bijdrage.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>De beschikking vermeldt de termijn of de termijnen waarbinnen het bedrag
van de bijdrage wordt betaald.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>De bijdrage wordt betaald overeenkomstig de beschikking houdende vaststelling
van de bijdrage, onder verrekening van betaalde voorschotten.</al>
          </lid>
        </art>
      </par>
      <par>
        <kop>
          <titel status="off">Gevolgen van intrekking beschikking tot verlening</titel>
        </kop>
        <art id="a17">
          <kop>
            <nr>Artikel 17</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Indien een beschikking op de aanvraag om een bijdrage geheel of gedeeltelijk
wordt ingetrokken voordat de bijdrage is vastgesteld, werkt deze intrekking
terug tot en met het tijdstip waarop de bijdrage is verleend, tenzij bij de
intrekking anders is bepaald.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Indien een beschikking op de aanvraag om een bijdrage geheel of gedeeltelijk
wordt ingetrokken nadat de bijdrage is vastgesteld, vervalt de beschikking
houdende vaststelling van de bijdrage geheel, onderscheidenlijk voor het ingetrokken
gedeelte.</al>
          </lid>
        </art>
      </par>
    </hfdst>
    <hfdst>
      <kop>
        <nr>HOOFDSTUK 5.</nr>
        <titel status="off">BEVOORSCHOTTING</titel>
      </kop>
      <par>
        <kop>
          <titel status="off">Voorschotverlening</titel>
        </kop>
        <art id="a18">
          <kop>
            <nr>Artikel 18</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>De programmabeheerder kan op verzoek van de aanvrager tot ten hoogste
een keer per kalenderkwartaal voorschotten verstrekken ter zake van de verleende
bijdrage.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Voorschotten worden berekend over de gemaakte en betaalde projectkosten
en bedragen te zamen ten hoogste 80% van de verleende bijdrage.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>De programmabeheerder kan aan de beschikking tot verstrekking van een
voorschot voorschriften verbinden.</al>
          </lid>
        </art>
      </par>
      <par>
        <kop>
          <titel status="off">Beslistermijn</titel>
        </kop>
        <art id="a19">
          <kop>
            <nr>Artikel 19</nr>
          </kop>
          <al>De programmabeheerder geeft binnen acht weken na ontvangst van het verzoek,
bedoeld in artikel 18, een beschikking. Indien de beschikking niet binnen
acht weken kan worden gegeven, stelt de programmabeheerder de aanvrager daarvan
in kennis en noemt hij een redelijke termijn waarbinnen de beschikking wel
tegemoet kan worden gezien.</al>
        </art>
      </par>
      <par>
        <kop>
          <titel status="off">Afwijzing, opschorting en stopzetting van de bevoorschotting</titel>
        </kop>
        <art id="a20">
          <kop>
            <nr>Artikel 20</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>De programmabeheerder beslist afwijzend op een verzoek als bedoeld in
artikel 18, indien de aanvrager in strijd handelt met ingevolge dit besluit
geldende verplichtingen of met artikel 15.17 van de Wet milieubeheer.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Op een verzoek wordt geen beslissing genomen, indien een verzoek tot verlening
van surséance van betaling aan of faillietverklaring van de aanvrager
bij de rechtbank is ingediend, totdat op dat verzoek is beslist, dan wel indien
surséance van betaling wordt verleend, totdat een maand na de beëindiging
van de surséance van betaling is verstreken.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>De programmabeheerder kan het verstrekken van een voorschot opschorten
dan wel stopzetten indien een aanvrager in strijd handelt met ingevolge dit
besluit geldende verplichtingen of met artikel 15.17 van de Wet milieubeheer.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>4.</nr>
            <al>De programmabeheerder kan het verstrekken van een voorschot opschorten,
indien een verzoek tot verlening van surséance van betaling aan of
faillietverklaring van de aanvrager bij de rechtbank is ingediend, totdat
op dat verzoek is beslist, dan wel indien surséance van betaling wordt
verleend, totdat een maand na de beëindiging van de surséance
van betaling is verstreken.</al>
          </lid>
        </art>
      </par>
      <par>
        <kop>
          <titel status="off">Intrekking bevoorschotting wegens onjuiste gegevens</titel>
        </kop>
        <art id="a21">
          <kop>
            <nr>Artikel 21</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>De programmabeheerder kan een beschikking inhoudende een verstrekking
van een voorschot intrekken, indien de beschikking ten gevolge van een aan
de aanvrager te wijten onjuistheid of onvolledigheid van de verstrekte gegevens
anders luidde dan het geval zou zijn geweest indien de gegevens juist en volledig
zouden zijn verstrekt.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>De bedragen die op grond van een ingetrokken beschikking zijn uitbetaald,
zijn terstond opeisbaar.</al>
          </lid>
        </art>
      </par>
    </hfdst>
    <hfdst>
      <kop>
        <nr>HOOFDSTUK 6.</nr>
        <titel status="off">SLOT- EN OVERGANGSBEPALINGEN</titel>
      </kop>
      <par>
        <kop>
          <titel status="off">Intrekking bestaande regelingen</titel>
        </kop>
        <art id="a22">
          <kop>
            <nr>Artikel 22</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>De Stimuleringsregeling milieutechnologie 1994 en de Bijdragenregeling
Nox-arme gasmotoren/WK worden ingetrokken. Paragraaf 3 van de Regeling diverse
bijdragen milieubeheer vervalt.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>De in het eerste lid genoemde regelingen en paragraaf blijven van toepassing
op aanvragen die zijn ingediend vóór de inwerkingtreding van
dit besluit.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>Milieutechnologieprogramma's die voor het kalenderjaar 1995 zijn vastgesteld
op grond van artikel 2 van de Stimuleringsregeling milieutechnologie 1994
worden voor de toepassing van dit besluit gelijkgesteld met programma's, welke
zijn vastgesteld op grond van dit besluit.</al>
          </lid>
        </art>
      </par>
      <par>
        <kop>
          <titel status="off">Inwerkingtreding</titel>
        </kop>
        <art id="a23">
          <kop>
            <nr>Artikel 23</nr>
          </kop>
          <al>Dit besluit treedt in werking vier weken na de datum van uitgifte van
het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.</al>
        </art>
      </par>
      <par>
        <kop>
          <titel status="off">Citeertitel</titel>
        </kop>
        <art id="a24">
          <kop>
            <nr>Artikel 24</nr>
          </kop>
          <al>Dit besluit wordt aangehaald als: Bijdragenbesluit milieugerichte technologie.</al>
        </art>
      </par>
    </hfdst>
  </body>
  <backm>
    <nawerk>
      <slotform>Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota
van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.</slotform>
      <histnoot>
        <al>Het advies van de Raad van State is openbaar gemaakt door terinzagelegging
bij het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.</al>
        <al>Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage gelegde stukken worden
opgenomen in het bijvoegsel bij de Nederlandse Staatscourant van 14 maart
1995, nr. 52.</al>
      </histnoot>
      <ondertek>
        <ondplts>'s-Gravenhage,</ondplts>
        <onddatum>3 februari 1995</onddatum>
        <koning>Beatrix</koning>
        <minister>
          <minvan>De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,</minvan>
          <naam>Margaretha de Boer</naam>
        </minister>
      </ondertek>
      <uitgifte>
        <uitgifte-regel>Uitgegeven de <nadruk type="cur">eenentwintigste</nadruk> februari 1995</uitgifte-regel>
        <uitdag>eenentwintigste</uitdag>
        <uitmaand>februari</uitmaand>
        <uitjaar>1995</uitjaar>
        <door>
          <minvan>De Minister van Justitie,</minvan>
          <naam>W. Sorgdrager</naam>
        </door>
      </uitgifte>
    </nawerk>
    <notatoe>
      <kop>
        <titel status="off">NOTA VAN TOELICHTING</titel>
      </kop>
      <tuskop letat="vet">I. Algemeen</tuskop>
      <tuskop letat="vet">§ 1. Inleiding</tuskop>
      <al>Op 1 juli 1992 is een gewijzigd hoofdstuk Financiële bepalingen van
de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne (Stb. 1992, 254) in werking
getreden. Hiermee is een wettelijke grondslag geschapen voor de verlening
van bijdragen op het gebied van het milieubeheer ten laste van de begroting
van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.
