﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<!DOCTYPE staatsbl PUBLIC "-//SDU//DTD staatsblad xml 1.1//NL" "../../dtd/staatsbl-11.dtd"[]>
<staatsbl id="sb995.583" soort="kb" publtype="kobe">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-1995-583/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel status="off">Staatsblad</titel>
    <subtitel>van het Koninkrijk der Nederlanden</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.4" conv="OPmaat" markup="c1xa"></versie>
    <ordernr>51U0652</ordernr>
    <stb>
      <jaargang jaar="1995">Jaargang 1995</jaargang>
      <stbjaar>1995</stbjaar>
      <stbnr>583 </stbnr>
    </stb>
    <intitule>
      <soort>Besluit</soort> van 24 november 1995, houdende instelling
van een Voorlopige raad voor de volksgezondheid en de zorggerelateerde dienstverlening
(Besluit Voorlopige raad voor de volksgezondheid en de zorggerelateerde dienstverlening)</intitule>
    <aanhef>
      <wie>Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.</wie>
      <consider>
        <al>Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
van 20 november 1995, CDWJZ-U-95.2218;</al>
      </consider>
      <afkondig></afkondig>
    </aanhef>
  </frontm>
  <body>
    <par>
      <kop>
        <nr>§ 1.</nr>
        <titel status="off">Begripsomschrijvingen </titel>
      </kop>
      <art id="a1">
        <kop>
          <nr>Artikel 1</nr>
        </kop>
        <al>In dit besluit wordt verstaan onder:</al>
        <al>Onze Minister: Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.</al>
      </art>
    </par>
    <par>
      <kop>
        <nr>§ 2.</nr>
        <titel status="off">Instelling en samenstelling </titel>
      </kop>
      <art id="a2">
        <kop>
          <nr>Artikel 2</nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1.</nr>
          <al>Er is een Voorlopige raad voor de volksgezondheid en de zorggerelateerde
dienstverlening.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2.</nr>
          <al>De Raad heeft tot taak de regering en de beide kamers der Staten-Generaal
te adviseren over de hoofdlijnen van het te voeren beleid op het gebied van
de volksgezondheid en de zorggerelateerde dienstverlening alsmede op andere
gebieden, voor zover deze raakvlakken hebben met de volksgezondheid of de
zorggerelateerde dienstverlening.</al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a3">
        <kop>
          <nr>Artikel 3</nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1.</nr>
          <al>De Raad bestaat uit een voorzitter en ten hoogste acht andere leden.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2.</nr>
          <al>De Raad kan uit zijn midden ondervoorzitters aanwijzen.</al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a4">
        <kop>
          <nr>Artikel 4</nr>
        </kop>
        <al>De leden van de Raad worden bij koninklijk besluit benoemd. </al>
      </art>
      <art id="a5">
        <kop>
          <nr>Artikel 5</nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1.</nr>
          <al>De leden van de Raad zijn onafhankelijk en worden benoemd op grond van
hun deskundigheid.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2.</nr>
          <al>Ambtenaren die werkzaam zijn bij een ministerie of een daaronder ressorterende
instelling, dienst of bedrijf, worden niet benoemd tot lid van de Raad indien
zij in verband met hun werkzaamheden zijn betrokken bij de onderwerpen waarover
de Raad adviseert.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>3.</nr>
          <al>Bij de samenstelling van de Raad wordt gestreefd naar evenredige deelneming
aan de Raad van vrouwen en personen behorende tot etnische of culturele minderheden.</al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a6">
        <kop>
          <nr>Artikel 6</nr>
        </kop>
        <al>De leden van de Raad worden op eigen aanvraag door Onze Minister ontslagen.
