<officiele-publicatie xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:noNamespaceSchemaLocation="http://technische-documentatie.oep.overheid.nl/schema/op-xsd-2012-3"><metadata><meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/prb-2026-12024/metadata.xml" scheme="" /></metadata><kop><titel>PROVINCIAAL BLAD</titel><subtitel>Officiële uitgave van de provincie Noord-Brabant</subtitel></kop><provinciaalblad><kop><titel>Regeling van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant van 29 juni 2026 tot wijziging van de Beleidsregel omgevingsrecht Noord-Brabant in verband met het invoegen van een nieuwe paragraaf 2.4 Forse stikstofreductie ten behoeve van Natura 2000-gebieden en het wijzigen van de paragrafen 2.1 en 8.4 (Vijfde wijziging Beleidsregel omgevingsrecht Noord-Brabant)</titel></kop><regeling><aanhef><preambule><al><nadruk type="vet">Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant;</nadruk></al><al /><al>Gelet op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht;</al><al /><al>Overwegende dat het wenselijk is de Beleidsregel omgevingsrecht Noord-Brabant te wijzigen in verband met het invoegen van een nieuwe paragraaf 2.4 Forse stikstofreductie ten behoeve van Natura 2000-gebieden, waarin regels zijn opgenomen omtrent de beoordeling van vrijwillig genomen emissiereducerende maatregelen binnen de bestaande bedrijfsvoering, die leiden tot forse stikstofreductie ten behoeve van Natura 2000-gebieden;</al><al /><al>Overwegende dat het daarnaast wenselijk is in de paragrafen 2.1 Natura 2000-activiteit en 8.4 Financiële zekerheid kleine wijzigingen door te voeren;</al><al /><al><nadruk type="vet">Besluiten vast te stellen de volgende beleidsregel: </nadruk></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>I</nr><titel>Wijziging Beleidsregel omgevingsrecht Noord-Brabant</titel></kop><al /><al>A. </al><al>Artikel 2.1.1 wordt als volgt gewijzigd:</al><lijst><li><li.nr>1.</li.nr><al>In het begrip <nadruk type="cur">AERIUS Register</nadruk> wordt “hoofdstuk 17a van de Omgevingsregeling” vervangen door “afdeling 3.7 van de Omgevingsregeling”.</al></li><li><li.nr>2.</li.nr><al>In het begrip <nadruk type="cur">microdepositie</nadruk> wordt “artikel 17a.5, vierde lid van de Omgevingsregeling” vervangen door “artikel 3.59, vierde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving” en wordt “artikel 17a.10 van de Omgevingsregeling” vervangen door “artikel 3.65 van het Besluit kwaliteit leefomgeving”.</al></li><li><li.nr>3.</li.nr><al>In het begrip <nadruk type="cur">microdepositiebank</nadruk> wordt “artikelen 17a.5, vierde lid, en 17a.10 van de Omgevingsregeling” vervangen door “artikel 3.59, vierde lid, en artikel 3.65 van het Besluit kwaliteit leefomgeving”.</al></li><li><li.nr>4.</li.nr><al>In het begrip <nadruk type="cur">provinciale stikstofbank</nadruk> wordt “artikel 17a.2, vijfde lid jo. artikel 17a.3, onder h van de Omgevingsregeling” vervangen door “artikel 10.25, vierde lid, van Besluit kwaliteit leefomgeving jo. artikel 3.57, eerste en tweede lid, van de Omgevingsregeling’’.</al></li><li><li.nr>5.</li.nr><al>In het begrip <nadruk type="cur">SSRS-bank</nadruk> wordt “artikel 17a.6, eerste lid, van de Omgevingsregeling” vervangen door “artikel 3.61, eerste lid, van de Omgevingsregeling”.</al></li><li><li.nr>6.</li.nr><al>In het begrip <nadruk type="cur">stikstofdepositieruimte</nadruk> wordt “artikel 17a.2, derde lid van de Omgevingsregeling” vervangen door ‘’artikel 10.25, derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving en artikel 3.58 en artikel 3.73 van de Omgevingsregeling”.</al></li></lijst><al>B. </al><al>In artikel 2.1.4, vijfde lid, onderdeel a, onder 1°, wordt “artikel 17a.4, eerste lid, van de Omgevingsregeling” vervangen door “artikel 10.25, derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving en artikel 3.58, eerste lid, van de Omgevingsregeling”.