﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<!DOCTYPE staatsbl PUBLIC "-//SDU//DTD staatsblad xml 1.1//NL" "../../dtd/staatsbl-11.dtd"[]>
<staatsbl id="sb995.540" soort="kb" publtype="kobe">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-1995-540/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel status="off">Staatsblad</titel>
    <subtitel>van het Koninkrijk der Nederlanden</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.4" conv="OPmaat" markup="c1xa"></versie>
    <ordernr>51U0540</ordernr>
    <stb>
      <jaargang jaar="1995">Jaargang 1995</jaargang>
      <stbjaar>1995</stbjaar>
      <stbnr>540 </stbnr>
    </stb>
    <intitule>
      <soort>Besluit</soort> van 1 november 1995, houdende wijziging van
het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 1964</intitule>
    <aanhef>
      <wie>Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.</wie>
      <consider>
        <al>Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 27 juni
1995, nr. WDB95/211M, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken, Directie Wetgeving
Directe Belastingen;</al>
        <al>Gelet op <grslag>de artikelen 45a, derde lid, en 67 van de Wet op de inkomstenbelasting
1964</grslag>;</al>
        <al>De Raad van State gehoord (advies van 28 augustus 1995, nr. W06.95.0322);</al>
        <al>Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Financiën van
26 oktober 1995, nr. WDB95/288U, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken,
Directie Wetgeving Directe Belastingen;</al>
      </consider>
      <afkondig>Hebben goedgevonden en verstaan:</afkondig>
    </aanhef>
  </frontm>
  <body>
    <wart id="ai">
      <kop>
        <nr>ARTIKEL I</nr>
      </kop>
      <al>In het <wartref doc="sb964.524">&gt;Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting
1964</wartref><eindref refid="e1"></eindref> worden de volgende wijzigingen aangebracht. </al>
      <wlid>
        <kop>
          <nr>A.</nr>
        </kop>
        <al>In <nadruk type="vet">artikel 1</nadruk>, eerste lid, vervallen «66b, tweede
lid,» en «(Stb. 1990, 103)». </al>
      </wlid>
      <wlid>
        <kop>
          <nr>B.</nr>
        </kop>
        <al>
          <nadruk type="vet">Artikel 1a</nadruk> vervalt. </al>
      </wlid>
      <wlid>
        <kop>
          <nr>C.</nr>
        </kop>
        <wond>
          <nr>1.</nr>
          <al>In <nadruk type="vet">artikel 3</nadruk>, derde lid, vervalt «(Stb. 1990, 129)». </al>
        </wond>
      </wlid>
      <wlid>
        <kop>
          <nr>C.</nr>
        </kop>
        <wond>
          <nr>2.</nr>
          <al>In het vierde lid wordt «waarbij voor niet ingegane pensioenen niet
meer diensttijd in aanmerking wordt genomen dan de belastingplichtige bij
het begin van het kalenderjaar heeft» vervangen door: waarbij voor niet
ingegane pensioenen alleen diensttijd tot het begin van het kalenderjaar in
aanmerking wordt genomen. </al>
        </wond>
      </wlid>
      <wlid>
        <kop>
          <nr>D.</nr>
        </kop>
        <wond>
          <nr>1.</nr>
          <al>In <nadruk type="vet">artikel 3a,</nadruk> derde lid, vervalt «(Stb. 1990, 130)». </al>
        </wond>
      </wlid>
      <wlid>
        <kop>
          <nr>D.</nr>
        </kop>
        <wond>
          <nr>2.</nr>
          <al>Na het zesde lid wordt toegevoegd:</al>
          <arttkst>
            <lid>
              <nr>7.</nr>
              <al>Met betrekking tot het bepalen of een belastingplichtige een niet te verwaarlozen
tekort heeft aan opgebouwde nabestaandenvoorzieningen ten behoeve van degene
met wie hij duurzaam een gezamenlijke huishouding voert als bedoeld
in artikel 45a, derde lid, van de wet, is het eerste tot en met het zesde
lid van overeenkomstige toepassing.</al>
            </lid>
          </arttkst>
        </wond>
      </wlid>
      <wlid>
        <kop>
          <nr>E.</nr>
        </kop>
        <al>
          <nadruk type="vet">Artikel 4</nadruk> vervalt. </al>
      </wlid>
      <wlid>
        <kop>
          <nr>F.</nr>
        </kop>
        <al>In <nadruk type="vet">artikel 6</nadruk>, eerste lid, vervalt «(Stcrt. 1971,
249)». </al>
      </wlid>
      <wlid>
        <kop>
          <nr>G.</nr>
        </kop>
        <al>In <nadruk type="vet">artikel 7</nadruk>, eerste lid, vervalt «(Stb. 1989, 252)».</al>
      </wlid>
    </wart>
    <art id="aii">
      <kop>
        <nr>ARTIKEL II</nr>
      </kop>
      <al>Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte
van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst, met dien verstande dat artikel
I, onderdeel D.2, terugwerkt tot en met 1 januari 1992.</al>
    </art>
  </body>
  <backm>
    <nawerk>
      <slotform>Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota
van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.</slotform>
      <eindnoot id="e1">
        <al>Stb. 1964, 524, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 25 maart 1994, Stb.
