﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<!DOCTYPE staatsbl PUBLIC "-//SDU//DTD staatsblad xml 1.1//NL" "../../dtd/staatsbl-11.dtd"[]>
<staatsbl id="sb995.40" soort="kb" publtype="kobe">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-1995-40/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel status="off">Staatsblad</titel>
    <subtitel>van het Koninkrijk der Nederlanden</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.4" conv="OPmaat" markup="c1xa"></versie>
    <ordernr>51U0005</ordernr>
    <stb>
      <jaargang jaar="1995">Jaargang 1995</jaargang>
      <stbjaar>1995</stbjaar>
      <stbnr>40</stbnr>
    </stb>
    <intitule>
      <soort>Besluit</soort>van 10 januari 1995, houdende regels ter
voorkoming van verontreiniging door met schepen vervoerde schadelijke stoffen
in verpakte vorm (Besluit voorkoming verontreiniging door met schepen vervoerde
schadelijke stoffen in verpakte vorm)</intitule>
    <aanhef>
      <wie>Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.</wie>
      <consider>
        <al>Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 15 juli
1994, nr. S/J 31.288/94, Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken,
Stafafdeling Wetgeving en juridische zaken, gedaan mede namens Onze Minister
van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;</al>
        <al>Gelet op <grslag>Bijlage III van het op 2 november 1973 te Londen tot
stand gekomen Verdrag inzake voorkoming van verontreiniging door schepen,
met Protocollen en Bijlagen met Aanhangsels (Trb. 1975, 147 en 1978, 187)</grslag>, zoals gewijzigd en aangevuld bij het op 17 februari 1978 te Londen
tot stand gekomen Protocol bij dat Verdrag met Bijlage en Aanhangsels (Trb.
1978, 188 en 1986, 121) en de <grslag>artikelen 1, onder e, 5, 10 en 39 van
de Wet voorkoming verontreiniging door schepen</grslag>;</al>
        <al>De Raad van State gehoord (advies van 5 oktober 1994, nr. W09.94.0457);</al>
        <al>Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van
4 januari 1995, nr. S/J 32.283/94, Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme
Zaken, Stafafdeling Wetgeving en juridische zaken, uitgebracht mede namens
Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;</al>
      </consider>
      <afkondig>Hebben goedgevonden en verstaan:</afkondig>
    </aanhef>
  </frontm>
  <body>
    <art id="a1">
      <kop>
        <nr>Artikel 1.</nr>
        <titel status="off">Omschrijvingen</titel>
      </kop>
      <al>In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:</al>
      <al>a. Handboek Gevaarlijke Stoffen: het Handboek Gevaarlijke Stoffen, bedoeld
in artikel 130e van het Schepenbesluit 1965;</al>
      <al>b. schadelijke stof in verpakte vorm: elke stof die als schadelijk is
aangemerkt en is verpakt op omhullende wijze, genoemd bij of krachtens het
Handboek Gevaarlijke Stoffen.</al>
    </art>
    <art id="a2">
      <kop>
        <nr>Artikel 2.</nr>
        <titel status="off">Toepassing</titel>
      </kop>
      <lid>
        <nr>1.</nr>
        <al>De bepalingen van dit besluit zijn van toepassing op schepen die over
zee vervoeren:</al>
        <al>a. schadelijke stoffen in verpakte vorm;</al>
        <al>b. lege, niet gereinigde verpakkingen die eerder zijn gebruikt voor het
vervoer van schadelijke stoffen in verpakte vorm, tenzij toereikende maatregelen
zijn getroffen die verzekeren dat geen restanten zijn achtergebleven die schade
kunnen toebrengen aan het mariene milieu.</al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>2.</nr>
        <al>De bepalingen van dit besluit zijn niet van toepassing op schadelijke
stoffen in verpakte vorm, bestemd voor eigen scheepsgebruik of behorend tot
de eigen scheepsuitrusting.</al>
      </lid>
    </art>
    <art id="a3">
      <kop>
        <nr>Artikel 3.</nr>
        <titel status="off">Verpakking</titel>
      </kop>
