Provinciaal blad van Groningen

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
GroningenProvinciaal blad 2017, 1925Beleidsregels



Beleidsregel van Gedeputeerde Staten van de provincie Groningen houdende regels omtrent luchtvaart Beleidsregel tijdelijk en uitzonderlijk gebruik Wet luchtvaart provincie Groningen 2017

Gedeputeerde Staten van Groningen maken bekend dat zij in hun vergadering van 18 april 2017 nr. A.17, zaaknummer K2430 het volgende besluit hebben genomen:

 

Gedeputeerde Staten van Groningen;

 

Overwegende dat:

  • het ingevolge artikel 8.1a, eerste lid, van de Wet luchtvaart verboden is met een luchtvaartuig op te stijgen en landen anders dan van of op een aangewezen luchthaven;

  • Gedeputeerde Staten de bevoegdheid hebben op grond van artikel 8a.51 van de Wet luchtvaart in verband met tijdelijk en uitzonderlijk gebruik voor aangewezen luchtvaartuigen ontheffing te verlenen van het hiervoor genoemde verbod;

  • het gewenst is beleidsregels vast te stellen voor het verlenen van ontheffingen voor tijdelijk en uitzonderlijk gebruik van een terrein dat geen luchthaven is;

 

Gelet op artikel 8a.51 van de Wet luchtvaart, het Besluit burgerluchthavens, de Regeling burgerluchthavens en de Regeling veilig gebruik luchthavens en andere terreinen;

gelet op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht;

 

besluiten:

 

vast te stellen hetgeen volgt:

 

Beleidsregel tijdelijk en uitzonderlijk gebruik Wet luchtvaart provincie Groningen 2017

Artikel 1 Definities

ander geluidgevoelig gebouw: onderwijsgebouw, ziekenhuis, verpleeghuis, verzorgingstehuis, psychiatrische inrichting of kinderdagverblijf (als bedoeld in artikel 1.2 Besluit geluidhinder);

buitengebied: gebied buiten aaneengesloten bebouwing, zoals aangegeven in de Omgevingsverordening provincie Groningen;

CTR: Control Region, gecontroleerde luchtruimgebieden waar vliegtuigen tweewegcommunicatie onderhouden met een luchtverkeerstoren;

ganzenfoerageergebieden: door Gedeputeerde Staten van Groningen in het besluit "Vaststellen begrenzing ganzenfoerageergebieden" aangewezen gebieden;

gebruiksdag: dag waarop gebruik wordt gemaakt van de TUG-ontheffing;

ILT: Inspectie Leefomgeving en Transport van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu;

ligplaats: ligplaats in het water, bestemd om door een woonschip te worden ingenomen als bedoeld in artikel 1.2, derde lid, onder b, van het Besluit geluidhinder;

luchtvaartuig: luchtvaartuig als bedoeld in artikel 21 van het Besluit burgerluchthavens;

luchthaven: een luchthaven als bedoeld in artikel 1.1 Wet luchtvaart;

Natuurnetwerk Nederland: samenhangend netwerk van robuuste natuurgebieden, ecologische verbindingszones en agrarische gebieden met natuurwaarden, waarbinnen ecosystemen met daarbij behorende soorten duurzaam kunnen voortbestaan;

RPA: op afstand bestuurd luchtvaartuig (remotely piloted aircraft), niet zijnde een modelluchtvaartuig;

RVGLT: Regeling veilig gebruik luchthavens en andere terreinen;

standplaats: standplaats als bedoeld in artikel 1.2, derde lid, onder a, van het Besluit geluidhinder.

terrein: terrein waarvoor geen luchthavenbesluit- of regeling is vastgesteld;

TUG-ontheffing: ontheffing voor tijdelijk en uitzonderlijk gebruik als bedoeld in artikel 8a.51 Wet luchtvaart;

vlucht: verplaatsing van het luchtvaartuig gedurende het tijdsverloop dat het in beweging komt met de bedoeling om op te stijgen, tot het ogenblik dat het weer tot volledige stilstand is gekomen na de landing;

vliegbeweging: start óf een landing van een luchtvaartuig;

woning: gebouw dat voor bewoning is bestemd als bedoeld in artikel 1 Wet geluidhinder.

Artikel 2 Soorten ontheffingen

Gedeputeerde Staten onderscheiden twee soorten TUG-ontheffingen:

  • a.

    een locatiegebonden ontheffing voor een vooraf aangegeven terrein, voor vluchten op één of meer dagen;

  • b.

    een generieke ontheffing, alleen voor helikopters, voor een vooraf niet te bepalen terrein, en dus voor meerdere terreinen in de provincie Groningen. Hierbij geldt een maximum van 2 landingen en 2 starts per dag per terrein. Op grond van aan de ontheffing te verbinden voorwaarden kunnen bepaalde gebieden worden uitgesloten van de ontheffing. Ten minste 24 uur voor de uitvoering van een vlucht doet de houder van de ontheffing hiervan als bedoeld in artikel 35, derde lid, van de Regeling veilig gebruik luchthavens, melding aan de burgemeester en aan ILT, alsmede aan gedeputeerde staten.

Artikel 3 Toetsingscriteria tijdelijk en uitzonderlijk gebruik

  • 1.

    Van tijdelijk en uitzonderlijk gebruik is sprake als een terrein 12 dagen of minder in een aaneengesloten periode van 12 maanden wordt gebruikt.

  • 2.

    In beginsel wordt de ontheffing alleen verleend voor terreinen gelegen in het buitengebied. De ingevolge artikel 5, onder c, aangewezen terreinen in de gemeente Groningen vormen hierop een uitzondering voor zover het een generieke ontheffing betreft.

    Daarnaast kan een uitzondering worden gemaakt voor een terrein:

    • a.

      dat vanwege een door de aanvrager aan te duiden maatschappelijk belang gebruikt gaat worden of;

    • b.

      waarvan door de aanvrager bij het verzoek aannemelijk is gemaakt dat hinder en gevaar bij het gebruik van deze locatie redelijkerwijs niet te verwachten is.

  • 3.

    Gedeputeerde Staten weigeren de ontheffing indien:

    • a.

      wordt opgestegen van dan wel over, en/of geland wordt op dan wel over een gebied van het Natuur Netwerk Nederland;

    • b.

      deze betrekking heeft op leefgebieden van weidevogels tijdens het broedseizoen (van 1 maart tot 1 augustus);

    • c.

      deze betrekking heeft op ganzenfoerageergebieden en een strook van 1 km langs de Waddenkust tijdens de trek- en winterperiode van 1 oktober tot 1 april.

    • d.

      het aantal vluchten op één gebruiksdag de aantallen aangeven in artikel 4, derde lid, overschrijdt;

    • e.

      uit overleg met de burgemeester van de betreffende gemeente blijkt dat de openbare orde of veiligheid door de start(s) of landing(en) in ontoelaatbare mate in het geding is.

  • 4.

