﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<!DOCTYPE staatsbl PUBLIC "-//SDU//DTD staatsblad xml 1.1//NL" "../../dtd/staatsbl-11.dtd"[]>
<staatsbl id="sb995.21" soort="kb" publtype="kobe">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-1995-21/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel status="off">Staatsblad</titel>
    <subtitel>van het Koninkrijk der Nederlanden</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.4" conv="prod" markup="c1xa"></versie>
    <ordernr>51W416960</ordernr>
    <stb>
      <jaargang jaar="1995">Jaargang 1995</jaargang>
      <stbjaar>1995</stbjaar>
      <stbnr>21 </stbnr>
    </stb>
    <intitule>
      <soort>Besluit</soort> van 9 december 1994, houdende beslissing
op het bezwaarschrift tegen het koninklijk besluit van 18 augustus 1994 (koopprijsgrens
Huisvestingsverordening 1994, gemeente Veenendaal)</intitule>
    <aanhef>
      <wie>Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.</wie>
      <consider>
        <al>Beschikken bij dit besluit ter zake van het bezwaarschrift van burgemeester
en wethouders van Veenendaal van 26 september 1994, nr. 94.08745/32428, tegen
het koninklijk besluit van 18 augustus 1994, nr. 94.006479<eindref refid="e1"></eindref>,
waarbij het besluit van gedeputeerde staten van Utrecht, van 7 juni 1994,
nr. 4350621/1927, voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan het hanteren
van een zogenoemde koopprijsgrens van f 250 000,– in de Huisvestingsverordening
1994 van de gemeente Veenendaal, is vernietigd.</al>
        <al>Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer en de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken, mevrouw
A. G. M. van de Vondervoort, van 7 december 1994, nr. DBD 05d94017, Directoraat-Generaal
van de Volkshuisvesting, Bestuursdienst. </al>
        <tuskop letat="vet">Ontstaan van de bezwaren</tuskop>
        <al>Bij besluit van 7 juni 1994, nr. 4350621/1927, hebben gedeputeerde staten
van Utrecht onder andere goedkeuring verleend aan het hanteren van een zogenoemde
koopprijsgrens van f 250 000,– in de Huisvestingsverordening
1994 van de gemeente Veenendaal.</al>
        <al>Op grond van artikel 6, vierde lid, van de Huisvestingswet kunnen, onder
goedkeuring van gedeputeerde staten, in een huisvestingsverordening woonruimten
met een hogere dan de in het derde lid vastgestelde koopprijs worden aangewezen
en daarmee onder het vergunningstelsel worden gebracht, «voor zover
zodanige aanwijzing in het belang van een evenwichtige en rechtvaardige verdeling
van woonruimte noodzakelijk is in verband met uit bovengemeentelijk ruimtelijk
beleid voortvloeiende geringe mogelijkheden tot uitbreiding van de woonruimtevoorraad
in de betrokken gemeente of in een of meer kernen, behorende tot die gemeente».</al>
        <al>Bij het koninklijk besluit van 18 augustus 1994, nr. 94.006479, is het
besluit van gedeputeerde staten van Utrecht, van 7 juni 1994, nr. 4350621/1927,
voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het hanteren van een zogenoemde
koopprijsgrens van f 250 000,– in de Huisvestingsverordening
1994 van de gemeente Veenendaal, wegens strijd met het recht vernietigd. In
dat koninklijk besluit is – kort samengevat – het volgende overwogen.</al>
        <al>Aangezien de gemeente Veenendaal, blijkend uit het vigerend streekplan
Utrecht, vastgesteld op 1 juli 1994, een regionale opvangfunctie vervult en
in verband daarmee een relatief hoge groei van de woningvoorraad kent, is
in casu sprake van meer dan geringe mogelijkheden tot uitbreiding van de woningvoorraad,
als bedoeld in artikel 6, vierde lid, van de Huisvestingswet. Om die reden
is aan het desbetreffend criterium in de Huisvestingswet niet voldaan in welk
geval gedeputeerde staten van Utrecht dan ook in strijd daarmee goedkeuring
hebben verleend aan het hanteren van een koopprijsgrens van f 250 000,–