</al><al /><al>C. </al><al>Artikel 2.1.10 komt te luiden:</al><al><nadruk type="vet">Artikel 2.1.10 Doelgebonden depositiebanken</nadruk></al><lijst><li><li.nr>1.</li.nr><al>Gedeputeerde Staten richten binnen hun compartiment binnen de provinciale stikstofbank in AERIUS Register, de volgende doelgebonden depositiebanken in:</al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>Logistiek Park Moerdijk;</al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>Infrastructurele projecten. </al></li></lijst></li><li><li.nr>2.</li.nr><al>De doelgebonden depositiebank, bedoeld in het eerste lid, onder a, is gericht op het beschikbaar stellen van stikstofdepositieruimte voor projecten die samenhangen met de ontwikkeling van het Logistiek Park Moerdijk en daarmee functioneel samenhangende activiteiten en infrastructurele voorzieningen, gelegen binnen het werkingsgebied zoals weergegeven op de kaart, opgenomen in bijlage 12 bij deze beleidsregel. </al></li><li><li.nr>3.</li.nr><al>De doelgebonden depositiebank, bedoeld in het eerste lid, onder b, is gericht op het beschikbaar stellen van stikstofdepositieruimte voor infrastructurele projecten binnen de provincie Noord-Brabant, waaronder provinciale infrastructuur en daarmee samenhangende ontwikkelingen.</al></li><li><li.nr>4.</li.nr><al>Gedeputeerde Staten reserveren de in deze doelgebonden depositiebanken opgenomen stikstofdepositieruimte en delen deze toe aan een project, gedurende een termijn van vijf jaar, gerekend vanaf het moment van registratie in AERIUS Register.</al></li><li><li.nr>5.</li.nr><al>Gedeputeerde Staten delen stikstofdepositieruimte uitsluitend toe aan projecten die aantoonbaar bijdragen aan het doel, bedoeld in het tweede of derde lid, en voor zover wordt voldaan aan de wettelijke vereisten voor vergunningverlening. </al></li><li><li.nr>6.</li.nr><al>Gedeputeerde Staten kunnen de termijn, bedoeld in het vierde lid, eenmalig met ten hoogste vijf jaar verlengen, indien voldoende gemotiveerd wordt dat de betreffende stikstofdepositieruimte nog benodigd is voor het realiseren van het doel van de depositiebanken, bedoeld in het eerste lid. </al></li><li><li.nr>7.</li.nr><al>Voor zover na afloop van de termijn, bedoeld in het vierde of zesde lid, nog stikstofdepositieruimte resteert, vervalt deze van rechtswege, waarvoor geen recht op vergoeding bestaat. </al></li></lijst><al>D. </al><al>Aan hoofdstuk 2 wordt een paragraaf toegevoegd, luidende:</al><al /><al><nadruk type="vet">Paragraaf 2.4 Forse stikstofreductie ten behoeve van Natura 2000-gebieden</nadruk></al><al /><al><nadruk type="vet">Artikel 2.4.1 Begripsbepalingen</nadruk></al><al>In deze paragraaf wordt verstaan onder:</al><al><nadruk type="cur">Habitatrichtlijn</nadruk>: Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG 1992, L 206);</al><al><nadruk type="cur">maatregel forse stikstofreductie</nadruk>: wijziging binnen de bestaande bedrijfsvoering die leidt tot een structurele vermindering van stikstofemissie en stikstofdepositie;</al><al><nadruk type="cur">stikstofvracht</nadruk>: totale stikstofdepositie, uitgedrukt in mol stikstof per jaar, die door een activiteit wordt veroorzaakt op overbelaste Natura 2000-gebieden. </al><al /><al><nadruk type="vet">Artikel 2.4.2 Toepassingsbereik </nadruk></al><al>Deze paragraaf is van toepassing op een melding voor een maatregel forse stikstofreductie als bedoeld in artikel 3.104 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant.</al><al /><al><nadruk type="vet">Artikel 2.4.3 Maatregel forse stikstofreductie</nadruk></al><lijst><li><li.nr>1.</li.nr><al>Gedeputeerde Staten kunnen een maatregel forse stikstofreductie aanmerken als een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn, en daarmee als een maatregel die direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van Natura 2000 gebieden.