    Indien er op grond van de bovengenoemde afweging bezwaren bestaan tegen het verlenen van een ontheffing kunnen, voordat de ontheffing wordt geweigerd, alternatieve locaties of tijden voor de ontheffing in samenspraak met de aanvrager en voor zover daartoe aanleiding is, met de burgemeester van de betreffende gemeente worden overwogen.

  • 5.

    Gedeputeerde Staten kunnen een ontheffing eveneens weigeren indien:

    • a.

      het terrein gelegen is binnen de control zone van vliegveld Eelde (CTR) of binnen beperkingengebieden van dan wel nabij één van de in de provincie Groningen gelegen luchthavens;

    • b.

      het terrein gelegen is binnen de contouren van de laagvliegroute voor straalvliegtuigen (route 10);

    • c.

      de afstand tot in werking zijnde windturbines zodanig kort is dat dit in verband met zog/turbulentie van de turbines ontoelaatbare risico's kan opleveren.

  • 6.

    Een verzoek om ontheffing wordt ingediend bij Gedeputeerde Staten.

  • 7.

    Het niet nakomen van (één van) de in het besluit (de ontheffing) vermelde voorschriften kan leiden tot het onmiddellijk intrekken van dit besluit, zonder recht op schadevergoeding.

Artikel 4 Nadere regels locatiegebonden ontheffing

  • 1.

    Van de grens van 12 dagen genoemd in artikel 3, eerste lid, kan worden afgeweken, voor zover:

    • a.

      het terrein op minstens 500 meter van woningen en andere geluidgevoelige gebouwen van derden is gelegen;

    • b.

      er niet met helikopters wordt gevlogen;

    • c.

      per dag niet meer dan 8 vliegbewegingen worden uitgevoerd;

    • d.

      het gebruik niet meer dan 24 dagen per jaar bedraagt;

    • e.

      voor het overige op basis van de aanvraag kan worden aangenomen dat een gebruik op meer dan 12 dagen per kalenderjaar, geen hinder van betekenis zal veroorzaken voor omwonenden of natuur.

  • 2.

    In de ontheffing worden grenzen gesteld aan het aantal gebruiksdagen en aan het aantal vliegbewegingen op een gebruiksdag. Hierbij hanteert Gedeputeerde Staten voor gemotoriseerde luchtvaartuigen, afhankelijk van het aantal gebruiksdagen en de kortste afstand van de start- en landingsplaats tot:

    • woningen;

    • andere geluidgevoelige gebouwen;

    • ligplaatsen;

    • standplaatsen;

    • de in artikel 3, derde lid, onder a tot en met c, aangewezen gebieden, de volgende bovengrenzen:

       

      aantal gebruiksdagen

      maximaal aantal vliegbewegingen per dag

      kortste afstand tot woningen en andere geluidgevoelige gebouwen, etc.

       

       

       

      < 100 m

      100 - 500 m

      > 500 m

      12

      2

      4

      10

      ≤ 4

      10

      20

      40

      1

      20

      40

      80

  • 3

    Om ongewenst gebruik van TUG-ontheffingen voor meerdere dicht bij elkaar gelegen percelen te voorkomen, weigeren Gedeputeerde Staten een ontheffing als deze wordt aangevraagd voor een terrein dat op minder dan 1.000 meter afstand van een terrein ligt waarvoor in dezelfde periode een ontheffing is verleend of wordt aangevraagd en het maximaal met de ontheffingen toegestane gebruik meer bedraagt dan 12 dagen in een periode van een jaar.

 

Artikel 5 Standaard in de ontheffing op te nemen voorschriften

Aan TUG-ontheffingen worden de volgende standaardvoorschriften verbonden:

  • a.

    van het terrein mag uitsluitend gebruik worden gemaakt tijdens de uniforme daglichtperiode (UDP).

  • b.

    voor helikopters: bij het starten en landen moet er, zo lang de rotoren draaien, voor zorg worden gedragen dat publiek op een afstand van tenminste 30 meter van de helikopter wordt gehouden en publiek zich eveneens niet over dezelfde afstand van de verticale projectie van de start- danwel landingslijn bevindt, tot een afstand van ten minste 100 meter van het start of landingspunt.

  • c.

    voor overige (MLA's/vliegtuigen): bij het starten en landen moet er voor zorg worden gedragen dat publiek tenminste 25 meter afstand van het luchtvaartuig wordt gehouden en zich niet op de start- en landingsbaan bevindt, gedurende de tijd dat de motor van het luchtvaartuig in werking is.

  • d.

    bij het opstijgen en landen mag niet over woonbebouwing worden gevlogen.

  • e.

    de houder van de ontheffing moet het gebruik van een terrein achteraf binnen 4 weken na afloop van het betreffende kwartaal mailen aan Gedeputeerde Staten en aan de minister van Infrastructuur en Milieu, i.c. ILT, onder vermelding van de data waarop is gevlogen met de aantallen vliegbewegingen per dag.

Artikel 6 Nadere regels generieke ontheffing

  • 1.

    In de generieke ontheffing worden voorschriften opgenomen met betrekking tot:

    • a.

      het aantal vliegbewegingen per dag, niet meer dan 2x2;

    • b.

      het niet van toepassing zijn op:

      • gebieden van het Natuur Netwerk Nederland;

      • leefgebieden voor weidevogels tijdens het broedseizoen (van 1 maart tot 1 augustus);

      • ganzenfoerageergebieden en een strook van 1 km langs de Waddenkust tijdens de trek- en winterperiode van 1 oktober tot 1 april.

    • c.

      het in de gemeente Groningen uitsluitend van toepassing zijn op de daartoe aangewezen locaties Sportpark Vinkhuizen en Sportcentrum Kardinge.

  • 2.

    Indien van een generieke ontheffing op meerdere terreinen gebruik worden gemaakt, is het maximaal aantal gebruiksdagen voor die terreinen gezamenlijk niet meer dan 12.

  • 3.

    In de generieke ontheffing kan het totaal aantal gebruiksdagen (voor een, of voor meerdere specifieke terreinen) worden begrensd tot minder dan 12 in een periode van 12 maanden.

  • 4.

    Indien wordt gestart of geland binnen de CTR van vliegveld Eelde, dient voorafgaand aan een vlucht contact te worden opgenomen met de verkeersleiding van vliegbasis Eelde.

  • 5.

    Ten minste 24 uur voor het gebruik van de ontheffing geeft de houder van de ontheffing per e-mail aan Gedeputeerde Staten, aan ILT en aan de burgemeester van de gemeente waarin het betreffende terrein ligt, kennis van het voornemen de ontheffing te gebruiken. Aan Gedeputeerde Staten en aan ILT kan deze melding per e-mail worden verzonden.