245.</al>
      </eindnoot>
      <histnoot>
        <al>Het advies van de Raad van State is openbaar gemaakt door terinzagelegging
bij het Ministerie van Financiën.</al>
        <al>Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage gelegde stukken worden
opgenomen in het bijvoegsel bij de Nederlandse Staatscourant van 12 december
1995, nr. 241.</al>
      </histnoot>
      <ondertek>
        <ondplts>'s-Gravenhage, </ondplts>
        <onddatum>1 november 1995</onddatum>
        <koning>Beatrix </koning>
        <minister>
          <minvan>De Staatssecretaris van Financiën,</minvan>
          <naam>W. A. F. G. Vermeend</naam>
        </minister>
      </ondertek>
      <uitgifte>
        <uitgifte-regel>Uitgegeven de <nadruk type="cur">eenentwintigste</nadruk> november 1995</uitgifte-regel>
        <uitdag>eenentwintigste</uitdag>
        <uitmaand>november</uitmaand>
        <uitjaar>1995</uitjaar>
        <door>
          <minvan>De Minister van Justitie,</minvan>
          <naam>W. Sorgdrager </naam>
        </door>
      </uitgifte>
    </nawerk>
    <notatoe>
      <kop>
        <titel status="off">NOTA VAN TOELICHTING</titel>
      </kop>
      <al>Met de onderhavige algemene maatregel van bestuur worden enige wijzigingen
aangebracht in het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 1964. Een aantal
van deze wijzigingen houdt verband met recente wetgeving. Deze zullen in het
navolgende afzonderlijk worden toegelicht. De overige, niet afzonderlijk toegelichte,
wijzigingen betreffen het vervallen van de Staatsblad- of Staatscourantaanduidingen
van een aantal aangehaalde wetten (zie aanwijzing 86 van de Aanwijzingen voor
de regelgeving). </al>
      <tuskop letat="cur">ARTIKEL I, onderdelen A en B (artikelen 1 en 1a van het
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 1964)</tuskop>
      <al>Ingevolge artikel 66b, tweede lid, van de Wet op de inkomstenbelasting
1964, zoals dat luidde vóór de inwerkingtreding van de wet van
15 december 1994 tot wijziging van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (technische
wijziging index voor berekening tabelcorrectiefactor) (Stb. 929), werden bij
de bepaling van de tabelcorrectiefactor de gehanteerde prijsindexcijfers op
bij algemene maatregel van bestuur te bepalen wijze gezuiverd van de invloed
van wijzigingen in de bij die algemene maatregel van bestuur aangewezen tarieven
van kostprijsverhogende belastingen en door de overheid verleende kostprijsverlagende
subsidies. Aan deze delegatiebepaling is uitvoering gegeven in artikel 1a
van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 1964. Bij voornoemde wet van
15 december 1994 is artikel 66b evenwel gewijzigd met betrekking tot de te
hanteren reeks prijsindexcijfers. Omdat voortaan een reeks prijsindexcijfers
gebruikt gaat worden die reeds gezuiverd is voor de invloed van wijzigingen
in tarieven van kostprijsverhogende belastingen en consumptiegebonden belastingen
is de delegatiebepaling in artikel 66b, tweede lid, die voorheen zuivering
mogelijk maakte, bij voornoemde wet vervallen. In verband hiermee is, zoals
in Kamerstukken II 1993/94, 23 865, nr. 3, blz. 5, is opgemerkt, artikel 1a
van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 1964 van rechtswege vervallen.
