﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<!DOCTYPE staatsbl PUBLIC "-//SDU//DTD staatsblad xml 1.1//NL" "../../dtd/staatsbl-11.dtd"[]>
<staatsbl id="sb995.23" soort="kb" publtype="kobe">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-1995-23/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel status="off">Staatsblad</titel>
    <subtitel>van het Koninkrijk der Nederlanden</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.4" conv="prod" markup="c1xa"></versie>
    <ordernr>51W416959</ordernr>
    <stb>
      <jaargang jaar="1995">Jaargang 1995</jaargang>
      <stbjaar>1995</stbjaar>
      <stbnr>23 </stbnr>
    </stb>
    <intitule>
      <soort>Besluit</soort> van 9 december 1994, houdende beslissing
op het bezwaarschrift tegen het koninklijk besluit van 18 augustus 1994 (koopprijsgrens
Huisvestingsverordening 1994, gemeente Gouda)</intitule>
    <aanhef>
      <wie>Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.</wie>
      <consider>
        <al>Beschikken bij dit besluit ter zake van het bezwaarschrift van burgemeester
en wethouders van Gouda van 23 september 1994, nr. 22.728, verzonden 26 september
1994, tegen het koninklijk besluit van 18 augustus 1994, nr. 94.006482<eindref refid="e1"></eindref>, waarbij het besluit van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,
van 24 juni 1994, nr. DRG/ARO/88989, voorzover daarbij goedkeuring is verleend
aan het hanteren van een zogenoemde koopprijsgrens van f 250 000,–
in de Huisvestingsverordening 1994 van de gemeente Gouda, is vernietigd.</al>
        <al>Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer en de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken, mevrouw
A. G. M. van de Vondervoort, van 7 december 1994, nr. DBD 05d94016, Directoraat-Generaal
van de Volkshuisvesting, Bestuursdienst. </al>
        <tuskop letat="vet">Ontstaan van de bezwaren</tuskop>
        <al>Bij besluit van 24 juni 1994, nr. DRG/ARO/88989, hebben gedeputeerde staten
van Zuid-Holland onder andere goedkeuring verleend aan het hanteren van een
zogenoemde koopprijsgrens van f 250 000,– in de Huisvestingsverordening
1994 van de gemeente Gouda.</al>
        <al>Op grond van artikel 6, vierde lid, van de Huisvestingswet kunnen, onder
goedkeuring van gedeputeerde staten, in een huisvestingsverordening woonruimten
met een hogere dan de in het derde lid van voornoemde wet vastgestelde koopprijs
worden aangewezen en daarmee onder het vergunningstelsel worden gebracht,
«voor zover zodanige aanwijzing in het belang van een evenwichtige en
rechtvaardige verdeling van woonruimte noodzakelijk is in verband met uit
bovengemeentelijk ruimtelijk beleid voortvloeiende geringe mogelijkheden tot
uitbreiding van de woonruimtevoorraad in de betrokken gemeente of in een of
meer kernen, behorende tot die gemeente».</al>
        <al>Bij het koninklijk besluit van 18 augustus 1994, nr. 94.006482, is het
besluit van gedeputeerde staten van Zuid-Holland, van 24 juni 1994, nr. DRG/ARO/88989,
voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het hanteren van een zgn. koopprijsgrens
van f 250 000,– in de Huisvestingsverordening 1994 van de
gemeente Gouda, wegens strijd met het recht vernietigd. In dat koninklijk
besluit is – kort samengevat – het volgende overwogen.</al>
        <al>Uit het vigerend streekplan Zuid-Holland Oost, vastgesteld in januari
1987, is evenwel gebleken dat de gemeente Gouda een opvangtaak ten behoeve
van de gemeenten in de regio vervult en in verband daarmee een relatief hoge
groei van de woningvoorraad kent. Om die reden is aan het desbetreffend criterium
in de Huisvestingswet niet voldaan in welk geval gedeputeerde staten van Zuid-Holland
in strijd daarmee goedkeuring hebben verleend aan het hanteren van een koopprijsgrens
van f 250 000 in de Huisvestingsverordening 1994 van de gemeente
Gouda.</al>
        <al>Tegen genoemd koninklijk besluit hebben burgemeester en wethouders van
Gouda bij schrijven van 23 september 1994, nr. 22.728, verzonden 26 september
1994, een bezwaarschrift ingediend op grond van artikel 7:1 van de Algemene
wet bestuursrecht. </al>
        <tuskop letat="vet">Ontvankelijkheid</tuskop>
        <al>Artikel 274a van de Provinciewet juncto artikel 7:1 van de Algemene wet
bestuursrecht geeft een belanghebbende de mogelijkheid tegen een koninklijk
besluit tot vernietiging een bezwaarschrift in te dienen. Burgemeester en
wethouders van Gouda zijn in dezen belanghebbende. Zij hebben tijdig bezwaar
gemaakt tegen het genoemde vernietigingsbesluit. Burgemeester en wethouders
van Gouda zijn derhalve ontvankelijk in hun bezwaar. </al>