Artikel 7 Belangenafweging

Onverminderd de artikelen 3 tot en met 6 kunnen Gedeputeerde Staten bij het beoordelen van een aanvraag een belangenafweging maken. De daarbij in het bijzonder af te wegen belangen betreffen de volgende aspecten voor de afweging waarvan de aanvrager informatie dient aan te leveren:

  • a.

    belang voor aanvrager dan wel opdrachtgever of klant (maatschappelijk, economisch of vervoerstechnisch);

  • b.

    belang van omwonenden dan wel gebruikers van nabijgelegen percelen;

  • c.

    belang voor natuur, in het bijzonder gebieden van het Natuurnetwerk Noord Nederland, Leefgebieden voor weidevogels en ganzenfoerageergebieden;

  • d.

    aan- en uitvliegroutes in relatie tot woningen, overige geluidgevoelige gebouwen, kwetsbare functies, obstakels, windturbines of natuurlijke waarden.

Artikel 8 Publicatie ontheffing

Een verleende ontheffing wordt gepubliceerd op de website van de provincie Groningen totdat de geldigheidsduur van de ontheffing is verstreken.

Artikel 9 Overgangsrecht

Een verzoek om ontheffing ingediend voor de inwerkingtreding van dit besluit wordt afgehandeld als bedoeld in de Beleidsregel tijdelijk en uitzonderlijk gebruik Wet luchtvaart provincie Groningen 2012 van 27 november 2012.

Artikel 10 Intrekking

De op 27 november 2012 vastgestelde Beleidsregel tijdelijk en uitzonderlijk gebruik Wet luchtvaart provincie Groningen (zaaknr. 431215, Provinciaal blad nr. 21, 2012) wordt ingetrokken.

Artikel 11 Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na bekendmaking in het Provinciaal Blad waarin dit besluit is geplaatst.

Artikel 12 Citeertitel

Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel tijdelijk en uitzonderlijk gebruik Wet luchtvaart provincie Groningen 2017.

 

Groningen, 18 april 2017.

Gedeputeerde Staten voornoemd:

F.J. Paas , voorzitter.

H.J. Bolding , secretaris.

Bijlage 1 Gebieden met beperkingen voor ontheffingen

TOELICHTING

 

op de Beleidsregel tijdelijk en uitzonderlijk gebruik Wet luchtvaart provincie Groningen 2017.

 

1. Inleiding

1.1 Achtergronden

Sinds de inwerkingtreding per 1 november 2009 van de gewijzigde Wet luchtvaart zijn provinciale besturen (gedeputeerde staten) op grond van artikel 8a.51 van de Wet luchtvaart bevoegd tot het verlenen van ontheffingen voor tijdelijk en uitzonderlijk gebruik (hierna: 'TUG') van een terrein ten behoeve van luchtvaart. Dat betekent dat voor starts en landingen met luchtvaartuigen genoemd in artikel 21 van het Besluit burgerluchthavens, buiten luchthavens waarvoor een luchthavenbesluit of een luchthavenregeling geldt, een TUG-ontheffing noodzakelijk is. Het verlenen van deze ontheffing door Gedeputeerde Staten is een discretionaire bevoegdheid (hier kan op basis van overwegingen gebruik worden gemaakt, een aanvrager heeft dus niet zonder meer recht op een ontheffing).

Onderhavige beleidsregel geeft de kaders en criteria aan die Gedeputeerde Staten van Groningen hanteren bij het behandelen van aanvragen om TUG-ontheffingen. Deze beleidsregel sluit voor een groot deel aan bij het model dat bij de inwerkingtreding van de RBML 1 in interprovinciaal verband is opgesteld, maar bevat ook enkele afwijkingen daarvan. Deze beleidsregel vervangt de op 27 november 2012 vastgestelde Beleidsregel tijdelijk en uitzonderlijk gebruik Wet luchtvaart provincie Groningen (provinciaal blad nr. 21, 28 november 2012).

 

1.2 Doel beleidsregel

Deze beleidsregel heeft als doel voor luchtvaartbedrijven, individuele (rechts-) personen én voor het provinciebestuur de voorwaarden waaronder ontheffingen worden verleend duidelijk te maken, waarbij enerzijds recht wordt gedaan aan de door de provincie te beschermen algemene, ruimtelijke en milieubelangen en anderzijds aan de bedrijfsmatige belangen van de luchtvaartbedrijven danwel die van de recreatieve luchtvaart.

Daarnaast beogen wij met een verdere verduidelijking van de regels en de afwegingskaders de administratieve en bestuurlijke lasten voor aanvragers, de provincie en eventuele derde belanghebbenden te beperken.

 

1.3 Aanleiding voor aanpassingen

Sinds de inwerkingtreding van de aan deze beleidsregel voorafgaande beleidsregel voor TUG-ontheffingen in de provincie Groningen (29 november 2012), is een aantal wijzigingen in wettelijke en beleidsmatige kaders opgetreden. Ook is uit de in de afgelopen jaren met ontheffingen opgedane ervaringen gebleken dat enkele beleidsopvattingen wijziging of verduidelijking behoeven. Een en ander heeft geleid tot bijstellingen op de volgende aspecten:

  • 1.

    de afwegingen bij het bepalen van de grens tussen incidenteel en structureel gebruik (alleen bij locatiegebonden ontheffingen, art. 3 lid 1 en art. 4 lid 1 en 2);

  • 2.

    in beginsel uitsluiten van bebouwde omgevingen voor de ontheffingen (ontheffing in principe alleen voor het buitengebied);

  • 3.

    vervallen van het sportpark Coendersborg in de gemeente Groningen, voor starts en landingen met een generieke ontheffing;

  • 4.

    het niet meer naar alle gemeenten zenden van een verzoek om generieke ontheffing, voor het overleg bedoeld in art. 35 lid 2 RVGLT 2 .

  • 5.

    de mogelijkheid aanvullende eisen te stellen aan locatiegebonden ontheffingen, op het gebied van het aantal gebruiksdagen en het aantal vliegbewegingen per gebruiksdag, alsmede uitgangspunten daarbij;

  • 6.

    de mogelijkheid aanvragen (deels) te weigeren in verband met de afstand tot woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen in relatie tot het aantal gebruiksdagen en aantal vliegbewegingen per dag;

  • 7.

    de mogelijkheid aanvragen te weigeren in verband met afstanden tot windturbines;

  • 8.

    een herdefinitie van natuurgebieden en uitsluitingen c.q. aan te houden afstanden tot natuurgebieden, akker- en weidevogelgebieden en ganzenfoerageergebieden;

  • 9.

    aanduiding van standaardvoorschriften voor ontheffingen;

  • 10.

    de verplichting de aanvraag in te dienen via het digitale aanvraagformulier;

  • 11.

    verwijzingen naar kaarten met gebieden waar of waar omheen beperkingen gelden (deze is ook opgenomen in het digitale aanvraagformulier, laatste bevat de actuele versies van de betreffende kaarten);

  • 12.

    toevoeging van begripsomschrijvingen en een toelichting;

  • 13.

    diverse (redactionele) aanpassingen, waaronder aanpassingen aan gewijzigde wet- en regelgeving, zoals de Omgevingsvisie en Omgevingsverordening en het benoemen van weigeringsgronden.

