<officiele-publicatie xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:noNamespaceSchemaLocation="http://technische-documentatie.oep.overheid.nl/schema/op-xsd-2012-3"><metadata><meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/prb-2026-12261/metadata.xml" scheme="" /></metadata><kop><titel>PROVINCIAAL BLAD</titel><subtitel>Officiële uitgave van de provincie Noord-Holland</subtitel></kop><provinciaalblad><kop><titel>Besluit van Gedeputeerde Staten van Noord-Holland van 30 juni, nr. DYRASR4SZVV7-1912265199-22002, tot vaststelling van de Beleidsregel PFAS Noord-Holland 2026</titel></kop><regeling><aanhef><preambule><al>Gedeputeerde Staten van Noord-Holland;</al><al>gelet op de artikelen 13, 27, 28, 29, 37 en 38 van de Wet bodembescherming zoals deze luidden op 31 december 2023;</al><al /><al>gelet op de Richtlijn voor het omgaan met niet-genormeerde stoffen (bijlage 6 bij de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013);</al><al /><al>gelet op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht;</al><al /><al><nadruk type="vet">Overwegende</nadruk></al><al /><al>dat Gedeputeerde Staten sinds inwerkingtreding van de Omgevingswet nog steeds bevoegd gezag zijn in het kader van de Wet bodembescherming voor zover sprake is van situaties die onder overgangsrecht vallen als bedoeld in de Aanvullingswet bodem Omgevingswet;</al><al /><al>dat de uitvoering van de bevoegd gezag taken in het kader van de Wet bodembescherming door Gedeputeerde Staten is neergelegd bij de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied, Omgevingsdienst IJmond, Omgevingsdienst Flevoland &amp; Gooi en Vechtstreek en de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord;</al><al /><al>dat PFAS, in het kader van de Wet bodembescherming en aanverwante regelgeving, een niet-genormeerde stofgroep is;</al><al /><al>dat PFAS veelvoorkomende toepassingen kent die tot bodemverontreiniging kunnen hebben geleid dan wel kunnen leiden;</al><al /><al>dat PFAS persistente stoffen zijn, die niet of nauwelijks afbreken in bodem en/of water en die kunnen ophopen in voedselketens;</al><al /><al>dat alle PFAS per november 2024 zijn geclassificeerd als ZZS;</al><al /><al>dat het Rijk een Handelingskader PFAS voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie heeft opgesteld, meest recentelijk geactualiseerd in december 2023, waarin landelijke achtergrondwaarden voor PFAS zijn opgenomen op basis van het RIVM-onderzoek naar landelijke achtergrondwaarden van juni 2020;</al><al /><al>dat met dit landelijke handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie invulling wordt gegeven aan de geldende zorgplichten overeenkomstig het voorzorgbeginsel;</al><al /><al>dat op bodemverontreinigingen ontstaan na 31 december 1986 en voor 1 januari 2024 (nieuwe verontreiniging onder de Wbb) de zorgplicht van artikel 13 Wet bodembescherming van toepassing is;</al><al /><al>dat de Wet bodembescherming een saneringsregeling kent voor verontreinigingen die zijn ontstaan vóór 1 januari 1987 (historische verontreiniging);</al><al /><al>dat Gedeputeerde Staten het van belang vinden en wenselijk achten dat er op een milieuhygiënisch verantwoorde en eenduidige wijze met PFAS verontreiniging in de bodem wordt omgegaan;</al><al /><al>dat het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) in 2022 een Impact Assessment heeft uitgevoerd (RIVM, DMG-2022-0014), waaruit blijkt dat de risicogrenswaarden voor PFOS, PFOA en GenX (RIVM, Wintersen &amp; Otte, 2021) kunnen worden gebruikt als INEV’s (Indicatief Niveau Ernstige Verontreiniging). In deze beleidsregel conformeren wij ons aan deze INEV’s;</al><al /><al>dat het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) in de hierboven genoemde Impact Assessment (o.a.) adviseert met toetsingen aan PFAS zoveel mogelijk rekening te houden met het volledige mengsel van stoffen;</al><al /><al>dat uit de hierboven genoemde Impact Assessment blijkt dat de interventiewaarden op het niveau van de risicogrenzen op basis van consumptie van grondwater in het freatisch grondwater op veel plaatsen wordt overschreden als gevolg van de diffuse aanwezigheid van PFAS, maar dat bestaande en nieuwe gebiedsindelingen in relatie tot winning van grondwater als drinkwater mogelijk bruikbaar zijn om gebiedsspecifieke niveaus van Interventiewaarden vast te stellen (RIVM, DMG-2022-0014);</al><al /><al>dat het Ministerie van I&amp;W in haar Kamerbrief van 2 mei 2022 (IENW/BSK-2022/49580) (o.a.) aangeeft dat de nieuw afgeleide risicogrenswaarden door het RIVM (2021) zullen worden gebruikt om interventiewaarden voor grond en grondwater vast te stellen. Het vastleggen hiervan in de bodemregelgeving zal samenlopen met het proces van wettelijke verankering van de waarden uit het handelingskader PFAS en daarin te maken keuzes. Tot die tijd kunnen de waarden door de bevoegd gezagen als indicatieve niveaus van ernstige verontreiniging (INEVs) gebruikt worden, ter vervanging van de eerdere INEV’s uit maart 2020;</al><al /><al>dat het rapport Grondwaterkwaliteit Nederland 2024 van het platform van meetnetbeheerders op 3 oktober 2025 is verschenen (Arcadis QT36QUTEF7R3-1071769577-138571:1)</al><al /><al>dat in het kader van de zorgplicht van artikel 13 Wet bodembescherming het uitgangspunt geldt dat verontreinigingen of aantastingen van de bodem geheel ongedaan worden gemaakt, voor zover dat redelijkerwijs kan worden gevergd;</al><al /><al>dat het Rijk een Handreiking zorgplicht onder artikel 13 Wbb bij bodemverontreiniging met PFAS (februari 2025) heeft opgesteld;</al><al /><al>dat naar aanleiding van deze handreiking in de Beleidsregel PFAS Noord-Holland 2022 enkele aanpassingen en aanvullingen nodig zijn;</al><al /><al>dat het bevoegd gezag Wet bodembescherming met inachtneming van de Richtlijn voor het omgaan met niet-genormeerde stoffen (bijlage 6 bij de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013) een besluit over ernst, spoed en sanering in de zin van de artikelen 29, 37 en 38 Wet bodembescherming van een geval van bodemverontreiniging met niet-genormeerde stoffen kan nemen;</al><al /><al>dat Gedeputeerde Staten het van belang achten om, met inachtneming van de bovenstaande overwegingen, beleidsregels vast te leggen omtrent de wijze waarop moet worden omgegaan met een PFAS-verontreiniging.</al><al /><al>Besluiten vast te stellen:</al><al /><al><nadruk type="vet">Beleidsregel PFAS Noord-Holland 2025</nadruk></al><al /></preambule></aanhef><regeling-tekst><paragraaf><kop><label /><nr /><titel>ALGEMEEN</titel></kop></paragraaf><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>In deze beleidsregel wordt verstaan onder:</al><al /><lijst><li><li.nr>a)</li.nr><al>Wet: Wet bodembescherming;</al></li><li><li.nr>b)</li.nr><al>Besluit: Besluit bodemkwaliteit;</al></li><li><li.nr>c)</li.nr><al>Circulaire: Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013;</al></li><li><li.nr>d)</li.nr><al>Richtlijn: Richtlijn voor het omgaan met niet-genormeerde stoffen (bijlage 6 bij de Circulaire);</al></li><li><li.nr>e)</li.nr><al>PFOS: perfluoroctaansulfonaat;</al></li><li><li.nr>f)</li.nr><al>PFOA: perfluoroctaanzuur;</al></li><li><li.nr>g)</li.nr><al>PFAS: poly- en perfluor alkylstoffen als algemene aanduiding van de stofgroep, waaronder ook PFOS en PFOA vallen;</al></li><li><li.nr>h)</li.nr><al>som van PFAS: de som van per- en polyfluoralkylstoffen die risicovol worden geacht in verband met voor menselijke consumptie bestemd water en die zijn opgenomen in Bijlage III, deel B, punt 3 van de Drinkwaterrichtlijn;</al></li><li><li.nr>i)</li.nr><al>bodem: het vaste deel van de aarde met de zich daarin bevindende vloeibare en gasvormige bestanddelen en organismen;</al></li><li><li.nr>j)</li.nr><al>geval van verontreiniging: geval van verontreiniging van de bodem dat betrekking heeft op grondgebieden die vanwege die verontreiniging, de oorzaak of de gevolgen daarvan in technische, organisatorische en ruimtelijke zin met elkaar samenhangen;</al></li><li><li.nr>k)</li.nr><al>saneren: het beperken en zoveel mogelijk ongedaan maken van verontreiniging en de directe gevolgen daarvan of van dreigende verontreiniging van de bodem;</al></li><li><li.nr>l)</li.nr><al>saneringslocatie: locatie waar een bodemverontreiniging met PFAS aanwezig is die wordt gesaneerd dan wel ongedaan wordt gemaakt;</al></li><li><li.nr>m)</li.nr><al>herstelmaatregelen: maatregelen gericht op het herstellen van de bodemkwaliteit door het zoveel mogelijk beperken of ongedaan maken van een nieuwe bodemverontreiniging;</al></li><li><li.nr>n)</li.nr><al>nieuwe bodemverontreiniging: bodemverontreiniging die is ontstaan na 31 december 1986 en vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet;</al></li><li><li.nr>o)</li.nr><al>historische bodemverontreiniging: bodemverontreiniging die is ontstaan vóór 1 januari 1987;</al></li><li><li.nr>p)</li.nr><al>zorgplicht: de verplichting op grond van artikel 13 van de Wet ‘voor een ieder die op of in de bodem handelingen heeft verricht als bedoeld in de artikelen 6 tot en met 11 van de Wet en die wist of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat door die handelingen de bodem kon worden verontreinigd of aangetast, om alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd, teneinde de verontreiniging of de aantasting en de directe gevolgen daarvan te beperken en zoveel mogelijk ongedaan te maken. Indien de verontreiniging of aantasting het gevolg is van een ongewoon voorval, worden de maatregelen onverwijld genomen.’ De zorgplicht is van toepassing op nieuwe bodemverontreiniging die is ontstaan.</al></li><li><li.nr>q)</li.nr><al>bodemtypecorrectie: methode om algemene bodemnorm om te rekenen naar lokale situatie door correctie van stofgehalten op basis van organisch stof of lutumgehalte zoals beschreven in de Circulaire en bijlage G onderdeel III van de Regeling bodemkwaliteit.