</al></li><li><li.nr>2.</li.nr><al>Gedeputeerde Staten merken een maatregel forse stikstofreductie aan als een maatregel als bedoeld in het eerste lid indien:</al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>sprake is van ten minste 50% reductie van de stikstofemissie; </al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>sprake is van een reductie van de stikstofvracht van ten minste 10 mol per jaar, berekend met AERIUS; en</al></li><li><li.nr>c.</li.nr><al>de wijziging binnen de bestaande bedrijfsvoering niet leidt tot een wijziging van het karakter van het project wat betreft aard en omvang.</al></li></lijst></li><li><li.nr>3.</li.nr><al>Gedeputeerde Staten hanteren bij het berekenen van de reductie van de stikstofemissie het uitgangspunt dat onderdelen van het project die op het moment van indienen van de melding structureel buiten gebruik zijn, niet in de berekening worden meegenomen.</al></li></lijst><al><nadruk type="vet">Artikel 2.4.4 Maatwerkvoorschrift of vergunningvoorschrift</nadruk></al><lijst><li><li.nr>1.</li.nr><al>Gedeputeerde Staten kunnen naar aanleiding van een melding op grond van artikel 3.104 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant besluiten tot:</al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>het stellen van een maatwerkvoorschrift; of</al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>het verbinden van een voorschrift aan een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit.</al></li></lijst></li><li><li.nr>2.</li.nr><al>Gedeputeerde Staten leggen in het besluit, bedoeld in het eerste lid, in ieder geval het volgende vast:</al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>de te treffen stikstofreducerende maatregel;</al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>de grens van de toegestane stikstofemissie in kg per jaar;</al></li><li><li.nr>c.</li.nr><al>voorschriften over monitoring en naleving.</al></li></lijst></li><li><li.nr>3.</li.nr><al>Indien de grens, bedoeld in het tweede lid, onder b, met ten hoogste 5 % wordt overschreden, kunnen Gedeputeerde Staten op grond van een gemotiveerd schriftelijk verzoek van de vergunninghouder het besluit, bedoeld in het eerste lid, wijzigen.</al></li></lijst><al>E. </al><al>Artikel 8.4.1 wordt als volgt gewijzigd:</al><lijst><li><li.nr>1.</li.nr><al>De begripsbepaling “berekende bedrag” komt te luiden: </al><al>“<nadruk type="cur">berekende bedrag</nadruk>: bedrag dat:</al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>overeenkomstig de IPO-Handreiking is bepaald;</al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>overeenkomstig artikel 8.4.4, vierde lid, is bepaald;</al></li><li><li.nr>c.</li.nr><al>overeenkomstig artikel 8.10, tweede lid, aanhef en onder b tot en met d, of derde lid, van het Omgevingsbesluit is bepaald”.</al></li></lijst></li><li><li.nr>2.</li.nr><al>In de alfabetische volgorde wordt ingevoegd het begrip “<nadruk type="cur">RIE4-bedrijven</nadruk>: inrichtingen opgenomen in bijlage I, categorie 4, van de Richtlijn industriële emissies (RIE, richtlijn 2010/75/EU);”. </al></li><li><li.nr>3.</li.nr><al>In de alfabetische volgorde wordt ingevoegd het begrip “<nadruk type="cur">Seveso-inrichting</nadruk>: Seveso-inrichting als bedoeld in bijlage I, onder A, bij het Besluit activiteiten leefomgeving;”.</al></li></lijst><al>F. </al><al>Artikel 8.4.2, eerste lid, onder a, komt te luiden:</al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>aanvragen om omgevingsvergunning en omgevingsvergunningen waarvoor gedeputeerde staten bevoegd gezag zijn;</al></li></lijst><al>G. </al><al>Na artikel 8.4.2 wordt een artikel ingevoegd, luidende:</al><al><nadruk type="vet">Artikel 8.4.2a. Bestaande situaties</nadruk></al><lijst><li><li.nr>1.