Met de aanpassingen van deze beleidsregel worden de kaders waarbinnen de ontheffingen worden verleend waar nodig scherper en waar mogelijk flexibeler.

Een en ander wordt in de navolgende paragrafen toegelicht.

 

2. Kaders

2.1 Algemeen

Met deze beleidsregel wordt uitleg gegeven aan een aantal bepalingen van de Wet luchtvaart, de Wet Natuurbescherming en de Algemene wet bestuursrecht ten behoeve van de uitoefening van de bevoegdheid van Gedeputeerde Staten een TUG-ontheffing al dan niet te verlenen.

Gedeputeerde Staten hebben overeenkomstig de beleidsregel te handelen, tenzij dat voor één of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen (artikel 4.84 Algemene wet bestuursrecht). Een beleidsregel biedt dus per definitie ruimte voor afwijking. Voorwaarden voor afwijking zijn dat deze niet in strijd is met de rechtszekerheid en dat de afwijking voldoende is gemotiveerd. Ter motivering van een besluit overeenkomstig de beleidsregel kan worden volstaan met een verwijzing naar een gedragslijn voor zover deze is neergelegd in een beleidsregel. Daarmee is een verdere onderbouwing van een beslissing, althans voor zover het gaat om de onderwerpen waarop de beleidsregel betrekking heeft, niet vereist.

 

2.2 Provinciaal beleid

▪ Algemene afwegingen

Achterliggend doel van deze decentralisatie van luchtvaarttaken is geweest dat het provinciaal bestuur met de invulling van haar bevoegdheden de milieu-hygiënische (geluid en externe veiligheid) en ruimtelijke aspecten mee kan wegen in haar besluitvorming. Deze beleidsregel richt zich dan ook met name op deze aspecten. Vanuit de Wet luchtvaart is hierbij een zekere beleidsvrijheid geboden.

Het geldende provinciaal beleid waarmee bij de invulling van de beleidsruimte rekening moet worden gehouden wordt navolgend beschreven. De belangenafwegingen worden nader toegelicht in §3.2 van deze toelichting.

De ontwikkeling van het onderhavige beleid is ten tijde van de invoering van de RBML interprovinciaal afgestemd, met als doel om in Nederland op zoveel mogelijk uniforme wijze om te gaan de bevoegdheden. Dit heeft onder andere geresulteerd in de toepassing van het 12-dagen criterium en de mogelijkheid twee verschillende soorten TUG-ontheffingen aan te kunnen vragen. Dit sluit niet uit dat er tussen de beleidsregels van de provincies ook verschillen zijn, omdat iedere provincie bij de invulling van het beleid rekening houdt met de eigen ruimtelijke en maatschappelijke karakteristieken en bestuurlijke speerpunten.

Ook is toen afstemming gezocht met de luchtvaartsector. Deze afstemming heeft geleid tot de mogelijkheid een generieke ontheffing aan te vragen. Behoefte c.q. noodzaak hiervoor komt voort uit het gegeven dat vluchten met helikopters vanuit een opdracht op korte termijn nodig kunnen zijn, wat met een locatiegebonden ontheffing, gelet op de proceduretermijn van 4 weken niet mogelijk is.

▪ Ruimtelijk beleid

Bij het al dan niet verlenen van een TUG-ontheffing worden ruimtelijke en milieu-hygiënische belangen meegewogen. Voor het ruimtelijk beleid van de provincie Groningen zijn de Omgevingsvisie 2016-2020 en de Omgevingsverordening 2016 kaderstellend.

- Omgevingsvisie provincie Groningen 2016-2020

De Omgevingsvisie is een zelfbindend strategisch beleidsdocument. In algemene worden in de Omgevingsvisie de provinciale ambities en doelen voor de fysieke leefomgeving gegeven.

Ten aanzien van luchtvaart is aangegeven dat geen uitbreiding van het aantal terreinen wordt toegestaan, tenzij er sprake is van hoge urgentie of de maatschappelijke relevantie hiervan kan worden aangetoond. Verder is aangegeven dat het beleid voor de TUG-ontheffingen wordt herijkt, waarbij het beleid voor de terreinen voor de kleine recreatieve luchtvaart wordt betrokken. Deze beleidsregel sluit hier op aan.

Relevante onderdelen van de Omgevingsvisie zijn:

buitengebied, aangewezen op kaart 1;

stiltegebieden, aangewezen op kaart 3;

NNN-natuurgebieden, weidevogelgebieden, akkervogelgebieden en ganzenfoerageergebieden, aangegeven op kaart 6. De gebieden van het Natuurnetwerk Nederland overlappen de stiltegebieden geheel.

 

- Omgevingsverordening provincie Groningen 2016

De Omgevingsverordening bevat regels voor de fysieke leefomgeving. Relevante onderdelen

van de Omgevingsverordening zijn de kaarten 1, 3 en 6. Deze zijn gelijk aan de kaarten 1, 3 en 6 van de Omgevingsvisie.

 

2.3 Relevante wetsartikelen

Uit artikel 8.1a van de Wet luchtvaart volgt dat het in principe niet is toegestaan met een luchtvaartuig op te stijgen van of te landen op een terrein anders dan een luchthaven. Artikel 20 van het Besluit burgerluchthavens (in samenhang met artikel 8a.50 van de wet) geeft hierop uitzonderingen. Dit betreft onder andere helikopters ten behoeve van maatschappelijke vluchten zoals spoedeisende medische hulp, politietaken, brandbestrijding of spoedeisende maatregelen om schade aan transportleidingen te voorkomen, beperken of verhelpen, modelluchtvaartuigen en RPA's met een totale massa van ten hoogste 25 kilogram. Voor starts en landingen met dergelijke luchtvaartuigen is geen TUG-ontheffing nodig. Deze vallen daardoor buiten de reikwijdte van deze beleidsregel.

Bij het verlenen van een TUG-ontheffing zijn vooral de volgende wettelijke bepalingen van belang:

  • a.

    er moet sprake zijn van tijdelijk en uitzonderlijk gebruik van een bepaald terrein (artikel 8a.51 van de Wet luchtvaart);

  • b.

    er moet sprake zijn van een categorie luchtvaartuig die voor een TUG-ontheffing in aanmerking komt (aangewezen in artikel 21 van het Besluit burgerluchthavens);

  • c.

    het terrein moet voldoen aan de eisen van RVGLT;

  • d.

    de proceduretermijn voor het verlenen van een TUG-ontheffing bedraagt maximaal 4 weken (artikel 35, eerste lid van de RVGLT);

  • e.

    voorafgaand aan verlening van de ontheffing vindt overleg plaats tussen Gedeputeerde Staten en de burgemeester van betrokken gemeente (artikel 35, tweede lid van de RVGLT);

  • f.

    ten minste 24 uur van te voren moet de houder van de ontheffing melding doen van het gebruik van het terrein aan de Minister en de burgemeester van de gemeente waarin het desbetreffende terrein ligt (artikel 35, derde lid, van de RVGLT).

