﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<!DOCTYPE staatsbl PUBLIC "-//SDU//DTD staatsblad xml 1.1//NL" "../../dtd/staatsbl-11.dtd"[]>
<staatsbl id="sb995.158" soort="wet" publtype="swet">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-1995-158/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel status="off">Staatsblad</titel>
    <subtitel>van het Koninkrijk der Nederlanden</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.4" conv="OPmaat" markup="c1xa"></versie>
    <ordernr>51U0128</ordernr>
    <stb>
      <jaargang jaar="1995">Jaargang 1995</jaargang>
      <stbjaar>1995</stbjaar>
      <stbnr>158 </stbnr>
    </stb>
    <intitule>
      <soort>Wet</soort> van 26 april 1995, houdende bepalingen inzake gemeentelijke zorg voor houders van een voorwaardelijke vergunning tot verblijf (Wet gemeentelijke zorg voor houders van een voorwaardelijke vergunning tot verblijf)</intitule>
    <aanhef>
      <wie>Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.</wie>
      <consider>
        <al>Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:</al>
        <al>Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een voorziening te treffen voor gemeentelijke zorg ten behoeve van vreemdelingen die over een voorwaardelijke vergunning tot verblijf beschikken als bedoeld in artikel 9a van de Vreemdelingenwet;</al>
      </consider>
      <afkondig>Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:</afkondig>
    </aanhef>
  </frontm>
  <body>
    <hfdst>
      <kop>
        <nr>HOOFDSTUK 1.</nr>
        <titel status="off">ALGEMENE BEPALINGEN </titel>
      </kop>
      <art id="a1">
        <kop>
          <nr>Artikel 1</nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1.</nr>
          <al>In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:</al>
          <al>a. vergunninghouder: de in Nederland verblijvende vreemdeling die over een voorwaardelijke vergunning tot verblijf als bedoeld in artikel 9a van de Vreemdelingenwet beschikt, alsmede de persoon die bij de vergunninghouder als kind staat vermeld op het document, bedoeld in genoemd artikel;</al>
          <al>b. taakstelling: het aantal in opvangcentra of op gemeentelijke opvangplaatsen verkerende vergunninghouders in wier huisvesting per gemeente per kalenderhalfjaar dient te worden voorzien.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2.</nr>
          <al>In deze wet, met uitzondering van hoofdstuk 2, en de daarop berustende bepalingen wordt niet onder vergunninghouder begrepen de vreemdeling jonger dan 18 jaar, in wiens kosten van levensonderhoud wordt voorzien op grond van een justitiële maatregel van kinderbescherming. </al>
        </lid>
      </art>
    </hfdst>
    <hfdst>
      <kop>
        <nr>HOOFDSTUK 2.</nr>
        <titel status="off">DE TAAKSTELLING </titel>
      </kop>
      <art id="a2">
        <kop>
          <nr>Artikel 2</nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1.</nr>
          <al>Burgemeester en wethouders dragen zorg voor de voorziening in huisvesting van vergunninghouders in de gemeente overeenkomstig de voor de gemeente geldende taakstelling.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2.</nr>
          <al>Behoudens toepassing van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 3, eerste lid, geldt als taakstelling de uitkomst van de toepassing van de formule (a:b) x c, waarin wordt voorgesteld:</al>
          <al>– met de letter a: het aantal inwoners van een gemeente volgens de door het Centraal Bureau voor de Statistiek openbaar gemaakte bevolkingscijfers per 1 januari van het jaar dat voorafgaat aan het jaar waartoe het kalenderhalfjaar, bedoeld bij de letter c, behoort, dan wel het in plaats daarvan op grond van het derde lid vastgestelde aantal;</al>
          <al>– met de letter b: het aantal inwoners van Nederland volgens de door het Centraal Bureau voor de Statistiek openbaar gemaakte bevolkingscijfers per 1 januari van het jaar dat voorafgaat aan het jaar waartoe het kalenderhalfjaar, bedoeld bij de letter c, behoort;</al>
          <al>– met de letter c: het door Onze Minister van Justitie in de Staatscourant bekendgemaakte totale aantal vergunninghouders in wier huisvesting in het bij die bekendmaking aan te geven kalenderhalfjaar naar verwachting zal dienen te worden voorzien.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>3.</nr>
