Openstellingsbesluit paragraaf 6 niet-productieve investeringen water: Subsidieverordening Plattelandsontwikkelingsprogramma 2014–2020 (POP3) Limburg

besluiten

 

Gedeputeerden Staten van Limburg

 

Paragraaf 6 ‘niet-productieve investeringen water’ voor de (her)inrichting, of transformatie en het beheer van het watersysteem voor landbouw-, water- en klimaatdoelen van hoofdstuk 2 (hierna te noemen ‘Paragraaf 6’ van deze Verordening) onder volgende nadere regels open te stellen.

 

Artikel 1 Openstellingsperiode

Paragraaf 6 wordt opengesteld voor het indienen van subsidieaanvragen voor de periode 10 oktober 2016 tot en met 31 januari 2017. Een subsidieaanvraag dient uiterlijk 31 januari 2017 compleet te zijn ontvangen door Gedeputeerde Staten.

Artikel 2 Subsidieplafond

Het subsidieplafond wordt voor 2016 voor Paragraaf 6 vastgesteld op € 6,18 mln. bestaande uit 100% Europese middelen (ELFPO).

Artikel 3 Subsidiabele activiteit

  • 1.

    Subsidie kan worden verstrekt voor niet-productieve investeringen in het landelijk gebied van Limburg die betrekking hebben op de (her)inrichting, of transformatie en het beheer van het watersysteem voor landbouw-, water- en klimaatdoelen, passend binnen het Provinciaal Waterplan Limburg 2016-2021.

  • 2.

    De subsidiabele activiteiten dienen een bijdrage te leveren aan één of meer van de volgende doelen:

    • a.

      De realisatie van de doelen uit de Kader Richtlijn Water (KRW), zoals opgenomen in het Provinciaal Waterplan Limburg 2016–2021, inclusief het bijbehorende Uitvoeringsprogramma Water (website provincie Limburg), vastgesteld door Provinciale Staten op 11 december 2015.

    • b.

      De realisatie van doelen voor het thema Zoetwatervoorziening Zuid Nederland, zoals opgenomen in het Werkprogramma Zoetwatervoorziening Hoge Zandgronden “Wel goed water geven”, 2016–2021 (website: www.deltacommissaris.nl, www.limburg.nl/e_Loket/subsidies, Staatscourant 2015 Nr. 33643, Bestuursovereenkomst Zoetwatervoorziening Hoge Zandgronden 2016–2021 in Regio Zuid van de samenwerkende Partijen in het Deltaplan Hoge Zandgronden in Zuid-Nederland, bijlage document getiteld: ‘Wel goed watergeven, Werkprogramma Hoge Zandgronden 2016–2021’ bestuurlijk geaccordeerd door de Stuurgroep RBOM/DHZ op 21 mei 2015).

    • c.

      De realisatie van behoud en herstel van de natte natuur en verbetering van de waterkwaliteit, zoals opgenomen in het Provinciaal Waterplan Limburg 2016 – 2021, inclusief het bijbehorende Uitvoeringsprogramma Water, vastgesteld door Provinciale Staten op 11 december 2015.

  • 3.

    Subsidie wordt uitsluitend verstrekt voor niet-productieve investeringen als bedoeld in het artikel 2.6.1 van de Verordening (herinrichting of transformatie en het beheer van het watersysteem voor landbouw-, water- en klimaatdoelen met een directe link met de landbouw).

  • 4.

    De minimale subsidiabele kosten per aanvraag bedragen € 250.000,00.

  • 5.

    Indien een adviescommissie wordt ingesteld worden alle aanvragen die voor subsidie in aanmerking hieraan voorgelegd.

Artikel 4 Aanvrager

Subsidie kan worden aangevraagd door:

  • a.

    landbouwers;

  • b.

    grondeigenaren;

  • c.

    grondgebruikers;

  • d.

    landbouworganisaties;

  • e.

    natuur- en landschapsorganisaties;

  • f.

    provincies;

  • g.

    waterschappen;

  • h.

    gemeenten;

  • i.

    samenwerkingsverbanden van bovenstaande partijen.