Zij kunnen voorts bij koninklijk besluit worden geschorst en ontslagen wegens
ongeschiktheid, onbekwaamheid of op andere zwaarwegende gronden.</al>
      </art>
      <art id="a7">
        <kop>
          <nr>Artikel 7</nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1.</nr>
          <al>Onze Minister draagt zorg voor een secretariaat ter ondersteuning van
de werkzaamheden van de Raad, bestaande uit een secretaris en onder deze werkzame
personen.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2.</nr>
          <al>De secretaris is voor zijn werkzaamheden voor de Raad uitsluitend verantwoording
schuldig aan de Raad.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>3.</nr>
          <al>De secretaris en de onder deze werkzame personen zijn geen lid van de
Raad.</al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a8">
        <kop>
          <nr>Artikel 8</nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1.</nr>
          <al>De Raad kan uit zijn midden commissies instellen.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2.</nr>
          <al>Een commissie kan niet worden belast met het uitbrengen van een advies.</al>
        </lid>
      </art>
    </par>
    <par>
      <kop>
        <nr>§ 3.</nr>
        <titel status="off">Advisering en standpuntbepaling </titel>
      </kop>
      <art id="a9">
        <kop>
          <nr>Artikel 9</nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1.</nr>
          <al>De Raad adviseert op schriftelijk verzoek van Onze Minister of van de
voorzitter van een van beide kamers der Staten-Generaal.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2.</nr>
          <al>In het adviesverzoek kan worden aangegeven binnen welke termijn een advies
wordt verwacht. Deze termijn mag niet zodanig kort zijn dat de Raad zijn taak
niet naar behoren kan vervullen.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>3.</nr>
          <al>De Raad kan Onze Minister uit eigen beweging adviseren. Van een voornemen
daartoe stelt de Raad Onze Minister onverwijld in kennis.</al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a10">
        <kop>
          <nr>Artikel 10</nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1.</nr>
          <al>De Raad kan zich voor het inwinnen van inlichtingen wenden tot daartoe
door Onze Minister aangewezen ambtenaren, alsmede tot instellingen en groeperingen
buiten de overheid.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2.</nr>
          <al>De Raad kan zich doen bijstaan door andere personen, voor zover dat voor
de vervulling van zijn taak nodig is.</al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a11">
        <kop>
          <nr>Artikel 11</nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1.</nr>
          <al>De Raad beraadslaagt en besluit in vergadering over de uit te brengen
adviezen.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2.</nr>
          <al>De adviezen worden uitgebracht overeenkomstig het gevoelen van de
meerderheid van de ter vergadering aanwezige leden, waarbij elk lid één
stem heeft.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>3.</nr>
          <al>Indien het nodig is over het besluit tot vaststelling van het advies bij
wijze van stemming te beslissen, wordt dat besluit bij meerderheid van stemmen
opgemaakt.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>4.</nr>
          <al>Indien de stemmen staken, wordt de besluitvorming aangehouden tot de volgende
vergadering, tenzij de advisering niet uitgesteld kan worden of de vergadering
voltallig is. In deze gevallen beslist de stem van de voorzitter. Van die
omstandigheid wordt in het advies melding gemaakt.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>5.</nr>
          <al>De leden stemmen zonder last.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>6.</nr>
          <al>Een lid dat ter vergadering een standpunt heeft ingebracht dat afwijkt
van het gevoelen van de meerderheid, kan over dat standpunt een afzonderlijke
nota bij het advies voegen.</al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a12">
        <kop>
          <nr>Artikel 12</nr>
        </kop>
        <al>De Raad kan zijn werkwijze nader vaststellen in een reglement van orde.</al>
      </art>
      <art id="a13">
        <kop>
          <nr>Artikel 13</nr>
        </kop>
        <al>Indien een advies wordt uitgebracht aan één van de kamers
der Staten-Generaal, zendt de Raad een afschrift van het advies aan Onze Minister.</al>
      </art>
      <art id="a14">
        <kop>
          <nr>Artikel 14</nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1.</nr>
          <al>Onze Minister stelt beide kamers der Staten-Generaal binnen drie maanden
na ontvangst in kennis van zijn standpunt over een door hem gevraagd en tijdig
uitgebracht advies over een vast te stellen ministeriële regeling of
over beleid.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2.</nr>
          <al>Indien de vaststelling van het standpunt niet binnen de termijn, bedoeld
in het eerste lid, plaatsvindt, stelt Onze Minister de beide kamers der Staten-Generaal
hiervan in kennis.</al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a15">
        <kop>
          <nr>Artikel 15</nr>
        </kop>
        <al>Desgevraagd informeert de Raad Onze Minister over al hetgeen de Raad betreft
en verleent hem inzage van zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover hij
die voor de vervulling van zijn taak nodig heeft.</al>
      </art>
    </par>
    <par>
      <kop>
        <nr>§ 4</nr>
        <titel status="off">Begroting, programmering en verslaglegging </titel>
      </kop>
      <art id="a16">
        <kop>
          <nr>Artikel 16</nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1.</nr>
          <al>Onze Minister stelt, na overleg met de beoogde voorzitter van de Raad,
een werkprogramma vast voor de periode vanaf de inwerkingtreding van dit besluit
tot en met 31 december 1996.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2.</nr>
          <al>Onze Minister kan het werkprogramma wijzigen.</al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a17">
        <kop>
          <nr>Artikel 17</nr>
        </kop>
        <al>De Raad houdt bij het vervullen van zijn taak rekening met het werkprogramma.
