﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<!DOCTYPE staatsbl PUBLIC "-//SDU//DTD staatsblad xml 1.1//NL" "../../dtd/staatsbl-11.dtd"[]>
<staatsbl id="sb995.16" soort="kb" publtype="kobe">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-1995-16/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel status="off">Staatsblad</titel>
    <subtitel>van het Koninkrijk der Nederlanden</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.4" conv="prod" markup="c1xa"></versie>
    <ordernr>51W416955</ordernr>
    <stb>
      <jaargang jaar="1995">Jaargang 1995</jaargang>
      <stbjaar>1995</stbjaar>
      <stbnr>16 </stbnr>
    </stb>
    <intitule>
      <soort>Besluit</soort> van 9 december 1994, houdende beslissing
op de bezwaarschriften tegen het koninklijk besluit van 18 augustus 1994 (koopprijsgrens
Huisvestingsverordening 1994, gemeente Barneveld)</intitule>
    <aanhef>
      <wie>Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.</wie>
      <consider>
        <al>Beschikken bij dit besluit ter zake van de bezwaarschriften van gedeputeerde
staten van Gelderland van 20 september 1994, nr. RG94.25876, en van burgemeester
en wethouders van Barneveld van 29 september 1994, Afd.: SHZ, nr. 11.360,
tegen het koninklijk besluit van 18 augustus 1994, nr. 94.006474<eindref refid="e1"></eindref>,
waarbij het besluit van gedeputeerde staten van Gelderland, van 28 juli 1994,
nr. RG94.25876, voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan het hanteren
van een zogenoemde koopprijsgrens van f 250 000,– in de Huisvestingsverordening
1994 van de gemeente Barneveld, is vernietigd.</al>
        <al>Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer en de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken, mevrouw
A. G. M. van de Vondervoort, van 7 december 1994, nr. DBD 05d94012, Directoraat-Generaal
van de Volkshuisvesting, Bestuursdienst. </al>
        <tuskop letat="vet">Ontstaan van de bezwaren</tuskop>
        <al>Bij besluit van 28 juli 1994, nr. RG94.25876, hebben gedeputeerde staten
van Gelderland onder andere goedkeuring verleend aan het hanteren van een
zogenoemde koopprijsgrens van f 250 000,– in de Huisvestingsverordening
1994 van de gemeente Barneveld.</al>
        <al>Op grond van artikel 6, vierde lid, van de Huisvestingswet kunnen, onder
goedkeuring van gedeputeerde staten, in een huisvestingsverordening woonruimten
met een hogere dan de in het derde lid vastgestelde koopprijs worden aangewezen
en daarmee onder het vergunningstelsel worden gebracht, «voor zover
zodanige aanwijzing in het belang van een evenwichtige en rechtvaardige verdeling
van woonruimte noodzakelijk is in verband met uit bovengemeentelijk ruimtelijk
beleid voortvloeiende geringe mogelijkheden tot uitbreiding van de woonruimtevoorraad
in de betrokken gemeente of in een of meer kernen, behorende tot die gemeente».</al>
        <al>Bij het koninklijk besluit van 18 augustus 1994, nr. 94.006474, is het
besluit van gedeputeerde staten van Gelderland, van 28 juli 1994, nr. RG94.25876,
voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het hanteren van een zogenoemde
koopprijsgrens van f 250 000,– in de Huisvestingsverordening
1994 van de gemeente Barneveld, wegens strijd met het recht vernietigd. In
dat koninklijk besluit is – kort samengevat – het volgende overwogen.</al>
        <al>Aangezien de gemeente Barneveld in het vigerend streekplan, vastgesteld
in januari 1987, als centrumgemeente is aangewezen, hetgeen betekent dat aan
deze gemeente, ter ondersteuning van de werkgelegenheids- en verzorgingsfunctie,
ruimte wordt geboden voor woningbouw op basis van een evenwicht tussen vestiging
en vertrek en voorts uit het uitvoeringsprogramma 1993–2004 van gedeputeerde
staten van Gelderland bovendien blijkt dat Barneveld een uitbreidingspercentage
voor de woningvoorraad heeft dat hoger ligt dan het gemiddelde van de provincie,
is in casu sprake van meer dan geringe mogelijkheden tot uitbreiding van de
woningvoorraad, als bedoeld in artikel 6, vierde lid, van de Huisvestingswet.
Om die reden is aan het desbetreffend criterium in de Huisvestingswet niet
voldaan, zodat gedeputeerde staten van Gelderland dan ook in strijd daarmee
goedkeuring hebben verleend aan het hanteren van een koopprijsgrens van f 250 000,–
in de Huisvestingsverordening 1994 van de gemeente Barneveld.</al>
        <al>Tegen genoemd koninklijk besluit hebben gedeputeerde staten van Gelderland
bij schrijven van 20 september, nr. RG94.25876, en burgemeester en wethouders
van Barneveld bij schrijven van 29 september 1994, Afd.: SHZ, nr. 11.360 een
bezwaarschrift ingediend op grond van artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht. </al>
        <tuskop letat="vet">Ontvankelijkheid</tuskop>
        <al>Artikel 274a van de Provinciewet juncto artikel 7:1 van de Algemene wet
bestuursrecht geeft een belanghebbende de mogelijkheid tegen een koninklijk
besluit tot vernietiging een bezwaarschrift in te dienen. Gedeputeerde staten
van Gelderland en burgemeester en wethouders van Barneveld zijn in deze belanghebbende.
