<officiele-publicatie xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:noNamespaceSchemaLocation="http://technische-documentatie.oep.overheid.nl/schema/op-xsd-2012-3"><metadata><meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/prb-2026-3736/metadata.xml" scheme="" /></metadata><kop><titel>PROVINCIAAL BLAD</titel><subtitel>Officiële uitgave van de provincie Utrecht</subtitel></kop><provinciaalblad><kop><titel>Besluit van Gedeputeerde Staten van Utrecht van 24 februari 2026, nr. UTSP-8141755331-1884 tot wijziging van de Subsidieregeling Leefomgeving landelijk gebied provincie Utrecht </titel></kop><regeling><aanhef><preambule><al>Gedeputeerde staten van Utrecht;</al><al /><al>Gelet op artikel 1.4 van de Algemene subsidieverordening provincie Utrecht 2022; </al><al /><al>Overwegende dat het wenselijk is om de Subsidieregeling Leefomgeving Landelijk gebied te wijzigen door: </al><lijst><li><li.nr>–</li.nr><al>een hoofdstuk Aanjagen gemeentelijk voedselbeleid toe te voegen;</al></li><li><li.nr>–</li.nr><al>de aanvraagperiode voor hoofdstuk 15 Wolfwerende rasters in lijn te brengen met het eerdere GS-besluit hierover;</al></li></lijst><al><nadruk type="vet">Besluiten</nadruk>:</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>I</nr></kop><al /><al>De Subsidieregeling Leefomgeving landelijk gebied provincie Utrecht wordt als volgt gewijzigd: </al><al /><al><nadruk type="vet">A</nadruk>.</al><al /><al>Hoofdstuk 15 Wolfwerende rasters wordt als volgt gewijzigd: </al><lijst><li><li.nr>1.</li.nr><al>Artikel 15.3, eerste lid komt te luiden: </al><lijst><li><li.nr>1.</li.nr><al>Een aanvraag voor subsidie kan van 1 januari 2026 tot en met 25 mei 2026 worden ingediend.</al></li></lijst></li><li><li.nr>2.</li.nr><al>Artikel 15.6 Subsidieplafond komt te luiden: </al></li></lijst><al>Het subsidieplafond voor de periode bedoeld in artikel 15.3 eerste lid, bedraagt € 50.000,-.</al><al /><al><nadruk type="vet">B</nadruk>. Na hoofdstuk 19 wordt een nieuw hoofdstuk 20 ingevoegd, dat luidt: </al><al /><al><nadruk type="vet">Hoofdstuk 20 Aanjagen gemeentelijk voedselbeleid</nadruk></al><al /><al><nadruk type="vet">Artikel 20.1 Subsidiecriteria </nadruk></al><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In het kader van het provinciale meerjarendoel 2.4.3 “Utrechtse voedselproducenten produceren meer voor de regionale markt en Utrechtse inwoners kunnen gemakkelijker kiezen voor gezond en duurzaam voedsel” kan subsidie worden verstrekt voor de volgende activiteiten:</al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>voorbereiding en uitvoering van stakeholdersessies binnen de gemeentelijke organisatie en extern in relatie tot het opzetten van gemeentelijk voedselbeleid; </al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>voorbereiding en uitvoering van campagnes ter stimulering van gedragsverandering of bevordering van betrokkenheid, bewustwording, draagvlak of beleving van inwoners, bedrijven, ondernemers of maatschappelijke organisaties;</al></li><li><li.nr>c.</li.nr><al>voorbereiding en uitvoering van kennisdeling, challenges, coaching en intervisie bij lokale horeca, scholen, sport- of zorglocaties; </al></li><li><li.nr>d.</li.nr><al>voorbereiding en uitvoering van inwonersparticipatie of wijkaanpak bij het versterken van een gezonde en duurzame voedselomgeving in kwetsbare wijken;</al></li><li><li.nr>e.</li.nr><al>voorbereiding en uitvoering van matching en netwerkbijeenkomsten. Onder matching wordt in dit verband verstaan: het aan elkaar verbinden van mensen en organisaties om samenwerking tot stand te brengen. </al></li><li><li.nr>f.