Hij vervult zijn taak met de middelen die ingevolge de desbetreffende begrotingswet
ter beschikking zijn gesteld. </al>
      </art>
    </par>
    <par>
      <kop>
        <nr>§ 5</nr>
        <titel status="off">Slotbepalingen </titel>
      </kop>
      <art id="a18">
        <kop>
          <nr>Artikel 18</nr>
        </kop>
        <al>Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte
van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.</al>
        <al>Dit besluit vervalt op 1 januari 1997.</al>
      </art>
      <art id="a19">
        <kop>
          <nr>Artikel 19</nr>
        </kop>
        <al>Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit Voorlopige raad voor de volksgezondheid
en de zorggerelateerde dienstverlening.</al>
      </art>
    </par>
  </body>
  <backm>
    <nawerk>
      <slotform>Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport is belast met
de uitvoering van dit besluit dat in het Staatsblad zal worden geplaatst.</slotform>
      <ondertek>
        <ondplts>'s-Gravenhage, </ondplts>
        <onddatum>24 november 1995</onddatum>
        <koning>Beatrix </koning>
        <minister>
          <minvan>De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,</minvan>
          <naam>E. Borst-Eilers</naam>
        </minister>
      </ondertek>
      <uitgifte>
        <uitgifte-regel>Uitgegeven de <nadruk type="cur">vijfde</nadruk> december 1995</uitgifte-regel>
        <uitdag>vijfde</uitdag>
        <uitmaand>december</uitmaand>
        <uitjaar>1995</uitjaar>
        <door>
          <minvan>De Minister van Justitie,</minvan>
          <naam>W. Sorgdrager </naam>
        </door>
      </uitgifte>
    </nawerk>
    <notatoe>
      <kop>
        <titel status="off">NOTA VAN TOELICHTING </titel>
      </kop>
      <tuskop letat="vet">Inleiding</tuskop>
      <al>De komende jaren zal het adviesstelsel van het Rijk geheel worden herzien.
Uitgangspunt is om met ingang van 1 januari 1997 alle externe beleidsadviescolleges
van het Rijk (in de zin van artikel 79 van de Grondwet) op te heffen, respectievelijk
colleges die tevens zijn belast met andere taken, te ontheffen van hun beleidsadviestaak.
Een hiertoe strekkend wetsvoorstel Herziening adviesstelsel ligt thans ter
behandeling bij de Tweede Kamer (Kamerstukken II 1994/95, 24 232, nrs.
1–3). Op eerdergenoemd tijdstip zal de herziening van het gehele adviesstelsel,
inclusief de inrichting van het nieuwe stelsel, moeten zijn voltooid en zullen
ter inrichting van het nieuwe stelsel afzonderlijke regelingen in werking
moeten treden waarbij nieuwe «afgeslankte» adviescolleges per
(groot) beleidsveld of cluster van beleidsvelden worden ingesteld. Deze adviescolleges
richten zich op beleidsadvisering op hoofdlijnen in een vroege fase van de
beleidscyclus; het gaat om de strategische beleidsadvisering (Kamerstukken
II 1993/94, 23 725, nr. 1, blz. 20).</al>
      <al>Zoals bij de Tweede Kamer is aangekondigd (Kamerstukken II 1994/95, 23 725,
nr. 5) is tevens een wetsvoorstel voorbereid dat een juridisch kader voor
het nieuwe adviesstelsel bevat (als voorontwerp Kaderwet adviescolleges gepubliceerd
in Staatscourant nr. 55 en thans ter advisering aangeboden aan de Raad van
State) en tegelijk met het eerdergenoemde voorstel van wet tot herziening
van het adviesstelsel per 1 januari 1997 in werking moet treden. In het kader
van de inrichting van het nieuwe adviesstelsel zal voor het beleidscluster
volksgezondheid en zorggerelateerde dienstverlening met ingang van 1 januari
1997 de Raad voor de volksgezondheid en de zorggerelateerde dienstverlening
gaan functioneren. Het beheer van deze raad zal vallen onder het Ministerie
van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. De voorbereidingen voor een wettelijke
regeling ter zake zijn thans in volle gang.</al>
      <al>Zoals ook is medegedeeld in de brief van 12 juni 1995 aan de Voorzitter
van de Tweede Kamer (Kamerstukken II 1994/95, 24 218, nr. 1, blz. 9)
wordt voor de overgangsperiode tot 1 januari 1997 een voorziening getroffen.</al>
      <al>Het onderhavige besluit is hier de neerslag van en strekt ertoe om, in
afwachting van de bedoelde wettelijke regeling ter zake, de continuïteit
in de advisering vanaf najaar 1995 tot 1 januari 1997 te waarborgen en die
reeds zo veel mogelijk te plaatsen in het perspectief van de toekomstige adviesstructuur.