Zij hebben tijdig bezwaar gemaakt tegen het genoemde vernietigings-kb. Gedeputeerde
staten van Gelderland en burgemeester en wethouders van Barneveld zijn derhalve
ontvankelijk in hun bezwaren. </al>
        <tuskop letat="vet">Boordeling van de bezwaren van gedeputeerde staten van
Gelderland</tuskop>
        <al>Gedeputeerde staten van Gelderland hebben hun bezwaar doen steunen op
de volgende motiveringen: </al>
        <tuskop letat="cur">Motivering 1 van Gelderland</tuskop>
        <al>Ten onrechte wordt in het besluit overwogen dat de bestreden goedkeuringen
in strijd zijn met het recht.</al>
        <al>Dit bezwaar wordt ondersteund door de volgende argumenten:</al>
        <al>– dat de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening
en Milieubeheer ten onrechte is voorbijgegaan aan de aan gedeputeerde staten
opgedragen wettelijke taken die zij in het kader van de Wet op de Ruimtelijke
Ordening dienen uit te voeren, in het bijzonder waar het hier gaat om restrictief
beleid;</al>
        <al>– dat de Veluwe al jaren onder grote verstedelijkingsdruk staat
en het Rijk en de provincie om die reden ten aanzien van de Veluwe een zeer
terughoudend ruimtelijk beleid voeren;</al>
        <al>– dat daarom voor de Veluwe, zoals is vastgelegd in het streekplan
Veluwe 1987, als beleidsuitgangspunt een binnenlands migratiesaldo nul geldt,
hetgeen betekent dat slechts ruimte wordt geboden voor woningzoekenden die
met de Veluwe een binding hebben;</al>
        <al>– dat het «gat» dat er bestaat tussen de gewenste behoefte
aan woningen op de Veluwe en de feitelijk in het provinciaal beleid toegestane
groei niet strookt met de in het vernietigingsbesluit van de Kroon gehanteerde
uitleg van het begrip «geringe» groei in artikel 6, vierde lid,
van de Huisvestingswet;</al>
        <al>– dat, gelet op de groei van de woonruimtevoorraad die zou optreden
als er geen ruimtelijke beperkingen zouden zijn, de mogelijkheden tot uitbreiding
gering zijn, in welk geval het verminderen van de verstedelijkingsdruk van
alle betrokken Veluwe-gemeenten om flinke inspanningen vraagt;</al>
        <al>– dat de Veluwe-gemeenten, waaronder ook Harderwijk, Apeldoorn,
Barneveld en Nijkerk, daarom alle beschikbare instrumenten moeten inzetten
om op lokaal en regionaal niveau een adequate afstemming tussen het ruimtelijk
beleid en het huisvestingsbeleid te realiseren;</al>
        <al>– dat het provinciaal huisvestingsbeleid gericht is op voorkoming
van enerzijds verdringing van de aandachtsgroepen van beleid en anderzijds
van grote spanning tussen de woningbouwcapaciteit in de regio en het restrictief
beleid welke negatieve effecten alleen via hantering van een hogere koopprijsgrens
kunnen worden voorkomen;</al>
        <al>– dat het vanwege het restrictief beleid niet mogelijk is om de
woonruimte die door ongebonden vestigers wordt betrokken en die anders beschikbaar
zouden zijn voor het vrijmaken van schaarse, goedkopere woonruimte ten behoeve
van de doelgroepen van beleid, via de nieuwbouw die slechts een beperkt onderdeel
van de woonruimtevoorraad uitmaakt, te compenseren;</al>
        <al>– dat gedeputeerde staten van mening zijn dat een hogere koopprijsgrens
ook voor Harderwijk, het stedelijk gebied van Apeldoorn, Barneveld en Nijkerk
gerechtvaardigd is in het licht van de doelstellingen van het streekplan èn
in het belang van de regionale afstemming van maatregelen ten behoeve van
een evenwichtige en rechtvaardige verdeling van de regionale woningvoorraad;</al>
        <al>– dat bij de besluitvorming de belangen van de overige Veluwe-gemeenten
meewegen aangezien deze gemeenten voor het oplossen van schaarsteproblemen
direct zijn aangewezen op een correcte uitvoering van de taak door de opvanggemeenten. </al>
        <tuskop letat="cur">Overweging 1 t.a.v. Gelderland</tuskop>
        <al>Naar aanleiding van het vorenstaande overwegen Wij het volgende.</al>
        <al>De Huisvestingswet gaat in beginsel uit van de eigen verantwoordelijkheid
van de burgers voor hun woonsituatie. Voorop staat derhalve de zelfredzaamheid
van de woningzoekenden en het vertrouwen in de werking van de woonruimtemarkt.
Nochtans maakt de Huisvestingswet het mogelijk om in een gemeentelijke huisvestingsverordening
regelen te stellen inzake het in gebruik nemen van woonruimte voor bewoning.
Blijkens de wetsgeschiedenis, de wettekst, alsmede de circulaire van de Staatssecretaris
van VROM inzake inwerkingtreding Huisvestingswet en Huisvestingsbesluit van
13 mei 1993 (MG 93–18) zijn evenwel voor overheidsbemoeienis met de
verdeling van woonruimte in de vorenbedoelde zin vanuit verschillende invalshoeken
grenzen in acht te nemen.</al>
        <al>In de eerste plaats geldt het uitgangspunt, dat ten grondslag ligt aan
de Huisvestingswet en het daarop gebaseerde Huisvestingsbesluit, dat het ingrijpen
van de overheid nooit zover mag gaan dat het in diverse internationale verdragen
erkende recht van de eigenaar om vrijelijk over zijn eigendom te beschikken
en het recht van de burger om zich vrij te vestigen wordt aangetast, zonder
dat de noodzaak daartoe is gebleken.</al>
        <al>In de tweede plaats geldt het in de considerans en diverse bepalingen
van de Huisvestingswet en het Huisvestingsbesluit neergelegde uitgangspunt
dat de bemoeienis van de overheid met de woonruimteverdeling nooit zover mag
gaan dat de werking van de woonruimtemarkt verder dan met het oog op de bevordering
van een evenwichtige en rechtvaardige verdeling van schaarse woonruimte nodig
is, wordt aangetast. Hiermee is tot uitdrukking gebracht dat overheidsbemoeienis
met de woningmarkt niet een vanzelfsprekende zaak is, doch beperkt dient te
blijven tot gevallen waarin een zodanig tekort bestaat of dreigt te ontstaan,
dat dit zonder overheidsingrijpen tot onaanvaardbare situaties zal leiden.
Overheidsbemoeienis veronderstelt dat er in elk geval sprake is van een zodanige
situatie op de markt van goedkopere woningen dat daardoor de evenwichtige
en rechtvaardige verdeling van woonruimte in het gedrang komt en derhalve
regulering van de schaarse goedkopere woningen geboden is. De Huisvestingswet
heeft hierbij in het bijzonder het oog op bepaalde groepen van woningzoekenden
met een verhoudingsgewijs zwakke financiële positie op de woningmarkt,
i.c. de doelgroep van beleid, wier huisvesting als gevolg van schaarste zonder
overheidsbemoeienis in gevaar komt. Alleen schaarste of dreigende schaarste
aan woonruimte in de vorengenoemde zin kan een rechtvaardiging vormen voor
door de overheid te nemen maatregelen die een beperking opleggen aan de vrije
marktwerking en aan de recht van de burgers zich vrij te vestigen.</al>
        <al>In de derde plaats is de reikwijdte van de Huisvestingswet via maximale
huur- en koopprijsgrenzen afgebakend. Deze grenzen geven aan welk deel van
de voorraad aan woningen zo nodig via het instrumentarium van de Huisvestingswet
voor een belangrijk deel voor de doelgroep van beleid kan worden afgeschermd.
