﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<!DOCTYPE staatsbl PUBLIC "-//SDU//DTD staatsblad xml 1.1//NL" "../../dtd/staatsbl-11.dtd"[]>
<staatsbl id="sb995.39" soort="beschik" publtype="besc">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-1995-39/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel status="off">Staatsblad</titel>
    <subtitel>van het Koninkrijk der Nederlanden</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.4" conv="OPmaat" markup="c1xa"></versie>
    <ordernr>51U0021</ordernr>
    <stb>
      <jaargang jaar="1995">Jaargang 1995</jaargang>
      <stbjaar>1995</stbjaar>
      <stbnr>39 </stbnr>
    </stb>
    <intitule>
      <soort>Beschikking</soort> van de Minister van Justitie van 27 januari
1995, houdende plaatsing in het Staatsblad van de tekst van het Lozingenbesluit
bodembescherming, zoals dit laatstelijk is gewijzigd bij besluit van 2 december
1994, Stb. 855</intitule>
    <aanhef>
      <wie>De Minister van Justitie,</wie>
      <consider>
        <al>Gelet op artikel III van het besluit van 2 december 1994, Stb. 855;</al>
      </consider>
      <afkondig>Besluit:</afkondig>
    </aanhef>
  </frontm>
  <body>
    <besluit>
      <al>de tekst van het Lozingenbesluit bodembescherming, zoals dit laatstelijk
is gewijzigd bij besluit van 2 december 1994, Stb. 855, in het Staatsblad
te plaatsen als bijlage bij deze beschikking.</al>
    </besluit>
  </body>
  <backm>
    <nawerk>
      <ondertek>
        <ondplts>'s-Gravenhage, </ondplts>
        <onddatum>27 januari 1995 </onddatum>
        <minister>
          <minvan>De Minister van Justitie,</minvan>
          <naam>W. Sorgdrager</naam>
        </minister>
      </ondertek>
      <uitgifte>
        <uitgifte-regel>Uitgegeven de <nadruk type="cur">tweede</nadruk> februari 1995</uitgifte-regel>
        <uitdag>tweede</uitdag>
        <uitmaand>februari</uitmaand>
        <uitjaar>1995</uitjaar>
        <door>
          <minvan>De Minister van Justitie,</minvan>
          <naam>W. Sorgdrager </naam>
        </door>
      </uitgifte>
    </nawerk>
    <tekstpl>
      <kop>
        <titel status="off">TEKST VAN HET LOZINGENBESLUIT BODEMBESCHERMING (STB. 1990,
217), ZOALS DIT LAATSTELIJK IS GEWIJZIGD BIJ BESLUIT VAN 2 DECEMBER 1994,
STB. 855 </titel>
      </kop>
      <hfdst>
        <kop>
          <nr>HOOFDSTUK I.</nr>
          <titel status="off">ALGEMEEN </titel>
        </kop>
        <art id="a1">
          <kop>
            <nr>Artikel 1</nr>
          </kop>
          <al>In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: </al>
          <al>
            <table orient="port" rowsep="0" colsep="0" frame="topbot" tabstyle="sdu1">
              <tgroup align="left" charoff="75" cols="2" tgroupstyle="sdu1">
                <colspec colname="c1" colnum="1" colwidth="40mm"></colspec>
                <colspec colname="c2" colnum="2" colwidth="72.5mm"></colspec>
                <tbody valign="bottom">
                  <row valign="top">
                    <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">wet:</entry>
                    <entry morerows="0" rotate="0">de Wet bodembescherming (Stb. 1986,
374); </entry>
                  </row>
                  <row valign="top">
                    <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">lozing in de bodem:</entry>
                    <entry morerows="0" rotate="0">het definitief in de bodem brengen of
doen brengen van vloeistoffen; </entry>
                  </row>
                  <row valign="top">
                    <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">bestaande lozing in de bodem:</entry>
                    <entry morerows="0" rotate="0">lozing
in de bodem die op de datum van inwerkingtreding van dit besluit of voordien
regelmatig plaatsvond in het kader van een op die datum reeds bestaande activiteit
en waarvan het aantal lozingseenheden – indien het een omvangrijke lozing
van huishoudelijk afvalwater in de bodem betreft – sedert het tijdstip
van inwerkingtreding van dit besluit met ten hoogste 20 procent is toegenomen;</entry>
                  </row>
                  <row valign="top">
                    <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">gemiddeld hoogste grondwaterstand:</entry>
                    <entry morerows="0" rotate="0">het gemiddeld hoogste niveau
van de grondwaterstand gemeten over een tijdvak van ten minste 8 jaar; </entry>
                  </row>
                  <row valign="top">
                    <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">riolering:</entry>
                    <entry morerows="0" rotate="0">een
gemeentelijk rioolstelsel; </entry>
                  </row>
                  <row valign="top">
                    <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">woonruimte:</entry>
                    <entry morerows="0" rotate="0">een ruimte die blijkens
haar inrichting bestemd is als een afzonderlijk geheel te voorzien in woongelegenheid;</entry>
                  </row>
                  <row valign="top">
                    <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">lozingseenheid:</entry>
                    <entry morerows="0" rotate="0">berekeningseenheid voor de hoeveelheid huishoudelijk
afvalwater die per dag in de bodem wordt geloosd; </entry>
                  </row>
                  <row valign="top">
                    <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">beperkte lozing in
de bodem:</entry>
                    <entry morerows="0" rotate="0">lozing in de bodem van 10 lozingseenheden of minder per dag;</entry>
                  </row>
                  <row valign="top">
                    <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">omvangrijke lozing in de bodem:</entry>
                    <entry morerows="0" rotate="0">lozing in de bodem van meer dan
10 lozingseenheden per dag; </entry>
                  </row>
                  <row valign="top">
                    <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">huishoudelijk afvalwater:</entry>
                    <entry morerows="0" rotate="0">vloeibare
huishoudelijke afvalstoffen of vloeistoffen van daarmee vergelijkbare aard,
waarvan het Biochemisch Zuurstof Verbruik gedurende een aaneengesloten tijdvak
van 5 dagen bij 20° C gemiddeld niet hoger is dan 1500 mg/liter; </entry>
                  </row>
                  <row valign="top">
                    <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">koelwater:</entry>
                    <entry morerows="0" rotate="0">water
dat uitsluitend is gebruikt voor koelingsdoeleinden, indien daaraan geen verontreinigende
stoffen zijn toegevoegd en de concentratie van verontreinigende stoffen in
het water niet door een bewerking van het water is toegenomen; </entry>
                  </row>
                  <row valign="top">
                    <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">overige
vloeistoffen:</entry>
                    <entry morerows="0" rotate="0">vloeistoffen niet zijnde huishoudelijk afvalwater of koelwater.</entry>
                  </row>
                </tbody>
              </tgroup>
            </table>
          </al>
        </art>
        <art id="a1a">
          <kop>
            <nr>Artikel 1a</nr>
          </kop>