      <al>De verpakking gebruikt voor het vervoer van een schadelijke stof in verpakte
vorm, is in overeenstemming met het daarvoor bepaalde bij of krachtens het
Handboek Gevaarlijke Stoffen en is, rekening houdend met de specifieke inhoud,
toereikend om schade aan het mariene milieu tot een minimum te beperken.</al>
    </art>
    <art id="a4">
      <kop>
        <nr>Artikel 4.</nr>
        <titel status="off">Merken en etiketteren</titel>
      </kop>
      <lid>
        <nr>1.</nr>
        <al>Verpakkingen van een schadelijke stof in verpakte vorm zijn duurzaam gemerkt
met de juiste technische benaming van de stof waarbij handelsnamen niet als
zodanig mogen worden gebruikt. De verpakkingen zijn bovendien op een duidelijk
zichtbare plaats voorzien van een duurzaam aangehecht of opgedrukt merk of
etiket waarmee wordt aangegeven dat de inhoud schadelijk is voor het mariene
milieu.</al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>2.</nr>
        <al>De aanduiding, bedoeld in het eerste lid, wordt aangevuld met het aan
de stof toegekende identificatienummer van de Verenigde Naties voor zover
van toepassing.</al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>3.</nr>
        <al>Merken en etiketten zijn op een zodanige wijze aangebracht dat de aangegeven
informatie nog herkenbaar is, nadat de verpakkingen ten minste drie maanden
zijn ondergedompeld geweest in zeewater.</al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>4.</nr>
        <al>Verpakkingen die kleine hoeveelheden van een schadelijke stof in verpakte
vorm bevatten, zijn vrijgesteld van de bepalingen in dit artikel voor zover
dat is bepaald bij of krachtens het Handboek Gevaarlijke Stoffen.</al>
      </lid>
    </art>
    <art id="a5">
      <kop>
        <nr>Artikel 5.</nr>
        <titel status="off">Bescheiden</titel>
      </kop>
      <lid>
        <nr>1.</nr>
        <al>In alle bescheiden die betrekking hebben op het vervoer van een schadelijke
stof in verpakte vorm wordt gebruikt:</al>
        <al>a. de juiste technische benaming van de stof waarbij handelsnamen niet
als zodanig mogen worden gebruikt;</al>
        <al>b. het identificatienummer van de Verenigde Naties voor zover van toepassing;</al>
        <al>c. de indeling in gevarenklassen, genoemd in artikel 130 van het Schepenbesluit
1965;</al>
        <al>d. de hoeveelheden van die stoffen en wanneer zij in transporttanks of
vrachtcontainers worden vervoerd, de identificatiemerktekens daarvan.</al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>2.</nr>
        <al>In alle bescheiden die betrekking hebben op het vervoer van een schadelijke
stof in verpakte vorm wordt de schadelijke stof als zodanig aangemerkt door
toevoeging van de woorden «marine pollutant».</al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>3.</nr>
        <al>De ladingdocumenten, opgemaakt door degene die schadelijke stoffen aanbiedt
voor vervoer per schip, gaan vergezeld van een ondertekend certificaat of
een ondertekende verklaring waarin wordt vermeld dat de voor verscheping aangeboden
goederen deugdelijk zijn verpakt, gemerkt en geëtiketteerd en zich in
een deugdelijke staat voor vervoer bevinden teneinde het gevaar
voor schade aan het mariene milieu tot een minimum te beperken.</al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>4.</nr>
        <al>Elk schip dat een schadelijke stof in verpakte vorm vervoert, heeft een
speciale lijst of manifest aan boord, waarin die stof en de plaats aan boord
waar deze zich bevindt, worden omschreven. In plaats van zulk een speciale
lijst of manifest mag een gedetailleerd stuwplan worden gebruikt waarin de
plaats van stuwage van alle aan boord aanwezige schadelijke stoffen in verpakte
vorm is aangegeven. Afschriften van de bescheiden worden door de exploitant
of de agent van het schip aan de wal bewaard, totdat de stoffen zijn gelost.