          <al>Gedeputeerde staten van de betrokken provincie of de betrokken provincies zijn bevoegd het aantal inwoners van een gemeente per 1 januari van het jaar dat voorafgaat aan het jaar waartoe het kalenderhalfjaar, bedoeld in het tweede lid bij de letter c, behoort, vast te stellen voor de gemeenten die zijn betrokken bij een wijziging van de gemeentelijke indeling en waarvoor de datum van herindeling is gelegen op 1 januari van laatstbedoeld jaar. Bij deze vaststelling wordt zo veel mogelijk rekening gehouden met de inwonertallen van de samenstellende delen van de bij een wijziging van de gemeentelijke indeling betrokken gemeenten. Een vaststelling per 1 januari van het in de eerste volzin eerstbedoelde jaar wordt voor 1 oktober van dat jaar bekendgemaakt in de Staatscourant.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>4.</nr>
          <al>De bekendmaking, bedoeld in het tweede lid bij de letter c, geschiedt ten minste dertien weken voor de aanvang van het kalenderhalfjaar waarop zij betrekking heeft.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>5.</nr>
          <al>De met toepassing van de formule, bedoeld in het tweede lid, verkregen uitkomst wordt naar boven afgerond op een geheel getal.</al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a3">
        <kop>
          <nr>Artikel 3</nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1.</nr>
          <al>Gedeputeerde staten zijn op verzoek van een of meer gemeenten bevoegd taakstellingen die volgen uit de toepassing van de formule, bedoeld in artikel 2, tweede lid, te wijzigen, voor zover de verwezenlijking van het bovengemeentelijke ruimtelijke beleid of volkshuisvestingsbeleid of de samenhang tussen het door gemeenten gevoerde volkshuisvestingsbeleid dat vordert, met dien verstande dat de som van de aantallen vergunninghouders in wier huisvesting na die wijziging in de betrokken gemeenten te zamen dient te worden voorzien, niet afwijkt van de som van de aantallen die worden verkregen met toepassing van de formule, bedoeld in artikel 2, tweede lid.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2.</nr>
          <al>Ingeval gedeputeerde staten van de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid gebruik maken, wijzigen zij de taakstellingen ten minste zes weken voor de aanvang van het kalenderhalfjaar waarop de taakstellingen betrekking hebben. </al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a4">
        <kop>
          <nr>Artikel 4</nr>
        </kop>
        <al>De verboden, bedoeld in artikel 7, eerste en tweede lid van de Huisvestingswet, blijven buiten toepassing met betrekking tot woonruimte die door burgemeester en wethouders ter uitvoering van de verplichting, bedoeld in artikel 2, eerste lid, aan een vergunninghouder voor bewoning in gebruik wordt gegeven.</al>
      </art>
      <art id="a5">
        <kop>
          <nr>Artikel 5</nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1.</nr>
          <al>Ten aanzien van woonruimte die door burgemeester en wethouders ter uitvoering van de verplichting, bedoeld in artikel 2, eerste lid, aan een vergunninghouder voor bewoning in gebruik is gegeven, maken burge-</al>
          <al>meester en wethouders gedurende die bewoning geen gebruik van hun in artikel 40, eerste lid, van de Huisvestingswet omschreven bevoegdheid.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2.</nr>
          <al>Artikel 49 van de Huisvestingswet is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot een vordering ten behoeve van een of meer vergunninghouders door burgemeester en wethouders ter uitvoering van de verplichting, bedoeld in artikel 2, eerste lid.</al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a6">
        <kop>
          <nr>Artikel 6</nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1.</nr>
          <al>Indien burgemeester en wethouders geheel of gedeeltelijk nalaten uitvoering te geven aan de verplichting, bedoeld in artikel 2, eerste lid, voorzien gedeputeerde staten in de uitvoering namens burgemeester en wethouders en ten laste van de gemeente.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2.</nr>