in de Huisvestingsverordening 1994 van de gemeente Veenendaal.</al>
        <al>Tegen genoemd koninklijk besluit hebben burgemeester en wethouders van
Veenendaal bij schrijven van 26 september 1994, nr. 94.08745/32428 een bezwaarschrift
ingediend op grond van artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht. </al>
        <tuskop letat="vet">Ontvankelijkheid</tuskop>
        <al>Artikel 274a van de Provinciewet juncto artikel 7:1 van de Algemene wet
bestuursrecht geeft een belanghebbende de mogelijkheid tegen een koninklijk
besluit tot vernietiging een bezwaarschrift in te dienen. Burgemeester en
wethouders van Veenendaal zijn in deze belanghebbende. Zij hebben tijdig bezwaar
gemaakt tegen het genoemde vernietigingbesluit. Burgemeester en wethouders
van Veenendaal zijn derhalve ontvankelijk in hun bezwaar. </al>
        <tuskop letat="vet">Beoordeling van de bezwaren</tuskop>
        <al>Burgemeester en wethouders van Veenendaal hebben hun bezwaar doen steunen
op de volgende motivering. </al>
        <tuskop letat="cur">Motivering</tuskop>
        <al>– dat de regio Zuid-Oost Utrecht, gezien de centrale ligging daarvan
in Nederland en van vooral Veenendaal, gezien haar positie, een geliefd woon-
en vestigingsgebied voor zowel werkenden als niet (meer) werkenden is, en
daarom de druk op de woningmarkt groot is, resulterend in hoge prijzen die
voor bestaande woningen moeten worden betaald;</al>
        <al>– dat de regiogemeenten reeds in het oude streekplan, maar des te
meer in het nieuwe streekplan worden geconfronteerd met beperkte woningbouwmogelijkheden,
hetgeen het voor de meeste gemeenten moeilijk maakt om in de woningbehoefte
te voorzien;</al>
        <al>– dat daarom alle gemeenten in de regio Zuid-Oost Utrecht, om de
goedkopere woningen in ieder geval bij voorrang voor de plaatsgebonden woningzoekenden
toegankelijk te houden, bindingseisen aan de gemeenten hebben gehanteerd en
na 1 juli 1994 van gedeputeerde staten van Utrecht toestemming hebben gekregen
om regionale bindingseisen te hanteren;</al>
        <al>– dat als vernietigingsgrond is gehanteerd dat er in Veenendaal
geen sprake is van geringe uitbreidingsmogelijkheden en dat hierbij cruciaal
is de uitleg van het begrip «geringe uitbreidingsmogelijkheden»;</al>
        <al>– dat het onjuist is dat het begrip «geringe uitbreidingsmogelijkheden»,
zoals het vernietigings-kb doet, niet relatief wordt bezien;</al>
        <al>– dat het begrip «geringe uitbreidingsmogelijkheden»
gerelateerd moet worden aan de verhouding tussen vraag en aanbod, zulks met
inbegrip van de gemiddelde koopprijzen ter plaatse, de bestaande scheefheid
in de woningvoorraad, de geringe mogelijkheden om voor de doelgroep betaalbare
nieuwbouw te realiseren en niet in de laatste plaats de fysieke (on)mogelijkheden
om voldoende woningen te realiseren;</al>
        <al>– dat de druk op de lokale woningmarkt groot is, blijkend uit de
ontwikkeling van het woningzoekendenbestand, waarin in 1985 ruim 2000 woningzoekenden
voor een huurwoning stonden geregistreerd, welk aantal thans tot 3500 is opgelopen,
terwijl er daarnaast ook nog ca. 1000 gegadigden voor een sociale koopwoning
en ca. 300 gegadigden voor een bouwkavel staan geregistreerd, waarbij ook
nog gerekend moeten worden degenen die alleen bij de plaatselijke makelaars
hun interesse voor een (nieuwbouw)woning kenbaar hebben gemaakt;</al>
        <al>– dat het van rijkswege voorgestane restrictief beleid ten aanzien
van de verdere woningbouw in de regio de mogelijkheden geringer maakt om in
de toekomst door nieuwbouw in de behoefte van plaats- en regiogebonden woningzoekenden
te voorzien, terwijl de druk op de woningmarkt daarnaast groter wordt door
de zorg die ook Veenendaal op zich heeft genomen om in de huisvestingsbehoefte
van asielzoekers en statushouders te voorzien;</al>
        <al>– dat Veenendaal weliswaar op grond van het vigerend streekplan