Deze grenzen zijn afgestemd op de voor de doelgroep van beleid betaalbare
woningvoorraad.</al>
        <al>De wetgever heeft via het systeem van de maximale prijsgrenzen duidelijk
tot uitdrukking gebracht dat de voorraad van duurdere (koop)woningen, waar
de huishoudens met hogere inkomens in beginsel op zijn aangewezen, in beginsel
buiten de regulering door de gemeentelijke overheid dient te worden gehouden
en voor wat de verdeling van deze koopwoningen betreft te vertrouwen op de
werking van de markt. Verdergaande inperking van de vrije marktwerking, het
gebruik van eigendom en de vrijheid van vestiging via hantering van hogere
prijsgrenzen past derhalve in beginsel niet in de opzet van de Huisvestingswet
en het Huisvestingsbesluit.</al>
        <al>In het tweede lid van artikel 6 van de Huisvestingswet is bepaald dat
huur- en koopwoningen in beginsel alleen onder het vergunningstelsel van de
wet gebracht kunnen worden, indien de – kale – huurprijs dan wel
koopprijs daarvan onder de wettelijk vastgestelde huurprijsgrens respectievelijk
de koopprijsgrens ligt. Deze grenzen zijn, na aanvaarding van een daartoe
strekkend amendement tijdens de mondelinge behandeling van het voorstel voor
de Huisvestingswet in de Tweede Kamer, in het derde lid van artikel 6 van
de Huisvestingswet voor wat betreft de koopprijsgrens gelijkgesteld aan de
in de betrokken gemeente geldende maximale koopsom van een woonruimte, voor
het in eigendom verkrijgen waarvan aan de eigenaar-bewoner een van diens inkomen
afhankelijke rijksbijdrage kan worden verstrekt op grond van het Besluit woninggebonden
subsidies. Op grond daarvan geldt momenteel een koopprijsgrens van f 146 000,–
voor de provincie Gelderland.</al>
        <al>Nochtans is krachtens het vierde lid van artikel 6 van de Huisvestingswet
aanwijzing als distributie-woonruimte van onder andere koopwoningen met een
koopprijs boven de in artikel 6, derde lid, van de Huisvestingswet gestelde
koopprijsgrens, onder goedkeuring van gedeputeerde staten, in het aldaar nauwomschreven
uitzonderlijk geval, mogelijk. Blijkens genoemd artikellid kunnen gedeputeerde
staten aan de aanwijzing door gemeenten van duurdere koopwoningen als distributiewoonruimte
namelijk alleen goedkeuring verlenen, indien zodanige aanwijzing «in
het belang van een evenwichtige en rechtvaardige verdeling van woonruimte
noodzakelijk is in verband met uit bovengemeentelijk ruimtelijk beleid voortvloeiende
geringe mogelijkheden tot uitbreiding van de woonruimtevoorraad in de betrokken
gemeente of in een of meer kernen, behorend tot die gemeente». Blijkens
de wetsgeschiedenis is met «geringe» uitbreidingsmogelijkheden
bedoeld een situatie waarin aan de gemeente strikte groeibeperkingen zijn
opgelegd c.q. een situatie gelijk aan de situatie waarin de gemeente haar
bestaande woningvoorraad nauwelijks mag uitbreiden. De desbetreffende gemeente
moet, wil haar aanwijzing van ook duurdere woonruimte door gedeputeerde staten
goedgekeurd kunnen worden, in absolute zin, dus losstaand van de druk op de
plaatselijke woningmarkt, in relatie tot de bestaande woningvoorraad, bijna
geen nieuwbouw mogen plegen.</al>
        <al>Gezien de wetsgeschiedenis heeft de wetgever deze uitzondering op de algemene
regel van artikel 6, derde lid, van de Huisvestingswet, voor de bepaling van
het distributiebestand derhalve uitsluitend gemaakt voor de gemeenten die
op grond van het bovengemeentelijk ruimtelijk beleid waaraan zij zijn onderworpen
zodanig stringent en knellend in de groei van de woonruimtevoorraad zijn beperkt
dat zij feitelijk op de bestaande woonruimtevoorraad zijn en blijven aangewezen.
Zoals ook uit de wetsgeschiedenis blijkt heeft de wetgever hiermee beoogd
de onder die omstandigheden verkerende gemeente een instrument ter beschikking
te stellen ter bescherming van de aan die gemeenten economisch en sociaal
gebondenen, tegen verdringing op de bestaande woningvoorraad door andere vestigers
van elders. De wetgever vindt het kennelijk te ver gaan indien, daar waar
schaarste is, èn er vrijwel niet meer bij gebouwd mag worden, de concurrentie
tussen aan de gemeente gebonden en ongebonden woningzoekenden c.q. aspirant-kopers
in feite geheel op de markt van de bestaande woningen zou moeten plaatsvinden.
Die bescherming van niet tot de doelgroep behorende gebondenen ten koste van
het vrije vestigingsrecht van ongebondenen en ten koste van het sterke eigendomsrecht,
is er evenwel alleen wanneer er aan de gemeente strikte groeibeperkingen zijn
opgelegd. Met uitsluiting van de andere gemeenten dienen de onder deze omstandigheden
verkerende gemeenten de mogelijkheid te hebben om de toch al schaars vrijkomende
woningen in de bestaande voorraad bij voorrang aan de plaatsgebonden woningzoekenden
toe te wijzen.</al>
        <al>In dit verband wordt er verder met nadruk op gewezen dat in genoemd artikellid
alleen over gemeenten en kernen van gemeenten wordt gesproken, zodat het derhalve
nimmer kan gaan om een regio waarbinnen, in het belang van de regionale afstemming
van maatregelen, uniform hogere (koop)prijsgrenzen zouden moeten worden gehanteerd,
tenzij de regio uitsluitend zou bestaan uit gemeenten waarop het artikellid
van toepassing is. Gedeputeerde staten zullen bij verzoeken van regio's tot
verhoging van (koop)prijsgrenzen steeds moeten beoordelen op de vraag of er
in de bij een zodanig verzoek betrokken gemeenten, elk afzonderlijk, sprake
is van geringe uitbreidingsmogelijkheden van de woningvoorraad als bedoeld
in artikel 6, vierde lid, van de Huisvestingswet, zoals dat hiervoor nader
is uiteengezet.</al>
        <al>Vanuit de ruimtelijke ordening wordt aangegeven in welke gebieden een
uitbreiding van de woningvoorraad mogelijk is en voor welke gebieden op dat
punt restricties gelden. Voor wat betreft de volkshuisvesting wordt in streekplannen
aangegeven of een gemeente wel of geen geringe mogelijkheden heeft tot uitbreiding
van de woningvoorraad. Voor het antwoord op de vraag of er in een gemeente
sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 6, vierde lid, van de Huisvestingswet
geldt het streekplan als belangrijkste toetsingskader.</al>
        <al>Het bovengemeentelijk ruimtelijk beleid ten aanzien van de Veluwe, vastgelegd
in het streekplan Veluwe 1987, zoals door gedeputeerde staten in hun bezwaarschrift
en de toelichting daarop is weergegeven, kan als volgt worden samengevat.</al>
        <al>Voor de Veluwe als geheel gelden ten gevolge van bovengemeentelijk ruimtelijk
beleid, beperkende voorwaarden om uitbreiding van de woningvoorraad te realiseren,
onder andere tot uitdrukking komend in een taakstellend binnenlands migratiesaldo
van nul. Binnen de Veluwe worden drie categorieën gemeenten onderscheiden,
te weten concentratiegemeenten, overige gemeenten en centrumgemeenten.</al>
        <al>De zogenoemde concentratiegemeenten, waaronder Apeldoorn en Harderwijk,
hebben extra woningbouwmogelijkheden ten opzichte van hun eigen behoefte met
dien verstande dat hun aanvullende woningbouw slechts er op gericht mag zijn
de vestigingsdruk van aan de Veluwe gebonden woningzoekenden te kanaliseren.