</li.nr><al>De artikelen 8.4.3 tot en met 8.4.7 van deze paragraaf zijn niet van toepassing voor zover financiële zekerheid wordt gesteld: </al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>voor het nakomen van verplichtingen die op grond van de omgevingsvergunning gelden indien degene die de activiteit verricht, al in gebreke is bij het nakomen van die verplichtingen; of</al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>ter dekking van de aansprakelijkheid van degene die de activiteit verricht voor al bestaande schade aan de fysieke leefomgeving, voor zover deze schade al is afgedekt. </al></li></lijst></li><li><li.nr>2.</li.nr><al>In een geval als bedoeld in het eerste lid, geldt, voor zover van toepassing in aanvulling op de artikelen 8.8 en 8.10, tweede lid, onder a, van het Omgevingsbesluit, voor het bepalen van het bedrag waarvoor zekerheid wordt gesteld als uitgangspunt de totale hoogte van: </al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>de nalevingskosten; of</al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>de herstelkosten.</al></li></lijst></li><li><li.nr>3.</li.nr><al>Indien sprake is van een geval als bedoeld in het eerste lid, bepaalt het bevoegd gezag in het vergunningvoorschrift over financiële zekerheid dat het bedrag waarvoor zekerheid wordt gesteld, per kalenderjaar wordt aangepast conform de ontwikkeling van de CBS-inputprijsindex Grond-, weg- en waterbouw (2020=100), deelgebied 4312 Bouwrijp maken van terreinen.</al></li></lijst><al>H. </al><al>Artikel 8.4.3, tweede lid, onder a, komt te luiden:</al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>aan de hand van de toepasselijke normbedragen in het tabblad tarieven van het Landelijk Meldpunt Afvalstoffen (<extref doc="http://www.lma.nl"><nadruk type="ondlijn">www.lma.nl</nadruk></extref>);</al></li></lijst><al>I. </al><al>Aan artikel 8.4.4 wordt een lid toegevoegd, luidende:</al><lijst><li><li.nr>4.</li.nr><al>In afwijking van het eerste lid en artikel 8.4.5, tweede lid, kan het bevoegd gezag bij de activiteiten, bedoeld in artikel 8.5, aanhef en onder a tot en met s, van het Omgevingsbesluit de hoogte van de te stellen financiële zekerheid op een andere wijze bepalen dan met toepassing van de methodiek Berenschot, waarbij rekening houdend met artikel 8.10, tweede lid, onder a, van het Omgevingsbesluit een berekening wordt gemaakt van de opruimkosten van het bedrijf na een gedwongen bedrijfsbeëindiging of faillissement.</al></li></lijst><al>J. </al><al>Artikel 8.4.8 komt te luiden:</al><al><nadruk type="vet">Artikel 8.4.8. Beoordelingsregels</nadruk></al><lijst><li><li.nr>1.</li.nr><al>Voor de bepaling van de hoogte van de te stellen financiële zekerheid wordt aangesloten bij het vastgestelde ‘Model Berenschot’ zoals genoemd in de artikelen 8.4.4 en 8.4.5 van deze paragraaf, rekening houdend met de mogelijkheid in artikel 8.4.4, vierde lid.</al></li><li><li.nr>2.</li.nr><al>Ieder geval dat gelet op artikel 8.5 of artikel 8.6 van het Omgevingsbesluit in aanmerking komt voor de verplichting tot het stellen van financiële zekerheid, wordt aan de hand van de in onderstaande tabel weergegeven criteria beoordeeld:</al><table frame="all"><tgroup cols="2"><colspec colname="colA" /><colspec colname="colB" /><tbody><row><entry><al><nadruk type="cur">Criterium</nadruk></al></entry><entry><al><nadruk type="cur">Mogelijke uitkomst van de beoordeling</nadruk></al></entry></row><row><entry><al>Omvang</al></entry><entry><al>groot, middel, klein</al></entry></row><row><entry><al>Aard</al></entry><entry><al>hoog risico, middel risico, laag risico</al></entry></row><row><entry><al>Risico op bodemsanering</al></entry><entry><al>hoog risico, middel risico, laag risico</al></entry></row><row><entry><al>Risico op sanering oppervlaktewater</al></entry><entry><al>hoog risico, middel risico, laag risico</al></entry></row><row><entry><al>Naleving</al></entry><entry><al>onvoldoende, gemiddeld, voldoende</al></entry></row></tbody></tgroup></table></li><li><li.nr>3.