          <al>Dit besluit is mede van toepassing op een lozing in de bodem:</al>
          <al>a. binnen bij een mijn behorende ondergronds gelegen werken of inrichtingen,
waarop de Mijnwet 1903 van toepassing is; </al>
          <al>b. binnen werken of inrichtingen, waarop de Mijnwet continentaal plat
van toepassing is.</al>
        </art>
        <art id="a2">
          <kop>
            <nr>Artikel 2</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Dit besluit is niet van toepassing op een lozing in de bodem:</al>
            <al>a. van oppervlaktewater, indien daaraan, na de onttrekking, geen verontreinigende
stoffen zijn toegevoegd, de concentratie van verontreinigende stoffen niet
door een bewerking is toegenomen en daaraan geen warmte is toegevoegd;</al>
            <al>b. van hemelwater of drinkwater, indien daaraan geen verontreinigende
stoffen zijn toegevoegd, de concentratie van verontreinigende stoffen niet
door een bewerking is toegenomen en daaraan geen warmte is toegevoegd;</al>
            <al>c. van ter plaatse opgepompt grondwater in dezelfde laag als waar het
werd opgepompt, indien daaraan, na de onttrekking, geen verontreinigende stoffen
zijn toegevoegd, de concentratie van verontreinigende stoffen niet door een
bewerking is toegenomen en daaraan geen warmte is toegevoegd;</al>
            <al>d. indien het een beregenen, bevloeien of besproeien met uitsluitend grondwater
betreft met het oog op:</al>
            <al>1. de vochtvoorziening van gewassen;</al>
            <al>2. het schoonmaken van gewassen op het veld;</al>
            <al>3. het voorkomen van verstuiving van op de bodem gebrachte materialen;</al>
            <al>e. via een vloeiveld, bezinkveld, biezenveld of rietveld;</al>
            <al>f. indien het water betreft afkomstig van het reinigen van voertuigen
op landbouwbedrijven, die niet zijn gebruikt voor het toepassen van bestrijdingsmiddelen;</al>
            <al>g. bij het stomen van de bodem met het oog op de bestrijding van ziekten
en plagen;</al>
            <al>h. voor zover artikel 22, onder b, of artikel 27, derde of vierde lid,
van de Kampeerwet (Stb. 1981, 372) van toepassing is;</al>
            <al>i. indien het een opspuiten van terreinen betreft met het oog op het bouwrijp
maken daarvan;</al>
            <al>j. ten behoeve van het realiseren van een boorgat binnen een werk of inrichting
als bedoeld in de Mijnwet 1903 (Stb. 1904, 73);</al>
            <al>k. voor zover het plaatsvindt in het kader van een toediening van kunstmeststoffen
met het oog op de gewasproduktie.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Dit besluit is voorts niet van toepassing op een lozing in de bodem:</al>
            <al>a. binnen inrichtingen waarvoor ingevolge een besluit op grond van artikel
8.40 of 8.44 van de Wet milieubeheer ter zake van lozingen in de bodem in
het belang van de bescherming van de bodem voorschriften gelden;</al>
            <al>b. voor zover daaromtrent in het belang van de bescherming van de bodem
voorschriften gelden die krachtens artikel 9 van de wet zijn gesteld met betrekking
tot het gebruik van dierlijke mest of zuiveringsslib.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a3">
          <kop>
            <nr>Artikel 3</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Behoudens het bepaalde in het tweede tot en met het vijfde lid zijn voor
de toepassing van dit besluit burgemeester en wethouders van de gemeente waar
de lozing in de bodem plaatsvindt, het bevoegd gezag.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Gedeputeerde staten van de provincie waar een lozing in de bodem plaatsvindt,
zijn het bevoegd gezag, indien het een lozing in de bodem betreft:</al>
            <al>a. binnen een inrichting die is aangewezen krachtens artikel 1.1, derde
of vijfde lid, van de Wet milieubeheer en waarvoor krachtens artikel 8.2,
tweede lid, van die wet, gedeputeerde staten voor de vergunningverlening krachtens
die wet bevoegd gezag zijn; </al>
            <al>b. van grondwater dat ter plaatse is onttrokken krachtens een vergunning
als bedoeld in artikel 14 van de Grondwaterwet;</al>
            <al>c. die plaatsvindt op een diepte van meer dan 10 meter beneden het maaiveld
en ten aanzien waarvan niet ingevolge het vierde lid Onze Minister van Economische
Zaken het bevoegd gezag is.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>Onze Minister is het bevoegd gezag, indien het een lozing in de bodem
betreft binnen een inrichting die is aangewezen krachtens artikel 1.1, derde
lid, van de Wet milieubeheer en waarvoor krachtens artikel 8.2, tweede lid,
van die wet, Onze Minister voor de vergunningverlening krachtens die wet bevoegd
gezag is.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>4.</nr>
            <al>Onze Minister van Economische Zaken is het bevoegd gezag, indien:</al>
            <al>a. het een lozing in de bodem betreft binnen een inrichting die is aangewezen
krachtens artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer en waarvoor krachtens
artikel 8.2, derde lid, van die wet, Onze Minister van Economische Zaken voor
de vergunningverlening krachtens die wet bevoegd gezag is;</al>
            <al>b. het een lozing in de bodem betreft als bedoeld in artikel 1a.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>5.</nr>
            <al>Met betrekking tot een lozing in de bodem in een gebied dat niet deel
uitmaakt van een provincie, is het bestuursorgaan dat is aangewezen krachtens
artikel 21.5 van de Wet milieubeheer, het bevoegd gezag en worden de door
dit gezag daartoe aan te wijzen ambtenaren belast met het toezicht op de naleving
van het bij of krachtens dit besluit bepaalde.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a4">
          <kop>
            <nr>Artikel 4</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Voor de berekening van het aantal lozingseenheden van een lozing van huishoudelijk
afvalwater in de bodem wordt voor de toepassing van dit besluit uitgegaan
van:</al>
            <al>a. 3 lozingseenheden voor een woonruimte;</al>
            <al>b. 1 lozingseenheid per slaapplaats voor een hotel, pension, kazerne,
ziekenhuis, internaat en daarmee gelijk te stellen instellingen;</al>
            <al>c. 7 lozingseenheden voor zover een vrijstelling of ontheffing is verleend
op grond van artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet op de openluchtrecreatie
en 4 lozingseenheden voor zover vrijstelling of ontheffing is verleend op
grond van artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b of c, van die wet;</al>
            <al>d. 1 lozingseenheid per 50 m3 water dat jaarlijks wordt gebruikt in de
overige gevallen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Indien meer dan 20 procent van het gebruikte water niet in de bodem wordt
geloosd, of wordt geloosd op een wijze als bedoeld in artikel 2, bepaalt het
bevoegd gezag op daartoe strekkende aanvraag dat in afwijking van het bepaalde
in het eerste lid, onder d, in plaats van de hoeveelheid gebruikt water wordt
uitgegaan van de hoeveelheid geloosd water.</al>
          </lid>
        </art>
      </hfdst>
      <hfdst>
        <kop>
          <nr>HOOFDSTUK II.</nr>
          <titel status="off">BEPERKTE LOZINGEN VAN HUISHOUDELIJK AFVALWATER IN DE BODEM </titel>
        </kop>
        <par>
          <kop>
            <nr>Paragraaf 1.</nr>
            <titel status="off">Lozingen in de bodem </titel>
