﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<!DOCTYPE staatsbl PUBLIC "-//SDU//DTD staatsblad xml 1.1//NL" "../../dtd/staatsbl-11.dtd"[]>
<staatsbl id="sb995.462" soort="kb" publtype="kobe">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-1995-462/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel status="off">Staatsblad</titel>
    <subtitel>van het Koninkrijk der Nederlanden</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.4" conv="OPmaat" markup="c1xa"></versie>
    <ordernr>51U0513</ordernr>
    <stb>
      <jaargang jaar="1995">Jaargang 1995</jaargang>
      <stbjaar>1995</stbjaar>
      <stbnr>462 </stbnr>
    </stb>
    <intitule>
      <soort>Besluit</soort> van 19 juni 1995, houdende bepalingen met
betrekking tot het opleggen van sancties aan uitkeringsgerechtigden ingevolge
de Abw, IOAW en IOAZ (Sanctiebesluit Abw, IOAW en IOAZ)</intitule>
    <aanhef>
      <wie>Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.</wie>
      <consider>
        <al>Op voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
van 14 juni 1995, Directie Bijstandszaken, Nr. BZ/VOL/1601;</al>
        <al>Gelet op <grslag>artikel 14, zesde lid, van de Algemene bijstandswet</grslag>, <grslag>artikel 20, vijfde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers</grslag> en <grslag>artikel 20, vijfde
lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
gewezen zelfstandigen</grslag>;</al>
        <al>De Raad van State gehoord (advies van 25 april 1995, nr. W12.95.0144)</al>
        <al>Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
van 14 juni 1995,</al>
      </consider>
      <afkondig>Hebben goedgevonden en verstaan:</afkondig>
    </aanhef>
  </frontm>
  <body>
    <art id="a1">
      <kop>
        <nr>Artikel 1</nr>
      </kop>
      <al>In dit besluit wordt verstaan onder</al>
      <al>a. Abw: Algemene bijstandswet;</al>
      <al>b. IOAW: Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
werkloze werknemers;</al>
      <al>c. IOAZ: Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
gewezen zelfstandigen;</al>
      <al>d. bijstand: de bijstandsnorm bedoeld in hoofdstuk IV, afdeling 1, paragraaf
2 en 3 van de Abw;</al>
      <al>e. grondslag: de voor de werkloze werknemer dan wel gewezen zelfstandige
toepasselijke grondslag bedoeld in artikel 5, derde, vierde en vijfde lid,
van de IOAW onderscheidenlijk artikel 5, vijfde lid, van de IOAZ;</al>
      <al>f. uitkering: de uitkering op grond van de IOAW onderscheidenlijk de IOAZ.</al>
    </art>
    <art id="a2">
      <kop>
        <nr>Artikel 2</nr>
      </kop>
      <al>Burgemeester en wethouders nemen bij de toepassing van artikel 14, tweede
en vierde lid, van de Abw, onderscheidenlijk bij de toepassing van artikel
20, eerste en derde lid, van de IOAW en IOAZ, de bepalingen van dit
besluit in acht, onverminderd artikel 14, derde lid, van de Abw, onderscheidenlijk
artikel 20, tweede lid, van de IOAW en de IOAZ.</al>
    </art>
    <art id="a3">
      <kop>
        <nr>Artikel 3</nr>
      </kop>
      <al>De gedragingen bedoeld in artikel 14, tweede lid, onderdelen a en b van
de Abw, en artikel 20, eerste lid, onderdelen a en b van de IOAW en IOAZ worden
onderscheiden in de volgende categorieën:</al>
      <al>1. eerste categorie:</al>
      <al>a. het zich niet als werkzoekende doen inschrijven bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie,
dan wel de inschrijving niet of niet tijdig doen verlengen;</al>
      <al>b. het niet ondertekenen of het niet aan burgemeester en wethouders verstrekken
van een exemplaar van de bijlage bij het besluit tot toekenning of voortzetting
van de bijstand onderscheidenlijk de uitkering, bedoeld in artikel 70, vierde
lid, van de Abw en artikel 18, vierde lid, van de IOAW en de IOAZ.</al>
      <al>2. tweede categorie:</al>
      <al>a. het niet naar vermogen trachten arbeid in dienstbetrekking te verkrijgen;</al>