        <tuskop letat="vet">Beoordeling van de bezwaren</tuskop>
        <al>Burgemeester en wethouders van Gouda hebben hun bezwaar doen steunen op
de volgende motiveringen: </al>
        <tuskop letat="cur">Motivering 1 </tuskop>
        <tuskop letat="vet">Het belang van een hogere koopprijsgrens in Gouda</tuskop>
        <al>Ter ondersteuning hiervan worden de volgende argumenten aangevoerd:</al>
        <al>– dat woonruimte in Gouda schaars is en op veel deelmarkten, waaronder
die van koopwoningen tot f 250 000,– de vraag het beschikbare aanbod
overtreft.</al>
        <al>– dat Gouda, als centraal in landelijk gebied tussen diverse grote
steden gelegen gemeente, zeer in trek is bij woningzoekenden uit de grote
steden en uit andere delen van het land;</al>
        <al>– dat, in het kader van de woonruimteverdeling als doelstellingen
zijn geformuleerd:</al>
        <al>* het binnen een redelijke termijn beschikbaar krijgen van kwalitatief
goede en passende woningen voor woningzoekenden met een binding aan Gouda
of regiogemeente en</al>
        <al>* het binnen een redelijke termijn voorzien in woonruimte voor urgent
woningzoekenden en het zorgen voor een eerlijke en doelmatige verdeling van
de beschikbare woningvoorraad;</al>
        <al>– dat de mogelijkheden om deze doelstellingen te realiseren onder
zware druk staan als gevolg van het restrictief ruimtelijk beleid van het
rijk en de provincie;</al>
        <al>– dat een vergelijking tussen de woningbehoefteberekening en het
te verwachten woningaantal volgens het streekplanprogramma in Gouda op een
tekort van 410 woningen in het jaar 2000 wijst;</al>
        <al>– dat de totale omvang van de woningbouwproduktie als gevolg van
het restrictieve beleid veel te gering is voor de regio Midden-Holland als
geheel en voor de gemeente Gouda als A-kern in het bijzonder;</al>
        <al>– dat het genoemde tekort zal ontstaan bij de huisvesting van de
eigen bevolking van Gouda, terwijl hierbij nog geen rekening is gehouden met
de hoge immigratiestromen die in Gouda worden verwacht, onder andere als gevolg
van gezinshereniging van Marokkaanse huishoudens;</al>
        <al>– dat de koopprijsgrens van f 250 000,– een onmisbaar
middel vormt om instroom van buiten de regio enigszins tegen te gaan en de
doorstroming binnen Gouda en de regio te bevorderen;</al>
        <al>– dat een koopprijsgrens van f 156 000,– zal leiden
tot een verder oplopend woningtekort omdat het totale aantal woningen dat
beschikbaar komt voor aan Gouda (of regio) gebonden woningzoekenden afneemt. </al>
        <tuskop letat="cur">Overweging 1</tuskop>
        <al>Naar aanleiding van het vorenstaande overwegen Wij het volgende.</al>
        <al>De Huisvestingswet gaat in beginsel uit van de eigen verantwoordelijkheid
van de burgers voor hun woonsituatie. Voorop staat derhalve de zelfredzaamheid
van de woningzoekenden en het vertrouwen in de werking van de woningmarkt.
Nochtans maakt de Huisvestingswet het mogelijk om in een gemeentelijke huisvestingsverordening
regelen te stellen inzake het in gebruik nemen van woonruimte voor bewoning.
Blijkens de wetsgeschiedenis, de wettekst alsmede de circulaire van de Staatssecretaris
van VROM inzake inwerkingtreding Huisvestingswet en Huisvestingsbesluit van
13 mei 1993 (MG 93–18) zijn evenwel voor overheidsbemoeienis met de
verdeling van woonruimte in de vorenbedoelde zin vanuit verschillende invalshoeken
grenzen in acht te nemen.</al>
        <al>In de eerste plaats geldt het uitgangspunt, dat ten grondslag ligt aan
de Huisvestingswet en het daarop gebaseerde Huisvestingsbesluit, dat het ingrijpen
van de overheid nooit zover mag gaan dat het in diverse internationale verdragen
erkende recht van de eigenaar om vrijelijk over zijn eigendom te beschikken
en het recht van de burger om zich vrij te vestigen wordt aangetast, zonder
dat de noodzaak daartoe is gebleken.</al>
        <al>In de tweede plaats geldt het in de considerans en diverse bepalingen
van de Huisvestingswet en het Huisvestingsbesluit neergelegde uitgangspunt
dat de bemoeienis van de overheid met de woonruimteverdeling nooit zover mag
gaan dat de vrije werking van de woningmarkt, anders dan met het oog op de
bevordering van een evenwichtige en rechtvaardige verdeling van schaarse woonruimte
nodig is, wordt aangetast. Hiermee is tot uitdrukking gebracht dat overheidsbemoeienis
met de woningmarkt niet een vanzelfsprekende zaak is, doch beperkt dient te
blijven tot gevallen waarin een zodanig tekort bestaat of dreigt te ontstaan
en dat dit zonder overheidsingrijpen tot onaanvaardbare situaties zal leiden.