Het eerdergenoemde hoofdstuk is – voor zover hier van belang –
zonder wijzigingen in de Wet milieubeheer (Stb. 1992, 551), die op 1 maart
1993 in werking is getreden, overgenomen. Wel zijn de artikelen uit de Wet
algemene bepalingen milieuhygiëne vernummerd. De desbetreffende bepalingen
zijn in de Wet milieubeheer ondergebracht in Titel 15.3 Voorschriften omtrent
het verlenen van bijdragen, in de artikelen 15.12 tot en met 15.19.</al>
      <al>Artikel 15.15 van de Wet milieubeheer bepaalt dat in beginsel slechts
bijdragen worden verleend aan niet-overheden op basis van een algemene maatregel
van bestuur op basis van artikel 15.12. Het onderhavige besluit is gebaseerd
op laatstgenoemd artikel.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Op grond van artikel 21.6, vierde lid, van de Wet milieubeheer is de Raad
voor het milieubeheer in de gelegenheid gesteld van advies te dienen. De Raad
voor het milieubeheer heeft met schrijven van 8 februari 1994 bericht geen
advies uit te brengen gezien zijn gewijzigde taakstelling en gezien het feit
dat hij nog niet in de definitieve samenstelling bijeen is geweest.</al>
      <al>Tevens is het ontwerp-besluit aan de Staten-Generaal overgelegd zoals
voorgeschreven in artikel 21.6, vijfde lid, van de Wet milieubeheer en in
de Staatscourant van 21 januari 1994, nr 21, gepubliceerd. Naar aanleiding
van deze publikatie zijn geen reacties binnen gekomen.</al>
      <tuskop letat="vet">§ 2. Het wettelijk kader (de systematiek van
het hoofdstuk Financiële bepalingen in de Wet milieubeheer en de Algemene
wet bestuursrecht)</tuskop>
      <al>Het onderhavige besluit dient te worden gelezen in samenhang met de wettelijke
bepalingen waarop het is gebaseerd. Eén van de gevolgen van de totstandkoming
van de speciale Titel over de bijdrageverlening in het gewijzigde hoofdstuk
Financiële bepalingen in de Wet milieubeheer is namelijk dat niet langer
alle bepalingen die van toepassing zijn op de bijdrageverlening in de algemene
maatregel van bestuur zelf zijn opgenomen.</al>
      <al>Naast de algemene maatregel van bestuur bevatten ook de Wet milieubeheer
en de Algemene wet bestuursrecht regels over de bijdrageverlening.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De Wet milieubeheer bevat in de eerste plaats een aantal delegatiebepalingen
die aanduiden welke onderwerpen in ieder geval bij algemene maatregel van
bestuur dienen te worden geregeld. Deze onderwerpen zijn uitgewerkt in het
onderhavige besluit.</al>
      <al>Daarnaast geeft de Wet milieubeheer echter ook een aantal voorschriften
die rechtstreeks gelden voor iedere bijdrageverlening die onder de reikwijdte
van de wet valt.</al>
      <al>Deze bepalingen zijn in dit besluit niet opgenomen omdat dit een overbodige
doublure met de wet zou opleveren.</al>
      <al>In dat verband zijn de volgende bepalingen van belang.</al>
      <al>Artikel 15.17, eerste lid, verleent toezichthoudende ambtenaren de bevoegdheid
zich toegang te verschaffen tot plaatsen, die door de belanghebbende
worden gebruikt, en inzage te verkrijgen in boeken en andere zakelijke bescheiden.
De belanghebbende is op grond van het tweede lid van dat artikel verplicht
hieraan medewerking te verlenen.</al>
      <al>Artikel 15.18 regelt het geval waarin een verzoek tot verlening van surséance
van betaling aan of faillietverklaring van de belanghebbende bij de rechtbank
is ingediend, voordat een beslissing op de aanvraag om een bijdrage is genomen.</al>
      <al>Tenslotte geeft artikel 15.19, eerste lid, een opsomming van de gevallen
waarin een beslissing op de aanvraag om een bijdrage kan worden ingetrokken.
Dit is onder meer het geval indien de Commissie van de Europese Gemeenschappen,
gelet op artikel 93 van het EG-Verdrag, een bijdrageregeling heeft aangemerkt
als een steunmaatregel die niet verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt
of waarvan misbruik wordt gemaakt.</al>
      <al>Ten aanzien van het onderhavige Bijdragenbesluit heeft de Commissie van
de Europese Gemeenschappen met schrijven van 6 juli 1994 medegedeeld tegen
de staatssteun ingevolge dit besluit geen bezwaar te maken.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Voorts is nog van belang de (gefaseerde) totstandkoming van de Algemene
wet bestuursrecht. Bij wet van 4 juni 1992 (Stb. 1992, 315) is de eerste tranche
van de Algemene wet bestuursrecht tot stand gekomen. Deze wet is op 1 januari
1994 in werking getreden en gepubliceerd in Staatsblad 1994, 1. In die wet
worden zaken geregeld als besluiten en beschikkingen, aanvragen en aanvragers,
ontvankelijkheidsvragen, termijnen, besluitvormingsprocedure, bezwaar en beroep.
Sinds de inwerkingtreding van die wet gelden de desbetreffende bepalingen
rechtstreeks op grond van de Algemene wet bestuursrecht. Die bepalingen behoeven
derhalve niet in dit besluit te worden opgenomen. Dit geldt ook voor de tweede
tranche van de Algemene wet bestuursrecht, waarin onder meer bepalingen inzake
bezwaar en beroep zijn opgenomen, en die ook op 1 januari 1994 in werking
is getreden (Stb. 1993, 650). Elders in deze toelichting (zie § 6)
zal op deze bepalingen worden ingegaan.</al>
      <al>De derde tranche van de Algemene wet bestuursrecht, waarvan het voorstel
van wet op 5 juli 1994 aan de Tweede Kamer is aangeboden (Kamerstukken II
1993/94, 23 780, nrs 1 en 2), voorziet in een titel over subsidies. Op
een aantal plaatsen is in het onderhavige besluit bij dit wetsvoorstel aangesloten.</al>
      <al>Uit het voorafgaande is duidelijk geworden dat zowel de aanvrager van
een beschikking op grond van dit besluit als de programmabeheerder, die met
de uitvoering van dit besluit is belast, met dit besluit nog niet het volledige
instrumentarium in handen hebben om in concrete gevallen een beslissing te
nemen. Zo kan het zijn dat op een aanvraag om een bijdrage een beslissing
wordt genomen gebaseerd op vier regelingen.</al>
      <al>Samengevat zijn dit, oplopend van algemeen naar meer concreet, de volgende
regelingen:</al>
      <al>Allereerst de Algemene wet bestuursrecht, waarin het algemene kader voor
de besluiten van overheidsorganen wordt gegeven.</al>
      <al>Ten tweede de Wet milieubeheer, met name de bepalingen inzake de financiële
verstrekkingen (Titel 15.3).</al>
      <al>Ten derde dit besluit, waarin de bijdragen op het gebied van milieutechnologie
worden uitgewerkt, dat een raamwerk biedt voor diverse bijdrageprogramma's.</al>
      <al>Naast deze wettelijke voorschriften, zijn ten slotte van belang de programma's
op basis van dit besluit, waarin wordt aangegeven voor welke concrete projecten
in het betreffende kalenderjaar een bijdrage kan worden verstrekt.</al>
      <tuskop letat="vet">§ 3. Doel, type projecten en doelgroepen</tuskop>
      <tuskop letat="vet">Doel</tuskop>
      <al>Het besluit biedt een algemeen raamwerk voor diverse bijdrageprogramma's,
welke vallen onder het beleidsterrein van het Ministerie van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer voor het stimuleren van milieugerichte
technologie.</al>
      <al>Het besluit vormt de basis voor het verlenen van bijdragen ter stimulering
van de ontwikkeling en maatschappelijke implementatie van milieugerichte technologie.</al>
      <al>Door dit besluit wordt voor alle belanghebbenden de duidelijkheid ten
aanzien van procedures en subsidiepercentages, wijze van uitvoering en beheer
vergroot. Tevens bevordert dit de herkenbaarheid, toegankelijkheid en de efficiency
voor de overheid door de integratie van diverse bestaande regelingen op het
gebied van de milieutechnologie.</al>
      <al>Het uiteindelijke doel is het stimuleren van toepassingen van milieugerichte
technologie, mede door openbaarmaking van de onderzoeksresultaten. De programmabeheerder
kan door middel van de rapportages van en zo nodig intensieve contacten met
de aanvragers bewerkstelligen dat deze doelen worden gerealiseerd en uitgedragen.
Met name is in dit verband van belang het kiezen van de juiste aard en inhoud
van de te stimuleren projecten.</al>
      <al>Met dit besluit kan aldus een waardevol instrument tot stand komen om
het beleid ten aanzien van vermindering van de milieubelasting te ondersteunen.</al>
      <tuskop letat="vet">Type projecten</tuskop>
      <al>In het innovatie- en implementatietraject van nieuwe technologieën
worden verschillende fasen onderscheiden. Veelal wordt gestart met een (verkennende)
haalbaarheidsstudie naar een bepaalde technologische optie, alvorens over
te gaan tot het (toegepaste) onderzoeks- en ontwikkelingswerk. Sluitstuk van
deze fase is soms een praktijkexperiment waarin de nieuwe techniek onder praktijkomstandigheden
getest en zonodig aangepast wordt. Het kan aanbeveling verdienen om een technische
optie, die gereed is om op de markt te brengen, onder de aandacht van toekomstige
gebruikers te brengen via een demonstratieproject bij een eerste gebruiker.
Verdere stimulering van de implementatie kan geschieden via (op meer beperkte
schaal) marktintroduktieprojecten of (op ruimere schaal) toepassingsprojecten.