          </kop>
          <art id="a5">
            <kop>
              <nr>Artikel 5</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Het is verboden een beperkte lozing van huishoudelijk afvalwater in de
bodem – niet zijnde een bestaande lozing in de bodem – uit te
voeren.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Het verbod geldt niet, indien de afstand van de kadastrale grens van het
perceel waar het huishoudelijk afvalwater vrijkomt, tot de dichtstbijzijnde
riolering meer is dan 40 meter en tevens wordt voldaan aan de artikelen 6
tot en met 9.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>Het bevoegd gezag kan voor een lozing in de bodem, anders dan binnen
een inrichting waarvoor een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet
milieubeheer is vereist, op een daartoe strekkende aanvraag voor een door
hem vast te stellen termijn, gebaseerd op het nog niet verstreken deel van
een redelijke afschrijvingstermijn van het bij de aanleg van de riolering
reeds bestaande zuiveringssysteem en van de bij die aanleg reeds bestaande
infiltratievoorziening, ontheffing verlenen van het in het eerste lid bedoelde
verbod, indien:</al>
              <al>a. de afstand van de kadastrale grens van het perceel waar het huishoudelijk
afvalwater vrijkomt, tot de dichtstbijzijnde riolering 40 meter of minder
is, en</al>
              <al>b. wordt voldaan aan de artikelen 6 tot en met 9.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>4.</nr>
              <al>Voor de toepassing van het tweede en derde lid wordt de afstand tot de
dichtstbijzijnde riolering berekend langs de kortste lijn waar de afvoerleidingen
zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a5a">
            <kop>
              <nr>Artikel 5a</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Ten aanzien van een lozing in de bodem binnen een inrichting waarvoor
een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer is vereist,
kan het bestuursorgaan dat bevoegd is een vergunning krachtens de Wet milieubeheer
te verlenen, bij de vergunning bepalen dat in afwijking van het verbod, bedoeld
in artikel 5, eerste lid, een lozing in de bodem is toegestaan indien het
in artikel 5, derde lid, bedoelde geval zich binnen de inrichting voordoet.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Artikel 5, vierde lid, en de artikelen 6 tot en met 9 zijn van overeenkomstige
toepassing.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a6">
            <kop>
              <nr>Artikel 6</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Voorafgaand aan een lozing in de bodem als bedoeld in artikel 5 moet het
huishoudelijk afvalwater door een zuiveringssysteem bestaande uit een septic
tank worden geleid.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Een lozing in de bodem als bedoeld in artikel 5 moet worden uitgevoerd
in een zakput, infiltratiebed, infiltratiekanaal, dan wel opgehoogd infiltratiebed.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>De onderzijde van een infiltratievoorziening als bedoeld in het tweede
lid moet boven de gemiddeld hoogste grondwaterstand zijn gelegen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>4.</nr>
              <al>Voorafgaande aan de lozing in de bodem moet door middel van een onderzoek,
uitgevoerd overeenkomstig door Onze Minister vast te stellen regels, de gemiddeld
hoogste grondwaterstand ter plaatse van de lozing en de dimensionering van
de infiltratievoorziening zijn vastgesteld.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a7">
            <kop>
              <nr>Artikel 7</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Een zuiveringssysteem, een infiltratievoorziening alsmede de daarbij behorende
leidingen moeten van een zodanige constructie zijn en van zodanige materialen
zijn vervaardigd, dat zij duurzaam bestand zijn tegen vervorming en corrosie.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Een zuiveringssysteem, een infiltratievoorziening alsmede de daarbij behorende
leidingen moeten zodanig zijn aangelegd en uitgevoerd dat:</al>
              <al>a. zij te allen tijde bereikbaar zijn,</al>
              <al>b. alle onderdelen gemakkelijk te herstellen en te vervangen zijn en</al>
              <al>c. alle vorstgevoelige onderdelen tegen vorst zijn beschermd.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>Een infiltratievoorziening en de afgesloten onderdelen van een zuiveringssysteem
moeten zodanig zijn uitgevoerd, dat een voldoende en ongehinderde afvoer van
gevormde gassen kan plaatsvinden. </al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a8">
            <kop>
              <nr>Artikel 8</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Een zuiveringssysteem en de daarmee verbonden leidingen moeten vloeistofdicht
zijn uitgevoerd en moeten vloeistofdicht zijn verbonden met een infiltratievoorziening.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Een zuiveringssysteem en een infiltratievoorziening moeten in dimensionering
en uitvoering op elkaar zijn afgestemd.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>Onze Minister stelt nadere regels met betrekking tot zuiveringssystemen
en infiltratievoorzieningen.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a9">
            <kop>
              <nr>Artikel 9</nr>
            </kop>
            <al>Zuiveringssystemen en infiltratievoorzieningen moeten, zolang zij in gebruik
zijn voor lozingen in de bodem, zodanig worden onderhouden, dat hun goede
werking gewaarborgd is.</al>
          </art>
          <art id="a10">
            <kop>
              <nr>Artikel 10</nr>
            </kop>
            <al>Indien een beperkte lozing van huishoudelijk afvalwater in de bodem definitief
wordt beëindigd, moeten het zuiveringssysteem en de infiltratievoorziening
worden verwijderd, of na volledige verwijdering van het erin aanwezige slib,
worden opgevuld met schoon bodemmateriaal.</al>
          </art>
          <art id="a10a">
            <kop>
              <nr>Artikel 10a</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Bij een aanvraag om een ontheffing als bedoeld in artikel 5, derde lid,
worden de gegevens verstrekt die in de bij dit besluit behorende bijlage I
zijn aangegeven. Onze Minister kan nadere regels stellen met betrekking tot
de te verstrekken gegevens.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een aanvraag om een
vergunning als bedoeld in artikel 5a.</al>
            </lid>
          </art>
        </par>
        <par>
          <kop>
            <nr>Paragraaf 2.</nr>
            <titel status="off">Bestaande lozingen in de bodem </titel>
          </kop>
          <art id="a11">
            <kop>
              <nr>Artikel 11</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Het is verboden een bestaande beperkte lozing van huishoudelijk afvalwater
in de bodem uit te voeren.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Het verbod geldt niet indien de afstand van het dichtstbijzijnde gebouw
waar het huishoudelijk afvalwater vrijkomt tot de dichtstbijzijnde riolering
meer is dan 40 meter.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>De afstand tot de dichtstbijzijnde riolering als bedoeld in het tweede
en vierde lid wordt berekend langs de kortste lijn waar de afvoerleidingen
zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>4.</nr>