De groeibeperking van deze gemeenten houdt in dat zij, tezamen met de overige
gemeenten, slechts zoveel woningen mogen bouwen als nodig is voor de Veluwe
als geheel. Daarbij heeft onder andere Apeldoorn die voor de Veluwe als geheel
bouwt, een ruimere opvangtaak dan Harderwijk die alleen een taak heeft voor
de Noord-West Veluwe. Maar in beide gevallen gaat het nadrukkelijk om een
interne regionale opvangtaak. Het toegestane vestigingsoverschot in deze gemeenten
is niet meer dan een compensatie van de vertrekoverschotten van de andere
gemeenten.</al>
        <al>De zogenoemde overige gemeenten mogen een aantal woningen bouwen berekend
op basis van de eigen, vanuit die gemeenten voortkomende, behoefte, in combinatie
met een licht vertrekoverschot. In dit samenstel nemen de zogenoemde centrumgemeenten,
waaronder Barneveld en Nijkerk, een enigszins afwijkende positie in. De groeibeperking
van deze gemeenten, en dus ook van de gemeenten Barneveld en Nijkerk, houdt
in dat zij hun vertrek wèl mogen compenseren met vestiging, gelet op
hun verzorgingsstructuur en werkgelegenheidspositie in de regio. Als zodanig
vervullen deze gemeenten geen regionale opvangfunctie.</al>
        <al>Gedeputeerde staten hebben in de toelichting op hun bezwaarschrift verder
betoogd dat de toegestane woningbouw op de Veluwe in het algemeen en ook voor
West-Veluwe waarvan Barneveld en Nijkerk deel uitmaken, reeds onvoldoende
is gezien de (eigen) behoefte aan uitbreiding van de woningvoorraad wegens
het grote aantal aan haar gebonden woningzoekenden, de aanstaande gezinsverdunning,
etc..</al>
        <al>Wij constateren op grond van het voorgaande dat er ten gevolge van bovengemeentelijk
ruimtelijk beleid weliswaar beperkende voorwaarden zijn verbonden aan de mogelijkheid
voor de gemeenten Harderwijk, Apeldoorn, Barneveld en Nijkerk om hun woningvoorraad
uit te breiden, doch achten deze voorwaarden niet zodanig stringent dat gesproken
kan worden van geringe uitbreidingsmogelijkheden voor de woonruimtevoorraad
in die zin dat deze gemeenten feitelijk alleen op de bestaande woningvoorraad
zouden zijn en blijven aangewezen. Wat er nog gebouwd mag worden blijkens
het vigerend streekplan is een meer dan geringe uitbreiding van wat er al
is. Daarbij is niet van belang dat een deel van die uitbreiding vanuit het
ruimtelijk beleid is bestemd voor de uitvoering door de betreffende gemeente
van haar opvangtaak ten opzichte van de regiogemeenten. Daarbij is evenmin
van belang hoe groot de plaatselijke, regionale of landelijke vraag naar woningen
in de betreffende gemeente is. Van een situatie als bedoeld in artikel 6,
vierde lid, van de Huisvestingswet is derhalve geen sprake. Wij constateren
verder dat het vernietigingsbesluit niet is genomen ten aanzien van een kwestie
die tot aan de provincie gedecentraliseerde beleidsvrijheid behoort, maar
ten aanzien van een verkeerde wetstoepassing door gedeputeerde staten. </al>
        <tuskop letat="cur">Motivering 2 van Gelderland</tuskop>
        <al>Bij het nemen van het besluit is ten onrechte onvoldoende rekening gehouden
met de overdracht van bevoegdheden aan de provincies, in het bijzonder waar
het betreft de integrale afstemming van het bovengemeentelijk ruimtelijk beleid
en het huisvestingsbeleid in de regio.</al>
        <al>Dit bezwaar wordt ondersteund door de volgende argumenten:</al>
        <al>– dat zowel in de Huisvestingswet als in het Huisvestingsbesluit
uitdrukkelijk een toetsende taak aan de provincies is opgedragen, waar het
gaat om afstemming van het bovengemeentelijk ruimtelijk beleid en het huisvestingsbeleid
van de regiogemeenten;</al>
        <al>– dat bij het nemen van het vernietigingsbesluit onvoldoende rekenschap
is gegeven van de eindverantwoordelijkheid die de provincie draagt bij het
nemen van vestigingsbeperkende maatregelen;</al>
        <al>– dat door het kiezen van de enge uitleg en niet de ruime uitleg
te ondersteunen, de beleidsvrijheid die provincie en gemeenten in de Huisvestingswet
en het Huisvestingsbesluit, zoals ook vastgelegd in de Nota Volkshuisvesting
in de jaren negentig, hebben gekregen, wordt ondergraven en dit evenzeer geldt
voor de provinciale taken en het beleid met betrekking tot de ruimtelijke
ordening vanuit de Wet en het Besluit op de ruimtelijke Ordening en het aansluitende
beleidsstuk de Vierde Nota over de Ruimtelijke Ordening Extra (VINEX). </al>
        <tuskop letat="cur">Overweging 2 t.a.v. Gelderland</tuskop>
        <al>Naar aanleiding van het vorenstaande overwegen Wij het volgende.</al>
        <al>Artikel 61 van de Huisvestingswet regelt de bevoegdheid van provinciale
staten om richtlijnen vast te stellen met betrekking tot de wijze waarop de
gemeentebesturen gebruik maken van hun bevoegdheden op het terrein van onder
andere de woonruimteverdeling. In dat artikel is benadrukt dat de uitoefening
van deze bevoegdheid aan twee motieven is gebonden: de verwezenlijking van
het bovengemeentelijke ruimtelijke beleid en een gebrek aan samenhang tussen
het door de verschillende gemeenten gevoerde huisvestingsbeleid. In beide
gevallen gaat het vooral om de afstemming van de bij de woonruimteverdeling
gehanteerde criteria voor zover die gevolgen hebben voor de toelating van
woningzoekenden tot de regionale en de plaatselijke woonruimtemarkt. In het
verlengde van de rol die de provinciale besturen krachtens genoemd artikel
hebben is aan deze besturen in artikel 6, vierde lid, van de Huisvestingswet