Tevens voorziet het besluit in de mogelijkheid om kennisoverdracht met betrekking
tot nieuwe technologieën financieel te ondersteunen. Hoewel bij het innovatie-
en implementatietraject uiteraard lang niet altijd elke fase zal worden doorlopen,
worden in artikel 1 van het besluit alle genoemde fasen als aparte projectcategorie
gedefinieerd.</al>
      <tuskop letat="vet">Doelgroepen</tuskop>
      <al>Gezien de doelstelling van het besluit kunnen, indien een programma daarin
voorziet, zowel degenen die betrokken zijn bij de «aanbodzijde»
(onderzoekers en fabrikanten) als degenen die behoren tot de «vraagzijde»
(gebruikers van nieuwe technologieën) voor een bijdrage in aanmerking
komen. In beginsel behoren alle belanghebbenden, met uitzondering van de rijksoverheid,
tot de doelgroep van het besluit: te denken valt onder meer aan onderzoeksinstellingen
en universiteiten, ingenieursbureau's, bedrijven (als fabrikant of als gebruiker
van een technologie), belangenorganisaties en particuliere huishoudens. In
een programma kunnen de doelgroepen nader gespecificeerd worden.</al>
      <tuskop letat="vet">§ 4. Functies van het programma</tuskop>
      <tuskop letat="vet">Algemeen</tuskop>
      <al>De kaderregeling bevat de door de wet vereiste basis voor het verlenen
van bijdragen op het terrein van de milieutechnologie. In artikel 1 staan
de categorieën van projecten welke voor een bijdrage op grond van dit
besluit in aanmerking komen. Welke activiteiten in concreto voor een bijdrageverlening
in aanmerking komen, wordt, in navolging van onder meer de uitvoering van
de Stimuleringsregeling milieutechnologie 1991, aangegeven in de verschillende
programma's.</al>
      <al>In een programma worden gelijksoortige of thematisch samenhangende projecten,
gericht op specifieke milieuverdiensten, bij elkaar gebracht.</al>
      <al>Hierdoor vindt er een structurering plaats in overzichtelijke clusters.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Ieder jaar zullen door de minister de programma's of de zakelijke inhoud
van de programma's in het kader waarvan een bijdrage wordt verleend in de
Staatscourant worden aangekondigd. Tevens wordt, indien uitsluitend de zakelijke
inhoud wordt weergegeven, in de Staatscourant vermeld waar de tekst van de
betreffende programma's kan worden opgevraagd.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In een programma worden in ieder geval de volgende gegevens vermeld:</al>
      <al>– naam programma</al>
      <al>– specifiek programmadoel</al>
      <al>– specifieke doelgroep(en)</al>
      <al>– welke activiteiten voor een bijdrage in aanmerking komen</al>
      <al>– beoordelingsaspecten</al>
      <al>– aanvraagprocedure (b.v. tender, data, termijnen)</al>
      <al>– adres programmabeheerder</al>
      <al>– hoogte van (max.) bijdrage (% en/of hfl.)</al>
      <al>– hoogte van het budget.</al>
      <tuskop letat="vet">Differentiatiemogelijkheden per programma</tuskop>
      <al>Het spreekt vanzelf dat een op grond van een bepaald programma ingediende
aanvraag moet passen binnen de in dat programma omschreven doelstelling. Dit
geldt als eerste eis, wil een project in aanmerking komen. Daarnaast dient
ook de doelgroep uiteraard te worden omschreven.</al>
      <al>Behalve deze, voor ieder programma verplichte onderwerpen, die hiervoor
al werden opgesomd, zijn er nog een aantal andere onderwerpen die in het programma
kunnen worden geregeld om de bijdrageverlening toe te spitsen op het betreffende
programma.</al>
      <al>Een van die onderwerpen is de systematiek van behandeling van de aanvragen.
Indien geen bijzondere regels in het programma zijn opgenomen vindt de beslissing
op de aanvraag in volgorde van binnenkomst plaats.</al>
      <al>Daarnaast bestaat er de mogelijkheid, indien het betreffende programma
zulks uitdrukkelijk bepaalt, dat wordt gekozen voor het zogenoemde tendersysteem
(artikel 10). Dit systeem voorziet in een gelijktijdige beslissing op meerdere
aanvragen. De normale beoordelingscriteria, die staan vermeld in artikel 3,
gelden ook hier. De aanvraag met het hoogste kwaliteitsgehalte (de meeste
punten naar aanleiding van de beoordeling) deelt het eerste uit het budget,
vervolgens de aanvraag met het op een na hoogste kwaliteitsgehalte, en zo
verder. Ter voorkoming van misverstand zij hier benadrukt dat in dit stelsel
geenszins besloten ligt dat het budget geheel moet worden uitgeput. Het gegeven
dat de tender-methode meebrengt dat de beste aanvragen met voorrang worden gehonoreerd, laat uiteraard de bevoegdheid van de programmabeheerder
onverlet, om aanvragen voor projecten die een «onvoldoende» scoren,
af te wijzen, ook al zou het budget nog toereikend zijn om de aanvraag toe
te wijzen. Noch de tender-methode, noch enig ander systeem van behandeling
van aanvragen kan er immers toe leiden dat overheidsgelden worden besteed
aan projecten die kwalitatief niet aan de eisen voldoen.</al>
      <al>Voor wat betreft de activiteit waarvoor een bijdrage wordt verleend, kan
worden gesteld dat dit in het algemeen een in de toekomst te ondernemen activiteit
is. Het besluit is echter niet beperkt tot deze vorm, aangezien in het kader
van de milieutechnologie thans ook andere vormen voorkomen en hieraan ook
behoefte zal blijven bestaan. Daarom is de mogelijkheid opgenomen van het
verstrekken van een bijdrage ter zake van de (reeds gepleegde) aanschaf en
ingebruikneming van een bepaald object (artikel 6). De categorieën van
objecten die voor een bijdrage in aanmerking kunnen komen worden in een programma
aangewezen. Omdat de kosten in dat geval reeds bekend zijn, wordt slechts
een beschikking tot vaststelling van de bijdrage genomen zonder voorafgaande
beschikking tot verlening van de bijdrage. Andere, belangrijke differentiatiemogelijkheden
van het programma liggen op het terrein van de projektkosten. Hierop wordt
in de toelichting bij artikel 5 nader ingegaan.</al>
      <tuskop letat="vet">§ 5. Beoordelingsaspecten</tuskop>
      <al>In artikel 3 worden die aspecten, die bij de beoordeling van een aanvraag
een rol mogen spelen, limitatief opgesomd. Andere aspecten mogen geen rol
spelen. Omgekeerd betekent dit niet dat al deze aspecten altijd een rol moeten
spelen. Mede afhankelijk van de inhoud van een programma zullen bepaalde aspecten
zwaarder wegen dan andere. De milieuverdienste zal uiteraard altijd een belangrijk
criterium zijn. Daarnaast zullen in de programma's veelal de voor dat programma
bij uitstek geldende specifieke aspecten worden aangegeven.</al>
      <al>Hieronder worden enkele van de in artikel 3 genoemde aspecten nader toegelicht.</al>
      <tuskop letat="vet">Milieuverdienste (artikel 3, tweede lid, onder a)</tuskop>
      <al>De milieuverdienste wordt in de eerste plaats beoordeeld naar de mate
waarin het betrokken produkt (apparaat, systeem of techniek) de milieubelasting
vermindert ten opzichte van de in Nederland gangbare alternatieven.</al>
      <al>Projecten op het gebied van kennisoverdracht of voorlichting met betrekking
tot milieugerichte technologie worden beoordeeld naar de mate waarin deze
direct of indirect een bijdrage leveren aan de vermindering van de milieubelasting
in het algemeen.</al>
      <al>Bij de beoordeling van de milieuverdienste van een projectvoorstel wordt
in algemene zin getoetst aan het voldoen aan de beginselen van duurzame ontwikkeling
en integraal ketenbeheer, zoals deze zijn omschreven in het Tweede Nationaal
Milieubeleidsplan (Kamerstukken II 1993/94, 23 560, nr. 2 blz. 50 en
verder, blz. 104 en verder). Bij de beoordeling worden in dat verband de navolgende
factoren in beschouwing genomen (voor zover deze van toepassing zijn):</al>
      <al>– het voorkomen van milieuverontreiniging heeft de voorkeur boven
toegevoegde voorzieningen waarbij de verontreiniging na het ontstaan wordt
bestreden;</al>
      <al>– voorzieningen waarbij geen of zo weinig mogelijk verschuiving
van milieuproblemen van het ene milieucompartiment naar het andere op zullen
treden, hebben de voorkeur;</al>
      <al>– de mate van besparing op energiegebruik c.q. herwinbaarheid van
energie;</al>
      <al>– de mate van besparing op uitputbare grondstoffen;</al>
      <al>– de mate van gebruik van secundaire grondstoffen;</al>
      <al>– de mate van emissiereductie;</al>
      <al>– de mogelijkheden van hergebruik in het afvalstadium.</al>
      <tuskop letat="vet">Oorspronkelijkheid (artikel 3, tweede lid, onder c)</tuskop>
      <al>Bij de uitvoering van het besluit neemt het begrip nieuwheid een belangrijke
plaats in. Voor haalbaarheids- en onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten, alsmede
voor praktijkexperimenten en demonstratieprojecten wordt gedacht aan zaken
die grensverleggend voor Nederland genoemd kunnen worden. Marktintroductieprojecten
en toepassingsprojecten zijn gericht op zaken die in Nederland nog niet gebruikelijk
of gemeengoed zijn.</al>
      <tuskop letat="vet">Overige beoordelingsaspecten en afwijzingsgronden</tuskop>
      <al>De onder h genoemde grond is opgenomen om ook niet milieu-aspecten te
kunnen meewegen bij de beoordeling van de aanvraag. Soms kan het gaan om belangen
die een versterking vormen van de milieukwaliteiten van het aangevraagde project,
omdat zij ook goed passen in ander overheidsbeleid. Echter, het is ook denkbaar
dat een bepaald project, hoewel uitsluitend vanuit het milieuaspect beschouwd,
zeer positief, haaks staat op andere doelstellingen van overheidsbeleid, bijvoorbeeld
op het gebied van de ruimtelijke ordening. In zulke gevallen moet ook dit
aspect een rol kunnen spelen bij het eindoordeel over de betrokken aanvraag.</al>
      <al>Voorts is in dit verband ook van belang artikel 9, waarin de verplichte
afwijzingsgronden zijn opgenomen.</al>
      <tuskop letat="vet">§ 6. Procedure</tuskop>
      <tuskop letat="vet">Algemene wet bestuursrecht</tuskop>
      <al>In Hoofdstuk 2 van het besluit zijn voorschriften opgenomen met betrekking
tot aanvragen op grond van het besluit en met betrekking tot de beslissing
daarop. Deze voorschriften hebben betrekking op alle aanvragen, onverschillig
ten behoeve van welk project die aanvraag wordt ingediend.</al>
      <al>Zoals in § 2 al werd aangestipt, moeten deze bepalingen in samenhang
worden gelezen met de Algemene wet bestuursrecht.</al>
      <al>Het gaat hierbij met name om Titel 4.1 Beschikkingen.</al>
      <al>Deze titel bevat een regeling over onder meer het indienen van de aanvraag,
de gevolgen van een onvolledige aanvraag en de mogelijkheid die in dat geval
aan de aanvrager moet worden gegeven om de aanvraag aan te vullen. Deze bepalingen
gelden algemeen en dus ook voor beschikkingen op grond van het onderhavige
besluit.</al>
      <al>In verband daarmee zijn uitsluitend bepalingen opgenomen ter aanvulling
van de genoemde regeling in de Algemene wet bestuursrecht. Aan een dergelijke
opzet kleven uit een oogpunt van leesbaarheid bepaalde bezwaren; het inzicht
in alle finesses van de procedure is niet in één oogopslag te
verkrijgen.</al>
      <al>Om aan dit bezwaar tegemoet te komen volgt hieronder een korte beschrijving
van de procedure, waarbij de relevante bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht
en de Wet milieubeheer steeds worden genoemd in samenhang met de bepalingen
van dit besluit.</al>
      <tuskop letat="vet">Aanvrager en aanvraag</tuskop>
      <al>In artikel 1, onder a, wordt de aanvrager gedefinieerd. Per programma
wordt nader aangegeven wie voor het programma een aanvraag kan indienen.</al>
      <al>Aanvragen op grond van dit besluit dienen te worden ingediend bij de programmabeheerder.