Ook worden afschriften van de bescheiden aan de bevoegde autoriteit afgegeven.</al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>5.</nr>
        <al>Indien het schip beschikt over een speciale lijst of manifest, of een
gedetailleerd stuwplan voor het vervoer van gevaarlijke stoffen als bedoeld
in Bijlage XVII van het Schepenbesluit 1965, mogen de bescheiden die zijn
vereist overeenkomstig het bepaalde in dit artikel, worden gecombineerd met
die voor gevaarlijke stoffen. Indien deze bescheiden worden gecombineerd,
wordt duidelijk onderscheid gemaakt tussen gevaarlijke stoffen en schadelijke
stoffen in verpakte vorm.</al>
      </lid>
    </art>
    <art id="a6">
      <kop>
        <nr>Artikel 6.</nr>
        <titel status="off">Stuwage</titel>
      </kop>
      <al>Een schadelijke stof in verpakte vorm wordt op deugdelijke wijze gestuwd
en vastgezet teneinde het gevaar voor schade aan het mariene milieu tot een
minimum te beperken, zonder dat daarbij de veiligheid van het schip en de
opvarenden in het geding komt.</al>
    </art>
    <art id="a7">
      <kop>
        <nr>Artikel 7.</nr>
        <titel status="off">Beperking van hoeveelheden</titel>
      </kop>
      <al>Met inachtneming van de door de Internationale Maritieme Organisatie aanvaarde
aanbevelingen kan bij ministeriële regeling worden bepaald dat de hoeveelheid
schadelijke stoffen in verpakte vorm aan boord van een schip wordt beperkt.
Daarbij wordt rekening gehouden met de aard, de constructie en de uitrusting
van het schip, alsmede met de verpakking en de aard van de schadelijke stof.</al>
    </art>
    <art id="a8">
      <kop>
        <nr>Artikel 8.</nr>
        <titel status="off">Uitzonderingen</titel>
      </kop>
      <lid>
        <nr>1.</nr>
        <al>Een schadelijke stof in verpakte vorm mag niet worden geloosd, tenzij
dit noodzakelijk is om de veiligheid van het schip te verzekeren of mensenlevens
op zee te redden.</al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>2.</nr>
        <al>Indien een schadelijke stof in verpakte vorm vrijkomt door lekkage worden
op grond van de eigenschappen van de stof passende maatregelen genomen om
lozing van de stof te voorkomen. De uitvoering van deze maatregelen is zodanig
dat de veiligheid van het schip en de opvarenden niet in het geding komt.</al>
      </lid>
    </art>
    <art id="a9">
      <kop>
        <nr>Artikel 9.</nr>
        <titel status="off">Nadere regels</titel>
      </kop>
      <al>Ter uitvoering van internationale afspraken en besluiten van volkenrechtelijke
organisaties over door met schepen vervoerde schadelijke stoffen in verpakte
vorm kunnen bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld.</al>
    </art>
    <art id="a10">
      <kop>
        <nr>Artikel 10.</nr>
        <titel status="off">Inwerkingtreding</titel>
      </kop>
      <al>Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte
van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.</al>
    </art>
    <art id="a11">
      <kop>
        <nr>Artikel 11</nr>
      </kop>
      <al>Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit voorkoming verontreiniging door
met schepen vervoerde schadelijke stoffen in verpakte vorm.</al>
    </art>
  </body>
  <backm>
    <nawerk>
      <slotform>Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota
van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.</slotform>
      <histnoot>
        <al>Het advies van de Raad van State is openbaar gemaakt door terinzagelegging
bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.</al>
        <al>Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage gelegde stukken worden
opgenomen in het bijvoegsel bij de Nederlandse Staatscourant van 14 maart
1995, nr. 52.</al>
      </histnoot>
      <ondertek>
        <ondplts>'s-Gravenhage,</ondplts>
        <onddatum>10 januari 1995</onddatum>
        <koning>Beatrix</koning>
        <minister>
          <minvan>De Minister van Verkeer en Waterstaat,</minvan>
          <naam>A. Jorritsma-Lebbink</naam>
        </minister>
        <minister>
          <minvan>De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,</minvan>
          <naam>Magaretha de Boer</naam>
        </minister>
      </ondertek>
      <uitgifte>
        <uitgifte-regel>Uitgegeven de <nadruk type="cur">tweede</nadruk> februari 1995</uitgifte-regel>
        <uitdag>tweede</uitdag>
        <uitmaand>februari</uitmaand>
        <uitjaar>1995</uitjaar>
        <door>
          <minvan>De Minister van Justitie,</minvan>
          <naam>W. Sorgdrager</naam>
        </door>
      </uitgifte>
    </nawerk>
    <notatoe>
      <kop>
        <titel status="off">NOTA VAN TOELICHTING</titel>
      </kop>
      <tuskop letat="vet">1. Algemeen</tuskop>
      <al>Het onderhavige besluit strekt tot uitvoering van Bijlage (Annex) III
(schadelijke stoffen in verpakte vorm) van het op 2 november 1973 te Londen
tot stand gekomen Verdrag inzake voorkoming verontreiniging door schepen (Trb.
