﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<!DOCTYPE staatsbl PUBLIC "-//SDU//DTD staatsblad xml 1.1//NL" "../../dtd/staatsbl-11.dtd"[]>
<staatsbl id="sb995.20" soort="kb" publtype="kobe">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-1995-20/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel status="off">Staatsblad</titel>
    <subtitel>van het Koninkrijk der Nederlanden</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.4" conv="prod" markup="c1xa"></versie>
    <ordernr>51W416961</ordernr>
    <stb>
      <jaargang jaar="1995">Jaargang 1995</jaargang>
      <stbjaar>1995</stbjaar>
      <stbnr>20 </stbnr>
    </stb>
    <intitule>
      <soort>Besluit</soort> van 9 december 1994, houdende beslissing
op het bezwaarschrift tegen het koninklijk besluit van 18 augustus 1994 (koopprijsgrens
Huisvestingsverordening 1994, gemeente Woerden)</intitule>
    <aanhef>
      <wie>Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.</wie>
      <consider>
        <al>Beschikken bij dit besluit ter zake van het bezwaarschrift van burgemeester
en wethouders van Woerden van 21 september 1994, nr. U-5595, tegen het koninklijk
besluit van 18 augustus 1994, nr. 94.006478<eindref refid="e1"></eindref> waarbij het
besluit van gedeputeerde staten van Utrecht, van 14 juni 1994, nr. 4350446/1928,
voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan het hanteren van een zogenoemde
koopprijsgrens van f 250 000,– in de Huisvestingsverordening
1994 van de gemeente Woerden, is vernietigd.</al>
        <al>Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer en de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken, mevrouw
A. G. M. van de Vondervoort, van 7 december 1994, nr. DBD 05d94018, Directoraat-Generaal
van de Volkshuisvesting, Bestuursdienst. </al>
        <tuskop letat="vet">Ontstaan van de bezwaren</tuskop>
        <al>Bij besluit van 14 juni 1994, nr. 4350446/1928, hebben gedeputeerde staten
van Utrecht onder andere goedkeuring verleend aan het hanteren van een zogenoemde
koopprijsgrens van f 250 000,– in de Huisvestingsverordening
1994 van de gemeente Woerden.</al>
        <al>Op grond van artikel 6, vierde lid, van de Huisvestingswet kunnen, onder
goedkeuring van gedeputeerde staten, in een huisvestingsverordening woonruimten
met een hogere dan de in het derde lid vastgestelde koopprijs worden aangewezen
en daarmee onder het vergunningstelsel worden gebracht, «voor zover
zodanige aanwijzing in het belang van een evenwichtige en rechtvaardige verdeling
van woonruimte noodzakelijk is in verband met uit bovengemeentelijk ruimtelijk
beleid voortvloeiende geringe mogelijkheden tot uitbreiding van de woonruimtevoorraad
in de betrokken gemeente of in een of meer kernen, behorende tot die gemeente».</al>
        <al>Bij het koninklijk besluit van 18 augustus 1994, nr. 94.006478, is het
besluit van gedeputeerde staten van Utrecht, van 14 juni 1994, nr. 4350446/1928,
voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het hanteren van een zogenoemde
koopprijsgrens van f 250 000,– in de Huisvestingsverordening
1994 van de gemeente Woerden, wegens strijd met het recht vernietigd. In dat
koninklijk besluit is – kort samengevat – het volgende overwogen.</al>
        <al>Uit het vigerend streekplan Utrecht, vastgesteld op 1 juli 1994, hetwelk
door gedeputeerde staten als toetsingskader voor hun besluit is gehanteerd,
is evenwel gebleken dat de gemeente Woerden een regionale opvangfunctie vervult
en in verband daarmee een relatief hoge groei van de woningvoorraad kent.