Aan de indiener wordt een bericht van ontvangst toegezonden.</al>
      <al>Indien de aanvraag niet volledig is, dient de aanvrager op grond van artikel
4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht altijd de gelegenheid te
krijgen, de aanvraag aan te vullen. De programmabeheerder moet hem hiertoe
een termijn stellen. Is na het verstrijken van die termijn de aanvraag nog
niet of niet voldoende aangevuld, dan kan de programmabeheerder besluiten
de aanvraag niet te behandelen, op grond van eerdergenoemd artikel 4:5, eerste
lid.</al>
      <tuskop letat="vet">Beslistermijn en afwijzingsgronden</tuskop>
      <al>De beslistermijn is op grond van artikel 8 vier maanden, tenzij in het
programma anders is bepaald.</al>
      <al>De beslistermijn wordt ingevolge artikel 4:15 van de Algemene wet bestuursrecht
opgeschort gedurende de termijn dat de aanvraag nog moet worden aangevuld.</al>
      <al>Op grond van artikel 15.18 van de Wet milieubeheer moet de aanvraag worden
aangehouden wanneer een verzoek tot verlening van surséance van betaling
aan of faillietverklaring van de aanvrager bij de rechtbank is ingediend,
totdat op dat verzoek is beslist, dan wel, indien surséance van betaling
wordt verleend, totdat een maand na beëindiging van de surséance
is verstreken. In aansluiting hierop is in artikel 8, tweede lid, bepaald
dat de beslistermijn gedurende die tijd is opgeschort.</al>
      <al>De verplichte afwijzingsgronden zijn opgenomen in artikel 9 van het besluit.
Een aanvraag moet, behalve op gronden die zijn gelegen in de aanvraag of de
aanvrager (onderdelen a, b en c), ook worden afgewezen wanneer honorering
zou leiden tot overschrijding van het beschikbaar gestelde budget (onderdeel
d). Indien er evenwel uitzicht op bestaat dat het budget voor het betreffende
programma zal worden verhoogd (hetzij door een verschuiving tussen de programma's
dan wel door een aanvulling van het totale budget), kan de aanvraag op grond
van artikel 8, vierde lid, worden aangehouden tot 1 maart van het volgende
jaar. Ter voorkoming van misverstand wordt opgemerkt dat artikel 9 slechts
een opsomming geeft van zgn. verplichte afwijzingsgronden, en dat daarnaast
een aanvraag uiteraard kan worden afgewezen wanneer zij niet (voldoende) voldoet
aan de doelstellingen van het programma, of aan de beoordelingsaspecten genoemd
in artikel 3.</al>
      <tuskop letat="vet">Verplichtingen voor de aanvrager</tuskop>
      <al>De verplichtingen voor de aanvrager zijn geregeld in artikel 11, tweede
lid, en in artikel 12 van het besluit.</al>
      <al>Volledigheidshalve zij nog gewezen op artikel 15.17 van de Wet milieubeheer,
waarin is vastgelegd dat de aanvrager moet medewerken aan onder meer inzage
van boeken. Ook dit zijn verplichtingen waaraan de aanvrager moet voldoen.</al>
      <al>Op grond van afdeling 4.1.4 van de Algemene wet bestuursrecht moet de
beschikking worden gemotiveerd.</al>
      <al>Een sanctie op het niet naleven van de verplichtingen, die aan de beschikking
zijn verbonden is dat de beschikking tot verlening kan worden ingetrokken.
Dit geldt, op grond van artikel 15.19, eerste lid, onder b, van de Wet milieubeheer,
zowel voor de verplichtingen die door de programmabeheerder aan de beschikking
zijn verbonden, als voor de verplichtingen die in artikel 12
van het besluit zijn opgesomd. Ook het niet voldoen aan de verplichtingen
die zijn opgesomd in het eerdergenoemde artikel 15.17 van de Wet milieubeheer,
kan aanleiding zijn om de beschikking in te trekken, op grond van artikel
15.19, eerst lid, onder c van de wet. Daarnaast is het ook mogelijk om in
sommige van dergelijke gevallen de bijdrage op een lager bedrag, en eventueel
op nihil, vast te stellen.</al>
      <tuskop letat="vet">Vaststelling van de bijdrage</tuskop>
      <al>De vaststelling van de bijdrage is geregeld in Hoofdstuk 4 van het besluit.</al>
      <al>De beschikking tot vaststelling van de bijdrage moet worden onderscheiden
van de beschikking tot verlening van de bijdrage, die daaraan in het algemeen
vooraf gaat. De beschikking tot verlening schept voor de overheid een verplichting,
waartegenover een recht van de aanvrager ontstaat. De beschikking tot verlening
moet zoveel mogelijk duidelijkheid bieden over de wederzijdse rechten en verplichtingen.
Het recht van de begunstigde heeft in deze fase in zoverre een voorlopig karakter,
dat hij op de bijdrage kan rekenen, mits hij zich houdt aan de voor hem uit
de beschikking tot verlening voortvloeiende verplichtingen. De vaststellingsbeschikking
dient er vervolgens onder meer toe, vast te stellen of dat inderdaad is gebeurd.
In die beschikking wordt het recht van de begunstigde als het ware geconcretiseerd
tot een aanspraak op een bepaald bedrag. In normale gevallen, waarin alles
naar behoren is verlopen, zal de vaststellingsbeschikking dan ook overeenkomen
met het in de beschikking tot verlening in het vooruitzicht gestelde bedrag,
uiteraard behoudens voor zover de gemaakte kosten lager zijn uitgevallen,
en voor zover er geen redenen zijn om de bijdrage op een lager bedrag vast
te stellen op grond van artikel 15 van het besluit.</al>
      <tuskop letat="vet">Afwijkende procedure bij bijdrageverstrekking voor objecten</tuskop>
      <al>Zoals in § 4 reeds is opgemerkt wordt ten aanzien van objecten
een afwijkende procedure gevolgd in die zin dat zonder voorafgaande beschikking
tot verlening van de bijdrage alleen een beschikking tot vaststelling van
de bijdrage wordt genomen.</al>
      <al>De bepalingen die betrekking hebben op de aanvraag om een bijdrage en
op de beschikking tot verlening van de bijdrage zijn daarbij wel zoveel mogelijk
van toepassing. Te noemen valt een aantal verplichtingen van de aanvrager
zoals de mededeling dat een verzoek om surséance van betaling of faillietverklaring
is ingediend, een aantal weigeringsgronden, die geen betrekking hebben op
een toekomstverwachting alsmede de mogelijkheid om aan de beschikking tot
vaststelling van de bijdrage voorschriften of voorwaarden te verbinden.</al>
      <tuskop letat="vet">Bezwaar- en beroepsmogelijkheid</tuskop>
      <al>De bezwaar- en beroepsmogelijkheid is grotendeels geregeld in de Algemene
wet bestuursrecht en in de Wet milieubeheer. Op grond van artikel 20.1 van
de Wet milieubeheer kan tegen een beschikking op grond van dit besluit beroep
worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Op de behandeling van het beroep is hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht
van toepassing, op grond van artikel 36 van de Wet op de Raad van State.</al>
      <al>Voorafgaand hieraan dient evenwel steeds eerst een bezwaarschrift te worden
ingediend bij het orgaan dat de beschikking heeft gegeven, in casu de Minister
van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. Dit volgt uit
artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht. De procedure voor de indiening
en afhandeling van dit bezwaarschrift is geregeld in de afdelingen
7.1 en 7.2 van die wet. De termijn voor het instellen van een bezwaar- of
beroepschrift is, op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht,
zes weken.</al>
      <al>Op grond van het aldus beschreven stelsel in de Algemene wet bestuursrecht
is het niet nodig afzonderlijke bepalingen over bezwaar en beroep in dit besluit
op te nemen.</al>
      <tuskop letat="vet">§ 7. Uitvoering en beheer</tuskop>
      <tuskop letat="vet">Programmabeheerder</tuskop>
      <al>Artikel 1, onderdeel b, bevat een definitie van programmabeheerder. De
programmabeheerder is de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening
en Milieubeheer dan wel een (ander) administratief orgaan of een rechtspersoon
die is belast met de uitvoering van dit besluit, en de op dit besluit gebaseerde
programma's. De minister kan op grond van artikel 2, zevende lid, bepalen
dat de programmabeheerder, voor zover hij dat niet zelf is, dit besluit en
de betreffende programma's namens hem uitvoert. In dat geval verleent de minister
mandaat aan de programmabeheerder. Een in mandaat genomen (uitvoerings-) beslissing
geldt als een beslissing van de mandaatgever zelf. Consequentie is dat indien
een belanghebbende bezwaar maakt tegen een in mandaat genomen beslissing,
hij het bezwaarschrift dient te richten aan de minister, tenzij de minister
expliciet ook de bevoegdheid tot het beslissen op bezwaar heeft gemandateerd.
