﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<!DOCTYPE staatsbl PUBLIC "-//SDU//DTD staatsblad xml 1.1//NL" "../../dtd/staatsbl-11.dtd"[]>
<staatsbl id="sb995.400" soort="beschik" publtype="besc">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-1995-400/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel status="off">Staatsblad</titel>
    <subtitel>van het Koninkrijk der Nederlanden</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.4" conv="OPmaat" markup="c1xa"></versie>
    <ordernr>51U0434</ordernr>
    <stb>
      <jaargang jaar="1995">Jaargang 1995</jaargang>
      <stbjaar>1995</stbjaar>
      <stbnr>400 </stbnr>
    </stb>
    <intitule>
      <soort>Beschikking</soort> van de Minister van Justitie van 29 augustus
1995, houdende plaatsing in het Staatsblad van de tekst van de Tariefcommissiewet,
zoals deze luidt met ingang van 1 juni 1995</intitule>
    <aanhef>
      <wie>De Minister van Justitie,</wie>
      <consider>
        <al>Gelet op artikel XXVII van de wet van 12 april 1995, Stb. 227;</al>
      </consider>
      <afkondig>Besluit:</afkondig>
    </aanhef>
  </frontm>
  <body>
    <besluit>
      <al>de tekst van de Tariefcommissiewet, zoals deze luidt met ingang van 1
juni 1995, in het Staatsblad te plaatsen als bijlage bij deze beschikking.</al>
    </besluit>
  </body>
  <backm>
    <nawerk>
      <ondertek>
        <ondplts>'s-Gravenhage, </ondplts>
        <onddatum>29 augustus 1995 </onddatum>
        <minister>
          <minvan>De Minister van Justitie,</minvan>
          <naam>W. Sorgdrager</naam>
        </minister>
      </ondertek>
      <uitgifte>
        <uitgifte-regel>Uitgegeven de <nadruk type="cur">vijfde</nadruk> september 1995</uitgifte-regel>
        <uitdag>vijfde</uitdag>
        <uitmaand>september</uitmaand>
        <uitjaar>1995</uitjaar>
        <door>
          <minvan>De Minister van Justitie,</minvan>
          <naam>W. Sorgdrager </naam>
        </door>
      </uitgifte>
    </nawerk>
    <tekstpl>
      <kop>
        <titel status="off">TEKST VAN DE TARIEFCOMMISSIEWET, ZOALS DEZE LUIDT MET
INGANG VAN 1 JUNI 1995 </titel>
      </kop>
      <art id="a1">
        <kop>
          <nr>Artikel 1</nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1.</nr>
          <al>Er is een Tariefcommissie.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2.</nr>
          <al>De Tariefcommissie is gevestigd te Amsterdam.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>3.</nr>
          <al>De Tariefcommissie heeft een door Ons te bepalen aantal kamers.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>4.</nr>
          <al>Kamers van de Tariefcommissie kunnen ook elders dan te Amsterdam zitting
houden.</al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a2">
        <kop>
          <nr>Artikel 2</nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1.</nr>
          <al>De Tariefcommissie bestaat uit gewone leden, onder wie de voorzitter en
een of meer ondervoorzitters, plaatsvervangende leden en buitengewone leden.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2.</nr>
          <al>In geval van afwezigheid, belet of ontstentenis wordt de voorzitter vervangen
door een ondervoorzitter.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>3.</nr>
          <al>Onze Minister van Justitie kan, met diens toestemming, een gewoon lid
belasten met de waarneming van het ambt van voorzitter.</al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a3">
        <kop>
          <nr>Artikel 3</nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1.</nr>
          <al>De gewone leden, de voorzitter en de ondervoorzitters, alsmede de plaatsvervangende
leden worden door Ons voor het leven benoemd op voordracht van Onze Minister
van Justitie, gedaan na overleg met Onze Minister van Financiën. Zij
moeten voldoen aan de vereisten voor benoeming tot raadsheer in de belastingkamer
van een gerechtshof. Bij het bereiken van de volle ouderdom van 70 jaren wordt
hun door Ons ontslag verleend met ingang van de eerstvolgende maand.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2.</nr>
          <al>In afwijking van het in de tweede zin van het eerste lid bepaalde, kunnen