Om die reden is niet voldaan aan het criterium van geringe mogelijkheden tot
uitbreiding van de woonruimtevoorraad in die gemeente, zoals neergelegd in
artikel 6, vierde lid, van de Huisvestingswet in welk geval gedeputeerde staten
van Utrecht dan ook in strijd daarmee goedkeuring hebben verleend aan het
hanteren van een koopprijsgrens van f 250 000,– in de Huisvestingsverordening
1994 van de gemeente Woerden.</al>
        <al>Tegen genoemd koninklijk besluit hebben burgemeester en wethouders van
Woerden bij schrijven van 21 september 1994, nr. U-5595, een bezwaarschrift
ingediend op grond van artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht. </al>
        <tuskop letat="vet">Ontvankelijkheid</tuskop>
        <al>Artikel 274a van de Provinciewet juncto artikel 7:1 van de Algemene wet
bestuursrecht geeft een belanghebbende de mogelijkheid tegen een koninklijk
besluit tot vernietiging een bezwaarschrift in te dienen. Burgemeester en
wethouders van Woerden zijn in deze belanghebbende. Zij hebben tijdig bezwaar
gemaakt tegen het genoemde vernietigingbesluit. Burgemeester en wethouders
van Woerden zijn derhalve ontvankelijk in hun bezwaar. </al>
        <tuskop letat="vet">Beoordeling van de bezwaren</tuskop>
        <al>Burgemeester en wethouders leggen aan hun bezwaar de volgende motivering
ten grondslag: </al>
        <tuskop letat="cur">Motivering</tuskop>
        <al>– dat het in het belang van een evenwichtige en rechtvaardige verdeling
van woonruimte als gevolg van de uit bovengemeentelijk ruimtelijk beleid voortvloeiende
geringe mogelijkheid tot uitbreiding van de woonruimtevoorraad in Woerden
essentieel is dat ook de categorie woningen met een koopprijs tot f 250 000,–
in de huisvestingsverordening 1994 onder het stelsel van huisvestingsvergunningen
van de Huisvestingswet is gebracht en wel:</al>
        <al>* omdat het door de raad vastgestelde en taakstellend uit te voeren actuele
Volkshuisvestingsplan 1991 met gemiddeld 300 per jaar (tot 2005) te bouwen
woningen in de komende jaren door diverse oorzaken nog niet kan worden gerealiseerd;</al>
        <al>* omdat in de periode 1989 tot en met 1993 er minder dan de helft van
de 1500 geplande woningen zijn gebouwd mede als gevolg waarvan het aantal
woningzoekenden sedert enkele jaren relatief is toegenomen tot meer dan 2000
per jaar;</al>
        <al>* omdat de geprogrammeerde nieuwbouw in 1994 in een restcapaciteit voor
circa 2900 te bouwen woningen resulteert, terwijl de de planning in de bouw
van gemiddeld 300 woningen per jaar voorziet gedurende circa 10 jaren (tot
2005);</al>
        <al>* omdat het woningtekort van minimaal 2000 woningen, afgezet tegen de
bestaande woningvoorraad per 31 december 1993 van 13 468 woningen derhalve
14,8% bedraagt, hetgeen 7 keer meer bedraagt dan het aanvaardbaar, overeenkomstig
het VROM-beleid, na te streven woningtekort van 2%;</al>
        <al>* omdat derhalve het woningtekort veel te hoog is om de 2%-grens in de
komende jaren ook maar enigszins te benaderen ondanks de beperkte uitbreidingsmogelijkheden
in Snel en Polanen;</al>
        <al>* omdat bij een verlaging van de distributiegrens voor koopwoningen tot
f 156 000,– het aantal woningzoekenden zal toenemen, enerzijds
door een grotere immigratie, zowel uit als van buiten de regio West-Utrecht,
anderzijds door individualisering van de huishoudens;</al>