Met het oog op die toekomstige adviesstructuur zijn de bepalingen van het
onderhavige besluit zo veel mogelijk ontleend aan het voorontwerp Kaderwet
adviescolleges en de beleidsbeslissing ten aanzien van advisering uit eigen
beweging.</al>
      <al>In dit kader is het van belang te vermelden dat de Nationale Raad voor
de Volksgezondheid met ingang van 1 januari 1995 is belast met een financiële
taakstelling; per 1 januari 1996 is die taakstelling nog verzwaard.</al>
      <al>Een reorganisatie- en afslankingsproces is inmiddels in gang gezet. De
(voorlopig) laatste vergadering van de Nationale Raad voor de Volksgezondheid
heeft op 6 juli 1995 plaatsgevonden. Daarnaast is van belang dat de verplichting
tot het vragen van bepaalde beleidsadviezen aan de Nationale Raad met de inwerkingtreding
van de Wet afschaffing adviesverplichtingen (Stb. 1995, 355) niet meer aanwezig
is. </al>
      <tuskop letat="vet">Taak en werkterrein</tuskop>
      <al>Advisering heeft een duidelijke eigen plaats in het beleidsvormingsproces.</al>
      <al>De Raad adviseert over hoofdlijnen van beleid op het terrein van het beleidscluster
volksgezondheid en de zorggerelateerde dienstverlening, alsmede
op andere gebieden, voor zover deze raakvlakken hebben met de volksgezondheid
en de zorggerelateerde dienstverlening (het zogenaamde facetbeleid).</al>
      <al>Hoofdlijn van beleid betekent in ieder geval dat het te beadviseren onderwerp
betrekking moet hebben op de middellange termijn (dit sluit niet uit dat zulks
ook implicaties kan hebben voor de lange termijn), alsmede relevant moet zijn
voor de politieke besluitvorming. De eis van de relevantie van het advies
impliceert dat de minister in de adviesaanvraag kan aangeven waarvoor het
advies zal worden gebruikt, wat eventueel de bandbreedte is waarbinnen het
uit te brengen advies zich bij voorkeur heeft te begeven en in welke context
de adviesaanvraag te plaatsen valt.</al>
      <al>Wetenschappelijk of evaluatief advies zal niet worden gevraagd: andere
instanties, zoals de Wetenschappelijke raad voor het regeringsbeleid of het
Sociaal cultureel planbureau, moeten het beleidsvormingsproces van dergelijke
inbreng voorzien.</al>
      <al>Voor zover over onderwerpen al een concreet politiek besluit is genomen
(bijvoorbeeld in het regeerakkoord) wordt daarover in de regel evenmin (beleids)advies
gevraagd. In dit geval heeft de besluitvorming over het beleid immers al plaatsgevonden.</al>
      <al>In het verlengde van het primaat van de politiek ligt logischerwijs het
uitgangspunt dat op een uitgebracht advies een beleidsmatige of politieke
stellingname volgt en niet een nieuwe adviesaanvraag.</al>
      <al>De volksgezondheid behoort in zijn volle breedte en in alle aspecten tot
het domein van de Raad: preventie, gezondheidsbescherming en zorg, alsmede
de instrumenten zoals verzekering, planning, financiering en opleidingen.</al>
      <al>Tot het domein van de Raad behoort voorts de zorggerelateerde dienstverlening.
Hiermee wordt gedoeld op dienstverlenende activiteiten waarbij het zorgelement
een belangrijke rol speelt. Ook het facetbeleid speelt een rol. Het facetbeleid
betreft het raakvlak tussen de volksgezondheid of de zorggerelateerde dienstverlening
en andere beleidsterreinen waarbinnen zich determinanten van gezondheid bevinden.