     

Ad a. Tijdelijk en uitzonderlijk gebruik

Artikel 8a.51 van de Wet luchtvaart geeft aan dat Gedeputeerde Staten voor tijdelijk en uitzonderlijk gebruik van een terrein ontheffing kunnen verlenen van het verbod bedoeld in artikel 8.1a lid 1 Wet luchtvaart. Waar de grens ligt tussen enerzijds tijdelijk en uitzonderlijk gebruik en anderzijds structureel gebruik is in de Wet niet aangegeven.

Bij de inwerkingtreding van de RBML hebben provincies voor het bepalen van deze grens aangesloten bij de ontstane praktijk bij beoordelen van geluid van inrichtingen in het kader van omgevingsvergunningen. Hierbij is het onder voorwaarden toegestaan om 12 dagen per jaar af te wijken van een vergunde situatie. In de vergunning-praktijk wordt dit de 'incidentele bedrijfssituaties' (IBS) genoemd. Omdat deze situatie een beperkt aantal dagen per jaar optreedt, kan worden geoordeeld dat de hogere geluidsbelasting als gevolg daarvan toelaatbaar is.

Het 12-dagen criterium richt zich op het aspect geluid, dat voor geluid van inrichtingen per etmaal wordt beoordeeld. Geluid van luchtvaart wordt beoordeeld aan de hand van jaargemiddelden (dosismaat Lden). Of het gebruik van een terrein voor luchtvaart hinder kan veroorzaken hangt echter niet alleen af van het aantal gebruiksdagen, maar ook van het aantal vluchten per dag, de typen toestellen, de afstanden tot woningen en natuurgebieden en de vliegroutes. Door het criterium van 12 dagen als strikte grens te hanteren, kan in een voorkomend geval dat er een wens is een terrein meer dagen per jaar te gebruiken de situatie ontstaan dat een luchthavenbesluit- of regeling moet worden aangevraagd, terwijl aanwijzing van een nieuwe luchthaven niet gewenst is en dit om reden van hinder niet noodzakelijk is. In dit kader merken wij op dat wij in de Omgevingsvisie provincie Groningen hebben aangegeven dat wij in principe geen uitbreiding van het aantal luchthaventerreinen toestaan (zie ook §2.2 van deze toelichting).

Hiermee vinden wij het 12-dagencriterium nog steeds een grens die in de meeste gevallen strikte toepassing verdient, maar wij constateren ook dat deze met de overige, hiervoor genoemde specifieke omstandigheden van een aanvraag moet worden beoordeeld.

Als gevolg van deze afwegingen achten wij het voor locatiegebonden ontheffingen in specifieke gevallen waarbij geen hinder te verwachten is, toelaatbaar dat een gebruik op meer dan 12 dagen in een periode van een jaar wordt toegestaan. Voorwaarden die wij daarbij in elk geval stellen zijn dat:

  • de locatie op minstens 500 meter van woningen van derden, of van andere geluidgevoelige gebouwen (van derden) ligt;

  • er wordt niet met helikopters gevlogen;

  • op een gebruiksdag niet meer dan 8 vliegbewegingen plaatsvinden;

  • het aantal gebruiksdagen niet meer is dan 24 dagen in een periode van een jaar;

  • voor het overige (redelijkerwijs) geen hinder te verwachten is.

     

Ad b. In aanmerking komende luchtvaartuigen

De bevoegdheid voor het verlenen van de TUG-ontheffing strekt zich alleen uit tot luchtvaartuigen aangewezen in artikel 21 van het Besluit burgerluchthavens. Het gaat om het landen of opstijgen van:

  • a.

    helikopters;

  • b.

    vrije ballonnen bestemd en ingericht voor bemande vluchten;

  • c.

    zweeftoestellen;

  • d.

    micro light aeroplanes;

  • e.

    RPA’s waarvan de totale massa meer dan 25 kilogram maar niet meer dan 150 kilogram bedraagt (vrijstelling per 1 juli 2015);

  • f.

    vliegtuigen die deelnemen aan een luchtvaartvertoning;

  • g.

    watervliegtuigen;

  • h.

    landbouwluchtvaartuigen;

  • i.

    luchtschepen die op zeeniveau in de internationale standaard-atmosfeer in geheel gevulde toestand een afmeting hebben van meer dan 5 meter of een inhoud van meer dan 4 m3.

     

Ad c. Terrein

Het begrip terrein is in de Wet luchtvaart niet nader omschreven. Dit begrip komt echter wel zelfstandige betekenis toe. Dit kan bijvoorbeeld worden afgeleid uit de specifieke eisen die in de RVGLT (hoofdstuk 3) zijn opgenomen. De aan deze terreinen gestelde eisen hebben veiligheid en openbare orde als oogmerk. Op grond daarvan valt af te leiden dat onder een terrein moet worden verstaan de gronden die daadwerkelijk voor het landen of opstijgen van luchtvaartuigen worden gebruikt. In de praktijk wordt over het algemeen gebruik gemaakt van weilanden en (sport)parken. Toetsing aan de geldende regels van de RVGLT is in eerste aanleg een verantwoordelijkheid van de gezagvoerder van een luchtvaartuig. Op de naleving van de eisen door de vlieger ziet de Inspectie Leefomgeving en Transport van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu toe. Op grond van art. 11.15 onderdeel a. van de wet is de Minister van I&M immers bevoegd om bestuursdwang uit te oefenen ter handhaving van de krachtens of bij de Wet luchtvaart gestelde verplichtingen.

Voor terreinen die worden gebruikt voor opstijgen met vrije ballonnen, schermzweeftoestellen, zeilvliegtuigen of gemotoriseerde schermvliegtuigen is een luchthavenbesluit of -regeling niet nodig indien 3 :

  • de gebruiker beschikt over een door de burgemeester van de gemeente waarin het terrein ligt, in verband met de openbare orde en veiligheid afgegeven verklaring van geen bezwaar, en

  • de gebruiker aan de Inspectie Leefomgeving en Transport de afgifte van de verklaring heeft gemeld.

In de RVGLT zijn geen afstandseisen in verband met windturbines opgenomen. Windturbines zijn als obstakel een aspect om rekening mee te houden, maar op grotere afstanden zijn ook zog/turbulentie een aspect om in verband met vliegveiligheid rekening mee te houden. Eenduidige criteria aan de hand waarvan beoordeeld kan worden binnen welke afstand bij welke windsnelheden veilig langs de windturbines kan worden gevlogen zijn nationaal en internationaal nog niet voorhanden. Op basis van diverse gegevens, waaronder met name het rapport "Policy and Guide Lines on Wind Turbines" van de Civil Aviation Authority (rapport CAP 784), zijn wij van oordeel dat bij afstanden van meer dan 5 keer de rotordiameter (windafwaarts) in elk geval veilig kan worden gevlogen. Dit houdt in dat als de locatie waarvoor ontheffing wordt aangevraagd zodanig ligt dat niet anders dan binnen 5 keer de rotordiameter langs een windturbine moet worden gevlogen, dit aanleiding kan zijn de ontheffing niet te verlenen.