        <al>– dat door het wegvallen van de stimuleringspremies voor de middeldure
bouw van f 159 000,– tot f 227 000,– en ook voor
de sociale koopwoningen in de komende jaren de doorstroming drastisch wordt
verminderd waardoor het onmogelijk wordt de evenwichtige en rechtvaardige
verdeling van woonruimte te bevorderen en dit te meer omdat de jaarlijks geprogrammeerde
strategische nieuwbouw in Woerden relatief zeer gering is;</al>
        <al>– dat Woerden deel neemt aan het volkshuisvestingsbeleid in de regio
West-Utrecht waarin 8 gemeenten de distributiegrens van f 250 000,–
voor koopwoningen hanteren;</al>
        <al>– dat als gevolg van het restrictieve ruimtelijk ordeningsbeleid
voor de overige gemeenten in de regio West-Utrecht Woerden in het kader van
de regionale opvangfunctie relatief meer woningzoekenden krijgt die nauwelijks
gehuisvest kunnen worden;</al>
        <al>– dat met een vestigingsregulering voor koopwoningen uitsluitend
tot de distributiegrens van f 156 000,– en een scheefheidsbestrijdingsbeleid
de restcapaciteiten in Woerden en in de regio West-Utrecht volstrekt onvoeldoende
zijn om woningzoekenden tot het jaar 2005 te kunnen huisvesten, welke conclusie
onlangs door het uitgevoerde woningmarktonderzoek in de regio is bevestigd; </al>
        <tuskop letat="cur">Overweging</tuskop>
        <al>Naar aanleiding van het vorenstaande overwegen Wij het volgende.</al>
        <al>De Huisvestingswet gaat in beginsel uit van de eigen verantwoordelijkheid
van de burgers voor hun woonsituatie. Voorop staat derhalve de zelfredzaamheid
van de woningzoekenden en het vertrouwen in de werking van de woonruimtemarkt.
Nochtans maakt de Huisvestingswet het mogelijk om in een gemeentelijke huisvestingsverordening
regelen te stellen inzake het in gebruik nemen van woonruimte voor bewoning.
Blijkens de wetsgeschiedenis, de wettekst alsmede de circulaire van de Staatssecretaris
van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer inzake inwerkingtreding
Huisvestingswet en Huisvestingsbesluit van 13 mei 1993 (MG 93-18) zijn evenwel
voor overheidsbemoeienis met de verdeling van woonruimte in de vorenbedoelde
zin vanuit verschillende invalshoeken grenzen in acht te nemen.</al>
        <al>In de eerste plaats geldt het uitgangspunt, dat ten grondslag ligt aan
de Huisvestingswet en het daarop gebaseerde Huisvestingsbesluit, dat het ingrijpen
van de overheid nooit zover mag gaan dat het in diverse internationale verdragen
erkende recht van de eigenaar om vrijelijk over zijn eigendom te beschikken
en het recht van de burger om zich vrij te vestigen wordt aangetast, zonder
dat de noodzaak daartoe is gebleken.</al>
        <al>In de tweede plaats geldt het in de considerans en diverse bepalingen
van de Huisvestingswet en het Huisvestingsbesluit neergelegde uitgangspunt
dat de bemoeienis van de overheid met de woonruimteverdeling nooit zover mag
gaan dat de werking van de woonruimtemarkt verder dan met het oog op de bevordering
van een evenwichtige en rechtvaardige verdeling van schaarse woonruimte nodig
is, wordt aangetast. Hiermee is tot uitdrukking gebracht dat overheidsbemoeienis
met de woningmarkt niet een vanzelfsprekende zaak is, doch beperkt dient te
blijven tot gevallen waarin een zodanig tekort bestaat of dreigt te ontstaan,
dat dit zonder overheidsingrijpen tot onaanvaardbare situaties zal leiden.