Wij gewone leden benoemen, die niet aan de aldaar genoemde vereisten voldoen,
maar die overigens bijzondere bekwaamheden voor het lidmaatschap van de Tariefcommissie
hebben. Het aantal krachtens dit lid benoemde gewone leden mag ten hoogste
een derde van het werkelijk totaal aantal gewone leden bedragen. De krachtens
dit lid benoemde gewone leden worden niet benoemd tot voorzitter of ondervoorzitter.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>3.</nr>
          <al>Wanneer een plaats van gewoon lid of plaatsvervangend lid te vervullen
valt, maakt de Tariefcommissie een lijst van aanbeveling van 3 kandidaten
op, die aan Ons wordt aangeboden, om daarop zodanig acht te slaan als Wij
dienstig zullen oordelen.</al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a3a">
        <kop>
          <nr>Artikel 3a</nr>
        </kop>
        <al>Op de gewone leden is artikel 7b van de Wet op de rechterlijke organisatie
van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat omtrent verzoeken van
hen die bij de Tariefcommissie zijn aangesteld met uitzondering van de voorzitter,
het advies wordt ingewonnen van de voorzitter.</al>
      </art>
      <art id="a3b">
        <kop>
          <nr>Artikel 3b</nr>
        </kop>
        <al>Ten aanzien van de rechterlijke ambtenaren bij de Tariefcommissie die
zijn aangesteld voor het vervullen van een volledige of gedeeltelijke werktijd
is artikel 15 van de Wet op de rechterlijke organisatie van overeenkomstige
toepassing, met dien verstande dat voor de toepassing van het tweede lid,
onder a, van dat artikel de ontheffing kan worden verleend door de voorzitter
van de Tariefcommissie. </al>
      </art>
      <art id="a4">
        <kop>
          <nr>Artikel 4</nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1.</nr>
          <al>De buitengewone leden worden door Ons voor een termijn van vier jaren
benoemd op voordracht van Onze Minister van Justitie, gedaan na overleg met
Onze Minister van Financiën.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2.</nr>
          <al>Wanneer een plaats van buitengewoon lid te vervullen valt, maakt de Tariefcommissie
een lijst van aanbeveling van 3 kandidaten op, die aan Ons wordt aangeboden,
om daarop zodanig acht te slaan als Wij dienstig zullen oordelen.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>3.</nr>
          <al>Voordat een aanbeveling in de zin van het vorige lid wordt opgemaakt,
vraagt de Tariefcommissie het advies van de bij algemene maatregel van bestuur
aan te wijzen Kamers van Koophandel en Fabrieken alsmede organisaties op het
gebied van handel, industrie landbouw en verkeer. De adviezen van deze Kamers
en organisaties worden bij de aanbeveling overgelegd.</al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a5">
        <kop>
          <nr>Artikel 5</nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1.</nr>
          <al>Echtgenoten kunnen niet tezamen deel uitmaken van de Tariefcommissie.
Indien het huwelijk eerst mocht worden aangegaan na de benoeming zal de jongste
in leeftijd zijn ambt niet kunnen behouden.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2.</nr>
          <al>Bloedverwanten of aanverwanten tot de derde graad ingesloten kunnen niet
tezamen deel uitmaken van de Tariefcommissie. Indien zwagerschap eerst mocht
zijn ontstaan na de benoeming, zal degene die haar veroorzaakte, zijn ambt
niet kunnen behouden. De zwagerschap houdt op door het overlijden van degene
die haar veroorzaakte.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>3.</nr>
          <al>De gewone leden, de plaatsvervangende leden en de buitengewone leden van
de Tariefcommissie mogen niet tevens lid van de Hoge Raad, Minister of Staatssecretaris,
ambtenaar, werkzaam bij een der departementen van algemeen bestuur of bij
een dienst of instelling behorende tot het Ministerie van Financiën zijn.</al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a5a">
        <kop>
          <nr>Artikel 5a</nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1.</nr>
          <al>Wij kunnen aan de voorzitter, de ondervoorzitters en de overige gewone
leden op hun verzoek buitengewoon verlof zonder behoud van bezoldiging verlenen.