Indien dit het geval is vermeldt de programmabeheerder dit in zijn beschikkingen.
Daarbij wordt ervan uitgegaan dat deze bevoegdheid niet aan een ambtenaar
wordt gemandateerd, die krachtens mandaat de bestreden beslissing in eerste
aanleg heeft genomen. Dit is in overeenstemming met de heersende jurisprudentie
en de regeling van mandaat in de derde tranche van de Algemene wet bestuursrecht.
Overigens geldt in het algemeen het beginsel, dat de functionaris die betrokken
is geweest bij het nemen van het besluit in eerste aanleg, geen belangrijke
en doorslaggevende rol mag spelen bij de beslissing op het bezwaarschrift.
In beroep zal in dit geval de minister optreden als verwerend orgaan. Hij
kan echter mandaat verlenen om namens hem verweer te voeren.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Op grond van artikel 2, zevende lid, kan de minister ook besluiten de
uitvoering van dit besluit met bijbehorende programma's te delegeren aan een
programmabeheerder. In dat geval wordt de programmabeheerder aangemerkt als
bestuursorgaan. Beslissingen gelden als beslissingen van de programmabeheerder
zelf. Bezwaren worden ingesteld bij hem en in beroep treedt hij op als verwerend
orgaan.</al>
      <al>Het vaststellen en afkondigen van programma's en budgetten kan de minister
niet mandateren of delegeren. Het gaat hierbij immers om het beschikbaar stellen
van budgetten voor beleidsdoeleinden en de keuze van het meest geschikte beleidsinstrument
(de bijdrage) als middel om deze doeleinden te bereiken. Tevens wordt de bevoegdheid
tot het stellen van nadere regels uitgezonderd van een eventuele mandatering
of delegatie. Het wordt voor een adequate uitvoering van het besluit niet
nodig geacht dat deze bevoegdheid wordt gemandateerd of gedelegeerd. Het stellen
van nadere regels zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid, en in artikel 13,
tweede lid, zal derhalve bij ministeriële regeling plaatsvinden.</al>
      <al>Daar waar de uitvoering van dit besluit in mandaat plaatsvindt, heeft
de minister zowel een algemene als een concrete aanwijzingsbevoegdheid; hij
kan algemene voorschriften voor de uitvoering geven en kan tevens ingrijpen
in individuele gevallen. Waar de uitvoering is gedelegeerd heeft de minister
slechts een algemene aanwijzingsbevoegdheid.</al>
      <tuskop letat="vet">Budgetten</tuskop>
      <al>De minister publiceert in de Staatscourant, zo mogelijk aan het begin
van het kalenderjaar, het totale voor de uitvoering van dit besluit in dat
jaar beschikbare bedrag en de budgetten die voor de uitvoering van bepaalde
programma's beschikbaar zijn (artikel 2, eerste lid). Doel hiervan is de (potentieel)
geïnteresseerden in de bijdrageverlening op de hoogte te stellen van
de te verwachten mogelijkheden, zowel inhoudelijk (welk type programma's/
projecten) als financieel (hoeveel is er beschikbaar).</al>
      <al>Gedurende het jaar kunnen zich evenwel verschillende nieuwe situaties
voordoen, die ertoe nopen de eerdere bekendmakingen en voornemens bij te stellen.
In artikel 2 worden hiervoor een aantal spelregels gegeven, die hieronder
worden samengevat.</al>
      <al>Gedurende het jaar kan, na publikatie, een budget worden opgehoogd (artikel
2, derde lid).</al>
      <al>In bijzondere gevallen kan, mits dit geen invloed heeft op ingediende
aanvragen, het budget worden verlaagd (artikel 2, zesde lid).</al>
      <al>Indien voor de afloop van het jaar duidelijk wordt dat het budget voor
de uitvoering van een bepaald programma te ruim is, terwijl ook reeds duidelijk
is dat het budget dat beschikbaar was gesteld voor een ander programma ontoereikend
is, kan de minister besluiten tot overheveling van een gedeelte van dit budget
van het ene naar het andere programma. Hij maakt deze overheveling, inclusief
de grootte daarvan, bekend in de Staatscourant. Een beslissing daartoe kan
het gehele jaar worden genomen, maar moet altijd worden genomen voor 1 november
van het desbetreffende jaar.</al>
      <al>Indien een voor een programma beschikbaar budget gedurende het jaar uitgeput
is, doet de minister daarvan mededeling in de Staatscourant en vermeldt daarbij
dat geen aanvragen meer op grond van dat programma kunnen worden ingediend.
Dit teneinde te voorkomen dat aanvragen worden ingediend waarvan bij voorbaat
al vaststaat dat ze niet kunnen worden gehonoreerd. De reeds ingediende aanvragen,
welke zouden leiden tot budgetoverschrijding, moeten op grond van artikel
9 immers worden afgewezen. Aanhouding van de aanvraag tot het volgende jaar
is een oplossing wanneer men aan ziet komen dat er een aanvulling van het
budget mogelijk zal zijn (zie artikel 8, vierde lid).</al>
      <al>Tijdens het lopende jaar kunnen, indien het totale bedrag voor de uitvoering
van dit besluit nog niet is uitgeput, in de Staatscourant nieuwe programma's
met bijbehorende budgetten worden gepubliceerd door de minister.</al>
      <tuskop letat="vet">II. Artikelsgewijs</tuskop>
      <tuskop letat="vet">Artikel 1</tuskop>
      <al>Voor onderdeel b wordt verwezen naar § 7.</al>
      <al>Onderdeel n is ontleend aan de Kaderwet verstrekking financiële middelen
EZ. Deze definitie heeft met name betekenis in verband met artikel 4, tweede
lid, onder b.</al>
      <tuskop letat="vet">Artikel 3</tuskop>
      <al>Op dit artikel is al ingegaan in § 5 van deze nota.</al>
      <al>Centraal staat dat het moet gaan om een project in de zin van dit besluit
en dat dit project moet passen in een programma dat krachtens dit besluit
is vastgesteld. Dit betekent dat de activiteiten moeten voldoen aan één
van de in artikel 1 gedefinieerde projectcategorieën (haalbaarheidsproject,
onderzoeks- of ontwikkelingsproject, praktijkexperiment, kennisoverdrachtproject,
demonstratieproject, marktintroduktieproject of toepassingsproject), dat het
project moet passen in de in een programma opgenomen beschrijving
van doelstellingen en projecten en dat in het betreffende programma is voorzien
in het verstrekken van een bijdrage aan de betrokken projectcategorie.</al>
      <tuskop letat="vet">Artikel 4</tuskop>
      <al>In het tweede lid van dit artikel zijn per projectcategorie maximum percentages
en maximum bedragen opgenomen.</al>
      <al>Voor wat betreft onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten die worden uitgevoerd
door het midden- en kleinbedrijf is daarbij voorzien in een verwijzing naar
de Communautaire kaderregeling inzake overheidssteun voor het midden- en kleinbedrijf
van de Commissie van de Europese Gemeenschappen (PbEG 1992, C213). Daarin
wordt «kleine of middelgrote onderneming» gedefinieerd als een
onderneming die:</al>
      <al>– ten hoogste 250 werknemers heeft;</al>
      <al>– een jaaromzet heeft van niet meer dan 20 miljoen ecu, of een balanstotaal
heeft van niet meer dan 10 miljoen ecu, en</al>
      <al>– waarvan niet meer dan 25% van het kapitaal in het bezit is van
één of meerdere ondernemingen die niet aan deze definitie voldoen,
met uitzondering van publieke investeringsmaatschappijen, participatiemaatschappijen
of, mits geen controle wordt uitgeoefend, institutionele beleggers.</al>
      <al>Een soortgelijke verwijzing komt ook voor in het Besluit subsidies energieprogramma's.</al>
      <al>In een programma kunnen op grond van het derde lid per projectcategorie
evenwel lagere percentages en/of maximum bedragen worden vastgesteld. Het
vierde lid voorziet in een regeling bij samenloop met andere bijdragen van
rijkswege en/of van de Europese Unie.</al>
      <al>Daarbij moet gedacht worden aan elke financiële tegemoetkoming onder
welke benaming dan ook. Zo is de mogelijkheid tot vermindering van af te dragen
belasting in verband met speur- of ontwikkelingswerk, die de Wet bevordering
speur- en ontwikkelingswerk biedt, eveneens als een financiële tegemoetkoming
in de zin van artikel 4, vierde lid, aan te merken.</al>
      <al>Ditzelfde geldt voor de in de Wet Vreugdenhil en Vermeend (Stb. 1994,
610) opgenomen mogelijkheid van vervroegde afschrijving van aanschaffings-
of voortbrengingskosten van bedrijfsmiddelen, die zijn aangewezen als bedrijfsmiddelen
die in het belang zijn van de bescherming van het milieu.</al>
      <al>Daarnaast kan krachtens het vijfde lid in een programma een samenloop
met bijdragen krachtens andere regelingen van rijkswege geheel worden uitgesloten.