      <al>b. het niet dan wel niet tijdig voldoen aan een oproep om, in verband
met de inschakeling in de arbeid, op een aangegeven plaats en tijd te verschijnen;</al>
      <al>c. het niet dan wel in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar
de mogelijkheden tot inschakeling in de arbeid, dan wel aan een onderzoek
naar de geschiktheid voor scholing of opleiding.</al>
      <al>3. derde categorie:</al>
      <al>a. gedragingen die de inschakeling in de arbeid belemmeren;</al>
      <al>b. het niet dan wel in onvoldoende mate meewerken aan een voor de inschakeling
in de arbeid noodzakelijk geachte scholing of opleiding, dan wel aan andere
aangewezen activiteiten die de zelfstandige bestaansvoorziening bevorderen.</al>
      <al>4. vierde categorie:</al>
      <al>a. het niet aanvaarden van passende arbeid;</al>
      <al>b. het door eigen toedoen niet behouden van arbeid in dienstbetrekking.</al>
    </art>
    <art id="a4">
      <kop>
        <nr>Artikel 4</nr>
      </kop>
      <lid>
        <nr>1.</nr>
        <al>De verlaging van de bijstand bedoeld in artikel 14, tweede lid, onderdelen
a en b van de Abw, wordt vastgesteld op:</al>
        <al>a. vijf procent van de bijstand gedurende een maand bij gedragingen van
de eerste categorie;</al>
        <al>b. tien procent van de bijstand gedurende een maand bij gedragingen van
de tweede categorie;</al>
        <al>c. twintig procent van de bijstand gedurende een maand bij gedragingen
van de derde categorie;</al>
        <al>d. twintig procent van de bijstand gedurende twee maanden bij gedragingen
van de vierde categorie.</al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>2.</nr>
        <al>De periode van verlaging van de bijstand genoemd in het eerste lid wordt
verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na de vorige
als verwijtbaar aangemerkte gedraging opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare
gedraging uit dezelfde of een hogere categorie.</al>
      </lid>
    </art>
    <art id="a5">
      <kop>
        <nr>Artikel 5</nr>
      </kop>
      <lid>
        <nr>1.</nr>
        <al>De weigering van de uitkering bedoeld in artikel 20, eerste lid, onderdelen
a en b, van de IOAW en de IOAZ wordt vastgesteld op:</al>
        <al>a. vijf procent van de grondslag gedurende een maand bij gedragingen van
de eerste categorie; </al>
        <al>b. tien procent van de grondslag gedurende een maand bij gedragingen van
de tweede categorie;</al>
        <al>c. twintig procent van de grondslag gedurende een maand bij gedragingen
van de derde categorie;</al>
        <al>d. twintig procent van de grondslag gedurende twee maanden bij gedragingen
van de vierde categorie.</al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>2.</nr>
        <al>De periode van weigering van de uitkering genoemd in het eerste lid wordt
verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na de vorige
als verwijtbaar aangemerkte gedraging opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare
gedraging uit dezelfde of een hogere categorie.</al>
      </lid>
    </art>
    <art id="a6">
      <kop>
        <nr>Artikel 6</nr>
      </kop>
      <al>Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag waarop de Algemene
bijstandswet in werking treedt.</al>
    </art>
    <art id="a7">
      <kop>
        <nr>Artikel 7</nr>
      </kop>
      <al>Dit besluit wordt aangehaald als: Sanctiebesluit Abw, IOAW en IOAZ.</al>
    </art>
  </body>
  <backm>
    <nawerk>
      <slotform>Lasten en bevelen dat dit besluit met daarbij behorende nota van
toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.</slotform>
      <histnoot>
        <al>Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond
van het bepaalde in artikel 25a, vijfde lid jo. vierde lid, onder b, van de
Wet op de Raad van State.</al>