</li.nr><al>Voor de mogelijke uitkomst van de in het vorige lid bedoelde beoordeling gelden de volgende scores:</al><table frame="all"><tgroup cols="2"><colspec colname="colA" /><colspec colname="colB" /><tbody><row><entry><al><nadruk type="cur">Mogelijke uitkomst van de beoordeling</nadruk></al></entry><entry><al><nadruk type="cur">Score</nadruk></al></entry></row><row><entry><al>Groot</al></entry><entry morerows="2"><al>2</al></entry></row><row><entry><al>Hoog risico</al></entry></row><row><entry><al>Onvoldoende</al></entry></row><row><entry><al>Middel</al></entry><entry morerows="2"><al>1</al></entry></row><row><entry><al>Middel risico</al></entry></row><row><entry><al>Gemiddeld</al></entry></row><row><entry><al>Klein</al></entry><entry morerows="2"><al>0</al></entry></row><row><entry><al>Laag risico</al></entry></row><row><entry><al>Voldoende</al></entry></row></tbody></tgroup></table></li></lijst><al>Per geval worden de voor dat geval toepasselijke scores opgeteld.</al><lijst><li><li.nr>4.</li.nr><al>De volgorde waarin gevallen in aanmerking komen voor oplegging van de verplichting tot het stellen van financiële zekerheid, kan aan de hand van de volgende uitgangspunten worden bepaald:</al><lijst><li><li.nr>a.</li.nr><al>bij Seveso-inrichtingen, RIE4-bedrijven en afvalverwerkende activiteiten worden de scores voor het criterium ‘risico op sanering oppervlaktewater’ met 3 vermenigvuldigd alvorens de scores voor de criteria worden opgeteld;</al></li><li><li.nr>b.</li.nr><al>bij afvalverwerkende activiteiten worden de scores voor het criterium ‘aard’ met 2 vermenigvuldigd alvorens de scores voor de criteria worden opgeteld;</al></li><li><li.nr>c.</li.nr><al>hoe hoger de som van de voor een geval toepasselijke scores, hoe eerder dat geval in aanmerking komt voor oplegging van de verplichting;</al></li><li><li.nr>d.</li.nr><al>hoe hoger de afzonderlijke scores die op een geval van toepassing zijn, hoe eerder - ten opzichte van andere gevallen waarbij de som van scores dezelfde waarde heeft - dat geval in aanmerking komt voor oplegging van de verplichting.</al></li></lijst></li><li><li.nr>5.</li.nr><al>Het bevoegd gezag kan bij het bepalen van de onderlinge rangorde van de gevallen rekeninghouden met lopende of op korte termijn te starten vergunningprocedures.</al></li></lijst><al>K. </al><al>Na bijlage 11 behorende bij de Beleidsregel omgevingsrecht Noord-Brabant wordt bijlage 1 bij deze beleidsregel ingevoegd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>II</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Provinciaal Blad waarin zij wordt geplaatst en werkt ten aanzien van de onderdelen E tot en met J terug tot en met 1 januari 2026.</al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><ondertekening><!--al naar functie elementen vertaald (inhoudelijk gedeeltelijk onjuist)--><functie>’s-Hertogenbosch, 29 juni 2026</functie></ondertekening><ondertekening><functie /><functie /><functie>Gedeputeerde Staten voornoemd,</functie></ondertekening><ondertekening><functie /><functie /><functie>de voorzitter, </functie><functie>mr. I.R. Adema </functie></ondertekening><ondertekening><functie /><functie /><functie>de secretaris,</functie><functie>drs. G.H.E. Derks MPA</functie></ondertekening></regeling-sluiting><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>1</nr><titel>behorende bij artikel I, onder K, van de Vijfde wijziging Beleidsregel omgevingsrecht Noord-Brabant</titel></kop><al /><al><nadruk type="vet">Bijlage 12 behorende bij artikel 2.1.10, tweede lid, van de Beleidsregel omgevingsrecht Noord-Brabant</nadruk></al><al /><al><plaatje><illustratie formaat="png" naam="prb-2026-12024-1.png" type="foto" breedte="15.99cm" id="i843c75c6-ef2a-44d7-ba2f-54336d88de5c" hoogte="11.16cm" /></plaatje></al><al /></bijlage><nota-toelichting><kop><label /><nr /><titel>Toelichting behorende bij de Vijfde wijziging Beleidsregel omgevingsrecht Noord-Brabant</titel></kop><al><nadruk type="vet">I. Algemeen</nadruk></al><al /><al><nadruk type="vet">Onderdelen A tot en met C (Paragraaf 2.1)</nadruk></al><al>Met deze wijziging wordt invulling gegeven aan de mogelijkheid voor Gedeputeerde Staten om binnen de provinciale stikstofbank doelgebonden depositiebanken (subcompartimenten) nader te reguleren. </al><al>Sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet is het stelsel van stikstofbanken landelijk geregeld via afdeling 3.7 van de Omgevingsregeling en het Besluit kwaliteit leefomgeving. Provincies beschikken binnen dit stelsel over beleidsruimte om doelbinding en prioritering vorm te geven.</al><al>Gedeputeerde Staten hebben, destijds op grond van de Beleidsregel natuurbescherming Noord-Brabant, op 5 juli 2021 het Instellingsbesluit doelgebonden depositiebank Logistiek Park Moerdijk Noord-Brabant vastgesteld en op 27 juni 2022 het Instellingsbesluit doelgebonden depositiebank infrastructurele projecten Noord-Brabant genomen. Gedeputeerde Staten hebben deze instellingsbesluiten ingetrokken en de inrichting van deze doelgebonden depositiebanken is thans verankerd in deze paragraaf.</al><al /><al><nadruk type="vet">Onderdeel D (Paragraaf 2.4)</nadruk></al><al>Voor het uitvoeren van een maatregel forse stikstofreductie geldt op grond van artikel 3.104 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant de verplichting om een melding in te dienen. Artikel 3.4, juncto Bijlage III, van die verordening bevat de indieningsvereisten voor het doen van deze melding. Ook zijn in artikel 3.4 van de verordening bepalingen opgenomen met betrekking tot het stellen van een maatwerkvoorschrift of het verbinden van een voorschrift aan een omgevingsvergunning.</al><al /><al>In deze paragraaf kwalificeren Gedeputeerde Staten een vrijwillige maatregel die een forse stikstofreductie realiseert bij een bestaand project als passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn (HR) en artikel 3.59 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, en als beheermaatregel als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de HR.</al><al /><al>Deze paragraaf is van toepassing op stikstofuitstoters uit alle sectoren. Reductie van stikstof is, vanwege de overbelasting van stikstof op Brabantse Natura 2000-gebieden, een passende maatregel en daarmee ook een maatregel die direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het gebied, oftewel een beheermaatregel. Maatregelen die beogen de instandhoudings- en hersteldoelstellingen te verwezenlijken zijn namelijk beheermaatregelen. Passende maatregelen dragen ook bij aan het behalen van instandhoudings- en hersteldoelstellingen. Omdat de maatregel forse stikstofreductie een passende maatregel is, is het ook een beheermaatregel. Dat betekent dat deze maatregelen zonder omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit kunnen worden genomen.</al><al /><al>Het kader, opgenomen in deze paragraaf, is niet limitatief voor de vraag wat het begrip ‘passende maatregel’ inhoudt, maar vormt een pakket van kenmerken waarbij Gedeputeerde Staten in ieder geval van oordeel zijn dat sprake is van een vergunningvrije stikstofreducerende maatregel.