Overheidsbemoeienis veronderstelt dat er in elk geval sprake is van een zodanige
situatie op de markt van goedkopere woningen waardoor de evenwichtige en rechtvaardige
verdeling van woonruimte in het gedrang komt en derhalve regulering van de
schaarse goedkopere woningen geboden is. De Huisvestingswet heeft hierbij
in het bijzonder het oog op bepaalde groepen van woningzoekenden met een verhoudingsgewijs
zwakke financiële positie op de woningmarkt, i.c. de doelgroep van beleid,
wier huisvesting als gevolg van schaarste zonder overheidsbemoeienis, in gevaar
komt. Alleen schaarste of dreigende schaarste aan woonruimte in de vorengenoemde
zin kan een rechtvaardiging vormen voor door de overheid te nemen maatregelen
die een beperking opleggen aan de vrije marktwerking en aan het recht van
de burgers zich vrij te vestigen.</al>
        <al>In de derde plaats is de reikwijdte van de Huisvestingswet door middel
van maximale huur- en koopprijsgrenzen afgebakend. Deze grenzen geven aan
welk deel van de voorraad aan woningen met behulp van het instrumentarium
van de Huisvestingswet voor een belangrijk deel voor de doelgroep van beleid
kan worden afgeschermd. Deze grenzen zijn afgestemd op de voor de doelgroep
van beleid betaalbare woningvoorraad.</al>
        <al>In het tweede lid van artikel 6 van de Huisvestingswet is bepaald dat
huur- en koopwoningen in beginsel alleen onder het vergunningstelsel van de
wet gebracht kunnen worden, indien de huur- dan wel koopprijs daarvan onder
de wettelijk vastgestelde huurprijsgrens respectievelijk de koopprijsgrens
ligt. Deze grenzen zijn, na aanvaarding van een daartoe strekkend amendement
tijdens de mondelinge behandeling van het voorstel voor de Huisvestingswet
in de Tweede Kamer, in het derde lid van artikel 6 van de Huisvestingswet
voor wat betreft de koopprijsgrens gelijkgesteld aan de in de betrokken gemeente
geldende maximale koopsom van een woonruimte, voor het in eigendom verkrijgen
waarvan aan de eigenaar-bewoner krachtens wettelijk voorschrift, i.c. het
Besluit woninggebonden subsidies, een van diens inkomen afhankelijke rijksbijdrage
kan worden verstrekt. Op grond daarvan geldt momenteel voor de provincie Zuid-Holland
een koopprijsgrens van f 156 000,–.</al>
        <al>De wetgever heeft met het systeem van de maximale prijsgrenzen duidelijk
tot uitdrukking gebracht dat de voorraad van duurdere (koop)woningen, waar
de huishoudens met hogere inkomens in beginsel op zijn aangewezen, in beginsel
buiten de regulering door de gemeentelijke overheid dient te worden gehouden
en wat de verdeling van deze koopwoningen betreft te vertrouwen op de werking
van de markt. Verdergaande inperking van de vrije marktwerking, het gebruik
van eigendom en de vrijheid van vestiging via hantering van hogere prijsgrenzen
past derhalve in beginsel niet in de opzet van de Huisvestingswet en het Huisvestingsbesluit.</al>
        <al>Krachtens het vierde lid van artikel 6 van de Huisvestingswet is, bij
wijze van uitzondering, aanwijzing als distributiewoonruimte van onder andere
koopwoningen met een koopprijs boven de in artikel 6, derde lid, van de Huisvestingswet
gestelde koopprijsgrens, onder goedkeuring van gedeputeerde staten, mogelijk,
echter uitsluitend voor de gemeenten die in de in dat artikellid nauw omschreven
uitzonderlijke situatie verkeren. Blijkens artikel 6, vierde lid, van de Huisvestingswet,
kunnen gedeputeerde staten aan de aanwijzing door gemeenten van duurdere koopwoningen
als distributiewoonruimte namelijk alleen goedkeuring verlenen, indien zodanige
aanwijzing «in het belang van een evenwichtige en rechtvaardige verdeling
van woonruimte noodzakelijk is in verband met uit bovengemeentelijk ruimtelijk
beleid voortvloeiende geringe mogelijkheden tot uitbreiding van de woonruimtevoorraad
in de betrokken gemeente of in één of meer kernen, behorend
tot die gemeente». Voor het aanwijzen van woonruimte boven de koopprijsgrens
ingevolge genoemd artikellid dient derhalve in de eerste plaats vast te staan
dat er geringe mogelijkheden tot uitbreiding van de woonruimtevoorraad in
de betrokken gemeente zijn, die voortvloeien uit het bovengemeentelijk ruimtelijk
beleid. Indien dit het geval is, moet vervolgens de vraag worden beantwoord
of het belang van een evenwichtige en rechtvaardige verdeling van woonruimte
een hogere koopprijsgrens noodzakelijk maakt.</al>
        <al>Het eerste criteriumonderdeel (geringe mogelijkheden tot uitbreiding van
de woningvoorraad voortvloeiend uit het bovengemeentelijk ruimtelijk beleid)
bevat de basisvoorwaarde in verband met de verhoging van de (koop)prijsgrens.