</li.nr><al>uitvoering van een verkennend onderzoek naar een businesscase of haalbaarheid van voedselhubs of voedselverbindingsplekken waarin reststromen lokaal worden benut voor sociale of maatschappelijke initiatieven;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De activiteit bedoeld in het eerste lid onder a is een verplicht onderdeel van de aanvraag en dient in samenhang met minstens één van de andere activiteiten uitgevoerd te worden. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Subsidie wordt slechts verstrekt als de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, bijdragen aan ten minste één van de volgende doelen: </al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>het bevorderen van de consumptie van lokaal voedsel dat natuurinclusief of biologisch geproduceerd is;</al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>het bevorderen van een plantaardig voedingspatroon;</al></li><li><li.nr>c.</li.nr><al>het versterken van een gezonde en duurzame voedselomgeving; </al></li><li><li.nr>d.</li.nr><al>het verminderen van voedselverspilling en verwerking van reststromen tot humaan voedsel.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De activiteiten bedoeld in het artikel 20.1, eerst lid onderdeel b, c, e en f vinden voor minstens 75% plaats in de provincie Utrecht. De activiteiten bedoeld in het artikel 20.1, eerste lid onderdeel a en d vinden volledig plaats in de provincie Utrecht.</al><al /></lid><al><nadruk type="vet">Artikel 20.2 Subsidieontvangers (doelgroep)</nadruk></al><al>Subsidie kan worden verstrekt aan: </al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>gemeenten in de provincie Utrecht; </al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>een samenwerkingsverband van gemeenten in de provincie Utrecht;</al></li><li><li.nr>c.</li.nr><al>een samenwerkingsverband van gemeenten in de provincie Utrecht met (een) aan de provincie Utrecht grenzende gemeente(n), mits minstens de helft van de samenwerkende gemeenten in de provincie Utrecht ligt. </al></li></lijst><al><nadruk type="vet">Artikel 20.3 Aanvraag </nadruk></al><lid><lidnr> 1. </lidnr><al>Subsidieaanvragen kunnen worden ingediend:</al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>vanaf de datum van inwerkingtreding van dit hoofdstuk tot en met 30 november 2026; en</al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>van 5 januari 2027 tot en met 30 november 2027.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr> 2. </lidnr><al>De verdeling van het beschikbare budget vindt plaats op basis van volgorde van ontvangst met inachtneming van artikel 2.2 AsvpU.</al></lid><lid><lidnr> 3. </lidnr><al>Bij de subsidieaanvraag worden de volgende gegevens en stukken gevoegd:</al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>als er sprake is van een samenwerkingsverband van meerdere deelnemers, een document waaruit de instemming met het project blijkt van alle deelnemers van het samenwerkingsverband;</al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>in aanvulling op het gestelde in artikel 4.4 van de AsvpU, wordt bij de subsidieaanvraag ook een projectplan gevoegd, met ten minste:</al><lijst><li><li.nr>i.</li.nr><al>de doelstelling(en);</al></li><li><li.nr>ii.</li.nr><al>een planning van de activiteiten;</al></li><li><li.nr>iii.</li.nr><al>een analyse en omschrijving van de huidige situatie van gemeentelijk voedselbeleid.</al></li><li><li.nr>iv.</li.nr><al>een omschrijving van relevante beleidsdocumenten van aanpalende beleidsthema’s;</al></li><li><li.nr>v.