Artikel 5 Subsidiabele kosten

In aanvulling op artikel 1.12 van de Verordening zijn de volgende kosten subsidiabel:

  • a.

    de kosten van de bouw, verbetering, verwerving of leasing van onroerende goederen;

  • b.

    de kosten van koop of huurkoop van nieuwe machines en installaties tot maximaal de marktwaarde van de activa;

  • c.

    de kosten van tweedehands installaties tot maximaal de marktwaarde;

  • d.

    de kosten van ingehuurde adviseurs, architecten en ingenieurs;

  • e.

    de kosten van adviezen duurzaamheid op milieu en economisch gebied;

  • f.

    de kosten van haalbaarheidsstudies;

  • g.

    de kosten van verwerving of ontwikkeling van computersoftware;

  • h.

    niet verrekenbare of niet compensabele BTW;

  • i.

    personeelskosten.

Artikel 6 Hoogte subsidie

De subsidie bedraagt 100% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 2 mln. per aanvraag.

Artikel 7 Selectiecriteria, weging en selectie

Gedeputeerde Staten hanteren voor de rangschikking als bedoeld in artikel 1.15 van de Verordening de volgende criteria:

  • a.

    de kosteneffectiviteit, hetgeen blijkt uit de verhouding tussen indirecte kosten ten opzichte van de directe kosten, aan de hand van de volgende score:

    Is de verhouding 25% of meer dan worden nul punten gescoord.

    Ligt de verhouding tussen minder dan 25% tot en met 20% wordt 1 punt gescoord.

    Ligt de verhouding tussen minder dan 20% tot en met 15% worden 2 punten gescoord.

    Ligt de verhouding tussen minder dan 15% tot en met 10% worden 3 punten gescoord.

    Ligt de verhouding tussen minder dan 10% tot en met 0% worden 4 punten gescoord.

  • b.

    de mate waarin de activiteit bijdraagt (effectiviteit) aan één of meerdere beleidsdoelen uit artikel 3.1 sub a t/m c:

    Draagt het project of de genomen maatregel bij aan de doelen voor verbetering van de fysisch-chemische waterkwaliteit en/of het ecologisch functioneren van watersystemen, en de klimaatbestendige inrichting van watersystemen (het duurzaam voorkomen of beperken van wateroverlast en of watertekort via herstel van de sponswerking van het landschap) zoals opgenomen in Provinciaal Waterplan Limburg 2016–2021, inclusief het bijbehorende Uitvoeringsprogramma Water en het Werkprogramma Zoetwatervoorziening Hoge Zandgronden 2016–2021. Voor wat betreft kwalitatieve aspecten wordt onderscheid gemaakt in de omvang (criterium: lengte waterloop geringer of groter dan 2 km) en aard van het water waarop de activiteit zich richt. Qua aard wordt onderscheid gemaakt in KRW-oppervlaktewaterlichamen (zie Kaart 5a en 5b van het Provinciaal Waterplan Limburg) en overig water (alle waterlopen niet-zijnde KRW-oppervlaktewaterlichamen).

    Voor wat betreft de kwantitatieve aspecten van het watersysteem wordt onderscheid gemaakt in de mate waarin bijgedragen wordt aan een duurzame, robuuste, klimaatbestendige inrichting van het watersysteem (waarbij rekening gehouden wordt met actuele klimaatscenarios).

    • b.1.

      Waterkwaliteit en ecologish functioneren (kwalitatieve aspecten van het watersysteem):

      Het maximale aantal punten voor verbetering van de waterkwaliteit bedraagt 4 punten, waarbij de volgende verdeling wordt gehanteerd:

      • het project(doel) of de genomen maatregel draagt niet of onvoldoende bij aan bovengenoemde doelen voor verbetering van de fysisch-chemische waterkwaliteit en/of het ecologisch functioneren van het watersysteem, score: 0 punten;

      • de activiteit richt zich primair op een aanzienlijke verbetering van de waterkwaliteit van een overig water met een beperkte omvang (lengte waterloop minder dan 2 km), score: 1 punt;

      • de activiteit richt zich primair op een aanzienlijke verbetering van de waterkwaliteit van meerdere (tenminste 2) overige wateren van beperkte omvang, score: 2 punten.