</al></li><li><li.nr>r)</li.nr><al>grondwaterbeschermingsgebied: beschermingsgebied zoals bedoeld in de op het moment van toepassing van deze beleidsregel geldende omgevingsverordening van de Provincie Noord-Holland;</al></li><li><li.nr>s)</li.nr><al>waterwingebied: beschermingsgebied zoals bedoeld in de op het moment van toepassing van deze beleidsregel geldende omgevingsverordening van de Provincie Noord-Holland.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Reikwijdte</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze beleidsregel is van toepassing op alle locaties binnen het grondgebied van de provincie Noord-Holland, waar zich in de landbodem een nieuwe bodemverontreiniging dan wel een historische bodemverontreiniging met PFAS bevindt, en met betrekking tot welke Gedeputeerde Staten bevoegd gezag in de zin van de Wet zijn op grond van de artikelen 3.1, 3.2 onderdeel a en 3.2a van de Aanvullingswet bodem.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een bodemverontreiniging met PFAS die gedeeltelijk kwalificeert als nieuwe bodemverontreiniging en gedeeltelijk als historische bodemverontreiniging en waarvan het aannemelijk is dat die bodemverontreiniging met PFAS voor meer dan 50% vracht is ontstaan na 31 december 1986, geldt in het geheel als nieuwe bodemverontreiniging en wordt getoetst in het kader van de zorgplicht en hetgeen in deze beleidsregel omtrent nieuwe verontreiniging is bepaald.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een bodemverontreiniging met PFAS die gedeeltelijk kwalificeert als nieuwe bodemverontreiniging en gedeeltelijk als historische bodemverontreiniging en waarvan het aannemelijk is dat die bodemverontreiniging met PFAS voor meer dan 50% vracht is ontstaan vóór 1 januari 1987, geldt in het geheel als historische bodemverontreiniging en wordt getoetst aan de saneringsregeling van de Wet en hetgeen in deze beleidsregel omtrent historische verontreiniging is bepaald.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien en voor zover een bodemverontreiniging met PFAS gedeeltelijk kwalificeert als nieuwe bodemverontreiniging en gedeeltelijk als historische bodemverontreiniging, volgt uit een bodemonderzoek of het aannemelijk is dat de bodemverontreiniging met PFAS voor meer dan 50% is ontstaan na 31 december 1986 dan wel voor meer dan 50% is ontstaan vóór 1 januari 1987.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Onderzoek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Degene die voornemens is de bodem te saneren (historisch geval) of herstelmaatregelen te nemen (nieuw geval) doet, indien er een reële verdenking bestaat dat PFAS in de bodem kan worden aangetroffen, bodemonderzoek naar PFAS-verontreiniging overeenkomstig bestaande protocollen voor genormeerde stoffen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien sprake is van een reële verdenking op basis van historisch of vooronderzoek op verontreiniging van PFAS, dient in ieder geval onderzoek plaats te vinden naar gehalten aan PFOS en PFOA.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het onderzoek naar PFOS en PFOA wordt uitgebreid met andere stoffen uit de PFAS groep, indien er concrete aanwijzingen zijn dat deze op basis van geïdentificeerde bronlocaties in verhoogde gehalten kunnen worden aangetroffen.</al></lid><al /></artikel><paragraaf><kop><label /><nr /><titel>UITGANGSPUNTEN NIEUWE BODEMVERONTREINIGING MET PFAS</titel></kop></paragraaf><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Melding artikel 27 Wet bodembescherming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onder verontreiniging van de bodem als bedoeld in artikel 13 en artikel 27, eerste lid, van de Wet bodembescherming wordt wat PFAS betreft verstaan verontreiniging met PFAS boven de achtergrondwaarden uit artikel 7, eerste lid (landelijke achtergrondwaarden, klasse Landbouw/Natuur).</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In geval van aangetoonde hogere lokale achtergrondwaarden, gelden deze hogere waarden als ondergrens voor de nieuwe verontreiniging.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Ongedaan maken nieuwe bodemverontreiniging met PFAS</titel></kop><al>Voor degene op wie de zorgplicht van toepassing is geldt, in aanvulling op hetgeen is bepaald in de artikelen 13 en 27 van de Wet, het volgende:</al><al /><lijst><li><li.nr>1.</li.nr><al>Een nieuwe bodemverontreiniging met PFAS wordt zoveel mogelijk ongedaan gemaakt, tot onder de gehalten opgenomen in artikel 4 indien dat redelijkerwijs mogelijk is.</al></li><li><li.nr>2.</li.nr><al>Herstelmaatregelen om een nieuwe bodemverontreiniging met PFAS ongedaan te maken worden beschreven in een plan van aanpak.</al></li><li><li.nr>3.</li.nr><al>Het plan van aanpak zoals bedoeld in het tweede lid van dit artikel wordt, voordat wordt begonnen met de herstelmaatregelen om de nieuwe bodemverontreiniging met PFAS ongedaan te maken, ingediend bij Gedeputeerde Staten van Noord-Holland. Gedeputeerde Staten kunnen met betrekking tot de in het plan van aanpak beschreven herstelmaatregelen aanwijzingen geven in de zin van artikel 27, tweede lid Wbb.</al></li><li><li.nr>4.</li.nr><al>Indien degene op wie de zorgplicht rust van oordeel is dat ongedaan maken van een nieuwe bodemverontreiniging met PFAS tot onder de gehalten genoemd in artikel 4 redelijkerwijs niet verlangd kan worden, wordt dit in het plan van aanpak onderbouwd. Bij de onderbouwing kan aansluiting worden gezocht bij de ‘Handreiking Zorgplicht Onder Artikel 13 Wbb bij bodemverontreiniging met PFAS’ (februari 2025). </al></li><li><li.nr>5.</li.nr><al>Degene op wie geen zorg- en herstelplicht rust, kan gebruik maken van de saneringsregeling van paragraaf 3 in hoofdstuk IV van de Wet bodembescherming. Hierbij geldt het beoordelingskader van artikel 7.</al></li></lijst></artikel><paragraaf><kop><label /><nr /><titel>UITGANGSPUNTEN HISTORISCHE BODEMVERONTREINIGING MET PFAS</titel></kop></paragraaf><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Melding artikel 28 Wet bodembescherming</titel></kop><al>Onder verontreiniging als bedoeld in artikel 28 van de Wet wordt wat PFAS betreft verstaan verontreiniging met PFAS boven de achtergrondwaarden uit artikel 7, eerste lid (landelijke achtergrondwaarden, klasse Landbouw/Natuur).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Beoordelingskader en sanering historische bodemverontreiniging met PFAS</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de op een locatie aangetroffen gehalten van PFOS of PFOA in de grond lager zijn dan respectievelijk 1,4 µg/kg en 1,9 µg/kg, of in grondwater lager dan 0,01 µg/l, wordt de locatie als niet verontreinigd beschouwd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de gehalten van PFOS in de grond tussen 1,4 µg/kg en 59 µg/kg liggen of de gehalten in grondwater tussen 0,01 µg/l en 2,7 µg/l liggen, of indien de gehalten van PFOA in de grond tussen 1,9 µg/kg en 60 µg/kg liggen of de gehalten in grondwater tussen 0,01 µg/l en 8,6 µg/l liggen, wordt de locatie als verontreinigd beschouwd, maar is bodemsanering in beginsel niet noodzakelijk. Dit lid geldt niet voor grondwater binnen een grondwaterbeschermingsgebied of waterwingebied, waarvoor een afzonderlijk criterium is opgenomen in het vijfde lid van dit artikel.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij gehalten van PFOS in de grond hoger dan 59 µg/kg in minimaal 25 m3 of gehalten in grondwater hoger dan 2,7 µg/l in minimaal 100 m3 bodemvolume, of bij gehalten van PFOA in de grond hoger dan 60 µg/kg in minimaal 25 m3 of gehalten in grondwater hoger dan 8,6 µg/l in minimaal 100 m3 bodemvolume wordt de bodem als ernstig verontreinigd beschouwd en dient een risicobeoordeling te worden uitgevoerd om te bepalen of de verontreiniging tevens leidt tot zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als sprake is van een mengsel van PFAS in de bodem dient rekening te worden gehouden met mengseltoxiciteit. Voor zover in grond sprake is van twee of meer soorten PFAS, en het totaalgehalte PFAS hoger is dan 60 µg/kg in minimaal 25 m3, dient een risicobeoordeling te worden uitgevoerd om te bepalen of de verontreiniging tevens leidt tot zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Bij een som van PFAS in grondwater binnen een grondwaterbeschermingsgebied of waterwingebied hoger dan 0,1 µg/l<noot><noot.nr>1</noot.nr><noot.al>de som van per- en polyfluoralkylstoffen die risicovol worden geacht in verband met voor menselijke consumptie bestemd water en die zijn opgenomen in Bijlage III, deel B, punt 3 van de Drinkwaterrichtlijn.</noot.al></noot> dient een risicobeoordeling te worden uitgevoerd om te bepalen of de verontreiniging tevens leidt tot zodanige risico’s voor de drinkwaterwinning dat maatregelen getroffen dienen te worden. Het betreffende drinkwaterbedrijf heeft daarbij een adviesrol.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Op gemeten gehalten van PFAS in de grond zoals bedoeld in het eerste, tweede, derde en vierde lid van dit artikel is de bodemtypecorrectie voor organische stoffen van toepassing indien het organisch stofgehalte 10% of hoger is. Als het gehalte organisch stof boven de 30% is aangetoond dient het gehalte organisch stof van 30% gebruikt te worden bij de bodemtypecorrectie.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Degene die voornemens is de bodem te saneren onderbouwt schriftelijk in een saneringsplan als bedoeld in artikel 39 van de Wet hoe de sanering van de historische bodemverontreiniging met PFAS wordt uitgevoerd en welke saneringsdoelstelling behaald wordt. Indien de saneringsdoelstelling voor PFOS, PFOA of overige PFAS hoger is dan de gehalten als opgenomen in het derde, vierde of vijfde lid van dit artikel wordt dit gemotiveerd. Alleen indien en voor zover Gedeputeerde Staten schriftelijk instemmen met deze afwijkende saneringsdoelstelling kan deze doelstelling als uitgangspunt worden gekozen voor de sanering.