Het onderscheid tussen het vierde en het vijfde lid bestaat hierin dat de
samenloop van het vierde lid wordt toegestaan tot het in dit besluit toegestane
percentage. Indien echter gebruik wordt gemaakt van de bevoegdheid van het
vijfde lid is het resultaat dat de aanvrager ook al heeft hij een veel kleiner
percentage ontvangen op grond van de betreffende andere regeling, dan op grond
van deze regeling mogelijk zou zijn, hij ook voor deze aanvulling niet in
aanmerking komt op grond van het betreffende programma. Het staat de aanvrager
uiteraard wel vrij om verschillende aanvragen op grond van verschillende programma's
in te dienen. De bepaling verhindert echter dat deze aanvrager uiteindelijk
twee bijdragen ontvang terzake van hetzelfde project. In de huidige praktijk
worden dergelijke uitsluitingen ook reeds opgenomen in programma's. Een voorbeeld
is het Programma Milieutechnologie 1994, waarin wordt bepaald dat niet in
aanmerking komen projecten waarvoor een bijdrage is toegezegd of verstrekt
krachtens de subsidieregeling Programmatische Bedrijfsgerichte Technologie
Stimulering (PBTS).</al>
      <tuskop letat="vet">Artikel 5</tuskop>
      <al>In dit artikel is een limitatieve omschrijving van de projectkosten opgenomen,
die in aanmerking worden genomen bij de toepassing van artikel 4. Daarnaast
is deze omschrijving onder meer van belang bij de toepassing van artikel 3,
tweede lid, onder b, en artikel 11, eerste lid, onder a. Bij de vraag welke
kosten aan het project zijn toe te rekenen, zal de aard van het project mede
een rol spelen. Zo zal bij een onderzoeks- of ontwikkelingsproject de aanschaf
van apparatuur, die ook bruikbaar is voor andere doeleinden dan die van het
project, niet of niet volledig tot de projectkosten gerekend kunnen worden
(eerste lid onder a, 4°). Bij de bepaling van de loonkosten (eerste lid
onder a, 2°) wordt uitgegaan van het fiscale loon, zoals dat moet worden
ingevuld op de loonstaat, die door de werkgever moet worden bijgehouden ingevolge
de Wet op de loonbelasting 1964. Hierbij gaat het om het personeel dat rechtstreeks
produktieve arbeid verricht ten behoeve van het project. De arbeidsuren van
dit personeel dienen verantwoord te worden. Daartoe is het nodig een sluitende
tijdschrijving bij te houden. Daarbij wordt uitgegaan van 1600 produktieve
uren per jaar. Leidinggevend en toezichthoudend personeel wordt niet tot het
direct betrokken personeel gerekend. Een vergoeding voor de daarmee samenhangende
kosten is begrepen in de opslag voor algemene kosten, die forfaitair is vastgesteld
op 40% van de loonkosten. Onder sociale lasten worden verstaan de werkgeverslasten
terzake van sociale verzekering, VUT en pensioen.</al>
      <al>In het vierde lid is bepaald dat een programma erin kan voorzien dat,
in afwijking van het voorgaande, bij de berekening van het uurloon en de vaststelling
van het opslagpercentage kan worden aangesloten bij een voor de gehele organisatie
van de aanvrager geldende controleerbare methodiek.</al>
      <al>Onder verbruikte materialen worden stoffen verstaan, die bestemd zijn
voor eenmalig gebruik ten behoeve van het project en die na be- of verwerking
geen zelfstandige zaak meer zijn. Een prototype of pilotplant valt derhalve
niet onder dit begrip verbruikt materiaal.</al>
      <al>Bij de onder 5° bedoelde, aan derden verschuldigde kosten valt te
denken aan kosten van adviesbureaus, onderzoeksinstituten en laboratoria,
voorzover zij niet onder de eerder genoemde projectkosten vallen.</al>
      <al>Het zesde lid brengt tot uitdrukking dat alleen die investeringskosten
in aanmerking komen die betrekking hebben op de extra investeringen die noodzakelijk
zijn voor het verwezenlijken van de milieudoelstelling. Dit is een uitwerking
van het algemene beginsel dat alleen de extra kosten van de milieuvoorziening
in aanmerking komen. Uitsluitend bij de in het zesde lid genoemde categorieën
van projecten kan het gaan om investeringen in produktiemiddelen. Mede met
het oog op de Europese regelgeving voor Staatssteun, waarbij met name wordt
gewezen op de Communautaire kaderregeling inzake staatssteun ten behoeve van
het milieu, is hiervoor een expliciete beperking noodzakelijk geacht.</al>
      <tuskop letat="vet">Artikel 6</tuskop>
      <al>In paragraaf 4 en 6 van het algemeen deel van de nota van toelichting
is reeds ingegaan op de bijdrageverstrekking aan bepaalde aangewezen categorieën
van objecten. Daarbij valt te denken aan bijdragen voor soortgelijke objecten
als degene die voorheen op grond van de Bijdragenregeling schone en lawaai-arme
vrachtwagens en bussen en de Bijdragenregeling Nox-arme gasmotoren/WK werden
gesubsidieerd. Als voorbeeld kan worden genoemd een bijdrage voor de kosten
van aanschaf van bepaalde c.v.-ketels, katalysatoren en dergelijke. In de
desbetreffende programma's zal de categorie van objecten die in aanmerking
komt voor een bijdrage worden aangewezen.</al>
      <al>Het vereiste dat deze objecten in hoofdzaak bestemd dienen te zijn voor daadwerkelijk gebruik in Nederland is opgenomen ten einde een oneigenlijk
gebruik van het besluit tegen te gaan.</al>
      <al>De Bijdrageregeling schone en lawaai-arme vrachtwagens en bussen kende
eveneens een dergelijke bepaling. Immers zonder deze bepaling zou het bijvoorbeeld
mogelijk zijn dat het object, waarvoor een bijdrage is toegekend, in gebruik
is bij een buitenlandse vestiging van de onderneming waaraan een bijdrage
is verstrekt. Zoals in het eerste lid van artikel 3 is bepaald, dat de aanvrager
in hoofdzaak in Nederland een project uitvoert, is met betrekking tot objecten
de eis van gebruik in Nederland gesteld.</al>
      <tuskop letat="vet">Artikel 7</tuskop>
      <al>Op grond van artikel 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht bevat de aanvraag
in ieder geval de naam en het adres van de aanvrager, de dagtekening en een
aanduiding van de aanvraag. Op grond van het tweede lid kunnen bij ministeriële
regeling nadere regels worden gesteld; deze bevoegdheid houdt onder meer in
dat voor de aanvraag formulieren kunnen worden vastgesteld, waarvan het gebruik
verplicht kan worden gesteld.</al>
      <al>Opgemerkt kan nog worden dat op grond van artikel 2, tweede lid, onder
g bekend gemaakt moet worden in welke periode een aanvraag kan worden ingediend.
Dit houdt in dat bij de bekendmaking van het programma altijd duidelijk moet
worden aangegeven of een bepaalde indieningstermijn van toepassing is en zo
ja welke.</al>
      <al>De achtergrond van het derde lid is een praktische. Gebleken is dat indien
het indienen per fax wordt toegestaan, hierdoor congesties en technische problemen
ontstaan bij degene bij wie de aanvragen moeten worden ingediend. Hiermee
zijn de aanvragers niet gediend.</al>
      <tuskop letat="vet">Artikel 8</tuskop>
      <al>Hoofdregel is, op grond van het eerste lid, dat de programmabeheerder
binnen vier maanden nadat een aanvraag is ontvangen, een beslissing daarop
geeft.</al>
      <al>Wordt deze termijn niet gehaald, dan wordt de aanvrager daarvan in kennis
gesteld en wordt hem een redelijke termijn medegedeeld waarbinnen wel een
beslissing volgt. De bovengenoemde termijn wordt, zoals in § 4 al
werd vermeld, op grond van artikel 4:15 van de Algemene wet bestuursrecht,
geschorst gedurende de tijd die de aanvrager nodig heeft om op verzoek van
de programmabeheerder de aanvraag compleet te maken.</al>
      <al>Het tweede lid betreft de situatie dat ten aanzien van de aanvrager een
verzoek tot surséance van betaling of een faillissement loopt.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het derde lid betreft de volgorde waarin de aanvragen worden behandeld.