      • de activiteit richt zich primair op een aanzienlijke verbetering van de waterkwaliteit van overig water èn van een KRW-oppervlaktewaterlichaam (lengte minimaal 2 km), score: 3 punten;

      • de activiteit richt zich primair op een aanzienlijke verbetering van de waterkwaliteit èn het ecologisch functioneren van een KRW-oppervlaktewaterlichaam (lengte minimaal 2 km), score:4 punten.

    • b.2.

      Klimaatbestendige inrichting (kwantitatieve aspecten van het watersysteem):

      Het maximale aantal punten voor verbetering van de klimaatbestendige inrichting van het watersysteem bedraagt 4 punten, met de volgende scoreopbouw:

      • de activiteit richt zich niet op de aanpak van wateroverlast en/of watertekort en draagt niet bij aan een klimaatbestendige inrichting van het watersysteem, score 0 punten;

      • de activiteit richt zich tevens op de aanpak van wateroverlast en/of watertekort maar draagt niet bij aan een duurzame, klimaatbestendige inrichting van het watersysteem, doordat de maatregelen betrekking hebben op een gering oppervlak ((< 1 ha) en/of het ontbreken van natuurgerichte waterconserverings- en/of waterbergingsmaatregelen, score 2 punten;

      • de activiteit richt zich tevens op de aanpak van wateroverlast en/of watertekort en draagt substantieel bij aan een duurzame, klimaatbestendige inrichting van het watersysteem, doordat de maatregelen betrekking hebben op de aanpak van een gebied met substantele omvang (≥ 1 ha) en/of het uitvoeren van natuurgerichte waterconserverings- en/of waterbergingsmaatregelen, score 4 punten.

    • b.3.

      Voorkeurslocatie van de te nemen activiteit:

      Voorrang wordt geven aan activiteiten die betrekking hebben op bepaalde voorrangsgebieden met maximaal 4 punten aan de hand van volgende criteria:

      • de activiteit richt zich in of rondom waterlopen gelegen binnen de beekdalen zoals aangeduidop Kaart 3 Regionaal Watersysteem van het Provinciaal Waterplan Limburg 2016–2021, dan wel in of rondom de zogeheten Natte Natuurparels zoals aangeduid op Kaart 4 van het Provinciaal Waterplan Limburg 2016–2021, dan wel in grondwaterbeschermingsgebieden zoals aangeduid op Kaart 8 Grondwaterbeschermingsgebieden van het Provinciaal Waterplan Limburg 2016–2021, score: 4 punten;

      • de activiteit richt zich op locaties buiten bovengenoemde voorrangsgebieden, score: 1 punt.

  • c.

    samenwerking met maximaal 2 punten, hetgeen blijkt uit een samenwerkingsovereenkomst of intentieverklaring met één of meerdere partijen voor minimaal de projectperiode, score: 2 punten aanwezigheid samenwerkingsdocument, score 0 punten bij afwezigheid samenwerkingsdocument.

Artikel 8 Puntenmethodiek en weigeringsgronden

Het puntentotaal per aanvraag wordt samengesteld uit de te behalen punten op basis van deze methodiek, waarbij voor de rangschikking van de subsidieaanvragen zoals bedoeld in artikel 1.15 en artikel 2.6.5 van de Verordening de volgende wegingsfactoren gelden:

  • voor het criterium genoemd in artikel 7.a. is de wegingsfactor 2;

  • voor het criterium genoemd in artikel 7.b.1. is de wegingsfactor 3;

  • voor het criterium genoemd in artikel 7.b.2. is de wegingsfactor 3;

  • voor het criterium genoemd in artikel 7.b.3. is de wegingsfactor 3;

  • voor het criterium genoemd in artikel 7.c. is de wegingsfactor 1.

     

  • a.

    Het aantal te behalen punten voor het criterium uit:

    artikel 7 sub a bedraagt maximaal 4 (score) x 2 (wegingsfactor) = 8 punten;

    artikel 7 sub b bedraagt maximaal 12 (score) x 3 (wegingsfactor) = 36 punten;

    artikel 7 sub c bedraagt maximaal 2 (score) x 1 (wegingsfactor) = 2 punten.