Te denken valt bijvoorbeeld aan de wisselwerking tussen gezondheidstoestand
en zorgvoorzieningen enerzijds en omstandigheden als voeding, arbeid of werkloosheid,
veiligheid en onderwijs anderzijds. </al>
      <tuskop letat="vet">Financiële gevolgen</tuskop>
      <al>De Raad voorziet in de behoefte van de rijksoverheid aan advies. De uitgaven
die worden gedaan in verband met de taakuitoefening door adviescolleges die,
zoals de Raad, geen rechtspersoonlijkheid bezitten, betreffen de normale begrotingsuitvoering
en komen ten aanzien van de Raad ten laste van de begroting van het (beherende)
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Voor 1996 komt voor de Raad
een bedrag van 3,2 miljoen gulden beschikbaar. Voor 1995 is op de begroting
van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport geen geld gereserveerd
voor de oprichting van de Raad. De Raad zal in het najaar van 1995 gaan functioneren
en dus over de laatste maanden van 1995 kosten genereren. Voor een deel kunnen
deze kosten worden gefinancierd uit de begroting van de Nationale Raad voor
de Volksgezondheid voor 1995. Dit zal echter niet voor alle kosten kunnen
gelden: het budget van de Nationale Raad is voor 1995 immers teruggebracht
(met f 3,2 miljoen gulden) en in de begroting van de Nationale Raad voor
1995 is geen rekening gehouden met de oprichtingskosten van de Raad. Het desbetreffende
bedrag, begroot op ± f 0,5 miljoen gulden, zal incidenteel worden
gefinancierd.  </al>
      <tuskop letat="vet">Artikelsgewijs </tuskop>
      <tuskop letat="cur">Artikel 2, eerste lid</tuskop>
      <al>In de naamgeving van de Raad is tot uitdrukking gebracht dat de Raad de
voorloper is van de definitieve raad voor de volksgezondheid en de zorggerelateerde
dienstverlening, die naar verwachting op 1 januari 1997 bij de inwerkingtreding
van de wettelijke regeling dienaangaande, zal gaan functioneren. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 3</tuskop>
      <al>Het <nadruk type="cur">eerste lid</nadruk> bepaalt dat de Raad bestaat uit een voorzitter
en ten hoogste acht andere leden. De woorden «ten hoogste» zijn
enerzijds gebruikt om het aantal leden aan een maximum te binden en anderzijds
geven zij aan dat de Raad kan beginnen met minder dan het maximale aantal
leden. Voor de gevallen waarin de voorzitter afwezig is, kan de Raad ingevolge
het <nadruk type="cur">tweede lid</nadruk> uit zijn midden een of meer ondervoorzitters
aanwijzen. Uit het artikel volgt dat de Raad geen plaatsvervangende leden
heeft. De noodzaak hiertoe is (in het toekomstige nieuwe adviesstelsel) niet
aanwezig. Een dergelijke rechtsfiguur is veeleer aangewezen bij overlegorganen,
omdat daarbij de vertegenwoordiging van bepaalde groepen of belangen voorop
staat. Bij langdurige verhindering of ziekte van een van de leden kan de Raad
desgewenst ad hoc in specifieke deskundigheid voorzien door het inschakelen
van een externe deskundige. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 4</tuskop>
      <al>Dit artikel, waarin wordt bepaald dat de benoeming van de voorzitter en
de andere leden geschiedt bij koninklijk besluit, is in lijn met het voorontwerp
Kaderwet adviescolleges, waarin voor de wijze van benoeming van adviescolleges
een algemene regel wordt gegeven. De leden van de Raad zullen worden benoemd
tot en met 31 december 1996. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 5</tuskop>
      <al>De in het <nadruk type="cur">eerste lid</nadruk> bedoelde deskundigheid ziet uiteraard
op de deskundigheid in verband met de adviestaak van de Raad. Bij de benoeming
zal ingevolge deze bepaling derhalve in beginsel uitsluitend aandacht worden
geschonken aan de deskundigheid op de terreinen waarvoor de Raad is ingesteld.