De volgorde waarin de aanvragen worden ingediend bepaalt in eerste instantie
de volgorde waarin zij in behandeling worden genomen. Dit brengt echter nog
niet mee dat ook de beslissingen op die aanvragen ook in deze volgorde worden
gegeven. De aanvragen zullen immers – behalve bij de bijdragen genoemd
in artikel 6, die vaak een standaardkarakter zullen hebben – veelal
verschillen van aard en de behandeling ervan zal naar gelang van de ingewikkeldheid
meer of minder tijd vergen. Daarom is in dit besluit ook niet voorgeschreven
dat moet worden beslist in de volgorde van binnenkomst van de aanvragen; het
is immers heel goed denkbaar en ook niet bezwaarlijk om een later binnengekomen
aanvraag eerder af te handelen dan een eerder binnengekomen aanvraag die ingewikkelder
is en derhalve meer tijd vergt. Bij een voor honorering van alle aanvragen
toereikend budget zal de volgorde van binnenkomst dus geen beslissende rol
spelen. Die volgorde is echter van belang, omdat zij bij een
niet toereikend budget wel doorslaggevend is bij de vraag welke van de in
aanmerking komende aanvragen moet worden gehonoreerd. Dan geeft de volgorde
van binnenkomst de doorslag. Deze regel is neergelegd in het derde lid. Daarbij
is ook aangegeven dat een aanvraag pas gaat meetellen op het moment dat zij
compleet is, dat wil zeggen «voldoet aan de daarvoor geldende wettelijke
voorschriften». Dit is bepaald om te voorkomen dat «pro forma»
ingediende aanvragen, die nog moeten worden aangevuld en verbeterd, bevoordeeld
zouden worden boven aanvragen die later binnenkomen maar wel meteen aan alle
vereisten voldoen.</al>
      <al>In het vierde lid wordt voorzien in de mogelijkheid van het «meenemen»
van aanvragen naar het volgende jaar.</al>
      <al>Het praktische voordeel van deze mogelijkheid is dat de aanvragers, van
wie de aanvraag als gevolg van uitputting van het voor dat jaar beschikbaar
gestelde budget, in dat jaar zonder meer zou moeten worden afgewezen, niet
genoodzaakt worden om in het volgende jaar hun aanvraag opnieuw in te dienen.
Ook voor de programmabeheerder kan deze mogelijkheid een verlichting van administratieve
lasten betekenen. Deze mogelijkheid ligt vooral voor de hand bij programma's
die een aantal jaren doorlopen. De programmabeheerder kan, indien hij voor
deze mogelijkheid kiest, volstaan met een mededeling aan de aanvragers, dat
hun aanvraag wordt aangehouden. Een dergelijke handelwijze betekent uiteraard
geenszins dat de aanvraag in het volgende jaar zal worden gehonoreerd. De
mededeling houdt slechts in dat, in afwijking van de hoofdregel, die zou meebrengen
dat de betreffende aanvragen automatisch zouden moeten worden afgewezen om
budgettaire gronden, door de programmabeheerder besloten is om gebruik te
maken van de mogelijkheid om de aanvragen mee te nemen naar het volgende jaar.</al>
      <al>Bij de beoordeling van de projecten kan aan externe deskundigen advies
worden gevraagd ten aanzien van de kwaliteit van het project (de beoordeling;
de «ranking»). Het vijfde lid opent hiertoe de mogelijkheid.</al>
      <tuskop letat="vet">Artikel 9</tuskop>
      <al>De afwijzingsgronden voor de beschikking zijn ontleend aan bestaande regelingen.
Zo is de onder a genoemde afwijzingsgrond (het handelen in strijd met de geldende
verplichtingen) ook vermeld in het Besluit tenders industriële energiebesparing,
het Besluit subsidies informatietechnologie en het Besluit subsidies energieprogramma's.
De Stimuleringsregeling milieutechnologie, het eerdergenoemde Besluit subsidies
energieprogramma's en het Bijdragenbesluit Bedrijfsinterne milieuzorg kennen
eveneens de onder b genoemde afwijzingsgrond. De onder c vermelde afwijzingsgrond
komt tevens voor in het eerdergenoemde Besluit tenders industriële energiebesparing
en het Besluit subsidies energieprogramma's, terwijl de onder d genoemde afwijzingsgrond
in vele subsidieregelingen is opgenomen namelijk de Regeling diverse bijdragen
milieubeheer, alsmede het eerdergenoemde Bijdragenbesluit bedrijfsinterne
milieuzorg, het Besluit tenders industriële energiebesparing, het Besluit
subsidies informatietechnologie en het Besluit subsidies energieprogramma's.
De genoemde afwijzingsgronden zijn geformuleerd als verplichte afwijzingsgronden.
Dat betekent dat als de aangegeven situatie zich voordoet, de aanvraag moet
worden afgewezen.</al>
      <al>Dit is onder meer het geval indien gegronde reden bestaat aan te nemen,
dat de aanvrager zal handelen in strijd met de voorschriften die op grond
van artikel 11 aan de beschikking zelf kunnen worden verbonden, maar ook indien
hij zal handelen in strijd met de verplichtingen die voor hem gelden op grond
van de Wet milieubeheer of op grond van artikel 12 van dit besluit.</al>
      <al>Uit dit artikel volgt verder dat er voldoende vertrouwen dient te bestaan
dat het project volledig zal worden uitgevoerd. Als dit vertrouwen er niet is, moet de aanvraag op grond van dit artikel, onder b, namelijk worden
afgewezen. Redenen voor twijfels over de volledige uitvoering van het project
kunnen onder meer gelegen zijn in:</al>
      <al>– onzekerheid over de financiering van het project;</al>
      <al>– onzekerheid over de continuïteit, of</al>
      <al>– het ontbreken van de benodigde vergunningen of ontheffingen.</al>
      <al>De opsomming van afwijzingsgronden is niet limitatief. De aanvraag kan
uiteraard ook worden afgewezen indien zij niet voldoet aan de doelstellingen
van het programma.</al>
      <tuskop letat="vet">Artikel 10</tuskop>
      <al>Op het karakter van de tender is ook al ingegaan in § 4. Een
tender is een bepaalde methode om de aanvragen te behandelen. De regels van
dit besluit zijn hierop in beginsel gewoon van toepassing. Wel zijn er enkele
bijzondere kenmerken van de tender, met het oog waarop artikel 10 enkele op
deze figuur toegespitste voorschriften geeft.</al>
      <tuskop letat="vet">Artikel 11</tuskop>
      <al>Kortheidshalve wordt bij het eerste lid verwezen naar § 6, waarin
is gewezen op de noodzaak van motivering van de beschikking op grond van de
Algemene wet bestuursrecht.</al>
      <al>Op grond van het tweede lid is de programmabeheerder bevoegd aan de beschikking
verplichtingen te verbinden. Deze vormen dan een aanvulling op de verplichtingen
die rechtstreeks gelden op grond van de Wet milieubeheer en op grond van artikel
12 van dit besluit.</al>
      <al>In sommige gevallen is het wenselijk om de beschikking onder een bepaalde
voorwaarde te geven. Het kan hierbij gaan om een opschortende of een ontbindende
voorwaarde. Deze voorwaarde mag niet inhouden een handeling die volledig in
de macht is van hetzij de aanvrager, hetzij de programmabeheerder. Er moet
sprake zijn van een gebeurtenis waarvan het plaatsvinden dus niet uitsluitend
afhangt van een van de betrokken «partijen». Dit beginsel is expliciet
vastgelegd in artikel 4.2.3.5 van het wetsvoorstel Derde tranche van de Algemene
wet bestuursrecht. Een gedragsregel voor de aanvrager behoort bijvoorbeeld
als voorschrift aan de beschikking tot verlening van de bijdrage te worden
verbonden. Bij voorwaarden is te denken aan de situatie dat de aanvrager nog
een bepaalde vergunning moet krijgen, nog een bepaalde financiering rond moet
krijgen of een overeenkomst met een derde moet sluiten om het project te kunnen
starten.</al>
      <al>In dergelijke gevallen kan het praktisch zijn een voorwaarde op te nemen
in de beschikking. Wanneer de voorwaarde dan niet vervuld wordt, krijgt de
beschikking geen werking (hetgeen iets anders is dan in werking treden) of –
bij een ontbindende voorwaarde – vervalt zij van rechtswege. Een voordeel
is dat betrokkenen van elkaar af zijn en dat geen intrekking van de beschikking
behoeft plaats te vinden.</al>
      <tuskop letat="vet">Artikel 12</tuskop>
      <al>In dit artikel worden verplichtingen van de aanvrager opgesomd die rechtstreeks
op grond van dit besluit gelden. In onderdeel b is verplicht gesteld dat de
aanvrager over de voor de uitvoering van het project benodigde vergunningen
en ontheffingen dient te beschikken. Gedacht moet onder meer worden aan vergunningen
en ontheffingen op grond van de Wet milieubeheer, de bouwvergunning.</al>
      <al>Ten aanzien van de verplichting, in onderdeel e genoemd, namelijk de verplichting
om mee te werken aan openbaarmaking, kan opgemerkt worden, dat deze verplichting
niet zo ver gaat, dat ook vertrouwelijke bedrijfsgegevens openbaar dienen
te worden gemaakt.</al>
      <tuskop letat="vet">Artikelen 13 en 14</tuskop>
      <al>Na de beslissing tot verlening van de bijdrage dient de aanvrager binnen
zes maanden na afloop van de het project een verzoek tot vaststelling van
de definitieve bijdrage bij de programmabeheerder in te dienen. Binnen dertien
weken na ontvangst wordt op dit verzoek beslist. Indien geen verzoek tot vaststelling
wordt gedaan door de aanvrager, stelt de programmabeheerder hem een termijn
waarbinnen zulks dient te worden gedaan. Indien na deze termijn nog geen volledig
verzoek is gedaan beslist de programmabeheerder ambtshalve. De bevoegdheid
om nadere regels te stellen op grond van het tweede lid omvat onder meer de
bevoegdheid om een formulier vast te stellen voor de verslaglegging, en het