een regionale opvangfunctie heeft gekregen voor de woningbouw en de werkgelegenheid,
maar dat de restcapaciteit slechts ca. 2800 woningen bedraagt, terwijl alleen
al de autonome druk op de woningmarkt een bouwtempo van tussen de 400 à
500 woningen per jaar rechtvaardigt;</al>
        <al>– dat Veenendaal binnen 6 à 7 jaar is volgebouwd en dat dit
gegeven in relatie moet worden gezien met de ontwikkeling in het koopprijsniveau
in de periode 1985–1993 en de verhouding op dit punt tussen de provincie
Utrecht en het landelijk gemiddelde;</al>
        <al>– dat, gezien de prijsontwikkeling, waaruit blijkt dat het regiogemiddelde
begin 1994 f 250 000,– bedroeg, het onmogelijk wordt om als
gemeente in het middensegment (vanaf f 156 000,– tot f 250 000,–)
van de bestaande koopsector regulerend te kunnen optreden, hetgeen onder andere
directe gevolgen heeft voor het gemeentelijk toewijzingsbeleid, hetwelk erop
gericht is om de doorstroming vanuit de huursector naar de koopsector op gang
te brengen;</al>
        <al>– dat doorstroming samen met het handhaven van een goede en goedkope
woningvoorraad een middel is om te voorzien in de woningbehoefte van de primaire
doelgroep;</al>
        <al>– dat in Veenendaal koopwoningen beneden de wettelijke koopprijsgrens
niet of nauwelijks beschikbaar zijn, terwijl er bovendien sprake is van een
(groeiend) disproportionele verhouding tussen vraag en aanbod op de lokale
en regionale woningmarkt in welk geval er weinig mogelijkheden zijn voor huurders
om een goedkope koopwoning te betrekken teneinde plaats te maken voor degenen
die op een huurwoning zijn aangewezen;</al>
        <al>– dat een koopprijsgrens van f 250 000,– een instrument
is om toch een redelijke hoeveelheid van de goedkopere koopwoningen te reserveren
voor huurders die tot doorstroming bereid zijn. </al>
        <tuskop letat="cur">Overweging</tuskop>
        <al>Naar aanleiding van het vorenstaande overwegen Wij het volgende.</al>
        <al>De Huisvestingswet gaat in beginsel uit van de eigen verantwoordelijkheid
van de burgers voor hun woonsituatie. Voorop staat derhalve de zelfredzaamheid
van de woningzoekenden en het vertrouwen in de werking van de woonruimtemarkt.
Nochtans maakt de Huisvestingswet het mogelijk om in een gemeentelijke huisvestingsverordening
regelen te stellen inzake het in gebruik nemen van woonruimte voor bewoning.
Blijkens de wetsgeschiedenis, de wettekst alsmede de circulaire van de Staatssecretaris
van VROM inzake inwerkingtreding Huisvestingswet en Huisvestingsbesluit van
13 mei 1993 (MG 93–18) zijn evenwel voor overheidsbemoeienis met de
verdeling van woonruimte in de vorenbedoelde zin vanuit verschillende invalshoeken
grenzen in acht te nemen.</al>
        <al>In de eerste plaats geldt het uitgangspunt, dat ten grondslag ligt aan
de Huisvestingswet en het daarop gebaseerde Huisvestingsbesluit, dat het ingrijpen
van de overheid nooit zover mag gaan dat het in diverse internationale verdragen
erkende recht van de eigenaar om vrijelijk over zijn eigendom te beschikken
en het recht van de burger om zich vrij te vestigen wordt aangetast, zonder
dat de noodzaak daartoe is gebleken.</al>
        <al>In de tweede plaats geldt het in de considerans en diverse bepalingen
van de Huisvestingswet en het Huisvestingsbesluit neergelegde uitgangspunt
dat de bemoeienis van de overheid met de woonruimteverdeling nooit zover mag
gaan dat de werking van de woonruimtemarkt verder dan met het oog op de bevordering
van een evenwichtige en rechtvaardige verdeling van schaarse woonruimte nodig
is, wordt aangetast. Hiermee is tot uitdrukking gebracht dat overheidsbemoeienis
met de woningmarkt niet een vanzelfsprekende zaak is, doch beperkt dient te
blijven tot gevallen waarin een zodanig tekort bestaat of dreigt te ontstaan,
dat dit zonder overheidsingrijpen tot onaanvaardbare situaties zal leiden.