Het woord «onafhankelijk» ziet op de onafhankelijkheid ten opzichte
van de regering en belangengroepen.</al>
      <al>Het <nadruk type="cur">tweede lid</nadruk> bepaalt dat ambtenaren, werkzaam bij de
ministeries of de daaronder ressorterende diensten, instellingen of bedrijven,
die in verband met hun werk betrokken zijn bij de onderwerpen waarover de
Raad tot taak heeft te adviseren, geen lid van de Raad kunnen zijn. De benoeming
van dergelijke ambtenaren tot lid van de Raad zou afbreuk doen aan de onafhankelijkheid
van de advisering van de Raad en zou kunnen leiden tot een «verambtelijking»
van de Raad. Bovendien zou dat kunnen leiden tot een ongewenste vermenging
van taken en verantwoordelijkheden van de ambtenaar. Een ambtenaar als hier
bedoeld kan wel desgevraagd de Raad met informatie terzijde staan en op uitnodiging
van de Raad aanwezig zijn bij vergaderingen of als adviseur deelnemen aan
de beraadslagingen van de Raad.</al>
      <al>In het <nadruk type="cur">derde lid</nadruk> wordt een algemene regel gegeven voor
de bevordering van de evenredige deelneming van vrouwen of minderheden aan
de Raad, waarbij uiteraard rekening wordt gehouden met de grenzen die volgen
uit de (Grond)wet, internationale verdragen en gemeenschapsrecht. Gelet op
de ondervertegenwoordiging van vrouwen en minderheden in adviescolleges
kan in algemene zin worden opgemerkt dat de strekking van het derde lid in
overeenstemming is met de artikelen 1 en 3 van de Grondwet, de daarmee overeenkomende
bepalingen in internationale verdragen en artikel 2, derde lid, van de Algemene
wet gelijke behandeling. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 6</tuskop>
      <al>Ten aanzien van de toepassing van de tweede volzin zal het van de aard
en de duur van de omstandigheden afhangen of het lid wordt geschorst dan wel
ontslagen. Bij de toepassing van het criterium «andere zwaarwegende
gronden» kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het geval waarin het lid
een betrekking aanvaardt die afbreuk doet aan de onafhankelijke positie van
het lid in de praktijk. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 7</tuskop>
      <al>Uitgangspunt is dat de advisering dient te geschieden door onafhankelijke
deskundigen die gezamenlijk de breedte van de volksgezondheid en de zorggerelateerde
dienstverlening in voldoende mate overzien. Zij moeten evenwel een beroep
kunnen doen op een deskundig secretariaat. De ondersteuning vanuit het secretariaat
is dus meer dan technisch/administratief. Met name de secretaris van de Raad
speelt hierbij een belangrijke rol.</al>
      <al>De bedoeling is dat het secretariaat zal bestaan uit personeel van de
Nationale Raad voor de Volksgezondheid, dat hiertoe bij de Raad zal worden
tewerkgesteld. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 8</tuskop>
      <al>Dit artikel heeft betrekking op de werkwijze bij de voorbereiding van
de adviezen. Met het oog op de toekomstige adviesstructuur wordt niet voorzien
in de bevoegdheid van de Raad om commissies in te stellen die zelfstandig
kunnen adviseren. Uitgangspunt van het nieuwe adviesstelsel is immers dat
adviescolleges bestaan uit een beperkt aantal onafhankelijke deskundigen (zie
punt 5 uit de conclusies en aanbevelingen in het rapport «Raad op Maat»);
voor een adviescollege met een beperkt aantal leden, zoals de Raad, bestaat
geen noodzaak voor het instellen van zelfstandig opererende (vaste) commissies.