1975, 147 en 1978, 187), het zogenaamde Marpol Verdrag, hierna te noemen het
verdrag. Met deze Bijlage wordt beoogd verontreiniging door het vanaf schepen
in zee geraken van schadelijke stoffen in verpakte vorm zo veel mogelijk te
voorkomen. Hierbij zij opgemerkt dat het oorspronkelijke verdrag van 1973
reeds een Bijlage III kende. In deze Bijlage zijn inmiddels belangrijke wijzigingen
en aanvullingen aangebracht en de aangepaste Bijlage III is door Nederland
aanvaard op 19 april 1988 (Trb. 1988, 124). Per 1 juli 1991 waren voor deze
bijlage voldoende aanvaardingen zodat Bijlage III van het verdrag (Trb. 1994,
162) internationaal op 1 juli 1992 in werking is getreden.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Evenals dit met andere Bijlagen (I, II en V) van het verdrag is geschied,
is aan de voorschriften van Bijlage III door middel van een afzonderlijke
algemene maatregel van bestuur uitvoering gegeven. Dit is conform het gestelde
in de memorie van toelichting bij de Wet voorkoming verontreiniging door schepen,
die de raamwet is voor de nadere uitvoeringsbesluiten (Kamerstukken II 1981/82
17 320, nr. 3, blz. 2). Hieronder wordt een nadere toelichting gegeven
op de vorm, inhoud en toepassing van het besluit.</al>
      <tuskop letat="vet">2. Vorm en inhoud van het besluit</tuskop>
      <al>In de nota van toelichting van het Besluit voorkoming olieverontreiniging
door schepen zijn uitvoerig de redenen aangegeven op grond waar- van is besloten
om de vorm en inhoud van het besluit zo veel mogelijk analoog te laten zijn
aan de tekst van Bijlage I van het verdrag. Op grond van dezelfde overwegingen
is bij de opzet van het onderhavige besluit eveneens besloten om voor wat
betreft de vorm en de inhoud te kiezen voor een opzet die zo veel mogelijk
overeenkomt met de vorm en inhoud van Bijlage III van het verdrag. In Bijlage
III is een harmonisatie bewerkstelligd met reeds bestaande internationale
voorschriften betreffende het vervoer van gevaarlijke stoffen in verpakte
vorm. Deze voorschriften zijn neergelegd in Hoofdstuk VII, Deel A, Voorschrift
1.4, van het op 1 november 1974 tot stand gekomen Verdrag inzake de beveiliging
van mensenlevens op zee, met bijlage (Trb. 1977, 77), het zogenaamde Solas-verdrag,
en de daarop gebaseerde International Maritime Dangerous Goods-Code, hierna
te noemen de IMDG-Code. Hierdoor is verzekerd dat reeds bestaande voorschriften
voor het vervoer van (voor de veiligheid aan boord) gevaarlijke stoffen op
een logische wijze worden geïntegreerd met de nieuwe voorschriften voor
het vervoer van (voor het mariene milieu) schadelijke stoffen, zoals die zijn
vastgelegd in Bijlage III.</al>
      <al>Wat betreft de nationale regelgeving moet een inhoudelijke overeenstemming
van het onderhavige besluit met het Schepenbesluit 1965 bestaan, aangezien
dat besluit uitvoering geeft aan het Solas-verdrag (zie de toelichting hierna
onder 3). Via de artikelen 130d en 130e van het Schepenbesluit 1965 en het
in artikel 130e van het Schepenbesluit 1965 genoemde Handboek Gevaarlijke
Stoffen, dat weer verwijst naar de IMDG-Code, zijn deze voorschriften in de