              <al>Artikel 5, derde lid, is ten aanzien van het in het eerste lid bedoelde
verbod van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het in artikel
5, derde lid, onder a, gestelde voor de toepassing van dit lid wordt vervangen
door: de afstand van het dichtstbijzijnde gebouw waar het huishoudelijk afvalwater
vrijkomt tot de dichtstbijzijnde riolering 40 meter of minder is.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a11a">
            <kop>
              <nr>Artikel 11a</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Ten aanzien van een lozing in de bodem binnen een inrichting waarvoor
een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer is vereist,
kan het bestuursorgaan dat bevoegd is een vergunning krachtens de Wet milieubeheer
te verlenen, bij de vergunning bepalen dat in afwijking van het verbod, bedoeld
in artikel 11, eerste lid, een lozing in de bodem is toegestaan indien het
in artikel 11, vierde lid, juncto artikel 5, derde lid, bedoelde geval zich
binnen de inrichting voordoet. </al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Artikel 11, derde lid, is op het eerste lid van overeenkomstige toepassing.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a12">
            <kop>
              <nr>Artikel 12</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Met ingang van 1 januari 2005 zijn de artikelen 6 tot en met 9 voor een
bestaande beperkte lozing van huishoudelijk afvalwater in de bodem van overeenkomstige
toepassing.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>In afwijking van het eerste lid zijn de artikelen 6 tot en met 9 voor
een bestaande beperkte lozing van huishoudelijk afvalwater in de bodem van
overeenkomstige toepassing met ingang van 1 juli 1995, indien de lozing plaatsvindt
bij een horecabedrijf als bedoeld in het Besluit horecabedrijven milieubeheer.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a13">
            <kop>
              <nr>Artikel 13</nr>
            </kop>
            <al>Indien een bestaande beperkte lozing van huishoudelijk afvalwater in de
bodem definitief wordt beëindigd is artikel 10 van overeenkomstige toepassing.</al>
          </art>
          <art id="a13a">
            <kop>
              <nr>Artikel 13a</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Bij een aanvraag om een ontheffing als bedoeld in artikel 11, vierde lid,
juncto artikel 5, derde lid, worden de gegevens verstrekt die in de bij dit
besluit behorende bijlage I zijn aangegeven. Onze Minister kan nadere regels
stellen met betrekking tot de te verstrekken gegevens.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een in artikel 11a
bedoelde aanvraag om afwijking van het in artikel 11, eerste lid, bedoelde
verbod.</al>
            </lid>
          </art>
        </par>
      </hfdst>
      <hfdst>
        <kop>
          <nr>HOOFDSTUK III.</nr>
          <titel status="off">OMVANGRIJKE LOZINGEN VAN HUISHOUDELIJK AFVALWATER IN DE
BODEM </titel>
        </kop>
        <par>
          <kop>
            <nr>Paragraaf 1.</nr>
            <titel status="off">Lozingen in de bodem </titel>
          </kop>
          <art id="a14">
            <kop>
              <nr>Artikel 14</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Het is verboden een omvangrijke lozing van huishoudelijk afvalwater in
de bodem – niet zijnde een bestaande lozing in de bodem – uit
te voeren.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Het bevoegd gezag kan, voor een lozing in de bodem anders dan binnen een
inrichting waarvoor een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer
is vereist, op daartoe strekkende aanvraag voor een door hem vast te stellen
termijn van ten hoogste tien jaar, ontheffing verlenen van het in het eerste
lid bedoelde verbod indien:</al>
              <al>a. de afstand van de kadastrale grens van het perceel waar het huishoudelijk
afvalwater vrijkomt tot de dichtstbijzijnde riolering, afhankelijk van het
aantal lozingseenheden, ten minste bedraagt:</al>
              <al>– tot 25 lozingseenheden 100 meter</al>
              <al>– van 25 tot 50 lozingseenheden 600 meter</al>
              <al>– van 50 tot 100 lozingseenheden 1500 meter</al>
              <al>– van 100 tot en met 200 lozingseenheden 3000 meter,</al>
              <al>b. het een lozing in de bodem betreft van ten hoogste 200 lozingseenheden,</al>
              <al>c. uit een onderzoek, verricht met grondboringen, uitgevoerd overeenkomstig
door Onze Minister vast te stellen regels, de gemiddeld hoogste grondwaterstand
ter plaatse van de lozing en de dimensionering van de infiltratievoorziening
is vastgesteld en </al>
              <al>d. een aansluiting op de riolering of een andere wijze van afvoer van
het huishoudelijk afvalwater redelijkerwijs niet mogelijk is.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>Aan een ontheffing worden ten minste de voorschriften verbonden, bedoeld
in de artikelen 15 tot en met 19.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>4.</nr>
              <al>Het bevoegd gezag kan tevens voor een lozing in de bodem, anders dan binnen
een inrichting waarvoor een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet
milieubeheer is vereist, op een daartoe strekkende aanvraag, voor een door
hem vast te stellen termijn, gebaseerd op het nog niet verstreken deel van
een redelijke afschrijvingstermijn van het bij de aanleg van de riolering
reeds bestaande zuiveringssysteem, bedoeld in artikel 15, en van de infiltratievoorziening,
bedoeld in artikel 16, ontheffing verlenen van het in het eerste lid bedoelde
verbod, indien:</al>
              <al>a. de afstand van het dichtstbijzijnde gebouw waar het huishoudelijk afvalwater
vrijkomt tot de dichtstbijzijnde riolering kleiner is dan de afstand die ingevolge
het tweede lid, onder a, vereist is, en</al>
              <al>b. wordt voldaan aan het tweede lid, onder b en c, en aan de artikelen
15 tot en met 19.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>5.</nr>
              <al>Voor de toepassing van het tweede en vierde lid wordt de afstand tot de
dichtstbijzijnde riolering berekend langs de kortste lijn waar de afvoerleidingen
zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a14a">
            <kop>
              <nr>Artikel 14a</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Ten aanzien van een lozing in de bodem binnen een inrichting waarvoor
een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer is vereist,
kan het bestuursorgaan dat bevoegd is een vergunning krachtens de Wet milieubeheer
te verlenen, bij de vergunning bepalen dat in afwijking van het verbod, bedoeld
in artikel 14, eerste lid, een lozing in de bodem is toegestaan in gevallen
als bedoeld in artikel 14, tweede lid, onder a tot en met d, dan wel in gevallen
als bedoeld in artikel 14, vierde lid, onder a en b.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Indien ingevolge het eerste lid een lozing in de bodem is toegestaan en
het in artikel 14, tweede lid, bedoelde geval zich binnen de inrichting voordoet,
zijn artikel 14, derde en vijfde lid, alsmede de artikelen 15 tot en met 19
van overeenkomstige toepassing. Indien ingevolge het eerste lid een lozing
in de bodem is toegestaan en het in artikel 14, vierde lid, bedoelde geval
zich binnen de inrichting voordoet, is artikel 14, vijfde lid, van overeenkomstige