tevens een rol toegedacht ten aanzien van verzoeken van gemeenten om hogere
prijsgrenzen te hanteren. Het betreft evenwel uitsluitend een toetsende rol
binnen de door de Huisvestingswet aangegeven kaders. Ten onrechte menen gedeputeerde
staten van Gelderland, zoals uit hun bezwaarschrift blijkt, dan ook dat zij
hierbij een zekere beleidsvrijheid hebben om aan het bepaalde in het vierde
lid van artikel 6 van de Huisvestingswet een ruimere uitleg dan door de wetgever
bedoeld te geven. Gedeputeerde staten konden op basis van de hiervoren aangehaalde
argumenten geen goedkeuring verlenen voor het hanteren van een hogere grens
dan uit artikel 6, derde lid, van de Huisvestingswet volgt. Wij merken hierbij
nog op dat de wetgever met de aan de provinciale overheid verleende instrumenten
in de Huisvestingswet niet heeft beoogd de provincie instrumenten te bieden
ter algemene ondersteuning en realisering van de provinciale taken en het
beleid met betrekking tot de ruimtelijke ordening. De Huisvestingswet bevat
instrumenten die uitsluitend in een situatie van schaarste met het oog op
passende huisvesting voor de doelgroep en dus in beginsel tot aan de wettelijke
prijsgrenzen als bedoeld in het derde lid van artikel 6 van de Huisvestingswet,
kunnen worden ingezet, ongeacht de oorzaak daarvan, waartoe ook eventuele
planologische maatregelen die bepaalde gemeenten in hun groei beperken, gerekend
kunnen worden. </al>
        <tuskop letat="cur">Motivering 3 van Gelderland</tuskop>
        <al>Bij de voorbereiding van het besluit tot vernietiging van het bestreden
onderdeel van het goedkeuringsbesluit is ten onrechte het standpunt van gedeputeerde
staten weerlegd met argumenten die alleen betrekking hadden op een enge uitleg
van de Huisvestingswet en niet mede op argumenten die betrekking hebben op
een beoordeling vanuit andere onderdelen van het huisvestingsbeleid en vanuit
het beleidsveld ruimtelijke ordening (Wet op de Ruimtelijke Ordening), ondanks
het feit dat het Rijk de provincie(s) in het afgelopen half jaar op beide
taken heeft aangesproken.</al>
        <al>Dit bezwaar wordt ondersteund door de volgende argumenten:</al>
        <al>– dat ter ondersteuning van bovengenoemd bezwaar wordt verwezen
naar de brief van 2 juni 1994, kenmerk M 243, van de minister van VROM inzake
Restrictief beleid en de brief van 17 juni 1994, kenmerk DBD 16694006, van
de Staatssecretaris van VROM inzake Toepassing Huisvestingswet/Huisvestingsbesluit;</al>
        <al>– dat daar waar gedeputeerde staten op hun veronderstelde verantwoordelijkheden
op het terrein van de ruimtelijke ordening wordt gewezen die een zekere spanning
bij de uitvoering met zich dragen, het evident is dat een standpuntbepaling
van de Rijksplanologische Dienst hoe in deze te handelen bij de uitvoering
van de taken op het gebied van Huisvestingswet zonder geloofwaardigheid bij
de gemeenten te verliezen, niet gemist kan worden;</al>
        <al>– dat dan de enkele stelling dat de Huisvestingswet niet de problemen
van de ruimtelijke ordening kan oplossen onvoldoende is, juist omdat de Huisvestingswet
afstemming van bovengemeentelijk ruimtelijk beleid en huisvestingsbeleid vereist
in welk geval deze wet wel degelijk ook een bijdrage kan leveren aan het oplossen
van ruimtelijke problemen;</al>
        <al>– dat ook de oude Woonruimtewet 1947 gemeenten instrumenten bood
om ongewenste vestiging tegen te gaan teneinde te voldoen aan de doelstellingen
van het ruimtelijk ordeningsbeleid;</al>
        <al>– dat, hoewel de Huisvestingswet van een nieuwe situatie uitgaat,
het nochtans feit is dat voorheen de Woonruimtewet 1947 in de gemeenten Harderwijk,
Apeldoorn, Barneveld en Nijkerk van kracht was en Harderwijk bovendien op
Bijlage B en C, respectievelijk Apeldoorn op bijlage A, Barneveld op bijlage
B en Nijkerk op bijlage B was geplaatst, behorende bij de op deze wet gebaseerde
Woonruimtebeschikking 1984, waaruit blijkt dat deze gemeenten wel degelijk
behoefte hadden en hebben aan vestigingsbeperkende maatregelen, waarvoor de
Huisvestingswet een opening biedt. </al>
        <tuskop letat="cur">Overweging 3 t.a.v. Gelderland</tuskop>
        <al>Naar aanleiding van het vorenstaande overwegen Wij het volgende.</al>
        <al>In de brief van 17 juni 1994, kenmerk DBD 16694006, van de toenmalige
Staatssecretaris van VROM aan gedeputeerde staten van de onderscheidene provincies
is de beperkte betekenis van het vierde lid van artikel 6 van de Huisvestingswet,
uiteengezet. In die brief is onder andere aangegeven dat, afgaande op het
desbetreffend artikellid, het nimmer zal kunnen gaan om regio's of gewesten
waarbinnen hogere prijsgrenzen zouden moeten worden gehanteerd, tenzij de
regio of het gewest uitsluitend zou bestaan uit gemeenten die, elk afzonderlijk,
aan de in genoemd artikellid neergelegde strikte criteria voldoen voor het
verkrijgen van toestemming voor hantering van hogere prijsgrenzen. Als uitgangspunt
geldt dat het vigerend streekplan met de eventueel daarbij behorende uitvoeringsprogramma's
het aangewezen beoordelingskader is voor de beantwoording van de vraag of
er van een situatie als bedoeld in artikel 6, vierde lid, van de Huisvestingswet
sprake is. Uit het streekplan Veluwe 1987 blijkt niet dat door de provincie
(of het Rijk) aan de gemeente Harderwijk, Apeldoorn, Barneveld en Nijkerk
zodanige strikte groeibeperkingen van de woonruimtevoorraad zijn opgelegd
