Provinciaal blad van Limburg

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
LimburgProvinciaal blad 2017, 5700Beleidsregels



Beleidsregels Houtopstanden Limburg

Gedeputeerde Staten van Limburg maken bekend dat zij in hun vergadering van 14 november 2017 het volgende besluit hebben genomen:

 

Gedeputeerde Staten van Limburg,

 

Gelet op het bepaalde in Hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming , en hoofdstuk 3, paragraaf 3.3, van de Omgevingsverordening Limburg 2014 en artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht.

 

Overwegende

 

  • -

    dat in de Wet natuurbescherming op onderdelen definities ontbreken en nadere duiding daarvan de uitvoering van de wet vergemakkelijkt

     

  • -

    dat eigenaren van houtopstanden gebaat zijn bij een nadere uitleg over de toepassing van een aantal begrippen en instrumenten in de wet.

Besluiten vast te stellen de volgende beleidsregel:

 

Beleidsregels houtopstanden provincie Limburg

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

  • 1.1

    brandgang: deel van een natuurterrein, waarvan in een Risicobeheersplan natuurbranden, opgesteld door de Veiligheidsregio en de gemeente in overleg met de terreineigenaar, is vastgelegd dat het duurzaam vrij moet worden gemaakt van houtopstanden;

  • 1.2

    houtopstand langs een waterweg: min of meer lijnvormige houtopstand, direct naast een bevaarbare, doorgaande waterweg;

  • 1.3

    oude bosgroeiplaats: bosgroeiplaats die al sinds 1850 min of meer ononderbroken begroeid is geweest met houtopstanden;

  • 1.4

    dunning: een velling als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet natuurbescherming. Hier voldoen in elk geval vellingen aan, die gelijkmatig over de oppervlakte worden uitgevoerd en die niet meer dan 40% van het kronendak verwijderen. Blijvende bomen worden niet onevenredig zwaar beschadigd, door de vellingsactiviteiten.

Artikel 2. Ontheffing van de meldingstermijnen

Gedeputeerde staten kunnen in de volgende gevallen besluiten om op grond van artikel 4.5 Wet natuurbescherming ontheffing te verlenen van de termijnen die in artikel 3.3.3 van de Omgevingsverordening Limburg 2014 zijn gesteld:

  • 2.1.

    De natuurlijke terreinomstandigheden van de te vellen houtopstand zijn zodanig, dat mogelijkheden tot vellen zich slechts in specifieke omstandigheden voordoen, die niet vooraf te voorspellen zijn.

  • 2.2.

    Er is sprake van omstandigheden die gelet op de volksgezondheid of de openbare veiligheid een spoedige velling van (een deel van ) een houtopstand noodzakelijk maken.

  • 2.3.

    Ten behoeve van het nemen van fytosanitaire maatregelen.

Artikel 3. Uitstel van de herbeplantingsplicht

  • 3.1.

    Gedeputeerde Staten verlenen op grond van artikel 4.5 van de Wet natuurbescherming ontheffing van de termijn tot herbeplanting in het volgende geval:

    Er wordt gebruik gemaakt van natuurlijke verjonging, maar binnen drie jaar na de velling is er, buiten de schuld van de eigenaar of beheerder om, nog geen (volledige) bosbouwkundig verantwoorde herbeplanting ontstaan.

  • 3.2.

    Aan de toestemming tot uitstel van de herbeplantingsplicht kunnen conform artikel 5.3 van de Wet natuurbescherming voorschriften, beperkingen en een geldigheidsduur worden verbonden.

  • 3.3.

    De rechthebbende vraagt de ontheffing voorafgaand het verstrijken van de herbeplantingstermijn van drie jaar aan.

  • 3.4.

    Uitstel van de herbeplantingsplicht wordt verleend voor een zo kort mogelijk periode, met een maximum van drie jaar.

Artikel 4. Kapverbod

  • 4.1.