</li.nr><al>een onderbouwing van de bijdrage aan ten minste één van de in artikel 20.1 lid 3 genoemde doelen;</al></li><li><li.nr>vi.</li.nr><al>een omschrijving van betrokken stakeholders/partners zoals maatschappelijke organisaties, producenten, onderwijsinstellingen of zorgorganisaties en de uitvoerende partij;</al></li><li><li.nr>vii.</li.nr><al>een omschrijving van de gekozen doelgroep(en) zoals bijvoorbeeld inwoners, voedselinitiatieven, bedrijven, maatschappelijke organisaties als scholen en sportorganisaties, en de wijze waarop deze doelgroep(en) bij de activiteit(en) betrokken wordt;</al></li><li><li.nr>viii.</li.nr><al>een onderbouwing waaruit blijkt dat de activiteiten bedoeld in het artikel 20.1, eerst lid onderdeel b, c, e en f voor minstens 75% plaatsvinden in de provincie Utrecht en de activiteiten bedoeld in het artikel 20.1, eerste lid onderdeel a en d volledig plaatsvinden in de provincie Utrecht;</al></li><li><li.nr>ix.</li.nr><al>een beschrijving van de verwachte impact van de activiteiten op de gekozen doelgroep(en);</al></li><li><li.nr>x.</li.nr><al>een omschrijving van de wijze waarop de resultaten van de activiteiten bijdragen aan het opstellen dan wel verder ontwikkelen van het gemeentelijk voedselbeleid;</al></li><li><li.nr>xi.</li.nr><al>een plan voor borging of opvolging van de activiteiten.</al></li></lijst></li></lijst></lid><al><nadruk type="vet">Artikel 20.4 Weigeringsgronden </nadruk></al><al>In aanvulling op het gestelde in artikel 1.6 wordt subsidie ook geweigerd als: </al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>de aanvrager een gemeente is en deze gemeente reeds subsidie heeft ontvangen op basis van dit hoofdstuk, hetzij individueel, hetzij als deelnemer aan een samenwerkingsverband; </al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>de aanvrager een samenwerkingsverband is en het samenwerkingsverband of één of meer deelnemende gemeenten reeds subsidie heeft ontvangen op basis van dit hoofdstuk, hetzij individueel, hetzij als deelnemer aan een ander samenwerkingsverband;</al></li><li><li.nr>c.</li.nr><al>het aangevraagde subsidiebedrag minder bedraagt dan € 10.000,- of meer dan €30.000,-.</al></li></lijst><al><nadruk type="vet">Artikel 20.5 Verplichtingen </nadruk></al><al>De subsidieontvanger is verplicht: </al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>binnen 6 maanden na subsidieverlening te starten met de uitvoering van de activiteiten;</al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>de activiteiten binnen 2 jaar na subsidieverlening af te ronden;</al></li><li><li.nr>c.</li.nr><al>de resultaten van de gesubsidieerde activiteiten na afloop middels een verslag te delen met de provincie Utrecht zodat kennisdeling en opschaling mogelijk zijn en de regeling geëvalueerd kan worden. Het verslag dient gemaild te worden naar voedselagenda@provincie-utrecht.nl en bevat minimaal de volgende componenten:</al><lijst><li><li.nr>i.</li.nr><al>een omschrijving van de uitgevoerde activiteiten;</al></li><li><li.nr>ii.</li.nr><al>een omschrijving van de resultaten;</al></li><li><li.nr>iii.</li.nr><al>bereik en omschrijving van de doelgroep;</al></li><li><li.nr>iv.</li.nr><al>een overzicht van gemaakte kosten en bestede uren; </al></li><li><li.nr>v.</li.nr><al>een omschrijving van de status van het voedselbeleid en de uitvoering daarvan binnen de gemeente. </al></li></lijst></li></lijst><al><nadruk type="vet">Artikel 20.6 Subsidieplafond</nadruk></al><lid><lidnr> 1. </lidnr><al>Het subsidieplafond voor 2026 bedraagt € 200.000,-.