          <al>Alvorens toepassing te geven aan het eerste lid plegen gedeputeerde staten overleg met burgemeester en wethouders van de betrokken gemeente.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>3.</nr>
          <al>Gedeputeerde staten stellen alvorens toepassing te geven aan het eerste lid, burgemeester en wethouders in elk geval een termijn, waarbinnen zij alsnog zelf in de uitvoering kunnen voorzien, tenzij de geboden spoed zich daartegen verzet.</al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a7">
        <kop>
          <nr>Artikel 7</nr>
        </kop>
        <al>Burgemeester en wethouders brengen acht weken voor het einde van het kalenderhalfjaar verslag uit over de voortgang van de uitvoering van de verplichting, bedoeld in artikel 2, eerste lid, aan gedeputeerde staten met toezending van een afschrift daarvan aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken. Burgemeester en wethouders verstrekken daarbij tevens inzicht in de maatregelen die worden voorbereid of zijn genomen teneinde geheel uitvoering te geven aan de bedoelde verplichting.</al>
      </art>
      <art id="a8">
        <kop>
          <nr>Artikel 8</nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1.</nr>
          <al>Het dagelijks bestuur van een regionaal openbaar lichaam als bedoeld in de Kaderwet bestuur in verandering treedt voor de toepassing van de artikelen 3, 6 en 7 in de plaats van gedeputeerde staten.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2.</nr>
          <al>Artikel 27 van de Kaderwet bestuur in verandering is van overeenkomstige toepassing. </al>
        </lid>
      </art>
    </hfdst>
    <hfdst>
      <kop>
        <nr>HOOFDSTUK 3.</nr>
        <titel status="off">DE ZORG </titel>
      </kop>
      <par>
        <kop>
          <nr>§ 1.</nr>
          <titel status="off">Omvang van de zorg </titel>
        </kop>
        <art id="a9">
          <kop>
            <nr>Artikel 9</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Burgemeester en wethouders die in het kader van de taakstelling een vergunninghouder huisvesten, zijn ten aanzien van hem verplicht tot de zorg, zoals geregeld in dit hoofdstuk, zolang de vergunninghouder in de gemeente verblijft.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Burgemeester en wethouders van een zorgplichtige gemeente kunnen, met instemming van burgemeester en wethouders van een andere gemeente, op verzoek van dan wel na overleg met de vergunninghouder, de zorg ten aanzien van hem overdragen aan burgemeester en wethouders van die andere gemeente.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a10">
          <kop>
            <nr>Artikel 10</nr>
          </kop>
          <al>Burgemeester en wethouders van de gemeente die krachtens artikel 9 tot zorg verplicht is dragen ervoor zorg dat de vergunninghouder in ieder geval de beschikking heeft over:</al>
          <al>a. huisvesting;</al>
          <al>b. een bedrag voor persoonlijke uitgaven;</al>
          <al>c. een verzekering tegen ziektekosten;</al>
          <al>d. een verzekering tegen de financiële gevolgen van wettelijke aansprakelijkheid; en</al>
          <al>e. een vergoeding voor buitengewone kosten.</al>
        </art>
        <art id="a11">
          <kop>
            <nr>Artikel 11</nr>
          </kop>
          <al>De in artikel 10, onderdeel a, bedoelde zorg voor huisvesting houdt in de vergoeding van de naar het oordeel van burgemeester en wethouders noodzakelijke kosten verbonden aan woonruimte, met inbegrip van stoffering en meubilering, verwarming, energie en water, ten behoeve van de vergunninghouder, dan wel de verstrekking daarvan in natura.</al>
        </art>
        <art id="a12">
          <kop>
            <nr>Artikel 12</nr>
          </kop>
          <al>De in artikel 10, onderdeel b, bedoelde zorg voor een bedrag voor persoonlijke uitgaven houdt in het per kalendermaand beschikbaar stellen van een bedrag van:</al>
          <al>a. f 410 aan de vergunninghouder van 18 jaar of ouder;</al>
          <al>b. f 125 ten behoeve van de vergunninghouder jonger dan 18 jaar, indien voor deze geen kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet wordt ontvangen.</al>
        </art>
        <art id="a13">
          <kop>
            <nr>Artikel 13</nr>
          </kop>