toepassing.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a15">
            <kop>
              <nr>Artikel 15</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Het huishoudelijk afvalwater moet, alvorens een lozing in de bodem als
bedoeld in artikel 14 plaatsvindt worden gezuiverd door middel van:</al>
              <al>a. een opgehoogd infiltratiebedsysteem,</al>
              <al>b. een opgehoogd filtratiebedsysteem,</al>
              <al>c. een zandfiltersysteem,</al>
              <al>d. een oxydatiebedsysteem of</al>
              <al>e. een biorotorsysteem.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Bij toepassing van een opgehoogd infiltratiebed- een opgehoogd filtratiebed-
dan wel een zandfiltersysteem moet het huishoudelijk afvalwater achtereenvolgens
worden voorbehandeld en biologisch behandeld.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>Bij toepassing van een oxydatiebed- dan wel een biorotorsysteem moet het
huishoudelijk afvalwater achtereenvolgens worden voorbehandeld, biologisch
behandeld en nabehandeld. </al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a16">
            <kop>
              <nr>Artikel 16</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Een lozing in de bodem als bedoeld in artikel 14 dient te worden uitgevoerd
in een zakput, infiltratiebed, infiltratiekanaal, dan wel opgehoogd infiltratiebed.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>De onderzijde van een infiltratievoorziening als bedoeld in het eerste
lid moet boven de gemiddeld hoogste grondwaterstand zijn gelegen.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a17">
            <kop>
              <nr>Artikel 17</nr>
            </kop>
            <al>Met betrekking tot zuiveringssystemen bedoeld in artikel 15 en infiltratievoorzieningen
bedoeld in artikel 16 zijn de artikelen 7 tot met 9 van overeenkomstige toepassing.</al>
          </art>
          <art id="a18">
            <kop>
              <nr>Artikel 18</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Degene die een lozing in de bodem als bedoeld in artikel 14 uitvoert,
moet het zuiveringssysteem voor het in gebruik wordt genomen en vervolgens
ten minste een maal per twee jaar, door of namens het Keuringsinstituut voor
waterleidingsartikelen (KIWA) technisch laten keuren.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>De schriftelijke resultaten van een keuring als bedoeld in het eerste
lid moeten door degene die de lozing in de bodem uitvoert gedurende ten minste
vijf jaar worden bewaard.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a19">
            <kop>
              <nr>Artikel 19</nr>
            </kop>
            <al>Indien een lozing in de bodem als bedoeld in artikel 14 definitief wordt
beëindigd, moeten het zuiveringssysteem en de infiltratievoorziening
worden verwijderd of, na volledige verwijdering van het erin aanwezige slib,
worden opgevuld met schoon bodemmateriaal. </al>
          </art>
          <art id="a20">
            <kop>
              <nr>Artikel 20</nr>
            </kop>
            <al>Bij een aanvraag om een ontheffing als bedoeld in artikel 14 en bij een
in artikel 14a bedoelde aanvraag om afwijking van het in artikel 14, eerste
lid, bedoelde verbod worden de gegevens verstrekt die in de bij dit besluit
behorende bijlage I zijn aangegeven. Onze Minister kan nadere regels stellen
met betrekking tot de te verstrekken gegevens.</al>
          </art>
        </par>
        <par>
          <kop>
            <nr>Paragraaf 2.</nr>
            <titel status="off">Bestaande lozingen in de bodem </titel>
          </kop>
          <art id="a21">
            <kop>
              <nr>Artikel 21</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Het is verboden een omvangrijke bestaande lozing van huishoudelijk afvalwater
in de bodem uit te voeren.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Het verbod geldt niet indien:</al>
              <al>a. de afstand van het dichtstbijzijnde gebouw waar het huishoudelijk afvalwater
vrijkomt tot de dichtstbijzijnde riolering, afhankelijk van het aantal lozingseenheden,
ten minste bedraagt:</al>
              <al>– tot 25 lozingseenheden 100 meter</al>
              <al>– van 25 tot 50 lozingseenheden 600 meter</al>
              <al>– van 50 tot 100 lozingseenheden 1500 meter</al>
              <al>– van 100 tot en met 200 lozingseenheden 3000 meter,</al>
              <al>b. het een lozing in de bodem betreft van ten hoogste 200 lozingseenheden,</al>
              <al>c. uit een onderzoek, verricht met grondboringen, uitgevoerd overeenkomstig
door Onze Minister vast te stellen regels, de gemiddeld hoogste grondwaterstand
ter plaatse van de lozing in de bodem en de dimensionering van de infiltratievoorziening
is vastgesteld en </al>
              <al>d. wordt voldaan aan de voorschriften, vermeld in de artikelen 15 tot
en met 18, en de krachtens artikel 30 gestelde nadere eisen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>Het bevoegd gezag kan op een daartoe strekkende aanvraag voor een door
hem vast te stellen termijn, gebaseerd op het nog niet verstreken deel van
een redelijke afschrijvingstermijn van de bij de aanleg van de riolering reeds
bestaande zuiveringssystemen, bedoeld in artikel 15, en de infiltratievoorziening,
bedoeld in artikel 16, ontheffing verlenen van het in het eerste lid bedoelde
verbod, indien:</al>
              <al>a. de afstand van het dichtstbijzijnde gebouw waar het huishoudelijk afvalwater
vrijkomt tot de dichtstbijzijnde riolering kleiner is dan de afstand die ingevolge
het tweede lid, onder a, vereist is, en</al>
              <al>b. wordt voldaan aan het tweede lid, onder b, c en d.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>4.</nr>
              <al>Artikel 20 is op een aanvraag om een ontheffing als bedoeld in het derde
lid van overeenkomstige toepassing.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>5.</nr>
              <al>Voor de toepassing van het tweede en derde lid wordt de afstand tot de
dichtstbijzijnde riolering berekend langs de kortste lijn waar de afvoerleidingen
zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a21a">
            <kop>
              <nr>Artikel 21a</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Ten aanzien van een lozing in de bodem binnen een inrichting waarvoor
een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer is vereist,
kan het bestuursorgaan dat bevoegd is een vergunning krachtens de Wet milieubeheer
te verlenen, bij de vergunning bepalen dat in afwijking van het verbod, bedoeld
in artikel 21, eerste lid, een lozing in de bodem is toegestaan indien het
in artikel 21, derde lid, bedoelde geval zich binnen de inrichting voordoet.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>De artikelen 15 tot en met 20 zijn van overeenkomstige toepassing.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a22">
            <kop>
              <nr>Artikel 22</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Degene die een lozing in de bodem als bedoeld in artikel 21 uitvoert en
die voornemens is de gebezigde lozingswijze te wijzigen, geeft hiervan zo
spoedig mogelijk kennis aan het bevoegd gezag.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Bij een kennisgeving als bedoeld in het eerste lid worden de gegevens
verstrekt die in de bij dit besluit behorende bijlage II zijn aangegeven.