Nederlandse wetgeving geïmplementeerd.</al>
      <al>Over het onderhavige besluit is met betrokkenen uit het bedrijfsleven
overleg gevoerd en overeenstemming bereikt.</al>
      <tuskop letat="vet">3. Hoofdzaken van de inhoud en de toepassing van Bijlage
III</tuskop>
      <al>Om verontreiniging door het vanaf schepen in zee geraken van schadelijke
stoffen in verpakte vorm, genoemd bij of krachtens het Handboek Gevaarlijke
Stoffen, te voorkomen, omvat Bijlage III in grote lijnen het volgende instrumentarium:</al>
      <al>a. Regels ten aanzien van verpakkingen voor het vervoer van schadelijke
stoffen.</al>
      <al>b. Regels ten aanzien van het merken en etiketteren van dergelijke verpakkingen.</al>
      <al>c. Regels ten aanzien van de vervoersbescheiden indien schadelijke stoffen
in verpakte vorm voor vervoer worden aangeboden.</al>
      <al>d. Regels ten aanzien van de stuwage van schadelijke stoffen in verpakte
vorm.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Bijlage III van het verdrag bevat zeven voorschriften (Regulations) en
is niet nader ingedeeld in hoofdstukken. De voorschriften zijn uitsluitend
van operationele aard en bevatten geen eisen ten aanzien van de bouw, inrichting
en uitrusting van schepen die schadelijke stoffen in verpakte vorm over zee
vervoeren.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De bepalingen van Bijlage III zijn van toepassing op alle schepen, van
welk type ook, die schadelijke stoffen in verpakte vorm vervoeren, ongeacht
de grootte van het schip en ongeacht de bouwdatum. Dit in tegenstelling tot
andere bijlagen bij het verdrag, waarbij wel bepalingen zijn opgenomen die
voorwaarden stellen ten aanzien van de bouw, inrichting en uitrusting van
schepen, op grond waarvan onderscheid wordt gemaakt tussen bestaande en nieuwe
schepen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De bepalingen van Bijlage III zijn, voor zover mogelijk, integraal en
met dezelfde nummering overgenomen in het besluit. Hierbij zij opgemerkt dat
aan het tweede lid van Voorschrift 1 van Bijlage III geen nationale uitvoering
is gegeven. Het tweede lid van Voorschrift 1 bepaalt dat het vervoer van schadelijke
stoffen is verboden, tenzij dit geschiedt in overeenstemming met de bepalingen
van Bijlage III van het verdrag. Dit voorschrift is niet nationaal uitgevoerd
omdat de Wet voorkoming verontreiniging door schepen niet voorziet in een
algemeen vervoersverbod. Om dezelfde reden is de nationale uitvoering van
Voorschrift 6 van Bijlage III, dat mede de mogelijkheid biedt om het vervoer
te verbieden, beperkt tot de mogelijkheid om voorwaarden te stellen aan de
hoeveelheid schadelijke stoffen in verpakte vorm aan boord van een schip.
Aangezien het verdrag en zijn bijlagen primair ten doel hebben om verontreiniging
van het mariene milieu door schadelijke stoffen te voorkomen en zo veel mogelijk
te beperken, is in de Wet voorkoming verontreiniging door schepen een lozingsverbod
van schadelijke stoffen geformuleerd. Voorts is voorzien in de mogelijkheid
regels te stellen over de wijze waarop schadelijke stoffen moeten worden vervoerd.