Blijkens deze voorwaarde heeft de wetgever alleen een mogelijkheid tot verhoging
van onder andere de koopprijsgrens willen geven indien er voor een gemeente,
op grond van bovengemeentelijk ruimtelijk beleid (blijkend uit het streekplan)
geringe mogelijkheden zijn tot uitbreiding van de reeds bestaande woningvoorraad.
Het is niet de bedoeling van de wetgever geweest dat er voor de invulling
van dit begrip een relatie wordt gelegd met de plaatselijke, regionale dan
wel landelijke behoefte aan woningen en met de omvang en de aard van de schaarste
in de betreffende gemeente. Met het woord «geringe» heeft de wetgever
een maat gegeven. De desbetreffende gemeente moet, wil haar aanwijzing van
ook duurdere woonruimte door gedeputeerde staten goedgekeurd kunnen worden,
om te beginnen in absolute zin, dus lossstaand van de omvang en oorzaak van
de vraag naar woonruimte, bijna geen nieuwbouw mogen plegen. De enige relatie
die voor de invulling van de maat van de uitbreidingsmogelijkheid, welke is
uitgedrukt door het woord «geringe», mag worden gelegd, is die
met de reeds bestaande voorraad.</al>
        <al>Het tweede criteriumonderdeel (noodzakelijk in het belang van een evenwichtige
en rechtvaardige verdeling van woonruimte) bevat de voorwaarde waaraan dient
te zijn voldaan om überhaupt een vergunningstelsel in het leven te mogen
roepen. Deze voorwaarde impliceert dat er sprake moet zijn van schaarste.
Hierbij moet gedacht worden aan situaties waarin door een tekort aan in het
bijzonder goedkope woonruimte bepaalde groepen van woningzoekenden, die om
geldelijke of maatschappelijke redenen een verhoudingsgewijs zwakke positie
op de woningmarkt innemen, i.c. de doelgroep van het volkshuisvestingsbeleid,
niet meer of moeilijk zelf in adequate huisvesting kunnen voorzien. In tegenstelling
tot het eerste criteriumonderdeel kan hier wel een verband worden gelegd met
de omvang van de woningproduktie afgezet tegen de eigen woningbehoefte van
de regio Midden-Holland, de verwachte migratiestromen, de druk op de Goudse
woningmarkt, de aard en omvang van de woningvoorraad alsmede de aard (b.v.
de primaire doelgroep) en de omvang (het aantal ingeschreven woningzoekenden)
en met de wenselijkheid van het vergunningstelsel vanuit gemeentelijk of regionaal
huisvestingsbeleid gezien; bijvoorbeeld omdat de primaire doelgroep alleen
adequaat kan worden gehuisvest indien ook de doorstromimg van de huur- naar
de koopsector zoveel mogelijk kan worden bevorderd.</al>
        <al>Gezien de wetsgeschiedenis heeft de wetgever deze uitzondering op de algemene
regel van artikel 6, derde lid, van de Huisvestingswet, voor de bepaling van
het distributiebestand uitsluitend gemaakt voor de gemeenten die op grond
van het bovengemeentelijk ruimtelijk beleid waaraan zij zijn onderworpen zodanig
stringent en knellend in de groei van de woonruimtevoorraad zijn beperkt dat
zij feitelijk op de bestaande woonruimtevoorraad zijn en blijven aangewezen.