De verlening geschiedt voor een daarbij te bepalen periode; hieraan kunnen
voorwaarden worden verbonden.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2.</nr>
          <al>Op een verzoek als bedoeld in het eerste lid van ondervoorzitters en overige
gewone leden wordt niet beslist dan nadat daarover het advies is ingewonnen
van de voorzitter.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>3.</nr>
          <al>Het verlof, bedoeld in het eerste lid, gaat niet in dan na aanvaarding
van dit verlof met de daaraan verbonden voorwaarden door degene die het betreft.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>4.</nr>
          <al>Het derde lid van artikel 5 is niet van toepassing op hen die in het genot
van buitengewoon verlof zijn.</al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a6">
        <kop>
          <nr>Artikel 6</nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1.</nr>
          <al>Het in de artikelen 11–14 van de Wet op de rechterlijke organisatie
voor de leden van de rechterlijke macht bepaalde is ten aanzien van de gewone
en buitengewone leden van de Tariefcommissie van toepassing, met dien verstande
dat de voorzitter de in artikel 14, eerste lid, van de genoemde wet geregelde
bevoegdheid ambtshalve of op vordering van de procureur-generaal bij de Hoge
Raad uitoefent ten aanzien van hen die naast hem deel uitmaken van de Tariefcommissie
en de president van de Hoge Raad die bevoegdheid ambtshalve of op vordering
van de procureur-generaal bij de Hoge Raad uitoefent ten aanzien van de voorzitter
van de Tariefcommissie.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2.</nr>
          <al>Het in de artikelen 14a–14e van de Wet op de rechterlijke organisatie voor de leden van de rechterlijke macht bepaalde is van toepassing
ten aanzien van de gewone en buitengewone leden van de Tariefcommissie, met
dien verstande dat de Hoge Raad de voorzitter van de Tariefcommissie in de
gelegenheid stelt mondeling of schriftelijk inlichtingen te verstrekken en
van zijn gevoelen omtrent een aanhangige klacht als bedoeld in artikel 14a
van de genoemde wet te doen blijken, indien de klacht is gericht tegen een
der genen die naast hem deel uitmaken van de commissie.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>3.</nr>
          <al>Het is aan de gewone en buitengewone leden verboden:</al>
          <al>a. hetgeen zij als zodanig te weten zijn gekomen bekend te maken;</al>
          <al>b. de gevoelens te openbaren, welke in de raadkamer over aanhangige gedingen
zijn geuit;</al>
          <al>c. over een voor de Tariefcommissie aanhangig geding of een geding, dat
naar zij weten of vermoeden voor de Tariefcommissie aanhangig zal worden gemaakt,
zich in te laten in enig onderhoud of gesprek met partijen of hun raadslieden
of van deze enige bijzondere inlichting of schriftelijk stuk aan te nemen.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>4.</nr>
          <al>Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op de plaatsvervangende
leden.</al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a7">
        <kop>
          <nr>Artikel 7</nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1.</nr>
          <al>De beslissingen op bij de Tariefcommissie ingestelde beroepen worden genomen
door een Kamer.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2.</nr>
          <al>De voorzitter bepaalt de samenstelling van de Kamers en de orde van haar
werkzaamheden.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>3.</nr>
          <al>Iedere Kamer is samengesteld uit drie of vier gewone leden, waaronder
de voorzitter of een der ondervoorzitters, en twee of één buitengewone
leden, in totaal uit vijf leden. Een gewoon lid kan worden vervangen door
een plaatsvervangend lid.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>4.</nr>
          <al>De beslissingen worden genomen bij meerderheid van stemmen.</al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a7a">
        <kop>
          <nr>Artikel 7a</nr>
        </kop>
        <al>De artikelen 5b tot en met 5g van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
zijn van overeenkomstige toepassing.</al>
      </art>
      <art id="a8">
        <kop>
          <nr>Artikel 8</nr>
        </kop>
        <al>Aan de behandeling van en de beslissing op beroepen, waarbij een lid van
de Tariefcommissie, dan wel zijn echtgenoot of een van zijn bloed- of aanverwanten
tot en met de derde graad, betrokken is, neemt dat lid geen deel.</al>
      </art>
      <art id="a9">
        <kop>
          <nr>Artikel 9</nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1.</nr>
          <al>Wij benoemen op voordracht van Onze Minister van Justitie, gedaan na overleg
met Onze Minister van Financiën, een secretaris en zo nodig een of meer
adjunct-secretarissen van de Tariefcommissie.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2.</nr>
          <al>Onze Minister van Justitie kan, na overleg met Onze Minister van Financiën,
ambtenaren toegevoegd aan de secretaris benoemen.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>3.</nr>