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Stoffen behorend tot PFAS worden individueel per stof beoordeeld. Voor de gehalten van deze stoffen, m.u.v. PFOA, gelden de normen en handelwijze in deze beleidsregel zoals die voor PFOS gelden.</al></lid><al /></artikel><paragraaf><kop><label /><nr /><titel>TIJDELIJK UITPLAATSEN VAN MET PFAS VERONTREINIGDE GROND BIJ DE UITVOERING VAN PROJECTMATIGE WERKZAAMHEDEN </titel></kop></paragraaf><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Tijdelijk uitplaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het tijdelijk uitplaatsen van met PFAS verontreinigde grond, waarbij de grond na ontgraving weer wordt teruggebracht in het profiel van de ontgraving, is mogelijk indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: </al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>De grond wordt na uitplaatsen zoveel mogelijk teruggebracht in het hetzelfde ontgravingsprofiel en onder dezelfde bodemomstandigheden zonder dat de grond een bewerking heeft ondergaan; </al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>Eventuele overtollige grond wordt van de locatie afgevoerd; en </al></li><li><li.nr>c.</li.nr><al>Indien een leeflaag aanwezig is, mag in de leeflaag geen met PFAS verontreinigde grond worden teruggeplaatst indien de kwaliteit hiervan slechter is dan de kwaliteit van de leeflaag.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op het tijdelijk uitplaatsen is artikel 4 (melding nieuw geval artikel 27 Wbb) dan wel artikel 6 (melding artikel 28 van de Wet) van overeenkomstige toepassing. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het tijdelijk uitplaatsen is toegestaan voor de maximum duur van zes maanden. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Grond die (gecorrigeerde) gehalten bevat als genoemd in artikel 7, derde en vierde lid mag niet worden teruggeplaatst. </al></lid><al /></artikel><paragraaf><kop><label /><nr /><titel>HERSCHIKKEN BINNEN SANERINGSLOCATIE </titel></kop></paragraaf><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Herschikken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Herschikken van met PFOS en/of PFOA verontreinigde grond binnen een saneringslocatie, is niet toegestaan in geval van (gecorrigeerde) gehalten als genoemd in artikel 7, derde en vierde lid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Herschikken van verontreinigde grond binnen een saneringslocatie, is alleen toegestaan indien maatregelen worden getroffen waardoor het herschikken niet leidt tot een milieuhygiënische verslechtering van de locatie en/of een risico voor het gebruik. </al></lid><al /></artikel><paragraaf><kop><label /><nr /><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop></paragraaf><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het provinciaal blad waarin het wordt geplaatst.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Intrekking</titel></kop><al>De Beleidsregel PFAS Noord-Holland 2022 wordt ingetrokken.</al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><ondertekening><!--al naar functie elementen vertaald (inhoudelijk gedeeltelijk onjuist)--><functie>Haarlem, 30 juni 2026</functie></ondertekening><ondertekening><functie /></ondertekening><ondertekening><functie /><functie>Gedeputeerde Staten van Noord-Holland,</functie></ondertekening><ondertekening><functie /><functie>A.Th.H. van Dijk,</functie><functie>voorzitter.</functie></ondertekening><ondertekening><functie /><functie>M. van Kuijk,</functie><functie>provinciesecretaris.</functie></ondertekening><ondertekening><functie /></ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label /><nr /><titel>TOELICHTING op Beleidsregel PFAS Noord-Holland 2026</titel></kop><al><nadruk type="vet"><nadruk type="ondlijn">ALGEMEEN</nadruk></nadruk></al><al /><al>Gedeputeerde Staten van Noord-Holland zijn onder het overgangsrecht van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet nog steeds bevoegd gezag in het kader van de (voormalige) Wet bodembescherming (Wbb) in de provincie Noord-Holland, met uitzondering van het grondgebied van de gemeenten Alkmaar, Amsterdam, Haarlem en Zaanstad. De uitvoering van deze taak is belegd bij de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied, Omgevingsdienst IJmond, Omgevingsdienst Flevoland &amp; Gooi en Vechtstreek en de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord. De Wet bodembescherming is ingetrokken bij inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024, maar op grond van het overgangsrecht van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet is de Wbb in bepaalde situaties nog van toepassing.</al><al /><al>Op 11 juli 2017 hebben Gedeputeerde Staten de beleidsregel PFOS en PFOA Noord-Holland vastgesteld. Op 19 november 2019 is de beleidsregel herzien vastgesteld op basis van ontwikkelingen en nieuw beschikbaar gekomen informatie. De ontwikkelingen die zich sinds november 2019 hebben voorgedaan en de nieuwe informatie die beschikbaar is gekomen, waren reden de beleidsregel uit 2019 te vervangen door de beleidsregel uit 2022. In die beleidsregel conformeert Gedeputeerde Staten zich aan de door het RIVM meest recent vastgestelde indicatieve niveaus van ernstige verontreiniging (INEV) voor PFOS en PFOA in grond en grondwater en wordt ten behoeve van regionale en nationale afstemming uitgegaan van de landelijk vastgestelde achtergrondwaarden voor PFOS en PFOA in grond. Tevens wordt op basis van het advies van het RIVM zoveel als mogelijk rekening gehouden met mengseltoxiciteit (introductie som-norm) en wordt voor grondwater in gebieden in relatie tot winning van grondwater als drinkwater een strengere som-norm geïntroduceerd.</al><al /><al>De beleidsregel uit 2022 is opgesteld op basis van de inzichten van toen, met als doel de uitvoeringspraktijk een duidelijk handvat te geven wanneer de bodem als verontreinigd met PFAS dient te worden beschouwd en wanneer saneringsmaatregelen dienen te worden genomen. Normering van PFAS in grond en water (grondwater, drinkwater en oppervlaktewater) is nog steeds in ontwikkeling. Op Rijkniveau loopt een traject voor de verankering van de normering van PFAS in wet- en regelgeving. Er lopen nog diverse wetenschappelijke onderzoeken naar het voorkomen en het gedrag van PFAS in het milieu (inclusief water en voeding), waarmee nieuwe inzichten kunnen ontstaan. Wijzigingen van Rijksbeleid voor PFAS-verbindingen dan wel andere landelijke regelgeving (bijvoorbeeld het Drinkwaterbesluit of de Richtlijn Prioritaire Stoffen) die van invloed is op de beleidsregel kunnen aanleiding zijn voor evaluatie en aanpassing van deze beleidsregel, waarbij het uitgangspunt is dat het landelijk beleid wordt gevolgd. Ook indien het RIVM nieuwe milieukwaliteitswaarden voor PFAS-verbindingen rapporteert, kan dit aanleiding zijn de beleidsregel te evalueren en aan te passen. Hiervan is op dit moment geen sprake.</al><al /><al>Wel is er door het verschijnen van de landelijke ‘Handreiking Zorgplicht Onder Artikel 13 Wbb bij bodemverontreiniging met PFAS’(februari 2025) aanleiding om de beleidsregel uit 2022 aan te passen.</al><al /><al><nadruk type="vet"><nadruk type="cur">Overzicht wijzigingen</nadruk></nadruk></al><al /><al>In onderstaande opsomming zijn de belangrijkste wijzigingen aangegeven die zijn doorgevoerd in de beleidsregel PFAS Noord-Holland 2025 ten opzichte van de voorgaande beleidsregel PFAS Noord-Holland 2022. Na deze opsomming volgt de verdere toelichting op de beleidsregel en de wijzigingen.</al><al /><lijst><li><li.nr>-</li.nr><al>Er wordt in de beleidsregel verwezen naar de landelijke ‘Handreiking Zorgplicht Onder Artikel 13 Wbb bij bodemverontreiniging met PFAS’ (februari 2025) voor het onderbouwen waarom volledig herstel van de bodemkwaliteit bij een nieuwe verontreiniging redelijkerwijs niet kan worden geëist; </al></li><li><li.nr>-</li.nr><al>Dat de Omgevingswet inmiddels in werking is getreden is in de beleidsregel verwerkt;</al></li></lijst><al><nadruk type="vet"><nadruk type="cur">Doel beleidsregel</nadruk></nadruk></al><al /><al>Gedeputeerde Staten streven met deze beleidsregel de volgende doelen na:</al><al /><lijst><li><li.nr>-</li.nr><al>Bij te dragen aan een eenduidige en milieuhygiënisch verantwoorde manier van omgaan met PFAS-verontreinigingen in de bodem.</al></li><li><li.nr>-</li.nr><al>Duidelijkheid te bieden aan partijen die geconfronteerd worden met de aanwezigheid van PFAS in de bodem voor zover het betreft de vraag of al dan niet sprake is van een verontreiniging en de vraag of bodemsanering (historische verontreiniging) of herstel van de bodemkwaliteit (nieuw geval) nodig kan zijn.</al></li></lijst><al>Aan het opstellen van deze beleidsregel liggen de volgende overwegingen ten grondslag.</al><al /><al>PFAS komen overal in Noord-Holland voor, maar ook in de rest van Nederland en daarbuiten. Zoals uit het onderzoek naar achtergrondwaarden in Noord-Holland (zie elders in deze toelichting) blijkt, geldt dit vooral voor PFOS en PFOA. Overige PFAS komen in Noord-Holland buiten sommige bronlocaties niet of nauwelijks voor (zie toelichting onder Achtergrondgehalten PFAS Noord-Holland). Ook landelijk is inmiddels onderzoek uitgevoerd naar de achtergrondwaarden en hieruit blijkt dat in heel Nederland PFAS in de grond en het grondwater worden aangetroffen.</al><al /><al>Tegelijkertijd is er slechts in beperkte mate landelijk beleid met betrekking tot PFAS bodemverontreinigingen. Sinds 8 juli 2019 is er een tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Dit handelingskader is in december 2021 en december 2023 geactualiseerd. Het in dit handelingskader neergelegde beleid is echter primair gericht op hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie. Saneringsbeleid ontbreekt. Dit leidt tot stagnatie en onduidelijkheid in projecten waarin met grond gewerkt wordt en tot een duidelijke toename van projectkosten.