      </histnoot>
      <ondertek>
        <ondplts>'s-Gravenhage, </ondplts>
        <onddatum>19 juni 1995</onddatum>
        <koning>Beatrix </koning>
        <minister>
          <minvan>De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,</minvan>
          <naam>A. P. W. Melkert </naam>
        </minister>
      </ondertek>
      <uitgifte>
        <uitgifte-regel>Uitgegeven de <nadruk type="cur">negenentwintigste</nadruk> september 1995</uitgifte-regel>
        <uitdag>negenentwintigste</uitdag>
        <uitmaand>september</uitmaand>
        <uitjaar>1995</uitjaar>
        <door>
          <minvan>De Minister van Justitie,</minvan>
          <naam>W. Sorgdrager. </naam>
        </door>
      </uitgifte>
    </nawerk>
    <notatoe>
      <kop>
        <titel status="off">NOTA VAN TOELICHTING </titel>
      </kop>
      <tuskop letat="vet">ALGEMEEN </tuskop>
      <tuskop letat="vet">Inleiding</tuskop>
      <al>Het onderhavige besluit bevat een normering met betrekking tot op te leggen
sancties in het kader van de Algemene bijstandswet (Abw) en de Wet Inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) en de
Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen (IOAZ). Het betreft hier een normering van de hoogte van de
sancties en de ernst van het feit ingeval in de periode voorafgaand aan de
bijstands- c.q. IOAW/IOAZ aanvraag of nadien door de belanghebbende onvoldoende
is meegewerkt aan het verkrijgen of behouden van arbeid danwel ingeval de
belanghebbende zich na toekenning van de uitkering schuldig maakt aan het
niet nakomen van verplichtingen bedoeld in hoofdstuk VIII van de Abw respectievelijk
hoofdstuk III van de IOAW en de IOAZ.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het voorliggende besluit komt grotendeels overeen met de sanctiebepalingen
van de Rijksgroepsregeling werkloze werknemers (Rww, Stb. 1992, 377) onderscheidenlijk
de Regeling sanctiebepalingen IOAW en IOAZ. Het betreft hier een voortzetting
van het in oktober 1992 verscherpte beleid. Derhalve zullen er op macro-niveau
nauwelijks financiële gevolgen zijn.</al>
      <al>In het voorliggende besluit is vooralsnog geen rekening gehouden met de
nieuwe, voorgenomen aanscherping van de sanctiebepalingen in het kader van
het wetsvoorstel boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid
(Kamerstukken II, 1994–1995, 23 909). De herziening van het sanctiestelsel
zal eerst in dat kader door het parlement moeten worden afgerond voordat de
voorgenomen aanscherping, die ook voor de sanctiebepalingen in de IOAZ en
Abw gevolgen zal hebben, zijn beslag kan krijgen in een nieuw sanctiebesluit.</al>
      <al>Indien het wetsvoorstel boeten, maatregelen en terug- en invordering door
het parlement aanvaard zal worden, dient het voorliggende besluit te worden
vervangen door een nieuw te treffen algemene maatregel van bestuur die is
afgestemd op voornoemd wetsvoorstel.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De noodzaak en de wenselijkheid van centrale regelgeving met betrekking
tot het sanctiebeleid werd met het oog op de beginselen van rechtszekerheid
en rechtsgelijkheid door de meerderheid van de commissie Sociale Voorzieningen
van de SER in haar advies van 13 december 1991 onderschreven. In het voorliggende
besluit wordt een kader voor het sanctiebeleid geboden dat rechtsgelijkheid
en rechtszekerheid biedt zonder dat afbreuk wordt gedaan aan de mogelijkheid
tot individualisering. Voor individualisering blijft ondanks de normering
in dit besluit ruimte bestaan. Artikel 14, derde lid, Abw schrijft immers
voor om de omvang en de duur van de maatregel af te stemmen op de ernst van
het feit, de omstandigheden van de belanghebbende en de mate van verwijtbaarheid.
Op grond van dat artikel kunnen derhalve, bijvoorbeeld op grond van specifieke
persoonlijke omstandigheden, verschillen in opgelegde sancties voorkomen.