</al><al /><al>Deze paragraaf is in lijn met de jurisprudentie over het te hanteren toetsingskader voor beheermaatregelen, waarvoor geen omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit nodig is<noot><noot.nr>1</noot.nr><noot.al>Uitspraak ABRvS 14 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2198 (Oostvaardersplassen)</noot.al></noot>. Om als beheermaatregel te kwalificeren, moet een initiatief:</al><lijst><li><li.nr>–</li.nr><al>daadwerkelijk bijdragen aan de instandhoudingsdoelstellingen, en </al></li><li><li.nr>–</li.nr><al>moet dat ook het hoofddoel van het initiatief zijn. </al></li></lijst><al>Het leveren van een daadwerkelijke bijdrage aan de instandhoudingsdoelstellingen wordt gerealiseerd door een vermindering van stikstofdepositie en stikstofemissie. De vermindering van de depositie, opgeteld over alle stikstofgevoelige hexagonen van Natura 2000-gebieden binnen 25 km, moet ten minste 10 mol bedragen. Dat geeft een relevante bijdrage aan het verminderen van stikstof als drukfactor. Als er aanvullend een emissiereductie van 50% ten opzichte van de feitelijk gerealiseerde capaciteit is, wordt dit aangemerkt als een forse stikstofreductie. Het gaat hierbij in de praktijk om grote uitstoters. De emissiereductie zorgt ervoor dat de ‘stikstofdeken’ die over Nederland ligt vermindert. Naast de depositieafname die AERIUS berekent binnen de rekenafstand van 25 kilometer, zal een vermindering van de stikstofdeken ook buiten de rekenafstand zorgen voor een lagere depositie en daarmee mede ten goede komen aan de Natura-2000-gebieden die verder weg liggen. Een aanzienlijk deel van de stikstofverbindingen slaat immers neer buiten de rekenafstand van 25 km. </al><al /><al>Voor industriële bedrijven geldt dat enkele tientallen van de grootste industriële uitstoters van de provincie Noord-Brabant een depositievracht hebben van een dergelijke omvang. Deze bedrijven zijn samen goed voor circa 95% van alle industriële stikstofuitstoot binnen Noord-Brabant. </al><al /><al>Om te waarborgen dat het natuurbelang het hoofddoel van het initiatief is, en niet de bedrijfseconomische belangen, mag het karakter van het project niet veranderen wat betreft aard en omvang. Alleen onderdelen van het project die onlosmakelijk verbonden zijn met de passende maatregel, zijn uitgezonderd van de vergunningplicht voor een Natura 2000-activiteit. Uitbreiding van productiecapaciteit of ingrijpende wijzigingen in het primaire productieproces blijven vergunningplichtig. </al><al /><al><nadruk type="vet">Onderdelen E tot en met J (Paragraaf 8.4)</nadruk></al><al>Met deze wijziging wordt invulling gegeven aan hiaten met betrekking tot het bepalen van de hoogte van de financiële zekerheid door de mogelijkheid te bieden om af te wijken van de methodiek Berenschot. Daarnaast wordt bestaande bodemverontreiniging meegenomen en een andere manier van prioritering nu de pilotperiode is afgelopen (en de bepalingen voor de jaren 2024-2025 zijn vervallen).</al><al /><al><nadruk type="vet">II. Artikelsgewijs</nadruk></al><al /><al><nadruk type="vet">Artikel I, onder D </nadruk></al><al><nadruk type="vet">Artikel 2.4.1 Begripsbepalingen</nadruk></al><al>Door het begrip <nadruk type="cur">maatregel forse stikstofreductie</nadruk> centraal te definiëren, wordt duidelijk dat het gaat om vrijwillige, emissiereducerende maatregelen binnen de bestaande bedrijfsvoering met een expliciet natuurdoel. Het begrip ‘maatregel’ wordt hier gebruikt om de link te leggen met het begrip ‘passende maatregel’ uit de HR. Voor de eenduidigheid wordt het initiatief dat gepaard gaat met stikstofreductie dus ook aangeduid als zijnde een maatregel. Het gaat hierbij om vrijwillige maatregelen die ten behoeve van stikstofreductie worden geïnitieerd door de bedrijven, en niet door het bevoegd gezag worden opgelegd.</al><al /><al><nadruk type="vet">Artikel 2.4.3 Maatregel forse stikstofreductie</nadruk></al><al><nadruk type="vet">Eerste lid</nadruk></al><al>Met deze bepaling borgen Gedeputeerde Staten dat geen vergunningplicht voor het uitvoeren van een maatregel forse stikstofreductie bestaat, zolang aan de regels uit deze paragraaf wordt voldaan.