</al><al /><al>De algemene wet bestuursrecht biedt Gedeputeerde Staten de mogelijkheid om beleidsregels vast te stellen over hun bevoegdheden, dus ook over de bevoegdheden onder de Wet bodembescherming. Relevant hierbij is de Richtlijn voor het omgaan met niet-genormeerde stoffen (bijlage 6 bij de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013).</al><al /><al>In de beleidsregel wordt in beginsel niet ingegaan op zaken die in landelijke regelgeving zoals de Wet bodembescherming al afdoende geregeld zijn. </al><al /><al>Gedeputeerde Staten vinden het belangrijk dat er meer informatie komt met betrekking tot het voorkomen van en de risico’s van PFAS verontreiniging. Derhalve is ervoor gekozen aangetroffen verontreinigingen altijd te laten melden, indien de gehalten boven de in Noord-Holland aangetroffen achtergrondgehalten liggen. Bovendien vinden zij het belangrijk dat de beleidsregel aansluit bij de beschikbare kennis en landelijke regelgeving.</al><al /><al><nadruk type="vet"><nadruk type="cur">PFAS</nadruk></nadruk></al><al /><al>De afkorting PFAS staat voor poly- en perfluoralkylstoffen. Dit zijn door de mens gemaakte stoffen die van nature niet in het milieu voorkomen. Er zijn duizenden verschillende PFAS verbindingen.</al><al /><al>PFOS (perfluor-octaansulfonaat) en PFOA (perfluor-octaanzuur) zijn de bekendste verbindingen en worden breed verspreid in het milieu aangetroffen, niet alleen in Noord-Holland, maar overal ter wereld. In het geval van PFOS bestaat die functionele groep uit een sulfonaat-groep. Zelfs onder extreme condities, zoals hoge temperatuur en de aanwezigheid van agressieve stoffen, zoals basen, zuren en oxiderende stoffen blijven de verbindingen zeer stabiel. PFOS en PFOA zijn persistent. Deze stoffen breken niet af in water of bodem, ook niet onder invloed van licht of door bacteriën, alleen bij verbranding onder extreem hoge temperatuur. De sulfonaatgroep in PFOS zorgt er verder voor dat de stof beter oplosbaar is in water dan fluorverbindingen met hetzelfde aantal koolstofatomen zonder deze groep.</al><al /><al>PFOS, PFOA en alle andere PFAS zijn zogenaamde zeer zorgwekkende stoffen (ZZS). Het overheidsbeleid is er op gericht om deze stoffen zoveel mogelijk uit de leefomgeving te weren. De aanwezigheid van ZZS dient zowel aan de “voorkant” (preventie) als aan de “achterkant” (beheer) aangepakt te worden. Beheer is van toepassing op reeds in het milieu aanwezige PFAS en op de risico’s die dit met zich mee brengt. Voorliggende beleidsregel geeft op het vlak van bodemsanering (historische verontreiniging) en herstelmaatregelen (nieuwe verontreiniging) invulling aan dit beheer.</al><al /><al>Hoewel het verspreidings- en hechtingsgedrag in de bodem moeilijk goed te voorspellen is, kan gesteld worden dat de mobiliteit, zeker in vergelijking met andere persistente stoffen, aanzienlijk is. </al><al /><al>De eigenschappen van PFAS hebben geleid tot vele gebruikstoepassingen, bijvoorbeeld in blusschuim en water- of vuilafstotende coating. Doordat PFAS tientallen jaren veel en in grote hoeveelheden zijn gebruikt en niet afgebroken worden, worden zij wereldwijd overal in het milieu aangetroffen en is er sprake van een diffuse achtergrondbelasting.</al><al /><al><nadruk type="vet"><nadruk type="cur">Normering in relatie tot bodemverontreiniging</nadruk></nadruk></al><al /><al>Sommige stoffen kunnen leiden tot bodemverontreiniging. Voor veel van die stoffen zijn normen vastgesteld, zogenaamde streef- en interventiewaarden. Die waarden worden vastgesteld door het Rijk en zijn terug te vinden in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013. Aan de hand van deze normen wordt vastgesteld of er sprake is van een ernstige bodemverontreiniging, en ook of er sprake is van een verplichting om de bodemverontreiniging te saneren. Voor PFAS zijn deze normen niet vastgesteld.</al><al /><al><nadruk type="vet"><nadruk type="cur">Handelingskader</nadruk></nadruk></al><al /><al>Het Rijk heeft december 2023 een geactualiseerd handelingskader (HK) PFAS vastgesteld. Het gewijzigde handelingskader betreft de vierde actualisatie, na de eerste versie van juli 2019 en de actualisaties van december 2019, juli 2020 en december 2021. Het HK kent vooral regels die relevant zijn voor hergebruik van PFAS houdende grond en baggerspecie. In het HK zijn landelijke achtergrondwaarden voor PFAS opgenomen.</al><al /><al>Het HK geeft geen invulling aan interventiewaarden bodemsanering en herstelmaatregelen ex artikel 13 Wet bodembescherming. Het HK wordt op termijn opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit 2022. Met het HK wordt beoogd om invulling te geven aan de geldende zorgplichten overeenkomstig het voorzorgbeginsel.</al><al /><al>Met de actualisatie van het handelingskader in 2023 zijn de toepassingswaarden gelijk gebleven. Het HK stelt dat grond met gehalten lager dan respectievelijk 3 µg/kg PFOS, 7 µg//kg PFOA en 3 µg/kg GenX<extref doc="https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR689909/1">2</extref> vrij toegepast kan worden in gebieden met bodemgebruik wonen of industrie. Deze waarden geven gehalten aan waaronder volgens de inzichten van het RIVM geen risico’s zijn voor mens en milieu. Voor bodemgebruik landbouw en natuur geldt een grens van 1,4 µg/kg PFOS en 1,9 µg/kg PFOA en 1,4 µg/kg voor overige PFAS. Daarboven is hergebruik van grond alleen mogelijk indien dit niet tot verslechtering van de ontvangende bodem leidt.</al><al /><al><nadruk type="vet"><nadruk type="cur">Achtergrondwaarden PFAS Noord-Holland - grond</nadruk></nadruk></al><al /><al>De provincie heeft onderzoek laten doen naar achtergrondwaarden PFAS in Noord-Holland (rapport Bepaling achtergrondconcentratieniveaus PFAS in Noord-Holland, Sweco SWNL0249929; november 2019). Er zijn verspreid over de provincie 100 locaties onderzocht, waarvoor zover dit op basis van de huidige kennis kon worden nagegaan er geen sprake is van bronlocaties en geen beïnvloeding vanuit bronlocaties van PFAS plaatsvindt. Hierbij zijn ruime bufferzones rond mogelijke bronlocaties aangehouden, om met grote zekerheid te kunnen stellen dat er geen invloed is van bronlocaties. De onderzoekslocaties kunnen in drie categorieën ingedeeld worden: landbouw, natuur en overig.</al><al /><al>De aangetroffen gehalten zijn voor diverse bodemlagen gerapporteerd (0 – 10 cm, 0 – 50 cm, 0 – 100 cm; 10 – 50 cm, 50 – 100 cm).</al><al /><al>De belangrijkste resultaten uit dit onderzoek zijn:</al><al /><lijst><li><li.nr>-</li.nr><al>De gemeten gehalten geven een representatief beeld van achtergrondwaarden in gebieden in Noord-Holland die niet door lokale bronnen zijn belast.</al></li><li><li.nr>-</li.nr><al>PFOS en PFOA komen vrijwel overal in lage gehalten voor.</al></li><li><li.nr>-</li.nr><al>De aangetroffen gehalten in Noord-Holland zijn dermate laag, dat zij uitgaande van op dit moment beschikbare gegevens geen risico’s voor mens en milieu opleveren. Zij zijn lager dan de laagste op risico’s gebaseerde waarden, 3 µg/kg PFOS, 7 µg/kg PFOA, uit respectievelijk het HK, een rapportage van het RIVM uit april 2019 (kenmerk 067/2019 DMG/BL/AW) en een memo ‘Achtergrondwaarden en risicogrenzen ten behoeve van onderbouwing Maximale Waarden PFAS voor toepassen van grond en baggerspecie’ van het RIVM van 20 juli 2021 (versie 1.1).</al></li><li><li.nr>-</li.nr><al>Andere PFAS komen zelden voor en als er andere PFAS voorkomen is dit altijd in combinatie met PFOS en/of PFOA en in lagere gehalten dan PFOS en/of PFOA. GenX is in Noord-Holland niet aangetroffen.</al></li><li><li.nr>-</li.nr><al>De verschillen in de drie categorieën zijn beperkt en geen reden om onderscheid in achtergrondconcentraties per categorie te maken. Er lijkt sprake te zijn van iets hogere gehalten in natuurgebieden voor PFOS dan in de andere categorieën. Dit kan mogelijk verklaard kan worden doordat de bovenste halve meter in deze gebieden minder verstoord wordt en eventuele depositie uit de lucht langer in de bovenste laag aanwezig blijft.</al></li><li><li.nr>-</li.nr><al>Aan de kust worden iets hogere gehalten aan PFOS aangetroffen dan elders in de provincie, maar gezien de geringe verschillen vormt dit geen aanleiding om onderscheid in achtergrondwaarden te maken.</al></li></lijst><al><nadruk type="vet"><nadruk type="cur">Achtergrondwaarden landelijk – grond en grondwater</nadruk></nadruk></al><al /><al>Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) heeft in opdracht van het Rijk onderzoek uitgevoerd om een landsdekkend beeld te verkrijgen van PFAS in respectievelijk de grond (RIVM rapport 2020-0100) en het grondwater (RIVM rapport 2021-0205).</al><al /><al>In 2019 heeft het RIVM al tijdelijke achtergrondwaarden bepaald aan de hand van beschikbare metingen van derden in relatief schone gebieden. Om het beeld te complementeren heeft het RIVM in 2020 nieuw onderzoek gedaan op meer dan 100 locaties in Nederland, naar 29 PFAS-verbindingen. Op basis van de concentraties zijn voor twee veelvoorkomende PFAS (PFOS en PFOA) zogenoemde achtergrondwaarden bepaald. De overige PFAS die in dit onderzoek zijn geanalyseerd werden slechts sporadisch in landbouw- en natuurgebieden aangetroffen, waardoor voor deze stoffen geen achtergrondwaarde is vastgesteld. De onderzoekslocaties zijn ingedeeld in 3 categorieën: landbouw, natuur en bebouwd gebied. Er is onderzoek gedaan op twee dieptes: 0-20 cm en 50-100 cm ten opzichte van het maaiveld.</al><al /><al>Van een deel van de PFAS is bekend dat zij in meer of mindere mate mobiel zijn. In 2021 is onderzoek uitgevoerd naar het voorkomen van PFAS in grondwater met als beoogd doel het verkrijgen van een landsdekkend beeld van de diffuse belasting van het grondwater in Nederland tot een diepte van circa 25 meter onder het maaiveld. Voor het freatisch grondwater is op circa 100 punten het grondwater bemonsterd, op dezelfde locaties als waar in 2020 de bodem is bemonsterd voor het achtergrondwaarde onderzoek. Voor het ondiep (10 m-mv) en middeldiep (25 m-mv) grondwater is gebruik gemaakt van het Landelijk Grondwatermeetnet (LMG), waarbij in totaal op 100 punten het grondwater is bemonsterd.