dat deze nopen tot een verdergaande verdeling van woonruimte dan waarin het
derde lid van artikel 6 van de Huisvestingswet voorziet. Uit het bepaalde
in artikel 6, vierde lid, van de Huisvestingswet is niet af te leiden dat
gedeputeerde staten goedkeuring kunnen hechten aan de aanwijzing van woonruimten
boven de koopprijsgrens in de gevallen dat een hogere koopprijsgrens door
een gemeente om andere redenen dan in genoemd artikellid bedoeld, noodzakelijk
wordt geacht. Voor dit argument is geen basis in de wet te vinden. De wetgever
heeft namelijk alleen een mogelijkheid tot verhoging van de prijsgrenzen willen
geven indien er voor een gemeente (blijkend uit het streekplan) geringe mogelijkheden
tot uitbreiding van de (reeds bestaande) woningvoorraad zijn. Met het woord
«geringe» heeft de wetgever een maat gegeven. De desbetreffende
gemeente moet, wil haar aanwijzing van ook duurdere woonruimte door gedeputeerde
staten goedgekeurd kunnen worden, in absolute zin, dus losstaand van de omvang
en oorzaak van de vraag naar woonruimte, in relatie tot de bestaande voorraad,
bijna geen nieuwbouw mogen plegen. Zijn er meer dan geringe uitbreidingsmogelijkheden,
maar is er vanuit het bovengemeentelijk beleid of ander beleid zoals het gemeentelijk
of regionaal volkshuisvestingsbeleid, wèl behoefte aan distributie,
bijvoorbeeld ter verzekering van de uitvoerbaarheid van een opvangtaak, of
ter voorkoming van verdringing, dan kan dat alleen tot aan de wettelijke prijsgrenzen
als bedoeld in het derde lid van artikel 6 van de Huisvestingswet.</al>
        <al>Het is overigens juist dat een van de motieven voor een betrokkenheid
van de provincie is het bewerkstelligen van een betere afstemming tussen het
woonruimteverdelingsbeleid en het bovengemeentelijk beleid voor de ruimtelijke
ordening. Het gaat hierbij vooral om de afstemming van de bij de woonruimteverdeling
gehanteerde criteria voor zover die gevolgen hebben voor de toelating van
woningzoekenden tot de plaatselijke en regionale distributiebestand zoals
dit in het derde lid van artikel 6 van de Huisvestingswet is afgebakend. Behoudens
het bepaalde in dit artikellid dient woonruimte boven onder andere de koopprijsgrens
evenwel buiten de regulering door de gemeente te blijven, ook in het geval
dat een hogere koopprijsgrens door een gemeente om andere dan in dat artikellid
aangegeven redenen noodzakelijk wordt geacht. Het vergunningstelsel voor woonruimteverdeling
is, zoals hiervoor reeds is aangegeven, niet bedoeld als instrument waarmee
in het algemeen de sector volkshuisvesting met ruimtelijke motieven kan worden
gestuurd.</al>
        <al>Niet juist is hetgeen in het bezwaarschrift is aangevoerd dat de voorheen
geldende Woonruimtewet 1947 de gemeenten wel instrumenten zou hebben geboden
om ongewenste vestiging op grond van ruimtelijke motieven tegen te gaan. Een
van de redenen voor herziening van die wetgeving was juist gelegen in de omstandigheid
dat de Woonruimtewet 1947 geen bevoegdheden bevatte voor het totstandbrengen
van een onderling verband tussen de sector ruimtelijke ordening en de sector
volkshuisvesting. Met betrekking tot hetgeen in het bezwaarschrift terzake
is aangevoerd wordt echter kennelijk gedoeld op de in de Woonruimtebeschikking
1984 gegeven mogelijkheid tot plaatsing van gemeenten op bijlage C behorende
bij deze beschikking. Op deze bijlage konden desverzocht na het doorlopen
van een zware procedure en een positief advies van gedeputeerde staten gemeenten
worden geplaatst die om planologische redenen een restrictief vestigingsbeleid
moesten voeren, na plaatsing waarvan deze gemeenten ontheven werden van de
verplichting om bepaalde in de Woonruimtebeschikking 1984 met name genoemde
beschermde categorieën woningzoekenden, bij het ontbreken van een sociale
binding, tot de gemeentelijke distributiemarkt toe te laten. Gegeven dat ook
voor deze plaatsing eveneens als belangrijkste voorwaarde gold dat de gemeente
onderhevig dient te zijn aan strikte groeibeperkingen, is het als zeer uitzonderlijk
aan te merken dat desondanks de gemeente Harderwijk op deze bijlage is geplaatst.
De plaatsing van deze gemeente is, hoewel deze op gespannen voet stond met
de wet, nochtans geschied, zulks na advisering daartoe door de provincie,
vanwege enkele bijzondere omstandigheden waarin Harderwijk verkeerde. Het
effect van plaatsing van de vijf andere regiogemeenten die tegelijk met Harderwijk
om plaatsing hadden verzocht, zou indien niet ook Harderwijk werd geplaatst
grotendeels verloren gaan, mede gezien het samenhangend karakter van die woningmarkt.
Het verzoek van de zes aan het Intergemeentelijk Samenwerkingsverband Noordwest-Veluwe
deelnemende gemeenten, waaronder Harderwijk, tot plaatsing op bijlage C, is –
na ook de vestigingsdruk op Harderwijk en in het bijzonder de toestroom van
defensiepersoneel, in ogenschouw te hebben genomen – met name vanwege
die samenhang gehonoreerd. In dit verband is het van belang erop te wijzen
dat de oude woonruimteverdelingsregeling zoals neergelegd in de Woonruimtewet
1947, de Woonruimtebeschikking 1984 en de bij deze beschikking behorende bijlage
C, in tegenstelling tot de Huisvestingswet en het Huisvestingsbesluit, niet
het recht op vrije vestiging en niet het sterke eigendomsrecht als uitgangspunten
hanteerde. De plaatsing van Harderwijk op bijlage C ging indertijd derhalve
in ieder geval niet in tegen het uitgangspunt van de toenmalige wetgeving.