Zoals uit de wetsgeschiedenis blijkt heeft de wetgever hiermee beoogd de onder
de vorengenoemde omstandigheden verkerende gemeenten een instrument ter beschikking
te stellen ter bescherming van de aan die gemeenten economisch en sociaal
gebondenen, tegen verdringing op de bestaande woningvoorraad door andere vestigers
van elders. Met uitsluiting van de andere gemeenten dienen deze gemeenten
de mogelijkheid te hebben om de toch al schaars vrijkomende woningen in de
bestaande voorraad bij voorrang aan de plaatsgebonden woningzoekenden toe
te wijzen.</al>
        <al>De door burgemeester en wethouders van Gouda aangevoerde argumenten waarmee
het belang van een hogere koopprijsgrens, i.c. van f 250 000,–,
in de gemeente Gouda wordt onderstreept, missen derhalve een basis in de Huisvestingswet. </al>
        <tuskop letat="cur">Motivering 2 </tuskop>
        <tuskop letat="vet">De rol van de provincie Zuid-Holland en de regio Midden-Holland</tuskop>
        <al>Ter ondersteuning hiervan worden de volgende argumenten aangevoerd:</al>
        <al>– dat de regio Midden-Holland door gedeputeerde staten van Zuid-Holland
is aangewezen als landelijke regio, waarin een werend beleid gevoerd dient
te worden ten opzichte van woningzoekenden van buiten de regio;</al>
        <al>– dat als algemene beleidslijn voor de landelijke regio's de huisvestingsverordening,
dan wel het resultaat van de afstemming van het huisvestingsbeleid in de Regionale
Volkshuisvestingscommissies (RVC's) zal worden beoordeeld op de vraag in hoeverre
de afspraken tussen de gemeenten van de RVC resultaten opleveren voor het
werend beleid en een maximale afscherming van de woningmarkt voor mensen van
buiten de regio wordt bereikt door bijvoorbeeld het stellen van hoge(re) huur-
en koopprijsgrenzen;</al>
        <al>– dat vroegtijdig en intensief door alle regiogemeenten –
met de provincie als toehoorder – overleg is gepleegd, hetgeen er toe
heeft geleid dat het woonruimteverdeelbeleid in regionaal verband in belangrijke
mate op elkaar is afgestemd, waarbij de koopprijsgrens van de gemeente Gouda
van f 250 000,– daarbij in belangrijke mate een rol speelt;</al>
        <al>– dat een model-huisvestingsverordening voor Midden-Holland door
de Bestuurscommissie Volkshuisvesting Midden-Holland is vastgesteld en dat
de regiogemeenten hun plaatselijke verordeningen daarop hebben gebaseerd;</al>
        <al>– dat de gemeente Gouda van de provincie Zuid-Holland de toestemming,
als bedoeld in artikel 3, lid 2, van het Huisvestingsbesluit, heeft gekregen
tot hantering van regionale bindingseisen;</al>
        <al>– dat zonder de mogelijkheid om regionale bindingseisen ook ten
aanzien van een substantieel deel van de koopwoningmarkt te kunnen hanteren,
deze mogelijkheid weinig effectief is;</al>
        <al>– dat bij de totstandkoming van de Huisvestingswet is afgezien van
een verdere invulling van de toetsingscriteria van de in artikel 6, vierde
lid, van de Huisvestingswet neergelegde bevoegdheid van gedeputeerde staten;</al>
        <al>– dat voorafgaande aan het besluit tot vernietiging van het onderhavige
besluit van gedeputeerde staten van Zuid-Holland geen bestuurlijk overleg
met de gemeente Gouda, als meest direkt belangbehebbende bij het vernietigingsbesluit,
heeft plaats gevonden. </al>
        <tuskop letat="cur">Overweging 2</tuskop>
        <al>Naar aanleiding van het vorenstaande overwegen Wij het volgende.</al>
        <al>In het vierde lid van artikel 6 van de huisvestingswet wordt alleen over
gemeenten en kernen van gemeenten gesproken. Daarom kan het nimmer gaan om
een regio waarbinnen hogere (koop)prijsgrenzen zouden moeten worden gehanteerd,
omdat, zoals in het bezwaarschrift is betoogd, het ter realisering van het
door gedeputeerde staten opgelegde werend beleid noodzakelijk is een maximale
afscherming van de woningmarkt voor woningzoekenden van buiten de regio te
bewerkstelligen; dit tenzij de regio uitsluitend zou bestaan uit gemeenten
waarop het artikellid van toepassing is. Gedeputeerde staten zullen bij verzoeken
van regio's tot verhoging van (koop)prijsgrenzen derhalve steeds moeten beoordelen
op de vraag of er in de bij een zodanig verzoek betrokken gemeenten, elk afzonderlijk,
sprake is van geringe uitbreidingsmogelijkheden van de woningvoorraad als
bedoeld in artikel 6, vierde lid, van de Huisvestingswet zoals dat hiervoor
nader is uiteengezet.</al>
        <al>Zijn die er niet, maar is de verhoging van de koopprijsgrens toch zeer
gewenst om het bovengemeentelijk ruimtelijk beleid te kunnen uitvoeren, zoals
in de regio Midden-Holland met het oog op het door gedeputeerde staten opgelegde
werend beleid kennelijk het geval is, dan kan dat alleen tot aan de wettelijke
(koop)prijsgrens als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de Huisvestingswet.