</al><al /><al>De belangrijkste resultaten van deze onderzoeken zijn:</al><al /><lijst><li><li.nr>-</li.nr><al>In heel Nederland worden PFAS in grond en grondwater aangetroffen. Het gaat meestal om lage concentraties.</al></li><li><li.nr>-</li.nr><al>De achtergrondwaarden gelden voor heel Nederland, voor gebieden die niet door lokale bronnen zijn belast. De concentraties PFAS blijken in bebouwd gebied doorgaans iets hoger dan in landbouw- en natuurgebieden.</al></li><li><li.nr>-</li.nr><al>De aangetroffen gehalten in Nederland zijn dermate laag, dat zij uitgaande van op dit moment beschikbare gegevens geen risico’s voor mens en milieu opleveren. Zij zijn lager dan de laagste op risico’s gebaseerde waarden, 3 µg/kg PFOS, 7 µg//kg PFOA, uit het HK.</al></li><li><li.nr>-</li.nr><al>De hoogste concentraties PFAS zijn gevonden in het grondwater dat net onder het bodemoppervlak zit, direct onder het maaiveld. Maar ook in dieper en ouder grondwater zijn PFAS gemeten.</al></li><li><li.nr>-</li.nr><al>De metingen voor het onderzoek naar grondwater zijn voor een deel op dezelfde locaties gedaan als het grondonderzoek. Het RIVM heeft daardoor kunnen onderzoeken of er een verband is tussen concentraties in de grond en in het grondwater. Dat verband is niet gevonden.</al></li></lijst><al><nadruk type="vet"><nadruk type="cur">Meetnet grondwaterkwaliteit Noord-Holland</nadruk></nadruk></al><al /><al>In 2021 is het provinciale grondwatermeetnet voor de Kaderrichtlijn Water (KRW) bemonsterd. Daarbij is het grondwater onderzocht op een ruime groep PFAS. Met name PFOA is veelvuldig (in bijna 25% van de metingen) aangetroffen. In aanvulling op het achtergrondwaarden onderzoek van RIVM, is in het provinciale KRW meetnet een duidelijke ruimtelijke differentiatie waargenomen.</al><al /><al>PFOA komt vooral verhoogd voor in het kustgebied, waarbij een correlatie is vastgesteld tussen de afstand tot de kust en de diepte van het grondwater. Hoe dichter bij de kust en hoe ondieper het meetpunt, hoe hoger de concentratie PFOA. Dat lijkt te duiden op een invloed vanuit zee en inbreng vanaf maaiveld. Om de exacte bron te kunnen achterhalen dient er nader onderzoek plaats te vinden, maar literatuur suggereert dat “seaspray” de mogelijke bron zou kunnen zijn.</al><al /><al><nadruk type="vet"><nadruk type="cur">Onderscheid historische en nieuwe verontreinigingen</nadruk></nadruk></al><al /><al>De Wet bodembescherming (Wbb) maakt onderscheid tussen zogenaamde historische en nieuwe bodemverontreinigingen. Bodemverontreinigingen die zijn ontstaan voor 1 januari 1987, worden beschouwd als historische bodemverontreinigingen. Verontreinigingen die zijn ontstaan vanaf 1 januari 1987 gelden als nieuwe bodemverontreinigingen.</al><al /><al>Voor sommige bodemverontreinigingen geldt dat deze gedeeltelijk voor en gedeeltelijk na 1 januari 1987 zijn ontstaan. In artikel 2 van de beleidsregel is een regeling opgenomen hoe om wordt gegaan met bodemverontreinigingen die gedeeltelijk voor en gedeeltelijk na 1 januari 1987 zijn ontstaan. Voor een toelichting daarop wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 2.</al><al /><al>Voor nieuwe verontreinigingen geldt de zorgplicht van artikel 13 Wbb. De zorgplicht houdt in dat de verontreiniging geheel opgeruimd of gesaneerd moet worden voor zover dit redelijkerwijs mogelijk is. Dit geldt alleen als degene die de handeling verrichtte waardoor bodemverontreiniging is ontstaan, wist of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat door die handeling de bodem kon worden verontreinigd. Diegene overtreedt dan de zorgplicht. Zie hierover de toelichting bij artikel 5. Degene die op of in de bodem handelingen verricht als bedoeld in de artikelen 6 tot en met 11 van de Wbb en daarbij kennis neemt van een verontreiniging of aantasting van de bodem die door die handelingen wordt veroorzaakt, maakt zo spoedig mogelijk melding van de verontreiniging of de aantasting bij het bevoegd gezag en moet daarbij ook aangegeven welke maatregelen in de zin van artikel 13 Wbb getroffen gaan worden (artikel 27 Wbb). Gedeputeerde Staten dienen in een voorkomend geval in de rol van bevoegd gezag te beoordelen welke maatregelen redelijkerwijs kunnen worden geëist. In de beoordeling van wat redelijkerwijs mogelijk is, zit beoordelingsvrijheid voor het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag kan bij die beoordeling rekening houden met milieuhygiënische aspecten (“wat zijn de risico’s van de aangetroffen verontreiniging?”), technisch inhoudelijke aspecten (“zijn er technieken beschikbaar om de verontreiniging te saneren?”) en financiële aspecten (“staan de kosten nog in verhouding tot milieuhygiënische baten?”). </al><al /><al>Zie verder de landelijke ‘Handreiking Zorgplicht Onder Artikel 13 Wbb bij bodemverontreiniging met PFAS’(februari 2025) onder welke omstandigheden volledig herstel van de bodemkwaliteit bij een nieuwe verontreiniging redelijkerwijs niet kan worden geëist. Zie ook de toelichting bij artikel 5.</al><al /><al>Voor historische verontreinigingen geldt het beoordelingskader van artikel 28, 29, 37 en 39 Wbb. Gedeputeerde Staten dienen in de rol van bevoegd gezag Wbb te beoordelen of er sprake is van een geval van ernstige verontreiniging (artikel 29 Wbb). Het Rijk heeft voor veel stoffen normen, de zogenaamde interventiewaarden bodemsanering, vastgesteld op basis waarvan de ernst van een verontreiniging bepaald kan worden. Indien er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging dient ook bepaald te worden of er met spoed gesaneerd dient te worden (artikel 37 Wbb). Het Rijk heeft voor veel stoffen een instrumentarium vastgesteld om te kunnen bepalen of er sprake is van spoed.</al><al /><al>Indien is vastgesteld dat er met spoed gesaneerd moet worden, dient een saneringsplan ter instemming aan het bevoegd gezag te worden voorgelegd (artikel 39 Wbb).</al><al /><al>In deze beleidsregel is het juridische onderscheid tussen nieuwe- en historische verontreinigingen aangehouden. </al><al /><al><nadruk type="vet"><nadruk type="cur">Uitgangspunten Beoordelingskader PFAS</nadruk></nadruk></al><al /><al>Het beoordelingskader vormt de inhoudelijke kern van de beleidsregel. De belangrijkste uitgangspunten die hieraan ten grondslag liggen zijn:</al><al /><lijst><li><li.nr>-</li.nr><al>De kans op onderschatting van milieuhygiënische risico’s moet klein zijn. Gezien het ontbreken van een compleet landelijk beleidskader en de bijzondere stofeigenschappen van PFAS, i.e. het zijn relatief mobiele persistente stoffen die zich kunnen ophopen in voedselketens, is ervoor gekozen voorzichtigheid te betrachten t.o.v. gangbare beoordelingen voor landelijk genormeerde stoffen. Dit uit zich vooral in het meenemen van doorvergiftiging in de voedselketen bij het bepalen van het niveau van ernstige verontreiniging.</al></li><li><li.nr>-</li.nr><al>Het uitgangspunt van een kleine kans op onderschatting van milieuhygiënische risico’s zou kunnen leiden tot onnodige en kostbare ingrepen. Daarom is het nodig dat er ruimte is voor maatwerk bij het onderbouwen en beoordelen van overschrijdingen van aangegeven waarden. Per situatie dienen de daadwerkelijke risico’s en spoedeisendheid, en in geval van een noodzakelijke ingreep het te bereiken saneringsdoel in een saneringsplan of plan van aanpak onderbouwd te worden en door het bevoegd gezag beoordeeld te worden.</al></li></lijst><al>Bij de beoordeling van PFAS verontreinigingen wordt de normering uit de beleidsregel gebruikt. Voor alle PFAS verontreinigingen geldt dat het resultaat na sanering (historische verontreiniging) of herstel (nieuwe verontreiniging) ten minste geschikt moet zijn voor een veilig gebruik van de locatie voor mens en milieu. Dit dient per locatie bepaald te worden, waarbij locatiespecifieke omstandigheden betrokken kunnen worden.</al><al /><al><nadruk type="vet"><nadruk type="cur">Omgevingswet</nadruk></nadruk></al><al /><al>Bij de vaststelling van deze beleidsregel is de Omgevingswet in werking getreden. De Wet bodembescherming is bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet ingetrokken, maar blijft van toepassing op de gevallen die onder overgangsrecht vallen.</al><al /><al>Gedeputeerde staten behouden de bevoegdheden voortvloeiende uit artikel 13, 27 en 95 Wbb ten aanzien van bodemverontreinigingen die zijn veroorzaakt in de periode vanaf 1 januari 1987 tot het moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet. Het in deze beleidsregel aangepaste begrip voor ‘nieuwe bodemverontreiniging’ is daarop aangepast. Voor ‘nieuwe bodemverontreinigingen’ (onder de Wbb) kan de beleidsregel blijven worden toegepast, ook na inwerkingtreding van de Omgevingswet.</al><al /><al>Voor historische bodemverontreinigingen geldt in een beperkt aantal gevallen overgangsrecht. In die gevallen waarbij er vóór inwerkingtreding van de Omgevingswet al een besluit is genomen op grond van 29 juncto artikel 37 eerste lid Wbb of als er op grond van 39 of 40 Wbb een saneringsplan is ingediend (enkel voor het gedeelte waarop het saneringsplan betrekking heeft), blijft het oude recht van toepassing. Gedeputeerde Staten heeft met ingang van de inwerkingtreding van de Omgevingswet echter niet meer de bevoegdheid om een besluit te nemen op grond van 29 juncto artikel 37, eerste lid Wbb (behalve naar aanleiding van een voor inwerkingtreding van de Omgevingswet ingediend saneringsplan waarbij de ernst van de verontreiniging en de spoedeisendheid van de sanering nog niet eerder was vastgesteld). Dat brengt met zich mee dat bepaalde onderdelen van de beleidsregel niet meer toepasbaar zullen zijn voor historische bodemverontreinigingen die buiten het overgangsrecht vallen. </al><al /><al><nadruk type="vet"><nadruk type="ondlijn">ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</nadruk></nadruk></al><al /><al><nadruk type="vet"><nadruk type="ondlijn">Artikel 1 Begrippen</nadruk></nadruk></al><al /><al>In dit artikel worden definities gegeven voor de in de beleidsregel gebruikte termen.