          <al>De in artikel 10, onderdeel c, bedoelde zorg voor een ziektekostenverzekering houdt in de betaling van de op grond van de Ziekenfondswet verschuldigde premie in verband met de ziekenfondsverzekering van de vergunninghouder.</al>
        </art>
        <art id="a14">
          <kop>
            <nr>Artikel 14</nr>
          </kop>
          <al>De in artikel 10, onderdeel d, bedoelde zorg voor een verzekering tegen de financiële gevolgen van wettelijke aansprakelijkheid houdt in het ten behoeve van de vergunninghouder afsluiten van een verzekering voor de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de vergunninghouder jegens een derde voor een som van ten minste f 1 000 000 per gebeurtenis en het betalen van de daarvoor verschuldigde premie.</al>
        </art>
        <art id="a15">
          <kop>
            <nr>Artikel 15</nr>
          </kop>
          <al>De in artikel 10, onderdeel e, bedoelde zorg voor een vergoeding voor buitengewone kosten houdt in een vergoeding van de naar het oordeel van burgemeester en wethouders noodzakelijke buitengewone kosten van de vergunninghouder.</al>
        </art>
      </par>
      <par>
        <kop>
          <nr>§ 2.</nr>
          <titel status="off">De bij de zorg in aanmerking te nemen middelen </titel>
        </kop>
        <art id="a16">
          <kop>
            <nr>Artikel 16</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Burgemeester en wethouders verlenen de in artikel 10 bedoelde zorg voor zover de middelen van de vergunninghouder ontoereikend zijn om zelf in de desbetreffende kosten te voorzien dan wel brengen de vergunninghouder de ten behoeve van hem gemaakte kosten in rekening voor zover zijn middelen daartoe toereikend zijn.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Bij de toepassing van het eerste lid worden, voor zover deze niet noodzakelijk zijn voor het eigen levensonderhoud, geheel of gedeeltelijk mede in aanmerking genomen de middelen van de leden van het huishouden waartoe de vergunninghouder behoort, indien zij kunnen worden geacht mede de zorg te dragen voor diens levensonderhoud.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>Onder de middelen worden het inkomen en het vermogen verstaan dat in aanmerking zou worden genomen bij de verlening van bijstand op grond van de Algemene Bijstandswet, met dien verstande, dat burgemeester en wethouders bovendien het bij de bijstandsverlening vrij te laten bescheiden vermogen in aanmerking kunnen nemen voor zover het een bedrag te boven gaat van:</al>
            <al>a. f 2 000 voor de vergunninghouder van 18 jaar of ouder;</al>
            <al>b. f 1 000 voor de vergunninghouder jonger dan 18 jaar.</al>
          </lid>
        </art>
      </par>
      <par>
        <kop>
          <nr>§ 3.</nr>
          <titel status="off">Verplichtingen en voorschriften </titel>
        </kop>
        <art id="a17">
          <kop>
            <nr>Artikel 17</nr>
          </kop>
          <al>De vergunninghouder is verplicht om van al datgene dat van belang is voor de verlening van zorg of voor de voortzetting van verleende zorg onverwijld mededeling te doen, zo mogelijk onder overlegging van bewijsstukken.</al>
        </art>
        <art id="a18">
          <kop>
            <nr>Artikel 18</nr>
          </kop>
          <al>Burgemeester en wethouders kunnen aan de zorg voorschriften verbinden voor zover deze verband houden met een goede uitvoering van dit hoofdstuk.</al>
        </art>
        <art id="a19">
          <kop>
            <nr>Artikel 19</nr>
          </kop>
          <al>Ter zake van het doen van opgaven en het verstrekken van inlichtingen door derden is artikel 84d van de Algemene Bijstandswet van overeenkomstige toepassing.</al>
        </art>
        <art id="a20">
          <kop>
            <nr>Artikel 20</nr>
          </kop>
          <al>De hieronder vermelde instanties zijn verplicht desgevraagd aan burgemeester en wethouders kosteloos de opgaven en inlichtingen te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van deze wet:</al>
          <al>a. burgemeester en wethouders van andere gemeenten; </al>
          <al>b. de Rijksbelastingdienst, de ziekenfondsen en de Ziekenfondsraad;</al>
          <al>c. het Centraal Orgaan opvang asielzoekers.</al>
        </art>
      </par>
      <par>
        <kop>