gebruik daarvan verplicht te stellen, of een controleprotocol vast te stellen
voor de toetsing door de accountant.</al>
      <tuskop letat="vet">Artikel 15</tuskop>
      <al>Zoals in § 6 al werd opgemerkt wordt de aanspraak van de aanvrager
op een bijdrage definitief bij de vaststelling van de bijdrage. De vaststelling
geschiedt in beginsel op basis van de beschikking tot verlening. In het geval
van een bijdrageverstrekking ten behoeve van bepaalde objecten wordt een afwijkende
procedure gevolgd. Aan de beschikking tot vaststelling van de bijdrage gaat
geen beschikking tot verlening van de bijdrage vooraf. Ook zal de procedure
tot vaststelling van de bijdrage niet op dezelfde wijze als bij projecten
plaatsvinden. Zo is overlegging van een verslag omtrent het verloop van het
project en een financieel verslag omtrent de realisatie van de projectkosten
hier niet aan de orde.</al>
      <al>Voorts kunnen zich omstandigheden voordoen dat het onjuist zou zijn de
bijdrage vast te stellen op basis van de beschikking tot verlening en moet
de bijdrage op een lager bedrag kunnen worden vastgesteld. Hiervoor biedt
artikel 15 een regeling. Dit artikel bepaalt in welke gevallen een bijdrage
lager mag worden vastgesteld.</al>
      <al>De gronden genoemd onder a en b spreken voor zichzelf.</al>
      <al>Bij de onder c genoemde grond kan worden opgemerkt dat hiervoor een verwijtbaarheid
van de betrokkene niet nodig is. Het gaat hier om de onjuistheid van de gegevens
die tot een andere beschikking tot verlening zouden hebben geleid, doch die
pas later aan het licht komen. De beschikking tot verlening is achteraf gezien
op onjuiste informatie gebaseerd en daarom moet alsnog een neerwaartse aanpassing
kunnen plaatsvinden om de bijdrage af te stemmen op de juiste gegevens.</al>
      <al>De onder d bedoelde grond heeft betrekking op de situatie dat de beschikking
los van de gegevens die de aanvrager heeft verstrekt onjuist is. Te denken
is aan typefouten in de bedragen of andere, evidente vergissingen. Hiervoor
is uiteraard wel vereist dat de aanvrager deze fout kende of behoorde te kennen,
aangezien hij normaliter, dat wil zeggen als hij te goeder trouw is, mag rekenen
op de juistheid van hetgeen in de beschikking is bepaald.</al>
      <tuskop letat="vet">Artikel 16</tuskop>
      <al>In § 6 werd al vermeld dat uit de Algemene wet bestuursrecht
de motiveringseis van beschikkingen voortvloeit.</al>
      <al>In de vaststellingsbeschikking wordt daarnaast op grond van het eerste
lid het bedrag van de bijdrage vermeld, waarop de aanvrager recht heeft. Dit
bedrag wordt vastgesteld naar aanleiding van de toetsing, waarvoor artikel
13 regels geeft. Het bedrag kan nooit hoger zijn dan de gemaakte kosten. Deze
vaststelling moet los worden gezien van de eventuele bevoorschotting, die
in veel gevallen dan inmiddels al heeft plaatsgevonden, als gevolg waarvan
de begunstigde reeds een deel van het in de vaststellingsbeschikking vermelde
bedrag heeft ontvangen. Die bevoorschotting beïnvloedt immers
niet de hoogte waarop de betrokkene krachtens de vaststellingsbeschikking
recht heeft, maar uitsluitend de hoogte van het bedrag dat hem feitelijk nog
moet worden uitbetaald. Met het oog daarop wordt in het derde lid bepaald
dat dergelijke voorschotten worden verrekend bij de uitbetaling van de bijdrage.</al>
      <tuskop letat="vet">Artikel 17</tuskop>
      <al>Intrekking van de beschikking tot verlening van een bijdrage is mogelijk
op de gronden, vermeld in artikel 15.19, eerste lid, van de Wet milieubeheer.</al>
      <al>Dat artikel vermeldt niet wat de gevolgen zijn van een intrekking. Daarvoor
geeft het onderhavige artikel een regeling.</al>
      <al>Het eerste lid heeft betrekking op de situatie dat de intrekking plaatsvindt
voordat de vaststelling heeft plaatsgevonden. De intrekking werkt in de regel
«ex tunc», dat wil zeggen tot en met het moment van de beschikking
tot verlening van de bijdrage. Hieruit volgt dat eventuele reeds verrichte
betalingen onverschuldigd zijn betaald en uit dien hoofde teruggevorderd kunnen
worden. Op grond van artikel 15.19, derde lid, van de Wet milieubeheer zijn
dergelijke betalingen terstond opeisbaar. Een ander gevolg van deze regel
is dat geen verplichting meer bestaat om een vaststellingsbeschikking te nemen;
de grondslag hiervoor is vervallen. Er kunnen echter in bepaalde omstandigheden
goede redenen zijn om van deze hoofdregel af te wijken. Dit kan zich bijvoorbeeld
voordoen wanneer de redenen voor de intrekking een dergelijke rigoureuze ingreep
niet rechtvaardigen en een intrekking «ex nunc», of vanaf het
moment dat bijvoorbeeld verplichtingen niet meer werden nageleefd, meer op
haar plaats is. Daarom is in dit artikel bepaald dat bij de intrekkingsbeschikking
van de hoofdregel kan worden afgeweken. Het is van belang dat in de intrekkingsbeschikking
over de omvang van de intrekking en de eventuele resterende verplichtingen
duidelijkheid wordt verschaft. Dit geldt vooral als sprake is van een gedeeltelijke
intrekking. In dat laatste geval is er immers vaak nog een financiële
verplichting van de overheid jegens de aanvrager. In het geval van gehele
of gedeeltelijke intrekking moet de vaststelling van de bijdrage geschieden
met inachtneming van hetgeen is bepaald in de intrekkingsbeschikking. Dit
is bepaald in artikel 15, derde lid.</al>
      <al>Het tweede lid betreft de situatie dat de vaststelling van de beschikking
al heeft plaatsgevonden. Intrekking in deze fase zal een hoge uitzondering
zijn, maar kan niet geheel worden uitgesloten. Het gevolg is dat de vaststellingsbeschikking
vervalt voor het ingetrokken gedeelte en dat eventuele betalingen kunnen worden
teruggevorderd uit onverschuldigde betaling.</al>
      <tuskop letat="vet">Artikelen 18 en 19</tuskop>
      <al>Indien een bijdrage is verleend kan aan de aanvrager een voorschot worden
verstrekt tot ten hoogste 80% van de verleende bijdrage. Onder «voorschot»
wordt in dit besluit verstaan elke betaling die vooruitloopt op de beschikking
tot vaststelling, en waarbij reeds door de aanvrager gemaakte kosten worden
betaald. Het gaat derhalve niet om vooruitbetalingen van kosten die de aanvrager
nog moet maken; dergelijke betalingen kunnen op grond van het onderhavige
besluit niet worden gedaan. De programmabeheerder beslist binnen acht weken
na het verzoek daartoe. Dit verzoek zal veelal worden gedaan in de vorm van
een declaratie van de kosten. De programmabeheerder beslist dan hetzij positief,
veelal in de vorm van het verrichten van uitbetaling, hetzij negatief, door
een afwijzende beschikking.</al>
      <tuskop letat="vet">Artikelen 20 en 21</tuskop>
      <al>In het eerste lid van artikel 20 worden de gronden voor afwijzing van
een verzoek om voorschotverlening vermeld. Het tweede lid bepaalt dat een
beslissing op een verzoek wordt aangehouden, indien een verzoek tot verlening
van surséance van betaling aan of een faillietverklaring van de aanvrager
bij de rechtbank is ingediend.</al>
      <al>Daarnaast kan de programmabeheerder, nadat positief op een verzoek om
voorschotverlening is beslist deze alsnog opschorten of stopzetten, indien
de aanvrager handelt in strijd met de voor hem geldende verplichtingen.</al>
      <al>Behalve in het geval dat de aanvrager niet voldoet aan de voor hem geldende
verplichtingen worden eveneens geen voorschotten meer betaald indien een verzoek
tot verlening van surséance van betaling aan of een faillietverklaring
van de aanvrager bij de rechtbank is ingediend. Deze bepaling kan beschouwd
worden als een aanvulling op hetgeen reeds in de Wet milieubeheer is bepaald
over de gevolgen van surséance van betaling en faillissement. Op grond
van artikel 15.18, tweede lid, van die wet moet een aanvraag om een bijdrage
worden afgewezen wanneer de aanvrager failliet is verklaard. Artikel 15.19,
tweede lid, van die wet bepaalt, dat de beschikking op de aanvraag om een
bijdrage vervalt zodra de aanvrager failliet is verklaard, wanneer dit gebeurt
voor de betaling van het definitief vastgestelde bedrag. De onderhavige bepaling
heeft het oog op de daaraan voorafgaande situatie, waarin de beschikking nog
niet is vervallen en waarin een verzoek tot voorschotverlening is gedaan.</al>
      <al>Tenslotte kan de beschikking tot voorschotverlening worden ingetrokken
in het geval dat de aanvrager onjuiste gegevens heeft verstrekt of heeft nagelaten
bepaalde gegevens te verstrekken.</al>
      <tuskop letat="vet">Artikel 22</tuskop>
      <al>In het eerste lid worden de regelingen genoemd die zullen worden ingetrokken;
ten aanzien van reeds ingediende aanvragen blijven deze regelingen echter
van toepassing.</al>
      <al>De voorziening in het derde lid strekt ertoe te bewerkstelligen dat programma's
die – veelal in het begin van het jaar – zijn vastgesteld, als
gevolg van de inwerkingtreding van dit besluit in het lopende jaar zouden
moeten worden aangepast. Dat zou een onnodige werklast meebrengen. Uiteraard
moeten programma's die na de inwerkingtreding van het besluit worden vastgesteld,
wel gebaseerd worden op dit besluit.</al>
      <minister>
        <minvan>De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,</minvan>
        <naam>Margaretha de Boer</naam>
      </minister>
    </notatoe>
  </backm>
</staatsbl>