Aan het daarnaast opnemen van een algemeen vervoersverbod is in de praktijk
tot nu toe geen behoefte gevoeld. De artikelen 9, 10 en 11 van het besluit
zijn toevoegingen met het oog op de specifieke uitvoering voor Nederland.</al>
      <tuskop letat="vet">4. Strafbaarstelling</tuskop>
      <al>De artikelen 3 tot en met 6 van dit besluit zijn voorschriften krachtens
artikel 10, eerste lid, onder b en d, van de Wet voorkoming verontreiniging
door schepen. Bij de wet van 4 februari 1994 tot wijziging van de Wet op de
economische delicten met het oog op de verhoging van straffen gesteld op ernstige
milieudelicten, de strafbaarstelling van een aantal feiten als economische
delicten en de aanpassing van de indeling van de economische delicten (Stb.
1994, 135) is een nieuw artikel 1a ingevoegd, waarbij overtredingen
van voorschriften gesteld bij of krachtens artikel 10, eerste lid, onder b
en d, zijn aangemerkt als economische delicten (onder 2°). Artikel 8 van
dit besluit is een voorschrift krachtens artikel 5 van de Wet voorkoming verontreiniging
door schepen. Overtreding van de voorschriften gesteld bij of krachtens artikel
5 van de Wet voorkoming verontreiniging door schepen was aangemerkt als economisch
delict in artikel 1, onder 3°, van de Wet op de economische delicten.
Bij de bovengenoemde wijziging van de Wet op de economische delicten is deze
bepaling opgenomen in artikel 1a, onder 1°, van de Wet op de economische
delicten. Daarbij is artikel 36 van de Wet voorkoming verontreiniging door
schepen, betreffende de strafbaarstelling, komen te vervallen. Deze wijzigingen
van de Wet op de economische delicten zijn in werking getreden op 1 april
1994 (koninklijk besluit van 21 maart 1994, Stb. 222).</al>
      <tuskop letat="vet">5. Artikelsgewijze toelichting</tuskop>
      <tuskop letat="cur">Artikel 1</tuskop>
      <al>In dit artikel worden de in het besluit gebruikte begrippen omschreven.
Het begrip schadelijke stof in verpakte vorm is zodanig gedefinieerd dat door
middel van de IMDG-Code wordt aangegeven welke stoffen hieronder worden begrepen.
In de IMDG-Code zijn alle stoffen die worden vervoerd overeenkomstig het bepaalde
in dit besluit, als schadelijk aangemerkt. De indeling is internationaal binnen
de Internationale Maritieme Organisatie overeengekomen en is gemaakt aan de
hand van vastgestelde criteria. De omschrijving voor verpakte vorm is niet
gedefinieerd in de voorschriften van Bijlage III. Voor een duidelijker begrip
is er voor gekozen de term «verpakte vorm» op te nemen in de definitie
om aan te geven welke wijze van verpakking wordt bedoeld. De aldus gegeven
omschrijving verwijst via het Handboek Gevaarlijke Stoffen naar de IMDG-Code
waarin nauwkeurig wordt aangegeven wat onder dit begrip wordt verstaan.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 2</tuskop>
      <al>In het eerste lid, onder a, wordt verplicht gesteld dat vervoer van schadelijke
stoffen in verpakte vorm overeenkomstig dit besluit geschiedt, waarmee wordt
gewaarborgd dat de risico's voor het mariene milieu bij dergelijk vervoer
tot een minimum worden beperkt. Bij dit vervoer komt het regelmatig voor dat
verpakkingen, zoals bijvoorbeeld tankcontainers, leeg en ongereinigd worden
verscheept. Door de aanwezige restanten kunnen de lege verpakkingen ook een
bedreiging vormen voor het milieu en derhalve dienen dergelijke verpakkingen
eveneens overeenkomstig dit besluit worden verscheept (artikel 2, eerste lid,
onder b).</al>
      <al>Onder schadelijke stoffen bestemd voor eigen scheepsgebruik of behorend
tot de eigen scheepsuitrusting als bedoeld in het tweede lid, worden bijvoorbeeld
verven, schoonmaak- en reinigingsmiddelen e.d. verstaan.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 3</tuskop>
      <al>In de IMDG-Code worden gedetailleerde voorschriften gegeven voor vormen
van verpakkingen die worden gebruikt bij het vervoer over zee van gevaarlijke
stoffen. De voorschriften omvatten onder andere prestatie-beproevingen teneinde
zeker te stellen dat de verpakkingen geschikt zijn voor stoffen die daarmee
worden vervoerd. Uitsluitend verpakkingen die voldoen aan genoemde voorschriften
mogen worden gebruikt. Door de koppeling met de IMDG-Code is bepaald dat dergelijke