Overheidsbemoeienis veronderstelt dat er in elk geval sprake is van een zodanige
situatie op de markt van goedkopere woningen dat de evenwichtige en rechtvaardige
verdeling van woonruimte in het gedrang komt en derhalve regulering van de
schaarse goedkopere woningen geboden is. De Huisvestingswet heeft hierbij
in het bijzonder het oog op bepaalde groepen van woningzoekenden met een verhoudingsgewijs
zwakke financiële positie op de woningmarkt, i.c. de doelgroep van beleid,
wier huisvesting als gevolg van schaarste zonder overheidsbemoeienis, in gevaar
komt. Alleen schaarste of dreigende schaarste aan woonruimte in de vorengenoemde
zin kan een rechtvaardiging vormen voor door de overheid te nemen maatregelen
die een beperking opleggen aan de vrije marktwerking en aan de recht van de
burgers zich vrij te vestigen.</al>
        <al>In de derde plaats is de reikwijdte van de Huisvestingswet via maximale
huur- en koopprijsgrenzen afgebakend. Deze grenzen, geven aan welk deel van
de voorraad aan woningen via het instrumentarium van de Huisvestingswet voor
een belangrijk deel voor de doelgroep van beleid kan worden afgeschermd. Deze
grenzen zijn afgestemd op de voor de doelgroep van beleid betaalbare woningvoorraad.</al>
        <al>In het tweede lid van artikel 6 van de Huisvestingswet is bepaald dat
huur- en koopwoningen in beginsel alleen onder het vergunningstelsel van de
wet gebracht kunnen worden, indien de huur- dan wel koopprijs daarvan onder
de wettelijk vastgestelde huurprijsgrens respectievelijk koopprijsgrens ligt.
Deze grenzen zijn, na aanvaarding van een daartoe strekkend amendement tijdens
de mondelinge behandeling van het voorstel voor de Huisvestingswet in de Tweede
Kamer, in het derde lid van artikel 6 van de Huisvestingswet voor wat betreft
de koopprijsgrens gelijkgesteld aan de in de betrokken gemeente geldende maximale
koopsom van een woonruimte, voor het in eigendom verkrijgen waarvan aan de
eigenaar-bewoner krachtens wettelijk voorschrift, i.c. het Besluit woninggebonden
subsidies, een van diens inkomen afhankelijke rijksbijdrage kan worden verstrekt.
Op grond daarvan geldt momenteel een koopprijsgrens van f 156 000,–
voor de provincie Utrecht.</al>
        <al>De wetgever heeft via het systeem van de maximale prijsgrenzen duidelijk
tot uitdrukking gebracht dat de voorraad van duurdere (koop)woningen, waar
de huishoudens met hogere inkomens op zijn aangewezen, in beginsel buiten
de regulering door de gemeentelijke overheid dient te worden gehouden en wat
de verdeling van deze koopwoningen betreft te vertrouwen op de werking van
de markt. Verdergaande inperking van de vrije marktwerking, het gebruik van
eigendom en de vrijheid van vestiging via hantering van hogere prijsgrenzen
past derhalve in beginsel niet in de opzet van de Huisvestingswet en het Huisvestingsbesluit.</al>
        <al>Krachtens het vierde lid van artikel 6 van de Huisvestingswet is nochtans
aanwijzing als distributiewoonruimte van onder andere koopwoningen met een
koopprijs boven de in artikel 6, derde lid, van de Huisvestingswet gestelde
koopprijsgrens, onder goedkeuring van gedeputeerde staten en uitsluitend in
het aldaar nauwomschreven uitzonderlijk geval, mogelijk. Blijkens genoemd
artikellid kunnen gedeputeerde staten aan de aanwijzing door gemeenten van
duurdere koopwoningen als distributiewoonruimte slechts dan goedkeuring verlenen,
indien zodanige aanwijzing «in het belang van een evenwichtige en rechtvaardige
verdeling van woonruimte noodzakelijk is in verband met uit bovengemeentelijk
ruimtelijk beleid voortvloeiende geringe mogelijkheden tot uitbreiding van
de woonruimtevoorraad in de betrokken gemeente of in een of meer kernen, behorend
tot die gemeente». Het in het vierde lid van artikel 6 van de Huisvestingswet
neergelegde toetsingscriterium bestaat uit twee delen.</al>
        <al>Het eerste criteriumonderdeel (geringe mogelijkheden tot uitbreiding van
de woningvoorraad voortvloeiend uit het bovengemeentelijk ruimtelijk beleid)
bevat de basisvoorwaarde in verband met de verhoging van de (koop)prijsgrens.