    Een aanvraag kan maximaal 46 punten behalen.

  • b.

    Het criterium uit artikel 7 sub a dient een minimumscore van 1 punt te behalen.

  • c.

    Weigeringsgronden

    • Projecten dienen een minimumscore van 26 punten te behalen om voor subsidie in aanmerking te komen.

    • Op het criterium genoemd in artikel 7.a. niet een minimumscore van 1 punt wordt behaald.

    • Op het criterium genoemd in artikel artikel 7, onderdeel b1 of b2 een 0 gescoord wordt.

    • Een aanvraag onvolledig is en niet getoetst kan worden aan de geldende criteria.

Artikel 9 Verplichting

Aanvragers dienen bij het eerste jaarverslag de voor het project benodigde vergunningen te overleggen.

Aanvragers die een voorschot (tussentijdse betaling) willen ontvangen kunnen daartoe een verzoek indienen op grond van artikel 1.23 (op basis van realisatie) van de Verordening.

Aldus besloten in de vergadering van Gedeputeerde Staten van Limburg, gehouden op 13 september 2016.

de voorzitter,

dhr. drs. Th.J.F.M. Bovens

de secretaris

dhr. mr. A.C.J.M. de Kroon

Toelichting

 

Bij de ‘Regeling POP3: niet-productieve investeringen water’ (Non productief internationale doelen).

 

Op 16 februari 2015 heeft de Europese Commissie het derde Plattelandsontwikkelingsprogramma 2014–2020 goedgekeurd. Het Plattelandsontwikkelingsprogramma (POP) is een Europees subsidieprogramma dat gericht is op de versterking van het Nederlandse platteland. POP3 is een vervolg op POP2 en loopt van 2014–2020. POP3 wordt gefinancierd vanuit ELFPO; het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling.

 

Om tot subsidiëring van projecten over te kunnen gaan maakt de provincie gebruik van subsidie-regelingen. De ‘Regeling niet-productieve investeringen water’ (Non productief internationale doelen) is één van de regelingen, op basis waarvan POP3-middelen kunnen worden aangevraagd. Met deze regeling wordt fors ingezet op de beleidsthema’s van het Provinciaal Waterplan Limburg 2016–2021, zijnde de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water (KRW) en de realisatie van klimaatadaptatie, gericht op verbetering van de (ecologische) waterkwaliteit, vergroting van de beschikbare regionale (grond)watervoorraad, en vermindering van schade door watertekorten en wateroverlast door de ontwikkeling van ecologisch gezond functionerende, robuuste klimaatbestendige watersystemen. Niet-productieve investeringen zijn die investeringen die geen aanmerkelijke stijging van de waarde of rentabiliteit van een bedrijf tot gevolg hebben. Het gaat bij niet-productieve investeringen bijvoorbeeld om investeringen gericht op verbetering van de waterkwalitatieve en /kwantitatieve aspecten van de Limburgse watersystemen om daarmee een bijdrage te leveren aan doelstellingen van het Provinciaal Waterplan Limburg 2016–2021, inclusief het bijbehorende Uitvoeringsprogramma Water, de Kaderrichtlijn Water en het Deltaprogramma Zoetwatervoorziening, inclusief bij bijbehorende Werkprogramma Zoetwatervoorziening Hoge Zandgronden 2016–2021.

 

De regeling is gericht op investeringen in het landelijk gebied die betrekking hebben op de (her)inrichting/transformatie en het beheer van het watersysteem voor landbouw-, water- en klimaatadaptatiedoelen, zoals vastgelegd in genoemd provinciaal waterbeleid. Deze regeling is in beginsel inzetbaar voor het gehele gebied van de provincie Limburg. Een projectaanvraag moet een relatie met het landbouwkundig grondgebruik hebben en onder andere gericht zijn op het verbeteren van de waterkwaliteit en/of het vasthouden van water om daarmee de milieuhygiënische omstandigheden voor de productie van voedsel als ook de algehele kwaliteit van de leefomgeving te verbeteren, als ook om droogte en wateroverlast voor landbouw én andere grondgebruiksfuncties te voorkomen.