Deze individualisering is ook in de IOAW en IOAZ voorgeschreven in artikel
20, tweede lid. </al>
      <tuskop letat="vet">Sanctienormering</tuskop>
      <al>De sanctienormering bestaat uit een categorisering van gedragingen welke
betrekking hebben op het niet nakomen van de aan de uitkering verbonden verplichtingen.
Naar gelang de ernst van het verwijtbaar handelen worden verschillende gestandaardiseerde
maatregelen voorgeschreven. De categorisering van de gedragingen
corresponderend met de aan de uitkering verbonden verplichtingen, brengt in
samenhang met de normsancties tot uitdrukking welk gewicht aan het niet voldoen
van een bepaalde verplichting wordt toegekend. In die zin zijn de verscheidene
gedragingen geobjectiveerd en vatbaar voor een standaardsanctie.</al>
      <al>Aan de indeling in categorieën ligt het criterium ten grondslag dat
de ernst van het feit toeneemt, naarmate het niet nakomen van een verplichting
concretere gevolgen heeft voor het verkrijgen van betaalde arbeid. Bij de
beoordeling van de ernst van het feit is derhalve onder meer van belang of
sprake is van onvoldoende eigen initiatief en de kansen op arbeidsinschakeling
door eigen toedoen worden verminderd of zelfs teniet worden gedaan. Als voorbeeld
kan worden genoemd een negatieve opstelling tijdens de sollicitatie. Een dergelijke
gedraging geeft aanleiding voor een lichtere sanctie dan wanneer sprake is
van het weigeren van aangeboden passende arbeid. In dat laatste geval wordt,
evenals ingeval men door eigen toedoen zijn arbeid niet behoudt, een zeer
concrete mogelijkheid om zelfstandig in het bestaan te voorzien niet benut
en is een zwaardere sanctie op zijn plaats.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In hoofdstuk VIII van de Abw en hoofdstuk III van de IOAW en de IOAZ zijn
de algemene, op activering gerichte verplichtingen die aan de uitkering verbonden
kunnen worden nader uitgewerkt. Het opleggen van deze verplichtingen strekt
ertoe, het met de wet beoogde doel zo goed mogelijk te verwezenlijken in het
concrete, individuele geval. Ook een schending van de verplichting uit artikel
70, vierde lid van de Abw (artikel 18, vierde lid, van de IOAW en de IOAZ),
valt onder de op grond van voorliggend besluit te sanctioneren gedragingen.
Dit betreft de verplichting van de uitkeringsgerechtigde om een exemplaar
van de bijlage bij de beschikking waarin het actieplan ter vergroting van
de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling is opgesteld, te ondertekenen en
aan burgemeester en wethouders te retourneren. Uit het verwijtbaar niet nakomen
van deze verplichting kan worden afgeleid dat onvoldoende bereidheid bestaat
om weer zelfstandig in eigen levensonderhoud te voorzien.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Buiten de gedragingen genoemd in de vier categorieën kunnen burgemeester
en wethouders ingeval van zeer ernstige of herhaaldelijk verwijtbaar handelen
of nalaten de bijstand of de uitkering ingevolge de IOAW en IOAZ geheel weigeren
op grond van artikel 14, vierde lid van de Abw onderscheidenlijk artikel 20,
derde lid van de IOAW en IOAZ. Een dergelijke situatie kan zich bijvoorbeeld
voordoen ingeval de belanghebbende ondanks eerdere verlagingen volhardt in
zijn verwijtbaar gedrag.</al>
      <al>Het betreft hier een bevoegdheid van burgemeester en wethouders die geen
nadere centrale normering behoeft voor wat betreft duur van de weigering.
Anders dan bij de genormeerde uitsluiting voor degene die als concrete gedraging
een dienstbetrekking dan wel een voorbereidingsovereenkomst in het kader van
de Jeugdwerkgarantiewet heeft geweigerd, is een algemene normering van de
duur van de sanctieperiode niet te geven omdat de omstandigheden waarmee bij
de sanctietoepassing rekening moet worden gehouden zeer uiteen kunnen lopen.