Blijkens deze voorwaarde heeft de wetgever alleen een mogelijkheid tot verhoging
van onder andere de koopprijsgrens willen geven indien er voor een gemeente,
op grond van het bovengemeentelijk ruimtelijk beleid (blijkend uit het streekplan)
geringe mogelijkheden zijn tot uitbreiding van de reeds bestaande woningvoorraad.</al>
        <al>Het tweede criteriumonderdeel (noodzakelijk in het belang van evenwichtige
en rechtvaardige verdeling van woonruimte) bevat de voorwaarde waaraan dient
te zijn voldaan om überhaupt een vergunningstelsel in het leven te mogen
roepen. Deze voorwaarde impliceert dat er sprake moet zijn van schaarste,
als hiervoor bedoeld en nader is uiteengezet. In dit verband kan er een relatie
worden gelegd met de omvang van de woningbehoefte (blijkend onder andere uit
de bestaande scheefheid in de woningvoorraad, de geringe mogelijkheden om
voor de doelgroep betaalbare nieuwbouw te realiseren en ook met de fysieke
(on)mogelijkheden om voldoende woningen te realiseren) en met de wenselijkheid
van het vergunningstelsel vanuit het gemeentelijk of regionaal huisvestingsbeleid
gezien; bijvoorbeeld omdat de druk, om welke reden dan ook, op de lokale of
regionale woningvoorraad groot is, blijkend uit de ontwikkeling van het woningzoekendenbestand.
In tegenstelling tot het tweede criteriumonderdeel kan voor de invulling van
het begrip «geringe uitbreidingsmogelijkheden» geen relatie worden
gelegd met bijvoorbeeld de omvang en de aard van de schaarste. Het is niet
de bedoeling van de wetgever geweest dat er voor de invulling van dit begrip
een relatie wordt gelegd met de plaatselijke, regionale dan wel landelijke
behoefte aan woningen in de betreffende gemeente. Met het woord «geringe»
heeft de wetgever een maat gegeven. De desbetreffende gemeente moet, wil haar
aanwijzing van ook duurdere woonruimte door gedeputeerde staten goedgekeurd
kunnen worden, om te beginnen in absolute zin, dus losstaand van de omvang
en oorzaak van de vraag naar woonruimte, bijna geen nieuwbouw mogen plegen.
De enige relatie die voor de invulling van de maat van de uitbreidingsmogelijkheid,
welke is uitgedrukt door het woord «geringe», mag worden gelegd,
is die met de reeds bestaande voorraad.</al>
        <al>Gezien de wetsgeschiedenis heeft de wetgever de uitzondering op de algemene
regel van artikel 6, derde lid, van de Huisvestingswet, voor de bepaling van
het distributiebestand uitsluitend gemaakt voor de gemeenten die op grond
van het bovengemeentelijk ruimtelijk beleid waaraan zij zijn onderworpen zodanig
stringent en knellend in de groei van de woonruimtevoorraad zijn beperkt dat
zij in feite alleen op de bestaande woonruimtevoorraad zijn en blijven aangewezen.
Zoals ook uit de wetsgeschiedenis blijkt heeft de wetgever hiermee beoogd
de onder die omstandigheden verkerende gemeente een instrument ter beschikking
te stellen ter bescherming van de aan die gemeenten economisch en sociaal
gebondenen, tegen verdringing op de bestaande woningvoorraad door andere vestigers
van elders. Met uitsluiting van de andere gemeenten dienen deze gemeenten
de mogelijkheid te hebben om de toch al schaars vrijkomende koopwoningen in
de bestaande voorraad bij voorrang aan de plaatsgebonden woningzoekenden toe
te wijzen.</al>
        <al>Wij constateren op grond van het voorgaande dat er ten gevolge van bovengemeentelijk
ruimtelijk beleid weliswaar beperkende voorwaarden zijn verbonden aan de mogelijkheid
voor de gemeente Veenendaal om haar woningvoorraad uit te breiden, doch achten
deze voorwaarden, mede gezien het feit dat deze gemeente op grond van het
vigerend streekplan een regionale opvangfunctie heeft gekregen, niet zodanig
stringent dat gesproken kan worden van geringe uitbreidingsmogelijkheden van
de woonruimtevoorraad in die zin dat deze gemeente in hoofdzaak op de bestaande
woningvoorraad zou zijn en blijven aangewezen. Wat er blijkens het streekplan
nog gebouwd mag worden is meer dan geringe uitbreiding van wat er al is. Daarbij
is niet van belang dat een deel van die uitbreiding bestemd is voor de uitvoering
van haar opvangtaak ten opzichte van de regiogemeenten. Daarbij is ook niet
van belang dat de ca. 2800 te bouwen woningen als een restcapaciteit dienen
te worden aangemerkt en dat Veenendaal binnen 6 à 7 jaar is volgebouwd.
