﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<!DOCTYPE staatsbl PUBLIC "-//SDU//DTD staatsblad xml 1.1//NL" "../../dtd/staatsbl-11.dtd"[]>
<staatsbl id="sb995.630" soort="kb" publtype="kobe">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-1995-630/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel status="off">Staatsblad</titel>
    <subtitel>van het Koninkrijk der Nederlanden</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.4" conv="OPmaat" markup="c1xa"></versie>
    <ordernr>51U0627</ordernr>
    <stb>
      <jaargang jaar="1995">Jaargang 1995</jaargang>
      <stbjaar>1995</stbjaar>
      <stbnr>630 </stbnr>
    </stb>
    <intitule>
      <soort>Besluit</soort> van 14 december 1995, houdende wijziging
van het Besluit aanwijzing categorieën instellingen of instanties die
voor erkenning in aanmerking komen</intitule>
    <aanhef>
      <wie>Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.</wie>
      <consider>
        <al>Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn
en Sport, mede namens de Staatssecretaris van Justitie, van 2 november 1995,
nr. DJB/JHV-95.3825;</al>
        <al>Gelet op <grslag>artikel 27, tweede lid, van de Wet op de jeugdhulpverlening</grslag>;</al>
        <al>De Raad van State gehoord, advies van 5 december 1995, nr. W13.95.0631;</al>
        <al>Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport, uitgebracht mede namens de Staatssecretaris van Justitie
van 13 december 1995, nr. DJB/JHV-95.4378;</al>
      </consider>
      <afkondig>Hebben goedgevonden en verstaan:</afkondig>
    </aanhef>
  </frontm>
  <body>
    <wart id="ai">
      <kop>
        <nr>ARTIKEL I</nr>
      </kop>
      <al>Artikel 2, tweede lid, van het <wartref doc="sb990.282">&gt;Besluit
aanwijzing categorieën instellingen of instanties die voor erkenning
in aanmerking komen</wartref><eindref refid="e1"></eindref>, komt te luiden:</al>
      <arttkst>
        <lid>
          <nr>2.</nr>
          <al>Dit besluit vervalt op 1 januari 1998.</al>
        </lid>
      </arttkst>
    </wart>
    <art id="aii">
      <kop>
        <nr>ARTIKEL II</nr>
      </kop>
      <al>Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte
van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. </al>
    </art>
  </body>
  <backm>
    <nawerk>
      <slotform>Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota
van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.</slotform>
      <eindnoot id="e1">
        <al>Stb. 1990, 282, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 21 december 1993,
Stb. 754.</al>
      </eindnoot>
      <histnoot>
        <al>Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond
van artikel 25a, vierde lid, onder b, van de Wet op de Raad van State, omdat
het uitsluitend opmerkingen van redactionele aard bevat.</al>
      </histnoot>
      <ondertek>
        <ondplts>'s-Gravenhage, </ondplts>
        <onddatum>14 december 1995</onddatum>
        <koning>Beatrix </koning>
        <minister>
          <minvan>De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,</minvan>
          <naam>E. G. Terpstra </naam>
        </minister>
        <minister>
          <minvan>De Staatssecretaris van Justitie,</minvan>
          <naam>E. M. A. Schmitz</naam>
        </minister>
      </ondertek>
      <uitgifte>
        <uitgifte-regel>Uitgegeven de <nadruk type="cur">zevenentwintigste</nadruk> december 1995</uitgifte-regel>
        <uitdag>zevenentwintigste</uitdag>
        <uitmaand>december</uitmaand>
        <uitjaar>1995</uitjaar>
        <door>
          <minvan>De Minister van Justitie,</minvan>
          <naam>W. Sorgdrager </naam>
        </door>
      </uitgifte>
    </nawerk>
    <notatoe>
      <kop>
        <titel status="off">NOTA VAN TOELICHTING</titel>
      </kop>
      <al>Het Besluit aanwijzing categorieën instellingen of instanties die
voor erkenning in aanmerking komen heeft van de aanvang af een beperkte werkingsduur
gekend. De achtergrond hiervan is dat bij de inwerkingtreding van de Wet op
de jeugdhulpverlening de kinder- en jeugdpsychiatrische (poli)klinieken en
de ziekenhuizen voor kindergeneeskunde slechts plaatsingservaring hadden gericht
op verwijzing naar medische kinderdagverblijven en medische kindertehuizen.