Overheidsbemoeienis veronderstelt dat er in elk geval sprake is van een zodanige
situatie op de markt van goedkopere woningen waardoor de evenwichtige en rechtvaardige
verdeling van woonruimte in het gedrang komt en derhalve regulering van de
schaarse goedkopere woningen geboden is. De Huisvestingswet heeft hierbij
in het bijzonder het oog op bepaalde groepen van woningzoekenden met een verhoudingsgewijs
zwakke financiële positie op de woningmarkt, i.c. de doelgroep van beleid,
wier huisvesting als gevolg van schaarste zonder overheidsbemoeienis, in gevaar
komt. Alleen schaarste of dreigende schaarste aan woonruimte in de vorengenoemde
zin kan een rechtvaardiging vormen voor door de overheid te nemen maatregelen
die een beperking opleggen aan de vrije marktwerking en aan het recht van
de burgers zich vrij te vestigen.</al>
        <al>In de derde plaats is de reikwijdte van de Huisvestingswet via maximale
huur- en koopprijsgrenzen afgebakend. Deze grenzen geven aan welk deel van
de voorraad aan woningen via het instrumentarium van de Huisvestingswet voor
een belangrijk deel voor de doelgroep van beleid kan worden afgeschermd. Deze
grenzen zijn afgestemd op de voor de doelgroep van beleid betaalbare woningvoorraad.</al>
        <al>In het tweede lid van artikel 6 van de Huisvestingswet is bepaald dat
huur- en koopwoningen in beginsel alleen onder het vergunningstelsel van de
wet gebracht kunnen worden, indien de huur- dan wel koopprijs daarvan onder
de wettelijk vastgestelde huurprijsgrens respectievelijk de koopprijsgrens
ligt. Deze grenzen zijn, na aanvaarding van een daartoe strekkend amendement
tijdens de mondelinge behandeling van het voorstel voor de Huisvestingswet
in de Tweede Kamer, in het derde lid van artikel 6 van de Huisvestingswet
voor wat betreft de koopprijsgrens gelijkgesteld aan de in de betrokken gemeente
geldende maximale koopsom van een woonruimte, voor het in eigendom verkrijgen
waarvan aan de eigenaar-bewoner krachtens wettelijk voorschrift, i.c. het
Besluit woninggebonden subsidies, een van diens inkomen afhankelijke rijksbijdrage
kan worden verstrekt. Op grond daarvan geldt momenteel een koopprijsgrens
van f 156 000,– voor de provincie Utrecht.</al>
        <al>De wetgever heeft via het systeem van de maximale prijsgrenzen duidelijk
tot uitdrukking gebracht dat de voorraad van duurdere (koop)woningen, waar
de huishoudens met hogere inkomens in beginsel op zijn aangewezen, in beginsel
buiten de regulering door de gemeentelijke overheid dient te worden gehouden
en wat de verdeling van deze koopwoningen betreft te vertrouwen op de werking
van de markt. Verdergaande inperking van de vrije marktwerking, het gebruik
van eigendom en de vrijheid van vestiging via hantering van hogere prijsgrenzen
past derhalve in beginsel niet in de opzet van de Huisvestingswet en het Huisvestingsbesluit.</al>
        <al>Krachtens het vierde lid van artikel 6 van de Huisvestingswet is, bij
wijze van uitzondering, aanwijzing als distributie-woonruimte van onder andere
koopwoningen met een koopprijs boven de in artikel 6, derde lid, van de Huisvestingswet
gestelde koopprijsgrens, onder goedkeuring van gedeputeerde staten, mogelijk,
echter uitsluitend voor de gemeenten die in de – in dat artikellid nauwomschreven –
uitzonderlijke situatie verkeren. Blijkens artikel 6, vierde lid, van de Huisvestingswet,
kunnen gedeputeerde staten aan de aanwijzing door gemeenten van duurdere koopwoningen
als distributiewoonruimte namelijk alleen goedkeuring verlenen, indien zodanige
aanwijzing «in het belang van een evenwichtige en rechtvaardige verdeling
van woonruimte noodzakelijk is in verband met uit bovengemeentelijk ruimtelijk
beleid voortvloeiende geringe mogelijkheden tot uitbreiding van de woonruimtevoorraad
in de betrokken gemeente of in een of meer kernen, behorend tot die gemeente».
Gezien de wetsgeschiedenis heeft de wetgever deze uitzondering op de algemene
regel van artikel 6, derde lid, van de Huisvestingswet, voor de bepaling van
het distributiebestand, uitsluitend gemaakt voor de gemeenten die op grond
van het bovengemeentelijk ruimtelijk beleid waaraan zij zijn onderworpen zodanig
stringent en knellend in de groei van de woonruimtevoorraad zijn beperkt dat
zij feitelijk op de bestaande woonruimtevoorraad zijn en blijven aangewezen.