    Bij de beoordeling of er sprake is van bijzondere natuur- of landschapswaarden in relatie tot het verbieden van een velling als bedoeld in artikel 4.2, derde lid, van de Wet natuurbescherming, overwegen Gedeputeerde Staten in elk geval of één of meer van onderstaande criteria aan de orde is/zijn.

    • a.

      De velling betreft een min of meer aaneengesloten oppervlakte van 5 hectare of meer.

    • b.

      De velling betreft zeer oude, maar wel vitale bomen.

    • c.

      De houtopstand heeft een belangrijke aan landschappelijke waarden gekoppelde cultuurhistorische betekenis

    • d.

      De velling veroorzaakt op Natura 2000 instandhoudingsdoelstelling negatieve effecten.

    • e.

      De velling heeft onevenredige negatieve effecten op populaties van beschermde soorten of op het voorkomen van bijzondere vegetatietypen

    • f.

      Er is sprake van een oude bijzondere bosgroeiplaats, met specifiek daarbij horende bodemopbouw en/of vegetatiekenmerken.

    • g.

      Er is sprake is van een velling die niet toelaatbaar is op grond van de verbodsbepalingen in Hoofdstuk 2 “Natura 2000 gebieden” of Hoofdstuk 3 “Soorten” van de Wet natuurbescherming en heeft derhalve geleid tot het weigeren van een vergunning of ontheffing op grond van die verbodsbepalingen.

    • h.

      De velling heeft om andere redenen dan geschetst onder a t/m g een onevenredige impact op belangrijke landschaps- of natuurwaarden.

  • 4.2.

    Een kapverbod wordt opgelegd voor de duur van vijf jaar, tenzij er bijzondere omstandigheden zijn die een kortere termijn noodzakelijk maken.

Artikel 5. Ontheffing herbeplantingsplicht

  • 5.1.

    Ontheffing van de herbeplantingsplicht wordt in elk geval verleend in het volgende geval;

    Een houtopstand, ontstaan door achterstallig beheer of onderhoud, is jonger dan vijf jaar en is ontstaan op een perceel waar géén sprake is van een plicht tot herbeplanting of in stand houding van de houtopstand op grond van de Wet natuurbescherming, de Omgevingsverordening Limburg 2014, gemeentelijke verordeningen en/of subsidiebeschikkingen. Het permanent verwijderen van de houtopstand dient tevens mogelijk te zijn op grond van het bestemmingsplan.

Artikel 6. Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking op 1 december 2017

Artikel 7. Citeertitel

Deze beleidsregel wordt aangehaald als “Beleidsregels Houtopstanden Limburg”.

 

Maastricht, d.d. 14 november 2017

Gedeputeerde Staten voornoemd

de voorzitter,

de heer drs. Th.J.F.M. Bovens

secretaris,

de heer drs. G.H.E. Derks MPA

Bijlage 1 Toelichting

Algemeen

Doel van deze beleidsregel is om bij de toepassing van de Wet natuurbescherming eigenaren van houtopstanden zoveel mogelijk vooraf duidelijkheid te geven over hoe wij de wet interpreteren en in welke gevallen wij de instrumenten van de wet willen inzetten. Deze beleidsregel verduidelijkt derhalve enerzijds een aantal begrippen die de Wet natuurbescherming kent. Daarnaast kent de wet een aantal instrumenten, zoals het verlenen van ontheffingen en het opleggen van een kapverbod. Met deze beleidsregel wordt duidelijk gemaakt in welke standaardgevallen wij deze instrumenten willen inzetten. Wij doen dit in de wetenschap dat het niet mogelijk is voor elk individueel geval in een beleidsregel duidelijkheid te verschaffen. Het staat een initiatiefnemer daarom altijd vrij om vooraf zijn plannen met ons te bespreken.