</al><al /><al>Hierbij geldt:</al><al /><lijst><li><li.nr>•</li.nr><al>PFOS wordt zowel lineair als vertakt PFOS bedoeld. In deze beleidsregels genoemde waarden hebben betrekking op de som van lineair en vertakt PFOS.</al></li><li><li.nr>•</li.nr><al>Ook voor PFOA geldt dat genoemde waarden betrekking hebben op de som van lineair en vertakt PFOA.</al></li><li><li.nr>•</li.nr><al>Ook het uitvoeren van een deelsanering valt onder het begrip saneren. Een sanering kan ook in fasen uitgevoerd worden.</al></li></lijst><al>De begrippen i t/m p (met uitzondering van m) zijn grotendeels gebaseerd op de Wet bodembescherming.</al><al /><al><nadruk type="vet"><nadruk type="ondlijn">Artikel 2 Reikwijdte</nadruk></nadruk></al><al /><al><nadruk type="cur">Eerste lid</nadruk></al><al /><al>In dit artikel wordt het toepassingsbereik van de beleidsregel beschreven. Gedeputeerde Staten zijn namelijk niet overal bevoegd gezag voor landbodem in het kader van de Wbb. Naast Gedeputeerde Staten zijn binnen Noord-Holland vier gemeenten rechtstreeks bevoegd gezag Wbb. Dit zijn de gemeenten Amsterdam, Zaanstad, Alkmaar en Haarlem. Ook kent artikel 95 Wbb waar het betreft nieuwe verontreinigingen aan meerdere bestuursorganen bevoegdheden toe. Daarnaast zijn Hoogheemraadschappen en Rijkswaterstaat in de regel bevoegd gezag voor waterbodems.</al><al /><al><nadruk type="cur">Tweede, derde en vierde lid</nadruk></al><al /><al>In het tweede, derde en vierde lid van dit artikel wordt omschreven wanneer een bodemverontreiniging als nieuwe of historische verontreiniging moet worden gezien. Kort samengevat komt het erop neer dat als een bodemverontreiniging voor meer dan de helft is ontstaan na 31 december 1986 er sprake is van een nieuwe verontreiniging. Als aannemelijk is dat meer dan de helft voor 1 januari 1987 is ontstaan wordt de verontreiniging als historisch beschouwd. Het gaat daarbij om het moment van de gebeurtenis of het moment waarop de handelingen zijn verricht waardoor het grootste deel van de verontreiniging is ontstaan. Indien onduidelijk is of een verontreiniging als historisch of nieuw moet worden aangeduid, geldt dat uit het bodemonderzoek moet blijken wat het meest aannemelijk is. Indien geen duidelijkheid verkregen kan worden, kan in het algemeen aangenomen worden dat het een historische verontreiniging betreft.</al><al /><al><nadruk type="vet"><nadruk type="ondlijn">Artikel 3 Onderzoek</nadruk></nadruk></al><al /><al>Als een initiatiefnemer van plan is handelingen uit te gaan voeren op of in de bodem dient op basis van historisch- of vooronderzoek nagegaan te worden of er sprake is van een reële verdenking dat PFAS in de bodem wordt aangetroffen in gehalten die hoger zijn dan diffuus voorkomende achtergrondgehalten, zoals opgenomen in artikel 7 lid 1 van deze beleidsregel, en die risico’s voor de mens of het milieu kunnen opleveren. Indien er sprake is van een reële verdenking, dient bodemonderzoek te worden uitgevoerd op het voorkomen van PFOS en PFOA verontreiniging. De reden hiervoor is, dat uit het onderzoek naar achtergrondwaarden is gebleken, dat deze stoffen op de meeste plaatsen worden aangetroffen, terwijl andere PFAS op weinig plaatsen en bovendien in lagere gehalten en in combinatie met PFOS en PFOA worden aangetroffen. Indien er op grond van het historisch of vooronderzoek verdenkingen zijn op het voorkomen van andere PFAS, dient ook hierop onderzocht te worden.</al><al /><al>Bij het uitvoeren van een historisch- of vooronderzoek kan in ieder geval gesteld worden dat op de volgende locaties sprake kan zijn van een reële verdenking dat PFAS wordt aangetroffen:</al><al /><lijst><li><li.nr>•</li.nr><al>Brandweer(oefen)locaties</al></li><li><li.nr>•</li.nr><al>Locaties van grote (chemische) branden</al></li><li><li.nr>•</li.nr><al>Vliegvelden</al></li><li><li.nr>•</li.nr><al>Militaire (oefen)locaties</al></li><li><li.nr>•</li.nr><al>Seveso bedrijven</al></li><li><li.nr>•</li.nr><al>Verwerkende industrie zoals Galvanische bedrijven, productie en verwerking teflon en andere gefluoreerde polymeren, textiel industrie, halfgeleider industrie, foto-industrie, papier en verpakkingsindustrie, lak- en verfindustrie , fabricage van cosmetica en reinigingsmiddelen.</al></li><li><li.nr>•</li.nr><al>Bedrijven die werken met blusschuim</al></li><li><li.nr>•</li.nr><al>(voormalige) stortplaatsen</al></li><li><li.nr>•</li.nr><al>AWZI’s (slibvelden)</al></li><li><li.nr>•</li.nr><al>Locaties nabij industrie waar PFAS gebruikt wordt in productieprocessen</al></li><li><li.nr>•</li.nr><al>Locaties waarop in het verleden met PFAS verontreinigde grond of bagger is toegepast</al></li></lijst><al>In de eerder genoemde RIVM rapportage uit 2019 wordt aangegeven welke analysemethoden voor de bepaling van PFAS gehalten gebruikt kunnen worden (RIVM kenmerk 067/2019 DMG/BL/AW).</al><al /><al><nadruk type="vet"><nadruk type="ondlijn">UITGANGSPUNTEN NIEUWE BODEMVERONTREINIGING MET PFAS</nadruk></nadruk></al><al /><al><nadruk type="vet"><nadruk type="ondlijn">Artikel 4 Melding artikel 27 Wet bodembescherming</nadruk></nadruk></al><al /><al>Als uit een bodemonderzoek zoals bedoeld in artikel 3 van de beleidsregel blijkt dat er een nieuwe bodemverontreiniging met PFAS in de bodem aanwezig is, moet dit worden gemeld bij Gedeputeerde Staten op grond van artikel 27 Wbb indien de aangetroffen gehalten hoger zijn dan de achtergrondgehalten zoals opgenomen in artikel 4.</al><al /><al>Daarnaast geldt de meldplicht van artikel 27 Wbb onverkort voor degene die een bodemverontreiniging met PFAS heeft veroorzaakt (artikel 27, eerste lid, Wbb), maar ook voor degene die bij het veroorzaken van een dergelijke bodemverontreiniging was betrokken (artikel 27, derde lid, Wbb).</al><al /><al><nadruk type="vet"><nadruk type="ondlijn">Artikel 5 Ongedaan maken nieuwe bodemverontreiniging met PFAS</nadruk></nadruk></al><al /><al>Artikel 13 Wet bodembescherming luidt als volgt: ‘Ieder die op of in de bodem handelingen verricht als bedoeld in de <extref doc="https://wetten.overheid.nl/BWBR0003994/2022-05-01"><nadruk type="ondlijn">artikelen 6 tot en met 11</nadruk></extref> en die weet of <nadruk type="vet">redelijkerwijs</nadruk> had kunnen vermoeden dat door die handelingen de bodem kan worden verontreinigd of aangetast, is verplicht alle maatregelen te nemen die <nadruk type="vet">redelijkerwijs</nadruk> van hem kunnen worden gevergd, teneinde die verontreiniging of aantasting te voorkomen, dan wel indien die verontreiniging of aantasting zich voordoet, de verontreiniging of de aantasting en de directe gevolgen daarvan te beperken en zoveel mogelijk ongedaan te maken. Indien de verontreiniging of aantasting het gevolg is van een ongewoon voorval, worden de maatregelen onverwijld genomen.’</al><al /><al>In het artikel staat twee keer het begrip ‘redelijkerwijs’ (hiervoor <nadruk type="vet">vet</nadruk> weergegeven).</al><al /><al>De eerste ‘redelijkerwijs’ in artikel 13 Wbb gaat over de wetenschap of het moeten hebben van een vermoeden van degene die handelingen met PFAS verrichtte dat hierdoor de bodem verontreinigd zou kunnen raken. Er is geen algemene datum te geven wanneer hiervan sprake is. Het hangt af van de omstandigheden van het geval en de professionaliteit van degene die de handelingen op of in de bodem heeft verricht.</al><al /><al>Wel zijn er indicaties te geven die in overweging genomen kunnen worden bij het bepalen of in een bepaalde situatie handelingen zijn verricht waarvan de uitvoerder had kunnen weten dat deze tot bodemverontreiniging met PFAS hadden kunnen leiden. </al><al /><al>Vanaf december 2006 mocht blusschuim met PFOS niet meer in de EU op de markt worden gebracht vanwege de mogelijke milieugevolgen en in juni 2011 werd ook het gebruik verboden. </al><al /><al>In juli 2008 vond op Schiphol een groot blusschuimincident plaats met PFOS.</al><al /><al>Het RIVM heeft in enkele gevallen voor 2010, maar vooral vanaf 2010 meerdere rapporten over PFAS gepubliceerd.</al><al /><al>Vanaf 2010 werden in Nederland op meerdere locaties (zoals bij luchthavens en chemische fabrieken) bodemverontreinigingen met PFAS ontdekt en ontstond ook een groeiend besef dat PFAS-verontreinigingen niet incidenteel zijn, maar structureel en diffuus kunnen voorkomen in bodem en grondwater</al><al /><al>In 2012 werd op één van die locaties, Chemours in Dordrecht, de PFOA uitstoot beëindigd. </al><al /><al>Over Chemours is evenals over het blusschuimincident op Schiphol in de loop der jaren veel in diverse media gepubliceerd.</al><al /><al>In 2017 publiceerde de provincie Noord-Holland haar eerste beleidsregel voor PFAS.</al><al /><al>In 2019 publiceerde het Rijk het Handelingskader PFAS.</al><al /><al>Gaandeweg ontstond er dus sinds 2008 een bewustzijn van de risico’s van PFAS, waarbij de focus in begin vooral op PFOS lag. Dit bewustzijn nam in de jaren daarna steeds meer toe door zowel het ontdekken van meerdere verontreinigde locaties als het verschijnen van RIVM rapporten. </al><al /><al>Van professionele partijen in Noord-Holland mag worden verwacht dat ze in de periode tussen 2008, het jaar van het blusschuim-incident op Schiphol, en 2017, het jaar waarin de provincie haar eerste beleidsregel publiceerde, voldoende op de hoogte raakten van de potentiële milieugevolgen van PFAS. Het is niet mogelijk binnen deze bandbreedte voor alle mogelijke situaties een jaartal aan te geven waarop individuele partijen voldoende bewust zouden moeten zijn. Dit hangt onder meer af van de professionaliteit van een partij, de specifieke omstandigheden van het geval en met welke PFAS-problemen de partij mogelijk te maken had. Met betrekking tot het veroorzaken van bodemverontreiniging door het gebruik van PFOS-houdend blusschuim is het duidelijk dat zeker sinds het gebruik hiervan in 2011 verboden werd partijen hiervan bewust konden zijn.