Blijkens de wetsgeschiedenis beoogt artikel 6, vierde lid, van de Huisvestingswet
niet een reguleringsmechanisme ten aanzien van een duurdere categorie woningen
te geven, in verband met andere vestigingsregelingen, die door het bovengemeentelijk
ruimtelijk beleid zijn voorgeschreven, dan «geringe uitbreiding van
de woonruimtevoorraad». In verband hiermee constateren Wij dat laatstgenoemd
artikellid niet gehanteerd mag worden als instrument om het bovengemeentelijk
ruimtelijk, werend, beleid te kunnen realiseren.</al>
        <al>Bij de totstandkoming van de Huisvestingswet is het inderdaad niet nodig
geacht een nadere invulling te geven van de in artikel 6, vierde lid van de
Huisvestingswet neergelegde bevoegdheid van gedeputeerde staten. In dit verband
zij verwezen naar de voorloper van de in voornoemd artikellid gebezigde formulering
«geringe uitbreidingsmogelijkheden», welke is te vinden in bijlage
C, behorende bij de (oude) Woonruimtebeschikking 1984 die gebaseerd was op
de tot 1 juli 1993 geldende Woonruimtewet 1947. Deze bijlage C van de Woonruimtebeschikking
bevatte (slechts) 16 gemeenten die vanwege een bepaalde situatie waarin zij
verkeerden – desgevraagd – op deze bijlage waren geplaatst. Eén
van de criteria voor plaatsing op bijlage C luidde dat toevoeging van woningen
aan het bestaande distributiebestand slechts in zeer beperkte mate mogelijk
moest zijn, als gevolg van stringent planologisch beleid – dus in beginsel
structureel – waaraan de gemeente is onderworpen. Er mocht nauwelijks
sprake zijn van uitbreiding van de woningvoorraad. Weliswaar zijn in artikel
6, vierde lid, van de Huisvestingswet de vroeger in verband met de bijlage
C gehanteerde woorden «toevoeging van woningen slechts in zeer beperkte
mate mogelijk» vervangen door «geringe uitbreidingsmogelijkheden»,
maar door beide omschrijvingen wordt éénzelfde situatie, te
weten die waarin nauwelijks sprake is van uitbreiding van de bestaande woningvoorraad,
tot uitdrukking gebracht. Blijkens de wetsgeschiedenis heeft de uitzonderingsbepaling
die in artikel 6, vierde lid, van de Huisvestingswet is opgenomen steeds als
toetsingscriterium voor plaatsing op bijlage C een rol gespeeld. De wetgever
heeft bedoeld slechts een inbreuk op het recht van vrije vestiging ten aanzien
van duurdere woningen mogelijk te maken voor die gemeenten, die in een situatie
verkeren waarin vanwege bovengemeentelijk ruimtelijk beleid nauwelijks sprake
is van uitbreiding van de bestaande woningvoorraad in absolute zin. Hierdoor
wordt tevens duidelijk waarom de toenmalige staatssecretaris het, ondanks
het verzoek van de VNG daartoe, niet nodig heeft gevonden een nadere invulling
van de in artikel 6, vierde lid, van de Huisvestingswet neergelegde bevoegdheid
van gedeputeerde staten te geven. Door middel van dit artikellid is geen nieuw
criterium ingevoerd doch is slechts het alom bekende criterium van bijlage
C herhaald.</al>
        <al>Wij zijn van oordeel dat strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel niet kan
worden geconstateerd door te stellen, zoals ook tijdens de hoorzitting is
gedaan, dat er geen voorafgaand overleg met het gemeentebestuur van Gouda
heeft plaatsgevonden met betrekking tot het voornemen om het onderhavige goedkeuringsbesluit
van gedeputeerde staten bij de Kroon voor te dragen voor vernietiging. Omdat
de vernietiging door de Kroon uitsluitend was gericht op het desbetreffend
provinciale besluit, heeft met de betrokken provinciebesturen wel voorafgaand
overleg plaatsgevonden. De vernietiging heeft weliswaar gevolgen voor de gemeentelijke
verordeningen, in die zin dat alleen het onderdeel ten aanzien van een hogere
dan de wettelijke koopprijsgrens beschouwd dient te worden als niet goedgekeurd.