Artikel 1. Begripsbepalingen

Brandgangen

De Wet natuurbescherming stelt in artikel 4.4, eerste lid, sub c, dat voor brandgangen geen meldings- en herbeplantingsplicht geldt. Echter er wordt geen nadere uitleg gegeven over de term “brandgang”. Om onduidelijkheden en willekeur te voorkomen is een nadere definitie opgesteld. Daarbij wordt aangehaakt bij Risicobeheerplannen die gezamenlijk door de Veiligheidsregio (of de lokale brandweer), de gemeente en de terreineigenaar worden opgesteld. De hierin vastgelegde brandgangen worden beschouwd als brandgangen bedoeld in artikel 4.4, eerste lid, sub c, van de Wet natuurbescherming.

Dunning

In de Wet natuurbescherming is dunnen gedefinieerd als: vellen dat geschiedt als verzorgingsmaatregel ter bevordering van de groei van de overblijvende houtopstand.

 

In onderstaande wordt deze definitie verhelderd om onduidelijkheden in de uitvoeringspraktijk te voorkomen.

Bij een dunning moet er in elk geval sprake zijn van de doelstelling om op de plaats van de velling weer te komen tot een houtopstand met een gesloten kronendak, waarbij de totale begroeide oppervlakte van de houtopstand niet kleiner wordt. Het realiseren van een gesloten kronendak kan op verschillende manieren. Meestal gebeurt dit, doordat de blijvende bomen, de door de dunning ontstane gaten in het kronendak dichtgroeien, waarna er een stabiele houtopstand overblijft. Deze situatie doet zich voor, als de velling evenwichtig verspreid is over de houtopstand en niet meer dan 40% van het kronendak verdwijnt. Vellingen die (mede) met een ander doel worden uitgevoerd zijn te allen tijde meldingsplichtig. Dit sluit aan bij het beleid dat ook onder de voormalige Boswet vigeerde. Indien door de vellingswerkzaamheden blijvende bomen zodanig beschadigd zouden kunnen worden dat gevreesd moet worden voor het voortbestaan van de houtopstand, is een kapmelding nodig.

Artikel 2 Ontheffing van de meldingstermijnen

Via het instrument van de ontheffingverlening bestaat de mogelijkheid af te wijken van de termijnen die gelden voor een melding van een voorgenomen velling. Het gaat om het afwijken van twee termijnen. Enerzijds kan ontheffing verleend worden van de wachttermijn van zes weken; feitelijk gaat het dan om een versnelde velling. Anderzijds kan het gaan om de geldigheidstermijn van een kapmelding. Die is normaal één jaar, maar in specifieke gevallen is het mogelijk om met een beheerder een afspraak te maken over deze termijn via het ontheffingsinstrument.

 

Wij gaan ervan uit dat beheerders en eigenaren een planmatig beheer voeren. De regeling tot ontheffing van de wachttermijn van zes weken is dan ook slechts bedoeld om in niet voorzienbare omstandigheden toch accuraat te kunnen handelen. Hierbij moet gedacht worden aan situaties die leiden tot gevaar voor de openbare veiligheid, zoals vellingen van bomen die na storm, ijzel en zware sneeuwval gevaar veroorzaken. Daarnaast zijn er situaties die het onder normale omstandigheden onmogelijk maken om een velling uit te voeren. Gedacht kan worden aan zeer natte terreinomstandigheden. Om snel te kunnen handelen als gunstige omstandigheden zich voordoen, zoals strenge vorst of droogte, waardoor deze terreinen wel begaanbaar zijn, is ook voor een dergelijke omstandigheid een ontheffing mogelijk. Tot slot is er voor het nemen van fytosanitaire maatregelen een ontheffing van de wachttermijn mogelijk. Hierbij moet gedacht worden aan het snel moeten handelen in het geval van optredende (besmettelijke) ziekten en (insecten)plagen.

In alle gevallen geldt dat door de melder tevens moet nagaan of een ontheffing of vergunning nodig is in het kader van andere wet- en regelgeving zoals soorten- of gebiedsbescherming en gemeentelijke regelgeving.

