﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<!DOCTYPE staatsbl PUBLIC "-//SDU//DTD staatsblad xml 1.1//NL" "../../dtd/staatsbl-11.dtd"[]>
<staatsbl id="sb995.535" soort="kb" publtype="kobe">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-1995-535/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel status="off">Staatsblad</titel>
    <subtitel>van het Koninkrijk der Nederlanden</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.4" conv="OPmaat" markup="c1xa"></versie>
    <ordernr>51U0556</ordernr>
    <stb>
      <jaargang jaar="1995">Jaargang 1995</jaargang>
      <stbjaar>1995</stbjaar>
      <stbnr>535 </stbnr>
    </stb>
    <intitule>
      <soort>Besluit</soort> van 3 oktober 1995, houdende de instelling
van een adviescommissie genoemd in artikel 5a, vierde lid, onder b van het
Algemeen militair ambtenarenreglement</intitule>
    <aanhef>
      <wie>Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.</wie>
      <consider>
        <al>Op de voordracht van de Staatssecretaris van Defensie van 19 september
1995, nr. PAV3068/95013123;</al>
        <al>Gelet op <grslag>artikel 5a, vierde lid onder b van het Algemeen militair
ambtenarenreglement</grslag>;</al>
      </consider>
      <afkondig>Hebben goedgevonden en verstaan:</afkondig>
    </aanhef>
  </frontm>
  <body>
    <art id="a1">
      <kop>
        <nr>Artikel 1</nr>
      </kop>
      <al>Er is een Adviescommissie inzake veiligheidsbezwaren adspirant-militairen.</al>
    </art>
    <art id="a2">
      <kop>
        <nr>Artikel 2</nr>
      </kop>
      <al>De Adviescommissie inzake veiligheidsbezwaren adspirant-militairen heeft
tot taak Onze Minister van Defensie van advies te dienen over de vraag of
aan de bedenkingen op grond van het veiligheidsonderzoek, bedoeld in artikel
5a van het Algemeen militair ambtenarenreglement, die daaruit bestaan dat
betwijfeld moet worden of de gegadigde zijn plicht als militair onder alle
omstandigheden getrouwelijk zal volbrengen, bezwaar moet worden ontleend tegen
de aanstelling van de gegadigde als militair.</al>
    </art>
  </body>
  <backm>
    <nawerk>
      <slotform>Onze Minister van Defensie is belast met de uitvoering van dit besluit
dat in het Staatsblad zal worden geplaatst.</slotform>
      <ondertek>
        <ondplts>'s-Gravenhage, </ondplts>
        <onddatum>3 oktober 1995</onddatum>
        <koning>Beatrix </koning>
        <minister>
          <minvan>De Staatssecretaris van Defensie,</minvan>
          <naam>J. C. Gmelich Meijling</naam>
        </minister>
      </ondertek>
      <uitgifte>
        <uitgifte-regel>Uitgegeven de <nadruk type="cur">zestiende</nadruk> november 1995</uitgifte-regel>
        <uitdag>zestiende</uitdag>
        <uitmaand>november</uitmaand>
        <uitjaar>1995</uitjaar>
        <door>
          <minvan>De Minister van Justitie,</minvan>
          <naam>W. Sorgdrager </naam>
        </door>
      </uitgifte>
    </nawerk>
    <notatoe>
      <kop>
        <titel status="off">NOTA VAN TOELICHTING</titel>
      </kop>
      <al>Artikel 5a, vierde lid, onder b van het Algemeen militair ambtenarenreglement
(AMAR), schrijft voor dat in geval van bedenkingen op grond van een veiligheidsonderzoek
genoemd in dat artikel, die daaruit bestaan dat betwijfeld moet worden of
een adspirant-militair zijn plicht als militair onder alle omstandigheden
getrouwelijk zal volbrengen, de Minister van Defensie advies hierover moet
inwinnen van een bij koninklijk besluit ingestelde commissie. Dit besluit
voorziet in de (tijdelijke) instelling van die commissie. Tijdelijk omdat
met betrekking tot onder meer de ontwikkelingen ten aanzien van de grondrechten
voor militairen een zelfde procedure wordt beoogd als voor burgerambtenaren,
zoals is geschied op basis van onder andere het Algemeen rijksambtenarenreglement
(ARAR). Mede met het oog op het beperken van het aantal adviescolleges is
het streven daarbij er in ieder geval op gericht wat de ook voor defensie
benodigde adviescommissie betreft te komen tot een personele unie met de op
basis van onder andere het ARAR ingestelde Adviescommissie grondrechten en
functie-uitoefening ambtenaren.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In artikel 5, vierde lid, onder b van het AMAR wordt ook bepaald dat de
Minister van Defensie regels stelt omtrent de samenstelling en de werkwijze
van de commissie. Wat de samenstelling van de voorgestelde commissie betreft
wordt, wederom met het oog op het beperken van het aantal adviescolleges,
ook hierbij gestreefd naar een personele unie met de genoemde Adviescommissie
grondrechten en taak-uitoefening ambtenaren. Een van de drie taken van laatstgenoemde
adviescommissie komt overeen met de voorgestelde adviescommissie, te weten:
Het bevoegd gezag van advies dienen over de vraag of aan de inlichtingen verkregen
op grond van het veiligheidsonderzoek bezwaar moet worden ontleend tegen aanstelling
van een belanghebbende (Stb. 1993, 595, Artikel V). Wat de werkwijze van de
voorgestelde commissie betreft wordt ook aansluiting gezocht bij de werkwijze
van de Adviescommissie grondrechten en taak-uitoefening ambtenaren. </al>
      <minister>
        <minvan>De Staatssecretaris van Defensie,</minvan>
        <naam>J. C. Gmelich Meijling</naam>
      </minister>
    </notatoe>
  </backm>
</staatsbl>