Zulks maakte een minder strikte toepassing van eerdergenoemd criterium voor
plaatsing op deze bijlage ten behoeve van een nader omschreven belang eerder
mogelijk. De verwijzing dat voorheen in de gemeenten Harderwijk, Apeldoorn,
Barneveld en Nijkerk de Woonruimtewet 1947 van kracht was, is dan ook in dit
verband niet relevant. Ook niet relevant is de verwijzing dat de gemeente
Harderwijk op bijlage B en C, Apeldoorn op bijlage A en Nijkerk op bijlage
B behorende bij de op deze wet gebaseerde Woonruimtebeschikking 1984 waren
geplaatst. Voor plaatsing op bijlage A kon iedere groep van gemeenten worden
geplaatst die op het punt van de uitvoering van de Woonruimtewet 1947 in regionaal
verband wensten samen te werken. De consequentie van deze plaatsing voor de
deelnemende gemeente is dat zij de eis van economische binding niet meer aan
de gemeente maar alleen aan de gevormde regio mochten hanteren. Voor plaatsing
op de bijlage B kon verder iedere gemeente in aanmerking komen waarin het
woningbestand in relatie tot het landelijk gemiddelde van het eigen woningbezit
overwegend uit zogenoemde eigen woningen bestond en het huurwoningenbestand
slechts uit een relatief gering aantal woningen bestond. Wilden die gemeenten,
waarom het hier gaat, toch met hun woonruimteverdeling uit de voeten kunnen,
dan konden zij het instrumentarium voor woonruimteverdeling ook betreffende
de zogenoemde eigen woningen – uiteraard beneden de toen geldende koopprijsgrens
niet missen. Voor die gemeenten is mitsdien een uitzondering gemaakt op de
algemene regel van de Woonruimtewet 1947 dat aan de eigenaar die zijn eigen
woning in gebruik neemt de daarvoor vereiste woonruimtevergunning steeds automatisch
moest worden verleend. </al>
        <tuskop letat="vet">Beoordeling van de bezwaren van burgemeester en wethouders
van Barneveld</tuskop>
        <al>Burgemeester en wethouders van Barneveld hebben hun bezwaar doen steunen
op de volgende gronden: </al>
        <tuskop letat="cur">Motivering van Barneveld</tuskop>
        <al>– dat zij voor de motivering van hun bezwaar aansluiten bij hetgeen
door Gedeputeerde Staten van Gelderland wordt of nog zal worden aangevoerd;</al>
        <al>– dat door het besluit tot vernietiging van het goedkeuringsbesluit
voor een tweetal gemeenten de samenhang in beleid gaat ontbreken;</al>
        <al>– dat het systeem van open onderlinge grenzen met hantering van
eenzelfde koopprijsgrens binnen de regio door het vernietigingsbesluit wordt
ontregeld;</al>
        <al>– dat het aandeel koopwoningen met een koopprijs beneden de grens
van f 146 000,– vrijwel nihil is en dat de vraag naar koopwoningen
groot is;</al>
        <al>– dat zij in de toekomst blijkens de nota Volkshuisvesting 1994
voornemens zijn de goedkope vrije sectorwoningen (tussen f 160 000,–
en f 220 000,–) te bestemmen voor huishoudens welke willen
doorstromen vanuit de huursector, hetgeen tevens van belang is voor woningzoekenden
die zijn aangewezen op de huursector;</al>
        <al>– dat zij een verhoging van de koopprijsgrens naar f 250 000,–
niet onlogisch achten, indien zij de beschikbaar komende woningvoorraad willen
inzetten voor de eigen aanwas;</al>
        <al>Met betrekking tot de eerste grond van het bezwaar wordt verwezen naar
de door gedeputeerde staten van Gelderland in hun bezwaarschrift van 20 september
1994, nr. RG94.25876, aangevoerde argumenten, welke argumenten worden geacht
deel uit te maken van het bezwaarschrift en geheel te zijn bijgevoegd. </al>
        <tuskop letat="cur">Overweging t.a.v. Barneveld</tuskop>
        <al>Naar aanleiding van het vorenstaande overwegen Wij het volgende.</al>
        <al>Voor dit gedeelte van het bezwaar wordt verwezen naar hetgeen hiervoor
is overwogen.</al>
        <al>In de overwegingen ten aanzien van het eerdergenoemde bezwaarschrift van
gedeputeerde staten van Gelderland is onder meer als oordeel uitgesproken
dat de wetgever via het systeem van de maximale prijsgrenzen duidelijk tot
uitdrukking heeft gebracht dat de voorraad van duurdere (koop)woningen, waar
de huishoudens met hogere inkomens in beginsel op zijn aangewezen, in beginsel
buiten de regulering door de gemeentelijke overheid dient te worden gehouden
en wat de verdeling van deze koopwoningen betreft te vertrouwen op de werking
van de markt. Verdergaande inperking van de vrije marktwerking, het gebruik
van eigendom en de vrijheid van vestiging via hantering van hogere prijsgrenzen
past derhalve in beginsel niet in de opzet van de Huisvestingswet en het Huisvestingsbesluit.</al>
        <al>Krachtens het vierde lid van artikel 6 van de Huisvestingswet is nochtans
aanwijzing als distributiewoonruimte van onder andere koopwoningen met een
koopprijs boven de in artikel 6, derde lid, van de Huisvestingswet gestelde
koopprijsgrens, onder goedkeuring van gedeputeerde staten en uitsluitend in
het aldaar nauwomschreven uitzonderlijk geval, mogelijk. Blijkens genoemd
artikellid kunnen gedeputeerde staten aan de aanwijzing door gemeenten van
duurdere koopwoningen als distributiewoonruimte slechts dan goedkeuring verlenen,
indien zodanige aanwijzing «in het belang van een evenwichtige en rechtvaardige
verdeling van woonruimte noodzakelijk is in verband met uit bovengemeentelijk
ruimtelijk beleid voortvloeiende geringe mogelijkheden tot uitbreiding van
de woonruimtevoorraad in de betrokken gemeente of in een of meer kernen, behorend
tot die gemeente». Voor het aanwijzen van woonruimte boven de koopprijsgrens
ingevolge genoemd artikellid dient derhalve in de eerste plaats vast te staan
dat er geringe mogelijkheden tot uitbreiding van de woonruimtevoorraad in
de betrokken gemeente zijn, die voortvloeien uit het bovengemeentelijk ruimtelijk
beleid. Indien dit het geval is, moet vervolgens de vraag worden beantwoord
of het belang van een evenwichtige en rechtvaardige verdeling van woonruimte
een hogere koopprijsgrens noodzakelijk maakt.</al>
        <al>Het eerste criteriumonderdeel (geringe mogelijkheden tot uitbreiding van
de woningvoorraad voortvloeiend uit het bovengemeentelijk ruimtelijk beleid)
bevat de basisvoorwaarde in verband met de verhoging van de (koop)prijsgrens.
Blijkens deze voorwaarde heeft de wetgever alleen een mogelijkheid tot verhoging
van onder andere de koopprijsgrens willen geven indien er voor een gemeente,
op grond van het bovengemeentelijk ruimtelijk beleid (blijkend uit het streekplan)
geringe mogelijkheden zijn tot uitbreiding van de reeds bestaande woningvoorraad.
Het is niet de bedoeling van de wetgever geweest dat er voor de invulling
van dit begrip een relatie wordt gelegd met de plaatselijk, regionale dan
wel landelijke behoefte aan woningen en met de omvang en de aard van de schaarste
in de betreffende gemeente. Met het woord «geringe» heeft de wetgever
een maat gegeven. De desbetreffende gemeente moet, wil haar aanwijzing van
ook duurdere woonruimte door gedeputeerde staten goedgekeurd kunnen worden,
om te beginnen in absolute zin, dus losstaand van de omvang en oorzaak van
de vraag naar woonruimte, bijna geen nieuwbouw mogen plegen. De enige relatie
die voor de invulling van de maat van de uitbreidingsmogelijkheid, welke is
uitgedrukt door het woord «geringe», mag worden gelegd, is die
met de reeds bestaande voorraad.</al>
        <al>Het tweede criteriumonderdeel (noodzakelijk in het belang van evenwichtige
en rechtvaardige verdeling van woonruimte) bevat de voorwaarde waaraan dient
te zijn voldaan om überhaupt een vergunningstelsel in het leven te mogen
roepen. Deze voorwaarde impliceert dat er sprake moet zijn van schaarste.