 

Bij de toepassing van de selectiecriteria geldt de volgende toelichting:

 

Criterium a. Kosteneffectiviteit van maatregelen:

Hierbij gaat het om een kosteneffectieve uitvoering met een maximaal doelbereik. Bij kosteneffectiviteit gaat het vooral om de investeringen zoveel mogelijk via het effectief realiseren van fysieke maatregelen te laten landen, vandaar dat gekozen is voor de verhouding indirecte/directe kosten als criterium. De kosten uit artikel 5. a. tot en met i. worden als ‘algemene kosten’ (indirecte kosten) beschouwd. Indirecte kosten zijn die kosten die zijn aan te merken als algemene kosten als bedoeld in artikel 45, tweede lid, onderdeel c van Vo. 1305/2013.

 

Citaat:

‘VERORDENING (EU) Nr. 1305/2013 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 17 december 2013 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (ELFPO) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad.

Artikel 45

Investeringen

  • 1.

    Om voor ELFPO-steun in aanmerking te komen, moeten de concrete investeringsacties worden voorafgegaan door een beoordeling van de te verwachten milieueffecten overeenkomstig het recht dat die specifiek is voor deze soort investering, in gevallen waarin de investering waarschijnlijk nadelige gevolgen zal hebben voor het milieu.

  • 2.

    Uitsluitend de volgende uitgaven worden als ELFPO-subsidiabel beschouwd:

    • a.

      uitgaven voor de bouw, verwerving, inclusief leasing, of verbetering van onroerende goederen;

    • b.

      uitgaven voor de koop of huurkoop van nieuwe machines en installaties tot maximaal de marktwaarde van de activa;

    • c.

      algemene kosten in verband met de onder a) en b) bedoelde uitgaven, zoals voor het inschakelen van architecten, ingenieurs en adviseurs, advies over duurzaamheid op milieu- en economisch gebied, met inbegrip van het uitvoeren van haalbaarheidsstudies. Haalbaarheidsstudies blijven subsidiabele uitgaven, ook indien er op basis van de resultaten ervan geen uitgaven als bedoeld onder a) en b) zijn gedaan’.

Einde citaat.

 

Criterium b. de mate waarin de activiteit bijdraagt aan de beleidsdoelen:

 

Projecten dienen een bijdrage te leveren aan de realisatie van de doelen voor de Kaderrichtlijn Water (KRW), de EU-Nitraatrichtlijn en het beleidsthema “klimaatadaptatie/zoetwatervoorziening”. Dit zijn de relevante (inter)nationale / EU-doelen voor het beleidsthema water.

 

Voor de realisatie van bovenstaande doelen is het van belang aansluiting te zoeken bij het water-beheerprogramma van het waterschap, natuurontwikkelings- en of beheerplannen van natuur en landschapsorganisaties waarbinnen het projectgebied valt.

 

Bij het ontwikkelen van selectiecriteria is onderscheid gemaakt in effectiviteit van maatregelen op het gebied van verbetering van de waterkwaliteit, het bevorderen van de klimaatbestendig van het watersysteem als ook de prioritaire gebieden waar de maatregelen bij voorkeur in zouden moeten landen. Aan deze drie subcriteria is de wegingsfactor 3 toegekend omdat de effectiviteit van maatregelen van hoger belang wordt geacht als de kosteneffectiviteit en de samenwerking.

 

Bij criterium b. gelden voor water de volgende definities:

  • oppervlaktewaterlichaam: de oppervlaktewateren die krachtens de Kaderrichtlijn Water als zodanig zijn aangewezen in het Provinciaal Waterplan Limburg 2016–2021, kaart 5a;

  • overig water: de oppervlaktewateren die niet zijn aangewezen als oppervlaktewaterlichaam.

In praktijk houdt dit het volgende in: de hoofdstroom van de grotere beken is aangewezen als waterlichaam, kleinere beken en zijstromen vallen onder overig water.