verpakkingen ook dienen te worden aangewend indien schadelijke stoffen over
zee worden vervoerd.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 4</tuskop>
      <al>Alle gegevens waarmee verpakkingen voor schadelijke stoffen worden gemerkt,
zijn aangegeven in de IMDG-Code. Bij het merken van een verpakking wordt door
middel van een afzonderlijk merk of etiket aangeduid dat de inhoud van een
verpakking schadelijk kan zijn voor het mariene milieu. Zo kunnen zowel de
scheepsbemanning als andere personen die met deze verpakkingen in aanraking
komen dit onmiddellijk waarnemen en hiermee rekening houden bij eventueel
te nemen maatregelen bij een incident op zee. In de IMDG-Code is eveneens
aangegeven dat de verpakkingen die kleine hoeveelheden schadelijke stoffen
bevatten, zijn vrijgesteld van de voorschriften ten aanzien van het merken.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 5</tuskop>
      <al>Dit artikel sluit zo veel mogelijk aan op reeds bestaande voorschriften
over het vervoer van gevaarlijke stoffen in verpakte vorm, bedoeld in de artikelen
130d en 130e van het Schepenbesluit 1965. Op deze wijze kunnen de benodigde
bescheiden worden gecombineerd zodat wordt voorkomen dat de te verzamelen
goederen vergezeld gaan van een veelheid aan ladingdocumenten. Bovendien zal
een gecombineerd vervoersdocument een snellere actie mogelijk maken indien
er maatregelen worden genomen bij een incident op zee, aangezien de informatie
dan verkregen kan worden uit één document. Het identificatienummer
van de Verenigde Naties (VN) wordt tweejaarlijks uitgegeven in een aanbeveling
van het Comité van experts van de VN inzake het vervoer van gevaarlijke
stoffen (Resolutie 645, onder G, van de Economische en Sociale Raad van 26
april 1957; Official Records of the Economic and Social Council, 23th session,
Supplement No. 1 (E/3005)). Deze aanbeveling wordt vervolgens overgenomen
in het Handboek Gevaarlijke Stoffen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Tevens dient een aantal gegevens in alle bescheiden te worden vermeld,
dat nodig is voor het melden van incidenten. Genoemde gegevens ten behoeve
van de melding zijn verplicht onder Protocol I van het verdrag. Op grond van
artikel 5, vierde lid, dient de kapitein aan boord over deze gegevens betreffende
het vervoer van schadelijke stoffen in verpakte vorm te beschikken indien
zich op enigerlei wijze een situatie voordoet waarbij de stoffen in zee dreigen
te geraken. In zo'n geval rust op de kapitein de plicht hiervan onmiddellijk
melding te maken aan de dichtstbijzijnde kuststaat en de bijzonderheden betreffende
de schadelijke stoffen in verpakte vorm direct te melden overeenkomstig de
daartoe vastgelegde procedure. Ook dient de kapitein van een schip op grond
van artikel 5, vierde lid, de benodigde gegevens betreffende schadelijke stoffen
in verpakte vorm voor vertrek uit een haven af te geven aan de exploitant
of de agent van het schip en de bevoegde autoriteit. Bij het eventueel verloren
gaan van de bescheiden die zich aan boord bevinden in geval van een incident
kunnen de benodigde gegevens worden verkregen via de exploitant of de agent
en de bevoegde autoriteit. De bevoegde autoriteit zal over het algemeen de
havenbeheerder zijn, die belast is met de dagelijkse gang van zaken in de
haven.</al>
      <al>De term «bescheiden» die in dit artikel wordt gebruikt sluit
het gebruik van elektronische informatie-uitwisseling en -voorziening niet
uit.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 6</tuskop>
      <al>Bij de stuwage wordt voldaan aan de voorschriften van de IMDG-Code, die
beogen te voorkomen dat schadelijke stoffen in verpakte vorm ten gevolge van
het losraken of door andere oorzaken in het mariene milieu terecht
komen. Voor schadelijke stoffen in verpakte vorm wordt in de IMDG-Code de
voorkeur gegeven aan stuwage onder dek of stuwage op een beschermde plaats
zonder dat daarbij de veiligheid van het schip en opvarenden in het geding
komt.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 7</tuskop>
      <al>Dit artikel biedt de mogelijkheid voor het stellen van aanvullende bepalingen
en voorwaarden door de minister voor schadelijke stoffen in verpakte vorm
die, gezien hun eigenschappen, in beperkte hoeveelheden mogen worden vervoerd.