De verordening en de werking daarvan blijven echter overigens in tact. Hoewel
het aanvankelijk wel de bedoeling is geweest om terzake ook met de gemeente
Gouda overleg te voeren, heeft de Staatssecretaris van VROM naderhand geoordeeld
het meer in de lijn van de bestuurlijke verhoudingen te liggen dat de provincies
de betreffende gemeenten op de hoogte stellen van het voornemen van de rijksoverheid
om het betreffende goedkeuringsbesluit voor te dragen voor vernietiging door
de Kroon. Verder kan worden vastgesteld dat het vernietigingsbesluit niet
is genomen ten aanzien van een kwestie die tot de aan de provincie gedecentraliseerde
beleidsvrijheid behoort, maar ten aanzien van een verkeerde toepassing van
de wet door gedeputeerde staten. Ook de overige in dit verband aangevoerde
gronden treffen, zoals inmiddels uit het vorengaande is op te maken, geen
doel. Wij zijn derhalve van oordeel dat het zorgvuldigheidsbeginsel niet is
geschonden. </al>
        <tuskop letat="cur">Motivering 3 </tuskop>
        <tuskop letat="vet">Wettekst en vernietigingsbesluit</tuskop>
        <al>Ter ondersteuning hiervan worden de volgende argumenten aangevoerd:</al>
        <al>– dat gedeputeerde staten van Zuid-Holland bij het verlenen van
hun goedkeuring voor hantering van een koopprijsgrens van f 250 000,–
in de gemeente Gouda zich hebben gebaseerd op de bijzonder geringe mogelijkheden
tot uitbreiding van de woningvoorraad, voortvloeiend uit het geldend restrictief
ruimtelijk beleid voor het Groene Hart, waarvan de regio Midden-Holland onderdeel
uitmaakt;</al>
        <al>– dat het toetsingskader voor deze beslissing – zoals de gemeente
Gouda onder 2, van haar bezwaarschrift heeft aangegeven – is neergelegd
in de beleidsnota «Volkshuisvesting in de regio's van Zuid-Holland»
(september 1993) en de notitie «Toepassing huisvestingswet» (oktober
1993);</al>
        <al>– dat het vernietigingsbesluit is gebaseerd op het in januari 1987
vastgestelde vigerende streekplan Zuid-Holland Oost, waaruit blijkt dat de
gemeente Gouda als A-kern een opvangtaak ten behoeve van de regiogemeenten
vervult en in verband daarmee een relatief hoge groei van de woningvoorraad
kent, doch dat wat deze «relatief hoge groei» betreft, gesteld
wordt: dat ten opzichte van 0, 1 inderdaad relatief hoog is, en vergeleken
met 2 of meer, 1 evenwel (zeer) gering is;</al>
        <al>– dat het streekplan uit 1987 waarnaar verwezen wordt inmiddels
is «ingehaald» door nieuwe ontwikkelingen (restrictief ruimtelijk
beleid voor het Groene hart; ontwerp-streekplan Zuid-Holland Oost) die de
opvangcapaciteit van Gouda tot een illusie maakt;</al>
        <al>– dat het rijk een te enge interpretatie hanteert van «..geringe
mogelijkheden tot uitbreiding van de woonruimtevoorraad..» als het stelt
dat een opvanggemeente op voorhand niet onder dit criterium valt;</al>
        <al>– dat Gouda weliswaar nog als «opvanggemeente» wordt
aangemerkt, maar uit prognoses (woningbehoefte tot 2000: 30 875, streekplanprogramma
2000: 30 465) blijkt dat Gouda niet eens in de woningbehoefte van de
eigen inwoners kan voorzien. </al>
        <tuskop letat="cur">Overweging 3</tuskop>
        <al>Naar aanleiding van het vorenstaande overwegen Wij het volgende.</al>
        <al>Vanuit de ruimtelijke ordening wordt aangegeven in welke gebieden een
uitbreiding van de woningvoorraad mogelijk is en voor welke gebieden op dat
punt restricties gelden. Voor wat betreft de volkshuisvesting wordt in streekplannen
aangegeven of een gemeente wel of geen geringe mogelijkheden heeft tot uitbreiding
van de woningvoorraad. Voor het antwoord op de vraag of er in een gemeente
sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 6, vierde lid, van de Huisvestingswet
geldt het streekplan als enig toetsingskader. Immers, de gemeente heeft bij
het opstellen van haar bestemmingsplan te maken met en is in beginsel alleen
gehouden aan het in het streekplan neergelegde – bovengemeentelijk –
ruimtelijk beleid. Dit betekent dat gedeputeerde staten van Zuid-Holland bij
het verlenen van hun goedkeuring tot hantering van een hogere koopprijsgrens
zich ten onrechte hebben gebaseerd op de beleidsnota «volkshuisvesting
in de regio's van zuid-Holland» respectievelijk de notitie «toepassing
Huisvestingswet».</al>
        <al>Naar voren is gebracht dat de uitbreiding van de woningvoorraad in Gouda,
ondanks haar regionale opvangtaak – blijkend uit het in januari 1987
vastgestelde streekplan – door het restrictieve bovengemeentelijk ruimtelijk
beleid van het Rijk en de provincie niet de mogelijkheid heeft om zelf maar
aan de eigen woningbehoefte te voldoen. Eveneens is naar voren gebracht dat
vanuit het restrictief rijksbeleid gemeenten worden geacht een werend beleid
te voeren.</al>
        <al>Ingevolge het afsprakenkader restrictief beleid Vinex worden de uitbreidingsmogelijkheden
in de periode 1995 tot 2005 inderdaad beperkt. Deze beperking houdt in dat
voor de gehele periode (1995 tot 2005) in het Zuid-Hollandse deel van het
Groene Hart nog 10 500 woningen aan de voorraad mogen worden toegevoegd.