Van een situatie als bedoeld in artikel 6, vierde lid, van de Huisvestingswet
is derhalve geen sprake. Op basis van de hiervoren aangehaalde argumenten
kan geen goedkeuring worden verleend voor het hanteren van een hogere grens
dan uit artikel 6, derde lid van de Huisvestingswet volgt. Uit het bepaalde
in het vierde lid van artikel 6 van de Huisvestingswet is niet af te leiden
dat gedeputeerde staten goedkeuring kunnen verlenen aan de aanwijzing van
woonruimte boven die koopprijsgrens in de gevallen dat een hogere koopprijsgrens
door een gemeente om andere redenen dan in laatstgenoemd artikellid bedoeld,
bijvoorbeeld ter bevordering van de doorstroming, noodzakelijk wordt geacht. </al>
        <tuskop letat="vet">Hoorplicht</tuskop>
        <al>Gelet op artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb),
dient het bestuursorgaan de belanghebbende te horen voordat op het bezwaarschrift
wordt beslist. Zowel de indiener van het bezwaarschrift als eventuele andere
belanghebbenden dienen in de gelegenheid te worden gesteld hun standpunt (nader)
toe te lichten. Het College van burgemeester en wethouders van Veenendaal
is in deze belanghebbende.</al>
        <al>Ter voldoening aan het bepaalde in eerdergenoemd artikel 7:2 van de Awb
is belanghebbende gehoord op vrijdag 4 november 1994, conform artikel 7:5,
eerste lid, onder b, van de Awb. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt,
waarbij belanghebbende in de gelegenheid is gesteld zonodig wijzigingen aan
te geven alvorens het verslag definitief werd vastgesteld. Belanghebbende
heeft het definitieve verslag toegezonden gekregen.</al>
        <al>Het horen van belanghebbende heeft geen nieuwe feiten, argumenten en andere
gezichtspunten opgeleverd, dan die welke in het bezwaarschrift reeds naar
voren zijn gebracht. </al>
        <tuskop letat="vet">Conclusie</tuskop>
        <al>Op grond van het vorenstaande zijn Wij van oordeel dat de gemeente Veenendaal
niet voldoet aan het bepaalde in artikel 6, vierde lid, van de Huisvestingswet.
Wij blijven derhalve van oordeel dat gedeputeerde staten van Utrecht geen
goedkeuring konden hechten aan het met toepassing van dit artikellid in de
Huisvestingsverordening 1994 van deze gemeente vaststellen van een hogere
koopprijsgrens dan voortvloeit uit artikel 6, tweede en derde lid, van de
Huisvestingswet. </al>
        <tuskop letat="vet">Beslissing</tuskop>
        <al>Gelet op <grslag>artikel 274a van de Provinciewet en de Algemene wet bestuursrecht,</grslag></al>
      </consider>
      <afkondig>hebben Wij goedgevonden en verstaan:</afkondig>
    </aanhef>
  </frontm>
  <body>
    <besluit>
      <al>de bezwaren ongegrond te verklaren.</al>
    </besluit>
  </body>
  <backm>
    <nawerk>
      <slotform>Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad zal worden
geplaatst.</slotform>
      <eindnoot id="e1">
        <al>Stb. 1994, 668.</al>
      </eindnoot>
      <ondertek>
        <ondplts>'s-Gravenhage, </ondplts>
        <onddatum>9 december 1994</onddatum>
        <koning>Beatrix </koning>
        <minister>
          <minvan>De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer,</minvan>
          <naam>D. K. J. Tommel  </naam>
        </minister>
        <minister>
          <minvan>De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken,</minvan>
          <naam>A. G. M. van de Vondervoort</naam>
        </minister>
      </ondertek>
      <uitgifte>
        <uitgifte-regel>Uitgegeven de <nadruk type="cur">zesentwintigste</nadruk> januari 1995</uitgifte-regel>
        <uitdag>zesentwintigste</uitdag>
        <uitmaand>januari</uitmaand>
        <uitjaar>1995</uitjaar>
        <door>
          <minvan>De Minister van Justitie,</minvan>
          <naam>W. Sorgdrager</naam>
        </door>
      </uitgifte>
    </nawerk>
  </backm>
</staatsbl>