De kennisgeving wordt gedaan op een formulier waarvan het model wordt vastgesteld
door Onze Minister. Onze Minister kan daarbij nadere regels stellen met betrekking
tot de in bijlage II bedoelde gegevens.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a23">
            <kop>
              <nr>Artikel 23</nr>
            </kop>
            <al>Ter zake van het definitief beëindigen van een lozing in de bodem
als bedoeld in artikel 21 is artikel 19 van overeenkomstige toepassing.</al>
          </art>
        </par>
      </hfdst>
      <hfdst>
        <kop>
          <nr>HOOFDSTUK IV.</nr>
          <titel status="off">KOELWATER EN OVERIGE VLOEISTOFFEN </titel>
        </kop>
        <art id="a24">
          <kop>
            <nr>Artikel 24</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Het is verboden een lozing van koelwater in de bodem uit te voeren.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Het bevoegd gezag kan, voor een lozing in de bodem anders dan binnen een
inrichting waarvoor een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer
is vereist, op daartoe strekkende aanvraag voor een door hem vast te stellen
termijn van ten hoogste tien jaar, ontheffing verlenen van het in het eerste
lid bedoelde verbod. </al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a24a">
          <kop>
            <nr>Artikel 24a</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Ten aanzien van een lozing in de bodem binnen een inrichting waarvoor
een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer is vereist,
kan het bestuursorgaan dat bevoegd is een vergunning krachtens de Wet milieubeheer
te verlenen, bij die vergunning bepalen dat, in afwijking van het verbod,
bedoeld in artikel 24, eerste lid, een lozing in de bodem is toegestaan voor
een door hem vast te stellen termijn van ten hoogste tien jaar.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Artikel 26 is van overeenkomstige toepassing.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a25">
          <kop>
            <nr>Artikel 25</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Het is verboden een lozing van overige vloeistoffen in de bodem uit te
voeren.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Het bevoegd gezag kan, voor een lozing in de bodem anders dan binnen een
inrichting waarvoor een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer
is vereist, op daartoe strekkende aanvraag, voor een door hem vast te stellen
termijn van ten hoogste vier jaar, ontheffing verlenen van het in het eerste
lid bedoelde verbod, indien wordt aangetoond dat:</al>
            <al>a. een aansluiting op de riolering of een andere wijze van afvoer van
de vloeistof niet mogelijk is en</al>
            <al>b. in de overige vloeistoffen geen stoffen voorkomen als bedoeld in de
bij dit besluit behorende bijlage III, of deze stoffen daarin voorkomen met
een – wat betreft de stoffen van lijst I – zodanig geringe toxiciteit,
persistentie en (bio)accumulatie, of – wat betreft de stoffen van lijst
II – zodanig geringe schadelijke werking dat ook op de lange termijn
geen gevaar voor verontreiniging van de bodem bestaat.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>Een besluit inzake een ontheffing waaromtrent ingevolge artikel 3, vierde
lid, Onze Minister van Economische Zaken dient te beslissen, wordt niet genomen
dan in overeenstemming met Onze Minister.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a25a">
          <kop>
            <nr>Artikel 25a</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Ten aanzien van een lozing in de bodem binnen een inrichting waarvoor
een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer is vereist,
kan het bestuursorgaan dat bevoegd is een vergunning krachtens de Wet milieubeheer
te verlenen, bij die vergunning bepalen dat, in afwijking van het verbod,
bedoeld in artikel 25, eerste lid, een lozing in de bodem is toegestaan in
gevallen als bedoeld in artikel 25, tweede lid, onder a en b, voor een door
hem vast te stellen termijn van ten hoogste vier jaar.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Artikel 25, derde lid, en artikel 26 zijn van overeenkomstige toepassing.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a26">
          <kop>
            <nr>Artikel 26</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Aan een ontheffing als bedoeld in de artikelen 24 en 25 worden ten minste
voorschriften verbonden met betrekking tot:</al>
            <al>a. de wijze waarop en de frequentie waarmee onderzoek moet worden verricht
naar de samenstelling van de vloeistof die in de bodem wordt geloosd en naar
de hoedanigheden van de bodem ter plaatse,</al>
            <al>b. de samenstelling en de hoeveelheid van de vloeistof die in de bodem
wordt geloosd,</al>
            <al>c. de wijze waarop de lozing in de bodem plaats moet vinden en</al>
            <al>d. voor zover het geen lozing in de bodem van koelwater betreft, de wijze
van definitieve beëindiging van de lozing in de bodem.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Bij een aanvraag om een ontheffing worden de gegevens verstrekt die in
de bij dit besluit behorende bijlage I zijn aangegeven. </al>
            <al>Onze Minister kan nadere regels stellen met betrekking tot de te verstrekken
gegevens.</al>
          </lid>
        </art>
      </hfdst>
      <hfdst>
        <kop>
          <nr>HOOFDSTUK V.</nr>
          <titel status="off">VERDERE BEPALINGEN </titel>
        </kop>
        <art id="a27">
          <kop>
            <nr>Artikel 27</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Degene die ingevolge de uitvoering van de artikelen 14, tweede lid, 14a,
eerste lid, juncto artikel 14, tweede lid, 21, tweede lid, 24a, tweede lid,
juncto 26 en 25a, tweede lid, juncto 26, 26, eerste lid, dan wel 34, eerste
lid, onderzoek dient te verrichten op of in een gedeelte van de bodem ten
aanzien waarvan hem de nodige bevoegdheid ontbreekt, kan het bevoegd gezag
verzoeken de rechthebbenden een gedoogplicht op te leggen als bedoeld in artikel
43 van de wet.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Een verzoek als bedoeld in het eerste lid bevat:</al>
            <al>a. de vermelding van de naam en het adres van de aanvrager en de rechthebbenden;</al>
            <al>b. de vermelding van de plaats waar het onderzoek moet plaatsvinden;</al>
            <al>c. de vermelding van de aard, de omvang en het tijdstip van het voorgenomen
onderzoek;</al>
            <al>d. de vermelding van de handelingen die de rechthebbenden in het belang
van het onderzoek moeten nalaten.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>Het bevoegd gezag kan, indien een verzoek als bedoeld in het eerste lid
is gedaan, de rechthebbenden ten aanzien van het betrokken gedeelte van de
bodem de in dat lid bedoelde verplichting opleggen.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a28">
          <kop>
            <nr>Artikel 28</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Het bestuursorgaan dat in het gebied waar de lozing in de bodem geheel
of gedeeltelijk plaatsvindt of zal plaatsvinden, bevoegd is tot verlening
van vergunning krachtens artikel 3, tweede lid, onderscheidenlijk artikel
6, eerste lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, wordt in de