Met ander woorden, er mag vanuit het streekplan – structureel –
slechts in zeer beperkte mate voor de eigen bevolking worden gebouwd. Toevoeging
van woonruimte aan de voorraad kan ook nog om andere dan de genoemde reden
slecht in beperkte mate mogelijk zijn, zoals bij voorbeeld vanwege financiële
beperkingen of vooralsnog ontbreken van bouwrijpe grond, die zich op een bepaald
moment zouden kunnen manifesteren. Blijkens artikel 6, vierde lid, van de
Huisvestingswet is dat echter niet relevant voor de beslissing om hogere (koop)prijsgrenzen
te (mogen) hanteren.</al>
        <al>Uit hetgeen in het bezwaarschrift naar voren is gebracht kan worden afgeleid
dat de door Woerden ondervonden beperkingen van de groei van de woonruimtevoorraad
niet zozeer voortvloeien uit het bovengemeentelijk ruimtelijk beleid, als
wel uit het gegeven dat het door de raad vastgestelde en taakstellend uit
te voeren actuele volkshuisvestingsplan 1991 in de komende jaren door diverse
oorzaken nog niet kan worden gerealiseerd. Zoals hiervoor reeds is aangegeven
heeft de wetgever in genoemd artikellid niet de mogelijkheid geopend om een
hogere koopprijsgrens te hanteren in die gevallen dat de geringe uitbreidingsmogelijkheden
voortvloeien uit andere oorzaken dan bovengemeentelijk ruimtelijk beleid.</al>
        <al>Aangezien in artikel 6, vierde lid, van de Huisvestingswet voorts alleen
over gemeenten en kernen van gemeenten wordt gesproken kan het ook nimmer
gaan om een regio waarbinnen hogere (koop)prijsgrenzen zouden moeten worden
gehanteerd, tenzij de regio uitsluitend zou bestaan uit gemeenten waarop het
artikellid van toepassing is. Gedeputeerde staten zullen bij verzoeken van
regio's tot verhoging van de prijsgrenzen steeds moeten beoordelen op de vraag
of er in de bij een zodanig verzoek betrokken gemeenten, elk afzonderlijk,
sprake is van geringe uitbreidingsmogelijkheden van de woningvoorraad als
bedoeld in het onderhavige artikellid zoals dat hiervoor nader is uiteengezet.
Zijn die er niet, maar is de verhoging van de koopprijsgrens toch zeer gewenst,
zoals in Woerden omdat deze gemeente deelneemt aan het volkshuisvestingsbeleid
in de regio waarin 8 gemeenten een distributiegrens van f 250 000,–
hanteren, dan kan dat, voor de gemeenten waarin geen sprake is van geringe
uitbreiding van de woningvoorraad, alleen tot aan de wettelijke koopprijsgrens
als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de Huisvestingswet.</al>
        <al>Zoals ook uit de wetsgeschiedenis blijkt heeft de wetgever met genoemd
artikellid uitdrukkelijk niet beoogd de gemeenten een algemeen reguleringsmechanisme
te geven ter regulering van de instroom van woningzoekenden en ter bevordering
van de doorstroming.</al>
        <al>Wij constateren dat niet is aangetoond dat er ten gevolge van bovengemeentelijk
ruimtelijk beleid zodanige beperkende voorwaarden zijn verbonden aan de mogelijkheden
voor Woerden om uitbreidingslocaties voor woningbouw te realiseren dat gesproken
kan worden van geringe uitbreidingsmogelijkheden van de woonruimtevoorraad
als bedoeld in arikel 6, vierde lid, van de Huisvestingswet.</al>
        <al>De door burgemeester en wethouders van Woerden overigens aangevoerde argumenten
waarmee het belang van een hogere koopprijsgrens, i.c. van f 250 000,–,
in de gemeente Woerden wordt onderstreept, missen, zoals hiervoor is aangegeven,
ook een basis in de Huisvestingswet. Slechts is betoogd dat er in Woerden
voldaan wordt aan de (ook voor het mogen invoeren van een «normaal»