Van deze mogelijkheid kan bijvoorbeeld gebruik worden gemaakt bij het vervoer
van schadelijke stoffen in verpakte vorm door passagiersschepen of ferry-schepen,
vanwege de risico's van een dergelijk vervoer. Uiteraard zal de technische
uitrusting van het schip een belangrijke rol spelen bij de beoordeling of
de hoeveelheid schadelijke stof in verpakte vorm aan boord van een schip moet
worden beperkt.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 8</tuskop>
      <al>Ondanks de voorwaarden kunnen noodsituaties ontstaan waardoor de scheepsleiding
is genoodzaakt bepaalde maatregelen te nemen die in strijd zouden kunnen zijn
met hetgeen wettelijk is bepaald. Hierbij kan de kapitein beslissen dat bepaalde
schadelijke stoffen in verpakte vorm worden geloosd om het schip en mensenlevens
te redden. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen na een aanvaring, een stranding
of een uitgebroken brand aan boord (artikel 8, eerste lid). Een ander voorbeeld
waarbij de kapitein tot een dergelijke maatregel kan beslissen is lekkage
van een verpakking waarin zich bijtende of giftige stoffen bevinden (artikel
8, tweede lid).</al>
      <al>Wellicht ten overvloede wordt hierbij vermeld dat op grond van het Besluit
melding voorvallen van verontreiniging door schepen, de kapitein verplicht
is een voorval waarbij een schadelijke stof in verpakte vorm in zee wordt
of dreigt te worden geloosd, te melden.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 9</tuskop>
      <al>Dit artikel voorziet in een in de praktijk gebleken behoefte om overeengekomen
voorschriften binnen met name de Internationale Maritieme Organisatie, die
veelal gedetailleerde technische voorschriften over door met schepen vervoerde
schadelijke stoffen in verpakte vorm bevatten, op efficiënte en effectieve
wijze te implementeren in de nationale regelgeving.</al>
      <al>Bij de implementatie wordt, behoudens op ondergeschikte punten, geen keuze
van beleidsinhoudelijke aard gemaakt. In geval van afwijking van deze voorschriften,
hetgeen kan voorkomen indien Nederland bijvoorbeeld nadere voorschriften wil
stellen, zal uitvoering bij algemene maatregel van bestuur geschieden.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Overigens zij opgemerkt dat het in de bedoeling ligt om in alle uitvoeringsbesluiten
die gebaseerd zijn op de Wet voorkoming verontreiniging door schepen, een
vergelijkbare delegatiebepaling op te nemen waarmee op een doeltreffende manier
wordt voorzien in de nationale uitvoering van in internationaal verband overeengekomen
technische voorschriften over voorkoming van verontreiniging
door schepen door schadelijke stoffen als bedoeld in de wet en de uitvoeringsbesluiten.</al>
      <minister>
        <minvan>De Minister van Verkeer en Waterstaat,</minvan>
        <naam>A. Jorritsma-Lebbink</naam>
      </minister>
      <minister>
        <minvan>De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,</minvan>
        <naam>Magaretha de Boer</naam>
      </minister>
    </notatoe>
  </backm>
</staatsbl>