Hierbij moet gedacht worden aan situaties waarin door een tekort aan in het
bijzonder goedkope woonruimte bepaalde groepen van woningzoekenden, die om
geldelijke of maatschappelijke redenen een verhoudingsgewijs zwakke positie
op de woningmarkt innemen, i.c. de doelgroep van het volkshuisvestingsbeleid,
niet meer of moeilijk zelf in adequate huisvesting kunnen voorzien. In tegenstelling
tot het eerste criteriumonderdeel kan hier wel een verband worden gelegd met
de omvang van de woningbehoefte (blijkend onder andere uit de bestaande scheefheid
in de woningvoorraad, de geringe mogelijkheden om voor de doelgroep betaalbare
nieuwbouw te realiseren) en met de wenselijkheid van het vergunningstelsel
vanuit het gemeentelijk of regionaal huisvestingsbeleid gezien; bijvoorbeeld
omdat de druk, om welke reden dan ook, op de lokale of regionale woningvoorraad
groot is, blijkend uit (de ontwikkeling van) het woningzoekendenbestand.</al>
        <al>Gezien de wetsgeschiedenis heeft de wetgever de uitzondering op de algemene
regel van artikel 6, derde lid, van de Huisvestingswet, voor de bepaling van
het distributiebestand uitsluitend gemaakt voor de gemeenten die op grond
van het bovengemeentelijk ruimtelijk beleid waaraan zij zijn onderworpen zodanig
stringent en knellend in de groei van de woonruimtevoorraad zijn beperkt dat
zij in feite alleen op de bestaande woonruimtevoorraad zijn en blijven aangewezen.
Zoals ook uit de wetsgeschiedenis blijkt heeft de wetgever hiermee beoogd
de onder die omstandigheden verkerende gemeente een instrument ter beschikking
te stellen ter bescherming van de aan die gemeenten economisch en sociaal
gebondenen, tegen verdringing op de bestaande woningvoorraad door andere vestigers
van elders. Met uitsluiting van de andere gemeenten dienen deze gemeenten
de mogelijkheid te hebben om de toch al schaars vrijkomende woningen in de
bestaande voorraad bij voorrang aan de plaatsgebonden woningzoekenden toe
te wijzen.</al>
        <al>Wij constateren op grond van het voorgaande dat er ten gevolge van bovengemeentelijk
ruimtelijk beleid weliswaar beperkende voorwaarden zijn verbonden aan de mogelijkheid
voor de gemeente Barneveld om haar woningvoorraad uit te breiden, doch achten
deze voorwaarden, mede gezien het feit dat deze gemeente op grond van het
vigerend streekplan en bijbehorend uitvoeringsprogramma 1993–2004 als
zogenoemde centrumgemeente is aangemerkt en daarom een uitbreidingspercentage
voor de woningvoorraad heeft dat hoger ligt dan het gemiddelde in de provincie
Gelderland, niet zodanig stringent dat gesproken kan worden van geringe uitbreidingsmogelijkheden
voor de woonruimtevoorraad in die zin dat deze gemeente in hoofdzaak op de
bestaande woningvoorraad zou zijn en blijven aangewezen. Op basis van de hiervoren
aangehaalde argumenten kan geen goedkeuring worden verleend voor het hanteren
van een hogere grens dan uit artikel 6, derde lid van de Huisvestingswet volgt.
Uit het bepaalde in het vierde lid van artikel 6 van de Huisvestingswet is
niet af te leiden dat gedeputeerde staten goedkeuring kunnen verlenen aan
de aanwijzing van woonruimte boven die koopprijsgrens in de gevallen dat een
hogere koopprijsgrens door een gemeente om andere redenen dan in laatstgenoemd
artikellid bedoeld, bijvoorbeeld ter bevordering van de doorstroming of omdat
binnen de regio een uniforme hogere koopprijsgrens zou moeten worden gehanteerd,
noodzakelijk wordt geacht. </al>
        <tuskop letat="vet">Hoorplicht</tuskop>
        <al>Gelet op artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
dient het bestuursorgaan de belanghebbende te horen voordat op het bezwaarschrift
wordt beslist. Zowel de indiener van het bezwaarschrift als eventuele andere
belanghebbenden dienen in de gelegenheid te worden gesteld hun standpunt (nader)
toe te lichten. Gedeputeerde staten van Gelderland en burgemeester en wethouders
van Barneveld zijn in deze belanghebbenden.</al>
        <al>Ter voldoening aan het bepaalde in eerdergenoemd artikel 7:2 van de Awb
zijn belanghebbenden gehoord op vrijdag 4 november 1994, conform artikel 7:5,
eerste lid onder b van de Awb. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt,
waarbij belanghebbenden in de gelegenheid zijn gesteld zonodig wijzigingen
aan te geven alvorens het verslag definitief werd vastgesteld. Belanghebbenden
hebben het definitieve verslag toegezonden gekregen.</al>
        <al>Het horen van belanghebbenden heeft geen nieuwe feiten, argumenten en
andere gezichtspunten opgeleverd, dan die welke in het bezwaarschrift reeds
naar voren zijn gebracht. </al>
        <tuskop letat="vet">Conclusie</tuskop>
        <al>Op grond van het vorenstaande zijn Wij van oordeel dat de gemeente Barneveld
niet voldoet aan het criterium vervat in artikel 6, vierde lid, van de Huisvestingswet.
Wij blijven derhalve van oordeel dat gedeputeerde staten van Gelderland geen
goedkeuring konden hechten aan het met toepassing van dit artikellid in de
Huisvestingsverordening 1994 van deze gemeente vaststellen van een hogere
koopprijsgrens dan voortvloeit uit artikel 6, tweede en derde lid, van de
Huisvestingswet. </al>
        <tuskop letat="vet">Beslissing</tuskop>
        <al>Gelet op <grslag>artikel 274a van de Provinciewet en de Algemene wet bestuursrecht</grslag>,</al>
      </consider>
      <afkondig>hebben Wij goedgevonden en verstaan:</afkondig>
    </aanhef>
  </frontm>
  <body>
    <besluit>
      <al>de bezwaren ongegrond te verklaren.</al>
    </besluit>
  </body>
  <backm>
    <nawerk>
      <slotform>Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad zal worden
geplaatst.</slotform>
      <eindnoot id="e1">
        <al>Stb. 1994, 663.</al>
      </eindnoot>
      <ondertek>
        <ondplts>'s-Gravenhage, </ondplts>
        <onddatum>9 december 1994</onddatum>
        <koning>Beatrix </koning>
        <minister>
          <minvan>De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer,</minvan>
          <naam>D. K. J. Tommel </naam>
        </minister>
        <minister>
          <minvan>De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken,</minvan>
          <naam>A. G. M. van de Vondervoort</naam>
        </minister>
      </ondertek>
      <uitgifte>
        <uitgifte-regel>Uitgegeven de <nadruk type="cur">zesentwintigste</nadruk> januari 1995</uitgifte-regel>
        <uitdag>zesentwintigste</uitdag>
        <uitmaand>januari</uitmaand>
        <uitjaar>1995</uitjaar>
        <door>
          <minvan>De Minister van Justitie,</minvan>
          <naam>W. Sorgdrager</naam>
        </door>
      </uitgifte>
    </nawerk>
  </backm>
</staatsbl>