vergunningstelsel gestelde) voorwaarde dat er sprake moet zijn van schaarste
en dat een gemeentelijke bemoeienis met het oog op de bevordering van een
evenwichtige en rechtvaardige verdeling van die schaarse woonruimte nodig
is. Op basis van deze argumenten kan geen goedkeuring worden verleend voor
het hanteren van een hogere koopprijsgrens dan uit artikel 6, derde lid, van
de Huisvestingswet volgt. </al>
        <tuskop letat="vet">Hoorplicht</tuskop>
        <al>Gelet op artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb),
dient het bestuursorgaan de belanghebbende te horen voordat op het bezwaarschrift
wordt beslist. Zowel de indiener van het bezwaarschrift als eventuele andere
belanghebbenden dienen in de gelegenheid te worden gesteld hun standpunt (nader)
toe te lichten. Het College van burgemeester en wethouders van Woerden is
in deze belanghebbende.</al>
        <al>Ter voldoening aan het bepaalde in eerdergenoemd artikel 7:2 van de Awb
is belanghebbende gehoord op maandag 7 november 1994, conform artikel 7:5,
eerste lid, onder b, van de Awb. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt,
waarbij belanghebbende in de gelegenheid is gesteld zonodig wijzigingen aan
te geven alvorens het verslag definitief werd vastgesteld. Belanghebbende
heeft het definitieve verslag toegezonden gekregen.</al>
        <al>Het horen van belanghebbende heeft geen nieuwe feiten, argumenten en andere
gezichtspunten opgeleverd, dan die welke in het bezwaarschrift reeds naar
voren zijn gebracht. </al>
        <tuskop letat="vet">Conclusie</tuskop>
        <al>Op grond van het vorenstaande zijn Wij van oordeel dat de gemeente Woerden
niet voldoet aan het bepaalde in artikel 6, vierde lid, van de Huisvestingswet.
Wij blijven derhalve van oordeel dat gedeputeerde staten van Utrecht geen
goedkeuring konden hechten aan het met toepassing van dit artikellid in de
Huisvestingsverordening 1994 van deze gemeente vaststellen van een hogere
koopprijsgrens dan voortvloeit uit artikel 6, tweede en derde lid, van de
Huisvestingswet. </al>
        <tuskop letat="vet">Beslissing</tuskop>
        <al>Gelet op <grslag>artikel 274a van de Provinciewet en de Algemene wet bestuursrecht,</grslag></al>
      </consider>
      <afkondig>hebben Wij goedgevonden en verstaan:</afkondig>
    </aanhef>
  </frontm>
  <body>
    <besluit>
      <al>de bezwaren ongegrond te verklaren.</al>
    </besluit>
  </body>
  <backm>
    <nawerk>
      <slotform>Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad zal worden
geplaatst.</slotform>
      <eindnoot id="e1">
        <al>Stb. 1994, 667.</al>
      </eindnoot>
      <ondertek>
        <ondplts>'s-Gravenhage, </ondplts>
        <onddatum>9 december 1994</onddatum>
        <koning>Beatrix </koning>
        <minister>
          <minvan>De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer,</minvan>
          <naam>D. K. J. Tommel </naam>
        </minister>
        <minister>
          <minvan>De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken,</minvan>
          <naam>A. G. M. van de Vondervoort</naam>
        </minister>
      </ondertek>
      <uitgifte>
        <uitgifte-regel>Uitgegeven de <nadruk type="cur">zesentwintigste</nadruk> januari 1995</uitgifte-regel>
        <uitdag>zesentwintigste</uitdag>
        <uitmaand>januari</uitmaand>
        <uitjaar>1995</uitjaar>
        <door>
          <minvan>De Minister van Justitie,</minvan>
          <naam>W. Sorgdrager</naam>
        </door>
      </uitgifte>
    </nawerk>
  </backm>
</staatsbl>