 

Ad d. Proceduretermijn

De termijn voor het besluit op een verzoek om een TUG-ontheffing bedraagt vier weken na het indienen van de aanvraag. De opgenomen termijn van vier weken wijkt af van de standaard termijn van acht weken die de Algemene wet bestuursrecht hanteert. De gekozen termijn van vier weken komt tegemoet aan de behoefte vanuit de praktijk om op een betrekkelijk korte termijn een vlucht te kunnen uitvoeren en stelt daarnaast Gedeputeerde Staten in staat om een besluit tot ontheffing op een zorgvuldige wijze voor te bereiden. Er kan geen garantie worden gegeven dat aanvragen die minder dan vier weken voorafgaand aan de geplande starts en landingen zijn ingediend, voorafgaand aan de datum van de geplande starts en landingen afgehandeld kunnen/zullen worden.

 

Ad e. Overleg met gemeenten

De verplichting (van art. 35 lid 2 van de RVGLT) om overleg te voeren met de burgemeester van de desbetreffende gemeente heeft als doel gevaarlijke situaties of verstoring van openbare orde te voorkomen. In alle gevallen wordt de burgemeester gevraagd om advies. Bij dit verzoek wordt aangegeven dat als de burgemeester niet reageert, de burgemeester geacht wordt geen bezwaar te hebben tegen het verlenen van de ontheffing.

Bij aanvragen om generieke TUG-ontheffingen zijn de start- en landingslocaties nog niet bekend. Omdat geen enkele gemeente bij voorbaat uitgesloten is, moet vooraf met alle burgemeesters van de Groninger gemeenten overlegd worden. Tot 2015 is dit gedaan door burgemeesters een afschrift van het verzoek te zenden met het verzoek te reageren. De reacties die hierop zijn ontvangen waren instemmend (afgezien van de aanwijzing van specifieke terreinen door de gemeente Groningen) en in de meeste gevallen is een reactie uitgebleven, wat tevens instemming betekende. Dit betekent in de praktijk een omvangrijke administratieve last, temeer omdat het gebruik van generieke ontheffingen in de regel niet meer dan 1 à 2 dagen betreft, en er in veel gevallen helemaal geen gebruik van de ontheffing wordt gemaakt (helikopterbedrijven vragen in alle provincies ontheffingen aan om te allen tijde aan opdrachten te kunnen voldoen, maar in de praktijk gaat het om een beperkt aantal opdrachten per provincie per jaar).

In verband hiermee hebben wij, om onnodige bestuurslasten te beperken, alle burgemeesters van Groningen in december 2014 voorgesteld het in de periode 2010-2014 gevoerde overleg te beschouwen als het ingevolge art. 35 lid 2 RVGLT te voeren overleg, en dit overleg niet meer per verzoek om een generieke TUG-ontheffing te voeren. Geen van de burgemeesters heeft dit voorstel afgewezen.

In de sinds januari 2015 verleende generieke ontheffingen wordt verwezen naar het hiervoor beschreven overleg en worden de verzoeken om die ontheffingen niet meer naar burgemeesters gestuurd. Deze werkwijze sluit nog steeds niet uit dat burgemeesters voor de (generieke) TUG-ontheffingen specifieke terreinen kunnen aanwijzen en/of uitsluiten.

 

Ad f. Melding voorafgaand aan starts en landingen

De houder van de TUG-ontheffing dient (ingevolge art. 35 lid 3 RVGLT), ten minste 24 uur voor de uitvoering van de vlucht, dit voornemen te melden aan de minister (lees: ILenT) en de burgemeester van de gemeente waarin het betreffende terrein ligt.

In de TUG-ontheffing bepalen wij aanvullend dat een melding van het voornemen moet worden gedaan aan Gedeputeerde Staten. Deze laatste melding wordt voorgeschreven uit het oogpunt van toezicht en handhaving op de naleving van de voorschriften van de TUG-ontheffing.

Voor de melding aan ILenT en aan de provincie dienen de volgende emailadressen te worden gebruikt:

- luchtvaart@provinciegroningen.nl;

- meldingtug@ilent.nl.

 

3. De TUG-ontheffing

3.1 Twee soorten TUG-ontheffingen

Rekening houdend met de verschillende belangen en wensen van de luchtvaartsector is het mogelijk om twee soorten TUG-ontheffingen aan te vragen. Dit zijn de:

  • 1.

    generieke ontheffing

    Ontheffing voor terreinen binnen de provincie Groningen, zoals toegestaan ingevolge deze beleidsregel, met een melding voorafgaand voor maximaal twee starts en twee landingen per dag met een maximum van 12 dagen per terrein per kalenderjaar met de geldigheidsduur van maximaal één kalenderjaar, en de;

  • 2.

    locatiegebonden ontheffing

    Ontheffing bij evenementen/projecten voor starts en/of landingen op een specifiek terrein op één of meerdere dagen, met een maximum van 12 dagen per terrein per periode van een jaar.

     

Ad 1. generieke ontheffing

De generieke TUG-ontheffing is bedoeld voor maximaal twee starts en twee landingen per dag per locatie. De generieke ontheffing wordt verleend voor het gehele grondgebied van de provincie, behalve daar waar het stijgen en landen is uitgezonderd.

Met deze constructie wordt bereikt dat incidenteel gestart en geland kan worden van/op een terrein zonder dat voor die specifieke locatie een locatiegebonden TUG-ontheffing moet worden aangevraagd. Op deze manier wordt een bepaalde mate van flexibiliteit gecreëerd voor de luchtvaartsector en worden administratieve lasten voor overheid en bedrijfsleven beperkt, zonder dat belangen van derden in ontoelaatbare mate worden geschaad. Er is immers sprake van een kortdurende activiteit.

In de voorgaande versie van deze beleidsregel (provinciaal blad 21, 28 november 2012) werd gesproken van drie landingslocaties in de gemeente Groningen: de sportparken Vinkhuizen, Kardinge en Coendersborg. Laatstgenoemde is in oktober 2013 voor het eerst gebruikt als landings- en startlocatie van een tweetal helikopters. Toen is vastgesteld dat er rond deze landingslocatie diverse belemmeringen in de vorm van obstakels zijn (onder meer van lichtmasten, bomen, een bovengrondse hoogspanningsverbinding en de bovenleiding van een railverbinding). Gelet hierop is de locatie Sportpark Coendersborg niet meer opgenomen in de generieke ontheffingen. In deze aangepaste beleidsregel is dit nu vastgelegd en daarmee vooraf kenbaar.

 

Ad 2. locatiegebonden ontheffing

De locatiegebonden ontheffingen worden verleend voor een specifiek terrein en omwille van de duidelijkheid voor omwonenden c.q. belanghebbenden in de omgeving, zo mogelijk voor specifieke data, in beginsel niet meer dan 12 dagen in een periode van een jaar. In bijzondere omstandigheden kunnen wij hier van afwijken (zie toetsingscriteria)..