De instellingen konden daarom als plaatsende instantie niet worden gemist.
Wel zou onderzocht worden of in de praktijk niet met de in de wet genoemde
voor erkenning in aanmerking komende instanties volstaan zou kunnen worden.
In afwachting van een dergelijk onderzoek is de werkingsduur van het besluit
enige malen verlengd; de laatste maal tot 1 januari 1996.</al>
      <al>Inmiddels is het proces van plaatsing in de jeugdhulpverlening volop in
beweging. In het regeringsstandpunt Regie in de jeugdzorg (Kamerstukken II
1993/94, 23 400, nr. 100, XVI) zijn de contouren en uitgangspunten aangegeven
voor een vernieuwings- en ontwikkelingsproces, dat moet leiden tot een fundamentele
verbetering in de sturing, de samenhang en de inrichting van jeugdstelsels.
In het kader van een samenhangend hulpaanbod voor jeugdigen op regionaal niveau
is ten minste een verbeterde samenwerking in de jeugdzorg nodig. Eén
van de aspecten die bij de verbetering van de samenwerking van belang is,
is de wijze waarop toegang tot het hulpaanbod wordt verkregen. De functies
die in het kader van die toegang zijn te onderscheiden (aanmelding, (pré)diagnose,
indicatie, toewijzing) worden nu door een groot aantal verschillende instanties
uitgevoerd onder andere door adviesbureaus, Jongerenadviescentra (JAC's),
Regionale instellingen voor ambulante geestelijke gezondheidszorg (RIAGG's)
en instellingen voor (gezins)voogdij. Het streven is deze functies per regio
te clusteren, zodat er voor alle jeugdigen die zorg nodig hebben één
centrale toegang tot de jeugdzorg ontstaat. Het samenhangende proces van indicatiestelling
en zorgtoewijzing kan organisatorisch vormgegeven worden binnen een Bureau
Jeugdzorg. Dit kan feitelijk resulteren in een nieuwe organisatie die belast
wordt met de werkzaamheden die in het kader van een goede plaatsing van jeugdigen
in de hulpverlening te maken heeft. Er kan echter ook gekozen worden voor
een «functionele» regeling van de centrale toegang. In dat geval
komen vanuit bestaande organisaties deskundigen bijeen om de functies rond
de toegang uit te voeren. Tussen deze varianten in zijn nog andere denkbaar.
De uiteindelijke keuze voor de vormgeving van het functioneel op te bouwen
proces van indicatiestelling en zorgtoewijzing wordt per regio door de voorzieningen
en de overheid gemaakt.</al>
      <al>Uit het voorgaande blijkt dat de plaatsingsfunctie in het vernieuwingsproces
van de jeugdzorg een cruciale rol speelt. Het is gezien de in gang gezette
ontwikkelingen niet opportuun om op dit moment veranderingen in de bestaande
situatie aan te brengen, noch om het eerder voorgenomen evaluatie-onderzoek
alsnog uit te voeren. In verband hiermee is geopteerd voor een verlenging
van het besluit tot 1 januari 1998. Na afronding van het vernieuwingsproces
kan in het licht van de dan uitgekristalliseerde situatie worden bezien welke
consequenties de vernieuwde en verbeterde toegang tot de jeugdzorg voor dit
besluit heeft. </al>
      <al>Het onderhavige besluit is ingevolge artikel 5, derde lid, van de Wet
op de jeugdhulpverlening, als ontwerp in de Staatscourant (Stcrt. 1995, 154)
bekend gemaakt. Er zijn geen commentaren op dit ontwerp binnengekomen. </al>
      <minister>
        <minvan>De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,</minvan>
        <naam>E. G. Terpstra </naam>
      </minister>
      <minister>
        <minvan>De Staatssecretaris van Justitie,</minvan>
        <naam>E. M. A. Schmitz</naam>
      </minister>
    </notatoe>
  </backm>
</staatsbl>