gelegenheid gesteld advies uit te brengen omtrent het ontwerp van de beschikking
op de aanvraag om ontheffing krachtens de artikelen 14, 24, en 25, en omtrent
het voorlopige voornemen tot het geven van een beschikking krachtens artikel
30 van de wet, anders dan op verzoek van de houder van de ontheffing, alsmede
omtrent een beslissing tot afwijken van in dit besluit gestelde verboden krachtens
de artikelen</al>
            <al> 14a, 24a, en 25a.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Indien burgemeester en wethouders van een gemeente waar de lozing in de
bodem plaatsvindt of zal plaatsvinden, ingevolge artikel 3 niet het bevoegd
gezag zijn worden zij in de gelegenheid gesteld advies uit te brengen omtrent
de onderwerpen bedoeld in het eerste lid.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a29">
          <kop>
            <nr>Artikel 29</nr>
          </kop>
          <al>Als betrokken bestuursorgaan, bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, onder
c, van de Wet milieubeheer wordt, voor de gevallen waarin een verzoek om ontheffing
of afwijking als bedoeld in de artikelen 14, 24 of 25, onderscheidenlijk 14a,
24a of 25a wordt ingediend, waarbij het lozen in de bodem gevolgen kan hebben
voor de hoedanigheden van de bodem van een andere lid-staat van de Europese
Gemeenschappen, tevens die andere lid-staat aangewezen. Met de betrokken lid-staat
wordt, desgevraagd, alvorens ontheffing wordt verleend, of afwijking wordt
toegestaan, overleg gevoerd. </al>
        </art>
        <art id="a30">
          <kop>
            <nr>Artikel 30</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Het bevoegd gezag kan, ten aanzien van de voorschriften, bedoeld in de
artikelen 14, derde lid, 15 tot en met 19, 21, tweede lid, onder d, en 23
en 26, eerste lid, nadere eisen stellen. Degene tot wie een nadere eis wordt
gericht, is verplicht daaraan te voldoen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van voorschriften,
gesteld krachtens de artikelen 14a, tweede lid, 24a, tweede lid, of 25a, tweede
lid.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a31">
          <kop>
            <nr>Artikel 31</nr>
          </kop>
          <al>Vervallen.</al>
        </art>
        <art id="a32">
          <kop>
            <nr>Artikel 32</nr>
          </kop>
          <al>Vervallen.</al>
        </art>
      </hfdst>
      <hfdst>
        <kop>
          <nr>HOOFDSTUK VI.</nr>
          <titel status="off">OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN </titel>
        </kop>
        <art id="a33">
          <kop>
            <nr>Artikel 33</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>De artikelen 11, 13, 21 juncto 15 tot en met 18, 22 en 23 zijn niet van
toepassing gedurende drie jaar na de datum van inwerkingtreding van dit besluit.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>De artikelen 24 tot en met 26 zijn, voor zover deze betrekking hebben
op bestaande lozingen in de bodem, niet van toepassing gedurende twee jaar
na de datum van inwerkingtreding van dit besluit.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>Indien binnen de in het tweede lid bedoelde periode een verzoek om ontheffing
als bedoeld in artikel 24 of artikel 25 is ingediend, gelden de onderscheidenlijk
in die artikelen gestelde verboden niet tot 3 maanden nadat het besluit, waarbij
op dat verzoek is beslist, van kracht is geworden.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>4.</nr>
            <al>De artikelen 25 en 26 zijn gedurende twee jaar na de datum van inwerkingtreding
van dit besluit niet van toepassing met betrekking tot lozingen in de bodem
tengevolge van de substraatteelt binnen inrichtingen, die tot een in het Hinderbesluit
(Stb. 1980, 445) aangewezen categorie behoren.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a34">
          <kop>
            <nr>Artikel 34</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Degene die een omvangrijke bestaande lozing van huishoudelijk afvalwater
in de bodem uitvoert, die voldoet aan de vereisten vermeld in artikel 21,
tweede lid, onder a en b, dient binnen drie jaar na de datum van inwerkingtreding
van dit besluit:</al>
            <al>a. een onderzoek, verricht met grondboringen, overeenkomstig door Onze
Minister vast te stellen regels, te doen uitvoeren naar de gemiddeld hoogste
grondwaterstand ter plaatse van de lozing in de bodem en de dimensionering
van de infiltratievoorziening en</al>
            <al>b. van deze lozing in de bodem een kennisgeving te doen aan het bevoegd
gezag.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Bij een kennisgeving als bedoeld in het eerste lid worden de gegevens
verstrekt, die in de bij dit besluit behorende bijlage II zijn aangegeven.
De kennisgeving wordt gedaan op een formulier waarvan het model wordt vastgesteld
door Onze Minister. Onze Minister kan daarbij nadere regels stellen met betrekking
tot de in bijlage II bedoelde gegevens. </al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a35">
          <kop>
            <nr>Artikel 35</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 1990.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>De bepalingen van dit besluit zijn gedurende een jaar na de datum van
in werking treden van dit besluit niet van toepassing binnen het grondgebied
van een bodembeschermingsgebied of een grondwaterbeschermingsgebied waarvoor
op het moment van inwerkingtreding van dit besluit een verordening als bedoeld
in de artikelen 36 onderscheidenlijk 41 van de wet geldt.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a36">
          <kop>
            <nr>Artikel 36</nr>
          </kop>
          <al>Dit besluit kan worden aangehaald als: Lozingenbesluit bodembescherming. </al>
        </art>
      </hfdst>
      <bijlage id="b1">
        <kop>
          <titel status="off">BIJLAGE I behorende bij de artikelen 10a, 13a, 20 en 26
van het Lozingenbesluit bodembescherming</titel>
        </kop>
        <al>Ontheffing of afwijking van in het Lozingenbesluit bodembescherming gestelde
verboden, als bedoeld in de artikelen 5, 5a, 11, 11a, 14, 14a, 21, 21a, 24,
24a, 25 en 25a van dat besluit</al>
        <witreg></witreg>
        <al>1. Bij een aanvraag om ontheffing als bedoeld in de artikelen 5, 11, 14,
21, 24 en 25 en bij een aanvraag om afwijking van in het besluit gestelde
verboden, als bedoeld in de artikelen 5a, 11a, 14a, 21a, 24a en 25a, worden
de volgende gegevens verstrekt:</al>
        <al>a. naam en adres van degene die ontheffing vraagt;</al>
        <al>b. een opgave van het adres waar de lozing in de bodem plaatsvindt of
zal moeten plaatsvinden;</al>
        <al>c. de kadastrale aanduiding en een plattegrondtekening van het terrein
waar is of zal worden geloosd;</al>
        <al>d. de voorgenomen tijdsduur van de lozing in de bodem, en</al>
        <al>e. indien het betreft een verandering van de gebezigde werkwijze, het
voorgenomen tijdstip van deze wijziging.</al>
        <al>2. Bij een aanvraag om ontheffing voor een omvangrijke lozing van huishoudelijk
afvalwater in de bodem, als bedoeld in artikel 14, tweede lid, en bij een
aanvraag om afwijking als bedoeld in artikel 14a, tweede lid, worden tevens
de volgende gegevens verstrekt:</al>
        <al>a. het aantal lozingseenheden berekend aan de hand van het bepaalde in
artikel 4;</al>