          <al>In geval van afwezigheid, belet of ontstentenis van de secretaris, worden
zijn taken waargenomen door een adjunct-secretaris, of bij gebreke daarvan
door een toegevoegd ambtenaar, een en ander volgens rang van benoeming.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>4.</nr>
          <al>De in artikel 6, derde lid, onderdelen a en b, omschreven verbodsbepalingen
gelden ook voor de secretaris, de adjunct-secretarissen en de aan de secretaris
toegevoegde ambtenaren.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>5.</nr>
          <al>Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gegeven
over het verrichten van diensten door het secretariaat ten behoeve
van andere met rechtspraak belaste colleges dan de Tariefcommissie.</al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a10">
        <kop>
          <nr>Artikel 10</nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1.</nr>
          <al>De gewone en buitengewone leden alsmede de secretaris en de adjunct-secretarissen
leggen de eed of de belofte af, die voor rechterlijke ambtenaren is voorgeschreven.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2.</nr>
          <al>De eed of de belofte wordt door de voorzitter afgelegd in handen van de
president van de Hoge Raad, door de overige gewone leden, door de buitengewone
leden, door de secretaris en door de adjunct-secretarissen in handen van de
voorzitter.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>3.</nr>
          <al>Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op de plaatsvervangende
leden.</al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a11">
        <kop>
          <nr>Artikel 11</nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1.</nr>
          <al>De uitspraken van de Tariefcommissie worden schriftelijk gedaan, zij vermelden
de beslissing en zijn met redenen omkleed. Zij vermelden wanneer en door wie
zij zijn vastgesteld en worden door de voorzitter van de Kamer die de uitspraak
heeft gedaan, alsmede door de secretaris ondertekend.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2.</nr>
          <al>Indien de voorzitter van de Kamer die de uitspraak heeft gedaan zich in
de onmogelijkheid bevindt om de uitspraak te ondertekenen, wordt dit verricht
door een van de leden die over de zaak gezeten hebben.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>3.</nr>
          <al>De Tariefcommissie spreekt de beslissing in het openbaar uit, in tegenwoordigheid
van de secretaris.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>4.</nr>
          <al>De secretaris zendt een afschrift van de uitspraak aan partijen.</al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a11a">
        <kop>
          <nr>Artikel 11a</nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1.</nr>
          <al>Van degene die beroep instelt, wordt door de secretaris van de Tariefcommissie
een recht geheven van f 150.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2.</nr>
          <al>De voorzitter verleent vermindering met f 110 van het ter zake van
het beroep verschuldigde recht, indien uit het beroepschrift blijkt dat het
betrokken bedrag onderscheidenlijk – bij gebreke van zodanig bedrag –
het belang waarvoor het geschil loopt, niet hoger is onderscheidenlijk gewaardeerd
wordt op een bedrag dat niet hoger is dan f 150. Een vermindering kan
voorlopig worden verleend.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>3.</nr>
          <al>De voorzitter verleent aan natuurlijke personen vermindering met f 110
onderscheidenlijk f 75 van het terzake van het beroep verschuldigde recht
indien hun inkomen, blijkens een door hen over te leggen afschrift van het
bewijs van toevoeging dan wel de door hen over te leggen verklaring of bescheiden
als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de Wet op de rechtsbijstand, niet
meer bedraagt dan in artikel 35, derde lid, onderdelen a tot en met f, onderscheidenlijk
g tot en met l, van die wet is bedoeld. Een vermindering kan voorlopig worden
verleend.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>4.</nr>
          <al>Het beroep wordt niet in behandeling genomen voordat het verschuldigde
recht ter secretarie van de Tariefcommissie is gestort. Indien het verschuldigde
recht niet is gestort binnen acht weken na de dag van verzending van een mededeling
waarin de secretaris de indiener op de verschuldigdheid daarvan heeft gewezen,
wordt deze niet-ontvankelijk verklaard. Wanneer het verschuldigde recht is
gestort na afloop van deze termijn, blijft niet-ontvankelijkverklaring op
grond daarvan achterwege, indien de indiener aantoont dat het recht is gestort
zo spoedig mogelijk als dit redelijkerwijs verlangd kon worden.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>5.</nr>
          <al>Aan degene die beroep instelt, wordt bij intrekking van het beroep op
grond van het feit dat geheel of gedeeltelijk aan diens bezwaren is tegemoetgekomen,
het door hem gestorte recht vergoed door de inspecteur. In de overige gevallen
heeft de inspecteur bij intrekking van het beroep de bevoegdheid