</al><al /><al>Momenteel wordt landelijk gewerkt aan nadere duiding van het moment waarop veroorzakers van PFAS-verontreiniging op basis van de zorgplicht aangesproken kunnen worden. Indien dit tot vaststelling van een landelijke lijn leidt, dient deze in de plaats van bovenstaande gevolgd te worden bij toepassing van deze beleidsregel.</al><al /><al>Indien in een specifiek geval moet worden geconcludeerd dat degene die de bodemverontreiniging heeft veroorzaakt niet wist of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat door zijn handeling de bodem kon worden verontreinigd, en de zorgplicht dus niet wordt overtreden, kan worden teruggevallen op het beoordelingskader voor historische verontreiniging. Hiervoor is het vijfde lid aan artikel 5 toegevoegd.</al><al /><al>De tweede ‘redelijkerwijs’ in artikel 13 Wbb gaat kort gezegd over de mate waarin bodemverontreiniging ongedaan moet worden gemaakt als deze toch is opgetreden. Het uitgangspunt voor nieuwe verontreinigingen is deze zoveel mogelijk ongedaan maken (bodemkwaliteit herstellen). Dit uitgangspunt geldt ook voor nieuwe bodemverontreiniging met PFAS. De herstelmaatregelen die getroffen moeten worden om de verontreiniging zoveel mogelijk ongedaan te maken moeten worden beschreven in een plan van aanpak. Dit plan van aanpak moet bij het bevoegd gezag worden ingediend. Het bevoegd gezag kan, als dat nodig is, aanwijzingen geven over de te treffen herstelmaatregelen. Dergelijke aanwijzingen zijn een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht en de aanwijzingen dienen te worden opgevolgd.</al><al /><al>Indien volledige verwijdering in technisch opzicht redelijkerwijs niet noodzakelijk en/of mogelijk is, dient ook dat te worden onderbouwd in het plan van aanpak. Daarbij kunnen locatiespecifieke omstandigheden worden betrokken. Deze moeten dan wel worden beschreven in het plan van aanpak en bij de afweging van de herstelmaatregelen worden betrokken. Hetzelfde geldt voor de financiële aspecten van de uitvoering van de herstelmaatregelen. Deze zijn alleen aan de orde in aanvulling op milieuhygiënische en/of technische redenen. Zo zal, als wordt betoogd dat volledig herstel van de bodemkwaliteit financieel gezien niet redelijk is, in het plan van aanpak moeten worden ingegaan op de verhouding tussen de kosten van volledige verwijdering, de milieuhygiënische baten ervan en de gevolgen indien voor minder vergaande maatregelen wordt gekozen.</al><al /><al>De Handreiking zorgplicht onder artikel 13 Wbb bij bodemverontreiniging met PFAS (februari 2025) biedt handvatten voor deze onderbouwing en de toetsing daarvan.</al><al /><al>Voor locaties gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied of waterwingebied mag in ieder geval de som van PFAS in grondwater (som van 20 PFAS conform bijlage III, deel B, punt 3 Drinkwaterrichtlijn) in elk meetpunt de norm beschreven in artikel 7, lid 5 niet overschrijden.</al><al /><al><nadruk type="vet"><nadruk type="ondlijn">UITGANGSPUNTEN HISTORISCHE BODEMVERONTREINIGING MET PFOS en/of PFOA</nadruk></nadruk></al><al /><al><nadruk type="vet"><nadruk type="ondlijn">Artikel 6 Melding</nadruk></nadruk></al><al /><al>Als er handelingen worden verricht met en/of in de bodem en uit een bodemonderzoek zoals bedoeld in artikel 3 blijkt dat er een historische bodemverontreiniging met PFAS in de bodem aanwezig is, dient dit te worden gemeld bij Gedeputeerde Staten op grond van artikel 28 van de Wbb indien de aangetroffen gehalten hoger zijn dan de gehalten genoemd in artikel 7 lid 1 van deze beleidsregel. Dit zijn de landelijke achtergrondwaarden (kwaliteitsklasse Landbouw/natuur).</al><al /><al><nadruk type="vet"><nadruk type="ondlijn">Artikel 7 Beoordelingskader en sanering historische bodemverontreiniging met PFAS</nadruk></nadruk></al><al /><al>De gehalten in grond in dit artikel gelden voor een bodem met 10% organisch stof.</al><al /><al>Alle gehalten in grond in deze beleidsregel gelden voor grondgewicht aan droge stof.</al><al /><al><nadruk type="cur">Eerste lid</nadruk></al><al /><al>In dit lid wordt bepaald dat als de gehalten van PFOS of PFOA in de grond lager zijn dan respectievelijk 1,4 µg/kg en 1,9 µg/kg, en/of in grondwater lager dan 0,01 µg/l, er geen sprake is van een verontreiniging. Op basis van aanvullend onderzoek kunnen gemeenten (mits voldoende onderbouwd) afwijkende achtergrondwaarden voor hun eigen grondgebied vaststellen.</al><al /><al>De waarde van 1,4 µg/kg voor PFOS en 1,9 µg/kg voor PFOA is gebaseerd op het 95-percentiel van aangetroffen achtergrondwaarden in Nederland in de bovenste 20 centimeter van de landbodem (Achtergrondwaarden perfluoralkylstoffen (PFAS) in de Nederlandse landbodem RIVM-briefrapport 2020-0100 A. Wintersen et al.). Er is gekozen voor de 95-percentiel, omdat dit uitgangspunt in het verleden ook gehanteerd is bij het bepalen van landelijke achtergrondwaarden (zogenaamde AW2000 waarden) voor een groot aantal stoffen. Met deze keuze wordt bereikt dat in de gebieden waar alleen een diffuse achtergrondbelasting heeft plaatsgevonden, de grond als schoon beschouwd kan worden.</al><al /><al>Bij AW2000 is uitgegaan van de bovenste 10 cm. Hier is gekozen voor de bovenste 20 centimeter. De overweging hierbij is dat de bovenste 10 centimeter lastiger reproduceerbaar is te bemonsteren dan een iets dikkere laag, met name in situaties waarbij er sprake is van vegetatie of een relatief dikke strooisellaag. Met het oog op het beeld van afnemende concentraties PFAS in de diepte, kan verwacht worden dat de keuze om het traject van 20 centimeter te bemonsteren tot licht lagere achtergrondwaarden heeft geleid, dan wanneer de bovenste 10 centimeter waren bemonsterd.</al><al /><al>De waarde van 0,01 µg/l PFOS in grondwater wordt door het RIVM genoemd als achtergrondconcentratie (Lijzen et al 2011). Voor PFOA noemt het RIVM geen achtergrondgehalte of rapportagegrens. Fenelab (de branche organisatie voor laboratoria) stelt dat de rapportagegrens van 0,01 µg/l voor zowel PFOS als PFOA haalbaar is. Daarom wordt de waarde van 0,01 µg/l voor zowel PFOS als PFOA aangehouden.</al><al /><al><nadruk type="cur">Tweede lid</nadruk></al><al /><al>Als de gehalten van PFOS in de grond tussen 1,4 µg/kg en 59 µg/kg liggen en/of de gehalten in het grondwater tussen 0,01 µg/l en 2,7 µg/l (mits buiten grondwaterbeschermingsgebied of waterwingebied) liggen, wordt de locatie als verontreinigd beschouwd, maar is er geen bodemsanering noodzakelijk. In dat geval zal Gedeputeerde Staten bepalen dat er geen sprake is van een ernstige verontreiniging en zal geen sanering worden afgedwongen.</al><al /><al>Voor PFOA geldt dit bij gehalten in grond tussen 1,9 µg/kg en 60 µg/kg en/of de gehalten in het grondwater tussen 0,01 µg/l en 8,6 µg/l (mits buiten grondwaterbeschermingsgebied of waterwingebied).</al><al /><al>Uitzondering geldt voor locaties in grondwaterbeschermingsgebied of waterwingebied, waarvoor een strengere norm voor grondwater geldt als opgenomen in het vijfde lid van artikel 7.</al><al /><al>Overigens geldt in dit soort gevallen wel dat grondverzet naar andere locaties niet onder deze beleidsregel valt. Grondverzet naar andere locaties dienen door het desbetreffende bevoegde gezag Besluit bodemkwaliteit getoetst te worden aan het Besluit activiteiten leefomgeving in samenhang met het Besluit bodemkwaliteit en aan eventuele lokale (beleids)regels voor hergebruik van PFOS- en/of PFOA-houdende grond.</al><al /><al><nadruk type="cur">Derde lid</nadruk></al><al /><al>PFOS en PFOA zijn persistente stoffen waarbij doorvergiftiging in de voedselketen een belangrijk risico vormt. Derhalve is ervoor gekozen het niveau waarboven sprake is van ernstige verontreiniging in grond gelijk te stellen aan de meest kritische van de niveaus voor ernstig risico ecosystemen, ernstig ecologisch risico doorvergiftiging en maximaal toelaatbaar risico humaan. Voor zowel PFOS als PFOA is het maximaal toelaatbaar risico humaan het meest kritisch. De waarden van respectievelijk 59 µg/kg en 60 µg/kg zijn hierop gebaseerd.</al><al /><al>Zoals hierboven bij “ontwikkeling normering” is beschreven zijn deze waarden overgenomen uit een RIVM rapportage uit 2021 (Wintersen en Otte, 2021).</al><al /><al>Voor grondwater zijn de gehalten gebaseerd op de geaggregeerde waarden voor grondwater exclusief consumptie (RIVM, DMG-2022-0014), voor zover de locatie is gelegen buiten een grondwaterbeschermingsgebied of waterwingebied. Voor locaties gelegen binnen een grondwaterbeschermingsgebied of waterwingebied geldt de norm als opgenomen in het vijfde lid van artikel 7.</al><al /><al>De gehalten voor ernstige verontreiniging in bodem hebben betrekking op een gemiddelde gehalte in respectievelijk minimaal 25 m3 grond en minimaal 100 m3 grondwater.</al><al /><al>Bij overschrijding van de gehalten voor ernstige verontreiniging dient een risicobeoordeling uitgevoerd te worden. Dit is maatwerk. Hierbij kunnen, niet limitatief, dezelfde aspecten betrokken worden als bij het bepalen van het saneringsdoel. Zie hiervoor de toelichting bij artikel 7, zevende lid van de beleidsregel. Zonder risicobeoordeling geldt de aanname dat spoedige sanering noodzakelijk geacht wordt.</al><al /><al><nadruk type="cur">Vierde lid</nadruk></al><al /><al>In de impact-assessment door het RIVM (2022) wordt geadviseerd om bij toetsing aan PFAS rekening te houden met het mengsel van PFAS. Indien de som van de gemeten gehalten aan PFAS de norm als opgenomen in dit artikel overschrijdt, is een risicobeoordeling nodig om te beoordelen of sprake is van onacceptabele risico’s voor mens, plant of dier en daarmee een saneringsnoodzaak. Hierbij kan bijvoorbeeld rekening worden gehouden met de Relative Potency Factors voor zover bekend voor de betreffende PFAS’s. Zonder risicobeoordeling geldt de aanname dat spoedige sanering noodzakelijk geacht wordt.