          <nr>§ 4.</nr>
          <titel status="off">Gehele of gedeeltelijke onthouding van zorg </titel>
        </kop>
        <art id="a21">
          <kop>
            <nr>Artikel 21</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>De in artikel 10 bedoelde zorg kan geheel of gedeeltelijk aan een vergunninghouder worden onthouden, indien hij:</al>
            <al>a. de verplichting, bedoeld in artikel 17, niet of niet behoorlijk nakomt;</al>
            <al>b. een door burgemeester en wethouders aan de zorg verbonden voorschrift niet naleeft.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Alvorens toepassing te geven aan het eerste lid, stellen burgemeester en wethouders de vergunninghouder in de gelegenheid zijn zienswijze naar voren te brengen.</al>
          </lid>
        </art>
      </par>
      <par>
        <kop>
          <nr>§ 5.</nr>
          <titel status="off">Betaling en terugvordering van zorg </titel>
        </kop>
        <art id="a22">
          <kop>
            <nr>Artikel 22</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Burgemeester en wethouders betalen de in geld verleende zorg aan de vergunninghouder van 18 jaar of ouder dan wel, indien de vergunninghouder jonger is dan 18 jaar, aan degene van 18 jaar of ouder die voor de vergunninghouder de verzorging heeft.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om, indien daartoe de noodzaak bestaat, zonder machtiging van de in het eerste lid bedoelde personen de zorg geheel of gedeeltelijk te betalen aan derden.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a23">
          <kop>
            <nr>Artikel 23</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Burgemeester en wethouders brengen achteraf ontvangen of gebleken middelen die in aanmerking zouden worden genomen bij de verlening van de zorg, in mindering op de naderhand in geld te verlenen zorg dan wel vorderen deze van de vergunninghouder terug, voor zover die middelen in aanmerking zouden zijn genomen bij de verlening van zorg.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Verrekening met in geld te verlenen zorg of terugvordering vindt eveneens plaats voor zover als gevolg van een onjuiste of onvolledige gegevensverstrekking dan wel anderszins ten onrechte zorg is verleend.</al>
          </lid>
        </art>
      </par>
      <par>
        <kop>
          <nr>§ 6.</nr>
          <titel status="off">De financiering van de zorg </titel>
        </kop>
        <art id="a24">
          <kop>
            <nr>Artikel 24</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Het Rijk vergoedt aan de gemeente voor elke volle kalendermaand waarover burgemeester en wethouders ingevolge artikel 9 jegens een vergunninghouder de zorg hebben:</al>
            <al>a. f 1 160 voor een vergunninghouder van 18 jaar of ouder;</al>
            <al>b. f 270 voor een vergunninghouder jonger dan 18 jaar.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Onder volle kalendermaand, bedoeld in het eerste lid, wordt mede verstaan</al>
            <al>a. de kalendermaand waarin de zorg is ingegaan voor de 16e dag, maar niet is geëindigd voor de laatste dag van die maand;</al>
            <al>b. de kalendermaand waarin de zorg is geëindigd na de 16e dag, maar niet is ingegaan na de eerste dag van die maand.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>Burgemeester en wethouders declareren de in het eerste lid bedoelde vergoeding per kalenderjaar. Deze declaratie is voorzien van een verklaring van de accountant, belast met het in artikel 213, tweede lid, van de Gemeentewet voorgeschreven onderzoek, omtrent de juistheid van de verstrekte gegevens. </al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a25">
          <kop>
            <nr>Artikel 25</nr>
          </kop>
          <al>Het Rijk verleent voorschotten op de in artikel 24, eerste lid, bedoelde vergoeding.</al>
        </art>
        <art id="a26">
          <kop>