het gestorte recht geheel of gedeeltelijk te vergoeden.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>6.</nr>
          <al>Bij gehele of gedeeltelijke gegrondverklaring van het beroep houdt de
uitspraak tevens in, dat aan de indiener van het beroep het door hem gestorte
recht wordt vergoed door de inspecteur. Bij ongegrondverklaring van het beroep
kan de Tariefcommissie gelasten dat het gestorte recht geheel of gedeeltelijk
door de inspecteur wordt vergoed.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>7.</nr>
          <al>De in dit artikel genoemde bedragen kunnen bij algemene maatregel van
bestuur worden gewijzigd voor zover het prijsindexcijfer van de gezinsconsumptie
daartoe aanleiding geeft.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>8.</nr>
          <al>Voor het verstrekken van afschriften van en van uittreksels uit uitspraken,
registers of andere stukken van de Tariefcommissie, al of niet voor afschrift
of uittreksel getekend, ten behoeve van personen of instellingen die geen
partij zijn geweest, vindt het bepaalde bij en krachtens de Wet tarieven in
strafzaken overeenkomstige toepassing. Zodanige verstrekking geschiedt met
machtiging van de voorzitter.</al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a11b">
        <kop>
          <nr>Artikel 11b</nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1.</nr>
          <al>De Tariefcommissie is bij uitsluiting bevoegd een partij te veroordelen
in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep
bij de Tariefcommissie redelijkerwijs heeft moeten maken. Een natuurlijke
persoon kan slechts in de kosten worden veroordeeld in geval van kennelijk
onredelijk gebruik van procesrecht. Bij algemene maatregel van bestuur worden
nadere regels gesteld over de kosten waarop een veroordeling als bedoeld in
de eerste volzin uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze waarop
bij de uitspraak het bedrag van de kosten wordt vastgesteld.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2.</nr>
          <al>In geval van een veroordeling in de kosten ten behoeve van een partij
aan wie ter zake van het beroep een toevoeging is verleend krachtens de Wet
op de rechtsbijstand wordt het bedrag van de kosten betaald aan de secretaris
van de Tariefcommissie. Artikel 57b van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
is van overeenkomstige toepassing.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>3.</nr>
          <al>Indien de inspecteur in de kosten wordt veroordeeld, wijst de Tariefcommissie
de rechtspersoon aan die de kosten moet vergoeden.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>4.</nr>
          <al>Indien het beroep is ingesteld tegen een uitspraak op een bezwaarschrift
ingevolge artikel 108, zesde lid, van de Wet inzake de douane zijn het derde
lid en artikel 11c van overeenkomstige toepassing.</al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a11c">
        <kop>
          <nr>Artikel 11c</nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1.</nr>
          <al>In geval van intrekking van het beroep omdat de inspecteur geheel of gedeeltelijk
aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de inspecteur
op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van
artikel 11b in de kosten worden veroordeeld. Het verzoek wordt gedaan tegelijk
met de intrekking van het beroep. Indien aan dit vereiste niet is voldaan,
wordt het verzoek niet-ontvankelijk verklaard.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2.</nr>
          <al>De Tariefcommissie stelt de verzoeker zo nodig in de gelegenheid het verzoek
schriftelijk toe te lichten en stelt de inspecteur in de gelegenheid een vertoogschrift
in te dienen. Zij stelt hiervoor termijnen vast. Indien het verzoek mondeling
wordt gedaan, kan de Tariefcommissie bepalen dat het toelichten van het verzoek
en het voeren van verweer onmiddellijk mondeling geschieden.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>3.</nr>
          <al>Indien het toelichten van het verzoek en het voeren van verweer mondeling
zijn geschied, sluit de Tariefcommissie het onderzoek.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>4.</nr>
          <al>In de overige gevallen worden partijen uitgenodigd om op een in de uitnodiging
te vermelden plaats en tijdstip op een zitting van de Tariefcommissie te verschijnen,
tenzij partijen toestemming hebben gegeven voor het achterwege
blijven van het onderzoek ter zitting. Artikel 12 is van overeenkomstige toepassing.</al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a12">
        <kop>
          <nr>Artikel 12</nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1.</nr>
          <al>Is de Tariefcommissie kennelijk onbevoegd of is het beroep kennelijk niet-ontvankelijk
of ongegrond, dan kan, zonder dat een nader onderzoek vereist is, de voorzitter
bij met redenen omklede beschikking de Tariefcommissie onbevoegd of het beroep
niet-ontvankelijk of ongegrond verklaren.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2.</nr>
          <al>De secretaris doet afschrift van de beschikking per aangetekende brief