</al><al /><al><nadruk type="vet">Tweede lid</nadruk></al><al>De beoordeling door Gedeputeerde Staten wanneer sprake is van forse stikstofreductie gebeurt op basis van objectieve drempels. Doordat overbelasting door stikstofdepositie in nagenoeg geheel Brabant en grote delen van Nederland aan de orde is, en doordat stikstofverbindingen zich in de lucht over grote afstand verspreiden, draagt iedere reductie van stikstof bij aan het naderbij brengen van de instandhoudingsdoelstellingen.</al><al><nadruk type="vet">Onder b</nadruk></al><al>De reductie van de stikstofvracht ten gevolge van de maatregel forse stikstofreductie wordt bepaald door het optellen van de depositievermindering van alle relevante hexagonen. Voor het berekenen van een stikstofvracht is, ten behoeve van de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties (LBV en LBV+), het softwareprogramma AERIUS Check ontwikkeld. De stikstofvracht wordt in AERIUS Calculator niet rechtstreeks berekend. Wel kan de stikstofvracht worden afgeleid uit de berekeningsresultaten van AERIUS Calculator, namelijk door (in een GIS-programma) een optelling te maken van de bijdragen van alle relevante hexagonen.</al><al><nadruk type="vet">Onder c</nadruk></al><al>Deze bepaling voorkomt dat de regeling wordt benut voor uitbreiding of functiewijziging van bestaande projecten. Dergelijke wijzigingen blijven vergunningplichtig. Als het karakter van het project niet wijzigt en het hoofddoel het bijdragen aan de instandhoudingsdoelstellingen is, is er geen sprake van een Natura 2000-activiteit waarvoor een omgevingsvergunning vereist is.</al><al>De impact van de voorgenomen wijziging moet passen binnen de reikwijdte van de bestaande toestemming en de voorgenomen wijziging mag niet leiden tot veranderingen in de aard en omvang van het project. Er kan bijvoorbeeld geen wijziging zijn van het eindproduct dat het bedrijf produceert. Wel kunnen end-of-pipe maatregelen worden getroffen om de stikstofuitstoot te verlagen. Ook kleinere aanpassingen in het productieproces zijn mogelijk, als dat nodig is om een schonere techniek met lagere stikstofuitstoot te realiseren. </al><al /><al><nadruk type="vet">Derde lid</nadruk></al><al>De stikstofreductie die wordt gerealiseerd, wordt bepaald ten opzichte van de feitelijk gerealiseerde capaciteit. Dat houdt in dat alleen volledig opgerichte installaties en gebouwen, of gerealiseerde infrastructuur en overige voorzieningen die noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van de activiteit, meetellen in het bepalen van de stikstofemissie vóór het uitvoeren van de maatregel. Bij de beoordeling welke onderdelen van het project structureel buiten gebruik zijn, gaan Gedeputeerde Staten uit van het moment van het indienen van de melding.</al><al /><al><nadruk type="vet">Artikel 2.4.4 Maatwerkvoorschrift of vergunningvoorschrift</nadruk></al><al><nadruk type="vet">Derde lid</nadruk></al><al>Door het vastleggen van een maximale stikstofemissie en monitoringsvoorschriften wordt de gerealiseerde reductie juridisch geborgd. Bij de beoordeling van toekomstige aanvragen en in toekomstige besluitvorming wordt uitgegaan van de door het maatwerkvoorschrift of nieuwe vergunningvoorschrift beperkte stikstofuitstoot. Hiermee wordt de stikstofreductie duurzaam en afdwingbaar vastgelegd.</al><al /><al>Om te voorkomen dat een iets mindere reductie direct tot handhaving zou moeten leiden vanwege de vergunningplicht, houden Gedeputeerde Staten een flexibiliteitsmarge aan van 5%. Als de reducerende werking in de praktijk iets tegenvalt waardoor er een overschrijding is binnen de flexibiliteitsmarge van 5%, kan de vergunninghouder een gemotiveerd schriftelijk verzoek bij Gedeputeerde Staten indienen tot aanpassing van het maatwerkvoorschrift of van het nieuwe vergunningvoorschrift.</al><al /><al>Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant,</al><al /><al>de voorzitter, </al><al>mr. I.R. Adema </al><al /><al>de secretaris,</al><al>drs. G.H.E. Derks MPA</al></nota-toelichting></regeling></provinciaalblad></officiele-publicatie>