            <nr>Artikel 26</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Onze Minister van Binnenlandse Zaken stelt de vergoeding, bedoeld in artikel 24, eerste lid, vast binnen een jaar na ontvangst van de in artikel 24, derde lid, bedoelde declaratie.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Indien de declaratie niet is ontvangen binnen 18 maanden na afloop van het kalenderjaar waarop deze betrekking heeft dan wel niet is voorzien van de verklaring, bedoeld in artikel 24, derde lid, stelt Onze Minister van Binnenlandse Zaken de vergoeding over dat jaar ambtshalve vast.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>Onze Minister van Binnenlandse Zaken kan een vergoeding geheel of gedeeltelijk weigeren en een reeds betaalde vergoeding geheel of gedeeltelijk terugvorderen of met toekomstige vergoedingen verrekenen voor zover de juistheid van de in de declaratie begrepen aantallen dan wel bedragen niet kan worden vastgesteld.</al>
          </lid>
        </art>
      </par>
      <par>
        <kop>
          <nr>§ 7.</nr>
          <titel status="off">Uitvoering en toezicht </titel>
        </kop>
        <art id="a27">
          <kop>
            <nr>Artikel 27</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Burgemeester en wethouders voeren ter zake van de uitvoering van dit hoofdstuk een zodanige administratie dat de juistheid, de volledigheid en de tijdige verwerking van de gegevens in de administratie en de declaratie zijn gewaarborgd.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>De administratie wordt zodanig ingericht dat de samenhang tussen de administratie, de declaratie en de daartoe behorende nominatieve opgave van de vergunninghouders kan worden vastgesteld.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a28">
          <kop>
            <nr>Artikel 28</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Onze Minister van Binnenlandse Zaken is belast met het toezicht op de uitvoering van dit hoofdstuk.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Burgemeester en wethouders verstrekken desgevraagd aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken kosteloos alle inlichtingen die hij voor de uitoefening van het toezicht nodig heeft en verlenen hem inzage in de administratie, bedoeld in artikel 27.</al>
          </lid>
        </art>
      </par>
      <par>
        <kop>
          <nr>§ 8.</nr>
          <titel status="off">Aanpassing van bedragen </titel>
        </kop>
        <art id="a29">
          <kop>
            <nr>Artikel 29</nr>
          </kop>
          <al>Onze Minister van Binnenlandse Zaken herziet jaarlijks per 1 januari de hoogte van de in de artikelen 12 en 24, eerste lid, bedoelde bedragen met de procentuele wijziging die het prijsindexcijfer van de gezinsconsumptie over de maand april van het voorafgaande kalenderjaar heeft ondergaan ten opzichte van dit prijsindexcijfer over de maand april van het tweede jaar voorafgaand aan het jaar waarop de herziening betrekking heeft. Onder het prijsindexcijfer van de gezinsconsumptie wordt verstaan de afgeleide consumentenprijsindex-Werknemers Laag reeks (1990 =100), zoals dat wordt berekend door het Centraal Bureau voor de Statistiek naar de stand op het midden van elke kalendermaand en gepubliceerd in het Statistisch bulletin van het Centraal Bureau voor de Statistiek. </al>
        </art>
      </par>
      <par>
        <kop>
          <nr>§ 9.</nr>
          <titel status="off">Nadere regelen </titel>
        </kop>
        <art id="a30">
          <kop>
            <nr>Artikel 30</nr>
          </kop>
          <al>Bij regeling van Onze Minister van Binnenlandse Zaken kunnen nadere regelen worden gesteld voor zover een goede uitvoering van dit hoofdstuk, paragrafen 6 of 7, of hoofdstuk 4 dit vergt.</al>
        </art>
      </par>
      <par>
        <kop>
          <nr>§ 10.</nr>
          <titel status="off">Overgangsbepaling </titel>
        </kop>
        <art id="a31">
          <kop>
            <nr>Artikel 31</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Burgemeester en wethouders van de gemeente die ten tijde van de inwerkingtreding van dit hoofdstuk opvang biedt aan een vergunninghouder ingevolge een overeenkomst als bedoeld in de Regeling opvang asielzoekers, verlenen hem met ingang van bedoeld tijdstip overeenkomstig deze wet de zorg als bedoeld in artikel 10.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden burgemeester en wethouders, bedoeld in het eerste lid, gelijkgesteld met burgemeester en wethouders die ingevolge artikel 9 ten aanzien van een vergunninghouder zorgplichtig zijn.</al>
          </lid>
        </art>
