﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<!DOCTYPE staatsbl PUBLIC "-//SDU//DTD staatsblad xml 1.1//NL" "../../dtd/staatsbl-11.dtd"[]>
<staatsbl id="sb995.658" soort="kb" publtype="kobe">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-1995-658/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel status="off">Staatsblad</titel>
    <subtitel>van het Koninkrijk der Nederlanden</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.4" conv="OPmaat" markup="c1xa"></versie>
    <ordernr>51U0714</ordernr>
    <stb>
      <jaargang jaar="1995">Jaargang 1995</jaargang>
      <stbjaar>1995</stbjaar>
      <stbnr>658 </stbnr>
    </stb>
    <intitule>
      <soort>Besluit</soort> van 7 december 1995, houdende aanwijzing
van de eenmalige uitkering aan het provinciepersoneel in 1994 en 1995 als
inkomsten die niet zijn ambtelijk inkomen in de zin van de Algemene burgerlijke
pensioenwet</intitule>
    <aanhef>
      <wie>Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.</wie>
      <consider>
        <al>Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 4 oktober
1995, nr. AB95/U1350, directoraat-generaal Management en Personeelsbeleid,
directie Arbeidszaken Overheid, afdeling Uitkeringen en Pensioenen;</al>
        <al>Gelet op <grslag>artikel C 1, eerste lid, onder 1, van de Algemene burgerlijke
pensioenwet</grslag>;</al>
        <al>De Raad van State gehoord (advies van 23 oktober 1995, no. W04.95.05440);</al>
        <al>Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van
29 november 1995, nr. AB95/1491, directoraat-generaal Management en Personeelsbeleid,
directie Arbeidszaken Overheid, afdeling Uitkeringen en Pensioenen;</al>
      </consider>
      <afkondig>Hebben goedgevonden en verstaan:</afkondig>
    </aanhef>
  </frontm>
  <body>
    <art id="a1">
      <kop>
        <nr>Artikel 1</nr>
      </kop>
      <al>Voor ambtenaren werkzaam bij een provincie wordt de eenmalige uitkering
in de maand mei van 1994 van f 400,–, eventueel vermenigvuldigd
met de deeltijdfactor, alsmede eenmalige uitkering in de maand december van
1995 van 0,75 procent van twaalf maal het in de maand november 1995 genoten
salaris, niet onder ambtelijk inkomen in de zin van de Algemene burgerlijke
pensioenwet begrepen.</al>
    </art>
    <art id="a2">
      <kop>
        <nr>Artikel 2</nr>
      </kop>
      <al>Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte
van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1
mei 1994. </al>
    </art>
  </body>
  <backm>
    <nawerk>
      <slotform>Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota
van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.</slotform>
      <histnoot>
        <al>Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond
van het bepaalde in artikel 25a, vijfde lid jo. vierde lid, onder b, van de
Wet op de Raad van State.</al>
      </histnoot>
      <ondertek>
        <ondplts>'s-Gravenhage, </ondplts>
        <onddatum>7 december 1995</onddatum>
        <koning>Beatrix </koning>
        <minister>
          <minvan>De Minister van Binnenlandse Zaken,</minvan>
          <naam>H. F. Dijkstal</naam>
        </minister>
      </ondertek>
      <uitgifte>
        <uitgifte-regel>Uitgegeven de <nadruk type="cur">achtentwintigste</nadruk> december 1995</uitgifte-regel>
        <uitdag>achtentwintigste</uitdag>
        <uitmaand>december</uitmaand>
        <uitjaar>1995</uitjaar>
        <door>
          <minvan>De Minister van Justitie,</minvan>
          <naam>W. Sorgdrager </naam>
        </door>
      </uitgifte>
    </nawerk>
    <notatoe>
      <kop>
        <titel status="off">NOTA VAN TOELICHTING</titel>
      </kop>
      <al>Op 15 september 1993 is in het Sectoroverleg Provinciale Arbeidsvoorwaarden
tussen de provincies, samenwerkend in het Interprovinciale Werkgeversverband
en de centrales van overheidspersoneel een onderhandelingsresultaat ondertekend
ter zake van de arbeidsvoorwaarden voor het provinciepersoneel voor de contractsperiode
1 april 1993 tot en met 30 september 1994. Dit akkoord is bekend gemaakt in
de brief van het Interprovinciaal Werkgeversverband (IWV) aan de colleges
van Gedeputeerde Staten van 6 oktober 1993 (IWV 90031/93). Genoemd onderhandelingsresultaat
omvat onder meer de verstrekking van een eenmalige uitkering aan het provinciepersoneel
van f 400,– bruto aan hen die de volledige maand april 1994 in
provinciale dienst waren. Aan deeltijdwerkers werd een bedrag toegekend naar
rato van het dienstverband. In het Onderhandelingsresultaat 1994/1997 arbeidsvoorwaarden
Sector Provincies, dat 8 november jl. door partijen is ondertekend, is voor
het jaar 1995 eveneens een eenmalige uitkering overeengekomen. Ten aanzien
van beide eenmalige uitkeringen is door partijen afgesproken dat daarover
geen pensioenbijdrage en andere premies dienen te worden berekend. Uit dien
hoofde dient de betreffende eenmalige uitkering ook niet te tellen bij de
pensioenberekening. Derhalve worden genoemde uitkeringen middels dit besluit
uitgezonderd van het ambtelijk inkomen in de zin van de Algemene burgerlijke
pensioenwet. Daar werd beoogd beide maatregelen in dezelfde regeling neer
te leggen heeft de formalisering van genoemde maatregel voor het jaar 1994
met terugwerkende kracht moeten plaatsvinden. Aan het Algemeen burgerlijk
pensioenfonds is verzocht om vooruitlopend, op de totstandkoming van de formele
regelgeving, reeds uitvoering te geven aan hetgeen is overeengekomen. </al>
      <minister>
        <minvan>De Minister van Binnenlandse Zaken,</minvan>
        <naam>H. F. Dijkstal</naam>
      </minister>
    </notatoe>
  </backm>
</staatsbl>