        <al>b. de resultaten van een onderzoek naar de gemiddeld hoogste grondwaterstand
ter plaatse en de dimensionering van de infiltratievoorziening;</al>
        <al>c. een omschrijving van het toe te passen zuiveringssysteem en de toe
te passen infiltratievoorziening;</al>
        <al>d. de afstand van de kadastrale grens van het perceel waar de vloeistof
vrijkomt tot de dichtstbijzijnde riolering;</al>
        <al>e. de resultaten van een onderzoek naar de andere wijzen van afvoer van
het huishoudelijk afvalwater, en</al>
        <al>f. de voorgenomen wijze van definitieve beëindiging van de lozing
in de bodem.</al>
        <al>3. Bij een aanvraag om ontheffing voor een beperkte lozing, als bedoeld
in artikel 5, derde lid, en artikel 11, vierde lid, bij een aanvraag om afwijking
als bedoeld in artikel 5a, eerste lid, en artikel 11a, eerste lid, bij een
aanvraag om ontheffing voor een omvangrijke lozing, als bedoeld in artikel
14, vierde lid, en 21, derde lid, en bij een aanvraag om afwijking als bedoeld
in artikel 14a, tweede lid, en artikel 21a, eerste lid, worden naast de gegevens
zoals aangegeven onder punt 1 van deze bijlage tevens de volgende gegevens
verstrekt:</al>
        <al>a. het aantal lozingseenheden berekend aan de hand van het bepaalde in
artikel 4;</al>
        <al>b. de resultaten van een onderzoek naar de gemiddeld hoogste grondwaterstand
ter plaatse van de dimensionering van de infiltratievoorziening;</al>
        <al>c. een omschrijving van het toegepaste zuiveringssysteem en de toegepaste
infiltratievoorziening alsmede het tijdstip van installatie, en</al>
        <al>d. de voorgenomen wijze van definitieve beëindiging van de lozing
in de bodem.</al>
        <al>4. Bij een aanvraag om ontheffing voor een lozing van koelwater in de
bodem, als bedoeld in artikel 24, en bij een aanvraag om afwijking als bedoeld
in artikel 24a worden tevens de volgende gegevens verstrekt:</al>
        <al>a. de samenstelling en temperatuur van het koelwater;</al>
        <al>b. de hoeveelheid van het koelwater;</al>
        <al>c. de wijze waarop en de frequentie waarmee onderzoek wordt gedaan naar
de samenstelling en temperatuur van het koelwater; </al>
        <al>d. de resultaten van een onderzoek naar de te verwachten effecten van
de lozing op de hoedanigheden van de bodem op de korte en lange termijn, en</al>
        <al>e. de wijze waarop de lozing in de bodem plaatsvindt.</al>
        <witreg></witreg>
        <al>5. Bij een aanvraag om ontheffing voor een lozing van overige vloeistoffen
in de bodem, als bedoeld in artikel 25, en bij een aanvraag om afwijking als
bedoeld in artikel 25a worden tevens de volgende gegevens verstrekt:</al>
        <al>a. de samenstelling van de vloeistof;</al>
        <al>b. de hoeveelheid van de vloeistof;</al>
        <al>c. de wijze waarop en de frequentie waarmee onderzoek wordt gedaan naar
de samenstelling van de vloeistof;</al>
        <al>d. de resultaten van een onderzoek naar de te verwachten effecten van
de lozing op de hoedanigheden van de bodem op de korte en lange termijn;</al>
        <al>e. de wijze waarop de lozing in de bodem plaatsvindt;</al>
        <al>f. de afstand van de kadastrale grens van het perceel waar de vloeistof
vrijkomt tot de dichtstbijzijnde riolering;</al>
        <al>g. de resultaten van een onderzoek naar de andere wijzen van afvoer van
de vloeistof, en</al>
        <al>h. de voorgenomen wijze van definitieve beëindiging van de lozing
in de bodem. </al>
      </bijlage>
      <bijlage id="b2">
        <kop>
          <titel status="off">Bijlage II bij het Lozingenbesluit bodembescherming</titel>
        </kop>
        <al>Kennisgeving als bedoeld in de artikelen 22 en 34 van het Lozingenbesluit
bodembescherming.</al>
        <witreg></witreg>
        <al>Bij een kennisgeving als bedoeld in de artikelen 22 en 34 moeten de volgende
gegevens worden verstrekt:</al>
        <al>a. naam en adres van degene die kennisgeeft,</al>
        <al>b. een opgave van het adres waar in de bodem wordt geloosd,</al>
        <al>c. de kadastrale aanduiding en een plattegrondtekening van het terrein
waar wordt geloosd,</al>
        <al>d. de afstand van het dichtstbijzijnde gebouw waar het huishoudelijk afvalwater
vrijkomt en de dichtstbijzijnde riolering,</al>
        <al>e. het aantal lozingseenheden berekend aan de hand van het bepaalde in
artikel 4,</al>
        <al>f. de resultaten van het in artikel 21, tweede lid, onder c, dan wel het
in artikel 34, eerste lid, onder a, bedoelde onderzoek naar de gemiddeld hoogste
grondwaterstand ter plaatse en de dimensionering van de infiltratievoorziening,</al>
        <al>g. een omschrijving van het toe te passen zuiveringssysteem en de infiltratievoorziening
en</al>
        <al>h. indien het betreft een verandering van de lozingswijze, het voorgenomen
tijdstip van deze wijziging. </al>
      </bijlage>
      <bijlage id="b3">
        <kop>
          <titel status="off">Bijlage III bij het Lozingenbesluit bodembescherming</titel>
        </kop>
        <al>Lijsten I en II als bedoeld in artikel 25, tweede lid, onder b, van het
Lozingenbesluit bodembescherming</al>
        <witreg></witreg>
        <al>LIJST I. Families en groepen van stoffen</al>
        <witreg></witreg>
        <al>1. Organische halogeenverbindingen en stoffen waaruit dergelijke verbindingen
kunnen ontstaan.</al>
        <al>2. Organische fosforverbindingen.</al>
        <al>3. Organische tinverbindingen.</al>
        <al>4. Stoffen die een kankerverwekkende, mutagene of teratogene werking hebben.</al>
        <al>5. Minerale oliën en koolwaterstoffen.</al>
        <al>6. Cyaniden.</al>
        <al>7. De volgende metalloïden en metalen alsmede verbindingen daarvan:</al>
        <al>– kwik</al>
        <al>– cadmium</al>
        <al>– lood</al>
        <al>– arsenicum</al>
        <al>– antimoon</al>
        <al>– tin</al>
        <al>– beryllium</al>
        <al>– uranium</al>
        <al>– thallium</al>
        <al>– tellurium</al>
        <al>– zilver</al>
        <witreg></witreg>
        <al>LIJST II. Families en groepen van stoffen</al>
        <witreg></witreg>
        <al>1. De volgende metalloïden en metalen alsmede verbindingen daarvan:</al>
        <al>– zink</al>
        <al>– koper</al>
        <al>– nikkel</al>
        <al>– chroom</al>
        <al>– selenium</al>
        <al>– molybdeen</al>
        <al>– borium</al>
        <al>– vanadium</al>
        <al>– kobalt</al>
        <al>– barium</al>
        <al>– titaan</al>
        <al>2. Biociden en derivaten daarvan, die niet onder lijst I vallen.</al>
        <al>3. Stoffen met een schadelijke werking op de smaak en/of geur van het
grondwater alsmede verbindingen waaruit dergelijke stoffen in het water kunnen
ontstaan en die het water ongeschikt voor menselijke consumptie maken.</al>
        <al>4. Organische siliciumverbindingen die toxisch of persistent zijn en stoffen
waaruit dergelijke verbindingen kunnen ontstaan, met uitzondering van die
welke biologisch onschadelijk zijn of die snel worden omgezet in onschadelijke
stoffen.</al>
        <al>5. Anorganische fosforverbindingen en elementair fosfor.</al>
        <al>6. Ammoniak, nitrieten en nitraten.</al>
        <al>7. Chloriden, bromiden, fluoriden.</al>
        <al>8. Sulfaten.</al>
      </bijlage>
    </tekstpl>
  </backm>
</staatsbl>