De Raad heeft wel de bevoegdheid om voor het voorbereiden van een bepaald
advies een (tijdelijke) commissie in te stellen. De bevoegdheid tot het vaststellen
van het advies en de overige taken en bevoegdheden van de Raad blijven echter
bij de Raad zelf berusten. Overigens is de mogelijkheid om commissies in te
stellen begrensd door de in het <nadruk type="cur">eerste lid</nadruk> neergelegde eis
dat de commissies «uit zijn midden» worden ingesteld. Dit betekent
dat de Raad zijn samenstelling en omvang niet door het instellen van commissies
kan vergroten. Zulks laat evenwel onverlet de in artikel 10, tweede lid, geboden
mogelijkheid om externen te betrekken bij de werkzaamheden van een dergelijke
commissie.</al>
      <al>Het <nadruk type="cur">tweede lid</nadruk> is noodzakelijk om te voorkomen dat een
commissie uit de Raad zich als een zelfstandig adviescollege gaat ontwikkelen. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 9</tuskop>
      <al>In het <nadruk type="cur">eerste lid en het tweede lid</nadruk> wordt bepaald dat de
Raad adviseert op schriftelijk verzoek van de regering of een van de beide
kamers der Staten-Generaal. De hiermee geïntroduceerde bevoegdheid van
de beide kamers om rechtstreeks advies te vragen aan de Raad is ontleend aan
artikel 13 van het voorontwerp Kaderwet adviescolleges, in welk artikel uitvoering wordt gegeven aan punt 14 van de conclusies en aanbevelingen
in het rapport «Raad op maat» (Kamerstukken II 1992/93, 21 427,
nr. 29).</al>
      <al>Bij het vragen om een advies, alsook nadien, kan worden aangegeven binnen
welke termijn het advies wordt verwacht. De eventueel gestelde termijn moet
worden afgestemd op de termijn die de Raad, gelet op diens taak en de omstandigheden
waaronder die taak moet worden vervuld, nodig heeft.</al>
      <al>Ingevolge het <nadruk type="cur">derde lid</nadruk> kan de Raad ook uit eigen beweging
een advies uitbrengen; van een dergelijk voornemen moet de minister tevoren
in kennis worden gesteld. In het kader van het aan de vaststelling van het
werkprogramma voorafgaande overleg met de beoogde voorzitter van de Raad zal
zulks uiteraard aan de orde komen. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 10</tuskop>
      <al>Dit artikel geeft aan de Raad de bevoegdheid zich ten behoeve van de advisering
te laten voorlichten door ambtenaren of – indien de gewenste bijstand
niet door ambtenaren kan worden geleverd – externe deskundigen. De minister
kan ter bevordering van een goede voorlichting van de Raad in zijn adviesverzoek
aangeven welke ambtenaren beschikbaar zijn voor het geven van inlichtingen
over het onderwerp van het advies. </al>
      <al>Voorts zal de Raad in beginsel binnen de grenzen van het desbetreffende
begrotingsartikel voor de Raad externe deskundigen kunnen inschakelen, onverminderd
de verantwoordelijkheid van de (beherende) minister ten aanzien van de begroting.
Het inschakelen van deskundigen kan bij voorbeeld zinvol zijn ter compensatie
van de kennis of ervaring van een lid dat verhinderd is de vergaderingen bij
te wonen of om op een zeer specifiek deelterrein nadere informatie te verkrijgen
of een onderzoek te laten uitvoeren.</al>
      <al>Bij de begrotingsvoorbereiding wordt rekening gehouden met de uitgaven
in verband met het inhuren van externe deskundigen ten behoeve van de Raad. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 11</tuskop>
      <al>Dit artikel geeft een regeling van de besluitvorming door de Raad.</al>
      <al>In het <nadruk type="cur">tweede lid</nadruk> is bepaald dat voor de vaststelling van
adviezen een gewone meerderheid is vereist en dat elk lid, inclusief de voorzitter,
bij een stemming één stem heeft. Hierdoor wordt de gelijkwaardigheid
van de leden tot uitdrukking gebracht. Het <nadruk type="cur">vierde lid</nadruk> geeft
een regeling voor de situatie dat de stemmen staken. Teneinde een voortdurende
impasse te voorkomen, is bepaald dat in een zodanig geval de stem van de voorzitter
beslissend is.</al>
      <al>Het <nadruk type="cur">vijfde lid</nadruk> geeft aan dat de leden stemmen zonder last.
Hoewel het lastverbod letterlijk genomen slechts betrekking heeft op het stemrecht
van de leden, wordt hiermee aangegeven dat de leden in hun hoedanigheid als
lid van de Raad zelfstandig en onafhankelijk zijn. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 12</tuskop>
      <al>De Raad kan zijn werkwijze nader in een reglement van orde vastleggen.