</al></lid><lid><lidnr> 2. </lidnr><al>Het subsidieplafond voor 2027 bedraagt € 100.000,-.</al><al /></lid><al><nadruk type="vet">Artikel 20.7 Hoogte van de subsidie</nadruk></al><lid><lidnr> 1. </lidnr><al>De subsidie bedraagt minimaal € 10.000,- en maximaal € 30.000,-.</al></lid><lid><lidnr> 2. </lidnr><al>De subsidie bedraagt maximaal 75% van de subsidiabele kosten.</al></lid><lid><lidnr> 3. </lidnr><al>De subsidie wordt direct vastgesteld.</al><al /></lid><al><nadruk type="vet">Artikel 20.8 Subsidiabele kosten </nadruk></al><lid><lidnr> 1. </lidnr><al>De volgende kosten voor de activiteiten zoals bedoeld in artikel 20.1 zijn subsidiabel, mits deze aantoonbaar zijn en voldoen aan artikel 4.8 van de AsvpU en de Beleidsregel projectsubsidies inclusief de tarieventabel:</al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>kosten voor inzet van eigen personeel tot 50%;</al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>kosten voor externe inhuur en uitbesteding van diensten;</al></li><li><li.nr>c.</li.nr><al>kosten voor materialen, hulpmiddelen en apparatuur die direct verband houden met de activiteit; </al></li><li><li.nr>d.</li.nr><al>kosten voor huur van locaties, catering en inkoop van voedsel.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr> 2. </lidnr><al>De volgende kosten zijn niet subsidiabel:</al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>kosten voor projecten voor verduurzaming en gezonder maken van een eigen bedrijfsrestaurant;</al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>kosten voor aanschaf van voertuigen of machines; </al></li><li><li.nr>c.</li.nr><al>kosten voor benodigde leges, vergunningen of ontheffingen.</al></li></lijst></lid><al><nadruk type="vet">Artikel 20.9 Staatssteun </nadruk></al><al>De activiteiten binnen dit hoofdstuk betreffen niet-economische activiteiten. Daarmee is er geen sprake van staatssteun zoals bedoeld in artikel 107, 108 en 109 Verdrag van de Werking van de Europese Unie (VWEU).</al><al /><al><nadruk type="vet">Artikel 20.10 Tijdelijkheid en overgangsrecht</nadruk></al><al>Dit hoofdstuk vervalt op 1 januari 2028. Subsidies die op grond van dit hoofdstuk vóór 1 januari 2028 zijn aangevraagd of verstrekt, worden behandeld overeenkomstig de op dat moment geldende regelgeving.</al><al /><al><nadruk type="vet">C.</nadruk></al><al /><al>Hoofdstuk 20 Slotbepalingen wordt vernummerd tot Hoofdstuk 21 Slotbepalingen.</al><al /><al><nadruk type="vet">D.</nadruk></al><al /><al>In de bijlage bij Hoofdstuk 1 artikel 1.1 worden de volgende begripsbepalingen op alfabetische volgorde ingevoegd: </al><lijst><li><li.nr>–</li.nr><al>biologische landbouw: landbouw die biologisch gecertificeerd is door Skal. Producten uit biologische landbouw zijn te herkennen aan de keurmerken: EKO, Europees biologisch en Demeter;</al></li><li><li.nr>–</li.nr><al>campagne: communicatie-instrument waarbij over een langere periode een geplande reeks van communicatie en activiteiten wordt ingezet via verschillende kanalen. Op een doelgerichte manier wordt een boodschap verspreid richting één of meerdere doelgroepen;</al></li><li><li.nr>–</li.nr><al>challenge: onderwijsvorm waarin leerlingen en/of studenten oplossingen bedenken en uitwerken voor maatschappelijk relevante vraagstukken;</al></li><li><li.nr>–</li.nr><al>duurzaam voedsel: gezond voedsel binnen de grenzen van onze planeet, volgens de richtlijnen van het “planetary health diet” van de EAT-Lancet-commissie. Daarin wordt een meer plantaardig dieet geadviseerd met meer peulvruchten, granen, groentes en noten en de vermindering van voedselverspilling is van belang;</al></li><li><li.nr>–</li.nr><al>gezond voedsel: voedsel dat in een voedingspatroon past volgens de Schijf van Vijf van het Voedingscentrum;.