De voorwaarden zijn aangegeven in §2.3 van deze toelichting, onder Ad a.

Het aantal starts en landingen op het terrein is bij een locatiegebonden TUG-ontheffing niet gemaximaliseerd op 2x2 zoals bij de generieke ontheffingen. Voor de locatiegebonden TUG-ontheffing kunnen specifieke voorwaarden worden verbonden al naar gelang de locatie.

Indien voor het gebruik maken van de ontheffing een ontheffing van ILenT nodig is (dit kan het geval zijn bij een luchtvaartvertoning), gaan wij er van uit dat deze wordt aangevraagd, en voor de gebruiksdatum is verleend.

 

3.2 Toetsingscriteria

Bij het beoordelen van een aanvraag voor een TUG-ontheffing wordt eerst getoetst aan de voorwaarden van de Wet, en daarbij speciaal het Besluit burgerluchthavens en de RVGLT. Vervolgens wordt getoetst aan de criteria zoals deze zijn opgenomen in de onderhavige beleidsregel.

Bij een aanvraag om een locatiegebonden TUG-ontheffing worden de kaart van het buitengebied, de Natuurkaart en de kaarten van de weidevogel- en ganzenfoerageergebieden gebruikt om te bepalen of verlenen van de ontheffing voor de gewenste locatie toelaatbaar is (ontheffing in beginsel alleen in buitengebied, maar niet in NNN-gebieden en weidvogelgebieden c.q. ganzenfoerageergebieden in de aangegeven perioden).

Bij een generieke ontheffing kan niet worden getoetst aan de kaarten, omdat de start- en landingslocatie(s) nog niet bekend zijn. Hierdoor wordt de kaart in de vorm van een voorschrift verbonden aan de TUG-ontheffing. Voor een generieke ontheffing wordt daarnaast gekeken naar de belangen (maatschappelijk en/of economisch).

In ieder geval worden de volgende algemene criteria bij de afwegingen ten behoeve van het al dan niet verlenen van de TUG-ontheffing betrokken:

  • a.

    het belang voor aanvrager en/of de opdrachtgever;

  • b.

    het belang van de leefomgeving (met name ten aanzien van de geluidbelasting), de openbare orde en veiligheid;

  • c.

    het belang voor natuur, milieu;

  • d.

    het advies van de burgemeester naar aanleiding van het verplicht overlegmoment in het kader van openbare orde en veiligheid.

     

Ad a. Het belang van de aanvrager en/of de opdrachtgever

Een bepaalde noodzaak of een bepaald belang (technisch, economisch, bedrijfsmatig, humaan of anders) kan een rol spelen bij de afwegingen over de te verwachten hinder of andere negatieve effecten. In het belang van de luchtvaartsector wordt aan bedrijfsmatig gebruik van terreinen ten behoeve van starts en landingen een zwaarder gewicht toegekend dan aan recreatief gebruik. Starts en landingen met helikopters zijn in alle gevallen bedrijfsmatig en vinden vanwege hun aard vaak plaats buiten aangewezen luchthavens.

 

Ad b. Het belang van de leefomgeving

Hinder als gevolg van starts en landingen wordt onwenselijk geacht en dient zoveel als mogelijk voorkomen te worden.

De mate van hinder wordt in belangrijke mate bepaald door de afstand (tot woningen en andere geluidgevoelige gebouwen). Vanwege dit aspect staan wij op het standpunt dat bebouwde omgevingen in principe niet in aanmerking komen voor TUG-ontheffingen. In art. 3 lid 2 is daarom bepaald dat TUG-ontheffingen in beginsel alleen in het buitengebied worden verleend.

Het buitengebied is aangegeven op kaart 1 van de Omgevingsvisie en van de Omgevingsverordening provincie Groningen 2016 (digitaal benaderbaar via de website van de provincie Groningen, www.provinciegroningen.nl,onder 'beleid' en via Ruimtelijkeplannen.nl).

In voorkomende gevallen, als aangetoond wordt dat op een locatie niet gelegen in het buitengebied veilig en zonder een belangrijke mate van verstoring gebruik kan worden gemaakt van het aangevraagde terrein, kunnen wij hiervan afwijken. Een bepaalde noodzaak voor de vluchten (maatschappelijk dan wel economisch) kan een rol spelen bij de afwegingen hierover.

Hinder voor de omgeving hangt voorts sterk samen met het type luchtvaartuig, waarbij ongemotoriseerde luchtvaartuigen aanzienlijk minder hinder en verstoring veroorzaken dan gemotoriseerde luchtvaartuigen. Indien sprake is van een aanvraag voor starts en landingen met gemotoriseerde luchtvaartuigen zal in de belangenafweging een zwaarder gewicht worden toegekend aan de belangen genoemd onder de punten b. Het aantal gebruiksdagen en het aantal starts en landingen op een dag spelen ook een belangrijke rol bij de mate van invloed. Hierdoor kan dit aan een maximum worden gebonden. De criteria die wij hierbij in beginsel hanteren zijn aangegeven in art. 4 lid 2 van deze beleidsregel.

Voorts wordt aan ontheffingen het voorschrift verbonden dat alleen tijdens de uniforme daglichtperiode (UDP) mag worden gevlogen), zoals voor de betreffende datum is vermeld in de AIS/Luchtvaartgids Nederland (zie GEN 2.7 op www.ais-netherlands.nl) (artikel 5 onder a van deze beleidsregel).

Met deze criteria, en de overweging dat de ontheffing betrekking heeft op een beperkt aantal dagen per jaar waarmee eventuele hinder in beginsel acceptabel mag worden geacht, zien wij geen aanleiding tot het stellen van nadere eisen in verband met de geluidsbelasting als gevolg van vliegbewegingen.

Alhoewel de bevoegdheid van Gedeputeerde Staten zich beperkt tot het starten- en landen, kunnen de te verwachten vliegroutes van invloed zijn op de te maken afwegingen.

Het belang van vliegveiligheid worden beschermd door de RVGLT, waarin rechtstreeks werkende regels en eisen zijn opgenomen ten aanzien van de start- en landingslocatie.

In de aanvraagformulieren wordt de aanvrager voorts gevraagd aan te geven of deze zich ervan heeft vergewist dat de eigenaar van het desbetreffende terrein toestemming voor het gebruik ervan heeft gegeven. Volgens de RVGLT is toestemming van de terreineigenaar geen vereiste voor het afgeven van een TUG-ontheffing. Er wordt vanuit gegaan dat dit een civielrechtelijke kwestie is tussen de gebruiker en de eigenaar van het terrein. Om problemen bij het gebruik van de ontheffing te voorkomen hebben wij dit in het formulier opgenomen.

Met het oog op veiligheid in relatie tot overige luchtvaart zijn in artikel 3 lid 5 regels opgenomen in verband met bestaande luchthavens en militaire laagvliegroutes.