In dat reglement kan ook een regeling worden opgenomen over de toelating van
toehoorders tot de vergaderingen en de gang van zaken tijdens de vergaderingen
voor zover het de toehoorders betreft. De openbaarheid van de vergaderingen
wordt aldus, binnen het kader van de opgedragen adviestaak, aan de Raad overgelaten.  </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 13</tuskop>
      <al>Ingevolge dit artikel wordt, indien het adviesverzoek vanwege een van
beide kamers der Staten-Generaal is gedaan, het advies tevens aan de minister
toegezonden. Het advies is overigens in dat geval direct na het uitbrengen
openbaar. In de andere gevallen geldt artikel 9 van de Wet openbaarheid van
bestuur. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 14</tuskop>
      <al>Dit artikel betreft een uitwerking van punt 11 van de conclusies en aanbevelingen
in het rapport «Raad op Maat». Het beoogt te bevorderen dat de
vaststelling van een regeringsstandpunt ten aanzien van een advies spoedig
gebeurt. Indien het vaststellen van een standpunt lang op zich laat wachten,
kan dit de indruk wekken dat het bestuur niet slagvaardig is en kan onnodige
onzekerheid met zich brengen. Dit is ook de strekking van punt 11 van de conclusies
en aanbevelingen in het rapport «Raad op Maat».</al>
      <al>De verplichting een standpunt vast te stellen, geldt ingevolge de onderhavige
bepaling niet ten aanzien van adviezen over formele wetgeving of algemene
maatregelen van bestuur, de door de Staten-Generaal gevraagde adviezen en
te laat uitgebrachte adviezen. Het begrip «tijdig» in het eerste
lid heeft dezelfde betekenis als dat begrip in artikel 3:6, tweede lid, van
de Algemene wet bestuursrecht.</al>
      <al>Wat de advisering over wetgeving betreft, zij opgemerkt dat de standpuntbepaling
over zo'n advies plaatsvindt in het kader van het wetsvoorstel of het ontwerp-besluit.
Het standpunt zal alsdan in de memorie van toelichting of nota van toelichting
worden neergelegd. Het wetgevingsproces heeft een eigen orde en dynamiek.
Het voorschrift dat het standpunt binnen een bepaalde termijn aan de Tweede
Kamer wordt toegezonden zou het wetgevingsproces verstoren. In dit artikel
wordt er overigens van uitgegaan dat het aan de Staten-Generaal is om te beoordelen
of het in de gevallen die buiten de reikwijdte van dit artikel vallen, wenselijk
is dat de vaststelling van een (afzonderlijk) standpunt plaats vindt. Indien
de regering in die gevallen niet uit eigen beweging een standpunt vaststelt,
kunnen de kamers de betrokken minister daarom verzoeken. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 15</tuskop>
      <al>De Raad dient de minister(s) van de nodige informatie te voorzien. Vooral
de feitelijke gegevens die aan de adviezen ten grondslag liggen, zijn in dat
verband van belang. Dit artikel strekt ertoe een informatieplicht voor de
Raad ten opzichte van de minister(s) vast te leggen. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 16</tuskop>
      <al>In het <nadruk type="cur">eerste lid</nadruk> wordt bepaald dat de minister, na overleg
met de beoogde voorzitter van de Raad, het werkprogramma vaststelt. In principe
zijn de adviesbehoefte van de regering en het beschikbare budget bepalend
voor de aard en de omvang van de werkzaamheden van de Raad. Het opstellen
van het werkprogramma geschiedt dan ook op initiatief van de minister. Niettemin
moet er ook enige ruimte zijn voor advisering op initiatief van de Raad. Zulks
zal in het aan de vaststelling van het werkprogramma voorafgaande overleg
met de beoogde voorzitter van de Raad uiteraard aan de orde komen.</al>
      <al>Het werkprogramma bevat een beschrijving van de te verwachten werkzaamheden
van de Raad voor de periode vanaf de inwerkingtreding van dit besluit tot
en met 31 december 1996.</al>
      <al>Ingevolge het <nadruk type="cur">tweede lid</nadruk> kan de minister het werkprogramma
wijzigen. Dit kan bijvoorbeeld in verband met een wijziging van
de beschikbare middelen ingevolge de desbetreffende begrotingswet. Voorts
kan naar aanleiding van de begrotingsbehandeling blijken van wensen van de
Staten-Generaal ten aanzien van het werkprogramma. Hiermee wordt enerzijds
tegemoet gekomen aan de wens van de Tweede Kamer om bij de vaststelling van
het werkprogramma betrokken te zijn. Anderzijds laat de voorgestelde regeling
de normale verhouding tussen regering en Staten-Generaal onverlet. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 17</tuskop>
      <al>Dit artikel bepaalt dat de Raad zich bij zijn taakvervulling houdt aan
het werkprogramma en tevens de grenzen van de toegekende middelen in acht
neemt. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 18</tuskop>
      <al>Het onderhavige besluit vervalt op 1 januari 1997. Zoals reeds eerder
is opgemerkt, is het de bedoeling dat op dat tijdstip de wettelijke regeling,
houdende de instelling van een raad voor de volksgezondheid en de zorggerelateerde
dienstverlening, in werking zal treden. </al>
      <minister>
        <minvan>De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,</minvan>
        <naam>E. Borst-Eilers</naam>
      </minister>
    </notatoe>
  </backm>
</staatsbl>