</al></li><li><li.nr>–</li.nr><al>gezonde en duurzame voedselomgeving: voedselomgeving die zo is ingericht dat inwoners gemakkelijk gezonde en duurzame voedselkeuzes kunnen maken. De voedselomgeving bestaat uit alle plekken waar eet- en drinkaanbod aanwezig is, en ook de plaatsen waar inwoners worden blootgesteld aan (online) beeldmateriaal en reclame van voedsel of dranken; </al></li><li><li.nr>–</li.nr><al>inwonersparticipatie: het deelnemen van inwoners bij de voorbereiding, uitvoering of evaluatie van een plan; </al></li><li><li.nr>–</li.nr><al>kwetsbare wijken: wijken of buurten waar bewoners gemiddeld een lage sociaaleconomische status hebben. De sociaaleconomische status (SES) is een indicator om de maatschappelijke positie van personen of huishoudens te bepalen. Hiervoor wordt de term ‘SES-WOA score' gehanteerd; </al></li><li><li.nr>–</li.nr><al>lokaal voedsel: voedsel dat in de directe omgeving wordt geproduceerd, eventueel verwerkt, verkocht en gegeten;</al></li><li><li.nr>–</li.nr><al>natuurinclusieve landbouw: een vorm van duurzame landbouw die optimaal gebruik maakt van de natuurlijke omgeving en die deze integreert in de bedrijfsvoering. Natuurinclusieve landbouw bestaat uit drie dimensies: 1) het verminderen van impact door ongewenste emissies op de natuur (‘sparen’); 2) het inzetten van natuurlijke processen als alternatief voor externe input zoals kunstmest en chemische bestrijdingsmiddelen (‘benutten’); 3) het zorgen voor natuur en biodiversiteit en landschap door het nemen van maatregelen gericht op specifieke soorten of landschapselementen (‘verrijken’);</al></li><li><li.nr>–</li.nr><al>voedselhub: fysieke locatie waar voedsel en/of reststromen worden ingezameld en opgeslagen, om vanuit daar gedistribueerd te worden naar afnemers;</al></li><li><li.nr>–</li.nr><al>voedselverbindingsplekken: plekken/initiatieven waar toegang tot gezond en duurzaam voedsel wordt verbonden met andere sociale vraagstukken zoals educatie en het tegengaan van eenzaamheid en armoede. Dit kunnen initiatieven zijn als buurthuizen, (volks)tuinen en volkskantines waar mensen samen tuinieren, voedsel bereiden en andere sociale initiatieven ontplooien;</al></li><li><li.nr>–</li.nr><al>wijkaanpak: het samen met lokale organisaties, professionals en inwoners werken aan een vraagstuk op wijkniveau;</al></li></lijst><al><nadruk type="vet">E.</nadruk></al><al /><al>Aan de toelichting wordt onder de toelichting op hoofdstuk 19 toegevoegd: </al><al /><al><nadruk type="vet">Hoofdstuk 20 Aanjagen gemeentelijk voedselbeleid </nadruk></al><al /><al><nadruk type="vet">Algemene toelichting</nadruk></al><al>Dit hoofdstuk is een instrument dat bijdraagt aan het provinciale meerjarendoel 2.4.2: “Utrechtse voedselproducenten produceren meer voor de regionale markt en Utrechtse inwoners kunnen gemakkelijker kiezen voor gezond en duurzaam voedsel.” Er is specifiek gekozen voor een subsidieregeling zodat de gemeente zelf keuzes kan maken voor de gewenste activiteit, doelgroep, omgeving en schaalniveau, passend bij de situatie van de gemeente.