Voor de periode tot 2000 is gekozen voor continuering van de uitbreidingsmogelijkheden,
zoals die zijn vastgelegd in het vigerend streekplan 1987. Van 2000 tot 2005
zal de totale bevolkingsomvang ingevolge de bovengenoemde VINEX-afspraken
worden gestabiliseerd, zodat dan alleen kan worden gebouwd om de daling van
de gemiddelde woningbezetting te compenseren. In de gemeente Gouda kunnen
in de periode 1993 tot 2000 2763 woningen worden gebouwd (cf. vigerend
streekplan). In de periode 2000 tot 2005 kunnen ingevolge de VINEX-afspraken
en het ontwerp-streekplan Zuid-Holland Oost in de gehele regio Midden-Holland
nog 1349 woningen worden gebouwd. Het aantal woningen, dat binnen het randtotaal
van 1349 in de gemeente Gouda zal worden gebouwd, kan niet uit het ontwerp-streekplan
worden afgeleid.</al>
        <al>Zoals in het bezwaarschrift naar voren is gebracht is ter vervanging van
het in 1987 vastgestelde streekplan Zuid-Holland Oost inmiddels een ontwerp-streekplan
Zuid-Holland Oost in voorbereiding, waarin het restrictief ruimtelijk beleid
verder wordt aangescherpt. Dit streekplan is op 18 november 1994 door Provinciale
Staten vastgesteld. Zoals hiervoren is aangegeven houden de wijzigingen in
het ontwerp-streekplan in dat tot het jaar 2000 het toegestane bouwvolume
als in het vigerend streekplan 1987 is aangegeven, ongewijzigd blijft. </al>
        <tuskop letat="vet">Hoorplicht</tuskop>
        <al>Gelet op artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb),
dient het bestuursorgaan de belanghebbende te horen voordat op het bezwaarschrift
wordt beslist. Zowel de indiener van het bezwaarschrift als eventuele andere
belanghebbenden dienen in de gelegenheid te worden gesteld hun standpunt (nader)
toe te lichten. Het College van burgemeester en wethouders van Gouda is in
dezen belanghebbende.</al>
        <al>Ter voldoening aan het bepaalde in eerdergenoemd artikel 7:2 van de Awb
is belanghebbende gehoord op maandag 7 november 1994, conform artikel 7:5,
eerste lid, onder b, van de Awb. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt,
waarbij belanghebbende in de gelegenheid is gesteld zonodig wijzigingen aan
te geven alvorens het verslag definitief werd vastgesteld. Belanghebbende
heeft het definitieve verslag toegezonden gekregen.</al>
        <al>Het horen van belanghebbende heeft geen nieuwe feiten, argumenten en andere
gezichtspunten opgeleverd, dan die welke in het bezwaarschrift reeds naar
voren zijn gebracht. </al>
        <tuskop letat="vet">Conclusie</tuskop>
        <al>Alles overziende zijn Wij van oordeel dat de gemeente Gouda niet voldoet
aan het criterium vervat in artikel 6, vierde lid, van de Huisvestingswet.
Wij blijven derhalve van oordeel dat gedeputeerde staten van Zuid-Holland
geen goedkeuring konden hechten aan het met toepassing van dit artikellid
in de Huisvestingsverordening 1994 van deze gemeente vaststellen van een hogere
koopprijsgrens dan voortvloeit uit artikel 6, tweede en derde lid, van de
Huisvestingswet. </al>
        <tuskop letat="vet">Beslissing</tuskop>
        <al>Gelet op <grslag>artikel 274a van de Provinciewet en de Algemene wet bestuursrecht,</grslag></al>
      </consider>
      <afkondig>Hebben Wij goedgevonden en verstaan:</afkondig>
    </aanhef>
  </frontm>
  <body>
    <besluit>
      <al>de bezwaren ongegrond te verklaren.</al>
    </besluit>
  </body>
  <backm>
    <nawerk>
      <slotform>Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad zal worden
geplaatst.</slotform>
      <eindnoot id="e1">
        <al>Stb. 1994, 671.</al>
      </eindnoot>
      <ondertek>
        <ondplts>'s-Gravenhage, </ondplts>
        <onddatum>9 december 1994</onddatum>
        <koning>Beatrix </koning>
        <minister>
          <minvan>De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer,</minvan>
          <naam>D. K. J. Tommel </naam>
        </minister>
        <minister>
          <minvan>De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken,</minvan>
          <naam>A. G. M. van de Vondervoort</naam>
        </minister>
      </ondertek>
      <uitgifte>
        <uitgifte-regel>Uitgegeven de <nadruk type="cur">zesentwintigste</nadruk> januari 1995</uitgifte-regel>
        <uitdag>zesentwintigste</uitdag>
        <uitmaand>januari</uitmaand>
        <uitjaar>1995</uitjaar>
        <door>
          <minvan>De Minister van Justitie,</minvan>
          <naam>W. Sorgdrager</naam>
        </door>
      </uitgifte>
    </nawerk>
  </backm>
</staatsbl>