      </par>
    </hfdst>
    <hfdst>
      <kop>
        <nr>HOOFDSTUK 4.</nr>
        <titel status="off">INFORMATIEVOORZIENING EN EVALUATIE </titel>
      </kop>
      <art id="a32">
        <kop>
          <nr>Artikel 32</nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1.</nr>
          <al>Burgemeester en wethouders verstrekken desgevraagd aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken de inlichtingen die voor de informatievoorziening en de beleidsvorming met betrekking tot deze wet noodzakelijk worden geacht.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2.</nr>
          <al>Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de toepassing van het eerste lid.</al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a33">
        <kop>
          <nr>Artikel 33</nr>
        </kop>
        <al>Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer zenden binnen vier jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.</al>
      </art>
    </hfdst>
    <hfdst>
      <kop>
        <nr>HOOFDSTUK 5.</nr>
        <titel status="off">SLOTBEPALINGEN </titel>
      </kop>
      <art id="a34">
        <kop>
          <nr>Artikel 34</nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1.</nr>
          <al>Met uitzondering van hoofdstuk 3 treedt deze wet in werking met ingang van 1 april 1995.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2.</nr>
          <al>Aan de verplichtingen, bedoeld in de artikelen 2, eerste lid, en 7 wordt voor het eerst uitvoering gegeven met betrekking tot het tweede kalenderhalfjaar van 1995.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>3.</nr>
          <al>Een voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet door Onze Minister van Justitie gedane bekendmaking omtrent het aantal vergunninghouders in wier huisvesting in het tweede kalenderhalfjaar van 1995 dient te worden voorzien, die voldoet aan de vanaf bedoeld tijdstip in artikel 2, tweede lid, bij de letter c, gestelde vereisten, geldt als de bekendmaking voor genoemd kalenderhalfjaar in de zin van genoemd lid.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>4.</nr>
          <al>Een voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet door gedeputeerde staten gedane vaststelling omtrent het aantal inwoners van een gemeente per 1 januari 1994, die voldoet aan de vanaf bedoeld tijdstip in artikel 2, derde lid, gestelde vereisten, geldt als een vaststelling in de zin van genoemd lid.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>5.</nr>
          <al>Hoofdstuk 3 treedt in werking met ingang van 1 juli 1995.</al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a35">
        <kop>
          <nr>Artikel 35</nr>
        </kop>
        <al>Deze wet wordt aangehaald als: Wet gemeentelijke zorg voor houders van een voorwaardelijke vergunning tot verblijf. </al>
      </art>
    </hfdst>
  </body>
  <backm>
    <nawerk>
      <slotform>Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.</slotform>
      <histnoot>
        <al>Zie voor de behandeling in de Staten-Generaal:</al>
        <al>Kamerstukken II 1994/95, <vetnr>23 966</vetnr>.</al>
        <al>Handelingen II 1994/95, blz. 2755–2793, 2795–2815, 2852–2854.</al>
        <al>Kamerstukken I 1994/95, 23 966 (190, 190a, 190b, 190c).</al>
        <al>Handelingen I 1994/95, zie vergaderingen d.d. 28 maart 1995, 4 april 1995 en 26 april 1995.</al>
      </histnoot>
      <ondertek>
        <ondplts>Gegeven te 's-Gravenhage, </ondplts>
        <onddatum>26 april 1995</onddatum>
        <koning>Beatrix </koning>
        <minister>
          <minvan>De Minister van Binnenlandse Zaken,</minvan>
          <naam>H. F. Dijkstal </naam>
        </minister>
        <minister>
          <minvan>De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,</minvan>
          <naam>D. K. J. Tommel</naam>
        </minister>
      </ondertek>
      <uitgifte>
        <uitgifte-regel>Uitgegeven de <nadruk type="cur">zevenentwintigste</nadruk> april 1995</uitgifte-regel>
        <uitdag>zevenentwintigste</uitdag>
        <uitmaand>april</uitmaand>
        <uitjaar>1995</uitjaar>
        <door>
          <minvan>De Minister van Justitie,</minvan>
          <naam>W. Sorgdrager</naam>
        </door>
      </uitgifte>
    </nawerk>
  </backm>
</staatsbl>