Bij het geheel weigeren van bijstand moet het voor de gemeente mogelijk zijn
om de ernst van het zeer verwijtbaar handelen in de duur van de weigering
tot uitdrukking te brengen.</al>
      <al>In het voorliggende besluit is op grond van bovenvermelde overwegingen
de imperatieve bepaling uit de Rww-sanctiebepalingen en het sanctiebesluit
IOAW en IOAZ waarin de weigeringsduur op drie maanden was vastgesteld, niet
meer opgenomen.  </al>
      <tuskop letat="vet">De mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van belanghebbende</tuskop>
      <al>Het geobjectiveerde belang van een bepaalde verplichting voor de inschakeling
in de arbeid kan niet in alle gevallen onverkort de indicatie voor de sanctie
zijn. De gemeentelijke uitvoerders houden met het onderhavige besluit voldoende
armslag om in de praktijk maatwerk te leveren. Het besluit strekt er evenals
de overige landelijke regelgeving toe om eenheid in uitvoering te bereiken.
Het laat de gemeente echter de ruimte om bij de toe te passen sanctie rekening
te houden met de individuele omstandigheden van de belanghebbende.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Daar waar het niet nakomen van de aan de uitkering verbonden verplichtingen
eenvoudig hersteld kan worden, dat wil zeggen bij gedragingen van de eerste
en tweede categorie, kunnen burgemeester en wethouders, indien er twijfels
bestaan over de verwijtbaarheid, belanghebbende een kans bieden om op zo kort
mogelijke termijn, gedacht kan worden aan ten hoogste een week, de gestelde
verplichting alsnog na te komen. Indien het niet nakomen van de uitkeringsverplichtingen
op de gestelde termijn niet heeft plaatsgevonden dient een sanctie te worden
toegepast.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het bieden van een kans om bijvoorbeeld de inschrijving bij het arbeidsbureau
zo snel mogelijk te herstellen of wel te verschijnen op een nieuwe afspraak,
maakt duidelijk of daadwerkelijk sprake is van onwil. Als zodanig maakt het
onderdeel uit van de vaststelling van de mate van verwijtbaarheid bij het
niet nakomen van een uitkeringsverplichting.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Daar in de Abw en de IOAW en IOAZ een duidelijker kader is gecreëerd
omtrent de rechten en plichten die over en weer tussen uitvoerders en uitkeringsgerechtigde
bestaan, zal het nagenoeg niet meer kunnen voorkomen dat de belanghebbende
niet op de hoogte is van de aan de uitkering verbonden verplichtingen. Zowel
bij eerste toekenning als bij wijziging van de uitkering zijn burgemeester
en wethouders op grond van artikel 70 van de Abw onderscheidenlijk artikel
18 van de IOAW en IOAZ verplicht om mededeling te doen van de voor de belanghebbende
geldende verplichtingen. Daarnaast zullen ook de gemaakte afspraken in het
kader van een activerings- of trajectplan zoals bedoeld in het derde lid van
die artikelen, expliciet als bijlage bij het besluit van burgemeester en wethouders
vermeld worden, welke bijlage door de belanghebbende dient te worden ondertekend. </al>
      <tuskop letat="vet">Handhaafbaarheid en uitvoerbaarheid</tuskop>
      <al>Het onderhavige besluit vervangt de sanctiebepalingen in de Rww en het
sanctiebesluit IOAW en IOAZ en betekent dus geen uitbreiding van regelgeving.