</al><al /><al>De provincie Utrecht ondersteunt en stimuleert hiermee gemeenten om actief bij te dragen aan de transitie naar een gezond, duurzaam en toekomstbestendig voedselsysteem. Gemeenten staan dicht bij inwoners, producenten, ondernemers en maatschappelijke organisaties en kunnen deze doelgroepen bereiken om (gedrags)verandering tot stand te brengen. </al><al /><al>Voedsel raakt aan veel maatschappelijke opgaven zoals gezondheid van de inwoners en de impact van voedselproductie op klimaat en biodiversiteit. Dit betreft ook vraagstukken die op gemeentelijk niveau spelen. Met integraal voedselbeleid worden verbindingen gelegd tussen bestaand gemeentelijk beleid op het gebied van economie, duurzaamheid, circulariteit, gezondheid, recreatie en toerisme. Het vraagt om samenwerking tussen verschillende beleidsdomeinen. </al><al /><al>De subsidieregeling is tweeledig. Ten eerste biedt deze Utrechtse gemeenten de mogelijkheid om te onderzoeken hoe gemeentelijk voedselbeleid ontwikkeld, belegd en uitgevoerd kan worden. Dit is een verplicht onderdeel binnen de aanvraag. Hiermee wordt inzicht gecreëerd in hoe voedselbeleid aan verschillende beleidsdoelen raakt en wat er in de uitvoering mogelijk is, ook zonder dat er een apart beleidskader en/of visie voor voedsel ontwikkeld wordt. Het uitwerken van een aparte voedselvisie en uitvoeringsagenda kan ook een mogelijkheid zijn. Deze is passend als er zicht is op voldoende structurele middelen en bestuurlijk commitment vanuit de gemeente zelf. </al><al>Ten tweede ondersteunt de regeling de realisatie van uitvoeringsprojecten voor het stimuleren van een meer lokaal, duurzaam en gezond eetpatroon en het tegengaan van voedselverspilling.</al><al /><al>Voor het maken van gezonde en duurzame voedselkeuzes speelt de voedselomgeving een belangrijke rol. Een voedselomgeving omvat alle fysieke, sociale, economische en beleidsmatige factoren die invloed hebben op wat mensen eten en drinken. Het gaat om plekken waar voedsel beschikbaar is, zoals supermarkten, buurtlocaties, tankstations, sport- of schoolkantines en bedrijfsrestaurants, maar ook reclame, voedselprijzen, sociale normen en wetgeving. Gemeenten kunnen aan de slag gaan met eigen reclame- en evenementenbeleid en kunnen doelgroepen bereiken zoals bijvoorbeeld lokale ondernemers en sociale en maatschappelijke initiatieven. Deze doelgroepen kunnen ervoor zorgen dat de toegang tot en beschikbaarheid van lokaal, gezond en duurzaam voedsel toeneemt en het makkelijker wordt om hiervoor te kiezen. </al><al /><al>Voor de uitvoering van activiteiten die specifiek zijn gericht op het bereiken van de doelgroep kinderen en jongeren is het programma Jong Leren Eten van belang. Jong Leren Eten Utrecht heeft het educatieaanbod per gemeente in beeld gebracht. De regeling kan ingezet worden voor kennisdeling, challenges en coaching bij scholen en voor de uitvoering van matching en netwerkbijeenkomsten om daarmee het lokaal voedseleducatie-netwerk te versterken. </al><al /><al><nadruk type="vet">Artikelsgewijze toelichting</nadruk></al><al /><al><nadruk type="cur">Artikel 20.1 Subsidiecriteria</nadruk></al><al /><al><nadruk type="cur">Lid 1, onderdeel a</nadruk></al><al>De voorbereiding en uitvoering van stakeholdersessies binnen de gemeentelijke organisatie en extern in relatie tot het opzetten van gemeentelijk voedselbeleid is belangrijk om te onderzoeken hoe gemeentelijk voedselbeleid tot stand kan komen binnen de huidige beleidskaders, te zorgen voor meer eigenaarschap en voor het identificeren van kansen en knelpunten. Daarom is dit een verplicht onderdeel binnen de aanvraag. </al><al /><al><nadruk type="cur">Lid 1, onderdeel c</nadruk></al><al>De uitvoering van kennisdeling, challenges, coaching en intervisie bij lokale horeca, scholen, sport- en