Voor bestaande regionale luchthavens in de provincie Groningen zijn, voor zover hiervoor een luchthavenbesluit geldt, beperkingengebieden (in verband met vliegveiligheid en de geluidsbelasting) vastgesteld. Dit betreft de luchthavens Oostwold en Stadskanaal. Voor de terreinen van Grootegast en Veendam is een luchthavenregeling vastgesteld, waarin geen beperkingengebieden zijn opgenomen. Voorts ligt een deel van de controllzone van de luchthaven Eelde binnen het grondgebied van Groningen. Het verlenen van een TUG-ontheffing nabij de bestaande luchthavens kan ontoelaatbaar risico opleveren, en daarom kan een ontheffing daar worden geweigerd. In hoeverre dit noodzakelijk is hangt af van de locatie, en de afstand tot de luchthavens.

Voorts is ligt er in het uiterste zuidwesten van onze provincie een militaire laagvliegroutes voor jachtvliegtuigen en transportvliegtuigen (route 10, vastgesteld in de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening 4 ). Daar geldt een minimale vlieghoogte van 75 meter. In verband met de veiligheid mag onder deze laagvliegroutes niet hoger worden gebouwd dan 40 meter. Het betreft een strook van 1 nautische mijl (1852 meter) aan beide zijden van de middellijn van de route. Vanwege de minimale vlieghoogte zijn ontheffingen in die zone niet toelaatbaar.

 

Ad c. Het belang voor natuur en milieu

Aan de bescherming van de belangen voor natuur geven wij invulling door uitsluiting van gebieden van het Natuur Netwerk Nederland (NNN) voor ontheffingen. Het NNN is een Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. In de wet heet dit de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Door middel van het netwerk moeten natuurgebieden beter worden verbonden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. In het Natuur Netwerk Nederland liggen:

  • bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken;

  • gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt;

  • landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer;

  • grote wateren (totaal ruim 6 miljoen hectare): meren, rivieren, de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee;

  • alle Natura 2000-gebieden.

Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. In juridische zin komt Natura 2000 voort uit de Europese Vogel- en Habitatrichtlijnen; in Nederland omgezet in de Wet Natuurbescherming.

 

De gebieden van het Natuur Netwerk Nederland en de leefgebieden van weidevogels zijn aangegeven op kaart 6 van de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening provincie Groningen (digitaal benaderbaar via de website van de provincie Groningen, www.provinciegroningen.nl ,onder 'beleid' en via Ruimtelijkeplannen.nl ).

 

Er wordt geen ontheffing verleend als vanuit NNN-gebieden wordt opgestegen, als daarin wordt geland, of als daarover, bij opstijgen en/of landen, wordt gevlogen. Ook mag er onder dezelfde voorwaarden geen gebruik worden gemaakt van generieke ontheffingen.

Binnen de weidevogelgebieden geldt het verbod gebruik te maken van de ontheffing tijdens het broedseizoen. Voor een strook van 1 kilometer breed langs de Waddenkust en voor ganzenfoerageergebieden geldt deze uitsluiting tijdens de trek- en winterperiode, van 1 oktober tot 1 april.

 

Ganzenfoerageergebieden zijn door GS van Groningen aangewezen in het besluit "Vaststellen begrenzing ganzenfoerageergebieden" (laatstelijk op 22 september 2015, provinciaal blad nr. 6467, 30 september 2015), en aangegeven op kaart 6 van de Omgevingsvisie provincie Groningen (digitaal benaderbaar via de website van de provincie Groningen, , www.provinciegroningen.nl , onder 'beleid' en via www.ruimtelijkeplannen.nl ).

 

Voor die gebieden kunnen buiten de aangegeven perioden wel ontheffingen worden verleend. Voor locatiegebonden ontheffingen kan een uitzondering worden gemaakt, op voorwaarde dat daarvoor een vergunning op grond van de Wet Natuurbescherming is verleend.

Voorts geldt bij de invloed op de natuur (evenals bij de invloed op de woonomgeving) dat het aantal gebruiksdagen en aantal starts en landingen op een dag een belangrijke rol bij de mate van invloed. Hierdoor kan dit aan een maximum worden gebonden. De criteria die wij hierbij in beginsel hanteren zijn aangegeven in art. 4 lid 2 van deze beleidsregel.

In generieke ontheffingen worden de uitsluitingen en perioden als voorschriften aan de ontheffing verbonden.

Ook buiten de perioden waar opstijgen en landen van/op leefgebieden voor weidevogels of ganzenfoerageergebieden niet is toegestaan, is de houder van een TUG-ontheffing ingevolge de Flora en faunawet verantwoordelijk voor het voorkomen van verstoring van natuur in de betreffende gebieden.

De gebieden met beperkingen zijn in de bijlage bij deze beleidsregel aangegeven, en hebben de peildatum van de vaststelling van deze beleidsregel.Als de betreffende aanwijzingen wijzigen, zijn de gewijzigde kaarten het toetsingskader ingevolge deze beleidsregel.

 

Ad d. Het advies van de burgemeester naar aanleiding van het verplicht overlegmoment in het kader van openbare orde en veiligheid

Het overlegmoment met de burgemeester heeft als doel gevaarlijke situaties of verstoring van de openbare orde te voorkomen. Negatief advies van de burgemeester kan leiden tot weigeren van een aanvraag om TUG-ontheffing. De bevoegdheden van de burgemeester in dezen beperken zich echter in beginsel tot de openbare orde.

 

3.3 De aanvraag van een TUG-ontheffing

Voor het aanvragen van een TUG-ontheffingen dient bij voorkeur gebruik te worden gemaakt van digitale formulieren op de website van de provincie Groningen (www.provinciegroningen.nl, te vinden onder 'loket' > 'luchtvaart').

In het formulier voor de ontheffingen is een kaart opgenomen, waar de (in beginsel) uitgesloten gebieden zijn aangegeven. Als een ontheffing binnen de uitgesloten gebieden wordt aangevraagd, vraagt dit om een nadere toelichting van de aanleiding en het belang van de vluchten.

 

3.4 Melding van het gebruik achteraf

 

Standaard wordt in ontheffingen voorgeschreven dat het gebruik van terreinen achteraf, binnen 4 weken na het betreffende kwartaal, moet worden gemeld aan de provincie en aan ILenT (art. 5 sub e van deze beleidsregel).

Voor de melding aan Gedeputeerde Staten en aan de Minister (ILenT) dienen de volgende e-mailadressen te worden gebruikt:

  • luchtvaart@provinciegroningen.nl;

  • meldingtug@ilent.nl.

 

 


1

Regelgeving burgerluchthavens en militaire luchthavens, wet waarmee de Wet luchtvaart op 1 november 2009 is ingevoerd.

2

Regeling veilig gebruik luchthavens en andere terreinen.

3

Artikel 18 Regeling burgerluchthavens

4

Regeling van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 9 december 2011, nr. IENM/BSK-2011/161600, houdende vaststelling van algemene regels ter bescherming van nationale ruimtelijke belangen.