 

Voor overige wateren zijn minder punten te scoren dan voor waterlichamen omdat waterlichamen belangrijker zijn en er onder andere (krachtens KRW) een rapportageverplichting richting EU op rust. Daarnaast zijn er voor overige water (kleinere beekdeeltrajecten) minder punten te scoren dan voor grotere: immers hoe langer het traject hoe meer milieurendement te behalen is. Voor oppervlaktewaterlichaam en overig water gelden derhalve separate scores.

 

Ad b1. Bij maatregelen gericht op waterkwaliteit wordt o.a. gedacht aan de aanleg- en inrichting van natuurvriendelijk oevers die tevens een buffer vormen tegen emissies naar oppervlaktewater, specifieke bovenwettelijke maatregelen gericht op het terugdringen van emissies van nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen naar het oppervlakte- en grondwater, zoals emissiebeperkende toepassingstechnieken in de teelt en zuiveringen van restwaterstromen glastuinbouw (alleen over periode tot aan 2018), het herstel van watersystemen naar hun natuurlijke toestand waaronder beek(dal)herstel, aanleg natuurvriendelijke oevers, moeras- en broekbosontwikkeling, bronherstel, landbouwstructuurverbetering eventueel in combinatie met realisatie van peilgestuurde drainage en de hermeandering van waterlopen. Daarnaast kan worden gedacht aan het herstellen van migratiemogelijkheden (b.v. aanleg vispassages), de vernatting van gronden, de aanleg van bufferzones langs watergangen, maatregelen die het waterbergend vermogen van gronden en watersystemen vergroten, de aanleg van helofytenfilters (natuurlijke waterzuiveringsystemen) en waterhuishoudkundige aanpassingen in het watersysteem.

 

Ad b2. Bij maatregelen gericht op klimaatbestendigheid wordt o.a. gedacht aan het herstel van de sponswerking van het landschap door het vergroten van het waterbergend vermogen van gronden, herstel van de natuurlijke veerkracht van watersystemen via brongerichte maatregelen als het vasthouden en bergen van het neerslagwater door een beekdalbrede herinrichting van natuurlijke waterlopen, het afkoppelen van neerslagafvoer van de riolering, het bevorderen van permanent grasland op hellende gebieden, het herstel van watersystemen naar hun natuurlijke toestand, waaronder beekdalherstel, aanleg natuurvriendelijke oevers, moeras- en broekbosontwikkeling, bronherstel, landbouwstructuurverbetering eventueel in combinatie met realisatie van peilgestuurde drainage en de hermeandering van waterlopen.

 

Ad b3. Bij de voorkeurslocatie van te nemen maatregelen is aansluiting gezocht bij de prioritaire opgaven voor herstel van het regionaal watersysteem zoals aangeduid in het Provinciaal Waterplan Limburg 2016–2021.

 

Criterium c. De mate waarin partijen samenwerken:

Bij de uitvoering van maatregelen wordt zoveel mogelijk een integrale gebiedsgerichte aanpak voorgestaan, die gericht is op realisatie van verschillende samenhangende wateropgaven en zo mogelijk gecombineerd met opgaven voor landbouw, natuur, landschap, recreatie, stedelijke ontwikkeling en cultuurhistorie. Ook wordt van initiatiefnemers zoveel mogelijk samenwerking met partijen verwacht, teneinde een optimale synergie te bewerkstelligen. Inbreng en betrokkenheid van meerdere partijen kan leiden tot meer draagvlak en realisatie van gezamenlijke projecten en een groter doelbereik.

 

De Regeling niet-productieve investeringen water is een nadere invulling van de algemene bepalingen uit de Subsidieverordening Plattelandsontwikkelingsprogramma 2014–2020 (POP3) Limburg. Aanvragen dienen dan ook te voldoen aan de criteria uit beide regelingen.

De systematiek staat het niet toe dat na sluiting van de indieningstermijn de aanvragen alsnog worden gewijzigd. Aanvragers worden geadviseerd de aanvragen minimaal veertien dagen vóór sluiting van de indieningstermijn in te dienen.

Naar boven