aan de verzoeker toekomen.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>3.</nr>
          <al>Tegen de in het eerste lid vermelde beschikking kan de verzoeker schriftelijk
verzet doen bij de Tariefcommissie.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>4.</nr>
          <al>Ten gevolge van dat verzet vervalt de beschikking, tenzij het verzet niet-ontvankelijk
of ongegrond wordt verklaard.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>5.</nr>
          <al>De artikelen 6:4, derde lid, 6:5, 6:6 tot en met 6:9, 6:11, 6:14, 6:15,
6:17 en 6:21 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 109, tweede lid,
van de Wet inzake de douane zijn van overeenkomstige toepassing. Desverlangd
geeft de secretaris bewijs van ontvangst van de schriftuur, waarbij verzet
wordt gedaan.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>6.</nr>
          <al>Is de Tariefcommissie van oordeel, dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk
of ongegrond is, of dat de Tariefcommissie kennelijk onbevoegd is, dan kan
zij zonder nader onderzoek het verzet ongegrond verklaren, echter niet dan
na hem, die het verzet gedaan heeft, in de gelegenheid te hebben gesteld te
worden gehoord.</al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a13">
        <kop>
          <nr>Artikel 13</nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1.</nr>
          <al>De artikelen 11a, eerste en tweede lid, en 13 tot en met 16 van de Wet
administratieve rechtspraak belastingzaken zijn van overeenkomstige toepassing.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2.</nr>
          <al>De Tariefcommissie kan de uitoefening van de in de artikelen 14, eerste
lid en, voor wat betreft het raadplegen van deskundigen, 15, eerste lid, van
de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken bedoelde bevoegdheden opdragen
aan de secretaris. De Tariefcommissie kan de secretaris tevens opdragen door
zelfstandig onderzoek de nodige gegevens te verzamelen. De secretaris brengt
van zijn bevindingen een schriftelijk verslag uit. Met dit verslag wordt gehandeld
als met een verslag van deskundigen overeenkomstig artikel 15, zesde lid,
van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>3.</nr>
          <al>De secretaris kan de hem krachtens het tweede lid opgedragen taken geheel
of gedeeltelijk doen verrichten door de adjunct-secretarissen of overige ambtenaren
van het secretariaat.</al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a14">
        <kop>
          <nr>Artikel 14</nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1.</nr>
          <al>De Tariefcommissie geeft Onze Minister van Financiën desgevraagd
inlichtingen over aangelegenheden, de toepassing van het tarief van invoerrechten
betreffende.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2.</nr>
          <al>Voor de uitvoering van deze taak wordt de commissie samengesteld uit de
voorzitter, vier andere gewone leden en twee buitengewone leden.</al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a15">
        <kop>
          <nr>Artikel 15</nr>
        </kop>
        <al>Het reglement van orde voor de Tariefcommissie wordt door Ons, op voordracht
van Onze Minister van Justitie, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën,
vastgesteld. De regeling van onderwerpen van inwendige dienst kunnen Wij aan
de Tariefcommissie overlaten. </al>
      </art>
      <art id="a16">
        <kop>
          <nr>Artikel 16</nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1.</nr>
          <al>De Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren is van overeenkomstige toepassing,
met dien verstande dat wat hun bezoldiging betreft de voorzitter is gelijkgesteld
met de president van, de ondervoorzitters en de gewone leden die het lidmaatschap
als hoofdfunctie bekleden zijn gelijkgesteld met de vice-presidenten van,
de overige gewone leden zijn gelijkgesteld met de raadsheren in en de plaatsvervangende
leden zijn gelijkgesteld met de raadsheren-plaatsvervangers in een gerechtshof.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2.</nr>
          <al>Indien iemand die met toepassing of overeenkomstige toepassing van de
Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren wordt bezoldigd voor het vervullen
van een volledige werktijd tevens wordt aangesteld als voorzitter, ondervoorzitter
of gewoon lid van de Tariefcommissie, wordt zijn salaris tot en met de laatste
dag van de maand waarin de aanstelling bij de Tariefcommissie wordt beëindigd,
vermeerderd met 1/5 deel van het salaris dat is verbonden aan het vervullen
van een volledige werktijd in het ambt waarin hij bij de Tariefcommissie is
aangesteld.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>3.</nr>
          <al>De aan de buitengewone leden toe te kennen beloning wordt bij algemene
maatregel van bestuur vastgesteld.</al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a17">
        <kop>
          <nr>Artikel 17</nr>
        </kop>
        <al>Deze wet wordt aangehaald als: Tariefcommissiewet.</al>
      </art>
    </tekstpl>
  </backm>
</staatsbl>