Artikel 3 Uitstel van de herbeplantingsplicht

Met het verlenen van uitstel van de herbeplantingsplicht, zal zeer terughoudend worden omgegaan. Reden hiervoor is dat het vellen van een houtopstand ecologisch en landschappelijk een grote impact heeft op de omgeving, die zo snel mogelijk hersteld dient te worden. Toch zijn er omstandigheden denkbaar dat uitstel van de herbeplantingsplicht mogelijk is.

 

Als er gebruik gemaakt wordt van natuurlijke verjonging kan er, buiten de schuld van de eigenaar of beheerder om, soms binnen drie jaar nog niet een volledige bosbouwkundig verantwoorde herbeplanting zijn ontstaan. Voorbeelden hiervan zijn het ontbreken van goede mastjaren of niet voorzienbare wildschade of schade door ziekten en insectenplagen aan de natuurlijke verjonging. Uitstel wordt verleend als de verwachting is dat binnen enkele jaren wel een bosbouwkundig verantwoorde houtopstand van de grond kan komen.

 

Ter bevordering van een spoedige realisatie van een bosbouwkundig verantwoorde herbeplanting, kunnen voorschriften worden verbonden aan de ontheffing. Zo kan voorgeschreven worden dat er aanvullende maatregelen worden getroffen zoals bodembewerking of bescherming tegen wildschade. Als er onvoldoende vertrouwen is dat via natuurlijke weg een voldoende herbebossing ontstaat, kan er in de ontheffing worden voorgeschreven dat er aan- of bijgeplant moet worden. Tevens kan worden voorgeschreven welke soorten, welk plantverband, welke terreinvoorbereiding en welke beschermende maatregelen getroffen dienen te worden.

 

De uitsteltermijn wordt door ons bepaald aan de hand van de omstandigheden ter plaatse. Hierbij worden zaken als terreinomstandigheden en reeds aanwezige beplanting meegenomen. Wij dragen er in elk geval zorg voor dat in de uitsteltermijn ten minste één plantseizoen (najaar-/winterperiode) zit. Er wordt maximaal uitstel verleend voor een periode van drie jaar.

Kapverbod

Het vellen van een houtopstand heeft grote gevolgen voor de omgeving. Zowel voor natuurwaarden, landschap als voor omwonenden. Tegelijkertijd betekent het opleggen van een kapverbod een grote inperking van het eigendomsrecht. Immers de rechthebbende kan niet vrijelijk beschikken over zijn eigendom.

 

Wij constateren dat afgelopen decennia het aantal kapverboden nihil is geweest, maar tevens dat dit betekend heeft dat er in sommige gevallen grote maatschappelijke onrust is geweest over het vellen van houtopstanden. Wij willen daarom inzichtelijk maken onder welke omstandigheden in ieder geval een kapverbod overwogen zal worden namelijk:

 

  • a.

    De velling betreft een bijzonder grote, aaneengesloten oppervlakte. Hierbij wordt een richtlijn gehanteerd van 5 hectare. Dat wil overigens niet zeggen dat onder deze grens geen kapverbod opgelegd kan worden, als omstandigheden daartoe aanleiding geven.

     

  • b.

    De velling betreft zeer oude, maar wel vitale bomen. Een harde leeftijdsgrens is hierbij niet te geven; per soort varieert dit. Een populier kan bij 80 jaar al oud zijn, maar bij een inlandse eik kan die leeftijd veel hoger liggen.

     

  • c.

    De houtopstand heeft een belangrijke cultuurhistorische betekenis. Omdat de Wet natuurbescherming de redenen tot het opleggen van een kapverbod beperkt tot “bescherming van natuur- of landschapswaarden” zal de cultuurhistorische betekenis in het licht moeten staan van bescherming van landschap of natuur.

     

  • d.