De huidige uitvoerig van de sanctietoepassing kan met inachtneming van de
bepalingen uit dit besluit worden voortgezet, zij het dat gemeenten de sancties
nu naar rato op de samengestelde bijstandsuitkering moeten toepassen. Gekozen
is voor een normering van de sancties in een algemeen verbindend voorschrift
teneinde ten behoeve van de uitkeringsgerechtigden meer rechtszekerheid te
bieden over de hoogte en duur van van mogelijke sancties. De handhaving van
de naleving van de aan de bijstand en uitkeringen op grond van de IOAW en
IOAZ verbonden verplichtingen wordt hiermee bevorderd. De bepalingen bieden
ook voor het toezicht van rijkswege een meer eenduidig toetsingskader. Voorts
zal eveneens de rechterlijke toetsing in beroep door het vast omlijnde kader
van dit besluit worden vereenvoudigd.  </al>
      <tuskop letat="vet">ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING </tuskop>
      <tuskop letat="cur">Artikel 2</tuskop>
      <al>Zoals blijkt uit artikel 14, derde lid van de Abw, respectievelijk artikel
20, tweede lid van de IOAW en de IOAZ, moeten burgemeester en wethouders de
sanctie afstemmen op de individuele omstandigheden van de belanghebbende en
de mate van verwijtbaarheid. Het artikel brengt mee dat burgemeester en wethouders
dienen af te wijken van de hoogte of de duur van de voorgeschreven standaardsanctie
indien de individuele omstandigheden daartoe aanleiding geven. Indien in de
specifieke situatie redenen zijn gelegen om een zwaardere sanctie toe te passen
kan de sanctie hoger worden gesteld dan wel gedurende een langere periode
gelden dan de normsanctie. Dergelijke omstandigheden kunnen zich bijvoorbeeld
voordoen indien de belanghebbende na een intensief traject van scholing en
begeleiding een daarop aansluitend aanbod van passend werk weigert. Matiging
van de hoogte of duur van de sanctie kan daarentegen bijvoorbeeld gerechtvaardigd
zijn op grond van individueel bepaalde omstandigheden van financiële
aard, zoals hoge woonlasten of andere vaste lasten, waarin geen financiële
tegemoetkoming mogelijk is. Indien door de persoonlijke omstandigheden de
normsanctie te zwaar zou uitvallen, kan de sanctie in die individuele situatie
lager of gedurende een kortere periode worden toegepast. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 3</tuskop>
      <al>Er worden vier categorieën onderscheiden waarmee de gedragingen van
de uitkeringsgerechtigde worden gerangschikt naar de ernst van het feit.</al>
      <al>Bij de indeling in categorieën is er van uitgegaan dat de ernst van
het feit toeneemt naarmate de gedraging concretere gevolgen heeft voor het
niet verkrijgen of behouden van betaalde arbeid.</al>
      <al>De eerste categorie onder a betreft de formele verplichting zich als werkzoekende
bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie te doen inschrijven en ingeschreven
te doen blijven. Indien hieraan geen gevolg wordt gegeven kan arbeidsbemiddeling
niet of niet optimaal plaatsvinden, waardoor de kans op deelname aan arbeidsbevorderende
activiteiten danwel op een betaalde baan wordt verkleind.</al>
      <al>Onderdeel b omvat de nieuwe verplichting voorvloeiend uit de in de Abw,
IOAW en IOAZ geregelde plannen met betrekking tot de arbeidsinschakeling.
De uitkeringsgerechtigde is verplicht om zijn individuele activeringsplan,
dat in overleg met de sociale dienst en het arbeidsbureau is opgesteld, voor
gezien te ondertekenen en te retourneren aan burgemeester en wethouders, zodat
geen misverstand kan onstaan over de verplichtingen die over en weer gelden.</al>
      <al>De tweede categorie betreft de verplichting tot een actieve opstelling
op de arbeidsmarkt in ruime zin. Naast het voldoen aan oproepen om op een
aangegeven plaats en tijd te verschijnen, gaat het hierbij om activiteiten
van de uitkeringsgerechtigde zelf, gericht op een zo snel mogelijke inschakeling
in het arbeidsproces, zoals voldoende sollicitaties op eigen initiatief naar
geschikte arbeid.</al>
      <al>In de derde categorie gaat het om gedragingen die direct aanleiding vormen
tot een beroep op uitkering of het zonder noodzaak langer voortduren daarvan.