Niettemin meen ik dat het misverstanden kan voorkomen artikel 1a expliciet
uit het besluit te verwijderen. Onderdeel B strekt hiertoe. Tevens kan in
artikel 1, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 1964
de verwijzing naar genoemd artikel 66b, tweede lid, vervallen (onderdeel A). </al>
      <tuskop letat="cur">ARTIKEL I, onderdeel C.2 (artikel 3 van het Uitvoeringsbesluit
inkomstenbelasting 1964)</tuskop>
      <al>Ingevolge artikel 3, vierde lid, van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting
1964 wordt bij het voor de tekortberekening bepalen van de opgebouwde pensioenrechten
bij niet-ingegane pensioenen niet meer diensttijd in aanmerking genomen dan
de belastingplichtige bij het begin van het kalenderjaar heeft. Met deze beperking
wordt aangegeven dat het hierbij gaat om reeds opgebouwde aanspraken en dat
eventuele toekomstige dienstjaren derhalve niet meetellen. Wel dienen mee
te tellen aan de belastingplichtige toekomende pensioenaanspraken (niet zijnde
aanspraken op een nabestaandenpensioen) die worden ontleend aan reeds verstreken
diensttijd van een ander dan de belastingplichtige. Dit kan zich bij voorbeeld
voordoen indien in het kader van een echtscheiding pensioenaanspraken overgaan
op de ex-echtgenoot. Met de in onderdeel C.2 opgenomen wijziging wordt deze
bedoeling duidelijk in de tekst van het besluit tot uitdrukking gebracht.  </al>
      <tuskop letat="cur">ARTIKEL I, onderdeel D.2 (artikel 3a van het Uitvoeringsbesluit
inkomstenbelasting 1964)</tuskop>
      <al>De in onderdeel D.2 opgenomen wijziging van artikel 3a van het Uitvoeringsbesluit
inkomstenbelasting 1964 houdt verband met de in de wet van 23 december 1994
tot wijziging van de inkomstenbelasting (kapitaalverzekeringen en periodieke
uitkeringen) (Stb. 926), opgenomen wijziging van artikel 45a, derde lid van
de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (de zogenoemde derde tranche van de lijfrentepremie-aftrek).
Ingevolge laatstgenoemde wijziging komt een belastingplichtige ook in aanmerking
voor de in dat lid genoemde extra mogelijkheid tot lijfrentepremie-aftrek
indien hij een niet te verwaarlozen tekort heeft aan nabestaandenvoorzieningen
ten behoeve van degene met wie hij duurzaam een gezamenlijke huishouding voert.
Ingevolge het nieuwe artikel 3a, zevende lid, van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting
1964 zijn nu met betrekking tot het bepalen of een belastingplichtige een
dergelijk niet te verwaarlozen tekort heeft, de voorgaande leden van dat artikel,
waarin wordt geregeld wanneer een belastingplichtige een niet te verwaarlozen
tekort heeft aan opgebouwde nabestaandenvoorzieningen ten behoeve van de echtgenoot,
van overeenkomstige toepassing. </al>
      <tuskop letat="cur">ARTIKEL I, onderdeel E (artikel 4 van het Uitvoeringsbesluit
inkomstenbelasting 1964)</tuskop>
      <al>In het bij dit besluit vervallen artikel 4 van het Uitvoeringsbesluit
inkomstenbelasting 1964 was voorzien in toepassing van het (hoge) bijzondere
tarief bij uitkeringen ineens – andere dan die genoten worden ter vervanging
van gederfde of te derven inkomsten (afkoop) – ingevolge een aanspraak
die berust op een pensioenregeling als bedoeld in artikel 11, derde lid, van
de Wet op de loonbelasting 1964. Aangezien dergelijke uitkeringen in de praktijk
niet meer plegen voor te komen, kan dit artikel vervallen. Mocht een dergelijke
uitkering zich evenwel in de toekomst toch nog voordoen, hetgeen slechts denkbaar
is op basis van een in het (verre) verleden gegeven aanwijzing als pensioenregeling
van een regeling met een bijkomstige mogelijkheid voor uitkeringen ineens,
dan ontmoet het bij mij geen bezwaar indien hierop alsnog het bijzondere tarief
wordt toegepast. Benadrukt zij dat het hierbij dus niet gaat om afkoopsommen
van pensioenen, maar om uitkeringen ineens die reeds in de pensioenregeling
waren voorzien. Als voorbeeld kan worden gedacht aan een in de pensioenregeling
geregelde eenmalige uitkering bij overlijden van de (ex-)werknemer aan zijn
echtgenote. </al>
      <tuskop letat="cur">ARTIKEL II</tuskop>
      <al>Het besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte
van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Met betrekking tot de in artikel
I, onderdeel D.2, opgenomen wijziging van artikel 3a van het Uitvoeringsbesluit
inkomstenbelasting 1964 is, in navolging van de in de wet van 23 december
1994 (Stb. 926), opgenomen wijziging van artikel 45a, derde lid van de Wet
op de inkomstenbelasting 1964, voorzien in een terugwerkende kracht tot en
met 1 januari 1992. Aldus wordt bereikt dat beide wijzigingen vanaf de inwerkingtreding
van de zogenoemde Brede herwaardering gaan gelden, en dat ook ongehuwd samenwonenden
derhalve vanaf die datum van de in genoemd artikel 45a, derde lid, opgenomen
regeling gebruik kunnen maken. </al>
      <minister>
        <minvan>De Staatssecretaris van Financiën,</minvan>
        <naam>W. A. F. G. Vermeend</naam>
      </minister>
    </notatoe>
  </backm>
</staatsbl>