    Indien de Natura 2000 instandhoudingsdoelstelling negatieve effecten zullen ondervinden. Normaal gesproken zal een kapverbod niet nodig zijn omdat een aanvraag voor een vergunning in het kader van gebiedsbescherming geweigerd zal worden. Echter als deze niet aangevraagd is, dient de velling wel via een kapverbod voorkomen te worden.

     

  • e.

    Velling van de houtopstand heeft onevenredige negatieve effecten op populaties van beschermde soorten of op het voorkomen van bijzondere vegetatietypen. Ook andere soorten en vegetatietypen die buiten de Natura 2000-gebieden of -doelen vallen, zijn soms zo bijzonder dat ze beschermd dienen te worden.

     

  • f.

    Er is sprake van een oude bijzondere bosgroeiplaats, met specifiek daarbij horende bodemopbouw en/of vegetatiekenmerken. Het vellen van de houtopstand kan hier negatieve gevolgen voor hebben. Oude bijzondere groeiplaatsen van bos zijn zeldzaam en niet zonder meer opnieuw te ontwikkelen.

     

  • g.

    Indien er sprake is van een velling die niet toelaatbaar is op grond van andere artikelen van de Wet natuurbescherming en derhalve geleid heeft tot het niet verlenen van een vergunning of ontheffing. Indien er een ontheffing in het kader van soortenbescherming of een vergunning voor gebiedsbescherming geweigerd is, maar er is wel een kapmelding gedaan, kan het verstandig zijn om toch op die kapmelding te reageren met een kapverbod. Dit om te voorkomen dat er een onduidelijke situatie ontstaat.

     

  • h.

    Velling heeft om andere redenen dan geschetst onder a t/m f een onevenredige impact op belangrijke landschaps- of natuurwaarden. De artikelen a t/m f zijn niet uitputtend. Gezien de grote variatie in houtopstanden is dat ook niet mogelijk. Er zijn altijd gevallen mogelijk waar een kapverbod toch noodzakelijk is om natuur of landschappelijke waarden te beschermen.

Nadrukkelijk wordt gesteld dat het kapverbod géén instrument is om uitvoering van andere ruimtelijke besluiten, zoals wijzigingen van bestemmingsplannen, te beïnvloeden.

 

In principe leggen wij een kapverbod op voor een periode van vijf jaar. Soms kan het nodig zijn om nader onderzoek te doen naar de daadwerkelijke gevolgen voor natuur en landschapswaarden van het vellen van een houtopstand. In die gevallen kan een kortlopend kapverbod worden opgelegd om lopende dit onderzoek onomkeerbare gevolgen te voorkomen.

Ontheffing van de herbeplantingsplicht

Het komt regelmatig voor dat ontheffing van de herbeplantingsplicht wordt gevraagd voor spontaan ontstane houtopstanden op natuurterreinen of op (voormalige) landbouwgronden. Om duidelijkheid te bieden aan eigenaren en beheerders over het al dan niet kunnen verkrijgen van een ontheffing van de herbeplantingsplicht is gezocht naar een eenduidig criterium. Dat is gevonden in het leeftijdscriterium. Voor houtopstanden jonger dan vijf jaar kan een ontheffing van de herbeplantingsplicht worden verleend. De leeftijd is eenvoudig vast te stellen aan de hand van lucht- of satellietfoto’s en eventueel door het tellen van jaarringen. Alvorens een ontheffing verkregen kan worden, moet ook aan andere voorwaarden zijn voldaan. Het moet gaan om achterstallig onderhoud, en ook in het kader van andere regelgeving zoals soortenbescherming en de Wet ruimtelijke ordening (bestemmingsplan) moet het mogelijk zijn om de houtopstand permanent te verwijderen.

 

Voor overige gevallen wordt per geval bepaald en onderbouwd of een ontheffing van de herbeplantingsverplichting aan de orde is. Hierbij wordt opgemerkt dat de Wet natuurbescherming in artikel 4.5 al een uitgebreide vrijstellingsregeling kent.