Het gaat hierbij zowel om niet verantwoorde beperkingen, die de belanghebbende
stelt ten aanzien van de voor hem of haar aanvaardbare arbeid, als om gedragingen
die de kansen op arbeidsinschakelingen verminderen. Negatieve gedragingen
kunnen onder meer tot uitdrukking komen in de wijze waarop de belanghebbende
zich bij een sollicitatie opstelt. Ook is het niet of onvoldoende meewerken aan de uitvoering van het concrete plan gericht op een vergroting van
de arbeidsmarktkansen van de betrokkene in deze categorie opgenomen.</al>
      <al>De vierde categorie duidt op de situatie dat geen gebruik wordt gemaakt
van de mogelijkheid om passende arbeid, al dan niet in deeltijd, te aanvaarden
teneinde de uitkeringsafhankelijkheid geheel of gedeeltelijk te beëeindigen.</al>
      <al>Tot deze categorie worden tevens gerekend de situatie waarin door eigen
toedoen voorafgaand dan wel tijdens de bijstand – als het gaat om deeltijdwerk –
betaalde arbeid niet behouden wordt omdat de betrokkene daar vrijwillig voor
kiest. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 4</tuskop>
      <al>Een wijziging ten opzichte van de sanctiebepalingen in de Rww betreft
de vaststelling van het bedrag waarover de sanctie wordt berekend. In het
onderhavige besluit wordt voor de vaststelling van de hoogte van de sanctie
uitgegaan van de feitelijke bijstandsnorm. Hiervoor is gekozen in verband
met de nieuwe normsystematiek waarbij de bijstandsnorm zo nodig door gemeenten
wordt aangevuld met een toeslag. De hoogte van de sanctie wordt vastgesteld
over de norm inclusief gemeentelijke toeslag of verlaging. Hierdoor worden
de consequenties van verwijtbaar gedrag over de hele uitkering geëffectueerd.
Toepassing van het sanctiepercentage op uitsluitend de bijstandsnorm danwel
de bijstandsnorm vermeerderd met de maximale (fictieve) gemeentelijke toeslag
zou tot onaanvaardbare verschillen in de financiële effecten van sancties
kunnen leiden.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Indien burgemeester en wethouders besluiten tot het opleggen van een sanctie
dan wordt deze op de in het eerste lid van dit artikel aangegeven bedragen
en periodes vastgesteld. Indien er binnen één jaar na een eerste
verwijtbare gedraging sprake is van herhaald verwijtbaar gedrag wordt de grotere
mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling van
de duur van de verlaging. Onder «eerste gedraging» wordt in dit
verband verstaan de eerste verwijtbare gedraging die voor burgemeester en
wethouders aanleiding is geweest een sanctie toe te passen. Tot eerste gedraging
wordt echter ook gerekend een verwijtbare gedraging ten aanzien waarvan burgemeester
en wethouders op grond van omstandigheden van belanghebbende hebben afgezien
van een sanctieoplegging. Het spreekt vanzelf dat met het oog op de toepassing
van deze bepaling mede een goede registratie van de sanctiebesluiten in de
gemeentelijke administratie dient plaats te hebben.</al>
      <al>Naast de verdubbeling van de sanctietermijn ingeval van een herhaling
van verwijtbaar gedrag uit dezelfde of een hogere categorie hebben burgemeester
en wethouders op grond van de wet de bevoegdheid om bij herhaalde of zeer
ernstige gedragingen de uitkering te weigeren. Hier moet gedacht worden aan
gedragingen waarbij herhaaldelijk verplichtingen geschonden worden. Indien
de belanghebbende volhardt in verwijtbaar gedrag kunnen burgemeester en wethouders
op grond van artikel 14, vierde lid van de Abw onderscheidenlijk artikel 20
derde lid van de IOAW en IOAZ de uitkering weigeren. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 5</tuskop>
      <al>Het recht op IOAW en IOAZ wordt vastgesteld aan de hand van bruto grondslagen
inclusief vakantiegeld. Bij de toe te passen sancties wordt aangesloten op
deze bruto systematiek. De sanctiepercentages zijn derhalve aan de bruto grondslag
gekoppeld. </al>
      <minister>
        <minvan>De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,</minvan>
        <naam>A. P. W. Melkert</naam>
      </minister>
    </notatoe>
  </backm>
</staatsbl>