zorglocaties betreft o.a. activiteiten zoals inzicht krijgen in de huidige situatie, advisering over acties/verbeteringen en implementatie van de verbeteringen. Intervisie is een methode waarbij professionals met een vergelijkbare achtergrond werkproblemen bespreken. Het doel van de coaching en intervisie is om een (gedrags)verandering op gang te brengen, ofwel in het aanbod/menukaart, ofwel door meer kennis/kunde. De deelname aan dergelijke activiteiten staat open voor meerdere ondernemers/locaties binnen de gemeente(n). Voor het doorzetten van (gedrags)verandering is het wenselijk als verandertrajecten worden ingezet van minimaal 3 maanden. </al><al /><al><nadruk type="cur">Lid 1, onderdeel d</nadruk></al><al>Voor de activiteit voorbereiding en uitvoering van inwonersparticipatie bij het versterken van een gezonde en duurzame voedselomgeving, is het advies om gebruik te maken van de Toolbox Inwonersparticipatie Gezonde Voedselomgeving van de Toekomst. Deze Toolbox helpt (beleids)adviseurs van gemeenten en GGD’en om samen met inwoners, vooral uit wijken met een lagere sociaaleconomische positie, de voedselomgeving te verbeteren. De aanpak bestaat uit vijf praktische stappen en start bij het perspectief van de inwoners.</al><al /><al><nadruk type="cur">Lid 1, onderdeel e</nadruk></al><al>Een voorbeeld van matching is het met elkaar in contact te brengen van producenten en afnemers.</al><al /><al><nadruk type="cur">Lid 3, onderdelen b en d</nadruk></al><al>De doelen “bevorderen van een plantaardig voedingspatroon” en “het verminderen van voedselverspilling en verwerking van reststromen tot humaan voedsel” dragen bij aan circulariteit en klimaatmitigatie. Bij de productie van plantaardig eiwit worden minder natuurlijke hulpbronnen en grondstoffen zoals water en land ingezet dan bij dierlijk eiwit. Daarbij dragen zowel meer plantaardig eten als vermindering van voedselverspilling bij aan een lagere CO<inf>2</inf>-uitstoot. Een lagere CO<inf>2</inf>-uitstoot is van belang om de doelen van het klimaatakkoord te behalen en daarmee klimaatverandering tegen te gaan. </al><al>Wat betreft het doel “het verminderen van voedselverspilling en verwerking van reststromen tot humaan voedsel” kan de Stichting Samen Tegen Voedselverspilling behulpzaam zijn. Deze stichting vormt dé beweging van bedrijven en publieke organisaties die zich inzet tegen voedselverspilling. De stichting heeft een <extref doc="https://samentegenvoedselverspilling.nl/verspillingsvrije-gemeente"><nadruk type="ondlijn">bouwstenenplan</nadruk></extref> ontwikkeld voor gemeenten die aan de slag willen met het aanpakken van voedselverspilling. Hierin worden concrete voorbeelden genoemd ter inspiratie. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>II</nr><titel> Inwerkingtreding</titel></kop><al>Dit besluit treedt in werking op de dag na publicatie in het Provinciaal blad.</al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><ondertekening><!--al naar functie elementen vertaald (inhoudelijk gedeeltelijk onjuist)--><functie>Aldus vastgesteld in de vergadering van Gedeputeerde Staten van Utrecht van 24 februari 2026,</functie></ondertekening><ondertekening><functie /><functie>Gedeputeerde Staten van Utrecht,</functie></ondertekening><ondertekening><functie /><functie>Voorzitter, </functie><functie>mr. J.H. Oosters</functie></ondertekening><ondertekening><functie /><functie>Secretaris, </functie><functie>mr. drs. A.G. Knol-van Leeuwen</functie></ondertekening></regeling-sluiting></regeling></provinciaalblad></officiele-publicatie>