</al><al /><al><nadruk type="cur">Vijfde lid</nadruk></al><al /><al>Voor locaties gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied of drinkwatergebied geldt een strengere norm. Dit is in lijn met het advies van het RIVM, dat voor het beschermdoel drinkwater gebruik kan worden gemaakt van bestaande of nieuwe gebiedsindelingen in relatie tot de winning van grondwater. De som-norm is afgeleid van de Drinkwaterrichtlijn. In geval in een meetpunt binnen een grondwaterbeschermingsgebied of waterwingebied de betreffende som-norm in grondwater wordt overschreden, is een risicobeoordeling nodig om te beoordelen of sprake is van een onacceptabele risico voor het beschermdoel drinkwater en daarmee een noodzaak tot het treffen van sanerings- of andere maatregelen. Hierbij kan ook naar bijvoorbeeld de diffuse achtergrondkwaliteit (bijvoorbeeld verhoogde waarden als gevolg van seaspray in het kustgebied), plaats en diepte worden gekeken.</al><al /><al>Het volumecriterium geldt niet voor locaties binnen een grondwaterbeschermingsgebied of waterwingebied, bij overschrijding is een risicobeoordeling altijd aan de orde.</al><al /><al>De betreffende som-norm kan worden beschouwd als een signaleringswaarde. In geval de som-norm wordt overschreden heeft het drinkwaterbedrijf in wiens beheergebied de verontreiniging is aangetroffen een adviesrol bij de beoordeling van de risico’s.</al><al /><al><nadruk type="cur">Zesde lid</nadruk></al><al /><al>Op de gehalten hoeft geen bodemtypecorrectie te worden toegepast als het gehalte van organische stof minder dan 10% bedraagt. Als het gehalte organisch stof ligt tussen 10-30% dient wel een bodemtypecorrectie uitgevoerd te worden. Als het gehalte organisch stof boven de 30% is aangetoond dient het gehalte organisch stof van 30% gebruikt te worden bij de bodemtypecorrectie. De toegepaste bodemtypecorrectie is gelijk aan de correctie die is opgenomen in het handelingskader PFAS van december 2023.</al><al /><al><nadruk type="cur">Zevende lid</nadruk></al><al /><al>De saneerder dient schriftelijk in een saneringsplan als bedoeld in artikel 39 van de Wet te onderbouwen hoe de sanering wordt uitgevoerd en welke saneringsdoelstelling behaald wordt. Het Besluit Uniforme saneringen (BUS) is niet van toepassing op ongenormeerde stoffen. Voor het treffen van maatregelen kan dan ook geen gebruik worden gemaakt van BUS.</al><al /><al>Het bevoegd gezag dient in te stemmen met het saneringsplan.</al><al /><al>In het saneringsplan dient het saneringsdoel omschreven te worden. Dit is maatwerk. Bij het bepalen van een saneringsdoel kunnen de volgende aspecten betrokken worden:</al><al /><lijst><li><li.nr>•</li.nr><al>Bij de in het tweede lid genoemde concentraties is de situatie in het algemeen veilig, mits gelegen buiten grondwaterbeschermingsgebied of waterwingebied. Dit betekent dat een strenger doel vaak niet nodig is. Hierbij gelden echter de volgende aandachtspunten: </al><lijst><li><li.nr>-</li.nr><al>voor PFOA kan bij een lagere concentratie grond dan in lid 3 genoemd, sprake zijn risico’s in geval van de gebruiksfunctie wonen met moestuin</al></li><li><li.nr>-</li.nr><al>PFOS en PFOA zijn relatief mobiel en kunnen via het grondwater in het oppervlaktewatersysteem terechtkomen en daar risico’s veroorzaken, </al></li><li><li.nr>-</li.nr><al>er rekening wordt gehouden met mengseltoxiciteit als benoemd in het vierde lid.</al></li></lijst></li><li><li.nr>•</li.nr><al>Indien het saneringsdoel minder vergaand is dan de in het derde lid genoemde concentraties dient duidelijk gemotiveerd te worden waarom van deze concentraties wordt afgeweken en deze concentraties niet als saneringsdoelstelling haalbaar zijn dan wel het niet noodzakelijk is in het saneringsplan uit te gaan van deze concentraties. Hierbij dient gekeken te worden naar de daadwerkelijke blootstelling van mensen en ecosystemen die kan plaatsvinden.</al><lijst><li><li.nr>-</li.nr><al>De waarden van 59 µg/kg PFOS en 60 µg/kg PFOA zijn gebaseerd op een onaanvaardbaar humaan risico voor bodemgebruik wonen met tuin. Bij andere gebruiksvormen kan de blootstelling verschillen en zal in het algemeen bij hogere gehalten sprake zijn van een humaan risico. Uitzondering hierop vormt gebruik “wonen met moestuin”.</al></li></lijst></li></lijst><lijst><li><li.nr>•</li.nr><al>Voor het bepalen van de blootstelling kan ook rekening gehouden worden met de aanwezigheid van verharding of andere isolerende voorzieningen.</al></li><li><li.nr>•</li.nr><al>Als aangetoond wordt dat in een aaneengesloten gebied, waarin de te onderzoeken of te saneren locatie is gelegen, sprake is van een homogeen verhoogde achtergrondconcentratie PFOS en/of PFOA, hoeft het saneringsdoel niet strenger te zijn dan de in dat gebied aanwezige achtergrondconcentratie. Of er sprake is van een verhoogde achtergrondconcentratie PFOS en/of PFOA is ter beoordeling aan het bevoegd gezag.</al></li><li><li.nr>•</li.nr><al>Indien door het bevoegde gezag voor toepassingen onder het Besluit activiteiten leefomgeving in samenhang met het Besluit bodemkwaliteit specifiek beleid is ontwikkeld, dient bij de uitwerking van een saneringsvariant rekening te worden gehouden met de bepalingen en gehalten voor PFOS en/of PFOA die in het kader van het specifieke beleid gelden.</al></li></lijst><al>Genoemde aspecten zijn indicatief en niet limitatief. Het hangt van de situatie af welke aspecten relevant zijn. Het verdient aanbeveling zoveel mogelijk aan te sluiten bij de informatie uit de RIVM-rapporten.</al><al /><al><nadruk type="cur">Achtste lid</nadruk></al><al /><al>Voor andere PFAS-stoffen dan PFOS of PFOA zijn vooralsnog geen risicowaarden door het RIVM bepaald en bestaan ook geen landelijke normen of beleidsregels. Het is denkbaar dat er locaties zijn, waar andere PFAS-stoffen geanalyseerd en gerapporteerd worden, bijvoorbeeld naar aanleiding van informatie over het voormalig gebruik van die stoffen op die locaties. Gedeputeerde Staten willen voorkomen, dat indien andere PFAS-stoffen in de bodem worden aangetroffen er geen enkel houvast bestaat. Derhalve wordt gesteld dat indien een andere PFAS-stof wordt aangetroffen, hiervoor de regels gelden zoals geformuleerd voor PFOS. Hiermee wordt dezelfde aanpak toegepast als in het HK.</al><al /><al>Aangezien PFOS, afgaande op openbaar beschikbare informatie beschouwd mag worden als een zeer kritische, dat wil zeggen toxische stof, binnen de PFAS groep, kan dit beleid als voorzichtig beschouwd worden. Gezien het gebrek aan informatie over andere PFAS stoffen achten Gedeputeerde Staten deze voorzichtigheid wenselijk. Indien aanvullende informatie over de risico’s van andere PFAS stoffen beschikbaar komt of blijkt, zal deze opgenomen moeten worden in het saneringsplan en/of de onderzoeken zodat de informatie betrokken kan worden bij de beoordeling van een verontreiniging met dergelijke stoffen.</al><al /><al><nadruk type="vet"><nadruk type="ondlijn">TIJDELIJK UITPLAATSEN VAN MET PFAS VERONTREINIGDE GROND BIJ DE UITVOERING VAN PROJECTMATIGE WERKZAAMHEDEN </nadruk></nadruk></al><al /><al><nadruk type="vet"><nadruk type="ondlijn">Artikel 8 Tijdelijk uitplaatsen</nadruk></nadruk></al><al /><al>Met dit artikel wordt voorkomen dat door een aanwezige bodemverontreiniging met PFAS maatschappelijke noodzakelijke activiteiten, die niets met de verontreiniging te maken hebben, worden belemmerd. Hierbij kan gedacht worden aan de uitvoering van civieltechnische werkzaamheden zoals voor de aanleg, het onderhoud of de verwijdering van ondergrondse infrastructuur, waaronder wordt begrepen het aanleggen en/of verleggen van kabels, leidingen, rioleringen, duikers, funderingen en vergelijkbare activiteiten binnen een geval van bodemverontreiniging met PFAS of – indien het een nieuwe verontreiniging betreft – binnen de contour waar de bodemverontreiniging met PFAS wordt aangetroffen. Ook voor veel stoffen die op Rijksniveau genormeerd zijn, wordt deze werkwijze gehanteerd.</al><al /><al>Het gaat om situaties waarbij de bodem vanaf het maaiveld tot ontgravingsdiepte of dieper is verontreinigd en de uitkomende grond weer (vrijwel) volledig wordt teruggebracht in het profiel van ontgraving, zodanig dat de kwaliteit van de aanvulgrond niet verschilt met de kwaliteit van de aansluitende bodem. In een reeds aanwezige leeflaag mag geen met PFAS verontreinigde grond worden teruggeplaatst indien de kwaliteit hiervan slechter is dan de kwaliteit van de leeflaag. Eventuele overtollige grond wordt afgevoerd en op verantwoorde wijze verwerkt.</al><al /><al>In deze eenvoudige sanerings- en herstelsituaties volstaat een beknopt evaluatieverslag voor het bevoegde gezag.</al><al /><al>Als voorwaarde om te kunnen voldoen aan dit artikel geldt in alle gevallen nog steeds de zorgplicht. Indien door de handelingen wijzigingen in de verontreinigingssituatie (kunnen) ontstaan welke risico’s voor mens, milieu of verspreiding tot geval (kunnen) hebben of tot een nieuw geval van bodemverontreiniging leiden is gebruik van het artikel niet zonder meer toegestaan. Dit is ter beoordeling van het bevoegd gezag.</al><al /><al><nadruk type="vet">HERSCHIKKEN BINNEN SANERINGSLOCATIE </nadruk></al><al /><al><nadruk type="vet">Artikel 9 Herschikken</nadruk></al><al /><al>Terugplaatsen na tijdelijk uitplaatsen is niet toegestaan op grond van artikel 8 als de (gecorrigeerde) gehalten van artikel 7, derde en vierde lid worden overschreden. In lijn hiermee is het op grond van artikel 9 evenmin toegestaan om dergelijke grond te herschikken binnen het geval van historische bodemverontreiniging.</al></nota-toelichting></regeling></provinciaalblad></officiele-publicatie>